8‑18

Belgische Senaat

Gewone Zitting 2025‑2026

Plenaire vergaderingen

Vrijdag 10 juli 2026

Ochtendvergadering

8‑18

Sénat de Belgique

Session ordinaire 2025‑2026

Séances plénières

Vendredi 10 juillet 2026

Séance du matin

 

Handelingen

Annales

 

Inhoudsopgave

Sommaire

Goedkeuring van de agenda. 4

Huldebetoon aan de heer Etienne Davignon, Minister van Staat 4

Ontwerp van bijzondere wet tot wijziging van artikel 479 van het Wetboek van strafvordering en houdende harmonisatie van de bijzondere wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van leden van een gemeenschaps- of gewestregering met het Strafwetboek van 29 februari 2024 (Doc. 8‑215/1) 5

Algemene bespreking. 5

Artikelsgewijze bespreking. 7

Ontwerp van bijzondere wet houdende harmonisatie van diverse geldende wetsbepalingen met het Strafwetboek van 29 februari 2024 (Doc. 8‑219/1) 7

Algemene bespreking. 7

Artikelsgewijze bespreking. 7

Informatieverslag over de ontwikkeling van gewest- en grensoverschrijdende snelle carpoolnetwerken (Doc. 8‑161/1) 8

Bespreking. 8

Verzoek tot het opstellen van een informatieverslag “Tien jaar na de aanslagen in Brussel: balans van de opvolging van de aanbevelingen, evaluatie van de nog bestaande tekortkomingen en actualisering van de overheidsprioriteiten” (van de heer Gaëtan Van Goidsenhoven, mevrouw Valérie De Bue, de heer Philippe Dodrimont, de dames Véronique Durenne, Liesa Scholzen, Viviane Teitelbaum, Stéphanie Thoron en Anne‑Charlotte d’Ursel, de heren Jean‑Paul Wahl en Vincent Blondel, mevrouw Caroline Desalle, de heer Elhadj Moussa Diallo, de dames Anne‑Catherine Goffinet, Marie‑Claire Mvumbi en Katia Segers en de heren Kris Verduyckt, Benjamin Dalle en Peter Van Rompuy; Doc 8‑217/1) 25

Bespreking. 25

Verzoek tot het opstellen van een informatieverslag over de bestrijding van eenzaamheid (van mevrouw Bianca Debaets, de heren Benjamin Dalle en Stijn De Roo, mevrouw Katrien Partyka, de heer Peter Van Rompuy, mevrouw Kelly Van Tendeloo, de heer Gaëtan Van Goidsenhoven, mevrouw Valérie De Bue, de heer Philippe Dodrimont, de dames Véronique Durenne, Liesa Scholzen, Viviane Teitelbaum, Stéphanie Thoron en Anne‑Charlotte d’Ursel, de heren Jean‑Paul Wahl en Vincent Blondel, mevrouw Caroline Desalle, de heer Elhadj Moussa Diallo en de dames Anne‑Catherine Goffinet en Marie‑Claire Mvumbi; Doc. 8‑218/1) 35

Bespreking. 35

Benoeming van een lid niet‑magistraat van de Hoge Raad voor de Justitie (Doc. 8‑212/1) 42

Resultaat van de geheime stemming. 43

Inoverwegingneming van voorstellen. 43

Stemmingen. 43

Ontwerp van bijzondere wet tot wijziging van artikel 479 van het Wetboek van strafvordering en houdende harmonisatie van de bijzondere wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van leden van een gemeenschaps- of gewestregering met het Strafwetboek van 29 februari 2024 (Doc. 8‑215) 44

Ontwerp van bijzondere wet houdende harmonisatie van diverse geldende wetsbepalingen met het Strafwetboek van 29 februari 2024 (Doc. 8‑219) 44

Informatieverslag over de ontwikkeling van gewest- en grensoverschrijdende snelle carpoolnetwerken (Doc. 8‑161) 45

Verzoek tot het opstellen van een informatieverslag “Tien jaar na de aanslagen in Brussel: balans van de opvolging van de aanbevelingen, evaluatie van de nog bestaande tekortkomingen en actualisering van de overheidsprioriteiten” (Doc 8‑217) 45

Verzoek tot het opstellen van een informatieverslag over de bestrijding van eenzaamheid (Doc. 8‑218) 46

Overlijden van oud‑senatoren. 46

Regeling van de werkzaamheden. 46

Berichten van verhindering. 46

Bijlage. 47

Naamstemmingen. 47

In overweging genomen voorstel 49

Activiteiten van algemeen belang van de Koninklijke Familie. 49

Uitvoering besluiten van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. 50

Grondwettelijk Hof – Arresten. 50

Grondwettelijk Hof – Prejudiciële vragen. 56

Grondwettelijk Hof – Beroepen. 59

Hoven van beroep. 61

Arbeidshoven. 61

Parketten‑generaal 62

Parketten. 62

Auditoraten‑generaal 62

Rechtbanken van eerste aanleg. 63

Instituut voor gerechtelijke opleiding. 63

Algemene vergaderingen van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken. 63

Hoge Raad voor de Justitie. 64

Centrale Raad voor het bedrijfsleven en Nationale Arbeidsraad. 64

Centrale Raad voor het bedrijfsleven en Federale Raad voor duurzame ontwikkeling. 64

Centrale Raad voor het bedrijfsleven. 64

Federale Raad voor duurzame ontwikkeling. 65

Economische Overheidsbedrijven – Telecommunicatie. 65

Sciensano. 65

Europese Rekenkamer 65

Europees Parlement 66

 

Approbation de l’ordre du jour 4

Hommage à M. Étienne Davignon, Ministre d’État 4

Projet de loi spéciale modifiant l’article 479 du Code d’instruction criminelle et relatif à la mise en concordance de la loi spéciale du 25 juin 1998 réglant la responsabilité pénale des membres des gouvernements de communauté ou de région avec le Code pénal du 29 février 2024 (Doc. 8‑215/1) 5

Discussion générale. 5

Discussion des articles. 7

Projet de loi spéciale relatif à la mise en concordance de dispositions légales diverses en vigueur avec le Code pénal du 29 février 2024 (Doc. 8‑219/1) 7

Discussion générale. 7

Discussion des articles. 7

Rapport d’information relatif au développement de réseaux express de covoiturage transrégionaux et transfrontaliers (Doc. 8‑161/1) 8

Discussion. 8

Demande d’établissement d’un rapport d’information « Dix ans après les attentats de Bruxelles : bilan du suivi des recommandations, évaluation des lacunes persistantes et actualisation des priorités publiques » (de M. Gaëtan Van Goidsenhoven, Mme Valérie De Bue, M. Philippe Dodrimont, Mmes Véronique Durenne, Liesa Scholzen, Viviane Teitelbaum, Stéphanie Thoron et Anne‑Charlotte d’Ursel, MM. Jean‑Paul Wahl et Vincent Blondel, Mme Caroline Desalle, M. Elhadj Moussa Diallo, Mmes Anne‑Catherine Goffinet, Marie‑Claire Mvumbi et Katia Segers et MM. Kris Verduyckt, Benjamin Dalle et Peter Van Rompuy ; Doc. 8‑217/1) 25

Discussion. 25

Demande d’établissement d’un rapport d’information sur la lutte contre la solitude (de Mme Bianca Debaets, MM. Benjamin Dalle et Stijn De Roo, Mme Katrien Partyka, M. Peter Van Rompuy, Mme Kelly Van Tendeloo, M. Gaëtan Van Goidsenhoven, Mme Valérie De Bue, M. Philippe Dodrimont, Mmes Véronique Durenne, Liesa Scholzen, Viviane Teitelbaum, Stéphanie Thoron et Anne‑Charlotte d’Ursel, MM. Jean‑Paul Wahl et Vincent Blondel, Mme Caroline Desalle, M. Elhadj Moussa Diallo et Mmes Anne‑Catherine Goffinet et Marie‑Claire Mvumbi ; Doc. 8‑218/1) 35

Discussion. 35

Nomination d’un membre non‑magistrat du Conseil supérieur de la Justice (Doc. 8‑212/1) 42

Résultat du scrutin. 43

Prise en considération de propositions. 43

Votes. 43

Projet de loi spéciale modifiant l’article 479 du Code d’instruction criminelle et relatif à la mise en concordance de la loi spéciale du 25 juin 1998 réglant la responsabilité pénale des membres des gouvernements de communauté ou de région avec le Code pénal du 29 février 2024 (Doc. 8‑215) 44

Projet de loi spéciale relatif à la mise en concordance de dispositions légales diverses en vigueur avec le Code pénal du 29 février 2024 (Doc. 8‑219) 44

Rapport d’information relatif au développement de réseaux express de covoiturage transrégionaux et transfrontaliers (Doc. 8‑161) 45

Demande d’établissement d’un rapport d’information « Dix ans après les attentats de Bruxelles : bilan du suivi des recommandations, évaluation des lacunes persistantes et actualisation des priorités publiques » (Doc. 8‑217) 45

Demande d’établissement d’un rapport d’information sur la lutte contre la solitude (Doc. 8‑218) 46

Décès d’anciens sénateurs. 46

Ordre des travaux. 46

Excusés. 46

Annexe. 47

Votes nominatifs. 47

Proposition prise en considération. 49

Activités d’intérêt général de la Famille royale. 49

Exécution décisions du Conseil de sécurité des Nations unies. 50

Cour constitutionnelle – Arrêts. 50

Cour constitutionnelle – Questions préjudicielles. 56

Cour constitutionnelle – Recours. 59

Cours d’appel 61

Cours du travail 61

Parquets généraux. 62

Parquets. 62

Auditorats généraux. 62

Tribunaux de première instance. 63

Institut de formation judiciaire. 63

Assemblées générales des juges de paix et des juges aux tribunaux de police. 63

Conseil supérieur de la Justice. 64

Conseil central de l’économie et Conseil national du travail 64

Conseil central de l’économie et Conseil fédéral du développement durable. 64

Conseil central de l’économie. 64

Conseil fédéral du développement durable. 65

Entreprises publiques économiques – Télécommunications. 65

Sciensano. 65

Cour des comptes européenne. 65

Parlement européen. 66

 

Voorzitter: de heer Vincent Blondel

(De vergadering wordt geopend om 10.05 uur.)

Présidence de M. Vincent Blondel

(La séance est ouverte à 10 h 05.)

 

Goedkeuring van de agenda

Approbation de l’ordre du jour

 

De voorzitter. – De agenda zoals vastgesteld door het Bureau werd elektronisch meegedeeld.

Aangezien er geen opmerkingen zijn, is de agenda goedgekeurd.

M. le président. – L’ordre du jour établi par le Bureau a été communiqué par voie électronique aux sénateurs.

Puisqu’il n’y a pas d’observations, l’ordre du jour est approuvé.

 

Huldebetoon aan de heer Etienne Davignon, Minister van Staat

Hommage à M. Étienne Davignon, Ministre d’État

 

De voorzitter (voor de staande vergadering). – In de Senaat bestaat een oude traditie dat de assemblee even stilstaat bij het overlijden van een minister van Staat of een voormalige Senaatsvoorzitter of ‑voorzitster.

M. le président (devant l’assemblée debout). – Au Sénat, il existe une ancienne tradition selon laquelle notre assemblée observe un moment de silence au décès de certains membres et en particulier d’un ministre d’État, d’un ancien président ou d’une ancienne présidente du Sénat.

 

Etienne Davignon werd in 2004 benoemd tot minister van Staat. Hij is overleden op 18 mei van dit jaar.

Étienne Davignon a été nommé ministre d’État en 2004. Il est décédé le 18 mai de cette année.

 

Etienne Davignon kwam uit een familie die al generaties lang nauw betrokken was bij het openbare leven. Zijn overgrootvader was lid van het Nationaal Congres, de grondwetgevende vergadering die de Belgische Grondwet goedkeurde. Zijn grootvader, Julien Davignon, was volksvertegenwoordiger, senator en minister. Zijn vader, Jacques Davignon, was diplomaat.

Etienne Davignon werd in 1932 geboren in Boedapest, waar zijn vader op dat ogenblik werkzaam was bij de Belgische ambassade. Zijn voornaam verwijst naar Sint‑Stefanus, de beschermheilige van Hongarije. Zijn vader koos deze voornaam om hulde te brengen aan het land dat hen ontving. Later zou Etienne Davignon echter enkel nog zijn koosnaam gebruiken: Stevy.

Hij behaalde een doctoraat in de rechten aan de UCL en vulde zijn opleiding aan met een diploma economie en een bijzonder diploma in de filosofie. In 1959 trad hij in dienst bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. Vervolgens werd hij kabinetschef van de ministers van Buitenlandse Zaken Paul‑Henri Spaak en Pierre Harmel.

Étienne Davignon est issu d’une famille profondément engagée dans la vie publique depuis plusieurs générations. Son arrière‑grand‑père siégeait au Congrès national, l’assemblée constituante qui a adopté la Constitution de la Belgique. Son grand‑père, Julien Davignon, était député, sénateur et ministre. Son père, Jacques Davignon, était diplomate.

Étienne Davignon est né en 1932 à Budapest, où son père était alors attaché à l’ambassade de Belgique. Étienne est le nom du saint patron de la Hongrie. Son père avait choisi ce prénom en hommage au pays qui les accueillait. Plus tard, il ne se fera plus appeler que par son diminutif : Stevy.

Docteur en droit de l’UCL, il complète sa formation par un diplôme en économie et un baccalauréat spécial en philosophie. Il entre au ministère des Affaires étrangères en 1959, avant de devenir chef de cabinet des ministres des Affaires étrangères Paul‑Henri Spaak et Pierre Harmel.

 

Tijdens de oliecrisis van de jaren zeventig speelde hij een doorslaggevende rol bij de oprichting van het Internationaal Energieagentschap, waarvan hij de eerste voorzitter werd.

In januari 1977 werd hij lid van de Commissie van de Europese Gemeenschappen onder het voorzitterschap van Roy Jenkins. Hij was er bevoegd voor interne markt en industriële aangelegenheden. Vervolgens werd hij onder het voorzitterschap van Gaston Thorn vicevoorzitter van de Commissie. Hij was onder meer verantwoordelijk voor het moeilijke dossier van de herstructurering van de Europese staalindustrie.

Au cours de la crise pétrolière des années 70, il joue un rôle important dans la création de l’Agence internationale de l’énergie, dont il devient le premier président.

En janvier 1977, il devient membre de la Commission des Communautés européennes sous la présidence de Roy Jenkins. Il est en charge du Marché intérieur et des Affaires industrielles. Puis, sous la présidence de Gaston Thorn, il devient vice‑président de la Commission. Il gère entre autres le difficile dossier de la restructuration de la sidérurgie européenne.

 

In 1985 maakte hij de overstap naar het bedrijfsleven. Hij werd eerst bestuurder en vervolgens voorzitter van de Generale Maatschappij van België. In 1988 werd de Generale Maatschappij overgenomen door het Franse concern Suez, op een moment dat België nog geen echte wetgeving had inzake openbare overnamebiedingen.

Nadien bleef Etienne Davignon een vooraanstaande rol spelen in het Belgische bedrijfsleven, onder meer bij Tractebel, de Compagnie Maritime Belge en Fortis. Na het faillissement van Sabena wilde de federale regering een Belgische luchtvaartmaatschappij behouden. Etienne Davignon droeg toen op een overtuigende wijze bij aan de oprichting van SN Brussels Airlines, dat daarna nog een opmerkelijke ontwikkeling kende.

Het einde van zijn lange leven ging gepaard met gerechtelijke verwikkelingen in verband met de rol die hij zou hebben gespeeld bij de dekolonisatie. Hij heeft altijd de feiten ontkend die hem werden aangewreven. Zijn overlijden maakt een einde aan deze procedure.

En 1985, il entre dans le monde des affaires. Il devient directeur, puis président de la Société générale de Belgique. En 1988, la Société générale fut reprise par le groupe français Suez, à une époque où la Belgique ne disposait pas encore d’une véritable législation sur les offres publiques d’acquisition.

Par la suite, Étienne Davignon a continué à jouer un rôle de premier plan dans le monde des affaires belge, notamment chez Tractebel, la Compagnie maritime belge et Fortis. Après la faillite de la Sabena, le gouvernement fédéral souhaitait préserver l’existence d’une compagnie aérienne belge. Étienne Davignon contribua alors de manière déterminante à la création de SN Brussels Airlines, qui connaîtra ensuite un développement remarquable.

La fin de sa longue vie a été marquée par une procédure judiciaire liée aux événements de la décolonisation. Il a toujours contesté les faits qui lui étaient reprochés. Son décès a mis fin à cette procédure.

 

Meer dan zestig jaar was Etienne Davignon betrokken bij de grote politieke, economische en Europese ontwikkelingen van België: de dekolonisatie, de uitbouw van de Europese samenwerking, de ingrijpende veranderingen in de Belgische bedrijfswereld. Hij stond bekend voor zijn veelzijdigheid, intelligentie en pragmatische ingesteldheid.

Pendant plus de soixante ans, Étienne Davignon a été très étroitement associé aux évolutions politiques et économiques que la Belgique et l’Europe ont connues : la décolonisation, le développement de la coopération européenne et les grands changements survenus dans le monde des entreprises belges. Il était connu pour sa polyvalence, son intelligence et son pragmatisme.

 

In 2019 verschenen zijn memoires in boekvorm onder de titel ‘Souvenirs de trois vies’. Daarin blikt hij terug op de gebeurtenissen waarvan hij getuige is geweest tijdens wat hij zijn drie levens noemt: in de diplomatie, bij de Europese Commissie en in het bedrijfsleven. In het voorwoord schreef Stevy Davignon: “Chaque fois, j’ai eu la chance de quitter un métier que j’aimais bien pour un autre que j’allais aimer.” Aan het einde van het boek beschrijft hij welke lessen hij uit die drie levens heeft getrokken: fatalisme is onaanvaardbaar; wie iets onderneemt, aanvaardt het risico op mislukking, maar wie niets doet, is bij voorbaat tot mislukking gedoemd; alleen kan men niet veel bereiken; wie in zijn eentje succes nastreeft, raakt geïsoleerd; projecten kunnen slechts slagen wanneer ze door velen worden gedragen.

Namens de Senaat betuig ik mijn diepste medeleven aan de familie en naasten, en in het bijzonder aan de familieleden hier aanwezig. Ik verzoek u enkele ogenblikken stilte in acht te nemen.

En 2019, ses mémoires sont parus sous le titre « Souvenirs de trois vies ». Il y revient sur les événements dont il a été témoin ou acteur au cours de ce qu’il appelait lui‑même ses trois vies : la diplomatie, la Commission européenne et le monde des affaires. Dans l’avant‑propos, Stevy Davignon écrit : « Chaque fois, j’ai eu la chance de quitter un métier que j’aimais bien pour un autre que j’allais aimer. » À la fin de cet ouvrage, il résume les enseignements qu’il tire de ces trois vies : que le fatalisme est inacceptable ; qu’en agissant, on accepte le risque de l’échec, tandis qu’en ne tentant rien, l’échec est assuré ; que nul ne peut accomplir de grandes choses tout seul ; que vouloir réussir seul conduit à l’isolement ; et enfin que les projets ne réussissent véritablement que lorsqu’ils deviennent collectifs.

Au nom du Sénat, j’adresse à sa famille et à ses proches, et tout particulièrement aux membres de sa famille ici présents, nos plus sincères condoléances. Je vous invite à observer quelques instants de silence en sa mémoire.

 

(De vergadering neemt een minuut stilte in acht.)

(L’assemblée observe une minute de silence.)

 

Ontwerp van bijzondere wet tot wijziging van artikel 479 van het Wetboek van strafvordering en houdende harmonisatie van de bijzondere wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van leden van een gemeenschaps- of gewestregering met het Strafwetboek van 29 februari 2024 (Doc. 8‑215/1)

Projet de loi spéciale modifiant l’article 479 du Code d’instruction criminelle et relatif à la mise en concordance de la loi spéciale du 25 juin 1998 réglant la responsabilité pénale des membres des gouvernements de communauté ou de région avec le Code pénal du 29 février 2024 (Doc. 8‑215/1)

 

Algemene bespreking

Discussion générale

 

De heer Marc Hendrickx (N‑VA), rapporteur. – Dit ontwerp van bijzondere wet is overeenkomstig de Grondwet onderworpen aan de bicamerale procedure en werd op 19 mei 2026 ingediend in de Kamer van volksvertegenwoordigers en er in de plenaire vergadering van 18 juni laatstleden eenparig aangenomen en vervolgens verzonden naar de Senaat.

De commissie voor de Institutionele Aangelegenheden van de Senaat heeft dit wetsontwerp afgelopen maandag in onze vergadering besproken in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van de minister van Justitie.

Het voorliggende ontwerp van bijzondere wet past in de harmonisatie van bestaande wetgeving met het Strafwetboek van 29 februari 2024, het nieuwe Strafwetboek dat op 1 september eerstkomend in werking treedt.

Naast deze harmonisatie brengt het ontwerp van bijzondere wet nog een rechtzetting aan in het Wetboek van Strafvordering en deze wijziging heeft tot doel de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof opnieuw in te schrijven in artikel 479, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, conform een arrest van het Grondwettelijk Hof uit 2025.

Bij de bespreking had collega‑senator Dalle enkele technische opmerkingen maar waren er voorts geen bemerkingen en werden de acht artikelen van het ontwerp van bijzondere wet eenparig aangenomen door de twaalf aanwezige leden. Ook het wetsontwerp in zijn geheel werd eenparig aangenomen.

M. Marc Hendrickx (N‑VA), rapporteur. – Le projet de loi spéciale à l’examen est soumis, conformément à la Constitution, à la procédure bicamérale. Il a été déposé le 19 mai 2026 à la Chambre des représentants, laquelle l’a adopté à l’unanimité lors de sa séance plénière du 18 juin dernier puis transmis au Sénat.

La commission des Affaires institutionnelles du Sénat l’a examiné lors de sa réunion de lundi dernier, en présence d’un représentant de la ministre de la Justice.

Le projet de loi spéciale à l’examen s’inscrit dans le cadre de l’harmonisation de la législation existante avec le nouveau Code pénal du 29 février 2024, qui entrera en vigueur le 1er septembre prochain.

Outre cette harmonisation, le projet de loi spéciale apporte aussi une modification réparatrice au Code d’instruction criminelle. Cette modification vise à mentionner de nouveau les référendaires près la Cour constitutionnelle dans l’article 479, alinéa 1er, du Code d’instruction criminelle, conformément à un arrêt de la Cour constitutionnelle de 2025.

Lors de la discussion, le projet a fait l’objet de plusieurs remarques techniques de la part de notre collègue, M. Dalle. Les huit articles ainsi que l’ensemble du projet de loi ont été adoptés à l’unanimité des douze membres présents.

 

Mevrouw Annelies Verlinden (minister van Justitie, belast met Noordzee). – Het ontwerp, net als het tweede ontwerp dat straks wordt besproken, houdt inderdaad verband met de harmonisatie van de bestaande wetgeving met het nieuwe Strafwetboek van 29 februari 2024.

De collega’s in de Kamer van volksvertegenwoordigers zijn inmiddels goed vertrouwd met deze materie, aangezien de afgelopen maanden heel wat harmonisatiewetgeving werd goedgekeurd.

Het nieuwe Strafwetboek treedt op 1 september in werking en vormt een belangrijke mijlpaal in het strafrecht. Voor het eerst in meer dan 150 jaar wordt het Belgische strafrecht grondig herzien.

Er worden een aantal vereenvoudigingen doorgevoerd in de bestaande structuren. Daarnaast worden nieuwe, eenvoudigere structuren ingevoerd, zoals de indeling van misdrijven in acht strafniveaus.

Het is belangrijk dat ook de aanverwante wetgeving zoveel mogelijk wordt geharmoniseerd. Dat is precies wat met dit ontwerp gebeurt.

Mme Annelies Verlinden (ministre de la Justice, chargée de la Mer du Nord). – Ce projet, tout comme le second qui sera discuté tout à l’heure, vise en effet à harmoniser la législation existante avec le nouveau Code pénal du 29 février 2024.

Les collègues de la Chambre des représentants connaissent bien le sujet désormais car une abondante législation d’harmonisation y a été approuvée ces derniers mois.

Le nouveau Code pénal entrera en vigueur le 1er septembre et marque une étape importante pour le droit pénal belge car, pour la première fois en plus de 150 ans, il fait l’objet d’une refonte approfondie.

Les structures existantes sont simplifiées, tandis que de nouvelles structures, plus simples, sont mises en place, comme la classification des infractions en huit niveaux de peine.

Il est important que la législation connexe soit elle aussi harmonisée autant que possible. Telle est précisément la finalité de ce projet.

 

Voorts is er een wijziging met betrekking tot de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof. Met dit ontwerp van bijzondere wet wordt die ongrondwettigheid verholpen.

Naar aanleiding van het advies van de Raad van State was aanvankelijk beslist om in hetzelfde ontwerp van bijzondere wet ook de referendarissen bij het Hof van Cassatie toe te voegen aan artikel 479, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering.

Naar aanleiding van een terechte vraag van een van uw collega’s in de commissie Grondwet en Institutionele Vernieuwing van de Kamer van volksvertegenwoordigers heeft de commissie echter beslist dat die toevoeging via een gewone wet zou gebeuren. Om die reden werd het ontwerp van bijzondere wet op dat punt in de Kamer geamendeerd.

Wij staan uiteraard open voor uw eventuele opmerkingen en vragen over dit ontwerp, alsook over het tweede ontwerp dat zo meteen zal worden behandeld.

Il y a également une modification concernant les référendaires près la Cour constitutionnelle. Le présent projet de loi spéciale remédie à cette inconstitutionnalité.

À la suite de l’avis du Conseil d’État, il avait d’abord été décidé d’ajouter, dans ce même projet de loi spéciale, les référendaires près la Cour de cassation à l’article 479, alinéa 1er, du Code d’instruction criminelle.

Toutefois, à la suite d’une demande légitime formulée par l’un de vos collègues au sein de la commission Constitution et Renouveau institutionnel de la Chambre des représentants, la commission a décidé que cet ajout serait effectué par une loi ordinaire. C’est la raison pour laquelle le projet de loi spéciale a été amendé sur ce point à la Chambre.

Nous sommes bien évidemment à l’écoute de vos éventuelles remarques et questions concernant ce projet, ainsi qu’au sujet du deuxième projet de loi qui sera examiné dans quelques instants.

 

  De algemene bespreking is gesloten.

  La discussion générale est close.

 

Artikelsgewijze bespreking

Discussion des articles

 

(De tekst aangenomen door de Commissie voor de Institutionele Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 56‑1545/5.)

(Le texte adopté par la Commission des Affaires institutionnelles est identique au texte du projet transmis par la Chambre des représentants. Voir le document Chambre 56‑1545/5.)

 

  De artikelen 1 tot 8 worden zonder opmerking aangenomen.

  De stemming over het ontwerp van bijzondere wet in zijn geheel heeft later plaats.

  Les articles 1er à 8 sont adoptés sans observation.

  Il sera procédé ultérieurement au vote sur l’ensemble du projet de loi spéciale.

 

Ontwerp van bijzondere wet houdende harmonisatie van diverse geldende wetsbepalingen met het Strafwetboek van 29 februari 2024 (Doc. 8‑219/1)

Projet de loi spéciale relatif à la mise en concordance de dispositions légales diverses en vigueur avec le Code pénal du 29 février 2024 (Doc. 8‑219/1)

 

Algemene bespreking

Discussion générale

 

De heer Marc Hendrickx (N‑VA), rapporteur. – Dit ontwerp van bijzondere wet, overeenkomstig de Grondwet onderworpen aan de bicamerale procedure, werd op 29 april 2026 in de Kamer ingediend en er eenparig aangenomen op 2 juli 2026. De commissie voor de Institutionele Aangelegenheden van de Senaat heeft dit wetsontwerp besproken tijdens haar vergadering van maandag laatstleden in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van de minister van Justitie.

Een en ander past, zoals de minister van Justitie daarnet ook al aangaf, in de harmonisatie van bestaande wetgeving met het Strafwetboek van 29 februari 2024, het nieuwe Strafwetboek dat in werking treedt op 1 september eerstkomend.

Over de zeven artikelen van het ontwerp van bijzondere wet werden geen opmerkingen gemaakt en ze werden dan ook eenparig aangenomen door de dertien aanwezige leden. Hetzelfde lot was de totaliteit van dit wetsontwerp beschoren.

M. Marc Hendrickx (N‑VA), rapporteur. – Le projet de loi spéciale à l’examen, qui est soumis à la procédure bicamérale conformément à la Constitution, a été déposé le 29 avril 2026 à la Chambre des représentants, qui l’a adopté à l’unanimité le 2 juillet 2026. La commission des Affaires institutionnelles du Sénat l’a examiné lors de sa réunion de lundi dernier, en présence d’un représentant de la ministre de la Justice.

Comme celle‑ci vient de le dire, l’objectif est d’harmoniser la législation existante avec le nouveau Code pénal du 29 février 2024, qui entrera en vigueur le 1er septembre prochain.

Les sept articles du projet de loi spéciale n’ont fait l’objet d’aucune observation et ont donc été adoptés à l’unanimité des treize membres présents. Il en a été de même pour le projet de loi dans son ensemble.

 

  De algemene bespreking is gesloten.

  La discussion générale est close.

 

Artikelsgewijze bespreking

Discussion des articles

 

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 56‑1521/4.)

(Le texte adopté par la commission des Affaires institutionnelles est identique au texte du projet transmis par la Chambre des représentants. Voir le document Chambre 56‑1521/4.)

 

  De artikelen 1 tot 7 worden zonder opmerking aangenomen.

  De stemming over het ontwerp van bijzondere wet in zijn geheel heeft later plaats.

  Les articles 1er à 7 sont adoptés sans observation.

  Il sera procédé ultérieurement au vote sur l’ensemble du projet de loi spéciale.

 

Informatieverslag over de ontwikkeling van gewest- en grensoverschrijdende snelle carpoolnetwerken (Doc. 8‑161/1)

Rapport d’information relatif au développement de réseaux express de covoiturage transrégionaux et transfrontaliers (Doc. 8‑161/1)

 

Bespreking

Discussion

 

(Voor de tekst van de vaststellingen en aanbevelingen aangenomen door de commissie voor de Transversale Aangelegenheden, zie doc. 8‑161/3.)

(Pour le texte des constatations et recommandations adoptées par la commission des Matières transversales, voir doc. 8‑161/3.)

 

De heer Elhadj Moussa Diallo (Les Engagés), corapporteur. – Op initiatief van onze fractie hebben sinds november 2025 in de Commissie voor de Transversale Aangelegenheden – Gewestbevoegdheden informatiewerkzaamheden plaatsgevonden met betrekking tot het opzetten van gewest- en grensoverschrijdende carpoolnetwerken. Dit initiatief ontstond vanuit een vaststelling: er zijn dagelijks files op de grote verkeersassen naar Brussel en in het bijzonder ziet men daar veel interregionaal verkeer. Het door het Waals Gewest gestarte proefproject van een carpoolstrook op de E411 heeft aangetoond dat er weliswaar initiatieven bestaan, maar dat de resultaten ervan beperkt blijven wanneer deze maatregelen los van elkaar worden toegepast.

Naast de mobiliteit rond Brussel hebben onze werkzaamheden ons vooral de gelegenheid geboden om op een open en transversale manier te onderzoeken wat er zoal komt kijken bij de dagelijkse praktijk van carpooling.

De voorbije maanden hebben wij niet alleen mobiliteitsexperts en overheidsdiensten die bevoegd zijn voor mobiliteit, infrastructuur en verkeersveiligheid gehoord en bevraagd, maar ook projectleiders en internationale actoren die zeer relevante ervaringen hebben op dit gebied.

Het verslag dat u hier vandaag wordt voorgesteld vat de belangrijkste bevindingen van deze hoorzittingen samen. Met respect voor de autonomie van de verschillende deelstaten, is het verslag opgebouwd rond twee elkaar aanvullende onderdelen.

Het eerste deel lijst de belangrijkste vaststellingen op en kan een bron van inspiratie vormen voor overheden die het carpoolen verder willen ontwikkelen. Het tweede deel bevat een aantal aanbevelingen die het overleg en de coördinatie tussen de deelstaten en de federale overheid moeten versterken, zodat de dynamiek die reeds rond het carpoolen is opgestart, verstevigd en uitgebreid wordt.

Wat de vaststellingen betreft, sprong er één element uit tijdens onze hoorzittingen. Ondanks de ontwikkeling van alternatieven, blijft de auto tot op heden het meest gebruikte vervoermiddel in België. De federale mobiliteitsenquête van 2025 toont dat de auto gebruikt wordt voor 78 % van de verplaatsingen en 60 % van de verplaatsingslussen. Hoe de auto wordt gebruikt, hangt van verschillende factoren af, maar de meeste trajecten worden afgelegd met slechts één inzittende. Deze tendens is zeer opvallend voor de woon‑werktrajecten en de woon‑studietrajecten, waarbij de gemiddelde bezettingsgraad van het voertuig 1,03 personen is. Dit is iets minder opvallend voor verplaatsingen die te maken hebben met boodschappen of dienstverlening, waar de bezettingsgraad 1,23 personen bedraagt. Auto’s met één inzittende bieden nochtans een groot aantal plaatsen om carpooling op een dagelijkse basis verder te ontwikkelen.

De hoorzittingen hebben ook aangetoond dat er in België al carpoolinitiatieven bestaan. Zij zijn er in verschillende vormen, zoals matchingplatforms, carpoolparkings, voorbehouden rijstroken, fiscale incentives, initiatieven die uitgaan van de werkgever, of plaatselijke, vernieuwende projecten.

Ondanks de bestaande structuur, is carpooling in de praktijk nog niet erg verspreid. Er werden veel verschillende ontradende factoren gemeld. Zowel in de privé- als in de beroepscontext zijn er organisatorische belemmeringen, psychologische en sociale hindernissen, een gebrek aan financiële stimuleringsmaatregelen, vragen over veiligheid, technologische problemen en onvoldoende infrastructuur.

Toch worden de voordelen van carpoolen algemeen erkend. Carpoolen zorgt ervoor dat de reeds in gebruik zijnde voertuigen efficiënter worden benut, wat de kosten voor de gebruikers kan drukken, de uitstoot van vervuilende stoffen en de files kan beperken, en sociale contacten kan bevorderen. Carpoolen vormt ook een zeer interessante oplossing in gebieden waar minder openbaar vervoer rijdt en past dus volledig in een multimodale benadering van de mobiliteit. Ten slotte baant carpooling de weg voor het ontstaan van nieuwe vormen van mobiliteit, met name de autonome mobiliteit.

Eén besluit is geleidelijk tot stand gekomen tijdens de hoorzittingen: geen enkele geïsoleerde maatregel zal carpooling significant doen toenemen. Dit moet systematisch worden aangepakt. Er moeten verschillende hefbomen worden gecombineerd: aangepaste infrastructuur, goed werkende apps, toegankelijke incentives, een aantrekkelijk aanbod, een betere bewustmaking van het publiek, meer betrokkenheid van de werkgevers, verder onderzoek en meer studies, alsook efficiënte samenwerking tussen de verschillende beleidsniveaus.

Dankzij de hoorzittingen hebben we ook een aantal buitenlandse ervaringen kunnen bestuderen, in het bijzonder het Franse model. Sinds de Franse Loi d’Orientation des Mobilités van 2019 heeft Frankrijk geleidelijk vormgegeven aan een echt carpoolbeleid, met financiële ondersteuning, de ontwikkeling van infrastructuur, carpoollijnen en controlemiddelen. De resultaten tonen aan dat een coherent beleid op langere termijn wel degelijk een significante impact kan hebben.

Het verslag spitst zich ten slotte specifiek toe op Brussel, waar dagelijks tienduizenden interregionale pendelaars samenkomen.

In die context vormt carpoolen een relevante aanvulling op het openbaar vervoer. Meer bepaald werd de kwestie bekeken van de verlenging van de voorbehouden rijstrook op de E411 in de richting van Brussel. De hoorzittingen hebben aangetoond dat deze verlenging technisch mogelijk is, maar nauw overleg vraagt tussen de betrokken gewesten. In het licht van de lessen die uit onze werkzaamheden konden worden getrokken, zijn er tien aanbevelingen geformuleerd die het overleg en de coördinatie tussen de verschillende beleidsniveaus moeten verbeteren.

Een aantal aanbevelingen hebben rechtstreeks betrekking op de coördinatie tussen de gewesten en de federale overheid. Zo wordt bijvoorbeeld aanbevolen om carpooling op de agenda te zetten van een Interministeriële Conferentie vóór juni 2027 en een overleg in te plannen tussen de gewesten met het oog op de ontwikkeling van rijstroken die voorbehouden zijn voor carpooling op de grote interregionale verkeerswegen.

Andere aanbevelingen stellen voor een specifiek kader te creëren voor carpooling, bijvoorbeeld door een nationaal register voor carpoolritten in te voeren. Een dergelijk register zou een degelijke juridische basis bieden waarmee carpooling volledig kan worden meegenomen in het beleid van de multimodale mobiliteit en ook beter opgenomen worden in de mobiliteitsenquêtes.

Verschillende aanbevelingen ten slotte hebben meer te maken met carpoolen in een werkcontext: het leesbaarder maken van de bestaande fiscale stimulansen, de mogelijke verbanden onderzoeken met salariswagens, of het ontwikkelen van carpooling binnen economische activiteitenzones.

Voor onze fractie, Les Engagés, bevestigen deze werkzaamheden een overtuiging: carpoolen mag niet beschouwd worden als een bijkomstige vervoerswijze. Het moet volledig geïntegreerd worden in een multimodaal vervoersbeleid, door systematisch te werk te gaan en alle hefbomen te gebruiken die nodig zijn voor zijn ontwikkeling. Het is ook in die optiek dat men nu werkt aan een strategische studie in het Waals Gewest.

Onze fractie verbindt zich ertoe om de vaststellingen en aanbevelingen van dit verslag in de verschillende deelstaatparlementen en bij de verschillende bevoegde regeringen bekend te maken. Zo dragen we bij aan een coherenter, ambitieuzer en beter gecoördineerd carpoolbeleid op maat van het land.

Alvorens af te sluiten, wil ik graag mijn dank betuigen aan iedereen die aan dit werk heeft bijgedragen. Ik wil in het bijzonder de deskundigen, de overheidsdiensten, de projectleiders en de mensen op het terrein bedanken die hun ervaringen hebben gedeeld en ons hebben geïnspireerd. Ook wil ik alle deskundigen uit de buurlanden bedanken die hun bijdrage aan onze discussies hebben geleverd.

Ik kan niet afsluiten zonder met name mijn co‑rapporteurs te bedanken, mevrouw d’Ursel en de heer Pieters, voor onze geslaagde samenwerking, alsook alle leden van de commissie voor onze constructieve debatten.

Daarnaast nog mijn uitdrukkelijke dank aan de diensten van de Senaat en de fractiemedewerkers, die hebben meegewerkt aan het opstellen van dit verslag.

Mijnheer de voorzitter, beste collega’s, ik ga besluiten met een verzoek om dit verslag te steunen. Het bevat een coherente visie en concrete aanbevelingen om de maatregelen van de verschillende beleidsniveaus beter te coördineren, om zo aan het carpoolen de nodige ruimte te geven binnen ons beleid en onze visie op mobiliteit.

M. Elhadj Moussa Diallo (Les Engagés), corapporteur. – Depuis le mois de novembre 2025, à l’initiative de notre groupe, la commission des Matières transversales – Compétences régionales a mené un travail d’information consacré à la création de réseaux de covoiturage transrégionaux et transfrontaliers. Cette initiative est née d’un constat, celui des congestions quotidiennes sur les principaux axes menant à Bruxelles et, en particulier, des nombreux déplacements interrégionaux qui s’y concentrent. Le projet pilote de bande réservée au covoiturage sur la E411 mis en œuvre en Région wallonne a montré que des initiatives existent, mais aussi que leurs résultats restent mitigés lorsqu’elles sont menées de manière isolée.

Au‑delà du cas de la mobilité autour de Bruxelles, nos travaux ont surtout été l’occasion de s’intéresser de manière ouverte et transversale aux enjeux de la pratique quotidienne du covoiturage.

Au cours de ces derniers mois, nous avons questionné et entendu des experts de la mobilité, des administrations compétentes en matière de mobilité, d’infrastructure et de sécurité routière, des responsables de projet ainsi que plusieurs acteurs internationaux disposant d’une expérience particulièrement intéressante dans ce domaine.

Le rapport qui vous est présenté aujourd’hui rassemble les principaux enseignements de ces différentes auditions. Dans le respect de l’autonomie des différentes entités fédérées, le rapport s’articule autour de deux volets complémentaires.

Le premier volet dresse un état des lieux des principaux constats et se veut une source d’inspiration pour les autorités souhaitant développer davantage le covoiturage. Le second volet formule plusieurs recommandations visant à renforcer la concertation et la coordination entre les entités fédérées et l’autorité fédérale afin de consolider et d’amplifier les dynamiques déjà engagées en faveur du covoiturage.

S’agissant des constatations, un premier élément est clairement ressorti de nos auditions. Malgré le développement d’alternatives, la voiture demeure aujourd’hui le principal mode de déplacement en Belgique. Selon l’enquête fédérale sur la mobilité de 2025, la voiture est utilisée pour 78 % des distances parcourues et 60 % des boucles de déplacement effectuées. Son usage varie selon différents facteurs, mais la majorité des trajets qui sont effectués le sont avec une seule personne à bord. Cette tendance est particulièrement marquée pour les déplacements domicile‑travail et domicile‑études, dont le taux d’occupation moyen est de 1,03 personne par véhicule, tandis qu’elle est légèrement moins prononcée pour les déplacements liés aux courses et aux services, avec un taux d’occupation moyen de 1,23 personne. Ces véhicules qui circulent avec un seul occupant constituent pourtant un important réservoir de places disponibles pour développer le covoiturage au quotidien.

Les auditions ont également montré que des initiatives en faveur du covoiturage existent déjà en Belgique. Elles prennent des formes diverses, comme des plateformes de mise en relation, des parkings de covoiturage, des bandes réservées, des incitants fiscaux, des actions menées par les employeurs ou encore des projets locaux innovants.

Malgré les dispositifs existants, le covoiturage ne s’est pas encore imposé comme une pratique largement adoptée. Les freins qui ont été identifiés sont multiples. Que cela soit dans un contexte privé ou professionnel, il existe des contraintes organisationnelles, des freins psychologiques et sociaux, des manques d’incitants financiers, des questions de sécurité, des difficultés d’ordre technologique ou encore des infrastructures insuffisantes.

Pourtant, les bénéfices du covoiturage sont largement reconnus. Le covoiturage permet de mieux utiliser les véhicules déjà en circulation, de réduire les coûts pour les usagers, de limiter les émissions polluantes et les embouteillages, mais aussi de renforcer les liens sociaux. Il constitue également une solution particulièrement pertinente dans les territoires moins bien desservis par les transports publics et s’intègre pleinement dans une approche multimodale de la mobilité. Enfin, le covoiturage prépare l’émergence de nouvelles formes de mobilité, notamment la mobilité autonome.

Une conclusion s’est progressivement imposée au fil de nos auditions : aucune mesure prise isolément ne permettra de développer significativement le covoiturage. Une approche systémique est nécessaire. Cette approche suppose de combiner plusieurs leviers : des infrastructures adaptées, des outils numériques performants, des incitants lisibles, une offre attractive, une meilleure sensibilisation du public, une implication renforcée des employeurs, la poursuite des recherches et des études, et une coordination efficace entre les différents niveaux de pouvoir.

Les auditions ont également permis d’étudier plusieurs expériences étrangères, en particulier le modèle français. Depuis la Loi d’Orientation des Mobilités de 2019, la France a progressivement structuré une véritable politique de covoiturage associant soutien financier, développement d’infrastructures, lignes de covoiturage et outils de contrôle. Les résultats démontrent qu’une politique cohérente inscrite dans la durée peut produire effectivement des effets significatifs.

