|
8‑17 Belgische Senaat Gewone Zitting 2025‑2026 Plenaire vergaderingen Vrijdag 3 april 2026 Ochtendvergadering |
8‑17 Sénat de Belgique Session ordinaire 2025‑2026 Séances plénières Vendredi 3 avril 2026 Séance du matin |
|
|||
|
Handelingen |
Annales |
|
|||
|
Inhoudsopgave |
Sommaire |
|
|||
|
Voordracht van kandidaten voor een betrekking van Franstalige staatsraad bij de Raad van State Inoverwegingneming van voorstellen Voorstel tot herziening van artikel 195 van de Grondwet (Doc 8‑127) In overweging genomen voorstellen Vergadering van de Franse Gemeenschapscommissie Raad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie Overlijden van een oud‑senator Grondwettelijk Hof – Prejudiciële vragen Parket voor de verkeersveiligheid Algemene vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken Vaste Commissie voor taaltoezicht Centrale Raad voor het bedrijfsleven en Nationale Arbeidsraad
|
Approbation de l’ordre du jour Prise en considération de propositions Proposition de révision de l’article 195 de la Constitution (Doc. 8‑127). Propositions prises en considération Assemblée de la Commission communautaire française Assemblée de la Commission communautaire flamande Cour constitutionnelle – Arrêts. Cour constitutionnelle – Questions préjudicielles Cour constitutionnelle – Recours. Parquet de la sécurité routière. Tribunaux de première instance. Assemblée générale des juges de paix et des juges aux tribunaux de police Commission permanente de contrôle linguistique Conseil central de l’économie et Conseil national du travail
|
|
|||
|
Voorzitter: de heer Vincent Blondel (De vergadering wordt geopend om 10.00 uur.) |
Présidence de M. Vincent Blondel (La séance est ouverte à 10 h 00.) |
|
|||
Goedkeuring van de agenda |
|
||||
|
De voorzitter. – De agenda zoals vastgesteld door het Bureau werd elektronisch meegedeeld. Aangezien er geen opmerkingen zijn, is de agenda goedgekeurd. |
M. le président. – L’ordre du jour établi par le Bureau a été communiqué par voie électronique aux sénateurs. Puisqu’il n’y a pas d’observations, l’ordre du jour est approuvé. |
|
|||
Herziening van artikel 195 van de Grondwet (Verklaring van de wetgevende macht, zie Belgisch Staatsblad, nr. 111 van 27 mei 2024) |
|
||||
Voorstel tot herziening van artikel 195 van de Grondwet (van de heren Karl Vanlouwe en Gaëtan Van Goidsenhoven, mevrouw Anne‑Catherine Goffinet, de heren Kris Verduyckt en Benjamin Dalle en mevrouw Stephanie D’Hose; Doc. 8‑127) |
|
||||
Bespreking |
|
||||
|
(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden, zie doc. 8‑127/5.) |
(Pour le texte adopté par la Commission des Affaires institutionnelles, voir document 8‑127/5.) |
|
|||
|
Mevrouw Fatima Ahallouch (PS), corapporteur. – Het voorstel tot herziening van artikel 195 van de Grondwet werd op 25 september 2025 in de Senaat ingediend. De commissie voor Institutionele Aangelegenheden heeft het op 17 november 2025 en op 30 maart 2026 behandeld in aanwezigheid van de heer Bart De Wever, eerste minister. Tijdens deze laatste vergadering heeft de commissie voor Institutionele Aangelegenheden gestemd. De discussies tussen de fracties hadden met name betrekking op het houden van hoorzittingen, de federale vertegenwoordiging van de deelstaten, de vertegenwoordiging van de Duitstalige Gemeenschap, alsook de evolutie van de rol van de Senaat of de vervanging ervan. Uit de werkzaamheden kwamen vooral twee verschillende standpunten naar voren. Enerzijds werden verschillende argumenten voor de herziening aangevoerd. Ten eerste werd verwezen naar het politieke kader, waarbij werd opgemerkt dat het onderhavige initiatief uitvoering geeft aan een verbintenis uit het federale regeerakkoord. Ten tweede hebben de voorstanders van de tekst, wat de institutionele evolutie betreft, erop gewezen dat de opeenvolgende staatshervormingen de wetgevende bevoegdheden van de Senaat hebben ingeperkt, waardoor hij volgens hen elke reële politieke invloed zou hebben verloren. Ten derde werd, wat de rechtmatigheid van de methode betreft, het gebruik van een overgangsbepaling voorgesteld als een juridisch geldige procedure, ondersteund door precedenten. Anderzijds werden tijdens de commissiewerkzaamheden drie belangrijke bezwaren naar voren gebracht. Ten eerste betreurden sommige commissieleden, wat de werkwijze betreft, het ontbreken van hoorzittingen met deskundigen en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld. Vóór de stemming werd het formele verzoek om dergelijke hoorzittingen te organiseren met 15 tegen 5 stemmen verworpen. Ten tweede werden er, wat de vertegenwoordiging van de deelstaten betreft, vragen gesteld over het behoud van de vertegenwoordiging van de Duitstalige Gemeenschap en de Brusselse Vlamingen op federaal niveau, na de afschaffing van de Senaat. Ten derde hebben sommige leden, wat de rechtszekerheid betreft, gewaarschuwd voor het risico dat de grondwettelijke beginselen worden ondermijnd door de invoering van een vereenvoudigd herzieningsmechanisme, dat voor andere doeleinden zou kunnen worden gebruikt. Na deze discussies werd het voorstel aangenomen met 16 tegen 3 stemmen bij 1 onthouding. Voor meer details verwijs ik naar het 97 bladzijden tellende verslag. |
Mme Fatima Ahallouch (PS), corapporteuse. – La proposition de révision de l’article 195 de la Constitution a été déposée au Sénat le 25 septembre 2025. La commission des Affaires institutionnelles l’a examinée le 17 novembre 2025 et le 30 mars 2026 en présence de M. Bart De Wever, premier ministre. La commission des Affaires institutionnelles a procédé aux votes au cours de cette dernière réunion. Les échanges entre les groupes ont porté notamment sur la tenue d’auditions, sur la représentation fédérale des entités fédérées, sur la représentation de la Communauté germanophone, ainsi que sur l’évolution du rôle du Sénat ou son remplacement. Les travaux ont surtout fait apparaître deux orientations distinctes. D’une part, plusieurs arguments en faveur de la révision ont été présentés. Premièrement, il a été fait référence au cadre politique, en précisant que l’initiative à l’examen exécute un engagement de l’accord de gouvernement fédéral. Deuxièmement, en ce qui concerne l’évolution institutionnelle, les partisans du texte ont souligné que les réformes successives de l’État ont réduit les compétences législatives du Sénat, le privant ainsi, selon eux, de toute influence politique réelle. Troisièmement, pour ce qui est de la légalité de la méthode, le recours à une disposition transitoire a été présenté comme une procédure juridiquement valide, appuyée par des précédents. D’autre part, trois grandes objections ont été formulées lors des travaux en commission. Premièrement, s’agissant de la méthode de travail, des membres de la commission ont déploré l’absence d’auditions d’experts et de représentants de la société civile. Avant le vote, la demande formelle d’organiser de telles auditions a été rejetée par 15 voix contre 5. Deuxièmement, en ce qui concerne la représentation des entités fédérées, des questions ont été soulevées quant au maintien de la représentation de la Communauté germanophone et des Flamands de Bruxelles au niveau fédéral, après la suppression du Sénat. Troisièmement, au sujet de la sécurité juridique, certains membres ont mis en garde contre le risque de fragiliser les principes constitutionnels en créant un mécanisme de révision simplifié, qui pourrait être utilisé à d’autres fins. À l’issue de ces échanges, la proposition a été adoptée par 16 voix contre 3 et 1 abstention. Pour plus de précisions, je vous renvoie aux 97 pages du rapport. |
|
|||
|
De heer Arnout Coel (N‑VA), corapporteur. – De commissie voor de Institutionele Aangelegenheden besprak dit voorstel tijdens haar vergaderingen van 17 november 2025 en 30 maart 2026, telkens in aanwezigheid van eerste minister De Wever. Tijdens die laatste vergadering vonden ook de stemmingen plaats. Het voorstel tot herziening van artikel 195 van de Grondwet regelt de procedure waarmee de Grondwet kan worden gewijzigd. Normaal verloopt een grondwetswijziging in drie fasen, een herzieningsverklaring door de preconstituante, dan verkiezingen en vervolgens de eigenlijke herziening door de constituante. Enkel artikelen die uitdrukkelijk in de herzieningsverklaring zijn opgenomen, kunnen door de constituante worden herzien. De preconstituante heeft in haar herzieningsverklaring het merendeel van de grondwetsartikelen met betrekking tot de Senaat opgenomen, maar niet allemaal. Vijf artikelen waarin naar de Senaat wordt verwezen, ontbreken, namelijk de artikelen 36, 74, 100, 143, § 2, en 198. Zonder aanpassing van deze artikelen verdwijnt de Senaat weliswaar grotendeels uit de Grondwet, maar blijven er verwijzingen naar de instelling in de Grondwet staan. Daarom strekt onderhavig voorstel tot herziening van de Grondwet ertoe de bestaande overgangsbepalingen bij artikel 195 te vervangen door een nieuwe tijdelijke overgangsbepaling die tot de huidige legislatuur wordt beperkt. Die overgangsbepaling maakt het mogelijk ook die vijf bijkomende artikelen voor herziening vatbaar te verklaren zodat we de afschaffing van de Senaat juridisch volledig en coherent kunnen afronden. De reguliere herzieningsprocedure blijft onverkort van kracht voor alle andere grondwetsartikelen. De overgangsbepaling eerbiedigt bovendien de bestaande procedurewaarborgen, en ook het vereiste quorum en de voorgeschreven tweederdemeerderheid blijven gelden. Het traject voor de afschaffing van de Senaat bestaat uit drie fasen. In de eerste fase wordt de overgangsbepaling bij artikel 195 goedgekeurd en worden de noodzakelijke aanpassingen aan de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen uitgevoerd, namelijk de wijziging van de samenstelling van het Overlegcomité en de verlenging van de procedure bij belangenconflicten van 30 naar 60 dagen. In de tweede fase volgt de herziening van alle Senaatsgerelateerde grondwetsartikelen. In de derde fase wordt de coördinatieprocedure toegepast om de Grondwet redactioneel op te schonen. Tijdens de bespreking in de commissie werd op vier knelpunten ingegaan. Een eerste knelpunt is het gebruik van de overgangsbepaling bij artikel 195 als methode. Sommige fracties beschouwen dit als een gevestigde grondwettelijke praktijk, bevestigd door de Commissie van Venetië, andere fracties waarschuwen voor een precedent dat de herzieningsprocedure structureel kan ondermijnen. Een tweede knelpunt was het verzoek om hoorzittingen. Bepaalde senatoren en fracties verzochten herhaaldelijk om hoorzittingen met grondwetsspecialisten en onder andere de minister‑president van de Duitstalige Gemeenschap. Andere senatoren vonden dit overbodig, gelet op de 22 vergaderingen en 30 gehoorde experts in de vorige legislatuur. Het verzoek werd met een stemming tijdens de tweede commissievergadering verworpen. Een derde knelpunt is de vertegenwoordiging van de Duitstalige Gemeenschap op federaal niveau. Met de afschaffing van de Senaat verliest de Duitstalige bevolking haar enige gewaarborgde federale vertegenwoordiging. Een amendement om daartoe de artikelen 62 en 63 open te stellen voor herziening, werd verworpen, maar alle fracties erkenden dat er een oplossing voor moet worden uitgewerkt. Ook de eerste minister sprak het engagement uit dat de meerderheid dit wenst op te lossen. Ten vierde werd er uitgebreid gesproken over de participatie van de deelstaten na de afschaffing van de Senaat. Verschillende fracties benadrukten het belang van inspraak van de deelstaten bij grondwetsherzieningen, de benoeming van magistraten en de internationale parlementaire vertegenwoordiging. De indieners namen tijdens het debat het engagement op om alternatieve participatievormen te onderzoeken. Sommige leden vonden dit echter onvoldoende concreet. Een meerderheid van de fracties verklaarde dat de ‘losse eindjes’ van het derde en vierde knelpunt zeker moeten worden opgelost, maar dat ze een afschaffing van de Senaat niet in de weg staan en het traject niet mogen vertragen. In het totaal werden er 16 amendementen ingediend. Drie amendementen van wetgevingstechnische aard, de nummers 13, 14 en 15, werden op advies van het Kenniscentrum voor de Institutionele Aangelegenheden aangenomen. De overige amendementen werden verworpen. Het geamendeerde voorstel in zijn geheel werd aangenomen met 16 tegen 3 stemmen bij één onthouding en behaalde zo – hoewel in de commissie slechts een gewone meerderheid vereist was – een ruime tweederdemeerderheid van de uitgebrachte stemmen. De aangenomen tekst is terug te vinden in document 8‑127/5 en zo meteen is het de taak van de plenaire vergadering om de volgende stap te zetten in de afschaffing van deze eerbiedwaardige instelling. |