Enfin, le rapport accorde une attention particulière à Bruxelles où convergent chaque jour des dizaines de milliers de navetteurs interrégionaux.

Dans ce contexte, le covoiturage constitue un complément pertinent aux transports en commun. La question du prolongement de la bande réservée sur la E411 vers le territoire de Bruxelles a notamment été examinée. Les auditions ont montré qu’un tel prolongement est techniquement envisageable mais qu’il suppose une concertation étroite entre les Régions concernées. Au regard des enseignements tirés de nos travaux, dix recommandations destinées à renforcer la concertation et la coordination entre les différents niveaux de pouvoir ont été formulées.

Certaines recommandations portent directement sur la coordination entre les Régions et l’autorité fédérale. Elles prévoient notamment l’inscription du covoiturage à l’ordre du jour d’une conférence interministérielle d’ici juin 2027 ou encore l’organisation d’une concertation entre Régions pour le développement des bandes réservées au covoiturage sur les grands axes interrégionaux.

D’autres recommandations proposent un cadre spécifique pour le covoiturage, notamment en examinant la création d’un registre national, en créant un cadre juridique solide, en intégrant pleinement le covoiturage dans les politiques de mobilité multimodale et en améliorant sa prise en compte dans les enquêtes de mobilité.

Enfin, plusieurs recommandations concernent plus spécifiquement le covoiturage dans un contexte professionnel : améliorer la lisibilité des avantages fiscaux existants, examiner les liens possibles avec le régime des voitures de société ou encore encourager le développement du covoiturage dans les zones d’activité économique.

Pour nous, Les Engagés, ce travail d’information confirme une conviction : le covoiturage ne peut pas être considéré comme un mode de déplacement accessoire. Il doit être pleinement intégré dans une politique de mobilité multimodale au travers d’une approche systémique mobilisant l’ensemble des leviers nécessaires à son développement. C’est d’ailleurs dans cette perspective qu’une étude stratégique est en cours en Région wallonne.

Notre groupe s’engage à porter les constats et les recommandations issues de ce rapport dans les différents parlements et auprès des différents gouvernements compétents afin de contribuer au développement d’une politique de covoiturage plus cohérente, plus ambitieuse et mieux coordonnée à l’échelle du pays.

Avant de conclure, je souhaiterais adresser des remerciements à l’ensemble des personnes qui ont contribué à ce travail. Je voudrais remercier tout particulièrement les experts, les administrations, les responsables de projets, les acteurs de terrain qui ont partagé leur expérience et nourri notre réflexion. Je voudrais aussi remercier tous les experts venus des pays voisins pour apporter leur contribution à nos discussions.

Je ne saurais terminer sans remercier très singulièrement les corapporteurs, Mme d’Ursel et M. Pieters, pour la qualité de notre collaboration, ainsi que l’ensemble des membres de la commission pour le caractère constructif de nos échanges.

J’adresse aussi un remerciement particulier aux services du Sénat ainsi qu’aux collaborateurs de nos groupes parlementaires tout au long du travail d’élaboration de ce rapport.

Monsieur le Président, chers collègues, je conclurai en vous invitant à soutenir ce rapport. Celui‑ci propose une vision cohérente ainsi que des recommandations concrètes pour mieux coordonner l’action des différents niveaux de pouvoir et permettre au covoiturage de prendre pleinement sa place dans notre politique et dans notre vision de la mobilité.

 

De heer Andy Pieters (N‑VA). – De heer Diallo heeft dit informatieverslag met verve toegelicht. Dat kan ik ongetwijfeld niet evenaren, maar ik wil op mijn beurt de collega‑verslaggevers en de diensten bedanken voor de samenwerking in dit dossier.

Carpooling is uiteraard een belangrijk onderdeel van het mobiliteitsbeleid. De Vlaamse regering maakt daar ook werk van, zoals u ook kan lezen in dit informatieverslag.

Cruciaal daarbij is dat we van alle carpoolparkings en park‑and‑ride‑parkings Hoppinpunten maken, waarbij we ook bekijken hoe we bijkomende parkings kunnen aanleggen. Tegelijk zijn er ook andere overheden die een rol te spelen hebben. Denk maar aan de federale overheid via de NMBS en Infrabel voor de stationsomgevingen.

Maar nog meer dan voor de inhoud van dit verslag wil ik de collega’s ook bedanken voor de empathie die getoond is voor de verschillende standpunten in dit halfrond. Ik denk dat het geen geheim is dat de verschillende politieke fracties in dit halfrond er een andere mening op nahouden over hoe en welke werkzaamheden de Senaat zou moeten doen tussen nu en de afschaffing ervan, gaande van een minimalistische invulling tot de eerder maximalistische invulling via onder meer informatieverslagen. Hoewel elk standpunt op dat vlak legitiem is en door elke fractie zelf mag worden bepaald, is er oprecht geluisterd naar een bezorgdheid van onze fractie, namelijk dat informatieverslagen in dit halfrond met vaste regelmaat, en dan voornamelijk door de vandaag afwezige collega’s van Groen, aangegrepen worden om het beleid in andere democratisch verkozen parlementen tegen te werken. Daarom is het zeer goed dat de bereidheid bestond om in dit informatieverslag de puntjes op de i te zetten.

Ik denk dat we het over veel zaken oneens kunnen zijn en ook heel veel meningen kunnen hebben over de Senaat, maar we kunnen het erover eens zijn dat de wetgever dit huis nooit bedoeld heeft als huis van tegenwerking. Integendeel. Het informatieverslag bundelt de verschillende visies die leven in de verschillende fracties in ons land, maar raakt niet aan de bevoegdheden zoals die in het land werden vastgelegd. Dat staat ook duidelijk in de inleiding van het informatieverslag. Het is aan elke bevoegde entiteit om binnen haar bevoegdheden acties te ondernemen overeenkomstig de democratische besluitvorming in de bevoegde parlementen en/of regeringen. Dit informatieverslag treedt ook geenszins in de plaats, noch kan het gelezen worden als een bijsturing van de regionale regeerakkoorden.

Onze fractie dankt iedereen voor de bereidheid om dat op te nemen in dit informatieverslag, zodat er geen discussie kan zijn in de toekomst over dit statuut. Ik wil op mijn beurt de verschillende experten, de diensten en alle leden van de commissie bedanken. Onze fractie zal dit informatieverslag uiteraard goedkeuren.

M. Andy Pieters (N‑VA). – Après la brillante présentation de ce rapport d’information par M. Diallo, j’aimerais à mon tour remercier les collègues rapporteurs ainsi que les services pour la collaboration dans ce dossier.

Le covoiturage est évidemment un élément important de la politique de mobilité, que le gouvernement flamand s’emploie aussi à développer.

À cet égard, il est essentiel que nous transformions l’ensemble des parkings de covoiturage et des parkings park‑and‑ride en points Hoppin, tout en examinant comment créer des parkings supplémentaires. D’autres autorités ont également un rôle à jouer en la matière, comme l’autorité fédérale, par le biais de la SNCB et d’Infrabel pour ce qui concerne les aménagements aux abords des gares.

Je tiens aussi à remercier les collègues pour l’empathie dont ils ont fait preuve face à la pluralité des points de vue exprimés dans cet hémicycle. Ce n’est un secret pour personne que nos groupes politiques n’ont pas le même point de vue sur la nature et l’étendue des travaux que le Sénat devrait mener d’ici à sa suppression, d’aucuns défendant une approche minimaliste alors que d’autres sont favorables à une approche maximaliste, notamment en optant pour des rapports d’information. Même si chaque point de vue est évidemment légitime et librement déterminé par chaque groupe, notre groupe tient à exprimer sa satisfaction d’avoir pu faire entendre l’une de ses préoccupations, à savoir le fait que les rapports d’information sont régulièrement utilisés, principalement par nos collègues du groupe Groen, absents aujourd’hui, pour contrecarrer la politique menée dans d’autres parlements démocratiquement élus. Le fait que l’on ait eu l’occasion de mettre les points sur les i dans ce rapport d’information est très positif.

On peut être en désaccord sur beaucoup de choses et penser ce que l’on veut du Sénat, mais personne ne contestera que le législateur n’a jamais voulu faire de cette assemblée une chambre d’opposition. Au contraire. Le rapport d’information rassemble les différentes visions qui animent les groupes politiques de notre pays, mais ne touche pas aux compétences telles qu’elles ont été fixées sur le plan national, ce que précise d’ailleurs aussi l’introduction du rapport d’information. Il appartient à chaque entité compétente d’entreprendre, dans les limites de ses compétences, des actions conformes au processus décisionnel démocratique au sein des parlements et/ou gouvernements compétents. Ce rapport d’information n’a pas vocation à se substituer aux accords de gouvernement régionaux, ni à modifier ceux‑ci.

Notre groupe remercie tous ceux qui ont accepté que cette précision figure dans ce rapport d’information, afin qu’il n’y ait plus de discussion sur le sujet à l’avenir. Je remercie les experts, les services et l’ensemble des membres de la commission. Notre groupe approuvera évidemment ce rapport d’information.

 

Mevrouw Anne‑Charlotte d’Ursel (MR), corapporteur. – Onze fractie heeft actief meegewerkt aan de opstelling van dit verslag, in het bijzonder aan de hoofdstukken over de analyse van de mobiliteitspraktijken, de stand van zaken en de evaluatie van de bestaande carpoolregelingen in België. Die betrokkenheid was belangrijk voor onze fractie, omdat carpooling moet worden gezien als een slim instrument voor mobiliteitsbeheer. Carpoolen kan de filedruk helpen verminderen zonder automobilisten nieuwe verplichtingen op te leggen, maar om er echt de vruchten van te kunnen plukken, moet het een volwaardig onderdeel van ons mobiliteitssysteem worden.

Omdat onze fractie ervan overtuigd is dat carpooling een echte hefboom kan worden voor de transformatie van ons mobiliteitsbeleid, ondersteunen wij resoluut de verdere ontwikkeling ervan. Daarom wil ik graag enkele aanbevelingen bespreken die momenteel bijzonder relevant zijn.

Zoals ik al aangaf, moet carpoolen ten volle deel uitmaken van het vervoerssysteem en mag het geen randverschijnsel blijven. Het moet aansluiten op het openbaar vervoer en andere mobiliteitsdiensten, want alleen zo versterken we het aanbod voor de burgers in plaats van het te versnipperen.

Het is essentieel om carpooling op te nemen in de openbaarvervoerapps en MaaS‑oplossingen, zodat die nieuwe technologieën de bereikbaarheid daadwerkelijk ten goede komen en meer zijn dan een digitaal snufje.

Technologie moet ten dienste staan van de mobiliteit en het algemeen belang. Net daarom moet carpooling zijn plaats krijgen binnen de digitale toepassingen die verplaatsingen toegankelijker en overzichtelijker maken voor de gebruikers.

Ook de verdere uitbouw van carpooling verdient al onze steun, want die praktijk biedt concrete voordelen voor het beroepsleven en de levenskwaliteit van werknemers. Op sommige bedrijventerreinen bestaan er al initiatieven om collega’s samen te laten rijden, maar die zijn nog te versnipperd en kunnen beter worden benut.

Voor die activiteitenzones is er nood aan een meer structurele coördinatie, zodat werknemers niet langer uitsluitend op hun eigen wagen zijn aangewezen om op het werk te geraken, maar hiervoor kunnen rekenen op een mobiliteitsbeleid dat beter is afgestemd op de behoeften van de werknemers en de ondernemingen.

Vanuit diezelfde logica is carpoolen ook een doeltreffend middel voor de organisatie van onze dagelijkse verplaatsingen. Het zorgt voor een rationeler autogebruik, minder files en een betere benutting van de bestaande infrastructuur, zoals parkings, voorbehouden rijstroken en carpoollijnen. Met een goede omkadering kan carpooling dan ook concrete oplossingen bieden voor ondernemingen, werknemers en lokale overheden.

Het komt erop aan duidelijk te kiezen voor een eenvoudiger en coherenter systeem. Concreet betekent dit dat er een nationaal carpoolregister moet komen dat de regels verduidelijkt, de integratie in digitale systemen eenvoudiger maakt en de samenwerking tussen de verschillende beleidsniveaus en operatoren versterkt.

Het is ook nodig het systeem van belastingvoordelen te hervormen, om het duidelijker en toegankelijker te maken voor de burgers. Een dergelijke vereenvoudiging sluit volledig aan bij het regeerakkoord, dat bepaalt dat de voorwaarden voor fiscale aftrekbaarheid worden herzien, zodat alle werknemers die aan carpooling doen ervan gebruik kunnen maken en niet enkel de werknemers van ondernemingen die dit soort verplaatsingen formeel organiseren en financieel ondersteunen. De huidige fiscale regeling voor carpooling is te complex en restrictief. In het verslag pleiten we dan ook voor eenvoudigere en ruimere regels, zodat werknemers die hun rit samen afleggen niet langer hinder ondervinden van allerlei administratieve drempels.

We moeten blijven inzetten op administratieve vereenvoudiging. Dat is een absolute voorwaarde om carpooling te laten uitgroeien tot een mobiliteitsoplossing voor het grote publiek, en het niet te laten bij louter goede bedoelingen.

Als Brusselse wil ik eraan herinneren dat onze fractie al langer pleit voor voorbehouden carpoolstroken op een aantal verkeersassen aan de invalswegen van de stad. Dan heb ik het uiteraard over Brussel en zijn enorme stroom pendelaars. Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan de E411 en de E40, om zo de druk op deze hoofdwegen te verminderen.

Dit verslag past binnen diezelfde logica en bevat een oproep tot meer samenwerking tussen de gewesten. Ook los van de Brusselse kwestie blijkt uit ons werk duidelijk dat er behoefte is aan echte intergewestelijke en interfederale coördinatie.

Mobiliteit stopt niet aan administratieve grenzen, en carpooling al helemaal niet. Vervoersstromen overschrijden gewest- en landsgrenzen, waardoor de verschillende beleidsniveaus moeten samenwerken, gemeenschappelijke doelstellingen moeten bepalen en onderling compatibele tools moeten ontwikkelen. Precies daar is een rol weggelegd voor de Senaat: de visies van de verschillende deelstaten samenbrengen, het overleg over het beleid in Wallonië, Brussel, Vlaanderen en op federaal niveau aanmoedigen en aanbevelingen formuleren die de bevoegdheden van elk niveau respecteren en tegelijkertijd een coherente aanpak stimuleren.

Tot slot heeft de voortzetting van onze werkzaamheden ons duidelijk gemaakt dat carpooling een stap is in de evolutie van ons mobiliteitsgedrag, nu nieuwe vervoersvormen zoals zelfrijdende voertuigen hun intrede doen. We moeten op die ontwikkelingen vooruitlopen en niet achter de feiten aan lopen. Door carpooling te ondersteunen, pakken we niet alleen de filedruk van vandaag aan, maar bouwen we ook aan een toekomstige omgeving waarin nieuwe vervoerstechnologieën kunnen worden ingebed in een logica van gedeelde mobiliteit.

Kortom, onze boodschap is eenvoudig: carpooling moet een volwaardig onderdeel worden van de vervoerssystemen, werknemers ondersteunen, gebruikmaken van efficiënte digitale tools en leiden tot een beter gebruik van de infrastructuur, binnen een fiscaal en administratief kader dat eindelijk is vereenvoudigd en wordt gecoördineerd door de gewesten en het federale niveau.

We hopen dan ook dat dit verslag ten volle zal worden benut door de regeringen, de overheidsdiensten en de mobiliteitsoperatoren om carpooling in België te verbeteren en verder te ontwikkelen. De aanbevelingen bevatten concrete aanknopingspunten om de bestaande regelingen te vereenvoudigen, ze te verduidelijken en carpooling te verankeren in een globale mobiliteitsstrategie.

Tot slot wil ik graag alle personen en organisaties bedanken die aan onze hoorzittingen hebben deelgenomen. Hun praktijkervaring en analyses hebben in belangrijke mate bijgedragen aan de inhoud van dit verslag.

Namens mijn fractie wil ik ook de rapporteurs bedanken, met name de heer Diallo als initiatiefnemer, en de heer Pieters, alsook alle collega’s en diensten die aan dit verslag hebben meegewerkt. We zullen nauwlettend toezien op de uitvoering van de conclusies van dit verslag en op de beslissingen die worden genomen om deze aanbevelingen om te zetten in de praktijk.

Mme Anne‑Charlotte d’Ursel (MR), corapporteuse. – Notre groupe a pris une part active à l’élaboration de ce rapport, en particulier dans les chapitres consacrés à l’analyse des pratiques de mobilité, à l’état des lieux et à l’évaluation des dispositifs de covoiturage existants en Belgique. Cette implication était importante pour notre groupe, car le covoiturage doit être pensé comme un outil intelligent de gestion des déplacements. Il permet de réduire la congestion sans imposer de nouvelles contraintes aux automobilistes, mais pour en tirer pleinement les bénéfices, il doit être envisagé comme une composante à part entière du système de mobilité.

Convaincu que le covoiturage peut devenir un véritable levier de transformation de notre politique de mobilité, notre groupe soutient résolument son développement. C’est pourquoi je me permettrai de mettre en avant plusieurs recommandations qui nous paraissent particulièrement importantes aujourd’hui.

Comme je l’indiquais, le covoiturage doit être pleinement intégré au système de transport et non rester à la marge. Il doit s’articuler avec les transports en commun et les autres services de mobilité, parce que c’est ainsi que nous renforcerons l’offre pour les citoyens plutôt que de la fragmenter.

Il est essentiel de l’inscrire dans des applications de transport public et les solutions de type MaaS, afin que les nouvelles technologies contribuent réellement à une meilleure desserte du territoire et ne soient pas seulement des gadgets.

La technologie doit être au service de la mobilité et de l’intérêt général. Le covoiturage doit donc pouvoir prendre toute sa place dans les outils numériques qui rendent les trajets plus accessibles et plus lisibles pour les usagers.

Le soutien au développement du covoiturage est également primordial parce qu’il constitue un levier concret pour le monde du travail et pour la qualité de vie des travailleurs. Des initiatives existent déjà dans certains parcs d’activité pour faciliter l’échange de trajets entre collègues, mais elles restent trop fragmentées et pourraient être mieux valorisées.

Une coordination plus structurée à l’échelle de ces zones économiques est nécessaire afin que l’accès au travail ne dépende plus uniquement de la voiture individuelle, mais s’inscrive dans une politique de mobilité pensée au service des travailleurs et des entreprises.

Dans cette logique, le covoiturage est aussi un outil efficace de gestion des déplacements quotidiens. Il permet de rationaliser l’usage de la voiture, de limiter la congestion et de mieux utiliser les infrastructures existantes comme les parkings, les bandes réservées et les lignes de covoiturage. Cela montre que, lorsqu’il est bien encadré, le covoiturage offre des solutions concrètes pour les entreprises, les travailleurs et les collectivités.

Il s’agit d’affirmer une volonté claire de rendre le système plus simple et plus cohérent. Concrètement, cela passe par la création d’un registre national du covoiturage qui permettrait de clarifier les règles, de faciliter l’intégration dans les systèmes électroniques et de renforcer la collaboration entre les niveaux de pouvoir et les opérateurs.

Il est tout aussi nécessaire de revoir le régime des avantages fiscaux pour le rendre lisible et réellement accessible aux citoyens. Cette simplification s’inscrit pleinement dans l’accord de gouvernement qui prévoit la révision des conditions d’accès à la déduction fiscale afin que tous les travailleurs qui covoiturent puissent en bénéficier, et pas uniquement ceux dont l’employeur a formalisé un dispositif et intervient financièrement. Aujourd’hui, le régime fiscal lié au covoiturage est trop complexe et trop restrictif. Notre rapport plaide pour des règles plus simples et plus ouvertes afin que les travailleurs qui font l’effort de partager leur trajet ne soient plus pénalisés par des contraintes administratives.

La simplification administrative doit se poursuivre. C’est une condition indispensable pour faire du covoiturage une solution de mobilité de masse et pas seulement une bonne intention.

En tant que Bruxelloise, je veux rappeler que notre groupe a déjà soutenu le développement de bandes de circulation réservées au covoiturage sur certains axes, en particulier aux entrées de ville. Je parle ici évidemment de Bruxelles et de ses très nombreux navetteurs. Je pense par exemple à la E411, mais également à la E40, de façon à désengorger ces tronçons structurants.

Ce rapport s’inscrit dans cette même logique et appelle une coordination renforcée entre Régions. Au‑delà de Bruxelles, nos travaux mettent clairement en évidence la nécessité d’une véritable coordination interrégionale et interfédérale.

La mobilité ne s’arrête pas aux frontières administratives et le covoiturage encore moins. Les flux de déplacements dépassent les limites régionales et nationales et imposent que les différents niveaux de pouvoir travaillent ensemble, se fixent des objectifs communs et mettent en place des outils compatibles. C’est précisément là que le Sénat a un rôle à jouer : rassembler les visions des différentes entités, faire dialoguer les politiques menées en Wallonie, à Bruxelles, en Flandre et au niveau fédéral et formuler des recommandations qui respectent les compétences de chacun, tout en encourageant une approche cohérente.

Enfin, la poursuite de nos travaux nous a permis de constater que le covoiturage constitue une étape dans l’évolution des comportements de mobilité à l’heure où émergent de nouvelles formes de transport comme les véhicules autonomes. Nous devons anticiper ces évolutions et non les suivre avec retard. En soutenant le covoiturage, nous ne réglons pas seulement la congestion d’aujourd’hui, nous construisons un environnement dans lequel les nouvelles technologies de transport pourront s’inscrire dans une logique de partage.

En bref, notre message est simple : le covoiturage doit être pleinement intégré aux systèmes de transport, soutenir les travailleurs, s’appuyer sur des outils numériques efficaces et sur une meilleure utilisation des infrastructures dans un cadre fiscal administratif enfin simplifié et coordonné entre Régions et au niveau fédéral.

Nous espérons dès lors que ce rapport sera pleinement utilisé par les gouvernements, les administrations et les opérateurs de mobilité pour améliorer et développer le covoiturage en Belgique. Les recommandations qui ont été formulées proposent des pistes concrètes pour simplifier les dispositifs, les rendre plus lisibles et intégrer le covoiturage dans une stratégie globale de mobilité.

Je voudrais enfin adresser un mot de remerciement à toutes les personnes et organisations qui ont participé à nos auditions. Leurs expériences de terrain et leurs analyses ont été essentielles pour nourrir ce rapport.

Enfin, au nom de mon groupe, je tiens à remercier les rapporteurs, à savoir M. Diallo comme initiateur du texte et M. Pieters, ainsi que l’ensemble des collègues et des services qui ont contribué à ce travail. Nous suivrons avec attention la mise en œuvre des conclusions de ce rapport et des décisions qui seront prises pour traduire ces recommandations sur le terrain.

 

De heer Wim Verheyden (Vlaams Belang). – Dit informatieverslag bevat zeker lezenswaardige stukken, beschouwingen die niet zouden misstaan in De Schelp of het Élysette, maar die betrekking hebben op bevoegdheden waarover in onze onvoltooide staatshervorming al lang niet meer in dit huis, maar op een niveau dichter bij de burger wordt beslist. Daarom zullen we ons straks bij de stemming onthouden.

Vrijwillige carpooling kan nuttig zijn als aanvullende mobiliteitsoplossing, maar de aanbevelingen gaan te ver in de richting van een interfederale sturing met een bijkomende registratie, een mogelijke aantasting van de salariswagen en een mobiliteitsvisie waarbij de individuele wagen steeds verder wordt teruggedrongen. Bovendien dreigt de overheid een vrijwillige privéafspraak tussen burgers te behandelen als een vorm van semiopenbaar vervoer door carpooling als een volwaardig vervoersmiddel te integreren in multimodale trajecten. Dit kan afleiden van de echte prioriteit: investeren in hoogwaardig, veilig, betrouwbaar, proper, frequent en toegankelijk openbaar vervoer.

Het is natuurlijk algemeen bekend dat sommige senatoren met deze dikke en uitgebreide informatieverslagen vooral het nut van de Senaat en hun wensdroom om bepaalde bevoegdheden te herfederaliseren willen benadrukken. Dat mag uiteraard, maar evenzeer en veel breder leeft in Vlaanderen de wil om de regio’s juist meer bevoegdheden te geven en Vlaanderen zijn fiscale, en voor mijn part zijn volledige autonomie, te laten uitoefenen. Aan de vooravond van de Vlaamse feestdag wil het Vlaams Belang een megafoon geven aan die wens. Zijn er nog restbevoegdheden die op het federale vlak zitten, dan is de enige juiste conclusie om ze naar de regio’s over te hevelen. Zo komen we tot een integraal en consequent beleid en een beleid dat afgestemd is op de noden van Vlaanderen.

M. Wim Verheyden (Vlaams Belang). – Ce rapport d’information contient certainement des passages qui méritent d’être lus, des réflexions qui auraient tout à fait leur place à l’Élysette ou dans la salle De Schelp du Parlement flamand, mais qui portent sur des compétences pour lesquelles cela fait longtemps que les décisions ne se prennent plus au sein de cette assemblée, mais bien à un niveau plus proche des citoyens. C’est pourquoi nous nous abstiendrons lors du vote.

Le covoiturage volontaire peut constituer une solution de mobilité complémentaire utile, mais les recommandations vont trop loin dans le sens d’une régulation interfédérale prévoyant une obligation d’enregistrement supplémentaire, une possible remise en cause de la voiture de société et une vision de la mobilité qui restreint toujours plus l’utilisation de la voiture individuelle. En outre, les pouvoirs publics risquent de traiter un accord privé volontaire entre citoyens comme une forme de transport semi‑public en intégrant le covoiturage comme un moyen de transport à part entière dans les trajets multimodaux. Cela risque de détourner l’attention de la véritable priorité : investir dans des transports en commun de qualité, sûrs, fiables, propres, fréquents et accessibles.

Il est bien sûr de notoriété publique qu’avec ces rapports d’information volumineux et exhaustifs, certains sénateurs souhaitent avant tout mettre en avant l’utilité du Sénat et leur rêve de refédéraliser certaines compétences. C’est bien sûr leur droit, mais il existe tout autant, et de manière bien plus large en Flandre, une volonté de conférer au contraire davantage de compétences aux Régions et de permettre à la Flandre d’exercer son autonomie fiscale, voire, en ce qui me concerne, son autonomie totale. À la veille de la fête de la Communauté flamande, le Vlaams Belang souhaite porter cette aspiration haut et fort. S’il reste encore des compétences résiduelles au niveau fédéral, la seule conclusion qui s’impose est de les transférer aux Régions. C’est ainsi que nous parviendrons à une politique intégrale et cohérente, adaptée aux besoins de la Flandre.

 

Mevrouw Alice Bernard (PVDA‑PTB). – Ik wil allereerst mijn waardering uitspreken voor het werk dat voor dit informatieverslag is verricht. De hoorzittingen, de internationale vergelijkingen en de aanbevelingen getuigen van een ernstige en grondige aanpak.

De vaststelling is duidelijk: vandaag blijft de auto voor honderdduizenden werknemers onmisbaar.

In het verslag wordt erop gewezen dat in België de auto nog steeds het dominante vervoermiddel is voor het woon‑werkverkeer en dat de gemiddelde bezettingsgraad uiterst laag blijft: amper meer dan één persoon per voertuig. Carpoolen kan dan ook een deel van de oplossing zijn. Het kan de CO₂‑uitstoot en de files verminderen, gezinnen geld laten besparen en tegemoetkomen aan bepaalde mobiliteitsbehoeften, met name in landelijke gebieden of regio’s die slecht bereikbaar zijn met het openbaar vervoer.

Dit wordt in het verslag overtuigend aangetoond, maar er is wel een valkuil die we moeten vermijden. Carpooling mag geen alibi worden om af te zien van investeringen in het openbaar vervoer, wat overigens ook in het verslag zelf wordt benadrukt.

Carpoolen is een aanvulling op trein, tram en bus, geen vervanging ervan. Het is vooral zinvol waar het aanbod aan openbaar vervoer ontoereikend is, of voor de eerste en de laatste kilometer. Voor de PVDA‑PTB is dat onderscheid echt essentieel.

In veel regio’s worden inwoners al jaren geconfronteerd met de gevolgen van geschrapte lijnen, een ontoereikend aanbod en uitgestelde investeringen in het openbaar vervoer. Men kan die inwoners dus niet zomaar vertellen dat ze maar moeten carpoolen, terwijl zij in de eerste plaats vragen om openbaar vervoer dat die naam waardig is.

Een ander belangrijk punt dat in het verslag wordt benadrukt, is dat de belangrijkste belemmeringen voor carpooling niet alleen technisch van aard zijn. Ze houden ook verband met de werktijden, de organisatie van de bedrijven, een gebrek aan vertrouwen, het ontbreken van voldoende bekende platformen en een tekort aan geschikte infrastructuur.

Met andere woorden, het volstaat niet om een app te ontwikkelen. Er is ook een echt overheidsbeleid nodig. Hiervoor moeten de gewesten niet enkel onderling samenwerken, maar ook met de werkgevers, de vervoersmaatschappijen, de gemeenten en de sociale partners.

In het verslag wordt ook benadrukt dat carpooling een volwaardige plaats moet krijgen binnen een visie op mobiliteit als dienst, dat de carpoolparkings moeten worden verbeterd, dat er voorbehouden rijstroken moeten komen waar dat zinvol is en dat er voor een stabiele financiering van de maatregelen moet worden gezorgd. Al die aanbevelingen zijn interessant, maar wij willen ook de aandacht vestigen op de sociale dimensie.

De mobiliteitskosten wegen steeds zwaarder door op het gezinsbudget. Dat carpooling aan belangstelling wint, komt ook doordat heel wat werknemers de kosten van hun auto eenvoudigweg niet langer alleen kunnen dragen. Die toenemende interesse mag het onderliggende probleem dus niet overschaduwen: mobiliteit is te duur geworden.

Tot slot zijn wij het ermee eens dat de verschillende overheden beter moeten samenwerken. Pendelaars stoppen uiteraard niet aan de gewestgrenzen, en het overheidsbeleid evenmin. De aanbevelingen in dit verslag over de samenwerking van de federale overheid, de gewesten en de werkgevers gaan dan ook in de goede richting.

De PVDA‑PTB vindt dan ook dat carpoolen een nuttig instrument kan zijn om de mobiliteit te verbeteren en de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, maar dat het een aanvulling moet blijven op forse investeringen in toegankelijk, frequent en betaalbaar openbaar vervoer. Alleen die combinatie zal het mogelijk maken om daadwerkelijk tegemoet te komen aan de mobiliteitsbehoeften van de bevolking en tegelijkertijd de klimaatuitdaging aan te gaan.

Om al die redenen zal PVDA‑PTB zich bij de stemming over deze tekst onthouden.

Mme Alice Bernard (PVDA‑PTB). – Je voudrais d’abord saluer le travail réalisé dans le cadre de ce rapport d’information. Les auditions, les comparaisons internationales et les recommandations témoignent d’un travail sérieux et approfondi.

Le constat est clair : aujourd’hui, la voiture reste incontournable pour des centaines de milliers de travailleurs.

Le rapport rappelle qu’en Belgique, les déplacements domicile‑travail sont dominés par l’automobile et que le taux moyen d’occupation des voitures reste extrêmement faible, à peine un peu plus d’une personne par véhicule. Le covoiturage peut donc constituer une partie de la solution. Il permet de diminuer les émissions de CO2, de réduire les embouteillages, de faire économiser de l’argent aux ménages et de répondre à certains besoins de mobilité, notamment dans les zones rurales ou mal desservies par les transports publics.

Le rapport démontre cela de manière convaincante, mais il y a toutefois un écueil à éviter. Le covoiturage ne doit pas devenir l’alibi pour renoncer à investir dans les transports publics, ce que le rapport souligne d’ailleurs aussi.

Le covoiturage est un complément, pas un substitut au train, au tram ou au bus. Il est particulièrement pertinent là où l’offre de transport public est insuffisante ou pour le premier et le dernier kilomètre. Pour le PTB, cette distinction est vraiment essentielle.

Dans de nombreuses régions, les habitants subissent depuis des années des suppressions de lignes, une offre insuffisante et des retards d’investissement dans les transports publics. On ne peut donc pas simplement leur répondre qu’ils doivent faire du covoiturage, alors que ce qu’ils réclament avant tout, c’est un service public de transport digne de ce nom.

Un autre point important souligné dans le rapport est le fait que les principaux freins au covoiturage ne sont pas seulement techniques. Certains sont liés aussi aux horaires de travail, à l’organisation des entreprises, au manque de confiance, à l’absence de plateformes suffisamment connues ou encore au manque d’infrastructures adaptées.

Autrement dit, il ne suffit pas de créer une application, il faut aussi une véritable politique publique. Cela suppose une coopération entre les Régions mais aussi avec les employeurs, les opérateurs de transport, les communes et les partenaires sociaux.

Le rapport insiste également sur la nécessité d’intégrer le covoiturage dans une logique de mobilité comme service, d’améliorer les parkings de covoiturage, de développer les voies réservées lorsque cela est pertinent et d’assurer un financement stable des dispositifs. Toutes ces recommandations sont intéressantes, mais il y a aussi une dimension sociale sur laquelle nous voulons attirer l’attention.

Le coût de la mobilité pèse de plus en plus lourd dans le budget des ménages. Si le covoiturage connaît un intérêt croissant, c’est aussi parce que beaucoup de travailleurs n’ont tout simplement plus les moyens d’assumer seuls le coût de leur voiture. Il ne faudrait donc pas que cette évolution masque le problème de fond, qui est une mobilité devenue trop chère.

Enfin, nous partageons l’idée selon laquelle les différentes autorités doivent mieux collaborer. Les navetteurs ne s’arrêtent évidemment pas aux frontières régionales, et les politiques publiques non plus. Les recommandations formulées dans ce rapport en matière de coopération entre l’État fédéral, les Régions et les employeurs vont donc dans la bonne direction.

Le PTB considère donc que le covoiturage peut être un outil utile pour améliorer la mobilité et réduire les émissions de gaz à effet de serre, mais qu’il doit rester un complément à un investissement massif dans des transports publics accessibles, fréquents et abordables. C’est cette combinaison seulement qui permettra de répondre réellement aux besoins de mobilité de la population tout en relevant le défi climatique.

C’est pourquoi le PTB s’abstiendra lors du vote sur ce texte.

 

De heer Stijn De Roo (cd&v). – Carpoolen is geen nieuwe vorm van mobiliteit. Veel mensen doen het vandaag al, vaak op een informele manier: met collega’s naar het werk, met buren naar een activiteit of met familie naar een station of overstappunt. In het informatieverslag is nagegaan hoe die bestaande praktijk beter kan worden ondersteund. Vooreerst dus mijn dank aan de sprekers in de hoorzittingen en de rapporteurs en ook aan de diensten van de Senaat voor de geleverde inspanning.

Het verslag toont aan dat carpoolen verschillende functies kan vervullen. Voor sommige pendelaars is carpoolen een manier om samen tot aan een eindbestemming te geraken. Voor andere kan het net een schakel zijn in een multimodale verplaatsing, bijvoorbeeld naar een station, naar een Hoppinpunt of naar een andere overstapplaats. Die twee logica’s kunnen naast elkaar bestaan, maar ze vragen niet altijd dezelfde instrumenten.

Bij de verdere uitwerking zal daarom duidelijker moeten worden bepaald welke doelstelling op welke plaats voorrang krijgt, zeker wanneer infrastructuurruimte schaars is. Integratie van carpoolopties in digitale platformen of in een ruimer vervoersbewijs kan nuttig zijn, maar mag voor cd&v geen bijkomende complexiteit creëren, en het mag spontaan of informeel carpoolen ook niet ontmoedigen.

Het informatieverslag vertrekt sterk vanuit de mobiliteitsstromen van en naar Brussel, wat begrijpelijk is gezien de dagelijkse congestie rond de hoofdstad, maar ook op andere Vlaamse assen en rond stedelijke clusters zoals Antwerpen en Gent kan carpoolen een rol spelen. Een verdere uitwerking mag zich daarom niet beperken tot één corridor of één stedelijke omgeving.

Tegelijk, collega’s, moeten we de juiste verwachtingen hebben. Carpoolen is geen wonderoplossing voor alle mobiliteitsproblemen. Het kan bijdragen tot minder druk op bepaalde assen, tot lagere vervoerskosten, tot een efficiënter gebruik van bestaande infrastructuur, maar vrijgekomen wegcapaciteit kan op termijn ook opnieuw worden ingevuld. Bovendien moeten keuzes over rijstroken, voorbehouden infrastructuur of aangepaste verkeersorganisatie altijd worden afgewogen tegen de impact op andere weggebruikers, waaronder ook het goederenvervoer. Voor Vlaanderen met zijn havens en logistieke knooppunten en economische assen is dat natuurlijk geen detail.

Daarom moet carpoolen worden ingebed in een ruimer mobiliteitsbeleid, met aandacht voor openbaar vervoer, fietsverbindingen, Hoppinpunten, parkeerbeleid en ook een doordachte ruimtelijke ordening. De bevoegdheid daarvoor, zoals ook in het informatieverslag staat, ligt op de verschillende bestuursniveaus.

Een ander aandachtspunt is de laagdrempeligheid. Het verslag verwijst onder meer naar manieren om carpoolritten beter te registreren of meer ondersteuning te bieden. Dat kan nuttig zijn, bijvoorbeeld wanneer er fiscale of financiële stimulansen zouden worden gekoppeld aan effectief gedeelde ritten, maar we moeten natuurlijk vermijden dat carpoolen verzandt in bijkomende administratie. Mensen zullen alleen carpoolen als het eenvoudig blijft. Dat geldt ook voor werkgevers, voor lokale besturen en voor verenigingen die mee een rol kunnen spelen. Controle en registratie mogen geen drempel worden voor mensen die vandaag al op een spontane en praktische manier ritten delen.

Ook de rol van werkgevers verdient nuance. Zij kunnen een belangrijke hefboom zijn. Ze kennen de woon‑werkstromen van hun werknemers, ze kunnen sensibiliseren, parkeerbeleid organiseren of meezoeken naar oplossingen voor werknemers met gelijkaardige trajecten, maar ook hier geldt dat het werkbaar moet blijven en dat we geen administratieve belasting mogen organiseren.

Voor cd&v is ook de sociale dimensie belangrijk. Mobiliteit gaat niet alleen over doorstroming of over infrastructuur. Het gaat ook over toegang tot werk, opleiding, zorg, dienstverlening en ook tot sociaal leven.

Voor sommige mensen kan carpoolen een antwoord bieden op vervoersarmoede, zeker op plaatsen waar het openbaar vervoer minder frequent rijdt of waar de afstand tot het station of de halte groot is. Tegelijk moeten we ervoor zorgen dat nieuwe systemen zoals digitale systemen niet enkel werken voor zij die digitaal vaardig zijn, flexibele werkuren hebben of in een groot bedrijf werken. Mensen met de grootste mobiliteitsnoden mogen niet uit het beeld verdwijnen.

Daarom is het goed dat het verslag ook wijst op zichtbaarheid, betrouwbaarheid, aansluiting op andere vervoersmodaliteiten. Carpoolen kan sterker worden wanneer het verbonden wordt met bestaande knooppunten en wanneer mensen voldoende vertrouwen hebben in de praktische organisatie. Een veilige overstapplaats, duidelijke informatie, een betrouwbare terugrit en een goede afstemming op andere vervoersmogelijkheden maken daarbij een groot verschil.

Voor cd&v is carpoolen dus een zinvolle bouwsteen in een breder mobiliteitsbeleid. Het kan helpen om kosten te delen, om ruimte efficiënter te gebruiken, de bereikbaarheid te verbeteren en mensen meer vervoersmogelijkheden te geven. We zullen daarom de aanbevelingen in het informatieverslag steunen.

M. Stijn De Roo (cd&v). – Le covoiturage n’est pas une nouvelle forme de mobilité. De nombreuses personnes le pratiquent déjà, souvent de manière informelle : avec des collègues pour se rendre au travail, avec des voisins pour rejoindre une activité ou avec des membres de la famille pour se rendre à une gare ou à un point de correspondance. Le rapport d’information examine comment mieux soutenir cette pratique existante. Je tiens donc tout d’abord à remercier les intervenants qui ont participé aux auditions, les rapporteurs, ainsi que les services du Sénat pour les efforts fournis.

Le rapport montre que le covoiturage peut remplir différentes fonctions. Pour certains navetteurs, le covoiturage est un moyen de se rendre ensemble à une destination finale. Pour d’autres, il peut s’agir d’un maillon dans un trajet multimodal, par exemple vers une gare, un point Hoppin ou un autre lieu de correspondance. Ces deux logiques peuvent coexister, mais elles ne nécessitent pas toujours les mêmes instruments.

Les travaux ultérieurs devront donc définir plus clairement quels objectifs sont prioritaires et à quel endroit, surtout lorsque l’espace dédié aux infrastructures est limité. L’intégration d’options de covoiturage dans des plateformes numériques ou dans un titre de transport plus large peut s’avérer utile, mais ne doit pas, selon le cd&v, créer de complexité supplémentaire, ni décourager le covoiturage spontané ou informel.

Le rapport d’information se concentre principalement sur les flux de mobilité à destination et en provenance de Bruxelles, ce qui est compréhensible compte tenu des embouteillages quotidiens autour de la capitale, mais le covoiturage peut également jouer un rôle sur d’autres axes flamands et autour de pôles urbains tels qu’Anvers et Gand. Une mise en œuvre ultérieure ne doit donc pas se limiter à un seul corridor ou à une seule agglomération.

En même temps, il convient d’avoir des attentes réalistes. Le covoiturage n’est pas une solution miracle à tous les problèmes de mobilité. Il peut contribuer à réduire la pression sur certains axes, à diminuer les coûts de transport et à optimiser l’utilisation des infrastructures existantes, mais la capacité routière ainsi libérée peut, à terme, être à nouveau occupée. De plus, les choix concernant les voies de circulation, les infrastructures réservées ou l’organisation adaptée du trafic doivent toujours être évalués à l’aune de leur impact sur les autres usagers de la route, y compris le transport de marchandises. Pour la Flandre, avec ses ports, ses pôles logistiques et ses axes économiques, cette prise en compte constitue évidemment un enjeu majeur.

C’est pourquoi le covoiturage doit s’inscrire dans une politique de mobilité plus large, qui tienne compte des transports en commun, des liaisons cyclables, des points Hoppin, de la politique de stationnement ainsi que d’un aménagement du territoire bien réfléchi. Cette compétence relève des différents niveaux de pouvoir.

Un autre point à prendre en compte est la facilité d’accès. Le rapport évoque notamment des moyens de mieux enregistrer les trajets en covoiturage ou d’offrir davantage de soutien. Cela pourrait s’avérer utile, par exemple si des incitations fiscales ou financières étaient liées à des trajets effectivement partagés, mais il faut bien sûr éviter que le covoiturage ne se noie dans une charge administrative supplémentaire. Les citoyens ne pratiqueront le covoiturage que s’il reste simple. Cela vaut également pour les employeurs, les collectivités locales et les associations qui peuvent jouer un rôle à cet égard. Le contrôle et l’enregistrement ne doivent pas constituer un obstacle pour les personnes qui partagent déjà des trajets de manière spontanée et pratique.

Le rôle des employeurs mérite lui aussi d’être nuancé. Ils peuvent constituer un levier important. Ils connaissent les trajets domicile‑travail de leurs travailleurs, ils peuvent mener des actions de sensibilisation, mettre en place une politique de stationnement ou contribuer à la recherche de solutions pour les travailleurs ayant des trajets similaires, mais là encore, il faut veiller à préserver la faisabilité et à ne pas alourdir la charge administrative.

Pour le cd&v, la dimension sociale est également importante. La mobilité ne se résume pas à la fluidité du trafic ou aux infrastructures. Elle concerne aussi l’accès à l’emploi, à la formation, aux soins, aux services et à la vie sociale.