M. Arnout Coel (N‑VA), corapporteur. – La commission des Affaires institutionnelles a examiné cette proposition au cours de ses réunions des 17 novembre 2025 et 30 mars 2026, chaque fois en présence de M. De Wever, premier ministre. La commission a procédé aux votes au cours de cette dernière réunion. La proposition de révision de l’article 195 de la Constitution porte sur la procédure à suivre pour modifier la Constitution. Normalement, une modification de la Constitution s’opère en trois phases, à savoir une déclaration de révision par le préconstituant, des élections, puis la révision proprement dite par le constituant. Seuls les articles expressément inscrits dans la déclaration de révision peuvent être révisés par le constituant. Le préconstituant a indiqué dans sa déclaration de révision la quasi‑totalité des articles de la Constitution qui concernent le Sénat, mais pas tous. Cinq articles faisant référence au Sénat sont manquants, à savoir les articles 36, 74, 100, 143, § 2, et 198. Sans adaptation de ces articles, le Sénat disparaîtra presque totalement de la Constitution, mais celle‑ci conservera quelques références à l’institution. C’est pourquoi la présente proposition de révision de la Constitution vise à remplacer les dispositions transitoires actuelles de l’article 195 par une nouvelle disposition transitoire limitée à l’actuelle législature. Cette disposition permet d’ouvrir à révision ces cinq articles supplémentaires afin de pouvoir mener à bien la suppression du Sénat de manière juridiquement complète et cohérente. La procédure de révision habituelle reste inchangée pour tous les autres articles de la Constitution. La disposition transitoire respecte en outre les garanties de procédure existantes, ainsi que le quorum et la majorité des deux tiers prescrits. La voie menant à la suppression du Sénat compte trois étapes. La première étape consiste à adopter la disposition transitoire de l’article 195 et à apporter les adaptations nécessaires à la loi ordinaire du 9 août 1980 de réformes institutionnelles, c’est‑à‑dire modifier la composition du Comité de concertation et porter de 30 à 60 jours la durée de la procédure de règlement des conflits d’intérêts. La deuxième étape consiste à réviser les articles de la Constitution qui concernent le Sénat. La troisième étape consiste à appliquer la procédure de coordination afin de toiletter la Constitution sur la forme. Au cours des discussions, la commission s’est penchée sur quatre difficultés. La première difficulté était le choix de la méthode, c’est‑à‑dire le recours à une disposition transitoire inscrite à l’article 195. Certains groupes considéraient cette méthode comme une pratique constitutionnelle bien établie, entérinée par la Commission de Venise, tandis que d’autres mettaient en garde contre un précédent risquant de miner structurellement la procédure de révision. Une deuxième difficulté était la demande d’auditions. Certains sénateurs et groupes ont insisté pour auditionner des constitutionnalistes, ainsi que le ministre‑président de la Communauté germanophone. Selon d’autres sénateurs, cela n’était pas nécessaire vu les 22 réunions organisées pendant la précédente législature et les 33 experts auditionnés. La demande d’auditions a été rejetée par un vote au cours de la deuxième réunion de la commission. La troisième difficulté était la représentation de la Communauté germanophone au niveau fédéral. La disparition du Sénat fait perdre à la population d’expression allemande sa seule représentation fédérale garantie. Un amendement visant à ouvrir les articles 62 et 63 à révision pour régler ce problème a été rejeté, mais tous les groupes ont admis qu’une solution devait être élaborée. Le premier ministre s’est lui aussi engagé à trouver une solution. La quatrième difficulté, qui a donné lieu à des discussions approfondies, est la participation des entités fédérées après la suppression du Sénat. Plusieurs groupes ont souligné l’importance de la participation des entités fédérées aux révisions de la Constitution, à la nomination de magistrats et à la représentation parlementaire internationale. Les auteurs se sont engagés à étudier d’autres formes de participation, ce que d’autres sénateurs ont jugé trop abstrait. Une majorité des groupes a déclaré que, si une solution doit absolument être trouvée concernant les troisième et quatrième difficultés, celles‑ci n’empêchaient pas la suppression du Sénat et ne pouvaient ralentir le processus. Seize amendements ont été déposés. Trois amendements de nature légistique, nos 13, 14 et 15, ont été adoptés sur avis du Centre d’expertise pour les Affaires institutionnelles. Les autres ont été rejetés. L’ensemble de la proposition amendée a été adopté par 16 voix contre 3 et une abstention, obtenant même largement la majorité des deux tiers des suffrages exprimés. Le texte adopté figure dans le document 8‑127/5. Il revient maintenant à l’assemblée plénière de faire le pas suivant en direction de la suppression de notre vénérable institution. |
|
|||
|
De heer Karl Vanlouwe (N‑VA). – Over de afschaffing van de Senaat is er in het verleden al heel veel inkt gevloeid. Echte debatten daarover hebben we eigenlijk nog niet veel gevoerd in de Senaat zelf, en zeker niet op basis van wetsvoorstellen, zoals die nu voorliggen. Vandaag wordt er opnieuw een stap gezet in de richting van de afschaffing van deze instelling. Vandaag wordt opnieuw een horde genomen in de estafette die de afschaffing van de Senaat met zich meebrengt. De evolutie van een bicameraal naar een monocameraal stelsel in België is een logische stap in een lang moderniseringsproces van ons politiek systeem. Het spiegelt zich aan de hedendaagse noden van efficiëntie, democratische vertegenwoordiging, maar ook bestuurlijke eenvoud en dat is toch wel wat burgers van ons verwachten. Het bicamerisme waarbij twee kamers, de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat, betrokken zijn bij het wetgevingsproces heeft zijn oorsprong in de negentiende eeuw toen de Senaat een rol speelde als conservatief tegenwicht tegenover de Kamer. Wie de geschiedenis een beetje kent, weet dat de Senaat een tegenwicht moest bieden tegenover de Kamer. Het was de periode van het cijnskiesrecht: alleen mensen met een bepaald vermogen hadden het recht en de mogelijkheid om hier in deze instelling te zetelen. Opeenvolgende staatshervormingen hebben steeds aan de bevoegdheden maar ook aan de samenstelling van de Senaat geraakt. Alle klassieke partijen hebben daaraan meegewerkt. Wat de samenstelling betreft, zal u zich herinneren dat er een periode is geweest dat er hier rechtstreeks gekozen senatoren waren, en er is een periode geweest, met de staatshervorming van 1993, waarbij de Senaat bestond uit rechtstreeks verkozen senatoren, uit gemeenschapssenatoren, maar ook nog uit gecoöpteerde senatoren. Het aantal senatoren verminderde ook bij iedere staatshervorming. Vóór 1993 was de Senaat zoals gezegd een rechtstreeks verkozen kamer met vergelijkbare, bijna identieke bevoegdheden als de Kamer van volksvertegenwoordigers. Met de vierde staatshervorming van 1993 bleven de rechtstreekse verkiezingen, maar werden de bevoegdheden aanzienlijk beperkt. De facto werd toen het systeem van het bicamerisme onderuitgehaald. De wetgevende bevoegdheid werd uitgehold en werd toegewezen aan de Kamer en ook aan de opkomende deelstaatparlementen: het Vlaams Parlement, het Waals Parlement, het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap, het Brussels Hoofdstedelijk Parlement, het Parlement van de Franse Gemeenschap. Hun bevoegdheden werden uitgebreid. De zesde staatshervorming van 2012‑2014 zorgde voor de allergrootste omslag. Sindsdien werd de Senaat een ontmoetingsplaats van de deelstaten. De senatoren werden niet langer verkozen. Niemand van ons hier is verkozen in deze assemblee. Iedereen ontleent zijn democratische legitimiteit aan zijn deelstaat. De senatoren werden niet langer rechtstreeks verkozen. De Senaat werd samengesteld uit afgevaardigden van de gemeenschaps- en gewestparlementen, en uit nog tien gecoöpteerde senatoren. Die staatshervorming had tot gevolg dat de bevoegdheden van de Senaat beperkt bleven tot politieke controle zonder wetgevende bevoegdheid, met uitzondering van enkele bicamerale procedures zoals een grondwetswijziging, de aanduiding van rechters in het Grondwettelijk Hof en van staatsraden in de Raad van State, en nog enkele beperkte wettelijke bevoegdheden. Uiteraard was er nog de evocatiemogelijkheid, maar de monocamerale procedure werd de regel. De wetten werden gestemd in de Kamer van volksvertegenwoordigers. Ook het politieke debat over de actualiteit gebeurde in de Kamer van volksvertegenwoordigers en in de deelstaatparlementen. Daarmee is het sinds de laatste hervorming van de Senaat in 2014 duidelijk dat veeleer het Overlegcomité dan de Senaat heeft bijgedragen aan meer coördinatie en overleg tussen de deelstaten. Welk belangenconflict of bevoegdheidsconflict tussen de deelstaten onderling of tussen de deelstaten en de federale overheid heeft de Senaat als ontmoetingsplaats uiteindelijk opgelost? Ik denk geen enkel. Vandaag is de rol van de Senaat uitgespeeld. Maatschappelijke ontwikkelingen en de geleidelijke aanpassing van onze politieke en staatkundige structuren hebben de noodzaak van een tweede kamer overbodig gemaakt. Voor ons is het duidelijk: de Senaat als niet‑permanente reflectiekamer met sterk ingeperkte wetgevende bevoegdheden is overbodig en kan wat ons betreft worden afgeschaft. Het resultaat zal een efficiëntere en snellere besluitvorming zijn, daar waar de bicamerale procedure tot voor kort nog van toepassing was. De dubbele behandeling van wetsontwerpen en ‑voorstellen kost tijd en middelen, zonder dat dit noodzakelijk tot betere resultaten leidt. Ik verwijs naar het pingpongspel dat er vroeger bestond tussen Kamer en Senaat. Het monocameraal stelsel verkort het proces aanzienlijk en maakt het mogelijk om sneller in te spelen op dringende maatschappelijke problemen die wij vandaag zeker kennen. Ik verwijs naar de huidige crisis, de oorlog in het Midden‑Oosten, de energiecrisis, de problemen met betrekking tot de koopkracht die wij hier totaal niet bespreken. In een complex land zoals het onze met meerdere bestuursniveaus en een combinatie van overlegorganen is een slankere politieke structuur en wetgevingsprocedure essentieel om doeltreffend beleid te voeren. Ten aanzien van de burger organiseren wij op die manier een eenduidig en helder besluitvormingsproces dat beter aansluit bij een institutionele realiteit van exclusieve bevoegdheden. We houden met deze afschaffing ook rekening met het kostenplaatje. Het takenpakket van de instelling staat vandaag immers niet meer in verhouding tot de dotatie die deze instelling krijgt. De kosten zijn aanzienlijk hoger dan de toegevoegde waarde die de Senaat biedt binnen het federale bestel. Met een monocameraal systeem kan men besparen zonder in te boeten op democratische kwaliteit. Na de afschaffing worden de bevoegdheden van de Senaat overgenomen door de Kamer van volksvertegenwoordigers. Daarmee schaffen we ook de afzonderlijke deelstatenkamer af. De ontmoetingsplaats, één van de kanalen voor de participatie van deelgebieden, vervalt. We erkennen evenwel de participatie van de deelstaten als een van de basisbeginselen van een federale staat. Uit de vergelijking van federale systemen blijkt dat er geen uniek concept van participatie van deelgebieden op federaal niveau bestaat, noch dat er slechts één vorm van participatie mogelijk is. Klassiek wordt dit georganiseerd door een vertegenwoordiging van de deelgebieden in een tweede kamer, zoals de Senaat in de Verenigde Staten, de Bundesrat in Duitsland, of hybride vormen. Ook in federale stelsels zonder vertegenwoordiging van de deelstaten in een federale kamer wordt effectieve deelstaatparticipatie gegarandeerd via intergouvernementele samenwerkingskanalen, zoals in Oostenrijk en Canada. Zelfs zonder tussenkomst van een tweede kamer bieden ad‑hocmechanismen of bijzondere procedures, bijvoorbeeld initiatief, consultatie, advies of ratificatie, de mogelijkheid om de stem van de deelgebieden te horen bij grondwetswijzigingen, benoemingsprocedures en andere beslissingen op federaal niveau. In verschillende federale systemen verloopt de participatie van deelgebieden bovendien niet uitsluitend via institutionele structuren als een tweede kamer, maar ook indirect via de partijen. Dit overzicht toont aan dat elk federaal systeem een eigen antwoord formuleert op de vraag hoe de participatie van de deelgebieden op federaal niveau wordt geregeld. De afschaffing van de Senaat brengt een grote wijziging in de Belgische benadering van dit klassieke federaal vraagstuk. Daartoe wordt na de beslissing tot afschaffing onderzocht welke alternatieve manieren van participatie van de deelgebieden aangewezen zijn. Bij die denkoefening hebben wij in het bijzonder aandacht voor de Duitstalige