Pour certaines personnes, le covoiturage peut constituer une solution à la précarité en matière de transports, notamment dans les endroits où les transports en commun circulent moins fréquemment et où la distance jusqu’à la gare ou à l’arrêt est importante. En même temps, nous devons veiller à ce que les nouveaux systèmes, notamment les systèmes numériques, ne profitent pas uniquement à ceux qui maîtrisent le numérique, qui ont des horaires de travail flexibles ou qui travaillent dans une grande entreprise. Les personnes qui ont les plus grands besoins en matière de mobilité ne doivent pas être laissées pour compte.

C’est pourquoi il est positif que le rapport mette également l’accent sur la visibilité, la fiabilité et l’interconnexion avec d’autres modes de transport. Le covoiturage peut se développer davantage s’il est relié aux points de correspondance existants et si les usagers ont suffisamment confiance dans son organisation pratique. Un lieu de correspondance sûr, des informations claires, un trajet de retour fiable et une bonne coordination avec les autres moyens de transport peuvent faire toute la différence à cet égard.

Pour le cd&v, le covoiturage constitue donc un maillon précieux dans une politique de mobilité plus large. Il peut contribuer à partager les coûts, à utiliser l’espace de manière plus efficace, à améliorer l’accessibilité et à offrir davantage d’options de transport aux citoyens. C’est pourquoi nous soutiendrons les recommandations formulées dans le rapport d’information.

 

De heer Hasan Koyuncu (PS). – Na afloop van de talrijke hoorzittingen in het kader van het informatieverslag over de ontwikkeling van gewest- en grensoverschrijdende snelle carpoolnetwerkende is de balans duidelijk: België beschikt over een aanzienlijk potentieel op het gebied van carpoolen, maar die praktijk is nog onvoldoende ontwikkeld.

Los van die evidente vaststelling zetten onze werkzaamheden er ons vooral toe aan om onze visie op mobiliteit te herzien. Decennialang was ons model gebouwd op basis van de individuele auto, die is uitgegroeid tot het symbool van vrijheid, autonomie en onafhankelijkheid. Toch brengt die vrijheid vandaag steeds zwaardere collectieve kosten met zich mee: chronische files, tijdverlies, vervuiling, uitstoot van broeikasgassen en stijgende kosten voor de gezinnen.

Hoewel de auto nog steeds het belangrijkste vervoermiddel is, rijdt er meestal maar één persoon in. De cijfers die tijdens de hoorzittingen werden getoond, zijn overduidelijk: bij woon‑werkverkeer bedraagt de bezettingsgraad nauwelijks meer dan één persoon per auto. Elke dag blijven er duizenden zitplaatsen leeg op onze wegen, terwijl onze infrastructuur overbelast is. Precies daarom is carpoolen zeer nuttig.

Onze fractie heeft met een constructieve instelling gewerkt, en ik dank onze collega’s en de ambtenaren van de Senaat voor het geleverde werk.

Carpoolen is niet enkel een pragmatische oplossing voor de files. Het is ook een intelligentere manier om de bestaande infrastructuur te gebruiken, zonder systematisch nieuwe wegen te moeten aanleggen.

Maar het is belangrijk om te wijzen op een fundamenteel principe: carpoolen zal het openbaar vervoer nooit vervangen, maar moet er een aanvulling op vormen. Onze overtuiging is duidelijk: wanneer het openbaar vervoer een passend antwoord biedt, moet het de pijler van ons mobiliteitsbeleid blijven.

Maar het zou te simplistisch zijn om carpoolen louter als een mobiliteitsinstrument te beschouwen; het is ook een vorm van solidariteit, gebaseerd op delen, vertrouwen en samenwerking tussen burgers. Het schept een sociale band en herinnert ons eraan dat we samen een antwoord kunnen bieden op de moeilijkheden waarmee iedereen individueel te maken heeft.

Onze hoorzittingen hebben ook aangetoond dat onder carpoolen veel verschillende fenomenen kunnen schuilgaan: informeel carpoolen tussen naasten of collega’s, digitale platforms, woon‑werkverplaatsingen, enz. Die diversiteit vormt een rijkdom, maar verklaart ook waarom het fenomeen moeilijk te meten is.

Een aanzienlijk deel van carpooling komt niet voor in de officiële statistieken. De gegevens zijn verspreid over verschillende actoren en maken het niet altijd mogelijk de praktijken te evalueren.

Daarom ben ik tevreden dat ons amendement dat tot doel had carpooling systematisch op te nemen in de federale en gewestelijke mobiliteitsenquêtes eenparig is aangenomen. Een efficiënt openbaarvervoersbeleid moet steunen op betrouwbare, objectieve en gedeelde gegevens.

Dankzij de hoorzittingen konden ook de belangrijkste hinderpalen voor de ontwikkeling van het carpoolen worden vastgesteld. In tegenstelling tot wat men zou kunnen denken, is er geen gebrek aan interesse bij de burgers. De moeilijkheden liggen vooral op organisatorisch vlak: flexibele werktijden, de verschillende woon- en werkplaatsen die uit elkaar liggen, moeilijkheid om mensen te vinden die overeenstemmende trajecten afleggen, gebrek aan coördinatie tussen de verschillende operatoren. Daarbovenop komen diep verankerde gewoontes. Veel mensen blijven de individuele auto associëren met absolute vrijheid, terwijl vertrouwens- of veiligheidskwesties sommige praktijken nog kunnen afremmen.

De ervaringen die tijdens de hoorzittingen werden gedeeld, tonen echter aan dat gedragsverandering mogelijk is. De werkzaamheden van onze commissie hebben de omvang van de gewestoverschrijdende verkeersstromen rond Brussel bevestigd en hebben aangetoond dat woon‑werkverplaatsingen vaak de gewestgrenzen overschrijden. De tewerkstellingszones vallen niet samen met de institutionele grenzen. Daarom kan een ambitieus beleid op het vlak van carpoolen pas efficiënt zijn als het gebaseerd is op een sterkere coördinatie tussen de federale overheid en de gewesten.

Ik ben eveneens tevreden dat ons amendement, eenparig aangenomen in de commissie, de aanbeveling over een verband tussen de regelgeving inzake salariswagens en carpooling voor woon‑werkverkeer, heeft aangevuld met de verplichting tot overleg tussen de sociale partners, de werkgevers en de vertegenwoordigers van de werknemers. Dat overleg is volgens ons essentieel: mobiliteitsoplossingen moeten worden ontworpen samen met de actoren die de dagelijkse realiteit van de woon‑werkverplaatsingen kennen.

Ik ben eveneens tevreden over het aannemen van ons amendement om de bewustmakingscampagnes rond carpooling aan te vullen. Het gaat er niet alleen om meer informatie te verspreiden over de bestaande fiscale stimulansen, maar ook over de voordelen van carpoolen voor het milieu en op sociaal‑economisch vlak, en over de beschikbare oplossingen op ons grondgebied. Dat is een belangrijk signaal: carpoolen vormt zowel een hefboom voor de ecologische transitie, een instrument om de mobiliteitskosten te drukken als een middel om de toegankelijkheid tot verplaatsingen te verbeteren.

We steunen die visie van een duurzamere, efficiëntere en meer solidaire mobiliteit ten volle.

Het verslag bevat ook verschillende andere belangrijke aanbevelingen, maar op enkele punten zijn we ook teleurgesteld. We hadden graag gezien dat het verslag verder was gegaan door de dimensie van sociale rechtvaardigheid sterker te integreren in het beleid ter ondersteuning van carpoolen. Met dit doel voor ogen hadden we voorgesteld om de invoering te onderzoeken van rechtstreekse financiële stimulansen of mechanismen voor verlaagde tarieven die specifiek bestemd zijn voor studenten, personen die een alternerende opleiding volgen en werkzoekenden. Dat voorstel was gebaseerd op een eenvoudige vaststelling: het huidige systeem ter ondersteuning van carpooling berust hoofdzakelijk op fiscale stimulansen die gekoppeld zijn aan beroepsinkomsten of aan het bezit van een salariswagen, waardoor bepaalde doelgroepen die niet van dezelfde ondersteuningsmechanismen profiteren, uit de boot kunnen vallen. Helaas is dat amendement niet aangenomen. Wij blijven er echter van overtuigd dat mobiliteit een doorslaggevende factor is voor toegang tot werk, opleiding en zelfstandigheid.

We hadden graag gezien dat het aspect van het overheidsbeheer van gegevens over carpooling duidelijker werd bevestigd. In die zin hadden we een amendement ingediend om het toekomstige bewijsregister voor carpoolritten als een instrument van algemeen belang zou worden opgevat. Wij betreuren dat die precisering niet werd aangenomen. De mobiliteitsgegevens vormen een strategisch middel: ze kunnen niet beschouwd worden als een louter technisch of commercieel hulpmiddel. Ze moeten ten dienste blijven staan van een efficiënt overheidsbeleid en tegemoetkomen aan collectieve noden.

Voor de socialistische fractie gaat het er dus niet om de verschillende vervoerswijzen tegenover elkaar te plaatsen. Wij pleiten voor geïntegreerde mobiliteit, waarbij de trein, de tram, de bus, de metro, de fiets, lopen en carpoolen elkaar aanvullen om iedereen echte vrijheid van verplaatsing te bieden. Mobiliteit is in wezen immers geen voorrecht. Het is een voorwaarde voor toegang tot werk, onderwijs, zorg, cultuur en een sociaal leven. Het is een factor van gelijkheid. Het is een hefboom voor de ecologische transitie. En het is ook een kwestie van sociale rechtvaardigheid.

Uit het onderzoek in het kader van dit verslag is gebleken dat er al oplossingen bestaan en dat ze verder kunnen worden uitgewerkt. De aangenomen aanbevelingen vormen een eerste belangrijke stap. Het is nu aan de verschillende beleidsniveaus om die bevindingen om te zetten in een ambitieus, samenhangend en voor iedereen toegankelijk overheidsbeleid.

M. Hasan Koyuncu (PS). – Au terme des nombreuses auditions menées dans le cadre du rapport d’information relatif au développement de réseaux express de covoiturage transrégionaux et transfrontaliers, un constat s’impose : la Belgique dispose d’un potentiel important en matière de covoiturage alors que cette pratique demeure encore insuffisamment développée.

Au‑delà de cette évidence, nos travaux nous invitent surtout à repenser notre conception de la mobilité. Pendant des décennies, notre modèle s’est construit autour de la voiture individuelle. Celle‑ci est devenue, dans l’imaginaire collectif, le symbole de la liberté, de l’autonomie et de l’indépendance. Pourtant, cette liberté a aujourd’hui un coût collectif de plus en plus lourd : embouteillages chroniques, perte de temps, pollution, émissions de gaz à effet de serre et coûts croissants pour les ménages.

Alors que la voiture reste le mode de déplacement dominant, elle circule la plupart du temps avec un seul occupant. Les chiffres présentés lors des auditions sont éloquents : pour les trajets domicile‑travail, le taux d’occupation dépasse à peine une personne par véhicule. Chaque jour, des milliers de places restent vides sur nos routes alors que nos infrastructures sont saturées. C’est là précisément que le covoiturage prend tout son sens.

Notre groupe a donc travaillé dans un esprit constructif, et je remercie nos collègues et les fonctionnaires du Sénat pour le travail réalisé.

Le covoiturage n’est pas seulement une réponse pragmatique à la congestion. Il est aussi une manière plus intelligente d’utiliser les infrastructures existantes, sans qu’il faille systématiquement construire de nouvelles routes.

Il est toutefois essentiel de rappeler un principe fondamental : le covoiturage ne remplacera jamais les transports publics, il doit en être le complément. Notre conviction est claire : lorsque les transports publics offrent une réponse pertinente, ils doivent demeurer le pilier de notre politique de mobilité.

Il serait néanmoins réducteur de ne voir dans le covoiturage qu’un simple outil de mobilité ; il est aussi une pratique de solidarité, fondée sur le partage, la confiance et la coopération entre les citoyens. Il crée un lien social et rappelle qu’il est possible de répondre collectivement aux difficultés que chacun rencontre individuellement.

Nos auditions ont aussi montré que le covoiturage couvre aujourd’hui des réalités très diverses : le covoiturage informel entre proches ou collègues, les plateformes numériques, les déplacements domicile‑travail, etc. Cette diversité constitue une richesse, mais elle explique aussi pourquoi le phénomène reste difficile à mesurer.

Une part importante du covoiturage échappe encore aux statistiques officielles. Les données sont dispersées entre différents acteurs et ne permettent pas toujours d’évaluer précisément les pratiques.

C’est pourquoi je me réjouis que notre amendement prévoyant d’intégrer systématiquement le covoiturage dans les enquêtes fédérales et régionales de mobilité ait été adopté à l’unanimité. Une politique publique efficace doit s’appuyer sur des données fiables, objectives et partagées.

Les auditions ont également permis d’identifier les principaux freins au développement du covoiturage. Contrairement à ce que certaines idées reçues peuvent laisser croire, il n’y a pas un manque d’intérêt chez les citoyens. Les difficultés sont avant tout organisationnelles : horaires flexibles, dispersion des lieux de résidence et d’emploi, difficulté à trouver des personnes effectuant des trajets compatibles, manque de coordination entre les différents opérateurs. À cela s’ajoutent des habitudes profondément ancrées. Beaucoup continuent d’associer la voiture individuelle à une liberté absolue, tandis que les questions de confiance ou de sécurité peuvent encore freiner certaines pratiques.

Or les expériences présentées lors de nos auditions démontrent qu’il est possible de faire évoluer ces comportements. Les travaux de notre commission ont confirmé l’importance des flux transrégionaux autour de Bruxelles et ont montré que les déplacements domicile‑travail dépassent largement les frontières régionales. Les bassins d’emploi ne coïncident pas avec les frontières institutionnelles. Dès lors, une politique ambitieuse en matière de covoiturage ne peut être efficace que si elle repose sur une coordination renforcée entre le fédéral et les Régions.

Je me réjouis également que notre amendement, adopté à l’unanimité en commission, ait complété la recommandation relative au lien entre la réglementation des voitures de société et le covoiturage domicile‑travail par la nécessité d’une concertation avec les partenaires sociaux, les employeurs et les représentants des travailleurs. Cette concertation est essentielle à nos yeux : les solutions de mobilité doivent être construites avec les acteurs qui connaissent les réalités quotidiennes des déplacements domicile‑travail.

Je souhaite également saluer l’adoption de notre amendement visant à compléter les campagnes de sensibilisation au covoiturage. Il ne s’agit pas uniquement de mieux faire connaître les incitants fiscaux existants, mais également de mettre en lumière les bénéfices environnementaux, économiques et sociaux du covoiturage, ainsi que les solutions disponibles sur le territoire. C’est un signal important : le covoiturage constitue à la fois un levier de transition écologique, un outil de réduction des coûts de mobilité et un moyen de renforcer l’accessibilité des déplacements.

Nous soutenons pleinement cette vision d’une mobilité plus durable, plus efficace et plus solidaire.

Le rapport formule également plusieurs autres recommandations importantes, mais nous devons par ailleurs exprimer quelques regrets. Nous aurions souhaité que le rapport aille plus loin en intégrant davantage la dimension d’équité sociale dans les politiques de soutien au covoiturage. C’est dans cet objectif que nous avions proposé d’étudier la mise en place d’incitants financiers directs ou de mécanismes de tarification réduite spécifiquement destinés aux étudiants, aux apprenants en formation alternée ainsi qu’aux demandeurs d’emploi. Cette proposition partait d’un constat simple : les dispositifs actuels reposent principalement sur des mécanismes liés aux revenus professionnels ou à la détention d’un véhicule de société, ce qui peut laisser de côté certains publics qui ne bénéficient pas des mêmes mécanismes de soutien. Malheureusement, cet amendement n’a pas été retenu. Nous restons toutefois convaincus que la mobilité constitue un facteur déterminant d’accès à l’emploi, à la formation et à l’autonomie.

Nous aurions également souhaité que la dimension de gouvernance publique des données relatives au covoiturage soit davantage affirmée. C’est le sens de l’amendement que nous avons déposé afin que le futur registre national de preuve de covoiturage soit conçu comme un outil relevant de l’intérêt général. Nous regrettons que cette précision n’ait pas été retenue. Les données de mobilité constituent un enjeu stratégique : elles ne peuvent être considérées comme une simple ressource technique ou commerciale ; elles doivent rester au service de politiques publiques efficaces et répondre aux besoins collectifs.

Pour le groupe socialiste, il ne s’agit donc pas d’opposer les différents modes de déplacement. Nous défendons une mobilité intégrée, où le train, le tram, le bus, le métro, le vélo, la marche et le covoiturage se complètent afin d’offrir à chacune et chacun une véritable liberté de se déplacer. Parce qu’au fond, la mobilité n’est pas un privilège. Elle est une condition d’accès à l’emploi, à l’enseignement, aux soins, à la culture et à la vie sociale. Elle est un facteur d’égalité. Elle est un levier de transition écologique. Elle est aussi un enjeu de justice sociale.

Les travaux menés dans le cadre de ce rapport ont montré que les solutions existent déjà et qu’elles peuvent être développées. Les recommandations adoptées constituent une première étape importante. Il appartient désormais aux différents niveaux de pouvoir de transformer ces constats en politiques publiques ambitieuses, cohérentes et accessibles à toutes et tous.

 

Mevrouw Kelly Van Tendeloo (Vooruit). – Wie elke dag met de wagen naar een grote stad komt, heeft geen federale mobiliteitsenquête nodig om te weten dat onze wegen dichtslibben en dat de auto dominant blijft in het verkeer.

Het grootste probleem daarbij is niet dat mensen de wagen gebruiken voor woon‑werkverkeer of om naar de winkel te gaan. Het grootste probleem is dat mensen alleen in de auto zitten. Er is met andere woorden een probleem van autosolisme.

Het verslag dat vandaag voorligt, toont aan dat carpoolen mee een oplossing kan bieden om die knoop te ontwarren. We moeten dat niet langer zien als een losstaand initiatief, maar proberen te verankeren als een flexibele aanvulling op het openbaar vervoer.

Carpoolen is op geen enkele manier een concurrent van bus of trein. Het kan een ontbrekende schakel zijn. In België woont immers minder dan een derde van de bevolking op minder dan twee kilometer van een IC‑station. Voor de overige twee derde is de auto vaak een onmisbare schakel om überhaupt het openbaar vervoer te bereiken.

Carpooling kan op die manier het zogenaamde eerste- en laatste‑kilometerprobleem helpen oplossen. Het kan fungeren als een soort deeltaxi die pendelaars vlot naar grote openbaarvervoerknooppunten brengt.

Onze mobiliteit stopt bovendien niet aan de gewestgrenzen. Dagelijks pendelen tienduizenden werknemers tussen Vlaanderen, Wallonië en Brussel. We hebben dan ook nood aan een gecoördineerde interregionale aanpak om dit probleem aan te pakken en ervoor te zorgen dat ons verkeer beter aansluit op multimodale parkings rond Brussel en andere grote steden, evenals op de Hoppin- en mobipunten.

We maken er geen enkel probleem van om samen te werken met buurlanden zoals Nederland of Frankrijk wanneer het gaat over internationaal verkeer of grensarbeid. Maar wanneer het gaat over samenwerking tussen de gewesten, moet steeds worden benadrukt wie bevoegd is. Dat is toch enigszins vreemd, want uiteindelijk gaat het over dezelfde mensen die we proberen op hun werk te krijgen en die zich dagelijks moeten kunnen verplaatsen. Iedereen heeft zijn bevoegdheden, maar samenwerking is in dezen cruciaal.

Die gedragsverandering vraagt tijd en politieke moed. Als we burgers willen overtuigen om de stap te zetten naar een deeleconomie, waarin bijvoorbeeld zelfrijdende shuttles een rol kunnen spelen, dan moeten we vandaag aantonen dat de overheid klaar is om de auto efficiënter te benutten in combinatie met het openbaar vervoer.

Vooruit heeft dit informatieverslag in de commissie goedgekeurd en zal de implementatie van de aanbevelingen op de verschillende beleidsniveaus nauwgezet opvolgen.

Wij hebben het informatieverslag ook aangevuld met enkele amendementen en zijn de collega’s dankbaar dat zij die mee hebben goedgekeurd. Ik licht graag nog kort de twee belangrijkste toe.

In de tekst werd verwezen naar experimenten met zelfrijdende elektrische voertuigen. Voor ons is het vooral belangrijk te benadrukken dat dergelijke initiatieven geen substituut mogen worden voor het openbaar vervoer.

Daarnaast bevatte de tekst een passage over het gebruik van de vluchtstrook als carpoolstrook. Wij hebben voorgesteld om de mogelijkheid van gereserveerde rijstroken te onderzoeken, omdat het gebruik van de vluchtstrook mogelijk gevolgen kan hebben voor de verkeersveiligheid.

Tot slot wil ik de initiatiefnemers van dit informatieverslag bedanken, evenals de diensten van de Senaat en de vele sprekers die wij tijdens de verschillende hoorzittingen hebben mogen ontvangen.

Mme Kelly Van Tendeloo (Vooruit). – Quiconque se rend chaque jour en voiture dans une grande ville n’a pas besoin d’une enquête fédérale sur la mobilité pour savoir que nos routes sont encombrées et que la voiture reste le moyen de transport dominant.

Le principal problème n’est pas que les gens utilisent leur voiture pour se rendre au travail ou faire leurs courses, mais qu’ils sont seuls dans leur voiture. En d’autres termes, il s’agit d’un problème d’« autosolisme ».

Le rapport qui nous est présenté aujourd’hui montre que le covoiturage peut contribuer à dénouer cette situation. Nous ne devons plus le considérer comme une initiative isolée, mais essayer de l’ancrer en tant que complément flexible aux transports en commun.

Le covoiturage n’est en aucun cas un concurrent du bus ou du train. Il peut constituer un maillon manquant. En effet, en Belgique, moins d’un tiers de la population habite à moins de deux kilomètres d’une gare IC. Pour les deux tiers restants, la voiture est souvent un maillon indispensable pour pouvoir accéder aux transports en commun.

Le covoiturage peut ainsi contribuer à résoudre ce qu’on appelle le problème du « premier et dernier kilomètre ». Il peut faire office de taxi partagé qui achemine rapidement les navetteurs vers les grands nœuds de transport en commun.

De plus, notre mobilité ne s’arrête pas aux frontières régionales. Chaque jour, des dizaines de milliers de travailleurs font la navette entre la Flandre, la Wallonie et Bruxelles. Nous avons donc besoin d’une approche interrégionale coordonnée pour résoudre ce problème et veiller à ce que notre trafic soit mieux relié aux parkings multimodaux situés autour de Bruxelles et d’autres grandes villes, ainsi qu’aux points Hoppin et aux Mobipoints.

Nous n’avons aucun problème à collaborer avec des pays voisins comme les Pays‑Bas ou la France lorsqu’il s’agit de circulation internationale ou de travail frontalier. Mais lorsqu’il s’agit de coopération entre les Régions, il faut sans cesse rappeler qui est compétent. C’est un peu étrange, car, en fin de compte, il s’agit des mêmes personnes qui doivent parvenir à se rendre au travail et à se déplacer chaque jour. Chacun a ses compétences, mais la coopération est cruciale dans ce domaine.

Ce changement de comportement demande du temps et du courage politique. Si nous voulons convaincre les citoyens de franchir le pas vers une économie du partage, dans laquelle les navettes autonomes pourraient par exemple jouer un rôle, nous devons démontrer dès aujourd’hui que les pouvoirs publics sont prêts à utiliser la voiture de manière plus efficace, en combinaison avec les transports en commun.

Vooruit a approuvé ce rapport d’information en commission et suivra de près la mise en œuvre des recommandations aux différents niveaux politiques.

Nous avons également complété le rapport d’information par quelques amendements et nous remercions nos collègues de les avoir approuvés. Je voudrais brièvement commenter les deux plus importants.

Le texte faisait référence à des expériences menées avec des véhicules électriques autonomes. Pour nous, il est particulièrement important de souligner que de telles initiatives ne doivent pas se substituer aux transports en commun.

Par ailleurs, le texte comportait un passage concernant l’utilisation de la bande d’arrêt d’urgence comme voie réservée au covoiturage. Nous avons proposé d’étudier la possibilité de créer des voies réservées, car l’utilisation de la bande d’arrêt d’urgence pourrait avoir des conséquences sur la sécurité routière.

Pour conclure, je tiens à remercier les auteurs de ce rapport d’information, ainsi que les services du Sénat et les nombreux intervenants que nous avons eu le plaisir d’accueillir lors des différentes auditions.

 

De heer Hajib El Hajjaji (Ecolo‑Groen). – Beste collega’s, om te beginnen wil ik graag mijn collega‑senator Eva Platteau verontschuldigen. Zij kan er vandaag niet bij zijn om ons standpunt toe te lichten.

Ik wil mijn waardering uitspreken voor het geleverde werk en de diensten bedanken. Dankzij de verhelderende hoorzittingen konden we een stand van zaken opmaken over deze kwestie, die niet alleen belangrijk is op economisch en sociaal vlak, maar ook op het vlak van gezondheid, samenleving en milieu.

Deze tekst schetst een vrij nauwkeurig beeld van de carpoolpraktijken in België en van enkele buitenlandse ervaringen, en wijst ook terecht op een aantal organisatorische en reglementaire drempels waarmee burgers in de verschillende gewesten te maken krijgen.

Hoewel de tekst een nuttige en interessante diagnose stelt van de aantrekkingsfactoren – de elementen die mensen kunnen aanzetten tot carpoolen –, wordt er verrassend weinig aandacht besteed aan de ontradende factoren: de structurele beleidshefbomen die nodig zijn zodat de transitie naar gedeelde mobiliteit niet marginaal en louter retorisch blijft.

Ik zeg het zonder omwegen: we zullen het massale individuele autogebruik niet kunnen terugdringen met alleen maar goede wil en digitale apps, ook niet wanneer we daar een optimistisch verhaal over technologische efficiëntie en administratieve vereenvoudiging aanbreien om de pil te vergulden. Er is krachtig beleid nodig, fiscale en duurzame beleidsmaatregelen, waarmee we echt de omslag kunnen maken naar een rechtvaardigere wereld met meer respect voor mens en milieu.

In die zin kan autogebruik soms gerechtvaardigd zijn, maar het eist ook slachtoffers, zowel op de weg als door de vervuiling die het veroorzaakt. Het heeft gevolgen voor de volksgezondheid en ons milieu. Met die aspecten moet meer rekening worden gehouden.

Op basis van de hoorzittingen, de analyses van de deskundigen en de gedachtewisselingen wil mijn fractie Ecolo‑Groen de aandacht vestigen op vier belangrijke blinde vlekken in dit verslag, die dringend opnieuw in de verdere denkoefening moeten worden meegenomen.

De eerste blinde vlek is het taboe rond salariswagens. In het verslag wordt die kwestie veel te voorzichtig benaderd. De deskundigen waren nochtans duidelijk: het huidige systeem is de belangrijkste rem op carpoolen in België. Wie van zijn werkgever een salariswagen en tankkaart krijgt, heeft er per definitie geen enkel financieel belang bij om ritten te delen, noch als bestuurder, noch als passagier. Als we onze wegen verder willen ontlasten, moeten we de geleidelijke afschaffing plannen van dit fiscaal onrechtvaardige en ecologisch onhoudbare systeem.

Tijdens de laatste vergadering van een commissie van de Franse Gemeenschap over de rechten van het kind wees een spreekster erop dat de afschaffing van het dure Belgische systeem van salariswagens de nodige middelen zou vrijmaken om alle kinderen in ons land gezonde, gratis en duurzame schoolmaaltijden aan te bieden. Dat toont aan dat het wel degelijk om een politieke keuze gaat: de brandstoftanks van onze auto’s vullen of onze kinderen op school gezonde voeding aanbieden en zo hun gezondheid en slaagkansen al van jongs af aan garanderen.

Een tweede punt is de slimme kilometerheffing. Carpoolen moet vanuit financieel oogpunt de voor de hand liggende keuze worden. Daarom moeten we een dynamische en slimme kilometerheffing invoeren.

Door bestuurders te laten bijdragen op basis van hun reële gebruik van de weg, maken we het delen van ritten en van kosten meteen financieel aantrekkelijk voor de Belgen en komen er middelen vrij om in duurzame mobiliteit te investeren

De derde blinde vlek heeft betrekking op verkeersdrukteheffingen en voorbehouden rijstroken. Het is tijd om resoluut te kiezen voor heffingen die de fileproblematiek aanpakken en voor een stadstol, naar het voorbeeld van systemen die in andere Europese grootsteden al goed werken.

We moeten hiervan een echte hefboom maken om carpooling te bevorderen. Laten we voertuigen waarmee wordt gecarpoold gedeeltelijk of volledig vrijstellen van die heffingen en, waar mogelijk, voorbehouden rijstroken voor die voertuigen inrichten om verdienstelijk gedrag te stimuleren.

In het verslag staat dat dit de geluidshinder en de CO₂‑uitstoot helpt verminderen en onze totale ecologische voetafdruk verkleint, stuk voor stuk belangrijke uitdagingen in de huidige klimaattransitie. We zullen erin slagen de mentaliteit te veranderen en verantwoord gedrag te stimuleren als we ervoor zorgen dat wie carpoolt, vlot kan doorrijden en niet hoeft te betalen.

Daarnaast moet er in onze stadscentra een bewust ontradend parkeerbeleid komen, om de verkeersveiligheid van kwetsbare weggebruikers te verbeteren en de openbare ruimte te vrijwaren van de soms buitensporige en overheersende aanwezigheid van de auto, die ten koste gaat van de levenskwaliteit van onze burgers. Zo komt er ruimte vrij om ook een andere cruciale uitdaging aan te pakken: de vergroening van onze stadskernen, zodat we onze medeburgers beter kunnen beschermen tegen de gevolgen van de klimaatontwrichting en tegen hittegolven, zoals degene die we momenteel meemaken, de derde al dit jaar. Dat alles zal ons ertoe dwingen om de inrichting van onze steden vanuit een globale visie te herbekijken, om onze medeburgers beter te beschermen.

Het vierde en laatste punt gaat over het openbaar vervoer als centrale pijler van de modal shift.. Laten we niet vergeten dat de meest efficiënte vorm van gedeeld vervoer het openbaar vervoer is. De hoorzittingen hebben een cruciaal fenomeen aan het licht gebracht: op drukke verkeersassen met een goed uitgebouwd bus- en treinaanbod, kiezen gebruikers spontaan voor het openbaar vervoer in plaats van carpooling. Intergewestelijk carpoolen mag geen lapmiddel zijn voor ontoereikende investeringen in de NMBS of de gewestelijke vervoersmaatschappijen. In minder dichtbevolkte gebieden moet het een aanvulling vormen op een sterk en onderling verbonden openbaarvervoernet dat zowel structurele als ad‑hocoplossingen biedt.

Die vier elementen ontbreken naar onze mening in dit verslag, dat kan en moet worden verbeterd. Het verslag vormt weliswaar een basis en bevat interessante informatie, maar het schiet tekort door een gebrek aan moed, namelijk de moed om een krachtig overheidsbeleid te voeren en fiscale maatregelen te nemen die soms ook beperkingen kunnen inhouden, omdat zij het algemeen belang boven het individuele belang stellen.

We moeten verantwoord gedrag dan ook stimuleren en gedrag dat problemen veroorzaakt, afremmen, want dat laatste type gedrag brengt vandaag al aanzienlijke maatschappelijke kosten met zich mee, onder meer door de files op onze autosnelwegen en de gevolgen voor de volksgezondheid en de organisatie van onze samenleving. Als we willen dat de Belgen hun ritten delen wanneer ze zich verplaatsen tussen Wallonië, Vlaanderen en Brussel, dan moeten we inzetten op fiscale en structurele hefbomen die ervoor zorgen dat individueel autogebruik een achterhaalde praktijk wordt. Zo kiezen we voor gezond verstand, een verantwoord gebruik van vervoermiddelen en een slim gebruik van openbare of gedeelde vervoersdiensten.

We zullen dan ook nauwgezet opvolgen hoe de krachtlijnen van dit verslag in de verschillende parlementen concreet vorm krijgen. Hoewel we erkennen dat er bepaalde stappen zijn gezet, betreuren we dat andere stappen uitblijven. Daarom zal Ecolo‑Groen zich bij de stemming over dit verslag onthouden.

M. Hajib El Hajjaji (Ecolo‑Groen). – Chers collègues, permettez‑moi d’abord d’excuser ma collègue, la sénatrice Eva Platteau, qui n’a pas pu être présente pour porter notre voix sur ce point.

Je tiens à saluer le travail réalisé pour la rédaction de ce rapport et remercier les services. Les riches auditions nous ont permis de faire un état de la situation sur cette question importante sur les plans économique, social, mais aussi sanitaire, sociétal et environnemental.

Ce document dresse un état des lieux relativement précis des pratiques de covoiturage en Belgique et parfois des expériences à l’étranger, tout en identifiant avec pertinence certains freins organisationnels et réglementaires auxquels font face nos concitoyens d’une Région à l’autre.

Cependant, si le diagnostic présente des informations utiles et intéressantes sur les facteurs d’attraction, c’est‑à‑dire les éléments qui peuvent inciter à faire du covoiturage, le texte reste singulièrement et étonnamment timide au sujet des facteurs de dissuasion, ces leviers politiques structurels sans lesquels la transition vers une mobilité partagée reste marginale et incantatoire.

Pour le dire franchement, nous ne réussirons pas à relever le défi qui consiste à faire baisser l’utilisation individuelle massive de la voiture uniquement avec de la bonne volonté et des applications numériques, le tout emballé dans un discours techno‑optimiste d’efficience ou un discours de simplification administrative en vue de faire passer la pilule. Il faut des mesures politiques fortes, des mesures politiques fiscales, des mesures politiques durables et des mesures de changement pour entrer dans un nouveau monde plus juste, plus respectueux des gens et de notre environnement.

En ce sens, l’usage de la voiture peut parfois se justifier, mais il cause aussi des décès non seulement sur la route, mais aussi par la pollution qu’il génère. Il a une incidence sur la santé publique et sur notre environnement. Ce sont des aspects qui doivent être davantage pris en compte.

À la lumière des auditions, des exposés des experts et des échanges, mon groupe Ecolo‑Groen souhaite souligner quatre angles morts majeurs de ce rapport, qui doivent être urgemment réintégrés dans la réflexion.

Le premier concerne le tabou des voitures de fonction. Le rapport aborde la question des voitures de fonction avec une prudence excessive. Or les experts ont été clairs : le système actuel est le principal frein au covoiturage en Belgique. Une personne qui dispose d’un véhicule et d’une carte carburant payée par son entreprise n’a, par définition, aucun intérêt financier à partager son trajet, que ce soit comme conducteur ou comme passager. Si nous voulons libérer davantage nos routes, nous devons planifier la suppression progressive de ce système fiscalement injuste et écologiquement intenable.

Lors de la dernière réunion d’une des commissions de la Communauté française, qui était consacrée aux droits de l’enfant, une intervenante a souligné que la fin du régime onéreux des voitures de fonction en Belgique permettrait de dégager les moyens nécessaires pour pouvoir offrir des repas sains, gratuits, durables à tous les enfants de notre pays. Cela montre qu’il s’agit bien d’un choix politique : alimenter en carburant les réservoirs de nos voitures ou alimenter sainement nos enfants dans les écoles et garantir ainsi leur santé et leur réussite dès leur plus jeune âge.

Le deuxième élément porte sur une fiscalité kilométrique intelligente. Le covoiturage doit devenir un choix financièrement évident. À cet effet, nous devons instaurer une tarification dynamique et intelligente au kilomètre.

En faisant mieux contribuer l’usage réel de la route, nous rendons instantanément le partage des frais et du trajet attractif pour le portefeuille des Belges, ce qui dégage des moyens pour investir dans la mobilité durable.

Le troisième élément se rapporte aux péages de congestion et aux voies réservées. Il est temps d’assumer la mise en place de contributions en lien avec les problèmes de congestion et de péages urbains, à l’instar de ce qui fonctionne déjà dans d’autres métropoles européennes.

Nous devons en faire un véritable levier en faveur du covoiturage. Exonérons partiellement ou totalement les véhicules partagés. Réservons‑leur, quand c’est possible, des bandes de circulation dédiées pour soutenir ces comportements vertueux.

On peut lire dans le rapport que le covoiturage permet de diminuer les nuisances sonores, les émissions de CO2 ainsi que l’empreinte carbone globale, autant d’autres enjeux majeurs dans le contexte actuel de transition climatique. Nous parviendrons à changer les mentalités et à promouvoir les comportements vertueux en faisant en sorte que celui qui covoiture avance et ne paye pas.

À cela doit s’ajouter une politique de stationnement volontairement dissuasive dans nos centres‑villes pour protéger les usagers faibles en matière de sécurité routière, pour libérer l’espace public de la place parfois excessive et envahissante de la voiture au détriment de la qualité de vie des citoyens. Cela permettra de dégager de la place pour pouvoir aussi aborder un enjeu crucial : la végétalisation de nos cœurs de ville pour protéger nos concitoyens contre les phénomènes du dérèglement climatique et des vagues de chaleur, telles que celle que nous connaissons actuellement et qui est déjà la troisième de l’année en cours. Tout cela nous obligera à revoir, dans une vision globale, l’urbanisme public pour mieux protéger nos concitoyens.

J’en arrive enfin au quatrième et dernier élément : le transport en commun comme pivot du déplacement modal. N’oublions pas que le moyen de covoiturage le plus efficace est d’abord le transport en commun. Les auditions nous ont montré un phénomène crucial : sur les axes à forte demande, lorsque le réseau de bus et de train est performant, les usagers délaissent naturellement le covoiturage pour le transport public. Le covoiturage interrégional ne doit pas être un substitut au manque d’investissement dans la SNCB ou les opérateurs régionaux. Il doit être un complément pour les zones moins denses, articulé autour d’un réseau de transport public fort, interconnecté et qui apporte des solutions structurelles, mais aussi ponctuelles.

Ces quatre éléments manquent, selon nous, dans ce rapport qui peut et doit être amélioré. Ce rapport est une base qui présente des informations certes intéressantes, mais il pèche par manque de courage, à savoir le courage de mener des politiques publiques fortes et de prendre des mesures fiscales qui, parfois aussi, peuvent être contraignantes parce qu’elles visent à défendre l’intérêt général avant l’intérêt particulier.

Nous devons dès lors soutenir les comportements vertueux et freiner ceux qui posent problème et qui, aujourd’hui, ont déjà un coût pour notre société : un coût en termes d’embouteillages sur nos autoroutes, un coût en termes de santé publique et d’organisation de notre société. Si nous voulons que les Belges partagent leurs trajets entre la Wallonie, la Flandre et Bruxelles, nous devons actionner les leviers fiscaux et structurels qui rendent l’usage individuel de la voiture pour des trajets uniques obsolète au profit du bon sens, de l’usage responsable des moyens de transport et de l’utilisation en bonne intelligence des services publics ou des services partagés qui sont proposés au public.

Nous resterons dès lors très attentifs à la manière dont les orientations de ce rapport seront concrétisées dans les différents parlements. En ce qui nous concerne, si nous reconnaissons que certains pas ont été franchis, nous regrettons que d’autres fassent défaut. C’est la raison pour laquelle Ecolo‑Groen s’abstiendra lors du vote sur ce rapport.

 

De heer Jasper Pillen (Anders.). – Dank aan iedereen die hieraan heeft meegewerkt. De vraag hoe we ons verplaatsen en op welke manier we fileleed kunnen vermijden is natuurlijk zeer belangrijk en we zijn er inderdaad van overtuigd dat carpoolen één van de vele antwoorden kan zijn. We moeten echter ook nuchter en rustig blijven. Dit is niet de silver bullet voor onze mobiliteitsproblemen.

Dat brengt mij bij een eerste grote bedenking bij dit informatieverslag. Wat is eigenlijk de bedoeling? Wat willen we ermee bereiken? Elke auto extra is inderdaad de auto die vaak voor file zorgt en elke auto die er nog bij komt, creëert meer file. Alleen kan niemand aantonen dat zoveel meer mensen samen in een auto zoveel minder fileleed betekent. Het is niet evident om dat te achterhalen.

Er zijn heel wat aanbevelingen, maar er is geen concrete ambitie en de reden daarvoor kunnen we, volgens mij, tussen de regels lezen. Carpooling is vandaag een relatief marginaal fenomeen en is dat eigenlijk altijd al geweest. De afgelopen jaren is dat alleen maar sterker geworden. Dat houdt verband, en zo staat het ook in het verslag, met het feit dat we veel minder van nine to five leven. We kiezen meer zelf wanneer we werken en waar we werken. De opkomst van telewerk zit daar natuurlijk ook achter, samen met glijdende werkuren en een prikklok die steeds meer verdwenen is. Zelfs voor onze vrijetijdsbesteding zijn er meer keuzes en dus ook meer windrichtingen om naartoe te rijden na het werk. Of toch tenminste na de periode waarin men geacht wordt te werken. En dat zal ook niet veranderen.

Dus bijna alle maatregelen die we vandaag nemen hebben ofwel amper impact, ofwel is de impact ervan niet echt in beeld gebracht. De reden daarvoor kan zijn dat er gewoon een te weinig meetbare, kwantificeerbare impact is.

We kunnen ons natuurlijk wel vinden in de meeste aanbevelingen. Op zich kan niemand daar ook tegen zijn, niet tegen meer coördinatie en integratie, niet tegen meer dataverzameling, niet tegen gezonde stimulansen.

Maar bij bepaalde aanbevelingen hebben we wel bedenkingen, bijvoorbeeld de carpoolrijstroken. De wet van Downs op de verkeersdrukte zegt dat men met het creëren van extra rijstroken het risico loopt extra trafiek aan te trekken. Trouwens, het is nog maar de vraag hoe we überhaupt extra rijstroken kunnen creëren, als je ziet hoe moeilijk het al is om in Vlaanderen een tuinhuis te zetten. Ik herinner mij nog de recente debatten in de commissie Mobiliteit van het Vlaams Parlement over de uitbreiding van de E403, een superbelangrijke verkeersas tussen Brugge en Kortrijk. Daar vertrokken we van het grote idee van een derde rijstrook, om uiteindelijk te landen op een spitsstrook op bepaalde trajecten van die autosnelweg. Het idee om extra rijstroken aan te leggen is goed bedoeld, maar de uitvoering ervan is niet heel evident. En als we bestaande rijstroken omvormen tot carpoolrijstroken, dan vrees ik dat we alleen nog maar meer mensen op de kast jagen.

Taxi- en busbanen openstellen is op zich wel een waardevol idee en dat laatste brengt mij eigenlijk tot een aantal addertjes onder het gras die in deze tekst iets te veel weg hebben van nieuwe pogingen tot staatsinterventie, bemoeienissen en “afpakkerij”.

Opnieuw een fiscaal postje installeren voor carpoolen, met dan opnieuw meer administratie en een bewijsregister, is volgens ons niet de beste manier van werken. We moeten ook eerlijk zijn. In een klein land als België en in Vlaanderen alleen, zijn de platformen waar we gebruik van kunnen van maken, zeer gefragmenteerd. Op de duur moeten we nog reguleren wie er wel en niet gebruik van kan maken. Dat kan allemaal veel eenvoudiger.

Dat soort zaken vestigt onze aandacht op wat niet of onvoldoende in dit verslag staat, namelijk wat de overheid kan doen door net minder te doen, minder in de weg te lopen en minder te proberen om mobiliteitskeuzes te micromanagen.

Wij zullen ons dus bij de stemming over dit informatieverslag onthouden. We kunnen er niet tegen zijn, maar er zitten iets te veel addertjes onder het gras om de tekst volmondig te steunen.

M. Jasper Pillen (Anders.). – Je tiens à remercier celles et ceux qui ont contribué à ce rapport d’information. La question de savoir comment nous nous déplaçons et comment nous pouvons éviter les embouteillages est évidemment très importante, et nous sommes convaincus que le covoiturage peut être l’une des nombreuses réponses à cette double question. Nous devons toutefois garder la tête froide : le covoiturage n’est pas la solution miracle à nos problèmes de mobilité.

Cela m’amène à une première réflexion majeure à propos de ce rapport d’information. Quel est en réalité son objectif ? Chaque voiture supplémentaire est souvent à l’origine d’embouteillages, et chaque voiture qui vient s’y ajouter les aggrave. Mais personne ne peut démontrer le lien direct qui existe entre l’accroissement du covoiturage et la réduction des embouteillages.

Les recommandations sont nombreuses, mais elles manquent d’ambition concrète et nous pouvons, selon moi, en deviner la raison entre les lignes. Le covoiturage est aujourd’hui un phénomène relativement marginal, et il l’a d’ailleurs toujours été. Cette tendance n’a fait que s’accentuer ces dernières années. Comme on peut le lire dans le rapport, cela tient au fait que nous avons de moins en moins un horaire de travail classique. Nous déterminons de plus en plus nous‑mêmes quand et où nous travaillons, et l’essor du télétravail, les horaires flottants et la disparition graduelle de la pointeuse n’y sont évidemment pas étrangers. Même pour nos loisirs, les options sont plus nombreuses et il y a donc davantage de directions possibles vers lesquelles se rendre après le travail. Et cela ne changera pas.

La toute grande majorité des mesures que nous prenons aujourd’hui ont donc soit une incidence négligeable, soit une incidence qui n’a pas vraiment été mise en évidence. La raison en est peut‑être que cette incidence est trop peu mesurable et quantifiable.

Nous pouvons naturellement souscrire à la plupart des recommandations. En soi, personne ne peut être contre davantage de coordination et d’intégration, ni contre davantage de collecte de données ou contre l’instauration d’incitants sains.

Mais certaines recommandations suscitent quelques réserves de notre part. Tel est le cas, par exemple, des recommandations relatives aux bandes de circulation réservées au covoiturage. Selon la loi de Downs relative à la densité du trafic, la création de bandes de circulation supplémentaires risque paradoxalement d’attirer encore davantage de trafic. L’on peut d’ailleurs se demander comment il serait encore possible de créer des bandes de circulation supplémentaires lorsqu’on voit à quel point il est déjà difficile d’installer un simple abri de jardin en Flandre. Je me souviens encore des récents débats menés en commission de la Mobilité du Parlement flamand au sujet de l’extension de la E403, un axe routier extrêmement important entre Bruges et Courtrai. Nous étions partis de l’idée ambitieuse d’une troisième bande de circulation, pour finalement aboutir à la création d’une bande réservée aux déplacements aux heures de pointe sur certains tronçons de cette autoroute. L’idée de créer des bandes de circulation supplémentaires part d’une bonne intention, mais il n’est pas évident de la mettre en œuvre. Et je crains qu’en transformant des bandes de circulation existantes en voies réservées au covoiturage, nous ne fassions qu’exaspérer encore davantage les usagers.

L’ouverture de bandes de roulage réservées aux taxis et aux bus est une idée intéressante, mais il me semble quand même que le texte de ce rapport cache quelques pièges qui me font penser à de nouvelles tentatives d’interventionnisme ou d’ingérence de l’État.

Instaurer un nouveau code fiscal pour le covoiturage, avec les tracasseries administratives qui en résulteraient et la tenue d’un registre de justificatifs, n’est pas la meilleure façon de procéder selon nous. Soyons de bon compte : dans un petit pays comme la Belgique et dans une région comme la Flandre, les plateformes disponibles sont très fragmentées. À terme, nous devrons même encore décider qui peut ou ne peut pas y avoir recours. Les choses pourraient être beaucoup plus simples.

Certains éléments font donc défaut ou ne sont pas suffisamment mis en exergue dans ce rapport, qui ne précise pas, par exemple, ce que les pouvoirs publics pourraient faire pour, précisément, moins intervenir et faire moins de microgestion en matière de mobilité.

Nous nous abstiendrons donc lors du vote sur ce rapport d’information. Nous ne pouvons pas nous y opposer, mais le texte contient trop d’éléments qui nous empêchent de le soutenir sans réserve.

 

  De bespreking is gesloten.

  La discussion est close.

 

  De stemming over het informatieverslag heeft later plaats.

  Il sera procédé ultérieurement au vote sur le rapport d’information.

 

Verzoek tot het opstellen van een informatieverslag “Tien jaar na de aanslagen in Brussel: balans van de opvolging van de aanbevelingen, evaluatie van de nog bestaande tekortkomingen en actualisering van de overheidsprioriteiten” (van de heer Gaëtan Van Goidsenhoven, mevrouw Valérie De Bue, de heer Philippe Dodrimont, de dames Véronique Durenne, Liesa Scholzen, Viviane Teitelbaum, Stéphanie Thoron en Anne‑Charlotte d’Ursel, de heren Jean‑Paul Wahl en Vincent Blondel, mevrouw Caroline Desalle, de heer Elhadj Moussa Diallo, de dames Anne‑Catherine Goffinet, Marie‑Claire Mvumbi en Katia Segers en de heren Kris Verduyckt, Benjamin Dalle en Peter Van Rompuy; Doc 8‑217/1)

Demande d’établissement d’un rapport d’information « Dix ans après les attentats de Bruxelles : bilan du suivi des recommandations, évaluation des lacunes persistantes et actualisation des priorités publiques » (de M. Gaëtan Van Goidsenhoven, Mme Valérie De Bue, M. Philippe Dodrimont, Mmes Véronique Durenne, Liesa Scholzen, Viviane Teitelbaum, Stéphanie Thoron et Anne‑Charlotte d’Ursel, MM. Jean‑Paul Wahl et Vincent Blondel, Mme Caroline Desalle, M. Elhadj Moussa Diallo, Mmes Anne‑Catherine Goffinet, Marie‑Claire Mvumbi et Katia Segers et MM. Kris Verduyckt, Benjamin Dalle et Peter Van Rompuy ; Doc. 8‑217/1)

 

Bespreking

Discussion

 

Mevrouw Valérie De Bue (MR). – Beste collega’s, op 22 maart 2016 werd ons land in het hart geraakt door de aanslagen op Zaventem en Maalbeek, waarbij 32 doden en meer dan 300 gewonden vielen en die een blijvend trauma veroorzaakten bij de slachtoffers, hun naasten en de hele Belgische samenleving. Naar aanleiding van deze gebeurtenissen heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers een parlementaire onderzoekscommissie opgericht die de opdracht kreeg de omstandigheden te onderzoeken die tot de aanslagen hebben geleid, en tegelijkertijd ook de hulpverlening aan de slachtoffers, de werking van de bevoegde diensten, de veiligheidsarchitectuur, de crisisprocedures en de oorzaken van gewelddadig radicalisme te analyseren.

Van 2016 tot 2017 heeft de commissie bijna 200 getuigen gehoord. Zij heeft haar werkzaamheden opgebouwd rond drie grote pijlers: de hulpverlening aan de slachtoffers, de veiligheidsarchitectuur en het radicalisme. Ter afsluiting van deze werkzaamheden heeft zij eenparig een zeer omvangrijk pakket aanbevelingen geformuleerd.

In dat verslag werd reeds benadrukt dat de aanbevelingen alleen zinvol waren indien er gewaakt werd over hun uitvoering. Er werd dan ook aanbevolen een opvolgingscommissie op te richten.

Tien jaar na de feiten blijkt echter dat deze opvolging niet helemaal tot een goed einde is gebracht.

Er zijn weliswaar verschillende controlewerkzaamheden opgestart en er werd een opvolgingscommissie samengesteld, maar uit de beschikbare documenten blijkt dat de opvolging maar gedeeltelijk en soms alleen op een beschrijvende manier is gebeurd, zodat ze niet altijd heeft geleid tot een transversale en volledige evaluatie van het gevolg dat aan de parlementaire aanbevelingen werd gegeven.

Daarnaast is ook de vorm van de dreiging geëvolueerd. Het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse benadrukt dat de terroristische dreiging nu diffuser is, meer gefragmenteerd en meer hybride. Daarom moet onze aanpak nu permanent worden aangepast.

Recente wetenschappelijke studies en meer bepaald onderzoek van de Université catholique de Louvain herinneren eraan dat de aanslagen in Brussel deel uitmaken van een transnationale dynamiek waarop wij niet enkel kunnen reageren met repressie. Er dient een aanpak te komen die meer aan preventie doet, vroegtijdig kwetsbaarheden opspoort en zorgt voor sociale cohesie en samenwerking tussen beleidsniveaus.

Het is opvallend dat, volgens de meest recente cijfers, de menselijke gevolgen van de aanslagen nog steeds zeer aanwezig zijn. Medex, het bestuur van de FOD Volksgezondheid, ontving 1 800 aanvragen van slachtoffers van de aanslagen van 22 maart 2016, waaronder meer dan 1 000 eerste aanvragen voor de beoordeling van een nieuwe aandoening, en een groot aantal van de afgesloten dossiers heeft geleid tot de erkenning van een significante invaliditeitsgraad. Uit deze cijfers blijkt dat de aanslagen na tien jaar nog steeds administratieve, medische, psychologische en sociale langetermijngevolgen hebben. De slachtoffers wachten nog steeds op duidelijke, snelle en coherente reacties.

Het is in deze context dat wij vandaag in de Senaat een verzoek tot het opstellen van een informatieverslag indienen. Het doel hiervan is duidelijk: niet om het onderzoek opnieuw te voeren, maar om de opvolging sinds 2017 chronologisch te hernemen, na te gaan wat is uitgevoerd, wat slechts gedeeltelijk is uitgevoerd, wat is opgegeven of achterhaald is, en vast te stellen wat in het licht van de evolutie van de dreiging en van het juridische kader een actualisering vereist.

Het mandaat dat in de Senaat wordt voorgesteld bevat een aantal aanvullende onderdelen. Eerst en vooral gaat het erom alle aanbevelingen die na de aanslagen van 22 maart 2016 zijn aangenomen, in kaart te brengen en een onderscheid te maken tussen de aanbevelingen die volledig zijn uitgevoerd, de aanbevelingen die deels zijn uitgevoerd, de aanbevelingen die zijn uitgesteld, en de aanbevelingen die onvoldoende in overheidsmaatregelen zijn vertaald, alsook de aanbevelingen te identificeren die achterhaald zijn.

Vervolgens dienen de sinds 2017 ingevoerde opvolgingsinstrumenten te worden onderzocht – de parlementaire en administratieve mechanismen en controle‑instanties – en moet er worden nagegaan of zij er daadwerkelijk in zijn geslaagd om op lange termijn de continuïteit van de evaluatie en de uitvoering van de aanbevelingen te waarborgen.

Het verslag dient bijzondere aandacht te besteden aan de situatie van de slachtoffers, door concreet te beoordelen in hoeverre de voorzieningen die zij genieten op het gebied van informatie, begeleiding, erkenning, administratieve opvolging, psychologische ondersteuning, herstel en schadevergoeding, doeltreffend zijn.

Het moet de coördinatie tussen de bevoegde diensten en tussen de verschillende beleidsniveaus analyseren in het licht van de reeds genoteerde bevindingen uit de parlementaire werkzaamheden, latere controleverslagen en recente ontwikkelingen op het gebied van dreiging, technologieën en samenwerkingsmethoden.

Tot slot zal worden beoordeeld in hoeverre de aanbevelingen die na de aanslagen zijn geformuleerd, moeten worden geactualiseerd, rekening houdend met de evolutie van de terroristische dreiging, de technologische veranderingen, de uitdagingen op het gebied van gegevensverwerking en de vereisten inzake democratische veerkracht.

Aan het einde van deze werkzaamheden, zal de Senaat tot taak hebben alle aanbevelingen te formuleren die nuttig worden geacht om de veiligheid, de institutionele coördinatie, de slachtofferhulp te versterken, alsook het vermogen van de Staat om dergelijke crises te voorkomen, te beheersen en duurzaam te boven te komen.

Deze tekst is niet bedoeld als gelegenheidstoespraak of om verdeeldheid te zaaien. Hij dient niet om de diensten of beleidsniveaus niet tegen elkaar op te zetten. Hij strekt er integendeel toe om de coherentie van onze acties en de transparantie van onze instellingen te vergroten. Wij willen de polemiek niet opnieuw aanwakkeren, maar wel op lange termijn de verantwoordelijkheid die het parlement in 2016 op zich heeft genomen, concretiseren door ambitieuze aanbevelingen te formuleren, om na te gaan wat er precies is gebeurd en te verbeteren wat nog verbeterd moet worden.

Om al deze redenen hoop ik dat het verzoek tot het opstellen van een informatieverslag zo breed mogelijk gesteund zal worden in ons halfrond en zo de gebruikelijke breuklijn tussen meerderheid en oppositie zal overstijgen. De strijd tegen het terrorisme, de bescherming van onze medeburgers, de aandacht voor de slachtoffers en de veerkracht van onze democratie zijn geen partijgebonden uitdagingen. Het zijn gedeelde verantwoordelijkheden die vragen om een stevige en duurzame consensus.

Ik vraag u dus om dit verzoek tot het opstellen van een informatieverslag goed te keuren, zodat de Senaat voluit zijn rol van reflectie‑, controle en hervormingskamer kan spelen. Dit is een belangrijk signaal dat wij vandaag kunnen geven aan de slachtoffers, hun families en de hele samenleving: wij zijn een assemblee die zich niet tevredenstelt met herdenking, maar dat zichzelf vragen blijft stellen en tracht het overheidsbeleid te verbeteren ten dienste van iedereen.

Mme Valérie De Bue (MR). – Chers collègues, le 22 mars 2016, notre pays a été frappé au cœur par les attentats de Zaventem et de Maalbeek qui ont fait trente‑deux morts et plus de trois cents blessés, laissant un traumatisme durable pour les victimes, leurs proches et pour l’ensemble de la société belge.

Face à ces événements, la Chambre des représentants a constitué une commission d’enquête parlementaire chargée d’examiner les circonstances des attentats, l’aide aux victimes, le fonctionnement des services compétents, l’architecture de sécurité, la gestion de crise et les causes du radicalisme violent.

Entre 2016 et 2017, la commission a entendu près de deux cents témoins. Elle a organisé ses travaux autour de trois axes principaux : l’assistance aux victimes, l’architecture de sécurité et le radicalisme. À l’issue de ces travaux, elle a adopté à l’unanimité un ensemble particulièrement important de recommandations.

La commission soulignait déjà un enjeu essentiel. La valeur de ces recommandations dépend de leur mise en œuvre effective dans la durée. À ce titre, elle proposait également la création d’une commission de suivi.

Dix ans après les faits, force est de constater que ce suivi n’a pas été mené jusqu’à son terme de manière pleinement satisfaisante.

Des travaux de contrôle ont été engagés, une commission de suivi a été mise en place, des tableaux de suivi ont été élaborés, mais les documents disponibles montrent que la mise en œuvre est restée fragmentée, partielle et trop souvent descriptive, sans toujours permettre une évaluation transversale et complète des suites données aux recommandations des parlementaires.

Par ailleurs, le paysage de la menace a évolué. L’organe de coordination pour l’analyse de la menace souligne que la menace terroriste est aujourd’hui plus diffuse, plus fragmentée, plus hybride, ce qui exige une adaptation permanente de notre approche.

Les recherches universitaires, notamment celles de l’UCL, nous rappellent que les attentats de Bruxelles s’inscrivent dans une dynamique transnationale et que la réponse ne peut se limiter à la seule répression. Elle doit intégrer la prévention, la détection précoce des vulnérabilités, la cohésion sociale et la coopération entre niveaux de pouvoir.

Mais le fait notable est que les conséquences humaines des attentats sont encore bien présentes, comme le montrent les chiffres les plus récents. L’administration Medex du SPF Santé publique a reçu quelque mille huit cents demandes émanant de victimes, dont plus de mille premières demandes d’évaluation de nouvelles affections, et une large part des dossiers clôturés a abouti à la reconnaissance d’un taux d’invalidité significatif. Cela signifie que dix ans après, les attentats continuent de produire des effets administratifs, médicaux, psychologiques et sociaux de long terme. Les victimes attendent encore des réponses lisibles, rapides et cohérentes.

C’est dans ce contexte que nous soumettons aujourd’hui au Sénat une demande d’établissement d’un rapport d’information dont l’objectif est clair : il ne s’agit pas de rouvrir l’enquête, mais bien de reprendre la chronologie du suivi depuis 2017, de mesurer ce qui a été pleinement mis en œuvre, ce qui ne l’a été que partiellement et ce qui a été différé ou abandonné, et d’identifier ce qui doit être actualisé à la lumière de l’évolution de la menace et du cadre juridique.

Le mandat proposé au Sénat comporte plusieurs volets complémentaires. Il s’agit d’abord de reconstituer l’ensemble des recommandations adoptées à la suite des attentats du 22 mars 2016 et de distinguer celles qui ont été exécutées, celles dont la mise en œuvre est partielle, celles qui ont été différées et celles qui n’ont pas trouvé de traduction suffisante dans l’action publique, et ce en identifiant les recommandations devenues obsolètes.

Il s’agit ensuite d’examiner les instruments de suivi mis en place depuis 2017 – mécanismes parlementaires et administratifs, organes de contrôle – et de vérifier s’ils ont réellement permis d’assurer, dans la durée, la continuité de l’évaluation et de la mise en œuvre des recommandations.

Le rapport devra accorder une attention toute particulière à la situation des victimes en évaluant concrètement l’effectivité des dispositifs d’information, d’accompagnement, de reconnaissance, de suivi administratif, de soutien psychologique, de réparation et d’indemnisation.

Il analysera la coordination entre les services compétents et entre les différents niveaux de pouvoir à la lumière des constats déjà posés, des rapports de contrôle ultérieurs et des évolutions récentes de la menace, des technologies et des méthodes de coopération.

Enfin, il appréciera dans quelle mesure les recommandations doivent être actualisées compte tenu de l’évolution de la menace terroriste, des transformations technologiques, des enjeux liés au traitement des données et des exigences de résilience démocratique.

Au terme de ces travaux, le Sénat sera invité à formuler toute recommandation utile pour renforcer la sécurité, la coordination institutionnelle, la prise en charge des victimes et la capacité de l’État à prévenir, gérer et surmonter durablement de telles crises.

Ce projet n’est pas un texte de circonstance ni un texte de division. Il ne vise pas à opposer les services ou les niveaux de pouvoir. Il vise au contraire à renforcer la cohérence de notre action et la transparence de nos institutions. Il ne cherche pas à rouvrir des polémiques, mais bien à assumer dans la durée la responsabilité que le Parlement a prise en 2016 en formulant des recommandations ambitieuses, celles de vérifier ce qu’il en est advenu et de corriger ce qui doit l’être.

Pour toutes ces raisons, je souhaite que cette demande de rapport d’information puisse être soutenue le plus largement possible dans notre hémicycle, au‑delà des clivages habituels entre majorité et opposition. La lutte contre le terrorisme, la protection de nos concitoyens, l’attention aux victimes et la résilience de notre démocratie ne sont pas des enjeux partisans. Ce sont des responsabilités partagées qui appellent un consensus solide et durable.

Je vous invite dès lors à approuver cette demande d’établissement d’un rapport d’information et à permettre au Sénat de jouer pleinement son rôle d’assemblée de réflexion, de contrôle et de réforme. C’est un signal important que nous pouvons envoyer aujourd’hui aux victimes, à leurs familles et à l’ensemble de la société, celui d’une assemblée qui ne se contente pas de commémorer, mais qui continue à se remettre en question et à améliorer les politiques publiques au service de tous.

 

De heer Johan Deckmyn (Vlaams Belang). – Wij zullen dit verzoek steunen. Tien jaar na de aanslagen van 22 maart is het niet alleen legitiem, maar ook noodzakelijk om na te gaan wat er daadwerkelijk is gebeurd met de aanbevelingen van de parlementaire onderzoekscommissie. Zo’n evaluatie is geen terugblik om de terugblik, maar moet een oefening zijn die ons leert waar vooruitgang is geboekt, waar hardnekkige tekortkomingen blijven bestaan en vooral waar moet worden gehandeld om die tekortkomingen weg te werken.

Voor onze fractie is daarbij wel één voorwaarde essentieel. Deze oefening moet volledig en onbevangen gebeuren. Zonder taboes, zonder olifanten in de kamer, zonder blinde vlekken. Dat betekent dat niet alleen de veiligheidsarchitectuur, de samenwerking tussen de diensten en de slachtofferzorg aan bod moeten komen, maar ook de fundamentele oorzaken van de terroristische dreiging. De onderzoekscommissie heeft destijds uitvoerig stilgestaan bij radicalisering, gewelddadig islamisme, de rol van bepaalde moskeeën, buitenlandse beïnvloeding, de opleiding van imams, de problematiek in gevangenissen, integratie en immigratie. Het zou verkeerd zijn om die thema’s vandaag uit de weg te gaan omdat ze voor sommigen nogal gevoelig liggen.

Wie een ernstig informatieverslag wil opstellen, moet dus bereid zijn alle conclusies van de onderzoekscommissie opnieuw tegen het licht te houden. Niet alleen nagaan welke aanbevelingen worden uitgevoerd of werden uitgevoerd, maar ook eerlijk onderzoeken welke aanbevelingen onvoldoende werden opgevolgd, waarom dat zo is en of nieuwe ontwikkelingen of leemtes aanleiding geven tot bijkomende maatregelen.

Als dit informatieverslag die bredere ambitie waarmaakt, kan het een waardevolle bijdrage leveren. Als het daarentegen bepaalde onderwerpen bij voorbaat zou uitsluiten of minimaliseren, zou het zijn doel voorbijschieten.

Wij zullen dit verzoek dus steunen in de verwachting dat de werkzaamheden open, grondig en zonder taboes zullen worden gevoerd. Dat zijn we verschuldigd aan de slachtoffers, aan hun nabestaanden en aan iedereen die erop rekent dat de overheid lessen trekt uit een van de zwaarste terroristische aanslagen die ons land ooit heeft gekend, om te voorkomen dat dit ooit nog zou voorvallen.

M. Johan Deckmyn (Vlaams Belang). – Nous soutiendrons cette demande. Dix ans après les attentats du 22 mars, il est non seulement légitime, mais aussi nécessaire de voir ce qu’il est réellement advenu des recommandations de la commission d’enquête parlementaire. Une telle évaluation n’est pas une rétrospective pour le simple plaisir de revenir sur le passé : elle doit être un exercice destiné à identifier les avancées réalisées, les lacunes persistantes et, surtout, les mesures à prendre pour remédier à celles‑ci.

Pour notre groupe, une condition est essentielle : il faut mener cet exercice de manière exhaustive, sans parti pris et sans tabous. Cela signifie qu’il faut se pencher non seulement sur l’architecture de sécurité, la coopération entre les services et la prise en charge des victimes, mais aussi sur les causes fondamentales de la menace terroriste. À l’époque, la commission d’enquête s’était longuement intéressée à la radicalisation, à l’islamisme violent, au rôle joué par certaines mosquées, à l’influence étrangère, à la formation des imams, aux problèmes dans les prisons, à l’intégration et à l’immigration. Ce serait une erreur d’éluder ces thèmes aujourd’hui, sous prétexte qu’ils seraient sensibles pour certains.

Nous pensons donc que quiconque souhaite établir un rapport d’information sérieux doit être disposé à réexaminer toutes les conclusions de la commission d’enquête. Il s’agit non seulement de vérifier quelles recommandations sont ou ont été mises en œuvre, mais aussi d’examiner en toute honnêteté quelles recommandations n’ont pas été suffisamment suivies et pourquoi, et de voir si de nouvelles évolutions ou de nouvelles lacunes doivent donner lieu à des mesures supplémentaires.

Si ce rapport d’information répond à cette ambition plus large, il pourra apporter une contribution précieuse. En revanche, s’il venait à exclure ou minimiser d’emblée certains sujets, il passerait à côté de son objectif.

Nous soutiendrons donc cette demande, dans l’espoir que les travaux soient menés de manière ouverte, approfondie et sans tabous. Nous le devons aux victimes, à leurs proches et à tous ceux qui comptent sur les pouvoirs publics pour tirer les leçons d’un des attentats terroristes les plus graves que notre pays ait jamais connus, afin d’empêcher que cela se reproduise un jour.

 

Mevrouw Anne Lambelin (PS). – We hebben allemaal gehoord dat vele slachtoffers van de aanslagen van 22 maart 2016 een diep, gerechtvaardigd gevoel hebben van in de steek gelaten te worden, van woede en uitputting. De complexiteit van de hulpverleningsprocedures is al grondig onderzocht in de Kamer, maar mijn fractie en ik zijn van mening dat die strijd en de solidariteit die we aan de slachtoffers moeten betonen hier in geen geval mogen eindigen en dat we onze inspanningen moeten voortzetten om te begrijpen wat er is gebeurd en om ervoor te zorgen dat de slachtoffers zich volledig ondersteund voelen.

Ik wil ook benadrukken, naar aanleiding van wat ik al in onze assemblee heb gehoord, dat het voor mijn fractie eveneens van essentieel belang is dat dit verslag in geen geval wordt misbruikt om mensen te stigmatiseren of om het fenomeen van het zich afsluiten van anderen in onze samenlevingen te versterken.

Wij zijn van mening dat dit verslag onontbeerlijk is en daarom zal de socialistische fractie dit initiatief steunen. Tien jaar na de aanslagen hebben we een belangrijke plicht tot herdenking, waarheid en evaluatie. Het is van cruciaal belang om na te gaan wat er is ondernomen naar aanleiding van de verschillende aanbevelingen die na afloop van de onderzoekscommissie zijn geformuleerd.

Het is ook van essentieel belang om na te gaan welke tekortkomingen er vandaag nog steeds bestaan en ervoor te zorgen dat de slachtoffers centraal blijven staan in ons overheidsbeleid en onze aanpak, en dus ook in de totstandkoming van dit verslag.

Dit initiatief moet uiteraard leiden tot een betere coördinatie tussen de verschillende beleidsniveaus. Het is ook aan de Senaat om ons antwoord op de terroristische dreiging, die andere vormen aanneemt, aan te passen. Voor mijn fractie betekent steun voor dit verslag een uitbreiding van de veiligheid en de solidariteit, alsook van het vertrouwen dat de burgers in onze instellingen kunnen hebben.

Ik dank dus de senatoren die het initiatief hebben genomen voor deze vraag.

Mme Anne Lambelin (PS). – Nous avons toutes et tous eu écho du profond sentiment légitime d’abandon, de colère et d’épuisement des nombreuses victimes des attentats du 22 mars 2016. La complexité des procédures de prise en charge a déjà fait l’objet d’un examen approfondi à la Chambre, mais il nous semble, à moi et à mon groupe, que ce combat et la solidarité que nous devons témoigner aux victimes ne peuvent en aucun cas s’arrêter ici et que nous devons poursuivre nos efforts pour comprendre ce qui s’est passé et pour nous assurer que les victimes puissent se sentir prises en charge jusqu’au bout.

Je tiens également à préciser, à la suite de ce que j’ai déjà pu entendre dans notre assemblée, qu’il est aussi essentiel pour mon groupe que ce rapport ne soit en aucun cas instrumentalisé pour stigmatiser ou pour contribuer à amplifier le phénomène du repli sur soi dans nos sociétés.

Nous pensons que ce rapport est indispensable, raison pour laquelle le groupe socialiste soutiendra cette initiative. Dix ans après ces attentats, nous avons aujourd’hui un devoir essentiel de mémoire, de vérité et d’évaluation. Il est primordial de vérifier ce qui a été mis en œuvre à la suite des différentes recommandations qui ont été formulées à l’issue de la commission d’enquête.

Il est essentiel aussi de vérifier les lacunes qui subsistent encore aujourd’hui et de veiller à ce que les victimes restent au cœur de nos politiques publiques et de nos démarches, et donc au cœur de l’élaboration de ce rapport.

Cette démarche doit évidemment permettre d’améliorer la coordination entre les différents niveaux de pouvoir. C’est également au Sénat qu’il appartient d’adapter notre réponse à l’évolution de la menace terroriste. Soutenir ce rapport, c’est, pour mon groupe, renforcer la sécurité et la solidarité, ainsi que la confiance que les citoyens peuvent avoir à l’égard de nos institutions.

Je remercie donc les personnes qui sont à l’origine de cette demande.

 

De heer Benjamin Dalle (cd&v). – Ik zal het kort houden, want collega De Bue en andere sprekers hebben dit verzoek al zeer goed toegelicht.

Tien jaar na de aanslagen is effectief een goed moment om stil te staan bij de aanpak ervan. Ik herinner mij 22 maart 2016 nog goed. Ik werkte toen op de studiedienst van onze partij in de Wetstraat 89, vlak naast het metrostation Maalbeek. Net die ene dag was ik niet op mijn bureau, maar op het kabinet van een minister voor een overleg. En net op dat moment gebeuren de aanslagen in de metro die ik eigenlijk elke ochtend nam.

Voor heel veel Brusselaars en Belgen – en trouwens ook voor heel veel internationale bezoekers – hebben de aanslagen een enorme impact gehad. De verschillende overheden hebben gereageerd en er zijn heel veel positieve zaken gebeurd. Maar het is uiteraard ook gepast om er kritisch bij stil te staan en om dat in de Senaat te doen, precies omdat er heel veel bevoegdheidsniveaus, gemeenschappen, gewesten en federale overheid, betrokken zijn.

Daarom zal de cd&v dit verzoek steunen.

M. Benjamin Dalle (cd&v). – Je serai bref, car Mme De Bue et d’autres intervenants ont déjà très bien expliqué cette demande.

Dix ans après les attentats, c’est en effet le moment de faire le point sur la manière dont les événements ont été gérés. Je me souviens encore très bien du 22 mars 2016. Je travaillais alors au service d’études de notre parti, au 89 de la rue de la Loi, juste à côté de la station de métro Maelbeek. Ce jour‑là précisément, je n’étais pas à mon bureau, mais au cabinet d’un ministre pour une réunion de concertation. Et c’est à ce moment‑là que les attentats se sont produits dans le métro que j’empruntais en fait chaque matin.

Pour de très nombreux Bruxellois et Belges, comme pour de très nombreux visiteurs internationaux, ces attentats ont eu un impact énorme. Les différentes autorités ont réagi et il y a eu de nombreux points positifs. Mais il convient aussi de procéder à une évaluation critique, et ce au sein du Sénat, précisément parce que de nombreux niveaux de pouvoir – Communautés, Régions et État fédéral – sont concernés.

C’est pourquoi le cd&v soutiendra cette demande.

 

De voorzitter. – Net zoals u, herinneren velen van ons zich inderdaad het moment waarop we de tragische gebeurtenissen van tien jaar geleden vernamen.

M. le président. – Tout comme vous, beaucoup d’entre nous se souviennent effectivement du moment où nous avons été informés de ces tragiques événements il y a maintenant dix ans.

 

Mevrouw Anne‑Catherine Goffinet (Les Engagés). – Dit jaar was het tien jaar geleden dat de aanslagen in Brussel plaatsvonden, die ons allen een trauma hebben bezorgd. Slachtoffers, naasten, getuigen, eerstehulpverleners, brandweerlui, wij zijn allen gekwetst en geraakt in ons diepste wezen door deze waarlijk tragische gebeurtenissen.

Wat is onze rol nu, als politici? Dat is alles in het werk stellen opdat dit nooit opnieuw gebeurt, opdat onze medeburgers zich veilig voelen, opdat wij de slachtoffers nooit vergeten en ervoor zorgen dat zij zich ondersteund, bijgestaan, gehoord en geholpen voelen door de Staat, gedurende hun hele herstelproces.

Zoals het verslag aangeeft, betekent de herdenking dus niet dat het dossier afgesloten wordt, wel integendeel: ze toont juist aan dat er nog steeds een levendige behoefte bestaat aan opheldering, evaluatie en verantwoording vanuit de overheid.

Mevrouw Debue heeft eraan herinnerd dat de Kamer een onderzoekscommissie heeft opgericht die de opdracht kreeg de omstandigheden te onderzoeken, alsook andere aspecten en dat er anderhalf jaar later een andere commissie is opgericht belast met het toezicht op de daadwerkelijke uitvoering van de aanbevelingen. Een onderzoekscommissie is echter pas zinvol als de conclusies ook concrete gevolgen hebben. Tien jaar na de aanslagen is het dus legitiem dat onze assemblee nagaat wat er is gerealiseerd, wat er nog gedaan moet worden en vraagt naar de reden waarom bepaalde aanbevelingen niet werden gevolgd. Dit verzoek tot het opstellen van een informatieverslag, waar we ons nu over buigen, moet dus in dit kader van verdere opvolging worden geplaatst en krijgt zijn volle betekenis in die context.

Voor onze fractie is dit informatieverslag vooral een vraag om verantwoordelijkheid te nemen tegenover de slachtoffers, want zij zijn prioritair. Tien jaar na de aanslagen hebben wij de plicht om hieraan te herinneren, maar ook om hen te helpen in hun dagelijkse leven, in het bijzonder op administratief gebied, om toegang te krijgen tot een snelle en gepaste schadevergoeding, medisch toezicht, psychologische ondersteuning op lange termijn, enz.

Het is essentieel om te bepalen hoe doeltreffend de getroffen maatregelen zijn en om erover te waken dat de beloftes die aan de slachtoffers werden gedaan ook werkelijk worden nagekomen.

Aanbevelingen die nog niet of slechts gedeeltelijk zijn uitgevoerd, dienen te worden opgepikt zodat wij er een concreet en duurzaam gevolg aan kunnen geven. Deze evaluatietaak mag niet alleen retrospectief zijn. Zij moet ook het heden bekijken en vooruitlopen op de toekomst.

Zoals mevrouw Debue al zei, is de terroristische dreiging sinds 2016 geëvolueerd. Zij is er nog steeds en neemt hybride en diffuse vormen aan, maar zij wordt versterkt door het toegenomen gebruik van digitale instrumenten en de sociale media. We moeten dus onderzoeken of de aanbevelingen van toen nog steeds aansluiten bij de realiteit en correct worden uitgevoerd. Misschien moeten zij worden aangevuld.

Onze veiligheidsstructuren, preventiemechanismen en institutionele coördinatie moeten absoluut worden geactualiseerd. Dit alles dient gelijke tred te houden met de uitdagingen, niet alleen van vandaag maar ook van morgen. Meerdere verslagen hebben immers benadrukt dat de grootste zwakheden die bij de aanslagen zichtbaar zijn geworden, lagen op het vlak van coördinatie en informatie‑uitwisseling. Het is dus ook essentieel om de geboekte vooruitgang te evalueren en om eventueel resterende knelpunten te identificeren en vooral er oplossingen voor te vinden.

Ik vind dat wij ook een transparantieplicht hebben tegenover onze medeburgers. Wij moeten nagaan wat er wel of niet is gedaan, wij moeten achterhalen waarom bepaalde dingen niet zijn gedaan, wij horen perspectief te bieden en, vooral, tonen dat we lessen hebben getrokken uit de gebeurtenissen die ons allen hebben getraumatiseerd.

Tot slot zou ik graag de MR‑fractie bedanken omdat zij dit onderwerp hebben aangesneden in onze assemblee. Ik hoop dat we erin zullen slagen om veel van de huidige aanbevelingen te actualiseren op een realistische manier en vanuit een interinstitutioneel perspectief, zodat we op alle beleidsniveaus en binnen onze respectieve bevoegdheden kunnen werken aan een betere erkenning van de slachtoffers en hun noden.

Tot slot wil ik benadrukken dat het steunen van dit verzoek tot het opstellen van een informatieverslag niet betekent dat we het verleden willen oprakelen, maar dat we zeker willen zijn dat de lessen die zijn getrokken uit de aanslagen van 22 maart 2016 nog steeds worden aangewend ten voordele van de slachtoffers, van de veiligheid van onze burgers en van het vermogen van onze Staat om het hoofd te bieden aan toekomstige dreigingen.

Mme Anne‑Catherine Goffinet (Les Engagés). Nous avons fêté cette année ce bien triste anniversaire des dix ans de l’attentat de Bruxelles, qui nous a tous traumatisés. Victimes, proches, témoins, urgentistes ou pompiers, nous avons tous été meurtris et touchés au plus profond de nous‑mêmes par ces événements vraiment tragiques.

Aujourd’hui, quel est notre rôle en tant que femmes et hommes politiques ? Il est de mettre tout en œuvre pour que cela ne se reproduise plus, pour que nos concitoyennes et concitoyens se sentent protégés, pour que nous n’oubliions pas les victimes et fassions en sorte qu’elles se sentent accompagnées, suivies, entendues et aidées par l’État pendant tout le temps que durera leur reconstruction.

Comme le rapport l’indique, la commémoration ne ferme donc pas le dossier mais est au contraire le signe de l’existence d’une attente toujours vive de clarification, d’évaluation et de responsabilité publique.

Mme Debue a rappelé que la Chambre avait institué une commission d’enquête chargée d’examiner les circonstances ainsi que d’autres aspects et qu’un an et demi après, une autre commission a été instaurée pour contrôler l’exécution effective des recommandations. Mais une commission d’enquête n’a de sens que si ses conclusions produisent des effets concrets. Dix ans après les attentats, il est donc légitime que notre assemblée examine ce qui a été réalisé, ce qui reste à accomplir et les raisons pour lesquelles certaines recommandations n’ont pas abouti. C’est donc dans le cadre de ce suivi que s’inscrit la demande de rapport d’information que nous examinons aujourd’hui et que celle‑ci prend tout son sens.

Pour notre groupe, ce rapport d’information est avant tout une exigence de responsabilité envers les victimes parce qu’elles sont la priorité. Dix ans après les attentats, nous avons envers elles un devoir de mémoire, mais nous devons aussi les aider dans leur réalité quotidienne, notamment pour l’accompagnement administratif, l’accès à une indemnisation rapide et adéquate, un suivi médical, un soutien psychologique à long terme, etc.

Il est essentiel d’évaluer objectivement l’effectivité des dispositifs mis en place et de veiller à ce que les engagements pris à l’égard des victimes soient pleinement concrétisés.

Les recommandations qui n’ont pas encore été mises en œuvre ou seulement partiellement doivent être identifiées afin que nous puissions apporter une réponse concrète et durable. Ce travail d’évaluation ne peut pas être uniquement rétrospectif, mais doit aussi analyser le présent et anticiper le futur.

Comme l’a dit aussi Mme Debue, la menace terroriste a évolué depuis 2016. Elle est toujours là et prend des formes hybrides et diffuses, mais, surtout, elle est amplifiée par les outils numériques et par les réseaux sociaux. Nous devons donc examiner si les recommandations de l’époque sont toujours adaptées à la réalité et correctement mises en œuvre, et s’il ne faut pas éventuellement les compléter.

Le travail d’actualisation est donc plus que nécessaire pour garantir notre architecture de sécurité, nos mécanismes de prévention et notre coordination institutionnelle. Il faut que tout cela reste à la hauteur des défis non seulement d’aujourd’hui, mais aussi de demain. En effet, plusieurs rapports ont souligné que les difficultés de coordination et de partage de l’information constituaient l’une des principales faiblesses mises en lumière par les attentats, et il est donc essentiel aussi d’évaluer les progrès accomplis et d’identifier les éventuels blocages qui subsistent et, surtout, d’y remédier.

Je pense que nous avons aussi un devoir de transparence vis‑à‑vis de nos citoyens. Nous devons voir ce qui a été fait et ce qui n’a pas été fait. Nous devons comprendre pourquoi certaines choses n’ont pas été faites. Nous devons proposer des perspectives et, surtout, montrer que nous avons tiré des leçons des événements qui nous ont tous traumatisés.

Enfin, j’aimerais remercier le groupe MR d’avoir pris l’initiative d’amener ce sujet au sein de notre assemblée. J’espère que nous pourrons actualiser de nombreuses recommandations, de manière réaliste et dans une perspective interinstitutionnelle, afin que nous puissions, à tous les niveaux de pouvoir et selon nos compétences respectives, œuvrer à une meilleure reconnaissance des victimes et de leurs besoins.

Je conclurai en disant que soutenir cette demande de rapport d’information, ce n’est pas ouvrir le passé, mais c’est s’assurer que les enseignements des attentats du 22 mars 2016 continuent à produire leurs effets au bénéfice des victimes, ainsi qu’au bénéfice de la sécurité de nos citoyens et de la capacité de notre État à faire face aux menaces de demain.

 

Mevrouw Katia Segers (Vooruit). – Vooreerst dank ik de MR‑fractie voor dit belangrijke initiatief, dat wij met Vooruit volmondig zullen steunen.

22 maart 2016 is een dag die bij elk van ons in het geheugen gegrift staat. We weten allemaal nog precies waar we waren, wat we deden en hoe we reageerden. Tweeëndertig mensen lieten het leven. Later, in 2023, zijn daar door het Openbaar Ministerie nog slachtoffers aan toegevoegd, waardoor het cijfer nu op zesendertig staat.

We zijn tien jaar later. De meeste fysieke wonden zijn misschien geheeld, maar de trauma’s zijn er nog bij veel slachtoffers. De afgelopen maanden zijn zelfs nog twee slachtoffers uit het leven gestapt.

De slachtoffers voelen zich vandaag, tien jaar later, vaak in de steek gelaten. Ze vinden dat er tot op heden onvoldoende gecoördineerde ondersteuning is. Verzekeraars doen moeilijk. De overheid laat weten dat uitkeringen, de herstelpensioenen bijvoorbeeld, moeten worden terugbetaald. Er werd een commissie opgericht in de Kamer die belast werd met de opvolging. De vraag is of dit voldoende is.

De slachtoffers spreken vandaag zelfs over secundaire victimisatie, omdat ze in ellenlange procedures worden verwikkeld en zich in de steek gelaten voelen. Daarom lijkt het ons heel belangrijk om te zoeken naar manieren om beter voorbereid te zijn als er zich op een dag een nieuwe aanslag zou voordoen. Er moet een betere voorbereiding zijn bij onze overheidsdiensten, op het vlak van de veiligheidsactiviteiten, de luchthaven en alle belanghebbenden.

En wat met de opvolging waartoe in de Kamer werd beslist? Hoe is die uitgevoerd? Wij hebben vanuit onze bevoegdheid als Senaat toch ook een controlefunctie en moeten daarom nagaan hoe wij kunnen bijdragen, welke lessen we uit ons onderzoek kunnen trekken, welke stappen er in dat kader zijn ondernomen, wat nog moet gebeuren en wat beter kan. Zo kunnen we er hopelijk voor zorgen dat we in een veiliger België kunnen leven.

Mme Katia Segers (Vooruit). – Je tiens tout d’abord à remercier le groupe MR pour cette importante initiative, que le groupe Vooruit soutiendra sans réserve.

Le 22 mars 2016 est une date qui reste gravée dans la mémoire de chacun et chacune d’entre nous. Nous savons encore tous où nous étions, ce que nous faisions et comment nous avons réagi à ce moment‑là. Trente‑deux personnes ont perdu la vie. Plus tard, en 2023, le ministère public a fait savoir que le bilan final était de trente‑six victimes.

Dix années se sont écoulées depuis. Si la plupart des blessures physiques sont peut‑être guéries, de nombreuses victimes souffrent encore de traumatismes. Au cours des derniers mois, deux victimes ont mis fin à leurs jours.

Aujourd’hui, dix ans plus tard, les victimes se sentent souvent abandonnées. Elles estiment qu’il n’y a pas suffisamment de soutien coordonné. Les assureurs ne se montrent pas toujours coopératifs. Les pouvoirs publics annoncent que certaines indemnités comme les pensions de dédommagement, par exemple, doivent être remboursées. Une commission de suivi a été créée à la Chambre des représentants, mais l’on peut se demander si cela est suffisant.