Gemeenschap, die door de afschaffing van de Senaat haar vertegenwoordiging op federaal niveau verliest. Daarbij kan worden nagedacht over de oprichting van een eigen kieskring. Daarvoor is wat ons betreft geen wijziging nodig van artikel 62 en 63 van de Grondwet. Zoiets kan geregeld worden bij gewone wet en dat zou een oplossing kunnen bieden voor onze Duitstalige vrienden op federaal niveau. Ik denk daarbij eveneens aan een oplossing voor de vertegenwoordiging van de Brusselse Vlamingen op het federale niveau. Een ander element waarmee we rekening zullen houden ten gevolge van de afschaffing, is de deelname aan de vertegenwoordiging in internationale parlementaire vergaderingen en internationale instellingen. Ook daarvoor zal gezocht worden naar een oplossing, zodat er geen losse eindjes overblijven. Daartoe werden de eerste stappen reeds gezet, met de inschakeling van het Kenniscentrum voor de Institutionele Aangelegenheden, met het oog op een analyse en uiteraard met het oog op een oplossing. Wanneer we spreken over burgerparticipatie, kan deze ruimte inderdaad gebruikt worden om burgerconferenties te organiseren, om rekening te houden met de verlangens, de bezorgdheden van burgers, zonder dat dit daarom een formeel politiek orgaan is. Ook nu worden verschillende collectieve burgerverenigingen hier reeds uitgenodigd, en worden zij reeds gevraagd om hier hun standpunten rond bepaalde thema’s die maatschappelijk van belang zijn, uiteen te zetten. Ten aanzien van bepaalde collega’s die graag hoorzittingen hadden gehad, wil ik er ook graag op wijzen dat wij in de vorige legislatuur zeer uitvoerig hebben gedebatteerd over de toekomst van de Senaat. Wij hebben alle hoogleraren, van de ULB, de VUB, de KUL, de UCL, de Universiteit Gent, de Universiteit Antwerpen, de Universiteit Mons, hier gehoord. We hebben daar een heel uitvoerig verslag van gemaakt. Er was inderdaad geen eenduidig standpunt, maar we hoeven die hoorzittingen in deze legislatuur niet over te doen. Laten we gewoon knopen doorhakken. We hebben zelfs met vertegenwoordigers van burgerinitiatieven gesproken. Ik verwijs naar David Van Reybrouck die hier geweest is en als democratiedeskundige zijn mening heeft geuit en dat de voorbije dagen nogmaals heeft gedaan. Maar wij moeten knopen doorhakken. We kunnen niet blijven vastlopen in hoorzittingen. Alle standpunten werden in de vorige legislatuur zeer uitvoerig uiteengezet en ze zijn ons meer dan voldoende bekend. Collega’s, Voorzitter, de afschaffing van de Senaat vereist een grondige herziening van de Grondwet. De verklaring tot herziening van de Grondwet zoals opgemaakt door de preconstituante biedt de mogelijkheid om de overgrote meerderheid van de nodige grondwetsartikelen te herzien of op te heffen. Het zijn er een veertigtal. Die waren niet voldoende. Er zijn vier grondwetsartikelen, artikel 36, 74, artikel 100, tweede lid, derde zin en artikel 143, § 2 van de Grondwet, die de samenstelling en de werking van de Senaat ook omschrijven of ergens regelen, en die door de preconstituante niet voor herziening vatbaar werden verklaard. Ik zal eerlijk zijn: ik begrijp nog steeds niet waarom die vier artikelen niet in de verklaring tot herziening werden opgenomen, noch door de Kamer, noch door de vorige regering, noch door de Senaat. Ook artikel 198 van de Grondwet is niet voor herziening vatbaar deze legislatuur, maar dient wel afgestemd te worden op de nieuwe, monocamerale realiteit. Wetende dat de coördinatieprocedure restrictief dient te worden gehanteerd, zijn wij van mening dat de wijziging van artikel 198 van de Grondwet met behulp van de coördinatieprocedure erin vervat, niet gepast is. Daarom wordt artikel 198 van de Grondwet toegevoegd aan de nieuw gecreëerde overgangsbepaling. Om de reeds aangehaalde redenen vervangt dit voorstel tot herziening van de Grondwet, dat vandaag wordt besproken, de overgangsbepaling van artikel 195 van de Grondwet, zodat de afschaffing van de Senaat integraal kan worden gerealiseerd. Alle artikelen kunnen worden herzien, ook de resterende artikelen die niet in de verklaring van de preconstituante waren opgenomen. De specifieke doelstelling van de procedure die wordt ingesteld door de overgangsbepaling impliceert dat ze slechts toepasselijk zal zijn gedurende de lopende legislatuur. Dat is des te meer gerechtvaardigd aangezien het dezelfde Kamers zijn die, met dezelfde meerderheden, zowel de te herziene bepalingen aanduiden als de herziening ervan uitvoeren. De herziening van de bepalingen die in de overgangsbepaling zijn opgesomd, heeft dus enkel tot doel het akkoord met betrekking tot de afschaffing van de Senaat uit te voeren en de volledige uitvoering daarvan mogelijk te maken. Maandag werd dit voorstel reeds goedgekeurd in de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden van de Senaat, waarmee een eerste stap werd gezet. Vandaag volgt de volgende stap. Ik reken dan ook op de nodige steun, zodat dit voorstel met de vereiste meerderheid kan worden goedgekeurd en kan worden overgezonden naar de Kamer van volksvertegenwoordigers. Tot slot wil ik uitdrukkelijk het personeel van de Senaat bedanken voor zijn inzet binnen deze instelling, in omstandigheden die zeker niet eenvoudig zijn. Daarnaast wil ik ook de meerderheidspartijen en bepaalde oppositiepartijen bedanken die hun steun hebben uitgesproken en de moed hebben om hier geen partijpolitiek spelletje van te maken, maar die willen kiezen voor een efficiëntere overheid. |
M. Karl Vanlouwe (N‑VA). – Si la suppression du Sénat a déjà fait couler beaucoup d’encre, elle n’a guère fait l’objet de véritables débats au sein du Sénat même et certainement pas à l’occasion de propositions de loi telles que celles qui nous sont soumises aujourd’hui. Nous faisons aujourd’hui un pas de plus vers la suppression de cette institution. Nous franchissons un nouvel obstacle dans la course de relais menant à la suppression du Sénat. L’évolution de la Belgique d’un système bicaméral à un système monocaméral est une étape logique du long processus de modernisation de notre système politique. Elle répond aux besoins actuels d’efficacité, de représentation démocratique, mais aussi de simplicité administrative, et donc aux attentes des citoyens. Le bicaméralisme, qui fait participer deux chambres, la Chambre des représentants et le Sénat, au processus législatif, remonte au 19e siècle, une époque à laquelle le Sénat était le contrepoids conservateur de la Chambre. C’était l’époque du suffrage censitaire où seules les personnes disposant d’un certain patrimoine avaient le droit et la possibilité de siéger dans cette institution. Plusieurs réformes de l’État successives ont déjà modifié les compétences et la composition du Sénat. Tous les partis traditionnels y ont participé. Quant à la composition, je vous rappellerai qu’il fut un temps où le Sénat était composé de sénateurs directement élus, qu’après la réforme de 1993, il a compté des sénateurs élus directement, des sénateurs de Communauté et des sénateurs cooptés et que le nombre de sénateurs a été réduit à chaque réforme de l’État. Avant 1993, le Sénat était une chambre élue directement et aux compétences identiques à celles de la Chambre des représentants. Si elle a maintenu l’élection directe, la réforme de 1993 a considérablement limité les compétences, anémiant dans les faits le système bicaméral. L’essentiel de la compétence législative a été attribué à la Chambre et aux parlements des entités fédérées, tout frais émoulus, dont les compétences ont été élargies. La sixième réforme de l’État de 2012‑2014 a été à l’origine d’un bouleversement radical. Depuis lors, le Sénat est un lieu de rencontre des entités fédérées. Les sénateurs ne sont plus élus. Chacun de nous tire sa légitimité démocratique de son entité fédérée. Les sénateurs ne sont plus élus directement. Le Sénat se compose de délégués des parlements des Régions et Communautés et de dix cooptés. Cette réforme de l’État a limité les pouvoirs du Sénat au contrôle politique, sans compétences législatives, hormis pour quelques procédures bicamérales telles que la modification de la Constitution, la désignation de juges à la Cour constitutionnelle et de conseillers au Conseil d’État et quelques autres compétences légales limitées. Si une possibilité d’évocation a été conservée, c’est la procédure monocamérale qui est devenue la règle. Les lois sont adoptées par la Chambre des représentants et le débat politique sur l’actualité a lieu à la Chambre et dans les parlements des entités fédérées. Depuis la réforme de 2014, il est ainsi apparu que le Comité de concertation a bien davantage contribué à la coordination et à la concertation entre les entités fédérées que le Sénat. Quel conflit d’intérêts ou de compétences entre entités fédérées ou entre les entités fédérées et l’autorité fédérale le Sénat a‑t‑il pu résoudre ? Aucun, je pense. Aujourd’hui, le rôle du Sénat est terminé. Les évolutions de la société et l’adaptation progressive de nos structures politiques et institutionnelles ont rendu une seconde chambre superflue. Les choses sont claires pour nous : le Sénat, chambre de réflexion non permanente dotée de compétences législatives très réduites, n’est plus utile et peut être supprimé. Il en résultera un processus décisionnel plus efficace et plus rapide dans les domaines encore soumis jusqu’ici à la procédure bicamérale. Le double examen de projets et propositions de loi est coûteux en temps et en moyens sans pour autant aboutir à de meilleurs résultats. Pensons à la navette qui existait jadis entre la Chambre et le Sénat. Le système monocaméral raccourcit sensiblement le processus et permet de réagir plus rapidement aux problèmes sociétaux urgents que nous rencontrons aujourd’hui, qu’il s’agisse de la crise actuelle, de la guerre au Moyen‑Orient, de la crise énergétique ou du pouvoir d’achat, sujets que nous n’abordons pas du tout. Dans un pays complexe comme le nôtre, doté de plusieurs niveaux de pouvoir et organes de concertation, il est essentiel d’élaguer la structure politique et la procédure législative afin de pouvoir mener des politiques efficaces. Nous organiserons ainsi, au profit du citoyen, un processus décisionnel simple et transparent, répondant mieux à une réalité institutionnelle de compétences exclusives. La suppression du Sénat aura aussi une incidence financière. Les missions de l’institution ne justifient plus en effet la dotation qu’elle reçoit. Ses coûts sont bien supérieurs à sa plus‑value dans le système fédéral. Un système monocaméral permet de faire des économies sans nuire à la qualité démocratique. Les compétences du Sénat seront, après sa suppression, transférées à la Chambre des représentants. Avec le Sénat disparaîtra aussi la chambre des entités fédérées, le lieu de rencontre et un des canaux de participation des entités fédérées. Or, la participation des entités fédérées est l’un des principes fondamentaux d’un État fédéral. La comparaison des systèmes fédéraux montre cependant qu’il n’existe pas de concept unique de participation des entités fédérées au niveau fédéral, ni une seule forme de participation. Classiquement, cette participation prend la forme d’une représentation au sein d’une seconde chambre, comme le Sénat aux États‑Unis ou le Bundesrat allemand, ou des formes hybrides. Dans les États où les entités fédérées ne sont pas représentées dans une seconde chambre fédérale, la participation effective de celles‑ci passe par des canaux de coopération intergouvernementaux, comme en Autriche et au Canada. Même en l’absence d’une seconde chambre, des mécanismes ad hoc ou des procédures spécifiques, comme l’initiative, la consultation, l’avis ou la ratification, permettent aux entités fédérées de faire entendre leur voix sur les modifications constitutionnelles, les procédures de nomination et d’autres décisions à l’échelon fédéral. Dans de nombreux systèmes fédéraux, la participation des entités fédérées ne passe en outre pas par des structures institutionnelles, comme une seconde chambre, mais s’opère indirectement via les partis. Tous ces exemples montrent que chaque système fédéral apporte sa propre réponse à la question de la participation des entités fédérées à l’échelon fédéral. La suppression du Sénat modifie radicalement l’approche belge de cette question fédérale classique. C’est pourquoi, une fois que la décision de supprimer le Sénat est prise, il convient d’analyser de quelles manières la participation des entités fédérées pourra être organisée, en étant particulièrement attentif à la situation de la Communauté germanophone qui, avec la disparition du Sénat, perd sa représentation au niveau fédéral. On pourrait envisager la création d’une circonscription électorale couvrant le territoire de la Communauté germanophone. Cela ne nécessite pas de modification des articles 62 et 63 de la Constitution, selon nous, mais peut se faire au moyen d’une loi ordinaire. Une solution doit aussi être trouvée pour la représentation des Flamands de Bruxelles à l’échelon fédéral. Un autre élément dont nous tiendrons compte, une fois le Sénat supprimé, est la participation à la représentation au sein d’assemblées parlementaires internationales et d’institutions internationales. Nous rechercherons aussi une solution et avons déjà pris une première initiative en faisant appel au Centre d’expertise pour les Affaires institutionnelles, chargé d’une analyse à ce sujet. Venons‑en à la participation citoyenne. Cet hémicycle peut en effet servir à organiser des conférences citoyennes qui permettront de prendre en considération les attentes et préoccupations des citoyens, sans pour autant créer un organe politique formel. Aujourd’hui déjà, diverses associations citoyennes sont déjà invitées à faire connaître leurs points de vue sur différents sujets de société. Je tiens aussi à rappeler – et je m’adresse aux collègues qui réclamaient des auditions – que durant la précédente législature, nous avons déjà longuement débattu de l’avenir du Sénat. Nous avons auditionné ici des professeurs de l’ULB, de la VUB, de la KUL, de l’UCL, de l’université de Gand, de l’université d’Anvers, de l’université de Mons. Nous y avons consacré un rapport circonstancié. Certes, les points de vue divergeaient, mais il est inutile de recommencer ces auditions. Il nous faut simplement trancher. Nous avons même discuté avec des représentants d’initiatives citoyennes, comme David Van Reybrouck qui nous a fait profiter de son expertise de la démocratie. Nous ne pouvons prolonger éternellement les auditions. Tous les points de vue ont été communiqués explicitement durant la précédente législature et sont bien connus. Nous devons trancher. La suppression du Sénat nécessite une profonde révision de la Constitution. La déclaration de révision établie par le préconstituant offre la possibilité de réviser ou abroger la majeure partie des articles nécessaires. Il s’agit d’une quarantaine d’articles, ce qui ne suffit pas. Quatre articles relatifs à la composition ou au fonctionnement du Sénat n’ont pas été déclarés ouverts à révision par le préconstituant. Il s’agit des articles 36, 74, 100, alinéa 2, troisième phrase, et 143, § 2, de la Constitution. Pour être honnête, je dirai que je ne comprends toujours pas pourquoi ces quatre articles n’ont pas été inscrits dans la déclaration de révision, ni par la Chambre, ni par le précédent gouvernement, ni par le Sénat. L’article 198 de la Constitution n’est lui non plus pas ouvert à révision, mais devra être adapté à la nouvelle réalité monocamérale. Étant donné que la procédure de coordination doit être utilisée avec parcimonie, nous pensons qu’il n’est pas opportun de modifier l’article 198 au moyen de la procédure de coordination qu’il établit. C’est pourquoi cet article 198 figure dans la nouvelle disposition transitoire. Pour toutes les raisons déjà citées, la présente proposition de révision de la Constitution remplace la disposition transitoire de l’article 195 de la Constitution afin de permettre la suppression totale du Sénat. Tous les articles peuvent être révisés, y compris ceux qui ne figurent pas dans la déclaration de révision du préconstituant. L’objectif particulier de la procédure lancée au moyen de la disposition transitoire implique qu’elle ne sera applicable que durant la législature en cours. Le procédé est d’autant plus justifié qu’il revient en l’espèce aux mêmes chambres, avec les mêmes majorités, et de désigner les dispositions à réviser et de procéder à leur révision. La révision des dispositions énoncées dans la disposition transitoire ne vise donc qu’à permettre la concrétisation complète de l’accord relatif à la suppression du Sénat. Lundi, la proposition a déjà été adoptée en commission des Affaires institutionnelles du Sénat, une première étape étant ainsi franchie. Nous en sommes aujourd’hui à la deuxième étape. Je compte donc sur votre soutien afin que cette proposition obtienne la majorité requise et soit ensuite transmise à la Chambre des représentants. Enfin, je tiens à remercier vivement le personnel du Sénat pour son engagement au sein de l’institution, dans des circonstances qui ne sont certainement pas faciles. Mes remerciements vont aussi aux partis de la majorité et à certains partis de l’opposition qui ont déjà exprimé leur soutien et ont le courage de ne pas se livrer à des manœuvres partisanes, mais de faire le choix d’une plus grande efficacité des autorités publiques. |
|
|||
|
De heer Jean‑Paul Wahl (MR). – Ik wil er eerst aan herinneren dat er een meerderheidsakkoord is en dat de MR dat zal respecteren. Maar ik wil wel de ware toedracht toelichten van enkele zaken die maandag in de commissie werden gezegd. Bijna alle fracties hebben erkend dat de manier waarop we artikel 195 van de Grondwet in zekere zin gaan opschorten niet de meest elegante is. Ik zal u tegenspreken, mijnheer Vanlouwe. Bij het opstellen van de lijsten tijdens de vorige zittingsperiode, door de Kamer, de Senaat en de regering, is men geen artikelen over de afschaffing van de Senaat vergeten, maar had men gewoon niet de intentie om de Senaat af te schaffen. Men had gepland om de Senaat eventueel te hervormen, maar ik herinner alle fracties die toen deel uitmaakten van de meerderheid eraan, dat er geen sprake was van de afschaffing van de instelling. We waren er wel van overtuigd dat de Senaat dringend moest worden hervormd. We zouden immers de waarheid geweld aandoen als we zouden beweren dat de Senaat goed werkte. Het achterdeurtje van de opschorting van artikel 195 van de Grondwet, dat inderdaad voor herziening vatbaar was verklaard, werd voor de eerste keer gebruikt na een crisis van meer dan 500 dagen. Destijds waren we het erover eens dat, als we de Grondwet een beetje geweld moesten aandoen om tot een akkoord te komen, we dat door de vingers konden zien omdat dit in het belang van de burgers was. Ik herinner eraan dat de partijen die destijds deel uitmaakten van de meerderheid, allemaal democratische partijen zijn die vandaag worden vertegenwoordigd, en dat, toen we over de wijziging moesten stemmen, de N‑VA behoorde tot de partijen die gekant waren tegen het gebruik en de wijziging van artikel 195 op die manier. De eerste minister heeft dat, met zijn gekende humor, trouwens niet ontkend in de commissie. Ik wil toch nog eens de omstandigheden van toen in herinnering brengen want er is toch een groot verschil op dat punt. Toen we die methode de eerste keer gebruikten, waren de omstandigheden uitzonderlijk, maar is dat vandaag het geval? Is het een probleem, een gevaar voor ons land, voor onze instellingen, voor het welzijn van onze burgers als de Senaat zo snel mogelijk zou verdwijnen? Dat is een kwestie van individuele beoordeling, maar ik herhaal dat er een evenwicht werd gevonden in de meerderheidsakkoorden, en mijn partij heeft mee over die akkoorden onderhandeld en heeft ze goedgekeurd. En een akkoord bevat soms punten waar men minder blij mee is. Dit gezegd zijnde, belanden we in een uiterst gevaarlijke fase. Zoals de heer Vanlouwe terecht heeft gezegd, moest het pas gevormde België bij de onafhankelijkheid in 1831 voldoen aan zekere eisen. Sommige ons omringende Staten maakten zich zorgen over een breuk met het Verdrag van Wenen, dat volgde op het Napoleontische tijdperk. België wilde Frankrijk, Engeland, Rusland en natuurlijk Nederland geruststellen. Daarom werd het nieuwe België geen republiek, maar een constitutionele monarchie met zeer beperkte bevoegdheden voor de Koning als zodanig. We bevonden ons in een context waarin er vaak wrijving was tussen de katholieke conservatieven en de liberalen. We moeten dit land dat in de gekende omstandigheden gevormd is, beschermen, en de Grondwet als zodanig is moeilijk te wijzigen. Eerst is immers de instemming nodig van de beide Kamers en de Koning, met andere woorden, de regering. Vervolgens, onmiddellijk na de verklaring tot herziening van de Grondwet, worden binnen de veertig dagen verkiezingen gehouden die tot de vernieuwing van de Kamers leiden. Op dat moment kan de procedure tot herziening van de Grondwet in werking treden. Het is duidelijk dat men in die omstandigheden destijds twee keer nadacht vooraleer de Kamers te ontbinden. Doorheen de tijd is het mechanisme er niet beter op geworden. Integendeel, het is nog ingewikkelder geworden met als gevolg dat de procedure voor de herziening van de Grondwet extreem moeilijk en zelfs gevaarlijk is geworden in de manier waarop het wordt toegepast. Waarom? Omdat men vandaag probeert zittingsperioden vijf jaar te laten duren en de data van de federale verkiezingen te laten samenvallen met die van de verkiezingen voor de deelstaten en voor Europa. Als we beslissen om over te gaan tot een grondwetsherziening, verliezen we uit het oog dat zodra er overeenstemming is bereikt over de drie lijsten, er binnen veertig dagen verkiezingen moeten volgen. Voortaan houden we in het achterhoofd dat er veertig dagen vóór de verkiezingen, en vóór de ontbinding van de kamers, absoluut een akkoord moet zijn over de artikelen van de Grondwet die voor herziening vatbaar zijn. We moeten toegeven dat, tijdens de vorige zittingsperioden, dat akkoord steeds met een zekere haast tot stand is gekomen en soms zelfs met zekere verschillen tussen de lijsten van voor herziening vatbaar verklaarde artikelen, zelfs al deed men alsof men die verschillen niet echt zag omdat het vooruit moest gaan. Ik vind het een goede zaak dat artikel 195 van de Grondwet voor herziening vatbaar is verklaard. Ik wijs er trouwens op dat de Arizona‑meerderheidsakkoorden bepalen dat er een reflectie moet worden gehouden over de procedure van herziening van de verkiezingen. Ik denk dat die herzieningsprocedure best gespreid blijft over twee zittingsperioden. Die verplichting van 40 dagen heeft uiteraard een negatieve weerslag op de kwaliteit van ons werk. In plaats van ons te houden aan de termijn van 40 dagen, hadden we, ook hier in de Senaat, rustiger kunnen nadenken over bepaalde voorstellen. We moeten uiteraard op een bepaald moment tot een consensus komen, maar wellicht na voorafgaand werk. Het is gevaarlijk dat we het mechanisme – dat mijn partij trouwens heeft goedgekeurd – hebben gebruikt dat erin bestaat om de werking van artikel 195 tijdelijk uit te schakelen. Het is opmerkelijk dat artikel 195 voor herziening vatbaar is verklaard en dat we, zoals in 2009, een bepaling gaan aannemen waarmee we, voor de duur van een zittingsperiode, de voorwaarden van artikel 195 opschorten. Dat wil zeggen dat we om het even wat kunnen doen. Alle garanties van de Grondwet verdwijnen. De eerste minister heeft er trouwens op gewezen in de commissie: hij heeft gezegd dat we na de artikelen over de Senaat en tijdens de huidige zittingsperiode, absoluut nog andere artikelen van de Grondwet kunnen herzien. We zouden zelfs heel de Grondwet kunnen herzien. Als we er echter voor kiezen om artikel 195 in de komende zittingsperioden stelselmatig voor herziening vatbaar te verklaren en deze waarborg systematisch af te schaffen, dan begeven we ons in een land als het onze – dat een heel specifieke samenstelling heeft en het resultaat is van talrijke compromissen en van die wijsheid die ons altijd in staat heeft gesteld in vrede te leven – op bijzonder glad ijs. Die praktijk moet dus een uitzondering blijven. Ook al heeft de eerste minister volgens mij juridisch gelijk wanneer hij beweert dat we inderdaad nog andere artikelen van de Grondwet kunnen wijzigen – en hij ging zelfs zo ver om te zeggen dat die praktijk blijvend kan worden –, dan nog heeft hij op politiek vlak ongelijk. Het gaat dus om een duidelijke rode lijn voor de MR. We moeten ons beperken tot wat overeengekomen is in de meerderheidsakkoorden. Het debat van vandaag gaat over de wijziging van artikel 195. De eigenlijke afschaffing van de Senaat zal later worden besproken. Maar aangezien we er al veel over hebben gesproken, wilde ik toch sommige punten herhalen. Ik hoor vandaag de partijen, bijna unaniem, zeggen dat die verschrikkelijke, nutteloze Senaat absoluut moet worden afgeschaft. Ook de partijen die bij de zesde staatshervorming hebben meegewerkt aan het vastleggen van de contouren van de nieuwe Senaat, zeggen dat. Op enkele jaren zou die Senaat verschrikkelijk zijn geworden… Ik kom nog terug op dat punt. Ik herinner mijn collega’s uit de huidige en de toenmalige meerderheid eraan dat de enige meerderheidspartij die dat niet heeft goedgekeurd, en ik erken het, de N‑VA is. Het is opmerkelijk dat vervolgens, binnen de Zweedse coalitie, de N‑VA de akkoorden moest toepassen waarvoor ze niet had gestemd. We moeten ook toegeven dat ondanks alle bedenkingen die de N‑VA had, we geprobeerd hebben die akkoorden toe te