Les victimes parlent même aujourd’hui de « victimisation secondaire », car elles sont confrontées à des procédures interminables et se sentent abandonnées à leur sort. C’est pourquoi il nous semble très important de rechercher des moyens d’être mieux préparés à réagir à un nouvel attentat potentiel. Nos services publics doivent être mieux préparés, que ce soit sur le plan des activités de sécurité ou en ce qui concerne les aéroports et toutes les parties prenantes.

Et qu’en est‑il du suivi décidé par la Chambre ? Comment a‑t‑il été mis en œuvre ? Ici au Sénat, nous avons aussi une fonction de contrôle à exercer et nous devons donc voir comment nous pouvons contribuer au suivi, quels enseignements nous pouvons tirer de notre enquête, quelles mesures ont été prises dans ce cadre, ce qu’il reste à faire et ce qui peut être amélioré. Nous pourrons ainsi faire en sorte que tout le monde puisse vivre dans une Belgique plus sûre.

 

De heer Hajib El Hajjaji (Ecolo‑Groen). – Tien jaar na de tragische aanslagen van 22 maart 2016 is het tijd voor de herdenking van die terroristische daden in het hart van Brussel en voor bezinning. Onze gedachten zijn bij de slachtoffers en de veiligheidsdiensten: de politie, de brandweer en de hulpdiensten. Het is echter ook tijd voor evaluatie, verantwoordelijkheid en het recht op de waarheid, en om na te gaan wat er ontbreekt in het overheidsbeleid.

Wat is er de afgelopen tien jaar gedaan om te voorkomen dat de politieke toespraken en beloften van destijds in de vergetelheid raken? Ook al zijn sommige zaken niet uitgevoerd, dan nog is het een plicht en een vereiste om hierover verantwoording af te leggen en om na te gaan welke alternatieven zijn ingevoerd om een antwoord te bieden op de vele vragen van burgers, verenigingen en organisaties die nog steeds bij deze kwestie betrokken zijn.

De parlementaire onderzoekscommissie van 2017 had eenparig bijna 200 cruciale aanbevelingen geformuleerd. Zij had er uitdrukkelijk voor gewaarschuwd dat de waarde van dit werk zou afhangen van de concrete uitvoering ervan op de lange termijn. We moeten echter vaststellen dat de opvolging tot op heden gefragmenteerd en onvolledig is gebleven. Zoals Comité I in 2022 nogmaals benadrukte, blijven er grote tekortkomingen bestaan op het vlak van coördinatie en informatie‑uitwisseling.

Het opstellen van dit verslag is absoluut noodzakelijk. Naar onze mening moet dit worden ingegeven door vier dringende vereisten. De eerste is de menselijke plicht jegens de slachtoffers. Het trauma en de administratieve belemmeringen zijn van langdurige aard. De cijfers van maart 2026 betreffende de geregistreerde aanvragen en onvoldoende afgeronde dossiers spreken voor zich. We zijn het aan de slachtoffers verplicht om een compromisloze evaluatie te maken van de daadwerkelijke doeltreffendheid van de schadevergoedingsregelingen. Psychologische begeleiding en de opvolging van de claims van de slachtoffers moeten een aandachtspunt zijn.

De tweede vereiste is de noodzaak om onze maatregelen aan te passen aan de dreiging. Het OCAD herinnert ons er terecht aan dat de terroristische dreiging sinds 2016 ingrijpend is veranderd: ze is diffuser, meer gefragmenteerd en soms ook digitaal geworden. We moeten beoordelen of onze maatregelen nog wel afgestemd zijn op de aard van de huidige dreigingen, en de balans opmaken van bepaalde maatregelen die in het licht van de hedendaagse uitdagingen achterhaald kunnen lijken.

Het derde punt betreft de in onze ogen onontbeerlijke evaluatie van de gevolgen voor de moslimgemeenschappen, waarbij uitzonderingsmaatregelen of het gebruik van geweld vragen oproepen.

In die balans mogen de neveneffecten van de strijd tegen het terrorisme voor onze fundamentele vrijheden niet buiten beschouwing worden gelaten. De verslagen van Unia, de Liga voor de Mensenrechten en Human Rights Watch wijzen op een dubbele uitdaging: we moeten onze burgers beschermen, maar ook het constitutionele kader van onze rechtsstaat en de openbare vrijheden, door het soms disproportionele gebruik van geweld te vermijden, alsook de stigmatisering van een deel van de Belgische bevolking, dat in zekere zin ook de prijs voor deze situatie heeft betaald.

Unia heeft talrijke gevallen behandeld van veralgemeningen en beledigingen die voortkomen uit een klimaat van systematisch wantrouwen dat onze islamitische medeburgers zwaar heeft getroffen, zowel op school als op de werkplek.

Erger nog, dit onderzoek zal ook de verwoestende psychologische gevolgen van sommige ingrijpende maatregelen moeten beoordelen, met name voor jongeren. Er werden midden in de nacht huiszoekingen uitgevoerd, soms op basis van valse geruchten of onjuiste gegevens. De huiszoekingen werden uitgevoerd met disproportioneel machtsvertoon, zonder enige maatregel om de aanwezige minderjarigen te beschermen. Onschuldige burgers zagen hun leven verwoest, hun bankrekeningen geblokkeerd en hun veiligheidsmachtigingen ingetrokken, zonder reële mogelijkheid om zich te verdedigen. Ook dat moet worden geëvalueerd.

Als de Staat, zeker in een uiterst complexe situatie, vergissingen begaat in naam van de veiligheid, heeft hij ook de plicht te informeren, te erkennen en schadeloos te stellen.

Bij de evaluatie moet ook rekening worden gehouden met de polarisatie in onze samenleving en de toename van xenofobie en islamofobie, tien jaar na de tragische gebeurtenissen.

Het vierde element betreft de interfederale meerwaarde van onze assemblee. Precies in deze context krijgt de Senaat zijn volledige legitimiteit, doordat alle betrokkenen er samenkomen om deze evaluatie te kunnen uitvoeren.

De belangrijkste veiligheidsvraagstukken met betrekking tot het waarborgen van de vrijheid, de uitdagingen op het gebied van radicalismepreventie, het crisisbeheer, maar ook de strijd tegen discriminatie en psychosociale hulpverlening overschrijden taal- en institutionele grenzen. Ze vereisen een nauwe samenwerking tussen het federale niveau, de gewesten en de gemeenschappen. Wij zijn de ideale instelling om de schotten te doorbreken die nog steeds tussen deze beleidsniveaus bestaan.

Kortom, dit noodzakelijke werk heeft zeker niet als doel om het onderzoek te heropenen, maar wel om nauwkeurig in kaart te brengen wat er is gedaan – waarbij we overigens onze dank betuigen aan degenen die ervoor hebben gezorgd dat de destijds geformuleerde aanbevelingen zijn uitgevoerd –, wat er is verwaarloosd en wat vandaag nog opnieuw moet worden geëvalueerd en gecorrigeerd.

Omwille van de veiligheid van onze medeburgers, de bescherming van onze openbare vrijheden en onze grondrechten, en uit respect voor alle slachtoffers zal onze fractie dit verzoek steunen. We hopen oprecht dat dit zal leiden tot iets groters, mooiers en edelers, ter verdediging van de waarden die we allemaal delen.

M. Hajib El Hajjaji (Ecolo‑Groen). – Dix ans après les attentats tragiques du 22 mars 2016, le temps reste à la mémoire de ces actes terroristes en plein cœur de Bruxelles, ainsi qu’au recueillement, avec une pensée aux victimes et aux garants de la sécurité que sont la police, les pompiers et les services de soins. Toutefois, le temps est également à l’évaluation, à la responsabilité et au droit à la vérité, mais aussi à la redevabilité des politiques publiques.

Qu’est‑ce qui a été fait depuis dix ans pour ne pas laisser aux oubliettes les discours et les promesses politiques de l’époque ? Et si certaines choses n’ont pu être réalisées, il y a un devoir, une exigence de pouvoir en rendre compte et de voir aussi ce qui a été mis en place comme alternative pour pouvoir répondre aux demandes des citoyens, des associations et des organisations qui restent concernées par cette question.

La commission d’enquête parlementaire de 2017 avait formulé à l’unanimité près de deux cents recommandations cruciales. Elle avait explicitement prévenu que la valeur de ce travail dépendrait de son exécution concrète dans la durée. Or, force est de constater qu’aujourd’hui, le suivi est demeuré fragmenté et partiel. Comme le Comité R le soulignait encore en 2022, des faiblesses majeures persistent en matière de coordination et de partage d’informations.

L’élaboration de ce rapport est une nécessité absolue. À notre sens, elle doit être portée par quatre impératifs. Le premier est l’impératif humain envers les victimes. Le traumatisme et les blocages administratifs s’inscrivent dans le temps long. Les chiffres de mars 2026 concernant les demandes enregistrées et les dossiers insuffisamment clôturés sont sans appel. Nous devons aux victimes une évaluation sans concession de l’efficacité réelle des dispositifs d’indemnisation. L’assistance psychologique et le suivi des réclamations provenant des victimes doivent être un point d’attention.

Le deuxième impératif réside dans l’obligation de l’actualisation face à la menace. L’OCAM nous le rappelle, la menace terroriste a profondément évolué depuis 2016, devenant plus diffuse, fragmentée, parfois aussi numérique. Notre devoir est de mieux réévaluer l’adéquation de nos dispositifs à la réalité des menaces d’aujourd’hui, et de faire aussi le point sur certaines mesures qui peuvent apparaître comme étant obsolètes au regard des défis contemporains.

Le troisième élément concerne l’évaluation, qui nous semble indispensable, de l’impact sur les communautés musulmanes, avec des décisions d’exception ou des utilisations de la force qui interrogent.

Ce bilan ne peut pas ignorer les effets collatéraux de la lutte antiterroriste sur nos libertés fondamentales. Les rapports d’Unia, de la Ligue des droits humains ou encore de Human Rights Watch mettent en lumière un double défi : nous devons protéger nos citoyens, mais aussi le cadre constitutionnel de notre état de droit et des libertés publiques, en évitant l’utilisation parfois disproportionnée de la force, ainsi que la stigmatisation d’une partie de la population belge, qui a payé aussi, d’une certaine manière, le prix de cette situation.

Unia a traité de nombreux dossiers d’amalgames, d’insultes relevant d’un climat de méfiance systémique qui a lourdement frappé nos concitoyens de confession musulmane, que ce soit à l’école ou sur le lieu de travail.

Plus grave encore, ce travail devra aussi évaluer l’impact psychologique dévastateur de certaines mesures intrusives, notamment sur les jeunes. Des perquisitions ont été menées en pleine nuit, parfois sur la base de fausses rumeurs ou de données de fichage erronées. Elles ont été exécutées avec un usage disproportionné de la force, sans aucune mesure pour protéger les mineurs présents. Des citoyens innocents ont vu leur vie détruite, leurs comptes bancaires clôturés et leurs habilitations de sécurité retirées, sans possibilité réelle de pouvoir se défendre. Cela aussi doit faire l’objet d’une évaluation.

Lorsque l’État, certes dans une situation extrêmement complexe, commet des erreurs au nom de la sécurité, il a aussi le devoir d’informer, de reconnaître et de dédommager.

L’évaluation devra aussi prendre en compte la réalité de la polarisation de notre société, de la montée de la xénophobie ou de l’islamophobie, dix ans après ces événements tragiques.

Le quatrième élément porte sur la plus‑value interfédérale de notre assemblée. C’est bien ici que le Sénat trouve sa pleine légitimité en permettant de réunir tous les acteurs pour pouvoir faire cette évaluation.

Les enjeux de sécurité essentiels pour garantir la liberté, les enjeux de prévention du radicalisme, de gestion de crise, mais aussi de lutte contre les discriminations ou d’aide psychosociale dépassent les frontières linguistiques ou institutionnelles. Ils exigent une coopération étroite entre le niveau fédéral, les Régions et les Communautés. Nous sommes l’organe idéal pour briser les silos qui persistent entre ces niveaux de pouvoir.

En conclusion, ce travail nécessaire ne vise certainement pas à rouvrir l’enquête, mais bien à mesurer avec rigueur ce qui a été fait – en remerciant au passage celles et ceux qui ont permis la concrétisation des recommandations formulées à l’époque –, ce qui a été délaissé et ce qui doit encore aujourd’hui être réévalué et corrigé.

C’est pour la sécurité de nos concitoyens, pour la préservation de nos libertés publiques et de nos droits fondamentaux, et par respect pour toutes les victimes que notre groupe soutiendra cette demande. Nous espérons véritablement qu’elle aboutira à quelque chose de plus grand, de plus beau et de plus noble, pour défendre les valeurs que nous partageons tous.

 

De heer Jasper Pillen (Anders.). – De herdenkingen eerder dit jaar waren bijzonder pakkend. Het was inderdaad zo’n dag waarvan iedereen nog perfect weet waar hij of zij zich op dat moment bevond. Tweeëndertig mensen werden die dag uit het leven gerukt. Honderden anderen raakten gewond of getraumatiseerd.

Zoals een van de collega’s reeds heeft aangehaald, zijn ook Shanti, Mathieu en Xavier nadien helaas overleden als rechtstreeks gevolg van die afschuwelijke aanslagen.

Het is goed dat we stilstaan bij de drama’s die achter elk van die verhalen schuilgaan. Het is goed dat we daarover ook hier, binnen de Senaat, nadenken. Dat er lessen worden getrokken en wordt onderzocht hoe het beter kan, hoe de zorg beter kan worden georganiseerd en hoe we dergelijke drama’s in de toekomst kunnen vermijden.

Daarom zullen wij dit verzoek steunen.

M. Jasper Pillen (Anders.). – Les commémorations qui ont eu lieu cette année ont été particulièrement émouvantes. Tout le monde se souvient en effet parfaitement où il se trouvait le jour des attentats. Trente‑deux personnes ont alors perdu la vie et des centaines d’autres ont été blessées ou traumatisées.

Comme l’un de nos collègues l’a déjà rappelé, Shanti, Mathieu et Xavier sont malheureusement décédés par la suite, en conséquence directe de ces terribles attentats.

Il est bon de s’attarder quelque peu sur les drames qui se cachent derrière chacun de ces récits, et il est bon d’y réfléchir ici, au Sénat, de tirer des leçons de ces événements et de voir comment améliorer les choses, comment mieux organiser la prise en charge des victimes et comment éviter de tels drames à l’avenir.

C’est pourquoi nous soutiendrons cette demande.

 

De heer Karl Vanlouwe (N‑VA). – Wat er tien jaar geleden is gebeurd, is natuurlijk een drama geweest voor ons land en heeft bijzonder zware littekens nagelaten. Zoals u weet, werd kort na de aanslagen van 22 maart 2016 een onderzoekscommissie opgericht in de Kamer van volksvertegenwoordigers. Die commissie heeft zeer grondig werk verricht. Gedurende meer dan een jaar werden talrijke verhoren en hoorzittingen georganiseerd. De commissie heeft ook zeer concrete aanbevelingen geformuleerd. Daarnaast werd een opvolgingscommissie opgericht en werden opvolgingstabellen opgesteld. Ook vandaag worden in de Kamer nog steeds debatten gevoerd over die aanbevelingen.

Er is inmiddels ook wetgeving tot stand gekomen. De opvolging van geradicaliseerde personen is verbeterd. Er vindt bovendien terugkoppeling plaats door de veiligheidsdiensten. Het Comité I en het Comité P komen in de Kamer verslag uitbrengen over de aanbevelingen die betrekking hebben op de inlichtingen- en politiediensten.

Naast de herdenkingsmomenten worden in de Kamer nog steeds debatten gevoerd over de pijnpunten, de tekortkomingen en de niet‑uitvoering van bepaalde aanbevelingen. Laat dat debat dan ook plaatsvinden in de Kamer. Daar is het werk verricht. Daar bevindt zich de expertise. Daar beschikt men over alle informatie en daar zijn de aanbevelingen geformuleerd. Daar zetelen ook de Kamerleden die het werk van de onderzoekscommissie hebben opgevolgd.

Ik vind het bijzonder belangrijk dat aanbevelingen worden opgevolgd, dat waar nodig wordt bijgestuurd, dat aanpassingen worden doorgevoerd en dat bijkomende wetgeving wordt uitgewerkt. Maar laat dat gebeuren in de Kamer, waar de expertise aanwezig is en waar het werk wordt uitgevoerd. Men zal dat daar beter kunnen doen dan wij hier in de Senaat.

Dat is ook de reden waarom wij van mening zijn dat dit dossier daar thuishoort. Los van het feit dat ook wij vinden dat de aanbevelingen moeten worden geëvalueerd, menen wij dat dit in de Kamer moet gebeuren, waar het werk is verricht en waar de expertise aanwezig is.

Om die reden zullen wij ons onthouden.

M. Karl Vanlouwe (N‑VA). – Ce qui s’est passé il y a dix ans a évidemment été un drame pour notre pays et a laissé des traces très profondes. Peu après les attentats du 22 mars 2016, une commission d’enquête a été instituée à la Chambre des représentants. Cette commission a mené un travail très approfondi. Pendant plus d’un an, de nombreux interrogatoires et auditions ont été organisés. La commission a également formulé des recommandations très concrètes. Par ailleurs, une commission de suivi a été mise en place et des tableaux de suivi ont été établis. Aujourd’hui encore, ces recommandations font l’objet de débats à la Chambre.

Une législation a entre‑temps été élaborée. Le suivi des personnes radicalisées a été amélioré et les services de sécurité donnent un feed‑back. Le Comité R et le Comité P viennent faire rapport à la Chambre sur les recommandations relatives aux services de renseignement et de police.

Outre les moments de commémoration, des débats sont encore menés à la Chambre sur les points névralgiques, les lacunes et la non‑exécution de certaines recommandations. Menons donc ce débat à la Chambre, là où le travail a été fait et là où se trouve l’expertise. C’est là, à la Chambre, que l’on dispose de toutes les informations et que les recommandations ont été formulées. C’est là que siègent également les députés qui ont suivi les travaux de la commission d’enquête.

À mes yeux, il est très important d’assurer un suivi des recommandations, d’y apporter les éventuels ajustements et adaptations nécessaires et d’élaborer des textes législatifs supplémentaires. Mais que cela se fasse à la Chambre. La Chambre fera cela mieux que nous, ici au Sénat.

C’est également la raison pour laquelle nous estimons que ce dossier doit être traité à la Chambre. Indépendamment du fait que nous considérons, nous aussi, que les recommandations doivent être soumises à une évaluation, nous pensons que cela doit se faire à la Chambre.

Voilà pourquoi nous nous abstiendrons.

 

  De bespreking is gesloten.

  La discussion est close.

 

Verzoek tot het opstellen van een informatieverslag over de bestrijding van eenzaamheid (van mevrouw Bianca Debaets, de heren Benjamin Dalle en Stijn De Roo, mevrouw Katrien Partyka, de heer Peter Van Rompuy, mevrouw Kelly Van Tendeloo, de heer Gaëtan Van Goidsenhoven, mevrouw Valérie De Bue, de heer Philippe Dodrimont, de dames Véronique Durenne, Liesa Scholzen, Viviane Teitelbaum, Stéphanie Thoron en Anne‑Charlotte d’Ursel, de heren Jean‑Paul Wahl en Vincent Blondel, mevrouw Caroline Desalle, de heer Elhadj Moussa Diallo en de dames Anne‑Catherine Goffinet en Marie‑Claire Mvumbi; Doc. 8‑218/1)

Demande d’établissement d’un rapport d’information sur la lutte contre la solitude (de Mme Bianca Debaets, MM. Benjamin Dalle et Stijn De Roo, Mme Katrien Partyka, M. Peter Van Rompuy, Mme Kelly Van Tendeloo, M. Gaëtan Van Goidsenhoven, Mme Valérie De Bue, M. Philippe Dodrimont, Mmes Véronique Durenne, Liesa Scholzen, Viviane Teitelbaum, Stéphanie Thoron et Anne‑Charlotte d’Ursel, MM. Jean‑Paul Wahl et Vincent Blondel, Mme Caroline Desalle, M. Elhadj Moussa Diallo et Mmes Anne‑Catherine Goffinet et Marie‑Claire Mvumbi ; Doc. 8‑218/1)

 

Bespreking

Discussion

 

Mevrouw Bianca Debaets (cd&v). – Vandaag vragen wij steun voor een problematiek die vaak onzichtbaar blijft, namelijk eenzaamheid. Eenzaamheid is veel meer dan alleen zijn. Heel veel mensen wonen alleen. In Brussel is 60 % van de inwoners single en dat is in veel steden niet anders. Maar daarom zijn deze mensen natuurlijk niet eenzaam. Anderzijds gebeurt het dat je omringd bent door mensen en toch het gevoel hebt dat je niet echt gezien, niet echt begrepen wordt. We hebben dat allemaal wel eens meegemaakt.

Laten we even naar de cijfers kijken. StatBel brengt dat mooi in kaart: maar liefst 9 % van de Belgen voelt zich altijd of heel vaak eenzaam. Dat is veel. Meer dan 21 % voelt zich geregeld eenzaam. Samengeteld betekent dat dat eigenlijk één op de drie burgers in ons land vaak met gevoelens van eenzaamheid worstelt.

Wat mij daarbij vooral opvalt en treft en raakt ook, is dat het al lang niet meer alleen over oudere mensen gaat. We denken vaak dat eenzaamheid vooral senioren treft, mensen die weduwe of weduwnaar zijn. Dat is helemaal niet zo. Ook jonge mensen, ook mensen in de beroepsactieve leeftijd, mensen zoals u en ik, worden vaak geconfronteerd met gevoelens van eenzaamheid.

Ik werd voor het eerst door het thema geraakt door het heel mooie VRT‑programma Eenzaam, gemaakt door Xavier Taveirne. Zeker de Nederlandstaligen in ons gezelschap herinneren zich dat waarschijnlijk wel. Taveirne volgt daarin zes of acht mensen een tijdje en toont hoe divers de groep eigenlijk is. Ik herinner mij het verhaal van een jongeman van in de twintig die werkte en ogenschijnlijk alles perfect voor elkaar had. En toch zei hij: “Als ik in het weekend alleen ben, dan heb ik eigenlijk niemand bij wie ik terechtkan.” Zelf zag ik nog niet zo lang geleden, tijdens een bezoek aan een woonzorgcentrum, een dame zitten, alleen in de cafetaria. Ze leek me eigenlijk veel te jong om daar te verblijven en was ogenschijnlijk ook niet ziek. Dat trof mij en ik begon met haar te praten. Ze zei: “Ja, ik heb een aanvraag ingediend om hier te komen wonen om te ontsnappen aan de eenzaamheid van mijn klein appartementje. Ik zat tussen vier muren. Ik werd er eigenlijk gek van. Ik ben hier nu in een woonzorgcentrum, men zou kunnen denken toch omringd door mensen, maar de anderen zijn allemaal twintig jaar ouder en eigenlijk voel ik mij nog altijd alleen.” Dergelijke verhalen blijven hangen.

Ik weet wel, collega’s, dat dit thema al vaker op parlementaire agenda’s heeft gestaan. Dat klopt. Er zijn initiatieven geweest en ook bepaalde steden en gemeenten, zowel in Vlaanderen als in Wallonië, hebben daar initiatieven toe genomen. Maar toch denk ik dat het thema hier thuishoort omdat het net aan zoveel verschillende beleidsdomeinen raakt. Het raakt aan gezondheid, aan mentale gezondheid. Dat is evident. Het raakt ook aan welzijn, aan armoede, aan sociale zekerheid, aan pensioenen, aan digitalisering. Want is dat niet cynisch? We zijn nog nooit zo geconnecteerd geweest. Ik ben soms zelf beschaamd, en ik denk wij allemaal, als ik bedenk hoeveel tijd we op onze tablets en iPhones doorbrengen. We hebben het gevoel geconnecteerd te zijn met de hele wereld. We chatten en zitten op TikTok en Facebook. En toch slagen we er blijkbaar niet meer in om echt in verbinding te komen met anderen. Althans, heel veel mensen hebben het daar moeilijk mee. Dat is toch wel zeer cynisch in onze samenleving.

Maar het raakt ook aan mobiliteit, aan samenlevingsopbouw, enzovoort. En dus overstijgen zowel de oorzaken als de gevolgen van eenzaamheid één beleidsniveau of één regering.

Kant‑en‑klare oplossingen hebben wij niet, maar we moeten ook niet van nul beginnen. Zoals ik zei, nemen heel wat steden en gemeenten al waardevolle initiatieven. Ik denk dat het belangrijk is om die ervaringen te delen en te verzamelen, om te kijken hoe we van elkaar kunnen leren over taal- en andere grenzen heen.

Bedoeling van dit informatieverslag is ook om te luisteren, kennis op te doen van mensen uit het middenveld, ervaringsdeskundigen, experts die de problematiek verder in kaart brengen en die aanbevelingen kunnen doen die ons ook de verschillen leren tussen de verschillende vormen van eenzaamheid. Sociale eenzaamheid, existentiële eenzaamheid, collectieve eenzaamheid, er zijn verschillende vormen.

Eenzaamheid is geen individueel falen en dat wil ik toch ook wel benadrukken. In de gesprekken die ik had, met zowel jonge als oudere mensen, merkte ik dat zij zich soms verantwoordelijk voelen voor hun eigen eenzaamheid of zelfs schuldig. Van dat beeld moeten we absoluut af.

Ik wil er geen ethisch debat van maken, maar in gesprekken over het levenseinde met mensen die aangeven levensmoe te zijn, komt vaak een diepe existentiële eenzaamheid naar boven. Hoe vaak horen we niet: “Ik wil mijn kinderen of ik wil de ander niet tot last zijn”? Misschien moeten we dat wat meer terug durven doen, elkaar wel tot last zijn, elkaar dragen, zorg dragen voor elkaar. Ook dat heeft mijns inziens te maken met het bestrijden van eenzaamheid.

Zoals ik zei, is eenzaamheid in mijn ogen geen individueel falen, maar een maatschappelijke uitdaging. De manier waarop we daarmee omgaan, de manier waarop we zorg dragen voor elkaar, zegt heel veel over hoe warm en hoe menselijk onze samenleving is.

Mme Bianca Debaets (cd&v). – Aujourd’hui, nous demandons votre soutien pour l’établissement d’un rapport d’information sur une problématique qui demeure souvent invisible, à savoir la solitude, qui ne se résume pas au fait d’être seul. Beaucoup de gens vivent seuls. À Bruxelles, c’est le cas pour 60 % des habitants. C’est une réalité dans de nombreuses autres villes. Ce n’est pas parce que l’on vit seul que l’on se sent seul. Par ailleurs, on peut être entouré de personnes et avoir quand même le sentiment d’être invisible et incompris. Nous avons tous connu cela.

Examinons les chiffres de Stabel de plus près : pas moins de 9 % des Belges se sentent toujours ou très souvent seuls. C’est beaucoup. Plus de 21 % se sentent régulièrement seuls. Globalement, cela signifie qu’en fait, un citoyen sur trois dans notre pays est souvent en proie à des sentiments de solitude.

Ce qui me frappe et me touche particulièrement à cet égard, c’est le fait que cela ne concerne pas uniquement les personnes âgées. On pense souvent que la solitude touche principalement les seniors, les veufs et les veuves. Ce n’est absolument pas le cas. Les jeunes, les personnes en âge de travailler – des gens comme vous et moi – sont souvent confrontés à des sentiments de solitude.

C’est la magnifique émission de la VRT intitulée « Eenzaam », réalisée par Xavier Taveirne, qui m’a confrontée à cette réalité pour la première fois. Taveirne suit six ou huit personnes pendant un certain temps et montre combien ce groupe est en fait hétérogène. Je me souviens de ce jeune homme d’une vingtaine d’années qui travaillait et à qui tout semblait sourire et qui disait pourtant que quand il était seul le week‑end, il n’avait en fait personne vers qui se tourner. Récemment, lors d’une visite dans un centre de soins résidentiel, j’ai vu une dame assise, seule, à la cafétéria. Elle me semblait fort jeune pour résider dans cet endroit et ne semblait pas malade non plus. Interloquée, je me suis approchée et voici ce qu’elle m’a dit : « Oui, j’ai déposé une demande pour vivre ici afin d’échapper à la solitude de mon petit appartement. Enfermée entre mes quatre murs, je devenais folle. Dans ce centre, je suis entourée de gens, mais ils ont tous vingt ans de plus que moi, si bien que je me sens toujours aussi seule. » C’est le genre d’histoires qui vous marquent.

Ce thème a évidemment déjà été abordé maintes fois dans les assemblées parlementaires. Des initiatives ont déjà été prises, y compris dans plusieurs villes et communes tant flamandes que wallonnes. Je pense pourtant que le Sénat doit se saisir de ce thème parce qu’il touche à plusieurs domaines politiques différents, comme la santé, la santé mentale, le bien‑être, la pauvreté, la sécurité sociale, les pensions, la numérisation. N’est‑ce pas une situation paradoxale alors que nous n’avons jamais été aussi connectés ? Il m’arrive d’être honteuse – et c’est sans doute le cas pour vous aussi – quand je vois le temps que je passe sur ma tablette et mon iPhone. On a le sentiment d’être connecté au monde entier. On discute sur TikTok et Facebook mais on ne parvient plus à nouer de véritables liens avec les autres. C’est une réalité très brutale.

Mais ce problème touche aussi à la mobilité, à la vie en société, etc. Tant les causes que les conséquences de la solitude ne relèvent donc pas d’un niveau politique ou d’un gouvernement isolé.

Il n’y a pas de solutions toutes faites, mais on ne part quand même pas de zéro. De nombreuses villes et communes ont déjà pris des initiatives intéressantes. Nous devons partager et compiler ces expériences afin de pouvoir apprendre les uns des autres, par‑delà les barrières linguistiques.

Dans le cadre du rapport d’information proposé, le but est aussi d’écouter les acteurs de la société civile, les experts du vécu et d’autres spécialistes qui analyseront cette problématique en profondeur et formuleront des recommandations de nature à éclairer les différences entre les diverses formes de solitude, par exemple la solitude sociale, la solitude existentielle, la solitude collective.

La solitude n’est pas un échec individuel. En parlant avec des personnes de tous âges, j’ai remarqué qu’elles se sentaient parfois responsables voire coupables de leur propre solitude. C’est une perception qu’il faut absolument dissiper.

Loin de moi l’idée de lancer un débat éthique, mais lorsqu’on parle de la fin de vie avec des personnes qui se disent fatiguées de vivre, on observe souvent qu’il y a une profonde solitude existentielle. Combien de fois n’entend‑on pas des personnes dire qu’elles ne veulent pas être un fardeau pour leurs enfants ou pour autrui. Peut‑être devrions‑nous oser revenir à une situation où l’on accepte à nouveau d’être dépendant d’autrui, où l’on veille les uns sur les autres. Cela fait aussi partie de la lutte contre la solitude.

La solitude n’est pas un échec individuel, mais bien un défi de société. La manière dont nous y faisons face et prenons soin les uns des autres en dit long sur la mesure dans laquelle notre société est chaleureuse et humaine.

 

Mevrouw Stéphanie Thoron (MR). – We danken onze collega’s van cd&v voor dit verzoek tot het opstellen van een informatieverslag dat we ten volle steunen. Een reflectie in onze assemblee over eenzaamheid, een transversaal thema, vormt volgens ons een echte kans. De Senaat moet die kans grijpen om aan de verschillende beleidsniveaus mogelijke oplossingen en denkpistes voor te stellen.

Immers, meer dan een derde van de Belgische gezinnen bestaat uit één persoon, en eenzaamheid brengt aanzienlijke sociaal‑economische kosten met zich mee. Eenzaamheid leidt vaak tot een verslechtering van de mentale en fysieke gezondheid, waardoor er meer beroep wordt gedaan op de gezondheidszorg.

De Belgische bevolking vergrijst trouwens in sneltempo, wat het risico op isolement, vooral bij 65‑plussers, verhoogt. Maar studies tonen eveneens een sterk verband tussen eenzaamheid en kwetsbaarheid. Sommige studies stellen ook een verband vast tussen die moeilijke situaties en het stemmen op extreme partijen. Dat vormt dus een interessant te onderzoeken aspect.

Tot slot heeft de inrichting van steden en openbare ruimtes een invloed op de menselijke interactie. Gemeenten en gewesten moeten in hun stedenbouwbeleid ontmoetingsplekken, meergeneratiewoningen en groene ruimtes blijven integreren om een sociale mix te bevorderen en het isolement in sommige wijken te voorkomen.

Voor MR zijn eenzaamheid en isolement belangrijke maatschappelijke uitdagingen omdat ze alle generaties treffen. Volgens ons liggen de oplossingen in een benadering gericht op autonomie, sociale actie en ondersteuning van actoren op het terrein.

Voor senioren en oudere personen steunen we alles wat thuis blijven wonen en de samenwerking tussen gezondheidswerkers bevordert. Voor jongeren pleiten we voor ondersteuning voor sociaalprofessionele inschakeling en toegang tot een woning, aangezien financiële autonomie en toekomstperspectieven een dam vormen tegen het afhaken en het isolement van jongeren.

We steunen ook het behoud van detailhandel in dorpen en wijken. Die buurtplekken worden gezien als onmisbaar voor het behoud van het sociaal weefsel en de contacten tussen inwoners, waarmee we eenzaamheid concreet kunnen tegengaan. Het is bekend dat sociale uitsluiting en kwetsbaarheid, net zoals een zware schuldenlast, verzwarende factoren zijn voor eenzaamheid. We moeten dus inzetten op schuldpreventie en schuldbemiddeling om te voorkomen dat burgers in isolement wegzinken.

Dat zijn enkele voorbeelden die de volgende vaststelling onderbouwen: België ontsnapt niet aan de noodzaak om de strijd tegen eenzaamheid aan te gaan omdat eenzaamheid een belangrijke uitdaging op het vlak van volksgezondheid en sociale cohesie is geworden. De situatie vergt eveneens een onmisbare gecoördineerde en transversale strategie aangezien ons land te lijden heeft onder een versnippering van bevoegdheden inzake gezondheid, wonen, hulp aan personen en ruimtelijke ordening, die onder verschillende beleidsniveaus vallen. De Senaat krijgt hier de gelegenheid om eenieders rol ter zake te verduidelijken en te versterken.

Om al die redenen kunt u dan ook rekenen op de MR‑fractie om op een constructieve en nuttige manier bij te dragen aan de werkzaamheden die over dit onderwerp zullen worden gevoerd.

Mme Stéphanie Thoron (MR). – Nous remercions nos collègues du cd&v pour cette demande de rapport d’information à laquelle nous souscrivons pleinement. Une réflexion au sein de notre assemblée sur le thème transversal qu’est la solitude constitue, selon nous, une réelle opportunité. Le Sénat doit la saisir pour proposer aux différents niveaux de pouvoir des pistes de solutions et de réflexion.

En effet, avec plus d’un tiers des ménages belges composés d’une personne seule, l’isolement a comme conséquence des coûts socioéconomiques considérables. La solitude entraîne souvent une dégradation de la santé mentale et physique, provoquant une hausse des recours aux soins.

Par ailleurs, la population belge vieillit rapidement, ce qui accroît le risque d’isolement, particulièrement chez les personnes âgées de 65 ans et plus. Mais les études montrent également une corrélation forte entre la solitude et la précarité. Certaines études constatent aussi un lien entre ces situations délicates et le vote vers les extrêmes. Il s’agit donc d’une dimension qui est intéressante à explorer.

Enfin, la conception des villes et des espaces publics influence les interactions humaines. Les politiques urbanistiques des communes et des Régions doivent encore et toujours intégrer la création de zones de rencontre, de logements intergénérationnels et d’espaces verts pour favoriser la mixité sociale et prévenir l’isolement au sein des quartiers.

Pour le MR, la solitude et l’isolement sont des enjeux sociétaux majeurs parce qu’ils touchent toutes les générations. Nous sommes d’avis que les solutions résident dans une approche axée sur l’autonomie, l’action sociale et le soutien aux acteurs de terrain.

Pour les seniors et les personnes âgées, nous soutenons tout ce qui favorise le maintien à domicile et la coordination entre les acteurs de la santé. Pour les jeunes, nous prônons un soutien à l’insertion socioprofessionnelle et l’accès au logement, considérant que l’autonomie financière et les perspectives d’avenir sont des remparts contre le décrochage et l’isolement des jeunes.

Nous défendons également le maintien des commerces dans les villages et les quartiers. Ces lieux de proximité sont perçus comme indispensables pour préserver le tissu social et les échanges entre les habitants, nous permettant de lutter ainsi concrètement contre la solitude. Nous le savons, l’exclusion sociale et la précarité, comme le surendettement, sont des facteurs aggravants de la solitude. Il s’agit dès lors d’agir notamment sur la prévention et la médiation de dettes pour éviter que les citoyens ne sombrent dans l’isolement.

Voici quelques exemples qui rendent limpide le constat suivant : la Belgique n’échappe pas à la nécessité de prendre à bras‑le‑corps la lutte contre la solitude parce qu’elle est devenue un enjeu majeur de santé publique et de cohésion sociale. La situation nécessite également une indispensable stratégie coordonnée et transversale puisque notre pays souffre dans cette matière d’un morcellement de ses compétences politiques avec la santé, le logement, l’aide aux personnes et l’aménagement du territoire qui dépendent d’entités différentes. Le Sénat a l’occasion de clarifier et de renforcer le rôle de chacun en la matière.

Pour toutes ces raisons, vous pourrez dès lors compter sur le groupe MR pour contribuer de manière constructive et utile aux travaux qui seront menés ici sur le sujet.

 

De heer Kristof Slagmulder (Vlaams Belang). – Laat er geen misverstand over bestaan: eenzaamheid is een reëel maatschappelijk probleem. Het treft jong en oud en verdient zonder twijfel de nodige aandacht. Ook wij van het Vlaams Belang zijn gevoelig voor deze problematiek en hebben de initiatieven die daarrond al in het Vlaams Parlement werden genomen met overtuiging gesteund. Ik verwijs daarbij concreet naar de resolutie van 2019 die tot het Vlaams Eenzaamheidsplan heeft geleid.

Dat is meteen ook een van onze voornaamste bezwaren tegen de behandeling van deze thematiek hier in de Senaat. De aanpak van eenzaamheid is nauw verweven met welzijn, geestelijke gezondheidszorg, preventie en lokaal sociaal beleid en behoort dus in essentie tot de bevoegdheden van de deelstaten. Die hebben daar overigens ook reeds, elk volgens eigen noden en inzichten, werk van gemaakt. Dat blijkt ook uit de toelichting bij dit verzoek, waarin uitvoerig naar bestaande beleidsinitiatieven van de deelstaten wordt verwezen.

Bovendien zijn er tussen de deelstaten kennelijk toch nogal wat verschillen vast te stellen qua aard, omvang en oorzaken van eenzaamheid. Ook de beleidsinstrumenten verschillen. Dat pleit niet voor een uniforme aanpak of een gestroomlijnd onderzoek voor heel het land, maar integendeel voor een gedifferentieerde aanpak op het niveau van de deelstaten, die het dichtst bij de burgers en de lokale besturen staan. Wij zien dus niet meteen in wat een informatieverslag in de Senaat aan meerwaarde zou kunnen bieden bovenop de aandacht en de beleidsprocessen die vandaag al in de deelstaten aan dit thema zijn gewijd.

Onze fractie is van oordeel dat de beschikbare middelen en energie beter worden ingezet om de bestaande initiatieven verder te versterken dan om opnieuw een federaal overleg- en studietraject op te starten. Om die reden zullen wij dit verzoek tot het opstellen van een informatieverslag niet steunen en zal onze fractie zich onthouden.

M. Kristof Slagmulder (Vlaams Belang). – Soyons clairs : la solitude est un réel problème de société. Elle touche les jeunes comme les moins jeunes et mérite incontestablement toute l’attention nécessaire. Au Vlaams Belang aussi, nous sommes sensibles à cette problématique et nous avons soutenu avec conviction les initiatives déjà prises à ce sujet au Parlement flamand. Je pense à cet égard à la résolution de 2019 qui a débouché sur le Vlaams Eenzaamheidsplan (Plan flamand de lutte contre la solitude).

C’est d’ailleurs l’une de nos principales objections à l’examen de cette thématique ici, au Sénat. La lutte contre la solitude est étroitement liée au bien‑être, à la santé mentale, à la prévention et à la politique sociale locale ; elle relève donc, par essence, des compétences des entités fédérées. Celles‑ci se sont d’ailleurs déjà attelées à ce chantier, chacune en fonction de ses propres besoins et de sa propre vision. C’est ce qui ressort également de la note explicative de cette demande, qui fait la part belle aux initiatives politiques existantes des entités fédérées.

Il semble par ailleurs qu’il existe pas mal de différences entre les entités fédérées quant à la nature, l’ampleur et les causes de la solitude. Les instruments politiques aussi diffèrent d’une entité fédérée à l’autre. Cela plaide non pas en faveur d’une approche uniforme ou d’une étude harmonisée à l’échelle de tout le pays, mais au contraire en faveur d’une approche différenciée au niveau des entités fédérées, qui sont les plus proches des citoyens et des administrations locales. Nous ne percevons donc pas d’emblée en quoi un rapport d’information au Sénat pourrait apporter une plus‑value par rapport à l’attention et aux processus politiques déjà consacrés à ce thème dans les entités fédérées.

Notre groupe est d’avis qu’il vaut mieux investir les moyens et l’énergie disponibles dans le renforcement des initiatives existantes plutôt que dans le lancement d’un nouveau processus de concertation et d’étude fédéral. C’est pourquoi nous ne soutiendrons pas cette demande d’établissement d’un rapport d’information et notre groupe s’abstiendra.

 

Mevrouw Fatima Ahallouch (PS). – Eenzaamheid is geen individueel probleem, maar een echte maatschappelijke uitdaging. Ze treft jongeren, ouderen, eenoudergezinnen en personen met een handicap of ziekte, en heeft ernstige gevolgen voor de gezondheid, het welzijn en de sociale cohesie.

Uit studies blijkt bovendien dat sociaal isolement vandaag een bepalende factor is voor de geestelijke gezondheid.

Aangezien deze problematiek de bevoegdheden van één enkel beleidsniveau overstijgt, vinden wij het zinvol dat de Senaat zich hierover buigt via een informatieverslag, dat de mogelijkheid biedt om de actoren uit het werkveld te horen en goede praktijken in kaart te brengen en gezamenlijke aanbevelingen te formuleren.

De PS‑fractie zal dit initiatief dan ook steunen en wil dat het uitmondt in een ambitieus overheidsbeleid dat de lokale dienstverlening, het verenigingsleven en de lokale solidariteit versterkt.

Mme Fatima Ahallouch (PS). – La solitude n’est pas un problème individuel, c’est un véritable enjeu de société. Elle touche les jeunes, les aînés, les familles monoparentales, les personnes en situation de handicap ou de maladie, avec des conséquences importantes sur la santé, le bien‑être et la cohésion sociale.

Les études montrent d’ailleurs que l’isolement constitue aujourd’hui un déterminant majeur de la santé mentale.

Parce que cette problématique dépasse les compétences d’un seul niveau de pouvoir, nous pensons qu’il est pertinent que le Sénat se saisisse de cette question au travers d’un rapport d’information, qui permettra d’entendre les acteurs de terrain, d’identifier les bonnes pratiques et de formuler des recommandations communes.

Le groupe socialiste soutiendra donc cette initiative, avec la volonté qu’elle débouche sur des politiques publiques ambitieuses, qui renforcent les services de proximité, le tissu associatif et les solidarités locales.

 

Mevrouw Caroline Desalle (Les Engagés). – Het voorliggende verzoek tot het opstellen van een informatieverslag heeft betrekking op een realiteit die maar al te vaak onzichtbaar blijft: eenzaamheid. Eenzaamheid wordt beschouwd als een complex probleem en is vaak moeilijk meetbaar; ze heeft ingrijpende gevolgen voor de levenskwaliteit, de lichamelijke en geestelijke gezondheid en de cohesie van onze samenleving.