passen. Sommigen, waaronder de fractieleider van Vooruit, beweren dat het enige dat nog interessant is in deze assemblee het debat over de afschaffing van de Senaat is. Dat strookt nochtans niet met de waarheid. Volgens mij zijn er interessante verslagen opgesteld. Ik heb de heer Bert Anciaux trouwens met volle overtuiging zijn standpunten zien verdedigen. Andere fractieleiders, zoals de heer Jean‑Jacques De Gucht, hebben ook veel belangrijke dossiers verdedigd. Ik mag trouwens de heer Rik Daems niet vergeten. Ook de leden van de cd&v‑fractie hebben inspanningen gedaan en we hebben geprobeerd goed werk te leveren, ook al wisten we dat dit moeilijk was. Over alle fracties heen hebben de senatoren deelgenomen aan de werkzaamheden. Volgens mij is het een beetje beledigend voor de senatoren, voor de mensen die zijn gehoord in de hoorzittingen en voor het personeel om te zeggen dat die werkzaamheden nutteloos waren. Dat neemt niet weg dat het systeem niet meer efficiënt is vandaag en dat een hervorming inderdaad nodig is. Daarom staan er bepaalde grondwetsartikelen over de Senaat in de verklaring tot herziening van de Grondwet. In tegenstelling tot wat de heer Vanlouwe denkt, bestaat het bicamerisme vandaag niet meer echt in het federale België, behalve voor de herziening van de Grondwet en de bijzondere wetten, met andere woorden voor de organisatie van de Staat. Dankzij dat bicamerisme kunnen de deelstaten deelnemen aan de uitwerking en de wijziging van de staatsstructuur. Met andere woorden, de Senaat is de meest federale instelling, zelfs de meest confederale instelling van dit land. Dat punt maakt deel uit van de rode lijnen waarover ik het daarnet had. Ik heb gehoord dat sommige aspecten zouden worden geregeld na de afschaffing van de Senaat, maar dat sluit ik volledig uit. Alles moet snel geregeld worden, vóór de debatten in de Kamer en de stemming over de grondwetsartikelen over de Senaat in de strikte zin. Dat zal een essentiële rode lijn zijn voor de MR. Er is geen sprake van dat we deze procedure voort zullen zetten als de punten die in de commissie door bijna alle politieke partijen werden opgeworpen, niet geregeld worden vóór de stemmingen over de afschaffing van de Senaat. Er moeten dus nog een aantal punten worden geregeld. We hebben getracht om datgene wat in 2011 is goedgekeurd door alle partijen te doen werken. Sommigen van hen vinden nu wat is goedgekeurd in 2011 rampzalig. Alleen de N‑VA is steeds consequent geweest. Mevrouw D’Hose, u werd tot voorzitster van de Senaat verkozen met de steun van een groot deel van de meerderheid die de Senaat wilde doen functioneren. Maar als sommigen voortdurend verkondigen dat al wat in de Senaat wordt gedaan slecht is en dat hij moet worden afgeschaft, is dat voor iedereen demotiverend. Degenen die niet willen deelnemen aan de werkzaamheden kunnen beter niet komen. Ik ga het nu hebben over de rode lijnen die de MR wil doen respecteren. Er zijn vooreerst de omstandigheden waarin de stemmingen zullen worden gehouden, zowel de stemming van vandaag als de andere. Ik heb in naam van mijn fractie gezegd dat, als we merken dat we Vlaams Belang of de PVDA‑PTB nodig hebben om de hervorming te laten doorgaan, wij niet meer meedoen. Mijn partijvoorzitter is nog een beetje verdergegaan. De stemming van vandaag en de manier waarop die zal gebeuren, zijn uiterst belangrijk. Vervolgens zal hetzelfde debat in de Kamer plaatsvinden. Daarna zal het gaan om de artikelen met het oog op de afschaffing van de Senaat. Het probleem van de Duitstalige Gemeenschap moet worden geregeld. In dat verband zal mevrouw Scholzen haar standpunt bevestigen als vertegenwoordigster van de Duitstalige Gemeenschap in deze instelling en zal ze zich verzetten tegen de hervorming, aangezien ze van de hele Duitstalige Gemeenschap een mandaat heeft. We begrijpen die stem volledig; ze is consequent. Zolang er geen garanties zijn voor de Duitstalige Gemeenschap, zullen er grote problemen zijn. Ik voeg daaraan toe dat, als men in een meerderheid niet zeker is het quorum te zullen bereiken onder de voorwaarden die men zichzelf heeft opgelegd, men moet proberen om zich niet te arrogant op te stellen tegenover de partners, maar om voldoende open te staan tegenover de oppositie. Ik respecteer de genomen beslissingen en ik ga ze niet tegenspreken. We zullen ons standpunt niet wijzigen. Maar we waren vaak verbouwereerd over de gevolgde strategie, zowel in verband met de manier waarop men kijkt naar het standpunt van de MR‑fractie, als in verband met een aantal punten die zijn geweigerd. De tweede noodzakelijke rode lijn is de deelname van de deelstaten aan het mechanisme van de herziening van de Grondwet. Vandaag vervult de Senaat die rol. Dat is een van zijn laatste essentiële functies. Het is toch een beetje eigenaardig dat in ons land de Kamer voortaan aan de gewesten zal kunnen zeggen wat hun bijkomende bevoegdheden zijn. Ik ben niet zeker dat dit ook in de andere richting zal gaan. Bevoegdheden krijgen is een zaak, maar ze kunnen uitoefenen is een andere, want dat vergt middelen. Zo heeft men het in Wallonië over de afschaffing van de provincies. Dat is niet zo eenvoudig te realiseren want de andere beleidsniveaus hebben niet noodzakelijk zin om alle provinciale bevoegdheden over te nemen. Maar dat is een ander debat. Wanneer men overgaat tot een staatshervorming, is het toch normaal dat de deelstaten die nieuwe bevoegdheden zullen moeten uitoefenen, op een of andere wijze bij dat proces betrokken worden. Zeggen dat men daarvoor zal zorgen na de afschaffing van de Senaat, daar geloof ik niet in! Achteraf zullen er verkiezingen zijn, en andere prioriteiten. De deelstaten zullen uiteindelijk niets meer in de pap te brokken hebben, en dat is niet aanvaardbaar. Een andere rode lijn is de problematiek van de vertegenwoordiging van de deelstaten in de internationale instellingen. De meeste interparlementaire internationale instellingen, op enkele uitzonderingen zoals het Beneluxparlement na, erkennen immers Staten en geen deelstaten. Canada wordt ook niet erkend via zijn provincies en Zwitserland niet via zijn kantons. Dat hangt niet van ons af en we kunnen daar niets aan veranderen! We hebben ons al over dat probleem gebogen, met name in het Waals Parlement onder het voorzitterschap van de heer Antoine, en de diensten van de Senaat hebben dat ook bevestigd. Dat is dus een andere rode lijn die voor ons essentieel is en die uiteraard moet worden gerespecteerd. Tot slot wil ik zeggen dat we geprobeerd hebben de Senaat te doen werken. Mevrouw Defraigne heeft zich daar ook aan gewijd. Misschien heeft ze wel de vergissing begaan niet te begrijpen dat de ‘nieuwe’ Senaat een niet‑permanente assemblee was en dat we ons moesten aanpassen. Dat is het enige verwijt dat ik haar kan maken, maar ik kan haar de overtuiging waarmee ze haar voorzitterschap heeft uitgeoefend, niet kwalijk nemen. Ook mevrouw Laruelle heeft verschillende maanden echt geprobeerd om mechanismen te vinden die de Senaat nuttig konden maken. Ik stel vast dat mevrouw De Bue en uzelf, mijnheer de voorzitter, al veel hebben gedaan om de diensten van de Kamer en de Senaat te fusioneren om gekibbel te voorkomen over wie wat doet, over wie welke lift onderhoudt. Er is al veel bereikt, ook al is er nog brood op de plank. Sta me ook toe – en dat is een persoonlijke rode lijn – eer te betuigen aan het personeel van de Senaat en aan het werk dat deze instelling heeft verricht. Ik wil dat misprijzen voor het werk dat in deze assemblee is verricht niet meer horen. |
M. Jean‑Paul Wahl (MR). – Je voudrais d’abord rappeler qu’il y a des accords de majorité et que le groupe MR les respectera. Je tiens à rétablir quelques vérités et à contredire certains propos que j’ai pu entendre, notamment en commission lundi. Presque tous les groupes politiques ont reconnu que la manière dont nous allons, en quelque sorte, suspendre l’article 195 de la Constitution n’est pas la plus élégante. Je vais vous contredire, Monsieur Vanlouwe. Lors de l’établissement des listes sous la précédente législature, par la Chambre, le Sénat et le gouvernement, on n’a pas oublié des articles pour supprimer le Sénat, on n’avait simplement pas envisagé de supprimer le Sénat. On avait envisagé d’éventuellement le modifier, mais je le rappelle à tous les groupes qui faisaient partie de la majorité à l’époque, il n’était pas question à l’époque de supprimer l’institution. On avait, par contre, la conviction qu’il fallait impérativement réformer le Sénat. Ce serait en effet une contrevérité de dire que le Sénat fonctionnait bien. La première fois qu’on a utilisé le subterfuge de suspendre l’article 195 de la Constitution, qui était effectivement soumis à révision, c’était au terme d’une crise de plus de 500 jours. On s’est dit à l’époque que si, pour arriver à un accord, il fallait bousculer un peu la noble dame qu’était la Constitution, nous pouvions fermer les yeux et que c’était dans l’intérêt de nos concitoyens. Je rappelle que les partis qui constituaient à l’époque la majorité sont tous des partis démocratiques aujourd’hui représentés et que, lorsqu’il a fallu voter la modification, la N‑VA faisait partie de ceux qui étaient opposés à ce que l’on utilise et modifie l’article 195 de cette façon. Le premier ministre, avec l’humour qu’on lui connaît, ne l’a d’ailleurs pas nié en commission. Je tiens néanmoins à rappeler les conditions parce qu’il y a quand même une sérieuse différence à cet égard. Lorsqu’on utilise pour la première fois cette méthode, les circonstances sont exceptionnelles, mais aujourd’hui, qu’en est‑il ? Est‑ce un problème, un péril pour le pays, pour nos institutions, pour le bien‑être de nos concitoyens si le Sénat disparaît le plus rapidement possible ? C’est une question d’appréciation individuelle, mais je répète qu’il y a un équilibre qui a été trouvé dans les accords de majorité, accords que mon parti a négociés et approuvés. Et, dans des accords, il y a parfois des éléments que l’on aime moins que d’autres. Cela étant, nous entrons dans une phase extrêmement dangereuse. Comme M. Vanlouwe l’a rappelé à juste titre, lors de l’indépendance en 1831, la Belgique qui vient de se constituer a des impératifs à respecter. Des États autour de nous s’inquiètent alors de ce qui constitue une rupture par rapport au Traité de Vienne qui a suivi l’époque napoléonienne. Vis‑à‑vis de la France, de l’Angleterre, de la Russie et naturellement des Pays‑Bas, il y a une volonté de rassurer. À cet effet, on fait de la Belgique nouvelle non pas une république, mais une monarchie constitutionnelle avec des pouvoirs très limités pour le Roi en tant que tel. Nous sommes dans un contexte où les conservateurs catholiques et les libéraux ne s’entendent pas toujours très bien. Il faut préserver ce pays qui se constitue dans les conditions que l’on sait, et la Constitution en tant que telle est difficile à modifier. En effet, pour cela, il faut d’abord l’accord des deux Chambres et du Roi, autrement dit, du gouvernement. Ensuite, immédiatement après la déclaration de révision de la Constitution, on organise, dans les quarante jours, des élections qui entraînent le renouvellement des Chambres. C’est alors que le processus de révision de la Constitution peut être mis en œuvre. Il est clair que dans ces conditions, on y réfléchissait à deux fois à l’époque avant de dissoudre les Chambres. Avec le temps, le mécanisme ne s’est pas amélioré. Au contraire, il s’est complexifié, si bien que le processus de révision de la Constitution est devenu extrêmement compliqué voire dangereux dans la manière dont il est mis en œuvre. Pourquoi ? Parce qu’aujourd’hui, on essaye de faire en sorte que les législatures durent cinq ans et que la date des élections fédérales coïncide avec celle des élections régionales et européennes. Lorsque l’on décide de procéder à une réforme de la Constitution, on ne se dit plus qu’une fois l’accord obtenu sur les trois listes, il faudra voter quarante jours plus tard. Ce que l’on a désormais en tête, c’est que, 40 jours avant les élections et avant que l’on dissolve les Chambres, il faut absolument un accord sur les articles de la Constitution à réviser. Et force est d’admettre que, lors des dernières législatures, cela s’est toujours fait dans une certaine précipitation et, parfois d’ailleurs, avec certaines divergences entre les listes d’articles à réviser, même si l’on faisait semblant de ne pas trop voir ces divergences parce qu’il fallait bien avancer. Je pense que le fait que l’article 195 de la Constitution soit soumis à révision est une bonne chose. Je rappelle d’ailleurs que les accords de majorité de l’Arizona prévoient qu’une réflexion doit être menée sur le processus de révision des élections. Je crois qu’il serait sage que ce processus se déroule toujours sur deux législatures. Cette contrainte des 40 jours a évidemment une incidence négative sur la qualité de notre travail. Au lieu de s’en tenir à ce délai de 40 jours, nous aurions pu, y compris ici au Sénat, réfléchir plus calmement sur certaines propositions. Il faut évidemment parvenir à un consensus à un moment ou à un autre, mais probablement au terme d’un travail préalable. Ce qui est dangereux, c’est que nous avons utilisé le mécanisme – que mon parti a d’ailleurs voté – qui consiste à suspendre temporairement l’application de l’article 195. Ce qui est extraordinaire, c’est que l’article 195 est soumis à révision et que l’on va adopter, comme en 2009, une disposition précisant que l’on suspend, le temps de la législature, les conditions de l’article 195. Cela veut dire qu’on peut faire tout et n’importe quoi. Toutes les garanties de la Constitution disparaissent. Le premier ministre l’a d’ailleurs rappelé en commission : il a dit qu’en définitive, nous pouvons, après les articles sur le Sénat et au cours de la présente législature, encore soumettre à révision d’autres articles de la Constitution. Nous pourrions même revoir toute la Constitution. Toutefois, si l’on opte pour le mécanisme consistant à soumettre systématiquement l’article 195 à révision lors des prochaines législatures et si l’on fait systématiquement disparaître cette garantie, alors, dans un pays comme le nôtre, composé comme il l’est et qui est le fruit de multiples compromis et de cette sagesse qui a toujours permis de vivre en paix, nous risquons une aventure particulièrement dangereuse. Cette pratique doit donc conserver un caractère exceptionnel. Si le premier ministre a, selon moi, juridiquement raison lorsqu’il affirme que l’on pourrait effectivement modifier encore d’autres articles de la Constitution – et il a même été jusqu’à dire que cette pratique pourrait se pérenniser –, il a politiquement tort. Il s’agit donc là d’une balise évidente pour le MR. Il faut se limiter à ce qui est convenu dans les accords de majorité. Le débat d’aujourd’hui concerne la modification de l’article 195. La suppression du Sénat proprement dite sera abordée ultérieurement. Mais comme nous en avons beaucoup parlé, je voudrais quand même rappeler un certain nombre de points. J’entends aujourd’hui les partis dire, dans une quasi‑unanimité, qu’il faut absolument supprimer ce Sénat épouvantable, qui ne sert à rien. Parmi ces partis, il y a ceux qui, lors de la sixième réforme de l’État, ont participé à la définition des contours du nouveau Sénat. Et en quelques années, ce Sénat serait devenu, paraît‑il, épouvantable… Je reviendrai sur ce point. Je rappelle à mes collègues qui forment la majorité actuelle et à ceux qui formaient la majorité de l’époque, que le seul parti de majorité qui n’a pas voté cela, c’est – je le reconnais – la N‑VA. Il est particulier que, par la suite, au sein de la coalition suédoise, la N‑VA ait dû appliquer les accords qu’elle n’avait pas votés. Admettons également qu’avec toutes les réserves qu’avait la N‑VA, nous avons essayé d’appliquer ces accords. D’aucuns, parmi lesquels le chef du groupe Vooruit, affirment que la seule chose encore intéressante dans cette assemblée est la discussion sur la suppression du Sénat. Or, cela est contraire à la réalité. Selon moi, des rapports intéressants ont été rédigés. Par ailleurs, j’ai vu M. Bert Anciaux défendre des points de vue avec acharnement. D’autres chefs de groupe, tels que M. Jean‑Jacques De Gucht, ont aussi défendu un grand nombre de dossiers importants. Je m’en voudrais aussi de ne pas citer M. Rik Daems. Les membres du groupe cd&v ont, eux aussi, contribué aux efforts, et nous avons essayé de faire du bon travail, tout en sachant que cela était compliqué. Les sénateurs, tous groupes confondus, ont participé aux travaux. Selon moi, dire que ces travaux n’ont servi à rien est un peu insultant pour les collègues sénateurs, les personnes auditionnées et les membres du personnel. Il n’en demeure pas moins que le système n’est plus efficace aujourd’hui et qu’il est, bien entendu, nécessaire de le modifier. C’est la raison pour laquelle certains articles de la Constitution concernant le Sénat figuraient dans la déclaration de révision de la Constitution. Contrairement à ce que pense M. Vanlouwe, le bicaméralisme n’existe plus vraiment aujourd’hui en Belgique fédérale, hormis pour la révision de la Constitution et les lois spéciales, autrement dit pour ce qui concerne l’organisation de l’État. Ce bicaméralisme permet aux entités fédérées de participer à l’élaboration et à la modification de la structure de l’État. En d’autres termes, le Sénat est l’institution la plus fédérale, voire la plus confédérale de ce pays. Cet élément fait partie des balises que j’évoquerai ensuite. J’ai entendu que certains aspects seraient réglés après la suppression du Sénat, mais je l’exclus totalement. Tout devra être réglé rapidement, avant les débats à la Chambre et le vote sur les articles de la Constitution qui concernent le Sénat proprement dit. Il s’agira d’une balise essentielle pour le groupe MR. Il sera hors de question de poursuivre le processus si les points, qui ont été soulevés en commission par presque tous les partis politiques, n’ont pas été réglés avant les votes relatifs à la suppression du Sénat. Il reste donc un certain nombre de points à régler. Nous avons essayé de faire fonctionner ce qui avait été adopté en 2011 par tous les partis. Certains d’entre eux trouvent aujourd’hui que ce qui a été voté en 2011 est absolument désastreux, à l’exception de la N‑VA qui a toujours été logique. Madame D’Hose, vous avez été portée à la présidence du Sénat avec l’appui d’une grosse partie de la majorité qui souhaitait faire fonctionner le Sénat. Mais lorsque certains ne cessent de proclamer que tout ce qu’on fait au Sénat est mauvais et qu’il faut le supprimer, c’est démotivant pour tout le monde. Que ceux qui ne souhaitent pas participer aux travaux ne viennent pas. Je parle maintenant des balises que le MR entend faire respecter. Il y a d’abord les conditions dans lesquelles vont se tenir les votes, que ce soit celui d’aujourd’hui ou d’autres. Je l’ai dit au nom de mon groupe, si on s’aperçoit qu’on a besoin des partis Vlaams Belang ou PTB pour faire passer la réforme, nous ne marcherons plus. Mon président de parti est allé un peu plus loin encore. Le vote d’aujourd’hui et la manière dont ce vote se fera ont toute leur importance. Ensuite, le même débat va avoir lieu à la Chambre. Puis il y aura les articles visant à supprimer le Sénat. Il faudra régler le problème de la Communauté germanophone. À cet égard, Mme Scholzen va confirmer sa position en tant que représentante dans cette institution de la Communauté germanophone et s’opposer à la réforme, puisqu’elle a un mandat de l’ensemble de celle‑ci. Nous comprenons parfaitement ce vote, qui est logique. Tant qu’il n’y aura pas de garanties pour la Communauté germanophone, il y aura de grosses difficultés. J’ajouterai aussi, à ce propos‑là, que lorsque, dans une majorité, on n’est pas sûr d’atteindre le quorum dans les conditions qu’on s’est fixées, on doit essayer de ne pas se montrer trop arrogant entre partenaires, mais également d’être assez ouvert vis‑à‑vis des partis de l’opposition. Je respecte les décisions qui ont été prises et je ne vais pas les contredire. Nous garderons la même position. Mais la stratégie suivie, nous a quand même très souvent laissés perplexes, tant en ce qui concerne le regard que l’on avait sur le positionnement du groupe MR que sur un certain nombre de points qui étaient refusés. La deuxième balise indispensable est la participation des entités fédérées au mécanisme de révision de la Constitution. Aujourd’hui, le Sénat sert à cela. C’est l’une de ses dernières fonctions essentielles. Il est quand même un petit peu particulier que dans notre pays, ce sera la Chambre désormais qui dira aux Régions qu’elles ont des compétences en plus à gérer. Je ne suis pas certain soit dit en passant que les choses iront aussi dans l’autre sens. Recevoir des compétences est une chose, mais pouvoir les gérer en est une autre, car cela exige des moyens. Ainsi, en Wallonie, on parle de la suppression des provinces. Elle n’est pas si simple à réaliser car les autres niveaux de pouvoir n’ont pas nécessairement envie de reprendre toutes les compétences provinciales. Mais c’est un autre débat. Il est quand même normal, au moment où l’on procède à une réforme de l’État, d’associer d’une manière ou d’une autre au processus les entités fédérées qui seront amenées à gérer de nouvelles compétences. Dire que l’on y veillera après la suppression du Sénat, je n’y crois pas ! Après, il y aura les élections et d’autres priorités. Les entités fédérées n’auront finalement plus leur mot à dire, ce qui n’est pas acceptable. Une autre balise est la problématique de la représentation des entités fédérées au sein des instances internationales. En effet, la majorité des instances internationales interparlementaires, à quelques exceptions près, comme le parlement Benelux, reconnaissent les États et pas les entités fédérées. Le Canada non plus n’est pas reconnu par ses provinces et la Suisse pas davantage par ses cantons. Cela ne dépend pas de nous et nous ne pouvons rien y changer ! On s’est déjà penché sur le problème, notamment au Parlement wallon à l’époque où M. Antoine en était le président et les services du Sénat l’ont également confirmé. Voilà donc une autre balise qui nous semble essentielle et qui doit évidemment être respectée. Pour clôturer, je tiens à dire que l’on a essayé de faire fonctionner le Sénat. Mme Defraigne s’y est attelée aussi, certes en commettant peut‑être l’erreur de ne pas comprendre que le Sénat « nouvelle formule » était une assemblée non permanente et qu’il fallait s’adapter. C’est le seul reproche que je puis lui faire, mais je ne peux pas lui reprocher la conviction avec laquelle elle a exercé sa présidence. Mme Laruelle aussi a essayé pendant plusieurs mois de trouver véritablement les mécanismes permettant au Sénat d’être utile. Je constate que Mme De Bue et vous‑même, Monsieur le président, avez déjà fait beaucoup aussi pour fusionner les services de la Chambre et du Sénat et éviter ainsi les chamailleries sur qui fait quoi, qui entretient quel ascenseur. Beaucoup de choses qui ont été faites, même s’il y a encore du pain sur la planche. Permettez‑moi aussi – et c’est une balise plus personnelle – de rendre hommage au personnel du Sénat et au travail que cette institution a accompli. Je ne veux plus entendre ce mépris pour le travail qui a été accompli dans cette assemblée ! |
|
|||
|
Mevrouw Liesa Scholzen (MR). – Ik zal mijn toespraak vandaag in het Duits houden. Het thema is van het grootste belang voor de Duitstalige bevolking. |
Mme Liesa Scholzen (MR). – Je prononcerai mon intervention en allemand. Le thème abordé est de la plus grande importance pour la population germanophone. |
|
|||
|
De geplande hervorming raakt ons op een heel bijzondere manier. Ik dank u dan ook bij voorbaat voor uw aandacht. |
La réforme envisagée nous touche d’une manière toute particulière. Je vous remercie donc d’avance pour votre attention. |
|
|||
|