Hoewel alleen wonen geen synoniem is voor eenzaamheid, gaat het wel gepaard met een aanzienlijk groter risico op sociaal isolement.

Zoals mijn collega al heeft opgemerkt, zijn de cijfers bijzonder veelzeggend. Volgens Statbel voelde in het vierde kwartaal van 2025 8 % van de Belgen tussen 16 en 74 jaar zich altijd of meestal eenzaam, terwijl 21 % soms gevoelens van eenzaamheid kende.

Die cijfers hebben niet alleen betrekking op ouderen, ook al blijven zij een bijzonder kwetsbare groep, maar ook op heel wat jongeren, mensen in bestaansonzekerheid, langdurig zieken, alleenstaande ouders en alleenwonenden. In werkelijkheid blijft niemand er volledig van gevrijwaard.

Voor Les Engagés is dit een thema dat zonder meer de aandacht van de Senaat verdient, aangezien het de grenzen van de institutionele bevoegdheidsverdeling ruimschoots overschrijdt. Het heeft immers betrekking op gezondheid, huisvesting, mobiliteit, de digitalisering van de overheidsdiensten, cultuur, jeugd, vergrijzing en armoedebestrijding, alsook op de inrichting van onze buurten en het verenigingsleven.

Precies voor dit soort transversale onderwerpen kan een informatieverslag van de Senaat een echte meerwaarde bieden.

In de verschillende deelstaten bestaan er al tal van beleidsmaatregelen en het zou onjuist zijn de indruk te wekken dat alles nog van nul moet worden opgebouwd.

Ook de Franse Gemeenschap speelt een essentiële rol via permanente vorming, jeugdorganisaties, de ondersteuning van het verenigingsleven en haar beleid inzake ouderschap. Zij draagt bij tot de versterking van de sociale banden en het voorkomen van sociaal isolement.

De instrumenten voor ouderschapsbegeleiding die het Office de la Naissance et de l’Enfance (ONE) heeft ontwikkeld, illustreren eveneens de inzet om al in jonge gezinnen sociaal isolement te voorkomen.

Al die initiatieven tonen aan dat er talrijke, vaak innovatieve oplossingen bestaan, maar dat ze soms versnipperd of weinig bekend zijn en onvoldoende op elkaar zijn afgestemd.

Precies daar kan de Senaat een meerwaarde bieden. Het is onze taak om ruimte te creëren voor dialoog tussen de verschillende beleidsniveaus, de goede praktijken uit elk gewest onder de aandacht te brengen, na te gaan wat werkt en te onderzoeken hoe die ervaringen kunnen worden aangepast en zo breed mogelijk gedeeld.

Het verzoek tot het opstellen van een informatieverslag heeft precies dat doel: een stand van zaken opmaken, de benaderingen in de verschillende gewesten vergelijken en gezamenlijke aanbevelingen formuleren die het overheidsbeleid kunnen verbeteren.

Wij zullen dit verzoek tot het opstellen van een informatieverslag dan ook steunen, in de overtuiging dat het niet alleen meer inzicht zal bieden in dit complexe fenomeen, maar ook zal helpen om de talrijke al bestaande initiatieven in ons land te benutten, doeltreffender te maken en ruimer ingang te doen vinden.

Mme Caroline Desalle (Les Engagés). – La demande de rapport d’information qui nous est proposée touche à une réalité qui demeure trop souvent invisible, la solitude. En effet, considérée comme un fléau complexe, la solitude ne se mesure pas facilement. Elle affecte profondément la qualité de vie, la santé physique et mentale, ainsi que la cohésion de notre société.

Bien que le fait de vivre seul ne soit pas synonyme de solitude, le risque d’isolement augmente de manière significative.

Comme l’a rappelé ma collègue, les chiffres sont particulièrement éloquents. Selon Statbel, parmi les Belges âgés de 16 à 74 ans, au quatrième trimestre 2025, 8 % se sentaient toujours ou le plus souvent seuls, alors que 21 % éprouvaient parfois des sentiments de solitude.

Ces chiffres concernent non seulement les personnes âgées, même si celles‑ci demeurent particulièrement vulnérables, mais aussi de nombreux jeunes, des personnes en situation de précarité, des malades de longue durée, des parents isolés ou encore des personnes vivant seules. En réalité, personne n’est totalement à l’abri.

Pour Les Engagés, cette question mérite pleinement que le Sénat s’en saisisse parce qu’elle dépasse largement les frontières des compétences institutionnelles et parce qu’elle concerne la santé, le logement, la mobilité, la numérisation des services publics, la culture, la jeunesse, le vieillissement, la lutte contre la pauvreté, mais aussi l’aménagement de nos quartiers et le tissu associatif.

C’est précisément le type de sujet transversal pour lequel un rapport d’information du Sénat peut apporter une réelle valeur ajoutée.

De nombreuses politiques existent déjà dans les différentes entités du pays et il serait incorrect de laisser penser que tout reste à construire.

La Fédération Wallonie‑Bruxelles joue elle aussi un rôle essentiel au travers de l’éducation permanente, des organisations de jeunesse, du soutien au monde associatif ou encore des politiques de parentalité. Elle contribue au renforcement du lien social et à la prévention de l’isolement.

Les outils développés par l’ONE en matière d’accompagnement à la parentalité illustrent aussi cette volonté de prévenir l’isolement dès les premières étapes de la vie familiale.

Toutes ces initiatives démontrent une chose : des solutions existent, elles sont nombreuses, elles sont souvent innovantes, mais elles demeurent parfois dispersées, peu connues ou insuffisamment coordonnées.

C’est précisément là que le Sénat peut apporter une plus‑value. Notre rôle est de créer un espace de dialogue entre les différents niveaux de pouvoir, de mettre en lumière les bonnes pratiques développées dans chaque Région, d’identifier ce qui fonctionne et d’examiner comment ces expériences pourraient être adaptées et partagées avec le plus grand nombre.

La demande de rapport d’information poursuit exactement cet objectif : établir un état des lieux, comparer les approches développées dans les différentes Régions et proposer des recommandations communes susceptibles d’améliorer des politiques publiques.

Nous soutiendrons donc cette demande de rapport d’information avec la conviction qu’il permettra non seulement de mieux comprendre ce phénomène complexe, mais aussi de mieux valoriser les nombreuses initiatives déjà mises en œuvre dans notre pays afin d’en renforcer l’efficacité et d’encourager leur diffusion.

 

Mevrouw Kelly Van Tendeloo (Vooruit). – “Eenzaamheid is ongeveer even ongezond als vijftien sigaretten per dag roken.” Dat is een quote uit een recent artikel van Verso. Het gevoel van eenzaamheid tast niet alleen de psychische gezondheid aan, maar treft ons ook fysiek. Het ontregelt het immuunsysteem, veroorzaakt slaapproblemen en maakt ons over het algemeen minder weerbaar.

Door het ver doorgedreven individualisme in onze westerse samenleving is eenzaamheid niet enkel en alleen een probleem voor het individu, maar ook voor de hele samenleving.

Tijdens mijn loopbaan in de zorg moest ik eens een vrijgave tekenen van een man die drie maanden dood lag in zijn appartement en dus een complete vreemdeling nodig had om gewoon begraven te kunnen worden. En ook in mijn woonzorgcentrum heb ik meegemaakt dat een dame zich er bewust inschreef omdat de angst om gek te worden in haar appartement op de zevende verdieping in een grote stad te groot was. Dat zijn maar een paar voorbeelden van een bijna onzichtbaar menselijk leed.

Daarom zullen wij met Vooruit met veel plezier dit initiatief steunen.

Mme Kelly Van Tendeloo (Vooruit). – « La solitude est à peu près aussi nocive que de fumer quinze cigarettes par jour. » (traduction) Cette citation est extraite d’un article récent de Verso. Le sentiment de solitude affecte non seulement la santé psychique, mais aussi la santé physique. Il perturbe le système immunitaire, provoque des troubles du sommeil et nous rend globalement moins résistants.

En raison de l’individualisme poussé à l’extrême dans notre société occidentale, la solitude est un problème non seulement pour l’individu, mais aussi pour la société dans son ensemble.

Au cours de ma carrière dans le secteur des soins, j’ai un jour dû signer un permis d’inhumer pour un homme qui était mort dans son appartement depuis trois mois et qui avait donc besoin d’une parfaite inconnue pour pouvoir simplement être enterré. Dans ma résidence‑services également, j’ai connu une dame qui s’y était fait elle‑même admettre parce qu’elle craignait de devenir folle dans son appartement situé au septième étage, dans une grande ville. Ce ne sont là que quelques exemples d’une souffrance humaine presque invisible.

C’est pourquoi le groupe Vooruit et moi‑même soutiendrons très volontiers cette initiative.

 

De heer Hajib El Hajjaji (Ecolo‑Groen). – Er wordt ons vandaag gevraagd een standpunt in te nemen over een verzoek tot het opstellen van een informatieverslag over de bestrijding van eenzaamheid. De cijfers die worden meegegeven door de indieners van dit verzoek tonen de omvang van dit verontrustende fenomeen in een samenleving die versnippert onder druk van het individualisme en soms ook van een ontmenselijkende digitalisering.

Mijn fractie zal de vraag om dat werk op te starten steunen. Eenzaamheid is een teken van maatschappelijk falen dat een sterke beleidsmatige aanpak vergt, zoals de ons voorgestelde tekst ook aangeeft. Wij stemmen ermee in om deze werkzaamheden te starten, maar het toekomstige verslag mag zich niet beperken tot een analyse van saaie statistieken. Het is onze plicht om de ware, structurele oorzaken van vereenzaming te bestuderen.

Eenzaamheid is niet gewoon een emotionele tekortkoming waar we sowieso geen invloed op hebben. Eenzaamheid is soms ook het rechtstreekse gevolg van onze politieke keuzes en onze economische wetmatigheden. Ik zou zelfs zeggen: van uw politieke keuzes en uw economische wetmatigheden, aangezien wij het niet eens zijn met sommige van die keuzes.

Indien we concreet de gevolgen van ons beleid willen meten, vormt dit verzoek tot het opstellen van een informatieverslag de gelegenheid om bijvoorbeeld komaf te maken met een groot taboe: het statuut van samenwonende, dat uw Arizonaregering schaamteloos heeft uitgebreid om het te verharden waardoor de situatie van vele mensen, ouderen, kwetsbare mensen en ook jongeren moeilijker wordt. Sinds 1 maart 2026 leidt die beslissing van de Arizonaregering volgens ons duidelijk tot meer eenzaamheid.

Dit fiscale en sociale mechanisme, dat voortkomt uit een puur boekhoudkundige begrotingslogica, bestraft solidariteit financieel. Door de uitkeringen te verlagen van twee mensen die besluiten onder één dak te gaan wonen om hun kosten te delen – wat niet meer dan gezond verstand is –, werpt de Staat een onzichtbare maar gevaarlijke barrière op. Het verruimde en verscherpte statuut voor samenwonenden verarmt en isoleert mensen op een actieve wijze. Het dwingt kwetsbare personen ertoe zich sociaal te isoleren om hun schamele rechten niet te verliezen.

In ons onderzoek moeten we ook absoluut nagaan hoe de regels van onze sociale zekerheid het sociale weefsel van de meest kwetsbaren vernietigen. Dit werk is al gedaan, met name door mijn partij, aangezien een door het Rekenhof opgestelde evaluatie de jaarlijkse kosten van de afschaffing van het statuut van samenwonende – in de oude versie, niet in de versie die u onlangs hebt aangescherpt – op 1,86 miljard euro raamt. Organisaties zoals het Réseau wallon de lutte contre la pauvreté wijzen er trouwens ter vergelijking op dat dit bedrag ongeveer overeenkomt met de jaarlijkse kosten voor de Staat van de regeling voor salariswagens. Dat zijn politieke keuzes.

Bovendien benadrukken die organisaties dat die kosten snel geheel of gedeeltelijk zouden worden terugverdiend door indirecte inkomsten in de reële economie, aangezien die financiële steun rechtstreeks ten goede zou komen aan kwetsbare gezinnen, die het geld onmiddellijk zouden uitgeven. Bovendien zou dit mensen in staat stellen om samen te leven en die solidariteitsmechanismen in te zetten om de eenzaamheid tegen te gaan, zonder bang te hoeven zijn voor inkomensverlies.

Deze eenzaamheid komt daarenboven vandaag de dag op dramatische wijze tot uiting in het licht van de klimaatuitdaging. Het verslag moet naar onze mening ook aandacht besteden aan de bijzonder kwetsbare bevolkingsgroepen die de gevolgen van de klimaatverandering volop ondervinden, bijvoorbeeld tijdens extreme hittegolven of strenge winters. Duizenden geïsoleerde mensen, vaak ouderen en mensen in kwetsbare situaties, zitten opgesloten in woningen die als ‘thermische zeef’ fungeren, opgesloten in hun eigen huis, zonder hulp, soms zonder sociaal netwerk en in totale isolatie.

Dit verslag zal dan ook moeten durven de kwestie van de lokale openbare diensten aan te snijden. Zij vormen het bolwerk tegen collectieve onverschilligheid. Zij staan garant voor de expertise in het veld die nodig is om voor de meest kwetsbare mensen in ons hele land te zorgen.

Tot slot dienen we ook aandacht te hebben voor mensen die volledig geïsoleerd zijn. In een samenleving waar de digitalisering de door mensen bemande loketten heeft vervangen door apps of chatbots, lopen personen die niet door familie omringd zijn of geen technologische kennis hebben het risico om een schim te worden in de doolhoven van onze instellingen.

Chronische eenzaamheid activeert de pijncentra en leidt tot depressie en afhankelijkheid van geneesmiddelen, wat ook een kost betekent voor de samenleving.

Wij gaan dit probleem niet oplossen met alleen toespraken of online apps. We moeten ook de mogelijkheid overwegen om structurele middelen te investeren in ons hulpverleningsnetwerk, met name in de OCMW’s, jeugdhuizen, buurtcentra en lokale solidariteitsnetwerken.

De bestrijding van eenzaamheid is bij uitstek een transversale uitdaging: er moeten namelijk verschillende aspecten, zoals gezondheidszorg, huisvesting en sociale rechtvaardigheid, zowel op federaal niveau als op het niveau van de deelstaten op elkaar worden afgestemd.

Mijn fractie zal dit verzoek uiteraard met overtuiging steunen, maar dit zal ons ertoe leiden ook een kritische, heldere blik te werpen op pijnlijke politieke beslissingen, waarvan sommige zijn genomen door politieke partijen die in onze assemblee zijn vertegenwoordigd.

Laten wij hierover durven in discussie gaan, hoorzittingen organiseren, en laten we samen kijken hoe we onze medeburgers oplossingen kunnen aanreiken. Daarbij hoort dus ook wat zelfkritiek op uw beleid.

M. Hajib El Hajjaji (Ecolo‑Groen). – Nous sommes amenés aujourd’hui à nous positionner sur une demande d’établissement d’un rapport d’information sur la lutte contre la solitude. Les chiffres avancés par les auteurs de la demande montrent l’ampleur de ce phénomène alarmant dans une société qui se fragmente sous le poids de l’individualisme et parfois aussi d’une numérisation déshumanisante.

Mon groupe soutiendra le lancement de ce travail, car la solitude est un signe d’échec collectif qui mérite une politique forte, comme indiqué dans le texte qui nous est proposé. Cependant, si nous acceptons d’ouvrir ce chantier, ce futur rapport ne devra pas se contenter d’analyser des statistiques froides. Notre devoir est de regarder en face les conditions réelles et structurelles de cet isolement.

La solitude n’est pas simplement une défaillance émotionnelle sur laquelle, de toute façon, nous n’avons pas prise. Elle est parfois aussi le produit direct de nos choix politiques et de nos lois économiques, et je dirais même ici de certains de vos choix politiques et de vos lois économiques puisque, pour certains d’entre eux, nous ne les partageons pas.

Si nous voulons mesurer concrètement l’effet de nos politiques publiques, cette demande de rapport doit être l’occasion notamment de briser un tabou majeur, celui du statut de cohabitant que votre gouvernement Arizona a honteusement élargi pour le durcir et rendre plus difficile la réalité de nombreuses personnes, des personnes âgées, des personnes vulnérables, des jeunes. Depuis le 1er mars 2026, cette décision prise par le gouvernement Arizona est clairement, selon nous, vectrice et productrice de solitude.

Ce mécanisme fiscal et social, pensé dans une logique budgétaire purement comptable, punit financièrement la solidarité. En réduisant les allocations de deux personnes qui décident de vivre sous le même toit pour partager leurs frais – c’est du bon sens –, l’État dresse une barrière invisible mais redoutable. Le statut de cohabitant élargi et durci appauvrit et isole activement les gens. Il pousse des individus vulnérables à s’isoler socialement pour ne pas perdre leurs maigres droits.

Notre travail d’information devra aussi impérativement évaluer la manière dont nos règles de sécurité sociale détruisent le tissu relationnel des plus fragiles. Ce travail avait été fait, notamment par mon parti, puisqu’une évaluation chiffrée par la Cour des comptes estime le coût annuel de la suppression du statut de cohabitant dans son ancienne version, et non dans celle que vous avez durcie récemment, à 1,86 milliard d’euros. Les associations comme le Réseau wallon de lutte contre la pauvreté rappellent d’ailleurs à des fins de comparaison politique que ce montant équivaut à peu près au coût annuel, pour l’État, du régime des voitures de société. Ce sont là des choix politiques.

De plus, ces associations soulignent que ce coût serait rapidement amorti, ou du moins en partie, par des retours indirects dans l’économie réelle, puisque ce complément financier bénéficierait directement à des ménages précarisés qui le consommeraient immédiatement. Sans compter que cela permettrait à des gens de vivre ensemble, d’activer ces mécanismes de solidarité pour lutter contre la solitude sans devoir craindre une perte de revenus.

En outre, cette solitude s’articule aujourd’hui de manière dramatique avec le défi climatique. Le rapport devra aussi, à notre sens, se pencher sur les populations particulièrement vulnérables qui subissent de plein fouet les effets du dérèglement climatique, par exemple lors des vagues de chaleur extrême ou des hivers rigoureux. Des milliers de personnes isolées, souvent âgées et précarisées se retrouvent prisonnières de logements « passoires thermiques », confinées chez elles, sans aide, parfois sans réseau social et dans un isolement total.

C’est pourquoi ce rapport devra aussi oser poser la question des services publics de proximité. Ils sont le rempart à l’indifférence collective. Ce sont eux qui garantissent l’expertise du terrain permettant de prendre soin des personnes plus vulnérables dans l’ensemble de notre pays.

Enfin, nous devons aussi être attentifs aux personnes qui sont totalement isolées. Dans une société où la numérisation a remplacé les guichets humains par des applications ou des agents conversationnels, celui qui n’a pas de cercle familial ni de maîtrise technologique risque de devenir un fantôme dans les dédales de nos institutions.

La solitude chronique active les centres de la douleur, favorise la dépression et la dépendance aux médicaments, ce qui a aussi un coût pour notre société.

Nous ne résoudrons pas cette détresse uniquement avec des discours ou des applications connectées. Nous devons aussi envisager la possibilité d’investir des moyens structurels dans nos structures d’aide, notamment les CPAS, les maisons de jeunes, les maisons de quartier, les réseaux de solidarité locale.

La lutte contre la solitude est un défi de nature transversale par excellence : elle exige en effet d’articuler plusieurs dimensions, comme la santé, le logement et la justice sociale, entre le niveau fédéral et les entités fédérées.

Mon groupe soutiendra évidemment avec conviction cette demande, mais cela nous obligera aussi à poser un regard critique et lucide sur des décisions politiques qui font mal et dont certaines ont été prises par des partis politiques qui siègent dans notre assemblée.

Osons débattre et mener des auditions et voyons ensemble comment apporter des solutions à nos concitoyens, mais cela passe aussi par une autocritique de vos politiques.

 

  De bespreking is gesloten.

  La discussion est close.

 

  De stemming over het verzoek tot het opstellen van een informatieverslag heeft later plaats.

  Il sera procédé ultérieurement au vote sur la demande d’établissement d’un rapport d’information.

 

Benoeming van een lid niet‑magistraat van de Hoge Raad voor de Justitie (Doc. 8‑212/1)

Nomination d’un membre non‑magistrat du Conseil supérieur de la Justice (Doc. 8‑212/1)

 

De voorzitter. – De Hoge Raad voor de Justitie heeft in zijn algemene vergadering van 20 mei 2026, overeenkomstig artikel 259bis‑7, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, de beëindiging van het mandaat als lid van de Hoge Raad van de heer Frederik Swennen vastgesteld.

M. le président. – Lors de son assemblée générale du 20 mai 2026, conformément à l’article 259bis‑7, § 2, du Code judiciaire, le Conseil supérieur de la Justice a constaté la fin du mandat comme membre du Conseil supérieur de M. Frederik Swennen.

 

De heer Swennen zetelde in het Nederlandstalig college van de Hoge Raad in de hoedanigheid van hoogleraar. Hij werd voorgedragen door een universiteit.

M. Swennen siégeait au sein du Conseil supérieur dans le collège néerlandophone en qualité de professeur. Il avait été présenté par une université.

 

Voor deze vervanging komen enkel personen in aanmerking die hoogleraar zijn aan een universiteit of een hogeschool in de Vlaamse of Franse Gemeenschap met een voor de opdracht van de Hoge Raad relevante beroepservaring van ten minste tien jaar.

Pour la mission au sein du Conseil supérieur, seules les personnes occupant un poste de professeur dans une université ou une haute école de la Communauté flamande ou française et avec une expérience professionnelle pertinente d’au moins dix ans, sont éligibles pour ce remplacement.

 

De lijst met opvolgers bedoeld in artikel 259bis, § 4, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek bevat geen kandidaat die beantwoordt aan het vereiste profiel. De Senaat kon derhalve niet uit die lijst putten om in de vacature te voorzien en diende bijgevolg over te gaan tot een specifieke oproep tot de kandidaten, die werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 26 mei 2026.

La liste des suppléants visée à l’article 259bis, § 4, alinéa 3, du Code judiciaire ne contient aucun candidat répondant au profil requis. Le Sénat ne pouvait donc pas puiser dans cette liste pour pourvoir à la vacance et il a dès lors dû procéder à un appel aux candidats spécifique publié dans le Moniteur belge du 26 mai 2026.

 

Naar aanleiding van die oproep ontving de Senaat de kandidaturen van de heer Cedric Jenart, docent aan de Universiteit Antwerpen en de heer Gert Vermeulen, gewoon hoogleraar aan de Universiteit Gent.

À la suite de cet appel aux candidats, le Sénat a reçu les candidatures de M. Cedric Jenart, chargé de cours à l’Universiteit Antwerpen et de M. Gert Vermeulen, professeur ordinaire à l’Universiteit Gent.

 

Het gedrukte stuk met de namen van de kandidaten voor deze functie werd rondgedeeld onder het nummer 8‑212/1.

Le document reprenant les noms des candidats à cette fonction a été distribué sous le numéro 8‑212/1.

 

Alle senatoren hebben kunnen kennisnemen van het curriculum vitae van de kandidaten, die beiden voldoen aan de wettelijke benoemingsvoorwaarden.

Tous les sénateurs ont pu prendre connaissance du curriculum vitae des candidats, qui remplissent tous les deux les conditions légales de nomination.

 

Op 6 juli 2026 organiseerde de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden een hoorzitting met de twee kandidaten.

Le 6 juillet 2026, la commission des Affaires institutionnelles a organisé une audition avec les deux candidats.

 

Overeenkomstig artikel 151, § 2, tweede lid, van de Grondwet, en artikel 259bis‑2, § 2, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek moet een lid “niet‑magistraat” door de Senaat met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen worden benoemd.

Conformément aux articles 151, § 2, alinéa 2, de la Constitution et 259bis‑2, § 2, alinéa 1er, du Code judiciaire, un membre « non‑magistrat » doit être nommé par le Sénat à la majorité des deux tiers des suffrages émis.

 

U heeft een omslag ontvangen met een groene stembrief.

Vous avez reçu une enveloppe avec un bulletin de vote vert.

 

Het lot wijst mevrouw Özen en de heer Pieters aan om de functie van stemopnemers te vervullen.

Le sort désigne Mme Özen et M. Pieters pour remplir les fonctions de scrutateurs.

 

Ik verzoek elk lid bij het afroepen van zijn naam zijn stembrief in de stembus te komen deponeren.

Je prie chaque membre de déposer son bulletin de vote dans l’urne à l’appel de son nom.

 

De stemming is geopend. Zij begint met de naam van de heer Van Gestel.

Le scrutin est ouvert. Il débute par le nom de monsieur Van Gestel.

 

(Er wordt overgegaan tot de geheime stemming.)

(Il est procédé au scrutin.)

 

De voorzitter. – De stemming is gesloten.

M. le président. – Le scrutin est clos.

 

Ik stel voor de vergadering te schorsen terwijl de stemopnemers de stembriefjes nakijken.

Je propose de suspendre la séance plénière pendant que les scrutateurs dépouillent les bulletins.

 

(De vergadering wordt geschorst om 12.44 uur. Ze wordt hervat om 12.48 uur.)

(La séance, suspendue à 12 h 44, est reprise à 12 h 48.)

 

Resultaat van de geheime stemming

Résultat du scrutin

 

De voorzitter. – Hier volgt de uitslag van de geheime stemming over de benoeming van een lid niet‑magistraat van de Hoge Raad voor de Justitie.

M. le président. – Voici le résultat du scrutin pour la nomination d’un membre non‑magistrat du Conseil supérieur de la Justice.

 

Aantal stemmenden: 43

Blanco of ongeldige stembriefjes: 9

Geldige stemmen: 34

Tweederdemeerderheid: 23

Nombre de votants : 43

Bulletins blancs ou nuls : 9

Votes valables : 34

Majorité des deux tiers : 23

 

De heer Jenart behaalt 33 stemmen.

De heer Vermeulen behaalt 1 stem.

M. Jenart obtient 33 suffrages.

M. Vermeulen obtient 1 suffrage.

 

Bijgevolg wordt de heer Jenart uitgeroepen tot Nederlandstalig effectief lid van de Hoge Raad voor de Justitie.

En conséquence, M. Jenart est proclamé membre effectif d’expression néerlandaise du Conseil supérieur de la Justice.

 

  Hiervan zal kennis gegeven worden aan de voorzitster van de Hoge Raad voor de Justitie en aan de minister van Justitie.

  Il en sera donné connaissance à la présidente du Conseil supérieur de la Justice et à la ministre de la Justice.

 

Inoverwegingneming van voorstellen

Prise en considération de propositions

 

De voorzitter. – De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd elektronisch meegedeeld.

Zijn er opmerkingen?

Aangezien er geen opmerkingen zijn, beschouw ik die voorstellen als in overweging genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen.

M. le président. – La liste des propositions à prendre en considération a été communiquée par voie électronique.

Y a‑t‑il des observations ?

Puisqu’il n’y a pas d’observations, ces propositions sont considérées comme prises en considération et renvoyées à la commission indiquée par le Bureau.

 

(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)

(La liste des propositions prises en considération figure en annexe.)

 

Stemmingen

Votes

 

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

(Les listes nominatives figurent en annexe.)

 

Ontwerp van bijzondere wet tot wijziging van artikel 479 van het Wetboek van strafvordering en houdende harmonisatie van de bijzondere wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van leden van een gemeenschaps- of gewestregering met het Strafwetboek van 29 februari 2024 (Doc. 8‑215)

Projet de loi spéciale modifiant l’article 479 du Code d’instruction criminelle et relatif à la mise en concordance de la loi spéciale du 25 juin 1998 réglant la responsabilité pénale des membres des gouvernements de communauté ou de région avec le Code pénal du 29 février 2024 (Doc. 8‑215)

 

Stemming nr. 1

Vote no 1

 

Nederlandse taalgroep

Aanwezig: 25
Voor: 25
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Groupe linguistique néerlandais

Présents : 25
Pour : 25
Contre : 0
Abstentions : 0

 

Franse taalgroep

Aanwezig: 17
Voor: 17
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Groupe linguistique français

Présents : 17
Pour : 17
Contre : 0
Abstentions : 0

 

De Duitstalige gemeenschapssenator heeft voorgestemd.

Le sénateur de communauté germanophone a voté pour.

 

  Het quorum bepaald in artikel 4, derde lid, van de Grondwet is bereikt.

  Le quorum prévu par l’article 4, alinéa 3, de la Constitution a été atteint.

 

  Het ontwerp van bijzondere wet heeft twee derden van de uitgebrachte stemmen en de meerderheid van de uitgebrachte stemmen in elke taalgroep behaald.

  Le projet de loi spéciale a obtenu les deux tiers des suffrages et la majorité des suffrages dans chaque groupe linguistique.

 

  Het ontwerp van bijzondere wet is aangenomen.

  Le projet de loi spéciale est adopté.

 

  Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.

  Il sera soumis à la sanction royale.

 

Ontwerp van bijzondere wet houdende harmonisatie van diverse geldende wetsbepalingen met het Strafwetboek van 29 februari 2024 (Doc. 8‑219)

Projet de loi spéciale relatif à la mise en concordance de dispositions légales diverses en vigueur avec le Code pénal du 29 février 2024 (Doc. 8‑219)

 

Stemming nr. 2

Vote no 2

 

Nederlandse taalgroep

Aanwezig: 25
Voor: 25
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Groupe linguistique néerlandais

Présents : 25
Pour : 25
Contre : 0
Abstentions : 0

 

Franse taalgroep

Aanwezig: 17
Voor: 17
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Groupe linguistique français

Présents : 17
Pour : 17
Contre : 0
Abstentions : 0

 

De Duitstalige gemeenschapssenator heeft voorgestemd.

Le sénateur de communauté germanophone a voté pour.

 

  Het quorum bepaald in artikel 4, derde lid, van de Grondwet is bereikt.

  Le quorum prévu par l’article 4, alinéa 3, de la Constitution a été atteint.

 

  Het ontwerp van bijzondere wet heeft twee derden van de uitgebrachte stemmen en de meerderheid van de uitgebrachte stemmen in elke taalgroep behaald.

  Le projet de loi spéciale a obtenu les deux tiers des suffrages et la majorité des suffrages dans chaque groupe linguistique.

 

  Het ontwerp van bijzondere wet is aangenomen.

  Le projet de loi spéciale est adopté.

 

  Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.

  Il sera soumis à la sanction royale.

 

Informatieverslag over de ontwikkeling van gewest- en grensoverschrijdende snelle carpoolnetwerken (Doc. 8‑161)

Rapport d’information relatif au développement de réseaux express de covoiturage transrégionaux et transfrontaliers (Doc. 8‑161)

 

Stemming nr. 3

Vote no 3

 

Nederlandse taalgroep

Aanwezig: 25
Voor: 19
Tegen: 0
Onthoudingen: 6

Groupe linguistique néerlandais

Présents : 25
Pour : 19
Contre : 0
Abstentions : 6

 

Franse taalgroep

Aanwezig: 17
Voor: 13
Tegen: 0
Onthoudingen: 4

Groupe linguistique français

Présents : 17
Pour : 13
Contre : 0
Abstentions : 4

 

De Duitstalige gemeenschapssenator heeft voorgestemd.

Le sénateur de communauté germanophone a voté pour.

 

  Het informatieverslag heeft de meerderheid van de uitgebrachte stemmen en minstens een derde van de uitgebrachte stemmen in elke taalgroep behaald.

  Le rapport d’information a obtenu la majorité des suffrages et au moins un tiers des suffrages dans chaque groupe linguistique.

 

  Het informatieverslag is aangenomen.

  Le rapport d’information est adopté.

 

  Het zal worden meegedeeld aan de eerste minister, aan de minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie, aan de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers, aan de minister‑presidenten van de gemeenschappen en gewesten en aan de voorzitters van de parlementen van de gemeenschappen en de gewesten.

  Il sera communiqué au premier ministre, au ministre de la Mobilité, du Climat et de la Transition environnementale, au président de la Chambre des représentants, aux ministres‑présidents des Communautés et des Régions, ainsi qu’aux présidents des parlements des Communautés et des Régions.

 

Verzoek tot het opstellen van een informatieverslag “Tien jaar na de aanslagen in Brussel: balans van de opvolging van de aanbevelingen, evaluatie van de nog bestaande tekortkomingen en actualisering van de overheidsprioriteiten” (Doc 8‑217)

Demande d’établissement d’un rapport d’information « Dix ans après les attentats de Bruxelles : bilan du suivi des recommandations, évaluation des lacunes persistantes et actualisation des priorités publiques » (Doc. 8‑217)

 

Stemming nr. 4

Vote no 4

 

Nederlandse taalgroep

Aanwezig: 25
Voor: 15
Tegen: 0
Onthoudingen: 10

Groupe linguistique néerlandais

Présents : 25
Pour : 15
Contre : 0
Abstentions : 10

 

Franse taalgroep

Aanwezig: 17
Voor: 17
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Groupe linguistique français

Présents : 17
Pour : 17
Contre : 0
Abstentions : 0

 

De Duitstalige gemeenschapssenator heeft voorgestemd.

Le sénateur de communauté germanophone a voté pour.

 

  Het verzoek heeft de meerderheid van de uitgebrachte stemmen en minstens een derde van de uitgebrachte stemmen in elke taalgroep behaald.

  La demande a obtenu la majorité des suffrages et au moins un tiers des suffrages dans chaque groupe linguistique.

 

  Derhalve is het verzoek aangenomen.

  Par conséquent, la demande est adoptée.

 

  Het Bureau heeft het opstellen van dit informatieverslag toevertrouwd aan de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden.

  Le Bureau a confié l’établissement de ce rapport d’information à la commission des Affaires institutionnelles.

 

Verzoek tot het opstellen van een informatieverslag over de bestrijding van eenzaamheid (Doc. 8‑218)

Demande d’établissement d’un rapport d’information sur la lutte contre la solitude (Doc. 8‑218)

 

Stemming nr. 5

Vote no 5

 

Nederlandse taalgroep

Aanwezig: 25
Voor: 9
Tegen: 0
Onthoudingen: 16

Groupe linguistique néerlandais

Présents : 25
Pour : 9
Contre : 0
Abstentions : 16

 

Franse taalgroep

Aanwezig: 17
Voor: 17
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Groupe linguistique français

Présents : 17
Pour : 17
Contre : 0
Abstentions : 0

 

De Duitstalige gemeenschapssenator heeft voorgestemd.

Le sénateur de communauté germanophone a voté pour.

 

  Het verzoek heeft de meerderheid van de uitgebrachte stemmen en minstens een derde van de uitgebrachte stemmen in elke taalgroep behaald.

  La demande a obtenu la majorité des suffrages et au moins un tiers des suffrages dans chaque groupe linguistique.

 

  Derhalve is het verzoek aangenomen.

  Par conséquent, la demande est adoptée.

 

  Het Bureau heeft het opstellen van dit informatieverslag toevertrouwd aan de commissie voor de Transversale Aangelegenheden – Gemeenschapsbevoegdheden.

  Le Bureau a confié l’établissement de ce rapport d’information à la commission des Matières transversales – Compétences communautaires.

 

Overlijden van oud‑senatoren

Décès d’anciens sénateurs

 

De voorzitter. – De Senaat heeft met groot leedwezen kennis gekregen van het overlijden van de heren Etienne Cooreman en Hugo Van Rompaey, ere‑senatoren, en van de dames Margriet Hermans en Lydia Maximus, en de heren Franco Seminara en Roger Wierinckx, oud‑senatoren.

Uw voorzitter heeft het rouwbeklag van de Vergadering aan de familie van onze betreurde gewezen medeleden betuigd.

M. le président. – Le Sénat a appris avec un vif regret les décès de MM. Etienne Cooreman et Hugo Van Rompaey, sénateurs honoraires, et de Mmes Margriet Hermans et Lydia Maximus, et MM. Franco Seminara et Roger Wierinckx, anciens sénateurs.

Votre président a adressé les condoléances de l’Assemblée à la famille de nos regrettés anciens collègues.

 

Regeling van de werkzaamheden

Ordre des travaux

 

De voorzitter. – De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De volgende vergadering vindt plaats op dinsdag 13 oktober 2026.

M. le président. – L’ordre du jour de la présente séance est ainsi épuisé.

La prochaine séance aura lieu le mardi 13 octobre 2026.

 

(De vergadering wordt gesloten om 13.04 uur.)

(La séance est levée à 13 h 04.)

 

Berichten van verhindering

Excusés

 

Afwezig met bericht van verhindering: de dames Burssens, D’Hose, Durenne, El Yousfi, Groothedde, Liekens en Van dermeersch, en de heren Cocciolo, Dodrimont, Michielsen, Van Gestel, Van Goidsenhoven, Verheyden, Wahl en Witsel.

Mmes Burssens, D’Hose, Durenne, El Yousfi, Groothedde, Liekens et Van dermeersch, et MM. Cocciolo, Dodrimont, Michielsen, Van Gestel, Van Goidsenhoven, Verheyden, Wahl et Witsel demandent d’excuser leur absence à la présente séance.

 

  Voor kennisgeving aangenomen.

  Pris pour information.

 

Bijlage

Annexe

 

 

Naamstemmingen

Votes nominatifs

 

 

Stemming nr. 1

Vote no 1

 

 

Nederlandse taalgroep

Aanwezig: 25
Voor: 25
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Groupe linguistique néerlandais

Présents : 25
Pour : 25
Contre : 0
Abstentions : 0

 

 

Voor

Pour

 

 

Capoen An, Claes Allessia, Coel Arnout, Dalle Benjamin, Debaets Bianca, De Brabandere Bob, Deckmyn Johan, De Roo Stijn, Diericx Manu, Gryffroy Andries, Hendrickx Marc, Maghroud Nawal, Partyka Katrien, Pieters Andy, Segers Katia, Slagmulder Kristof, Slootmans Klaas, Tombeur Ine, Van dermeersch Anke, Vanlouwe Karl, Van Rompuy Peter, Vanryckegem Griet, Van Tendeloo Kelly, Verduyckt Kris, Verreyt Hans

 

Franse taalgroep

Aanwezig: 17
Voor: 17
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Groupe linguistique français

Présents : 17
Pour : 17
Contre : 0
Abstentions : 0

 

 

Voor

Pour

 

 

Ahallouch Fatima, Ammi Jamila, Bernard Alice, Blondel Vincent, De Bue Valérie, Desalle Caroline, Diallo Elhadj Moussa, El Hajjaji Hajib, Goffinet Anne-Catherine, Koyuncu Hasan, Lambelin Anne, Mvumbi Luzolo Marie-Claire, Özen Özlem, Thoron Stéphanie, d'Ursel Anne-Charlotte, Van Walle Patricia, Wahl Jean-Paul

 

Duitstalige gemeenschapssenator

Sénateur de communauté germanophone

 

 

Voor

Pour

 

 

Scholzen Liesa

 

 

Stemming nr. 2

Vote no 2

 

 

Nederlandse taalgroep

Aanwezig: 25
Voor: 25
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Groupe linguistique néerlandais

Présents : 25
Pour : 25
Contre : 0
Abstentions : 0

 

 

Voor

Pour

 

 

Capoen An, Claes Allessia, Coel Arnout, Dalle Benjamin, Debaets Bianca, De Brabandere Bob, Deckmyn Johan, De Roo Stijn, Diericx Manu, Gryffroy Andries, Hendrickx Marc, Maghroud Nawal, Partyka Katrien, Pieters Andy, Segers Katia, Slagmulder Kristof, Slootmans Klaas, Tombeur Ine, Van dermeersch Anke, Vanlouwe Karl, Van Rompuy Peter, Vanryckegem Griet, Van Tendeloo Kelly, Verduyckt Kris, Verreyt Hans

 

Franse taalgroep

Aanwezig: 17
Voor: 17
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Groupe linguistique français

Présents : 17
Pour : 17
Contre : 0
Abstentions : 0

 

 

Voor

Pour

 

 

Ahallouch Fatima, Ammi Jamila, Bernard Alice, Blondel Vincent, De Bue Valérie, Desalle Caroline, Diallo Elhadj Moussa, El Hajjaji Hajib, Goffinet Anne-Catherine, Koyuncu Hasan, Lambelin Anne, Mvumbi Luzolo Marie-Claire, Özen Özlem, Thoron Stéphanie, d'Ursel Anne-Charlotte, Van Walle Patricia, Wahl Jean-Paul

 

Duitstalige gemeenschapssenator

Sénateur de communauté germanophone

 

 

Voor

Pour

 

 

Scholzen Liesa

 

 

Stemming nr. 3

Vote no 3

 

 

Nederlandse taalgroep

Aanwezig: 25
Voor: 19
Tegen: 0
Onthoudingen: 6

Groupe linguistique néerlandais

Présents : 25
Pour : 19
Contre : 0
Abstentions : 6

 

 

Voor

Pour

 

 

Capoen An, Claes Allessia, Coel Arnout, Dalle Benjamin, Debaets Bianca, De Roo Stijn, Diericx Manu, Gryffroy Andries, Hendrickx Marc, Maghroud Nawal, Partyka Katrien, Pieters Andy, Segers Katia, Tombeur Ine, Vanlouwe Karl, Van Rompuy Peter, Vanryckegem Griet, Van Tendeloo Kelly, Verduyckt Kris

 

Onthouding

Abstention

 

 

De Brabandere Bob, Deckmyn Johan, Slagmulder Kristof, Slootmans Klaas, Van dermeersch Anke, Verreyt Hans

 

 

Franse taalgroep

Aanwezig: 17
Voor: 13
Tegen: 0
Onthoudingen: 4

Groupe linguistique français

Présents : 17
Pour : 13
Contre : 0
Abstentions : 4

 

 

Voor

Pour

 

 

Ahallouch Fatima, Blondel Vincent, De Bue Valérie, Desalle Caroline, Diallo Elhadj Moussa, Goffinet Anne-Catherine, Koyuncu Hasan, Lambelin Anne, Mvumbi Luzolo Marie-Claire, Özen Özlem, Thoron Stéphanie, d'Ursel Anne-Charlotte, Wahl Jean-Paul

 

Onthouding

Abstention

 

 

Ammi Jamila, Bernard Alice, El Hajjaji Hajib, Van Walle Patricia

 

 

Duitstalige gemeenschapssenator

Sénateur de communauté germanophone

 

 

Voor

Pour

 

 

Scholzen Liesa

 

 

Stemming nr. 4

Vote no 4

 

 

Nederlandse taalgroep

Aanwezig: 25
Voor: 15
Tegen: 0
Onthoudingen: 10

Groupe linguistique néerlandais

Présents : 25
Pour : 15
Contre : 0
Abstentions : 10

 

 

Voor

Pour

 

 

Dalle Benjamin, Debaets Bianca, De Brabandere Bob, Deckmyn Johan, De Roo Stijn, Maghroud Nawal, Partyka Katrien, Segers Katia, Slagmulder Kristof, Slootmans Klaas, Van dermeersch Anke, Van Rompuy Peter, Van Tendeloo Kelly, Verduyckt Kris, Verreyt Hans

 

Onthouding

Abstention

 

 

Capoen An, Claes Allessia, Coel Arnout, Diericx Manu, Gryffroy Andries, Hendrickx Marc, Pieters Andy, Tombeur Ine, Vanlouwe Karl, Vanryckegem Griet

 

 

Franse taalgroep

Aanwezig: 17
Voor: 17
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Groupe linguistique français

Présents : 17
Pour : 17
Contre : 0
Abstentions : 0

 

 

Voor

Pour

 

 

Ahallouch Fatima, Ammi Jamila, Bernard Alice, Blondel Vincent, De Bue Valérie, Desalle Caroline, Diallo Elhadj Moussa, El Hajjaji Hajib, Goffinet Anne-Catherine, Koyuncu Hasan, Lambelin Anne, Mvumbi Luzolo Marie-Claire, Özen Özlem, Thoron Stéphanie, d'Ursel Anne-Charlotte, Van Walle Patricia, Wahl Jean-Paul

 

Duitstalige gemeenschapssenator

Sénateur de communauté germanophone

 

 

Voor

Pour

 

 

Scholzen Liesa

 

 

Stemming nr. 5

Vote no 5

 

 

Nederlandse taalgroep

Aanwezig: 25
Voor: 9
Tegen: 0
Onthoudingen: 16

Groupe linguistique néerlandais

Présents : 25
Pour : 9
Contre : 0
Abstentions : 16

 

 

Voor

Pour

 

 

Dalle Benjamin, Debaets Bianca, De Roo Stijn, Maghroud Nawal, Partyka Katrien, Segers Katia, Van Rompuy Peter, Van Tendeloo Kelly, Verduyckt Kris

 

Onthouding

Abstention

 

 

Capoen An, Claes Allessia, Coel Arnout, De Brabandere Bob, Deckmyn Johan, Diericx Manu, Gryffroy Andries, Hendrickx Marc, Pieters Andy, Slagmulder Kristof, Slootmans Klaas, Tombeur Ine, Van dermeersch Anke, Vanlouwe Karl, Vanryckegem Griet, Verreyt Hans

 

 

Franse taalgroep

Aanwezig: 17
Voor: 17
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Groupe linguistique français

Présents : 17
Pour : 17
Contre : 0
Abstentions : 0

 

 

Voor

Pour

 

 

Ahallouch Fatima, Ammi Jamila, Bernard Alice, Blondel Vincent, De Bue Valérie, Desalle Caroline, Diallo Elhadj Moussa, El Hajjaji Hajib, Goffinet Anne-Catherine, Koyuncu Hasan, Lambelin Anne, Mvumbi Luzolo Marie-Claire, Özen Özlem, Thoron Stéphanie, d'Ursel Anne-Charlotte, Van Walle Patricia, Wahl Jean-Paul

 

Duitstalige gemeenschapssenator

Sénateur de communauté germanophone

 

 

Voor

Pour

 

 

Scholzen Liesa

 

In overweging genomen voorstel

Proposition prise en considération

 

Voorstel van resolutie

Proposition de résolution

 

Voorstel van resolutie betreffende de noodsituatie op het gebied van volksgezondheid, veiligheid en milieu als gevolg van het oneigenlijke gebruik van distikstofmonoxide (van de dames Özlem Özen en Fatima Ahallouch; Doc. 8‑207/1).