Die Reform des Senats aus dem Jahre 2014 hat dem Senat eine spezifische Rolle zugewiesen. Durch das Inkrafttreten der sechsten Staatsreform wurden den Teilstaaten neue Zuständigkeitspakete übertragen und der Senat wurde zu dem Ort, an dem die verschiedenen Teilstaaten auf föderaler Ebene vertreten sind. Die Aufgabe der Senatorinnen und Senatoren in diesem Haus ist es also, in erster Linie die Interessen ihrer jeweiligen Region oder Gemeinschaft zu vertreten. Solange der Senat also noch existiert, ist es meine Aufgabe, die Interessen der Deutschsprachigen Gemeinschaft und somit die Interessen der deutschsprachigen Belgier hier an diesem Rednerpult zu verteidigen. Aktuell ist das zum Glück noch möglich. Und hier kommen wir zum Kern des Problems. Wenn der Senat abgeschafft wird, verlieren wir unsere einzige garantierte Vertretung auf föderaler Ebene. Wir sprechen also heute über nicht weniger als die politische Teilhabe der deutschsprachigen Belgier in diesem Land. In der Kammer ist diese Vertretung aktuell nicht abgesichert. Ob die Bevölkerung des deutschen Sprachgebiets in der Kammer vertreten ist, hängt von der Listenplatzierung deutschsprachiger Kandidaten im Wahlkreis Lüttich ab. So ist aktuell ein deutschsprachiger Abgeordneter dort. In der Vergangenheit war das allerdings nicht immer der Fall. Und durch die drohende Abschaffung des Devolutiveffekts wird uns künftig zusätzlich auch dieser Weg faktisch versperrt sein. Seit Jahrzehnten ist der Senat der einzige Ort, an dem die deutschsprachige Minderheit Belgiens sich im Herzen unserer föderalen Demokratie äußern kann. Durch den vom Parlament der Deutschsprachigen Gemeinschaft benannten Senator oder in dem Fall die Senatorin haben wir einen ständigen institutionalisierten Kanal, um unsere Anliegen, unsere spezifischen Herausforderungen und unsere Forderungen in die föderale Legislative einzubringen. Das ist kein Luxus. Es ist eine verfassungsrechtlich verankerte Garantie für eine gleichberechtigte Teilhabe, eine Anerkennung unserer Rechte als nationale und sprachliche Minderheit. Laut Verfassung umfasst Belgien drei Gemeinschaften und drei Regionen. Der Politikwissenschaftler Cédric Istasse erinnert in einem Artikel in der RTBF daran, dass es in allen Föderalstaaten zwei parlamentarische Kammern gibt, damit die Teilstaaten vertreten sind. Das gilt für die Kantone der Schweiz, die Länder in Deutschland und Österreich oder die Bundesstaaten in den USA. Wir haben es eben schon gehört. Durch die Abschaffung des Senats entfällt diese Vertretung. Das betrifft alle Teilstaaten in Belgien gleichermaßen. Der Kollege Benjamin Dalle ist darauf eingegangen. Also muss im Anschluss an die Abschaffung des Senats Wege gesucht werden, damit den Teilstaaten dieses Mitspracherecht zukünftig auch ermöglicht wird. Das ist der eine Punkt. Wir als Deutschsprachige stehen allerdings vor noch einer zweiten Herausforderung. Laut Verfassung umfasst Belgien nämlich vier Sprachgebiete. Das deutsche Sprachgebiet, das französische, das niederländische und das zweisprachige Gebiet Brüssel. Die deutsche Sprache ist somit als anerkannte Landessprache durch ein verfassungsrechtliches Sprachgebiet gesichert. Nun riskieren wir allerdings, dass dieses Sprachgebiet von der föderalen parlamentarischen Ebene ausgeschlossen wird. Und diese Sorge besteht ausschließlich für den deutschsprachigen Teil der belgischen Bevölkerung, da sie als einzige auf föderaler Ebene nicht mehr vertreten sein wird. |
Die Reform des Senats aus dem Jahre 2014 hat dem Senat eine spezifische Rolle zugewiesen. Durch das Inkrafttreten der sechsten Staatsreform wurden den Teilstaaten neue Zuständigkeitspakete übertragen und der Senat wurde zu dem Ort, an dem die verschiedenen Teilstaaten auf föderaler Ebene vertreten sind. Die Aufgabe der Senatorinnen und Senatoren in diesem Haus ist es also, in erster Linie die Interessen ihrer jeweiligen Region oder Gemeinschaft zu vertreten. Solange der Senat also noch existiert, ist es meine Aufgabe, die Interessen der Deutschsprachigen Gemeinschaft und somit die Interessen der deutschsprachigen Belgier hier an diesem Rednerpult zu verteidigen. Aktuell ist das zum Glück noch möglich. Und hier kommen wir zum Kern des Problems. Wenn der Senat abgeschafft wird, verlieren wir unsere einzige garantierte Vertretung auf föderaler Ebene. Wir sprechen also heute über nicht weniger als die politische Teilhabe der deutschsprachigen Belgier in diesem Land. In der Kammer ist diese Vertretung aktuell nicht abgesichert. Ob die Bevölkerung des deutschen Sprachgebiets in der Kammer vertreten ist, hängt von der Listenplatzierung deutschsprachiger Kandidaten im Wahlkreis Lüttich ab. So ist aktuell ein deutschsprachiger Abgeordneter dort. In der Vergangenheit war das allerdings nicht immer der Fall. Und durch die drohende Abschaffung des Devolutiveffekts wird uns künftig zusätzlich auch dieser Weg faktisch versperrt sein. Seit Jahrzehnten ist der Senat der einzige Ort, an dem die deutschsprachige Minderheit Belgiens sich im Herzen unserer föderalen Demokratie äußern kann. Durch den vom Parlament der Deutschsprachigen Gemeinschaft benannten Senator oder in dem Fall die Senatorin haben wir einen ständigen institutionalisierten Kanal, um unsere Anliegen, unsere spezifischen Herausforderungen und unsere Forderungen in die föderale Legislative einzubringen. Das ist kein Luxus. Es ist eine verfassungsrechtlich verankerte Garantie für eine gleichberechtigte Teilhabe, eine Anerkennung unserer Rechte als nationale und sprachliche Minderheit. Laut Verfassung umfasst Belgien drei Gemeinschaften und drei Regionen. Der Politikwissenschaftler Cédric Istasse erinnert in einem Artikel in der RTBF daran, dass es in allen Föderalstaaten zwei parlamentarische Kammern gibt, damit die Teilstaaten vertreten sind. Das gilt für die Kantone der Schweiz, die Länder in Deutschland und Österreich oder die Bundesstaaten in den USA. Wir haben es eben schon gehört. Durch die Abschaffung des Senats entfällt diese Vertretung. Das betrifft alle Teilstaaten in Belgien gleichermaßen. Der Kollege Benjamin Dalle ist darauf eingegangen. Also muss im Anschluss an die Abschaffung des Senats Wege gesucht werden, damit den Teilstaaten dieses Mitspracherecht zukünftig auch ermöglicht wird. Das ist der eine Punkt. Wir als Deutschsprachige stehen allerdings vor noch einer zweiten Herausforderung. Laut Verfassung umfasst Belgien nämlich vier Sprachgebiete. Das deutsche Sprachgebiet, das französische, das niederländische und das zweisprachige Gebiet Brüssel. Die deutsche Sprache ist somit als anerkannte Landessprache durch ein verfassungsrechtliches Sprachgebiet gesichert. Nun riskieren wir allerdings, dass dieses Sprachgebiet von der föderalen parlamentarischen Ebene ausgeschlossen wird. Und diese Sorge besteht ausschließlich für den deutschsprachigen Teil der belgischen Bevölkerung, da sie als einzige auf föderaler Ebene nicht mehr vertreten sein wird. |
|
|||
|
De hervorming van de Senaat in 2014 heeft de Senaat een specifieke rol toebedeeld. Door de inwerkingtreding van de zesde staatshervorming werden nieuwe bevoegdheidspakketten overgedragen aan de deelstaten en werd de Senaat de plaats waar de verschillende deelstaten op federaal niveau vertegenwoordigd zijn. De taak van de senatoren in deze assemblee bestaat er dus in de eerste plaats in de belangen van hun respectieve gewest of gemeenschap te behartigen. Zolang de Senaat dus nog bestaat, is het mijn taak om de belangen van de Duitstalige Gemeenschap, en daarmee de belangen van de Duitstalige Belgen, hier aan dit spreekgestoelte te verdedigen. Momenteel is dat gelukkig nog mogelijk. En daarmee komen we tot de kern van het probleem. Als de Senaat wordt afgeschaft, verliezen wij onze enige gegarandeerde vertegenwoordiging op federaal niveau. We hebben het vandaag dus over niets minder dan de politieke participatie van de Duitstalige Belgen in dit land. In de Kamer is deze vertegenwoordiging momenteel niet gewaarborgd. Of de bevolking van het Duitstalige gebied in de Kamer vertegenwoordigd is, hangt af van de plaats van Duitstalige kandidaten op de kieslijsten in de kieskring Luik. Zo heeft er momenteel één Duitstalig parlementslid zitting. In het verleden was dat echter niet altijd het geval. En door de dreigende afschaffing van de overdracht van lijststemmen zal ook deze weg voor ons in de toekomst feitelijk worden afgesloten. Al decennialang is de Senaat de enige plaats waar de Duitstalige minderheid van België zich in het hart van onze federale democratie kan laten horen. Via de door het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap aangewezen senator – of in dit geval senatrice – beschikken we over een permanent, geïnstitutionaliseerd kanaal om onze zorgen, onze specifieke uitdagingen en onze eisen onder de aandacht van de federale wetgevende macht te brengen. Dat is geen luxe. Het is een grondwettelijk verankerde garantie voor gelijkwaardige participatie, een erkenning van onze rechten als nationale en taalkundige minderheid. Volgens de Grondwet bestaat België uit drie gemeenschappen en drie gewesten. Politicoloog Cédric Istasse herinnert er in een artikel op de RTBF aan dat er in alle federale staten twee parlementaire kamers zijn, zodat de deelstaten vertegenwoordigd zijn. Dat geldt voor de kantons in Zwitserland, de deelstaten in Duitsland en Oostenrijk of de staten in de VS. We hebben het daarnet al gehoord. Door de afschaffing van de Senaat zou deze vertegenwoordiging verdwijnen. Dit geldt in gelijke mate voor alle deelstaten in België. Collega Benjamin Dalle is hier al op ingegaan. Na de afschaffing van de Senaat moeten er bijgevolg oplossingen worden gezocht om de deelstaten ook in de toekomst inspraak te garanderen. Dat is het eerste punt. Wij als Duitstaligen staan echter voor nog een tweede uitdaging. Volgens de Grondwet bestaat België namelijk uit vier taalgebieden: het Duitstalige gebied, het Franstalige gebied, het Nederlandstalige gebied en het tweetalige gebied Brussel. De Duitse taal is dus als erkende landstaal beschermd via een grondwettelijk vastgelegd taalgebied. Nu lopen we echter het risico dat dit taalgebied wordt uitgesloten van het federale parlementaire niveau. En deze bezorgdheid geldt uitsluitend voor het Duitstalige deel van de Belgische bevolking, aangezien dat als enige niet langer op federaal niveau vertegenwoordigd zal zijn. |
La réforme du Sénat de 2014 a confié au Sénat un rôle spécifique. À l’occasion de la mise en œuvre de la sixième réforme de l’État, de nouvelles compétences ont été transférées aux entités fédérées et le Sénat est devenu le siège de la représentation des entités fédérées au niveau fédéral. La mission des sénateurs est donc avant tout de défendre les intérêts de leur Région ou Communauté. Autrement dit, tant que le Sénat existe, mon rôle est de défendre à cette tribune les intérêts de la Communauté germanophone et donc ceux des Belges d’expression allemande. J’en ai heureusement encore la possibilité aujourd’hui. Cela m’amène au cœur du problème. Si le Sénat est supprimé, nous perdrons notre unique représentation garantie à l’échelon fédéral. L’enjeu aujourd’hui n’est donc rien moins que la participation politique des Belges de langue allemande. Cette représentation n’est actuellement pas garantie à la Chambre des représentants. La représentation de la population germanophone à la Chambre dépend de la place des candidats germanophones sur les listes électorales de la circonscription de Liège. Aujourd’hui, la Chambre compte un seul député de langue allemande. Cela n’a pas toujours été le cas par le passé. Et la suppression envisagée de l’effet dévolutif des votes en case de tête nous priverait également dans les faits de ce canal de représentation. Depuis des décennies, le Sénat est le seul endroit où la minorité germanophone de Belgique peut faire entendre sa voix au cœur de notre démocratie fédérale. Par le truchement du sénateur désigné par le Parlement de la Communauté germanophone, nous disposons d’un canal institutionnalisé et permanent pour attirer l’attention du pouvoir législatif fédéral sur nos préoccupations, nos défis particuliers et nos revendications. Ce n’est pas un luxe. C’est une garantie de participation égale, ancrée dans la Constitution, une reconnaissance de nos droits en tant que minorité linguistique et nationale. En vertu de la Constitution, la Belgique se compose de trois Communautés et de trois Régions. Le politologue Cédric Istasse rappelle, dans un article publié par la RTBF, que tous les États fédéraux sont dotés de deux chambres parlementaires pour que les entités fédérées soient représentées. C’est vrai pour les cantons en Suisse, les Länder en Allemagne et en Autriche et les États aux USA. La suppression du Sénat fera disparaître cette représentation de toutes les entités fédérées de Belgique, comme l’a expliqué M. Dalle. Après la suppression du Sénat, il convient donc de chercher des solutions pour garantir à l’avenir la participation des entités fédérées. C’est le premier point sur lequel je voulais attirer l’attention. Les germanophones sont toutefois confrontés à un second défi. Selon la Constitution, la Belgique comprend quatre régions linguistiques : la région de langue française, la région de langue néerlandaise, la région bilingue de Bruxelles‑Capitale et la région de langue allemande. En tant que langue nationale reconnue, la langue allemande bénéficie donc d’une protection à travers une région linguistique consacrée par la Constitution. Nous risquons aujourd’hui que cette région linguistique soit exclue du niveau parlementaire fédéral. Et ce risque n’existe que pour la partie germanophone de la population belge, qui sera la seule à ne plus être représentée à l’échelon fédéral. |
|
|||
|