Proposition de résolution relative à l’urgence sanitaire, sécuritaire et environnementale liée à la consommation détournée de protoxyde d’azote (de Mmes Özlem Özen et Fatima Ahallouch ; Doc. 8‑207/1).

 

  Commissie voor de Transversale Aangelegenheden – Gewestbevoegdheden

  Commission des Matières transversales – Compétences régionales

 

Activiteiten van algemeen belang van de Koninklijke Familie

Activités d’intérêt général de la Famille royale

 

Bij brief van 21 mei 2026 zendt de eerste minister, overeenkomstig artikel 15 van de wet van 27 november 2013 met betrekking tot de dotaties en de vergoedingen die worden toegekend aan leden van de Koninklijke Familie alsook de transparantie van de financiering van de monarchie aan de Senaat over, het verslag over de activiteiten van algemeen belang tijdens het jaar 2025 van Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Astrid.

Par lettre du 21 mai 2026, le premier ministre transmet au Sénat, conformément à l’article 15 de la loi du 27 novembre 2013 concernant les dotations et les indemnités octroyées à des membres de la Famille royale ainsi que la transparence du financement de la monarchie, le rapport des activités d’intérêt général de l’année 2025 de Son Altesse Royale la Princesse Astrid.

 

Bij brief van 27 mei 2026 zendt de eerste minister, overeenkomstig artikel 15 van de wet van 27 november 2013 met betrekking tot de dotaties en de vergoedingen die worden toegekend aan leden van de Koninklijke Familie alsook de transparantie van de financiering van de monarchie aan de Senaat over, het verslag over de activiteiten van algemeen belang tijdens het jaar 2025 van Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Laurent.

Par lettre du 27 mai 2026, le premier ministre transmet au Sénat, conformément à l’article 15 de la loi du 27 novembre 2013 concernant les dotations et les indemnités octroyées à des membres de la Famille royale ainsi que la transparence du financement de la monarchie, le rapport des activités d’intérêt général de Son Altesse Royale le Prince Laurent pour l’année 2025.

 

  Neergelegd ter Griffie.

  Dépôt au Greffe.

 

Uitvoering besluiten van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties

Exécution décisions du Conseil de sécurité des Nations unies

 

Bij brief van 17 juni 2026 zendt de minister van Financiën en Pensioenen, belast met de Nationale Loterij en de Federale Culturele Instellingen, overeenkomstig artikel 3 van de wet van 11 mei 1995 inzake de tenuitvoerlegging van de besluiten van de Veiligheidsraad van de Organisatie van de Verenigde Naties, aan de Senaat over, het koninklijk besluit van 30 mei 2026 betreffende de bewaring van tegoeden en andere financiële middelen van bepaalde personen, entiteiten of groeperingen geviseerd door resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties.

Par lettre du 17 juin 2026, le ministre des Finances et des Pensions, chargé de la Loterie nationale et des Institutions culturelles fédérales, transmet au Sénat, conformément à l’article 3 de la loi du 11 mai 1995 relative à la mise en œuvre des décisions du Conseil de sécurité de l’Organisation des Nations unies, l’arrêté royal du 30 mai 2026 relatif au gel des avoirs et autres moyens financiers de certains personnes, entités ou groupements visés par des résolutions du Conseil de sécurité des Nations unies.

 

  Neergelegd ter Griffie.

  Dépôt au Greffe.

 

Grondwettelijk Hof – Arresten

Cour constitutionnelle – Arrêts

 

Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, geeft de griffier van het Grondwettelijk Hof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

En application de l’article 113 de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour constitutionnelle, le greffier de la Cour constitutionnelle notifie au président du Sénat :

 

  het arrest nr. 36/2026, uitgesproken op 26 maart 2026, inzake het beroep tot vernietiging van de artikelen 1 (3º, 5º en 10º), 60 en 87 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 7 december 2023 tot wijziging van het decreet van 4 februari 2021 betreffende audiovisuele mediadiensten en videoplatformdiensten, ingesteld door de vennootschap naar Nederlands recht Netflix International bv (rolnummer 8295);

  l’arrêt no 36/2026, rendu le 26 mars 2026, en cause le recours en annulation des articles 1er (3º, 5º et 10º), 60 et 87 du décret de la Communauté française du 7 décembre 2023 modifiant le décret du 4 février 2021 relatif aux services de médias audiovisuels et aux services de partage de vidéos, introduit par la société de droit néerlandais Netflix International bv (numéro du rôle 8295) ;

 

  het arrest nr. 37/2026, uitgesproken op 2 april 2026, inzake het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van artikel 30 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 18 april 2024 houdende hervorming van het bestuur van de Office de la naissance et de l’enfance (invoeging van een artikel 16/4 in het decreet van de Franse Gemeenschap van 12 mei 2004 betreffende de hulpverlening aan mishandelde kinderen), ingesteld door de vzw Fédération des équipes SOS enfants en Communauté française de Belgique en anderen (rolnummer 8384);

  l’arrêt no 37/2026, rendu le 2 avril 2026, en cause le recours en annulation partielle de l’article 30 du décret de la Communauté française du 18 avril 2024 portant réforme de la gouvernance de l’Office de la naissance et de l’enfance (insertion d’un article 16/4 dans le décret de la Communauté française du 12 mai 2004 relatif à l’Aide aux enfants victimes de maltraitance), introduit par l’ASBL Fédération des équipes SOS enfants en Communauté française de Belgique et autres (numéro du rôle 8384) ;

 

  het arrest nr. 38/2026, uitgesproken op 2 april 2026, inzake de prejudiciële vragen over de artikelen 40ter, § 2, tweede lid, 1º, en 42, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gesteld door de Raad voor vreemdelingenbetwistingen (rolnummers 8397 en 8398);

  l’arrêt no 38/2026, rendu le 2 avril 2026, en cause les questions préjudicielles relatives aux articles 40ter, § 2, alinéa 2, 1º, et 42, § 1er, alinéa 2, de la loi du 15 décembre 1980 sur l’accès au territoire, le séjour, l’établissement et l’éloignement des étrangers, posées par le Conseil du contentieux des étrangers (numéros du rôle 8397 et 8398) ;

 

  het arrest nr. 39/2026, uitgesproken op 2 april 2026, inzake de prejudiciële vragen over artikel 148, eerste lid, van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden, gesteld door de Nederlandstalige beroepscommissie van de Centrale Toezichtsraad voor het gevangeniswezen (rolnummers 8514 en 8524);

  l’arrêt no 39/2026, rendu le 2 avril 2026, en cause les questions préjudicielles relatives à l’article 148, alinéa 1er, de la loi de principes du 12 janvier 2005 concernant l’administration pénitentiaire ainsi que le statut juridique des détenus, posées par la commission d’appel néerlandophone du Conseil central de surveillance pénitentiaire (numéros du rôle 8514 et 8524) ;

 

  het arrest nr. 40/2026, uitgesproken op 2 april 2026, inzake de prejudiciële vraag over artikel 11 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 5 oktober 2023 betreffende het bestuur, de transparantie, de autonomie en de controle in verband met de instellingen, de maatschappijen voor schoolgebouwen en de maatschappijen voor vermogensbeheer die onder de Franse Gemeenschap ressorteren, gesteld door de Franstalige arbeidsrechtbank te Brussel (rolnummer 8591);

  l’arrêt no 40/2026, rendu le 2 avril 2026, en cause la question préjudicielle concernant l’article 11 du décret de la Communauté française du 5 octobre 2023 relatif à la gouvernance, à la transparence, à l’autonomie et au contrôle des organismes, des sociétés de bâtiments scolaires et des sociétés de gestion patrimoniale qui dépendent de la Communauté française, posée par le tribunal du travail francophone de Bruxelles (numéro du rôle 8591) ;

 

  het arrest nr. 41/2026, uitgesproken op 9 april 2026, inzake de prejudiciële vragen betreffende artikel 207, zevende lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in samenhang gelezen met de artikelen 208, 351 en 444, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, zoals van toepassing voor de aanslagjaren 2019 en 2020, gesteld door de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel, door de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, en door het hof van beroep te Gent (rolnummers 8442, 8470 en 8475);

  l’arrêt no 41/2026, rendu le 9 avril 2026, en cause les questions préjudicielles relatives à l’article 207, alinéa 7, du Code des impôts sur les revenus 1992, lu en combinaison avec les articles 208, 351 et 444, alinéa 2, du même Code, tels qu’ils étaient applicables pour les exercices d’imposition 2019 et 2020, posées par le tribunal de première instance néerlandophone de Bruxelles, par le tribunal de première instance du Limbourg, division de Hasselt, et par la cour d’appel de Gand (numéros du rôle 8442, 8470 et 8475) ;

 

  het arrest nr. 42/2026, uitgesproken op 9 april 2026, inzake de prejudiciële vraag betreffende artikel 23, vierde lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, gesteld door het Hof van Cassatie (rolnummer 8466);

  l’arrêt no 42/2026, rendu le 9 avril 2026, en cause la question préjudicielle relative à l’article 23, alinéa 4, de la loi du 15 juin 1935 concernant l’emploi des langues en matière judiciaire, posée par la Cour de cassation (numéro du rôle 8466) ;

 

  het arrest nr. 43/2026, uitgesproken op 9 april 2026, inzake de prejudiciële vraag betreffende rubriek XXXVI van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, gesteld door de Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel (rolnummer 8473);

  l’arrêt no 43/2026, rendu le 9 avril 2026, en cause la question préjudicielle relative à la rubrique XXXVI du tableau A de l’annexe à l’arrêté royal no 20 du 20 juillet 1970 fixant les taux de la taxe sur la valeur ajoutée et déterminant la répartition des biens et des services selon ces taux, posée par le tribunal de première instance francophone de Bruxelles (numéro du rôle 8473) ;

 

  het arrest nr. 44/2026, uitgesproken op 9 april 2026, inzake de prejudiciële vragen over artikel 5, § 1, eerste lid, 8º, van de wet van 21 december 1998 betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu, de volksgezondheid en de werknemers, gesteld door de Raad van State (rolnummer 8509);

  l’arrêt no 44/2026, rendu le 9 avril 2026, en cause les questions préjudicielles relatives à l’article 5, § 1er, alinéa 1er, 8º, de la loi du 21 décembre 1998 relative aux normes de produits ayant pour but la promotion de modes de production et de consommation durables et la protection de l’environnement, de la santé et des travailleurs, posées par le Conseil d’État (numéro du rôle 8509) ;

 

  het arrest nr. 45/2026, uitgesproken op 16 april 2026, inzake de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 7 mei 2024 tot wijziging van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers en houdende diverse bepalingen inzake de kansspelen, ingesteld door de nv Derby, door de nv Gambling Management en anderen, door de nv Ascot en anderen en door de vzw Waregem Draaft en de vzw Koninklijke Waregemse Koersvereniging (rolnummers 8356, 8361, 8362 en 8363);

  l’arrêt no 45/2026, rendu le 16 avril 2026, en cause les recours en annulation partielle de la loi du 7 mai 2024 modifiant la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les paris, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs et portant des dispositions diverses en matière de jeux de hasard, introduits par la SA Derby, par la SA Gambling Management et autres, par la SA Ascot et autres et par l’ASBL Waregem Draaft et l’ASBL Koninklijke Waregemse Koersvereniging (numéros du rôle 8356, 8361, 8362 et 8363) ;

 

  het arrest nr. 46/2026, uitgesproken op 16 april 2026, inzake de beroepen tot vernietiging van de wet van 18 mei 2024 tot invoering van de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering voor ambtenaren, ingesteld door de vzw Syndicat pour la mobilité et transport intermodal des services publicsProtect en Mohammed Benyaich en door J.T (rolnummers 8390 en 8391);

  l’arrêt no 46/2026, rendu le 16 avril 2026, en cause les recours en annulation de la loi du 18 mai 2024 portant introduction de l’allocation d’inaptitude temporaire de travail pour fonctionnaires, introduits par l’ASBL Syndicat pour la mobilité et transport intermodal des services publics – Protect et Mohammed Benyaich et par J.T (numéros du rôle 8390 et 8391) ;

 

  het arrest nr. 47/2026, uitgesproken op 16 april 2026, inzake de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van het decreet van het Vlaamse Gewest van 17 mei 2024 over dierenwelzijn, ingesteld door de vzw Offerfeest en Abdelkader Alami en door de vzw Offerfeest (rolnummers 8405 en 8407);

  l’arrêt no 47/2026, rendu le 16 avril 2026, en cause les recours en annulation partielle du décret de la Région flamande du 17 mai 2024 relatif au bien‑être des animaux, introduits par l’ASBL Offerfeest et Abdelkader Alami et par l’ASBL Offerfeest (numéros du rôle 8405 et 8407) ;

 

  het arrest nr. 48/2026, uitgesproken op 16 april 2026, inzake de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 50, 51, 53, § 1, 58 en 59, eerste lid, van de wet van 10 april 2014 tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op het invoeren van een nieuwe geldelijke loopbaan voor het gerechtspersoneel en van een mandatensysteem voor de hoofdgriffiers en de hoofdsecretarissen, in samenhang gelezen met de artikelen 370, 372 en 372ter van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Charleroi (rolnummers 8471 en 8472);

  l’arrêt no 48/2026, rendu le 16 avril 2026, en cause les questions préjudicielles relatives aux articles 50, 51, 53, § 1er, 58 et 59, alinéa 1er, de la loi du 10 avril 2014 modifiant certaines dispositions du Code judiciaire en vue d’instaurer une nouvelle carrière pécuniaire pour le personnel judiciaire ainsi qu’un système de mandats pour les greffiers en chef et les secrétaires en chef, lus en combinaison avec les articles 370, 372 et 372ter du Code judiciaire, posées par le tribunal de première instance du Hainaut, division de Charleroi (numéros du rôle 8471 et 8472) ;

 

  het arrest nr. 50/2026, uitgesproken op 23 april 2026, inzake de prejudiciële vraag over artikel 30, § 1, eerste lid, 2º, van het decreet van het Waalse Gewest van 1 maart 2018 betreffende bodembeheer en bodemsanering, gesteld door de Raad van State (rolnummer 8422);

  l’arrêt no 50/2026, rendu le 23 avril 2026, en cause la question préjudicielle concernant l’article 30, § 1er, alinéa 1er, 2º, du décret de la Région wallonne du 1er mars 2018 relatif à la gestion et à l’assainissement des sols, posée par le Conseil d’État (numéro du rôle 8422) ;

 

  het arrest nr. 51/2026, uitgesproken op 23 april 2026, inzake de prejudiciële vraag betreffende artikel 8, § 1, eerste lid, 2º, b), van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, gesteld door de Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel (rolnummer 8427);

  l’arrêt no 51/2026, rendu le 23 avril 2026, en cause la question préjudicielle relative à l’article 8, § 1er, alinéa 1er, 2º, b), du Code de la nationalité belge, posée par le tribunal de première instance francophone de Bruxelles (numéro du rôle 8427) ;

 

  het arrest nr. 52/2026, uitgesproken op 23 april 2026, inzake de prejudiciële vragen betreffende artikel 61, eerste lid, 1º, van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid, gesteld door de Raad van State (rolnummer 8432);

  l’arrêt no 52/2026, rendu le 23 avril 2026, en cause les questions préjudicielles relatives à l’article 61, alinéa 1er, 1º, de la loi du 2 octobre 2017 réglementant la sécurité privée et particulière, posées par le Conseil d’État (numéro du rôle 8432) ;

 

  het arrest nr. 53/2026, uitgesproken op 23 april 2026, inzake het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van het decreet van het Waalse Gewest van 25 april 2024 tot wijziging van diverse decreten betreffende het leefmilieu, ingesteld door de vzw Canopea (rolnummer 8447);

  l’arrêt no 53/2026, rendu le 23 avril 2026, en cause le recours en annulation partielle du décret de la Région wallonne du 25 avril 2024 modifiant divers décrets relatifs à l’environnement, introduit par l’ASBL Canopea (numéro du rôle 8447) ;

 

  het arrest nr. 54/2026, uitgesproken op 23 april 2026, inzake de prejudiciële vraag betreffende artikel 2.2.6.0.7 van de Vlaamse Codex fiscaliteit van 13 december 2013, gesteld door de rechtbank van eerste aanleg Oost‑Vlaanderen, afdeling Gent (rolnummer 8451);

  l’arrêt no 54/2026, rendu le 23 avril 2026, en cause la question préjudicielle relative à l’article 2.2.6.0.7 du Code flamand de la fiscalité du 13 décembre 2013, posée par le tribunal de première instance de Flandre orientale, division de Gand (numéro du rôle 8451) ;

 

  het arrest nr. 55/2026, uitgesproken op 23 april 2026, inzake de prejudiciële vragen betreffende artikel XX.173, § 2, van het Wetboek van economisch recht, gesteld door de ondernemingsrechtbank te Gent, afdeling Brugge (rolnummer 8465);

  l’arrêt no 55/2026, rendu le 23 avril 2026, en cause les questions préjudicielles relatives à l’article XX.173, § 2, du Code de droit économique, posées par le tribunal de l’entreprise de Gand, division de Bruges (numéro du rôle 8465) ;

 

  het arrest nr. 56/2026, uitgesproken op 23 april 2026, inzake de prejudiciële vragen betreffende artikel 106, § 1, van het decreet van het Waalse Gewest van 23 juni 2016 houdende wijziging van het Milieuwetboek, van het Waterwetboek en van verscheidene decreten inzake afvalstoffen en milieuvergunning en artikel D.270 van boek II van het Milieuwetboek, dat het Waterwetboek inhoudt, zoals gewijzigd bij artikel 46 van het decreet van het Waalse Gewest van 23 juni 2016 houdende wijziging van het Milieuwetboek, van het Waterwetboek en van verscheidene decreten inzake afvalstoffen en milieuvergunning, gesteld door de vrederechter van het kanton Nijvel en door de ondernemingsrechtbank te Luik, afdeling Verviers (rolnummers 8468 en 8507);

  l’arrêt no 56/2026, rendu le 23 avril 2026, en cause les questions préjudicielles relatives à l’article 106, § 1er, du décret de la Région wallonne du 23 juin 2016 modifiant le Code de l’environnement, le Code de l’eau et divers décrets en matière de déchets et de permis d’environnement et à l’article D.270 du livre II du Code de l’environnement contenant le Code de l’eau, tel que modifié par l’article 46 du décret de la Région wallonne du 23 juin 2016 modifiant le Code de l’environnement, le Code de l’eau et divers décrets en matière de déchets et de permis d’environnement, posées par le juge de paix du canton de Nivelles et par le tribunal de l’entreprise de Liège, division de Verviers (numéros du rôle 8468 et 8507) ;

 

  het arrest nr. 57/2026, uitgesproken op 13 mei 2026, inzake de beroepen tot vernietiging van de artikelen 4, 6º, 7º en 25º, 8, 10, 39, 40 en 41 van de wet van 26 april 2024 houdende de verzekering van de bevoorradingszekerheid op het gebied van energie en de hervorming van de sector van de nucleaire energie, ingesteld door de Université catholique de Louvain en anderen en door de Universiteit Gent en anderen (rolnummers 8377 en 8378);

  l’arrêt no 57/2026, rendu le 13 mai 2026, en cause les recours en annulation des articles 4, 6º, 7º et 25º, 8, 10, 39, 40 et 41 de la loi du 26 avril 2024 portant la garantie de la sécurité d’approvisionnement dans le domaine de l’énergie et la réforme du secteur de l’énergie nucléaire, introduits par l’Université catholique de Louvain et autres et par l’Universiteit Gent et autres (numéros du rôle 8377 et 8378) ;

 

  het arrest nr. 58/2026, uitgesproken op 13 mei 2026, inzake het beroep tot vernietiging van artikel 8 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 20 december 2024 tot wijziging van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, en het Mestdecreet van 22 december 2006, ingesteld door de vzw Belgian Luxembourg mineral Fertilizer and Biostimulant Association (rolnummer 8492);

  l’arrêt no 58/2026, rendu le 13 mai 2026, en cause le recours en annulation de l’article 8 du décret de la Région flamande du 20 décembre 2024 modifiant le décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l’eau, coordonné le 15 juin 2018, et le Décret engrais du 22 décembre 2006, introduit par l’ASBL Belgian Luxembourg mineral Fertilizer and Biostimulant Association (numéro du rôle 8492) ;

 

  het arrest nr. 59/2026, uitgesproken op 13 mei 2026, inzake het beroep tot vernietiging van de artikelen 88 tot 216 van de programmawet van 18 juli 2025, ingesteld door Alain Martin (rolnummer 8630);

  l’arrêt no 59/2026, rendu le 13 mai 2026, en cause le recours en annulation des articles 88 à 216 de la loi‑programme du 18 juillet 2025, introduit par Alain Martin (numéro du rôle 8630) ;

 

  het arrest nr. 60/2026, uitgesproken op 21 mei 2026, inzake de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 139 tot 148 van de programmawet van 27 december 2021, gesteld door de Franstalige arbeidsrechtbank te Brussel (rolnummer 8420);

  l’arrêt no 60/2026, rendu le 21 mai 2026, en cause les questions préjudicielles relatives aux articles 139 à 148 de la loi‑programme du 27 décembre 2021, posées par le tribunal du travail francophone de Bruxelles (numéro du rôle 8420) ;

 

  het arrest nr. 61/2026, uitgesproken op 21 mei 2026, inzake de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 101, 103 en 181 van het Sociaal Strafwetboek en de artikelen 41bis en 43bis van het Strafwetboek, gesteld door de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren‑Borgloon (rolnummer 8461);

  l’arrêt no 61/2026, rendu le 21 mai 2026, en cause les questions préjudicielles relatives aux articles 101, 103 et 181 du Code pénal social et aux articles 41bis et 43bis du Code pénal, posées par le tribunal de première instance du Limbourg, division de Tongres‑Looz (numéro du rôle 8461) ;

 

  het arrest nr. 62/2026, uitgesproken op 21 mei 2026, inzake het beroep tot vernietiging van de artikelen 12 en 13 van het programmadecreet van het Waalse Gewest van 18 december 2024 houdende diverse maatregelen inzake plaatselijke besturen en tewerkstelling, ingesteld door de gemeente Wanze (rolnummer 8467);

  l’arrêt no 62/2026, rendu le 21 mai 2026, en cause le recours en annulation des articles 12 et 13 du décret‑programme de la Région wallonne du 18 décembre 2024 portant des mesures diverses en matière de pouvoirs locaux et d’emploi, introduit par la commune de Wanze (numéro du rôle 8467) ;

 

  het arrest nr. 63/2026, uitgesproken op 21 mei 2026, inzake de prejudiciële vraag betreffende artikel 118, § 3, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, gesteld door de arbeidsrechtbank te Leuven (rolnummer 8478);

  l’arrêt no 63/2026, rendu le 21 mai 2026, en cause la question préjudicielle relative à l’article 118, § 3, de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales, posée par le tribunal du travail de Louvain (numéro du rôle 8478) ;

 

  het arrest nr. 64/2026, uitgesproken op 21 mei 2026, inzake de prejudiciële vragen over de artikelen 62, achtste lid, en 65/1, §§ 1 en 8, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, gesteld door de correctionele rechtbank Henegouwen, afdeling Bergen (rolnummer 8493);

  l’arrêt no 64/2026, rendu le 21 mai 2026, en cause les questions préjudicielles concernant les articles 62, alinéa 8, et 65/1, §§ 1er et 8, de la loi du 16 mars 1968 relative à la police de la circulation routière, posées par le tribunal correctionnel du Hainaut, division de Mons (numéro du rôle 8493) ;

 

  het arrest nr. 65/2026, uitgesproken op 21 mei 2026, inzake de prejudiciële vraag betreffende artikel 16, § 1, eerste lid, van de wet van 24 december 2020 tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus Covid‑19 (II), gesteld door de arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Verviers (rolnummer 8512);

  l’arrêt no 65/2026, rendu le 21 mai 2026, en cause la question préjudicielle relative à l’article 16, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 24 décembre 2020 portant confirmation des arrêtés royaux pris en application de la loi du 27 mars 2020 habilitant le Roi à prendre des mesures de lutte contre la propagation du coronavirus Covid‑19 (II), posée par le tribunal du travail de Liège, division de Verviers (numéro du rôle 8512) ;

 

  het arrest nr. 66/2026, uitgesproken op 21 mei 2026, inzake de beroepen tot vernietiging:

  l’arrêt no 66/2026, rendu le 21 mai 2026, en cause les recours en annulation :

 

            van de wet van 14 juli 2025 [tot wijziging van de] wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wat betreft de behandeling van een volgend verzoek om internationale bescherming, ingesteld door Z.W. en anderen, door C.Z. en anderen, door A. S A H., door A. A A J., door A.N. en anderen en door F.B. en anderen;

            de la loi du 14 juillet 2025 [modifiant la] loi du 15 décembre 1980 sur l’accès au territoire, le séjour, l’établissement et l’éloignement des étrangers en ce qui concerne le traitement d’une demande ultérieure de protection internationale, introduits par Z.W. et autres, par C.Z. et autres, par A. S A H., par A. A A J., par A.N. et autres et par F.B. et autres ;

 

            van de artikelen 2, 4 en 5 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen, ingesteld door Z.W. en anderen, door A. S A H., door A. A A J., door F.B. en anderen, door A.N. en anderen, door C.Z. en anderen, door A. M A R., door R. M M A., door H.Y., door S.J. L.M. en R.J. C.L., door Y.I.S. F., door E.D. M.E. en E.D. M.E., door S.N. M. en door M.S. en A.S (rolnummers 8548, 8549, 8550, 8551, 8552, 8553, 8554, 8555, 8556, 8557, 8558, 8559, 8561, 8562, 8563, 8564, 8565, 8566, 8567 en 8568);

            des articles 2, 4 et 5 de la loi du 14 juillet 2025 modifiant la loi du 12 janvier 2007 sur l’accueil des demandeurs d’asile et de certaines autres catégories d’étrangers, introduits par Z.W. et autres, par A. S A H., par A. A A J., par F.B. et autres, par A.N. et autres, par C.Z. et autres, par A. M A R., par R. M M A., par H.Y., par S.J. L.M. et R.J. C.L., par Y.I.S. F., par E.D. M.E. et E.D. M.E., par S.N. M. et par M.S. et A.S (numéros du rôle 8548, 8549, 8550, 8551, 8552, 8553, 8554, 8555, 8556, 8557, 8558, 8559, 8561, 8562, 8563, 8564, 8565, 8566, 8567 et 8568) ;

 

  het arrest nr. 67/2026, uitgesproken op 21 mei 2026, inzake de prejudiciële vraag over artikel 97, § 1, tweede lid, van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, gesteld door het Hof van Cassatie (rolnummer 8594);

  l’arrêt no 67/2026, rendu le 21 mai 2026, en cause la question préjudicielle concernant l’article 97, § 1er, alinéa 2, de la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d’exécution de la peine, posée par la Cour de cassation (numéro du rôle 8594) ;

 

  het arrest nr. 68/2026, uitgesproken op 28 mei 2026, inzake het beroep tot vernietiging van het decreet van het Waalse Gewest van 14 maart 2024 tot instelling van het Wetboek van het beheer van de ondergrondse rijkdommen, ingesteld door de vzw Bürgerinitiative für Habitat- und Umweltschutz en anderen (rolnummer 8419);

  l’arrêt no 68/2026, rendu le 28 mai 2026, en cause le recours en annulation du décret de la Région wallonne du 14 mars 2024 instituant le Code de la gestion des ressources du sous‑sol, introduit par l’ASBL Bürgerinitiative für Habitat- und Umweltschutz et autres (numéro du rôle 8419) ;

 

  het arrest nr. 69/2026, uitgesproken op 28 mei 2026, inzake de prejudiciële vraag betreffende artikel 2.3.6.0.1, § 1, eerste lid, 6º, van de Vlaamse Codex fiscaliteit van 13 december 2013, gesteld door het hof van beroep te Gent (rolnummer 8452);

  l’arrêt no 69/2026, rendu le 28 mai 2026, en cause la question préjudicielle relative à l’article 2.3.6.0.1, § 1er, alinéa 1er, 6º, du Code flamand de la fiscalité du 13 décembre 2013, posée par la cour d’appel de Gand (numéro du rôle 8452) ;

 

  het arrest nr. 70/2026, uitgesproken op 28 mei 2026, inzake de prejudiciële vragen betreffende artikel 6 van de ordonnantie van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 25 april 2019 tot regeling van de toekenning van gezinsbijslag, gesteld door de Franstalige arbeidsrechtbank te Brussel (rolnummer 8464);

  l’arrêt no 70/2026, rendu le 28 mai 2026, en cause les questions préjudicielles relatives à l’article 6 de l’ordonnance de la Commission communautaire commune du 25 avril 2019 réglant l’octroi des prestations familiales, posées par le tribunal du travail francophone de Bruxelles (numéro du rôle 8464) ;

 

  het arrest nr. 71/2026, uitgesproken op 28 mei 2026, inzake de prejudiciële vragen over artikel 142, § 1, van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, zoals van toepassing tot 1 oktober 2013, en artikel V.164, § 1, van de Vlaamse Codex Hoger Onderwijs, zoals van toepassing sinds 1 oktober 2013 en in de versie die van kracht was tot 1 april 2024, gesteld door de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel (rolnummer 8525);

  l’arrêt no 71/2026, rendu le 28 mai 2026, en cause les questions préjudicielles concernant l’article 142, § 1er, du décret de la Communauté flamande du 13 juillet 1994 relatif aux instituts supérieurs en Communauté flamande, tel qu’il était d’application jusqu’au 1er octobre 2013, et l’article V.164, § 1er, du Code flamand de l’enseignement supérieur, tel qu’il était d’application depuis le 1er octobre 2013 et dans sa version en vigueur jusqu’au 1er avril 2024, posées par le tribunal de première instance néerlandophone de Bruxelles (numéro du rôle 8525) ;

 

  het arrest nr. 72/2026, uitgesproken op 18 juni 2026, inzake het beroep tot vernietiging van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 25 april 2024 over de opwaardering en de occasionele opening voor het publiek van uitzonderlijke goederen, ingesteld door de nv Compagnie Immobilière S.A.S. (rolnummer 8355);

  l’arrêt no 72/2026, rendu le 18 juin 2026, en cause le recours en annulation de l’ordonnance de la Région de Bruxelles‑Capitale du 25 avril 2024 relative à la valorisation et à l’ouverture occasionnelle au public des biens exceptionnels, introduit par la SA Compagnie Immobilière S.A.S. (numéro du rôle 8355) ;

 

  het arrest nr. 73/2026, uitgesproken op 18 juni 2026, inzake de prejudiciële vragen over de artikelen 51/5, 51/8, 51/10, 57/1, § 3, eerste lid, 57/5ter, § 1, 57/6/7, § 4, eerste lid, en 57/24, eerste lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gesteld door de Raad van State (rolnummer 8448 en 8449);

  l’arrêt no 73/2026, rendu le 18 juin 2026, en cause les questions préjudicielles relatives aux articles 51/5, 51/8, 51/10, 57/1, § 3, alinéa 1er, 57/5ter, § 1er, 57/6/7, § 4, alinéa 1er, et 57/24, alinéa 1er, de la loi du 15 décembre 1980 sur l’accès au territoire, le séjour, l’établissement et l’éloignement des étrangers, posées par le Conseil d’État (numéros du rôle 8448 et 8449) ;

 

  het arrest nr. 74/2026, uitgesproken op 18 juni 2026, inzake de prejudiciële vraag betreffende artikel 275/5, § 2, 1º, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals van toepassing voor het aanslagjaar 2018, gesteld door het hof van beroep te Antwerpen (rolnummer 8508);

  l’arrêt no 74/2026, rendu le 18 juin 2026, en cause la question préjudicielle relative à l’article 275/5, § 2, 1º, du Code des impôts sur les revenus 1992, tel qu’il était applicable pour l’exercice d’imposition 2018, posée par la cour d’appel d’Anvers (numéro du rôle 8508) ;

 

  het arrest nr. 75/2026, uitgesproken op 18 juni 2026, inzake de prejudiciële vraag betreffende artikel 2223 van het oud Burgerlijk Wetboek, gesteld door de vrederechter van het tweede kanton Charleroi (rolnummer 8518);

  l’arrêt no 75/2026, rendu le 18 juin 2026, en cause la question préjudicielle relative à l’article 2223 de l’ancien Code civil, posée par le juge de paix du deuxième canton de Charleroi (numéro du rôle 8518) ;

 

  het arrest nr. 76/2026, uitgesproken op 18 juni 2026, inzake het beroep tot vernietiging van de artikelen 38 en 39 van de programmawet van 18 juli 2025, ingesteld door de bv Bloom Tax FL (rolnummer 8523);

  l’arrêt no 76/2026, rendu le 18 juin 2026, en cause le recours en annulation des articles 38 et 39 de la loi‑programme du 18 juillet 2025, introduit par la SRL Bloom Tax FL (numéro du rôle 8523) ;

 

  het arrest nr. 77/2026, uitgesproken op 18 juni 2026, inzake de prejudiciële vraag over artikel 5 van de wet van 30 juli 2013 betreffende de verkoop van toegangsbewijzen tot evenementen, gesteld door het Hof van Cassatie (rolnummer 8536);

  l’arrêt no 77/2026, rendu le 18 juin 2026, en cause la question préjudicielle concernant l’article 5 de la loi du 30 juillet 2013 relative à la revente de titres d’accès à des événements, posée par la Cour de cassation (numéro du rôle 8536) ;

 

  het arrest nr. 78/2026, uitgesproken op 25 juni 2026, inzake het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 10 maart 2024 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wat betreft de aanvraag om toelating tot verblijf wegens staatloosheid, ingesteld door de vzw Nansen en anderen (rolnummer 8436);

  l’arrêt no 78/2026, rendu le 25 juin 2026, en cause le recours en annulation partielle de la loi du 10 mars 2024 modifiant la loi du 15 décembre 1980 sur l’accès au territoire, le séjour, l’établissement et l’éloignement des étrangers concernant la demande d’admission au séjour pour apatridie, introduit par l’ASBL Nansen et autres (numéro du rôle 8436) ;

 

  het arrest nr. 79/2026, uitgesproken op 25 juni 2026, inzake het beroep tot vernietiging van het programmadecreet van de Franse Gemeenschap van 11 december 2024 houdende diverse bepalingen betreffende onderwijs, schoolgebouwen, onderzoek en cultuur, ingesteld door de vzw Centre d’accueil et d’information jeunesse de Bruxelles en anderen (rolnummer 8459);

  l’arrêt no 79/2026, rendu le 25 juin 2026, en cause le recours en annulation du décret‑programme de la Communauté française du 11 décembre 2024 portant diverses dispositions relatives à l’enseignement, aux bâtiments scolaires, à la recherche et à la culture, introduit par l’ASBL Centre d’accueil et d’information jeunesse de Bruxelles et autres (numéro du rôle 8459) ;

 

  het arrest nr. 80/2026, uitgesproken op 25 juni 2026, inzake het beroep tot vernietiging van de artikelen 53 en 67 van het programmadecreet van de Franse Gemeenschap van 11 december 2024 houdende diverse bepalingen betreffende Onderwijs, Schoolgebouwen, Onderzoek en Cultuur, ingesteld door de vzw Fédération des étudiants francophones (rolnummer 8462);

  l’arrêt no 80/2026, rendu le 25 juin 2026, en cause le recours en annulation des articles 53 et 67 du décret‑programme de la Communauté française du 11 décembre 2024 portant diverses dispositions relatives à l’Enseignement, aux Bâtiments scolaires, à la Recherche et à la Culture, introduit par l’ASBL Fédération des étudiants francophones (numéro du rôle 8462) ;

 

  het arrest nr. 81/2026, uitgesproken op 25 juni 2026, inzake de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 7, 3º, 28, 30, 31, § 4, en 47 van de wet van 27 april 2018 op de politie van de spoorwegen, gesteld door de politierechtbank West‑Vlaanderen, afdeling Kortrijk (rolnummers 6847 en 8648).

  l’arrêt no 81/2026, rendu le 25 juin 2026, en cause les questions préjudicielles relatives aux articles 7, 3º, 28, 30, 31, § 4, et 47 de la loi du 27 avril 2018 sur la police des chemins de fer, posées par le tribunal de police de Flandre occidentale, division de Courtrai (numéros du rôle 8647 en 8648).

 

  Voor kennisgeving aangenomen.

  Pris pour notification.

 

Grondwettelijk Hof – Prejudiciële vragen

Cour constitutionnelle – Questions préjudicielles

 

Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, geeft de griffier van het Grondwettelijk Hof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:

En application de l’article 77 de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour constitutionnelle, le greffier de la Cour constitutionnelle notifie au président du Sénat :

 

  de prejudiciële vraag betreffende artikel 345, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek, gesteld door de familierechtbank van de rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen (rolnummer 8646);

  la question préjudicielle relative à l’article 345, alinéa 2, de l’ancien Code civil, posée par le tribunal de la famille du tribunal de première instance de Namur, division de Namur (numéro du rôle 8646) ;

 

  de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 7, 3º, 28, 30, 31, § 4, en 47 van de wet van 27 april 2018 op de politie van de spoorwegen, gesteld door de politierechtbank West‑Vlaanderen, afdeling Kortrijk (rolnummers 8647 en 8648, samengevoegde zaken);

  les questions préjudicielles relatives aux articles 7, 3º, 28, 30, 31, § 4, et 47 de la loi du 27 avril 2018 sur la police des chemins de fer, posées par le tribunal de police de Flandre occidentale, division de Courtrai (numéros du rôle 8647 et 8648, affaires jointes) ;

 

  de prejudiciële vraag betreffende artikel 8, § 3, 3º, van de algemene wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen, en de bijlage waarnaar wordt verwezen, in het bijzonder onder punt V, in samenhang gelezen met artikel 3, eerste lid, laatste zin, van de wet van 14 april 1965 tot vaststelling van een zeker verband tussen de onderscheiden pensioenregelingen van de openbare sector, gesteld door de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel (rolnummer 8650);

  la question préjudicielle relative à l’article 8, § 3, 3º, de la loi générale du 21 juillet 1844 sur les pensions civiles et ecclésiastiques, et l’annexe auquel cette disposition renvoie, notamment sous le point V, lus en combinaison avec l’article 3, alinéa 1er, dernière phrase, de la loi du 14 avril 1965 établissant certaines relations entre les divers régimes de pensions du secteur public, posée par le tribunal de première instance néerlandophone de Bruxelles (numéro du rôle 8650) ;

 

  de prejudiciële vraag betreffende artikel 1675/9, §§ 2 en 3, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Franstalige arbeidsrechtbank te Brussel (rolnummer 8651);

  la question préjudicielle relative à l’article 1675/9, §§ 2 et 3, du Code judiciaire, posée par le tribunal du travail francophone de Bruxelles (numéro du rôle 8651) ;

 

  de prejudiciële vraag betreffende artikel 915bis, § 3, van het oud Burgerlijk Wetboek, gesteld door het hof van beroep te Antwerpen (rolnummer 8652);

  la question préjudicielle relative à l’article 915bis, § 3, de l’ancien Code civil, posée par la cour d’appel d’Anvers (numéro du rôle 8652) ;

 

  de prejudiciële vragen betreffende artikel 15, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen en artikel 2249, eerste lid, van het oud Burgerlijk Wetboek, gesteld door het arbeidshof te Luik, afdeling Luik (rolnummer 8655);

  les questions préjudicielles relatives à l’article 15, § 1er, alinéa 3, de l’arrêté royal no 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants et à l’article 2249, alinéa 1er, de l’ancien Code civil, posées par la cour du travail de Liège, division de Liège (numéro du rôle 8655) ;

 

  de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 1675/9, § 3, 1675/14, § 2, en 1675/15bis, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de arbeidsrechtbank Antwerpen, afdeling Tongeren‑Borgloon (rolnummer 8656);

  les questions préjudicielles relatives aux articles 1675/9, § 3, 1675/14, § 2, et 1675/15bis, § 1er, du Code judiciaire, posées par le tribunal du travail d’Anvers, division de Tongres‑Looz (numéro du rôle 8656) ;

 

  de prejudiciële vraag over artikel 6, tweede lid, van het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 23 april 2018 betreffende de gezinsbijslagen, gesteld door de arbeidsrechtbank te Eupen (rolnummer 8657);

  la question préjudicielle concernant l’article 6, alinéa 2, du décret de la Communauté germanophone du 23 avril 2018 relatif aux prestations familiales, posée par le tribunal du travail d’Eupen (numéro du rôle 8657) ;

 

  de prejudiciële vraag betreffende artikel 1404, in samenhang gelezen met de artikelen 19, derde lid, en 1050, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de beslagrechter van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen (rolnummer 8658);

  la question préjudicielle relative à l’article 1404, lu en combinaison avec les articles 19, alinéa 3, et 1050, alinéa 2, du Code judiciaire, posée par le juge des saisies du tribunal de première instance d’Anvers, division d’Anvers (numéro du rôle 8658) ;

 

  de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 172, 174 en 203 van het Wetboek van strafvordering en de artikelen 792 en 780/1 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Luik (rolnummer 8659);

  les questions préjudicielles relatives aux articles 172, 174 et 203 du Code d’instruction criminelle et aux articles 792 et 780/1 du Code judiciaire, posées par le tribunal de première instance de Liège, division de Liège (numéro du rôle 8659) ;

 

  de prejudiciële vraag betreffende artikel 233, § 3, van het Sociaal Strafwetboek, gesteld door de rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Luik (rolnummer 8660);

  la question préjudicielle relative à l’article 233, § 3, du Code pénal social, posée par le tribunal de première instance de Liège, division de Liège (numéro du rôle 8660) ;

 

  de prejudiciële vraag over de artikelen 1 en 2 van de wet van 25 augustus 1885 die de wetgeving betreffende de koopvernietigende gebreken herziet, in samenhang gelezen met de uitvoeringsbesluiten, gesteld door het hof van beroep te Antwerpen (rolnummer 8664);

  la question préjudicielle relative aux articles 1er et 2 de la loi du 25 août 1885 portant révision de la législation en matière de vices rédhibitoires, lus en combinaison avec les arrêtés d’exécution, posée par la cour d’appel d’Anvers (numéro du rôle 8664) ;

 

  de prejudiciële vragen betreffende artikel 20, vijfde lid, van de wet van 24 oktober 2011 tot vrijwaring van een duurzame financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid en houdende diverse wijzigingsbepalingen, gesteld door de rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Bergen (rolnummers 8665 en 8671, samengevoegde zaken);

  les questions préjudicielles relatives à l’article 20, alinéa 5, de la loi du 24 octobre 2011 assurant un financement pérenne des pensions des membres du personnel nommé à titre définitif des administrations provinciales et locales et des zones de police locale et modifiant la loi du 6 mai 2002 portant création du fonds des pensions de la police intégrée et portant des dispositions particulières en matière de sécurité sociale et contenant diverses dispositions modificatives, posées par le tribunal de première instance du Hainaut, division de Mons (numéros du rôle 8665 et 8671, affaires jointes) ;

 

  de prejudiciële vraag betreffende artikel 12bis, § 1, 2º, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit, gesteld door de rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen (rolnummer 8667);

  la question préjudicielle relative à l’article 12bis, § 1er, 2º, du Code de la nationalité belge, posée par le tribunal de première instance de Namur, division de Namur (numéro du rôle 8667) ;

 

  de beroepen tot gedeeltelijk vernietiging van de wet van 18 december 2025 houdende diverse bepalingen, ingesteld door Davis Lanssens, door de vzw Nationaal Eigenaars en Mede‑Eigenaars syndicaat en Thierry Timmermans, door de vzw Nationaal Eigenaars en Mede‑Eigenaars syndicaat en anderen, door Kurt Debruyne, door Ward Bartholomees en door Yagan Hokas (rolnummers 8670, 8688, 8692, 8696, 8709 en 8713, samengevoegde zaken);

  les recours en annulation partielle de la loi du 18 décembre 2025 portant des dispositions diverses, introduits par Davis Lanssens, par l’ASBL Syndicat national des propriétaires et copropriétaires et Thierry Timmermans, par l’ASBL Syndicat national des propriétaires et copropriétaires et autres, par Kurt Debruyne, par Ward Bartholomees et par Yagan Hokas (numéros du rôle 8670, 8688, 8692, 8696, 8709 en 8713, affaires jointes) ;

 

  de beroepen tot vernietiging van de artikelen 103, 105, 108, 109 en 110 van de wet van 18 december 2025 houdende diverse bepalingen, ingesteld door Milan Pottillius en door Matthias Dobbelaere‑Welvaert en door de private stichting Ministry of Privacy (rolnummers 8674 en 8707, samengevoegde zaken);

  les recours en annulation des articles 103, 105, 108, 109 et 110 de la loi du 18 décembre 2025 portant des dispositions diverses, introduits par Milan Pottillius et par Matthias Dobbelaere‑Welvaert et la fondation privée Ministry of Privacy (numéros du rôle 8674 et 8707, affaires jointes) ;

 

  de prejudiciële vragen over artikel 4, § 1, vijfde lid, van het decreet van het Waalse Gewest van 8 februari 2018 betreffende het beheer en de betaling van de gezinsbijslagen, gesteld door de arbeidsrechtbank Waals Brabant (rolnummer 8675);

  les questions préjudicielles concernant l’article 4, § 1er, alinéa 5, du décret de la Région wallonne du 8 février 2018 relatif à la gestion et au paiement des prestations familiales, posées par le tribunal du travail du Brabant wallon (numéro du rôle 8675) ;

 

  de prejudiciële vraag betreffende bijlage 4 van het Waalse Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie (negende lid, 4º, en tiende lid) (“Regels van toepassing inzake de bezoldiging van de lokale leidinggevende functie”), zoals ingevoegd bij artikel 82 van het decreet van 29 maart 2018 tot wijziging van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisering met het oog op een sterker bestuur en een sterkere transparantie in de uitvoering van de openbare mandaten in de lokale en bovenlokale structuren en hun filialen, gesteld door de Raad van State (rolnummer 8676);

  la question préjudicielle relative à l’annexe 4 du Code wallon de la démocratie locale et de la décentralisation (alinéa 9, 4º, et alinéa 10) (« Règles applicables en matière de rémunération de la fonction dirigeante locale »), telle qu’elle a été insérée par l’article 82 du décret du 29 mars 2018 modifiant le Code de la démocratie locale et de la décentralisation en vue de renforcer la gouvernance et la transparence dans l’exécution des mandats publics au sein des structures locales et supra‑locales et de leurs filiales, posée par le Conseil d’État (numéro du rôle 8676) ;

 

  de prejudiciële vragen betreffende artikel 5 van het decreet van het Waalse Gewest van 16 juli 2015 tot invoering van een kilometerheffing voor het wegengebruik door zware vrachtwagens, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij artikel 5 van het decreet van het Waalse Gewest van 9 juli 2025 tot wijziging van het decreet van 16 juli 2015 tot invoering van een kilometerheffing voor het wegengebruik door zware vrachtwagens, gesteld door het hof van beroep te Luik (rolnummer 8678);

  les questions préjudicielles relatives à l’article 5 du décret de la Région wallonne du 16 juillet 2015 instaurant un prélèvement kilométrique à charge des poids lourds pour l’utilisation des routes, tel qu’il était applicable avant sa modification par l’article 5 du décret de la Région wallonne du 9 juillet 2025 modifiant le décret du 16 juillet 2015 instaurant un prélèvement kilométrique à charge des poids lourds pour l’utilisation des routes, posées par la cour d’appel de Liège (numéro du rôle 8678) ;

 

  de beroepen tot vernietiging van de artikelen 142, 143, 144 en 145 van de wet van 18 december 2025 houdende diverse bepalingen, ingesteld door de steden Andenne en Hoei, door de stad Genk en anderen, door de vzw Santhea en anderen, door de stad Bergen, door de stad La Louvière en het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van La Louvière en door de gemeenten Elsene en Sint‑Lambrechts‑Woluwe (rolnummers 8680, 8684, 8691, 8700, 8710 en 8714, samengevoegde zaken);

  les recours en annulation des articles 142, 143, 144 et 145 de la loi du 18 décembre 2025 portant des dispositions diverses, introduits par les villes d’Andenne et de Huy, par la ville de Genk et autres, par l’ASBL Santhea et autres, par la ville de Mons, par la ville de La Louvière et le centre public d’action sociale de La Louvière et par les communes d’Ixelles et de Woluwe‑Saint‑Lambert (numéros du rôle 8680, 8684, 8691, 8700, 8710 et 8714, affaires jointes) ;

 

  de prejudiciële vraag betreffende artikel 203, § 1, van het Wetboek van strafvordering, gesteld door het hof van beroep te Bergen (rolnummer 8681);

  la question préjudicielle relative à l’article 203, § 1er, du Code d’instruction criminelle, posée par la cour d’appel de Mons (numéro du rôle 8681) ;

 

  de beroepen tot vernietiging van de artikelen 11 en 12 van de wet van 25 november 2025 houdende diverse bepalingen inzake gezondheid, ingesteld door de vzw Belgian Acupunctors Federation en anderen en door de vzw Union belge des chiropractors – Belgische Vereniging van chiropractors en anderen (rolnummers 8694 en 8706, samengevoegde zaken);

  les recours en annulation des articles 11 et 12 de la loi du 25 novembre 2025 portant des dispositions diverses en matière de santé, introduits par l’ASBL Belgian Acupunctors Federation et autres et par l’ASBL Union belge des chiropractors – Belgische Vereniging van chiropractors et autres (numéros du rôle 8694 et 8706, affaires jointes) ;

 

  de beroepen tot vernietiging van de artikelen 19, 21 en 83 van het programmadecreet van het Waalse Gewest van 19 december 2025 houdende diverse begrotingsmaatregelen, ingesteld door de stad Andenne en anderen en door de steden Gembloux en Namen (rolnummers 8698 en 8699, samengevoegde zaken);

  les recours en annulation des articles 19, 21 et 83 du décret‑programme de la Région wallonne du 19 décembre 2025 portant diverses mesures budgétaires, introduits par la ville d’Andenne et autres et par les villes de Gembloux et Namur (numéros du rôle 8698 et 8699, affaires jointes) ;

 

  de prejudiciële vraag betreffende de artikelen II.260 en II.283 van de Vlaamse Codex hoger onderwijs, gecoördineerd bij besluit van de Vlaamse Regering van 11 oktober 2013 tot codificatie van de decretale bepalingen betreffende het hoger onderwijs, en artikel II.21 van het Vlaamse Bestuursdecreet van 7 december 2018, gesteld door de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen (rolnummer 8702);

  la question préjudicielle relative aux articles II.260 et II.283 du Code flamand de l’enseignement supérieur, coordonné par l’arrêté du Gouvernement flamand du 11 octobre 2013 portant codification des dispositions décrétales relatives à l’enseignement supérieur, et à l’article II.21 du décret flamand de gouvernance du 7 décembre 2018, posée par le Conseil pour les contestations relatives aux décisions sur la progression des études (numéro du rôle 8702) ;

 

  het beroep tot vernietiging van de artikelen 105 en 106 van het Vlaamse programmadecreet van 19 december 2025 bij de begroting 2026, ingesteld door de Vrije Universiteit Brussel (rolnummer 8705);

  le recours en annulation des articles 105 et 106 du décret‑programme flamand du 19 décembre 2025 accompagnant le budget 2026, introduit par la Vrije Universiteit Brussel (numéro du rôle 8705) ;

 

  het beroep tot vernietiging van de artikelen 12 en 14 van de wet van 18 december 2025 houdende diverse bepalingen, ingesteld door Peter Vanhopplinus (rolnummer 8708);

  le recours en annulation des articles 12 et 14 de la loi du 18 décembre 2025 portant des dispositions diverses, introduit par Peter Vanhopplinus (numéro du rôle 8708) ;

 

  het beroep tot vernietiging van artikel 8 van de wet van 30 mei 2026 tot omzetting van richtlijn (EU) 2024/1069 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 betreffende bescherming van bij publieke participatie betrokken personen tegen kennelijk ongegronde vorderingen of misbruik van procesrecht (“strategische rechtszaken tegen publieke participatie”), ingesteld door André Didden en anderen (rolnummer 8711);

  le recours en annulation de l’article 8 de la loi du 30 mai 2026 transposant la directive (UE) 2024/1069 du Parlement européen et du Conseil du 11 avril 2024 sur la protection des personnes qui participent au débat public contre les demandes en justice manifestement infondées ou les procédures judiciaires abusives (« poursuites stratégiques altérant le débat public »), introduit par André Didden et autres (numéro du rôle 8711) ;

 

  de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van het Vlaamse programmadecreet van 19 december 2025 bij de begroting 2026, ingesteld door Marc Paeleman en anderen en door de nv Abacus Invest en anderen (rolnummers 8712 en 8716, samengevoegde zaken);

  les recours en annulation partielle du décret‑programme flamand du 19 décembre 2025 accompagnant le budget 2026, introduits par Marc Paeleman et autres et par la SA Abacus Invest et autres (numéros du rôle 8712 et 8716, affaires jointes) ;

 

  het beroep tot vernietiging van artikel 25, 2º van het decreet van het Waalse Gewest van 19 december 2025 houdende diverse bepalingen inzake energie, ingesteld door de vzw Federatie van de Belgische Elektriciteits- en Gasbedrijven (rolnummer 8718);

  le recours en annulation de l’article 25, 2º, du décret de la Région wallonne du 19 décembre 2025 portant dispositions diverses en matière d’énergie, introduit par l’ASBL Fédération Belge des entreprises électriques et gazières (numéro du rôle 8718) ;

 

  het beroep tot vernietiging van artikel 91, § 3, van het Vlaamse decreet van 19 december 2025 houdende de uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2026, ingesteld door de gemeente Asse en anderen (rolnummer 8721).

  le recours en annulation de l’article 91, § 3, du décret flamand du 19 décembre 2025 contenant le budget des dépenses de la Communauté flamande pour l’année budgétaire 2026, introduit par la commune d’Asse et autres (numéro du rôle 8721).

 

  Voor kennisgeving aangenomen.

  Pris pour notification.

 

Grondwettelijk Hof – Beroepen

Cour constitutionnelle – Recours

 

Met toepassing van artikel 76 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, geeft de griffier van het Grondwettelijk Hof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

En application de l’article 76 de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour constitutionnelle, le greffier de la Cour constitutionnelle notifie au président du Sénat :

 

  de beroepen tot vernietiging van de artikelen 69, 3º, 82, 83 en 103 van het programmadecreet van de Franse Gemeenschap van 17 december 2025 houdende diverse bepalingen met betrekking tot onderwijs, infrastructuren, universitaire ziekenhuizen, cultuur, wetenschappelijk onderzoek, kind, justitiehuizen, jeugd en begrotingsfondsen, ingesteld door de vzw Fédération des employeurs des secteurs de l’éducation permanente et de la formation des adultes en door de vzw Institut Emile Vandervelde en de vzw Centre d’études Jacques Georgin (rolnummers 8649 en 8654, samengevoegde zaken);

  les recours en annulation des articles 69, 3º, 82, 83 et 103 du décret‑programme de la Communauté française du 17 décembre 2025 portant diverses dispositions relatives à l’enseignement, aux infrastructures, aux hôpitaux universitaires, à la culture, à la recherche scientifique, à l’enfance, aux maisons de justice, à la jeunesse et aux fonds budgétaires, introduits par l’ASBL Fédération des employeurs des secteurs de l’éducation permanente et de la formation des adultes et par l’ASBL Institut Emile Vandervelde et l’ASBL Centre d’études Jacques Georgin (numéros du rôle 8649 et 8654, affaires jointes) ;

 

  het beroep tot vernietiging en de vordering tot schorsing van de artikelen 69, 3º, 82, 83 en 103 van het programmadecreet van de Franse Gemeenschap van 17 december 2025 houdende diverse bepalingen met betrekking tot onderwijs, infrastructuren, universitaire ziekenhuizen, cultuur, wetenschappelijk onderzoek, kind, justitiehuizen, jeugd en begrotingsfondsen, ingesteld door Franz Andre (rolnummer 8653);

  le recours en annulation et la demande de suspension des articles 69, 3º, 82, 83 et 103 du décret‑programme de la Communauté française du 17 décembre 2025 portant diverses dispositions relatives à l’enseignement, aux infrastructures, aux hôpitaux universitaires, à la culture, à la recherche scientifique, à l’enfance, aux maisons de justice, à la jeunesse et aux fonds budgétaires, introduit par Franz Andre (numéro du rôle 8653) ;

 

  de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 6 april 2026 tot invoering van een belasting op meerwaarden op financiële activa, ingesteld door Jérémy Ransy en door Philippe Renier (rolnummers 8663 en 8682, samengevoegde zaken);

  les recours en annulation totale ou partielle de la loi du 6 avril 2026 introduisant un impôt sur les plus‑values sur les actifs financiers, introduits par Jérémy Ransy et par Philippe Renier (numéros du rôle 8663 et 8682, affaires jointes) ;

 

  het beroep tot vernietiging van de artikelen 67 en 90, vierde lid, van de wet van 18 december 2025 houdende diverse bepalingen, ingesteld door Jitte Akkermans en Johan Van de Voorde (rolnummer 8666);

  le recours en annulation des articles 67 et 90, alinéa 4, de la loi du 18 décembre 2025 portant des dispositions diverses, introduit par Jitte Akkermans et Johan Van de Voorde (numéro du rôle 8666) ;

 

  het beroep tot vernietiging van het decreet van het Waalse Gewest van 13 november 2025 tot wijziging van het Wetboek van de plaatselijke democratie en decentralisatie, teneinde de personeelsleden op het vlak van bevordering op gelijke voet te plaatsen, ingesteld door Olivier Charlier (rolnummer 8668);

  le recours en annulation du décret de la Région wallonne du 13 novembre 2025 modifiant le Code de la démocratie locale et de la décentralisation en vue de mettre sur pied d’égalité les membres du personnel en termes de promotion, introduit par Olivier Charlier (numéro du rôle 8668) ;

 

  het beroep tot vernietiging en de vordering tot schorsing van de artikelen 35 en 36 van het samenwerkingsakkoord van 9 februari 2026 betreffende het kader voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor bepaalde afvalstromen en voor zwerfvuil, goedgekeurd bij het decreet van het Vlaamse Gewest van 27 maart 2026 tot instemming met het samenwerkingsakkoord van 9 februari 2026 tussen het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende het kader voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor bepaalde afvalstromen en voor zwerfvuil, bij het decreet van het Waalse Gewest van 12 maart 2026 tot instemming met het samenwerkingsakkoord van 9 februari 2026 tussen het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende het kader voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor bepaalde afvalstromen en voor zwerfvuil en bij de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 19 maart 2026 houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 9 februari 2026 betreffende het kader voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor bepaalde afvalstromen en voor zwerfvuil en houdende wijziging van de ordonnantie van 12 december 1991 houdende oprichting van begrotingsfondsen, ingesteld door de vzw Fost Plus (rolnummer 8669);

  le recours en annulation et la demande de suspension des articles 35 et 36 de l’accord de coopération du 9 février 2026 concernant le cadre de la responsabilité élargie des producteurs pour certains flux de déchets et pour les déchets sauvages, approuvé par le décret de la Région flamande du 27 mars 2026 portant assentiment à l’accord de coopération du 9 février 2026 entre la Région flamande, la Région wallonne et la Région de Bruxelles‑Capitale concernant le cadre de la responsabilité élargie des producteurs pour certains flux de déchets et pour les déchets sauvages, par le décret de la Région wallonne du 12 mars 2026 portant assentiment à l’Accord de coopération du 9 février 2026 entre la Région flamande, la Région wallonne et la Région de Bruxelles‑Capitale concernant le cadre de la responsabilité élargie des producteurs pour certains flux de déchets et pour les déchets sauvages et par l’ordonnance de la Région de Bruxelles‑Capitale du 19 mars 2026 portant assentiment à l’accord de coopération du 9 février 2026 concernant le cadre de la responsabilité élargie des producteurs pour certains flux de déchets et pour les déchets sauvages et portant modification de l’ordonnance du 12 décembre 1991 créant des fonds budgétaires, introduits par l’ASBL Fost Plus (numéro du rôle 8669) ;

 

  het beroep tot vernietiging van artikel 2 van de wet van 18 december 2025 houdende diverse bepalingen, ingesteld door Davis Lanssens (rolnummer 8670);

  le recours en annulation de l’article 2 de la loi du 18 décembre 2025 portant des dispositions diverses, introduit par Davis Lanssens (numéro du rôle 8670) ;

 

  het beroep tot vernietiging van artikel 3 van het programmadecreet van het Waalse Gewest van 26 maart 2026 houdende verschillende maatregelen inzake begroting en boekhouding, dierenwelzijn, plaatselijke besturen, ruimtelijke ordening, mobiliteit, economie, werk, opleiding, milieu, klimaat, toerisme, erfgoed, landbouw en landelijke aangelegenheden (wijziging van artikel 1quater, eerste lid, van de jachtwet van 28 februari 1882), ingesteld door de vzw Ligue royale belge pour la protection des oiseaux (rolnummer 8673);

  le recours en annulation de l’article 3 du décret‑programme de la Région wallonne du 26 mars 2026 portant des mesures diverses en matière de budget et de comptabilité, de bien‑être animal, de pouvoirs locaux, d’aménagement du territoire, de mobilité, d’économie, d’emploi, de formation, d’environnement, de climat, de tourisme, de patrimoine et d’agriculture et de ruralité (modification de l’article 1erquater, alinéa 1er, de la loi du 28 février 1882 sur la chasse), introduit par l’ASBL Ligue royale belge pour la protection des oiseaux (numéro du rôle 8673) ;

 

  het beroep tot vernietiging van de artikelen 103, 105, 108, 109 en 110 van de wet van 18 december 2025 houdende diverse bepalingen, ingesteld door Milan Pottillius (rolnummer 8674);

  le recours en annulation des articles 103, 105, 108, 109 et 110 de la loi du 18 décembre 2025 portant des dispositions diverses, introduit par Milan Pottillius (numéro du rôle 8674) ;

 

  het beroep tot vernietiging van de artikelen 25 tot 37, 71 en 72 van het programmadecreet van het Waalse Gewest van 19 december 2025 houdende diverse begrotingsmaatregelen, ingesteld door de stad Chiny en de gemeente Hotton (rolnummer 8677);

  le recours en annulation des articles 25 à 37, 71 et 72 du décret‑programme de la Région wallonne du 19 décembre 2025 portant diverses mesures budgétaires, introduit par la ville de Chiny et la commune de Hotton (numéro du rôle 8677) ;

 

  het beroep tot vernietiging van de artikelen 51 tot 56, 67 en 74 van het programmadecreet van het Waalse Gewest van 19 december 2025 houdende diverse begrotingsmaatregelen, ingesteld door de gemeente Wanze en anderen (rolnummer 8683);

  le recours en annulation des articles 51 à 56, 67 et 74 du décret‑programme de la Région wallonne du 19 décembre 2025 portant diverses mesures budgétaires, introduit par la commune de Wanze et autres (numéro du rôle 8683) ;

 

  het beroep tot vernietiging van artikel 5 van de wet van 25 november 2025 houdende diverse bepalingen inzake gezondheid, ingesteld door de vzw Union professionnelle des psychologues – Beroepsunie voor psychologen en anderen (rolnummer 8697).

  le recours en annulation de l’article 5 de la loi du 25 novembre 2025 portant des dispositions diverses en matière de santé, introduit par l’ASBL Union professionnelle des psychologues – Beroepsunie voor psychologen et autres (numéro du rôle 8697).

 

  Voor kennisgeving aangenomen.

  Pris pour notification.

 

Hoven van beroep

Cours d’appel

 

Bij brief van 7 april 2026 zendt de eerste voorzitter van het hof van beroep te Antwerpen, overeenkomstig artikel 340, § 3, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag 2025 van het hof van beroep te Antwerpen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 2 april 2026.

Par lettre du 7 avril 2026, le premier président de la cour d’appel d’Anvers transmet au Sénat, conformément à l’article 340, § 3, alinéa 5, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2025 de la cour d’appel d’Anvers, approuvé lors de l’assemblée générale du 2 avril 2026.

 

Bij brief van 29 mei 2026 zendt de eerste voorzitster van het hof van beroep te Brussel, overeenkomstig artikel 340, § 3, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag 2025 van het hof van beroep te Brussel, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 27 mei 2026.

Par lettre du 29 mai 2026, la première présidente de la cour d’appel de Bruxelles transmet au Sénat, conformément à l’article 340, § 3, alinéa 5, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2025 de la cour d’appel de Bruxelles, approuvé lors de l’assemblée générale du 27 mai 2026.

 

Bij brief van 20 mei 2026 zendt de eerste voorzitter van het hof van beroep te Gent, overeenkomstig artikel 340, § 3, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag 2025 van het hof van beroep te Gent, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 18 mei 2026.

Par lettre du 20 mai 2026, le premier président de la cour d’appel de Gand transmet au Sénat, conformément à l’article 340, § 3, alinéa 5, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2025 de la cour d’appel de Gand, approuvé lors de l’assemblée générale du 18 mai 2026.

 

  Neergelegd ter Griffie.

  Dépôt au Greffe.

 

Arbeidshoven

Cours du travail

 

Bij brief van 21 april 2026, zendt de eerste voorzitter van het arbeidshof te Antwerpen, overeenkomstig artikel 340, § 2, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag 2025 van het arbeidshof te Antwerpen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 21 april 2026.

Par lettre du 21 avril 2026, le premier président de la cour du travail d’Anvers transmet au Sénat, conformément à l’article 340, § 2, alinéa 2, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2025 de la cour du travail d’Anvers, approuvé lors de son assemblée générale du 21 avril 2026.

 

Bij brief van 28 april 2026 zendt de eerste voorzitter van het arbeidshof te Bergen, overeenkomstig artikel 340, § 2, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag 2025 van het arbeidshof te Bergen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 17 april 2026.

Par lettre du 28 avril 2026, le premier président de la cour du travail de Mons transmet au Sénat, conformément à l’article 340, § 2, alinéa 2, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2025 de la cour du travail de Mons, approuvé lors de son assemblée générale du 17 avril 2026.

 

Bij brief van 27 mei 2026 zendt de eerste voorzitter van het arbeidshof te Brussel, overeenkomstig artikel 340, § 2, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag 2025 van het arbeidshof te Brussel, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 22 mei 2026.

Par lettre du 27 mai 2026, le premier président de la cour du travail de Bruxelles transmet au Sénat, conformément à l’article 340, § 2, alinéa 2, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2025 de la cour du travail de Bruxelles, approuvé lors de son assemblée générale du 22 mai 2026.

 

Bij brief van 20 mei 2026, zendt de eerste voorzitter van het arbeidshof te Gent, overeenkomstig artikel 340, § 2, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag 2025 van het arbeidshof te Gent, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 19 mei 2026.

Par lettre du 20 mai 2026, le premier président de la cour du travail de Gand transmet au Sénat, conformément à l’article 340, § 2, alinéa 2, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2025 de la cour du travail de Gand, approuvé lors de son assemblée générale du 19 mai 2026.

 

Bij brief van 1 juni 2026 zendt de eerste voorzitster van het Arbeidshof te Luik, overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag 2025 van het Arbeidshof te Luik, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 29 mei 2026.

Par lettre du 1er juin 2026, la première présidente de la Cour du travail de Liège transmet au Sénat, conformément à l’article 340 du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2025 de la Cour du travail de Liège, approuvé lors de son assemblée générale du 29 mai 2026.

 

  Neergelegd ter Griffie.

  Dépôt au Greffe.

 

Parketten‑generaal

Parquets généraux

 

Bij brief van 27 mei 2026 zendt de procureur‑generaal bij het hof van beroep te Antwerpen, overeenkomstig artikel 346, § 2, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag 2025 van het parket‑generaal bij het hof van beroep te Antwerpen, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 22 mei 2026.

Par lettre du 27 mai 2026, le procureur général près la cour d’appel d’Anvers transmet au Sénat, conformément à l’article 346, § 2, alinéa 2, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2025 du parquet général près la cour d’appel d’Anvers, approuvé lors de son assemblée de corps du 22 mai 2026.

 

Bij brief van 28 mei 2026 zendt de procureur‑generaal bij het hof van beroep te Brussel, overeenkomstig artikel 346, § 2, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag 2025 van het parket‑generaal bij het hof van beroep te Brussel, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 28 mei 2026.

Par lettre du 28 mai 2026, le procureur général près la cour d’appel de Bruxelles transmet au Sénat, conformément à l’article 346, § 2, alinéa 2, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2025 du parquet général près la cour d’appel de Bruxelles, approuvé lors de son assemblée de corps du 28 mai 2026.

 

Bij brief van 27 mei 2026 zendt de procureur‑generaal bij het hof van beroep te Luik, overeenkomstig artikel 346, § 2, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag 2025 van het parket‑generaal bij het hof van beroep te Luik, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 21 mei 2026.

Par lettre du 27 mai 2026, le procureur général près la cour d’appel de Liège transmet au Sénat, conformément à l’article 346, § 2, alinéa 2, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2025 du parquet général près la cour d’appel de Liège, approuvé lors de son assemblée de corps du 21 mai 2026.

 

  Neergelegd ter Griffie.

  Dépôt au Greffe.

 

Parketten

Parquets

 

Bij brief van 2 april 2026 zendt de procureur des Konings van Brussel, overeenkomstig artikel 346, § 2, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag 2025 van het parket van de procureur des Konings van Brussel, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 1 april 2026.

Par lettre du 2 avril 2026, le procureur du Roi de Bruxelles transmet au Sénat, conformément à l’article 346, § 2, alinéa 2, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2025 du parquet du procureur du Roi de Bruxelles, approuvé lors de son assemblée de corps du 1er avril 2026.

 

Bij brief van 12 april 2026 zendt de procureur des Konings te West‑Vlaanderen, overeenkomstig artikel 346, § 2, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag 2025 van het parket van de procureur des Konings te West‑Vlaanderen, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 19 maart 2026.

Par lettre du 12 avril 2026, le procureur du Roi de Flandre occidentale transmet au Sénat, conformément à l’article 346, § 2, alinéa 2, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2025 du parquet du procureur du Roi de Flandre occidentale, approuvé lors de son assemblée de corps du 19 mars 2026.

 

  Neergelegd ter Griffie.

  Dépôt au Greffe.

 

Auditoraten‑generaal

Auditorats généraux

 

Bij brief van 21 april 2026 zendt de procureur‑generaal te Antwerpen, overeenkomstig artikel 346, § 2, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag 2025 van het auditoraat‑generaal bij het arbeidshof te Antwerpen, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 20 april 2026

Par lettre du 21 avril 2026, le procureur général d’Anvers transmet au Sénat, conformément à l’article 346, § 2, alinéa 2, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2025 de l’auditorat général près la cour du travail d’Anvers, approuvé lors de son assemblée de corps du 20 avril 2026.

 

Bij brief van 28 mei 2026 zendt de procureur‑generaal te Brussel, overeenkomstig artikel 346, § 2, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag 2025 van het auditoraat‑generaal bij het arbeidshof te Brussel, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 28 mei 2026.

Par lettre du 28 mai 2026, le procureur général de Bruxelles transmet au Sénat, conformément à l’article 346, § 2, alinéa 2, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2025 de l’auditorat général près la cour du travail de Bruxelles, approuvé lors de son assemblée de corps du 28 mai 2026.

 

Bij brief van 28 mei 2026 zendt de procureur‑generaal te Gent, overeenkomstig artikel 346, § 2, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag 2025 van het auditoraat‑generaal bij het arbeidshof te Gent, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 26 mei 2026.

Par lettre du 28 mai 2025, le procureur général de Gand transmet au Sénat, conformément à l’article 346, § 2, alinéa 2, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2025 de l’auditorat général près la cour du travail de Gand, approuvé lors de son assemblée de corps du 26 mai 2026.

 

Bij brief van 29 mei 2026 zendt de procureur‑generaal te Luik, overeenkomstig artikel 346, § 2, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag 2025 van het auditoraat‑generaal bij het arbeidshof te Luik, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 28 mei 2026.

Par lettre du 29 mai 2026, le procureur général de Liège transmet au Sénat, conformément à l’article 346, § 2, alinéa 2, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2025 de l’auditorat général près la cour du travail de Liège, approuvé lors de son assemblée de corps du 28 mai 2026.

 

  Neergelegd ter Griffie.

  Dépôt au Greffe.

 

Rechtbanken van eerste aanleg

Tribunaux de première instance

 

Bij brief van 10 april 2026 zendt de voorzitster van de rechtbank van eerste aanleg van Henegouwen, overeenkomstig artikel 340, § 3, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag 2025 van de rechtbank van eerste aanleg van Henegouwen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 31 maart 2026.

Par lettre du 10 avril 2026, la présidente du tribunal de première instance du Hainaut transmet au Sénat, conformément à l’article 340, § 3, alinéa 5, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2025 du tribunal de première instance du Hainaut, approuvé lors de son assemblée générale du 31 mars 2026.

 

Bij brief van 18 juni 2026 zendt de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van Luik, overeenkomstig artikel 340, § 3, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag 2025 van de rechtbank van eerste aanleg van Luik, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 18 juni 2026.

Par lettre du 18 juin 2026, le président du tribunal de première instance de Liège transmet au Sénat, conformément à l’article 340, § 3, alinéa 5, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2025 du tribunal de première instance de Liège, approuvé lors de son assemblée générale du 18 juin 2026.

 

  Neergelegd ter Griffie.

  Dépôt au Greffe.

 

Instituut voor gerechtelijke opleiding

Institut de formation judiciaire

 

Bij brief van 26 juni 2026 zendt de directeur van het Instituut voor gerechtelijke opleiding, overeenkomstig artikel 41 van de wet van 31 januari 2007 inzake de gerechtelijke opleiding en kennisbeheer en tot oprichting van het Instituut voor gerechtelijke opleiding, aan de Senaat over, het jaarverslag voor 2025.

Par lettre du 26 juin 2026, le directeur de l’Institut de formation judiciaire transmet au Sénat, conformément à l’article 41 de la loi du 31 janvier 2007 sur la formation judiciaire et la gestion des connaissances et portant création de l’Institut de formation judiciaire, le rapport annuel pour 2025.

 

  Neergelegd ter Griffie.

  Dépôt au Greffe.

 

Algemene vergaderingen van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken

Assemblées générales des juges de paix et des juges aux tribunaux de police

 

Bij brief van 15 april 2026 zendt de voorzitter van de algemene vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken van het arrondissement Namen, overeenkomstig artikel 340, § 3, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag voor 2025 van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken van het arrondissement Namen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 10 april 2026.

Par lettre du 15 avril 2026, le président de l’assemblée générale des juges de paix et des juges aux tribunaux de police de l’arrondissement de Namur transmet au Sénat, conformément à l’article 340, § 3, alinéa 5, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement pour l’année 2025 des juges de paix et des juges aux tribunaux de police de l’arrondissement de Namur, approuvé lors de son assemblée générale du 10 avril 2026.

 

Bij brief van 7 april 2026 zendt de voorzitster van de algemene vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken van het arrondissement Luxemburg, overeenkomstig artikel 340, § 3, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag voor 2025 van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken van het arrondissement Luxemburg, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 27 maart 2026.

Par lettre du 7 avril 2026, la présidente de l’assemblée générale des juges de paix et des juges aux tribunaux de police de l’arrondissement du Luxembourg transmet au Sénat, conformément à l’article 340, § 3, alinéa 5, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement pour l’année 2025 des juges de paix et des juges aux tribunaux de police de l’arrondissement du Luxembourg, approuvé lors de son assemblée générale du 27 mars 2026.

 

  Neergelegd ter Griffie.

  Dépôt au Greffe.

 

Hoge Raad voor de Justitie

Conseil supérieur de la Justice

 

Bij brieven van 21 mei en van 8 en 29 juni 2026, zendt de voorzitster van de Hoge Raad voor de justitie, overeenkomstig het artikel 259bis‑18, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, aan de Senaat over:

Par lettres des 21 mai, 8 et 29 juin 2026, la présidente du Conseil supérieur de la justice transmet au Sénat, conformément à l’article 259bis‑18, § 1er, du Code judiciaire :

 

  het advies over een ontwerp van deontologische code voor professionele bewindvoerders van beschermde personen;

  l’avis sur un projet de code de déontologie des administrateurs professionnels des personnes protégées ;

 

  het advies over het voorontwerp van wet betreffende de georganiseerde criminaliteit en het voorstel tot wijziging van diverse bepalingen met het oog op de bescherming van magistraten en leden van de griffie door middel van het afschermen van hun identiteit (56K1414/001);

  l’avis relatif à l’avant‑projet de loi relative au crime organisé et à la proposition de loi modifiant diverses dispositions en vue de protéger les magistrats et les membres du greffe en masquant leur identité (56CH1414/001) ;

 

  het advies over het wetsvoorstel houdende de oprichting van een financieel parket, als sectie financiële criminaliteit binnen het federaal parket (56‑1536),

  l’avis sur la proposition de loi portant création d’un parquet financier, en tant que section criminalité financière au sein du parquet fédéral (56‑1536),

 

goedgekeurd door de algemene vergaderingen van de Hoge Raad voor de justitie op 20 mei, 8 en 29 juni 2026.

approuvés par les assemblées générales du Conseil supérieur de la justice des 20 mai, 8 et 19 juin 2026.

 

  Neergelegd ter Griffie.

  Dépôt au Greffe.

 

Centrale Raad voor het bedrijfsleven en Nationale Arbeidsraad

Conseil central de l’économie et Conseil national du travail

 

Bij brief van 30 april 2026 zenden de Centrale Raad voor het bedrijfsleven en de Nationale Arbeidsraad aan de Senaat over, overeenkomstig artikel XIII.1 van titel I van boek XIII van het Wetboek van economisch recht en artikel 1 van de organieke wet van 29 mei 1952 tot inrichting van de Nationale Arbeidsraad, het advies “Voorontwerp van wet tot wijziging van diverse bepalingen betreffende het mobiliteitsbudget” (NAR advies 2.485 en CRB 2026‑1330 – CO 1000), goedgekeurd tijdens hun gezamenlijke plenaire vergadering van 29 april 2026.

Par lettre du 30 avril 2026, le Conseil central de l’économie et le Conseil national du travail transmettent au Sénat, conformément à l’article XIII.1er du titre Ier du livre XIII du Code de droit économique et à l’article 1er de la loi du 29 mai 1952 organique du Conseil national du travail, l’avis « Avant‑projet de loi modifiant diverses dispositions relatives au budget mobilité » (CNT avis 2.485 et CCE 2026‑1330 – CO 1000), approuvé lors de leur séance plénière commune du 29 avril 2026.

 

  Neergelegd ter Griffie.

  Dépôt au Greffe.

 

Centrale Raad voor het bedrijfsleven en Federale Raad voor duurzame ontwikkeling

Conseil central de l’économie et Conseil fédéral du développement durable

 

Bij brief van 2 april 2026 zenden de Centrale Raad voor het bedrijfsleven en de Federale Raad voor duurzame ontwikkeling aan de Senaat over, overeenkomstig artikel 1 van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven het advies “Klimaattransitie – Impact op de activiteit, werkgelegenheid en opleiding” (CRB 2026‑1020 – FRDO 2026a06) goedgekeurd tijdens hun gezamenlijke plenaire vergadering van 2 april 2026.

Par lettre du 2 avril 2026, le Conseil central de l’économie et le Conseil fédéral du développement durable transmettent au Sénat, conformément à l’article 1er de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l’économie, l’avis « Transition climatique – Impact sur l’activité, l’emploi et la formation » (CCE 2026‑1020 – CFDD 2026a06), approuvé lors de leur séance plénière commune du 2 avril 2026.

 

  Neergelegd ter Griffie.

  Dépôt au Greffe.

 

Centrale Raad voor het bedrijfsleven

Conseil central de l’économie

 

Bij brieven van 3 en 22 april, van 19 en 29 mei 2026 zendt de Centrale Raad voor het bedrijfsleven, overeenkomstig artikel XIII.1 van titel I van boek XIII van het Wetboek van economisch recht aan de Senaat over:

Par lettres des 3 et 22 avril, et des 19 et 29 mai 2026, le Conseil central de l’économie transmet au Sénat, conformément à l’article XIII.1 du titre Ier du livre XIII du Code de droit économique :

 

  het advies “Naar een geïntegreerd ticketingsysteem voor het openbaar vervoer in België” (CRB 2026‑1080);

  l’avis « Vers un système de billettique intégré pour les transports en commun en Belgique » (CCE 2026‑1080) ;

 

  het verslag “Het woon‑werkverkeer met de privéwagen: vergoedingen en mogelijke alternatieven voor de wagen”(CRB 2026‑1200);

  le rapport « Les déplacements domicile‑travail en voiture privée : remboursements et alternatives possibles à la voiture » (CCE 2026‑1200) ;

 

  het verslag over de vergelijking tussen de budgettaire impact van het sociaal akkoord van 22 april 2026 dat betrekking heeft tot de privésector en die van het regeringsvoorstel met betrekking tot de centenindex (CRB 2026‑1435);

  le rapport sur l’impact budgétaire comparé de l’accord social du 22 avril 2026 qui concerne le secteur privé et de la proposition du gouvernement concernant le plafonnement de l’indexation (CCE 2026‑1435) ;

 

  het verslag “Ticketingintegratie van het openbaar vervoer” (CRB 2026‑1490);

  le rapport « L’intégration billettique des transports en commun » (CCE 2026‑1490) ;

 

  het verslag “Tariefintegratie van het openbaar vervoer” (CRB 2026‑1500);

  le rapport « L’intégration tarifaire des transports en commun » (CCE 2026‑1500) ;

 

  het verslag “Ticketing- en tariefintegratie in België: routekaart” (CCE 2026‑1510),

  le rapport « Intégration billettique et tarifaire en Belgique : feuille de route » (CCE 2026‑1510),

 

goedgekeurd tijdens zijn plenaire vergaderingen van 2 en 22 april, en van 19 en 29 mei 2026.

approuvés lors de ses séances plénières des 2 et 22 avril, et des 19 et 29 mai 2026.

 

  Neergelegd ter Griffie.

  Dépôt au Greffe.

 

Federale Raad voor duurzame ontwikkeling

Conseil fédéral du développement durable

 

Bij brief van 18 mei 2026 zendt de voorzitter van de Federale Raad voor duurzame ontwikkeling, overeenkomstig artikel 11, § 5, van de wet van 5 mei 1997 betreffende de coördinatie van het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling, aan de Senaat over, het verslag over de werkzaamheden voor 2025.

Par lettre du 18 mai 2026, le président du Conseil fédéral du développement durable transmet au Sénat, conformément à l’article 11, § 5, de la loi du 5 mai 1997 relative à la coordination de la politique fédérale de développement durable, le rapport d’activités pour 2025.

 

  Neergelegd ter Griffie.

  Dépôt au Greffe.

 

Economische Overheidsbedrijven – Telecommunicatie

Entreprises publiques économiques – Télécommunications

 

Bij brief van 26 maart 2026 zendt de ombudsman voor telecommunicatie, overeenkomstig artikel 46, § 3, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, aan de Senaat over, het jaarverslag 2025 van de ombudsdienst voor telecommunicatie.

Par lettre du 26 mars 2026, le médiateur pour les télécommunications transmet au Sénat, conformément à l’article 46, § 3, de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques, le rapport annuel 2025 du service de médiation pour les télécommunications.

 

  Neergelegd ter Griffie.

  Dépôt au Greffe.

 

Sciensano

Sciensano

 

Bij brief van 23 april 2026 zendt de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding overeenkomstig artikel 28, § 6, van de wet van 25 februari 2018 tot oprichting van Sciensano, aan de Senaat over, het jaarverslag voor 2025 van Sciensano.

Par lettre du 23 avril 2026, le ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté, transmet au Sénat, conformément à l’article 28, § 6, de la loi du 25 février 2018 portant création de Sciensano, le rapport annuel pour 2025 de Sciensano.

 

  Neergelegd ter Griffie.

  Dépôt au Greffe.

 

Europese Rekenkamer

Cour des comptes européenne

 

Bij brief van 11 mei 2026 zendt de voorzitter van de Europese Rekenkamer, overeenkomstig artikel 287, § 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, aan de Senaat over, het jaarlijks activiteitenverslag 2025 van de Europese Rekenkamer.

Par courrier du 11 mai 2026, le président de la Cour des comptes européenne transmet au Sénat, conformément à l’article 287, § 4, du Traité sur le fonctionnement de l’Union européenne, le rapport annuel d’activité 2025 de la Cour des comptes européenne.

 

  Neergelegd ter Griffie.

  Dépôt au Greffe.

 

Europees Parlement

Parlement européen

 

Bij brieven van 31 maart, 24 april, 21 mei en 1 juli 2026 zendt de voorzitster van het Europees Parlement aan de Senaat over, de teksten aangenomen door het Europees Parlement tijdens zijn vergaderperiodes van 9 tot 12 maart, van 25 tot 26 maart, van 27 tot 30 april en van 18 tot 21 mei 2026.

Par lettres des 31 mars, 24 avril, 21 mai et 1er juillet 2026, la présidente du Parlement européen transmet au Sénat les textes adoptés par le Parlement européen au cours de ses périodes de session du 9 au 12 mars, du 25 au 26 mars, du 27 au 30 avril et du 18 au 21 mai 2026.

 

  Neergelegd ter Griffie.

  Dépôt au Greffe.