Und ich wiederhole noch mal, was ich gesagt habe. Wer Niederländisch spricht, hat in der Kammer Ansprechpartner, die ebenfalls Niederländisch sprechen. Wer Französisch spricht, hat Ansprechpartner, die Französisch sprechen. Für eine deutschsprachige Person wird das in Zukunft allerdings nicht unbedingt der Fall sein. Mal ganz abgesehen davon, dass es für uns auch immer noch eine Herausforderung ist, Dienstleistungsangebote in unserer Muttersprache zu erhalten. Ob es die Bpost App ist, Card Stop, Energierechnungen, Arztberichte oder wenn man beispielsweise bei der Notrufzentrale anrufen muss. Die Bevölkerung des deutschen Sprachgebiets ist eine nationale Minderheit im Sinne des Rahmenübereinkommens des Europarats zum Schutz nationaler Minderheiten. Wird der Senat abgeschafft und bleibt es so, wie es jetzt ist, drängen Sie diese Minderheit ins Abseits. Und unsere Antwort darauf hat das Parlament der Deutschsprachigen Gemeinschaft im Juni 2025 einstimmig in einer Resolution verabschiedet und erneut klar zu Papier gebracht. Diese Resolution beinhaltet die Forderung nach einem eigenen Wahlkreis für das deutsche Sprachgebiet ohne Listenverbindungen, um eine garantierte und angemessene Vertretung in der föderalen Kammer zu sichern. In diesem Sinne habe ich den Abänderungsvorschlag zu Artikel 195 erneut eingereicht. Er zielt darauf ab, Artikel 62, § 2, und Artikel 63 zur Verfassungsrevision zu öffnen, damit die Diskussion über die Forderungen der Deutschsprachigen Gemeinschaft ermöglicht wird. Denn: Genauso wenig, wie wir heute den Senat abschaffen, würde heute ein Wahlkreis geschaffen. Es würde nur dafür gesorgt, dass wir uns diese Option nicht heute schon verbauen. Und hier appelliere ich an Ihr parlamentarisches Selbstverständnis: Schließen Sie sich selbst diese Möglichkeit nicht aus, zumindest über dieses Thema auszutauschen. Wenn wir den belgischen Staat langfristig auf ein fundamental stabiles Fundament setzen wollen, dann geschieht das nicht durch zu viel Debatte. Sollte der Abänderungsvorschlag heute nicht angenommen werden, dann sehe ich mich gezwungen, heute gegen die Reform zu stimmen, denn Sie können nicht von mir erwarten, dass ich es akzeptiere oder den Weg ebne, eine garantierte Vertretung abzuschaffen, ohne auf der anderen Seite bereits heute eine alternative Garantie zu sehen. Ich habe es folgendermaßen ausgedrückt: Die deutschsprachige Bevölkerung benötigt einen politischen Ansprechpartner auf föderaler Ebene, der ihre Lebensrealität versteht und ihre Sprache spricht. Warum habe ich das gesagt? Warum ist das so? Warum ist das der deutschsprachigen Bevölkerung überhaupt so wichtig? Das hat mit unserer Geschichte und mit unserer Identität zu tun. Und diese Identität war ein schmerzhafter Prozess im Laufe der Geschichte, denn wir haben eine bewegte Geschichte erlebt. Und begonnen hat sie mit dem Versailler Vertrag. Damals sind die sogenannten Ostkantone 1919 von Deutschland nach Belgien abgetreten worden und die Menschen wurden über Nacht Teil eines neuen Staates und eines neuen politischen Systems, ohne sich kulturell zugehörig zu fühlen. Dieser Nationalitätswechsel in dem Moment hat zu großer Unsicherheit geführt und mit dem Ausbruch des Zweiten Weltkrieges hat sich diese Situation dann noch mal drastisch verschärft. 1940 wurden die Ostkantone von den Nationalsozialisten annektiert. Viele Männer wurden oft unfreiwillig in die Wehrmacht eingezogen und gezwungen, für das Deutsche Reich zu kämpfen. Nach 1945 folgte dann eine Phase des Generalverdachts. Unser Gebiet kam zu Belgien zurück und die deutschsprachigen Belgier galten dann pauschal als Kollaborateure. Die Sprache selbst wurde zu einem sensiblen Thema. Schon Deutsch zu sprechen, reichte aus, um Misstrauen zu schüren. In dieser Nachkriegszeit war es sicher nicht einfach, sich gegen diese sogenannte Säuberungswelle, die erklärte Romanisierung des belgischen Staates und die Verbannung der deutschen Sprache aus Unterricht und Kultur und eine Pauschalverurteilung als Nazi‑Anhänger zu wehren. Meine eigene Familiengeschichte ist durch diese Zeit geprägt, denn mein Großvater war einer dieser Personen. Als Zwangssoldat wurde er in die Wehrmacht eingezogen und verlor durch die Bombardierung seiner Heimatstadt Sankt Vith fast seine gesamte Familie. |
Und ich wiederhole noch mal, was ich gesagt habe. Wer Niederländisch spricht, hat in der Kammer Ansprechpartner, die ebenfalls Niederländisch sprechen. Wer Französisch spricht, hat Ansprechpartner, die Französisch sprechen. Für eine deutschsprachige Person wird das in Zukunft allerdings nicht unbedingt der Fall sein. Mal ganz abgesehen davon, dass es für uns auch immer noch eine Herausforderung ist, Dienstleistungsangebote in unserer Muttersprache zu erhalten. Ob es die Bpost App ist, Card Stop, Energierechnungen, Arztberichte oder wenn man beispielsweise bei der Notrufzentrale anrufen muss. Die Bevölkerung des deutschen Sprachgebiets ist eine nationale Minderheit im Sinne des Rahmenübereinkommens des Europarats zum Schutz nationaler Minderheiten. Wird der Senat abgeschafft und bleibt es so, wie es jetzt ist, drängen Sie diese Minderheit ins Abseits. Und unsere Antwort darauf hat das Parlament der Deutschsprachigen Gemeinschaft im Juni 2025 einstimmig in einer Resolution verabschiedet und erneut klar zu Papier gebracht. Diese Resolution beinhaltet die Forderung nach einem eigenen Wahlkreis für das deutsche Sprachgebiet ohne Listenverbindungen, um eine garantierte und angemessene Vertretung in der föderalen Kammer zu sichern. In diesem Sinne habe ich den Abänderungsvorschlag zu Artikel 195 erneut eingereicht. Er zielt darauf ab, Artikel 62, § 2, und Artikel 63 zur Verfassungsrevision zu öffnen, damit die Diskussion über die Forderungen der Deutschsprachigen Gemeinschaft ermöglicht wird. Denn : Genauso wenig, wie wir heute den Senat abschaffen, würde heute ein Wahlkreis geschaffen. Es würde nur dafür gesorgt, dass wir uns diese Option nicht heute schon verbauen. Und hier appelliere ich an Ihr parlamentarisches Selbstverständnis : Schließen Sie sich selbst diese Möglichkeit nicht aus, zumindest über dieses Thema auszutauschen. Wenn wir den belgischen Staat langfristig auf ein fundamental stabiles Fundament setzen wollen, dann geschieht das nicht durch zu viel Debatte. Sollte der Abänderungsvorschlag heute nicht angenommen werden, dann sehe ich mich gezwungen, heute gegen die Reform zu stimmen, denn Sie können nicht von mir erwarten, dass ich es akzeptiere oder den Weg ebne, eine garantierte Vertretung abzuschaffen, ohne auf der anderen Seite bereits heute eine alternative Garantie zu sehen. Ich habe es folgendermaßen ausgedrückt : Die deutschsprachige Bevölkerung benötigt einen politischen Ansprechpartner auf föderaler Ebene, der ihre Lebensrealität versteht und ihre Sprache spricht. Warum habe ich das gesagt ? Warum ist das so ? Warum ist das der deutschsprachigen Bevölkerung überhaupt so wichtig ? Das hat mit unserer Geschichte und mit unserer Identität zu tun. Und diese Identität war ein schmerzhafter Prozess im Laufe der Geschichte, denn wir haben eine bewegte Geschichte erlebt. Und begonnen hat sie mit dem Versailler Vertrag. Damals sind die sogenannten Ostkantone 1919 von Deutschland nach Belgien abgetreten worden und die Menschen wurden über Nacht Teil eines neuen Staates und eines neuen politischen Systems, ohne sich kulturell zugehörig zu fühlen. Dieser Nationalitätswechsel in dem Moment hat zu großer Unsicherheit geführt und mit dem Ausbruch des Zweiten Weltkrieges hat sich diese Situation dann noch mal drastisch verschärft. 1940 wurden die Ostkantone von den Nationalsozialisten annektiert. Viele Männer wurden oft unfreiwillig in die Wehrmacht eingezogen und gezwungen, für das Deutsche Reich zu kämpfen. Nach 1945 folgte dann eine Phase des Generalverdachts. Unser Gebiet kam zu Belgien zurück und die deutschsprachigen Belgier galten dann pauschal als Kollaborateure. Die Sprache selbst wurde zu einem sensiblen Thema. Schon Deutsch zu sprechen, reichte aus, um Misstrauen zu schüren. In dieser Nachkriegszeit war es sicher nicht einfach, sich gegen diese sogenannte Säuberungswelle, die erklärte Romanisierung des belgischen Staates und die Verbannung der deutschen Sprache aus Unterricht und Kultur und eine Pauschalverurteilung als Nazi‑Anhänger zu wehren. Meine eigene Familiengeschichte ist durch diese Zeit geprägt, denn mein Großvater war einer dieser Personen. Als Zwangssoldat wurde er in die Wehrmacht eingezogen und verlor durch die Bombardierung seiner Heimatstadt Sankt Vith fast seine gesamte Familie. |
|
|||
|
En ik herhaal nogmaals wat ik heb gezegd. Wie Nederlands spreekt, heeft in de Kamer aanspreekpunten die eveneens Nederlands spreken. Wie Frans spreekt, heeft aanspreekpunten die Frans spreken. Voor iemand die Duits spreekt, zal dat in de toekomst echter niet noodzakelijk het geval zijn. Om nog maar te zwijgen van het feit dat het voor ons nog altijd een uitdaging is om dienstverlening in onze moedertaal te krijgen. Of het nu gaat om de Bpost‑app, Card Stop, energierekeningen, medische verslagen of wanneer men bijvoorbeeld de noodcentrale moet bellen. De bevolking van het Duitse taalgebied vormt een nationale minderheid in de zin van het Kaderverdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van nationale minderheden. Als de Senaat wordt afgeschaft en de situatie blijft zoals ze nu is, duwt u deze minderheid naar de zijlijn. Het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap heeft hierop in juni 2025 unaniem geantwoord met een resolutie, waarin deze positie opnieuw duidelijk op papier werd gezet. Deze resolutie bevat de eis tot oprichting van een eigen kieskring voor het Duitse taalgebied zonder lijstverbindingen, om een gegarandeerde en passende vertegenwoordiging in de federale Kamer te waarborgen. In die zin heb ik het amendement op artikel 195 opnieuw ingediend. Het strekt ertoe artikel 62, § 2, en artikel 63 van de Grondwet open te stellen voor herziening, zodat er ruimte ontstaat om de eisen van de Duitstalige Gemeenschap te bespreken. Want: net zomin als we vandaag de Senaat afschaffen, zou er vandaag een kieskring worden opgericht. Het zou er enkel om gaan ervoor te zorgen dat wij deze optie vandaag niet al onmogelijk maken. En hier doe ik een beroep op uw parlementaire verantwoordelijkheidsgevoel: sluit deze mogelijkheid niet uit, al was het maar om over dit onderwerp van gedachten te wisselen. Als we de Belgische Staat op lange termijn op een fundamenteel stabiele basis willen plaatsen, dan gebeurt dat niet door het debat te beperken. Mocht het amendement vandaag niet worden aangenomen, dan zie ik mij genoodzaakt vandaag tegen de hervorming te stemmen. U kunt immers niet van mij verwachten dat ik de afschaffing van een gegarandeerde vertegenwoordiging aanvaard of hiervoor de weg vrijmaak, zonder dat daar vandaag al een alternatieve garantie tegenover staat. Ik heb het als volgt verwoord: de Duitstalige bevolking heeft een politieke gesprekspartner op federaal niveau nodig die haar leefwereld begrijpt en haar taal spreekt. Waarom heb ik dat gezegd? Waarom is dat zo? Waarom is dat überhaupt zo belangrijk voor de Duitstalige bevolking? Dat heeft te maken met onze geschiedenis en met onze identiteit. En die identiteit is het resultaat van een pijnlijk historisch proces, want we hebben een bewogen geschiedenis doorgemaakt. Die begon met het Verdrag van Versailles. In 1919 werden de zogenaamde Oostkantons door Duitsland aan België afgestaan. De bevolking werd er van de ene dag op de andere deel van een nieuwe staat en een nieuw politiek systeem, zonder zich daar cultureel mee verbonden te voelen. Deze verandering van nationaliteit leidde tot grote onzekerheid. Met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog verscherpte deze situatie nog aanzienlijk. In 1940 werden de Oostkantons door de nationaalsocialisten geannexeerd. Veel mannen werden, vaak tegen hun wil, in de Wehrmacht ingelijfd en gedwongen om voor het Duitse Rijk te vechten. Na 1945 volgde een periode van algemeen wantrouwen. Ons gebied keerde naar België terug en de Duitstalige Belgen werden toen vaak collectief als collaborateurs beschouwd. De taal zelf werd een gevoelig onderwerp. Alleen al Duits spreken volstond om wantrouwen te wekken. In deze naoorlogse periode was het zeker niet eenvoudig zich te verzetten tegen de zogenaamde zuiveringsgolf, de expliciete romanisering van de Belgische Staat, de verdringing van het Duits uit onderwijs en cultuur en de algemene stigmatisering als nazisympathisant. Mijn eigen familiegeschiedenis is door deze periode getekend, want mijn grootvader was een van die mensen. Als dwangsoldaat werd hij in de Wehrmacht ingelijfd en verloor door het bombardement op zijn geboortestad Sankt Vith bijna zijn hele familie. |
Je le répète, un citoyen néerlandophone dispose à la Chambre de relais qui parlent aussi le néerlandais. Un citoyen francophone y dispose de relais francophones. Ce ne sera plus nécessairement le cas pour un citoyen germanophone. Et je ne parle même pas des difficultés que nous éprouvons toujours pour obtenir un service dans notre langue. Qu’il s’agisse de l’application Bpost, de Card‑Stop, des factures d’énergie, des rapports médicaux ou lorsque l’on doit appeler le central d’urgence. La population d’expression allemande constitue une minorité nationale au sens de la Convention‑cadre du Conseil de l’Europe pour la protection des minorités nationales. Si vous supprimez le Sénat et laissez les choses en l’état, vous mettrez cette minorité sur la touche. En juin 2025, le Parlement de la Communauté germanophone a réagi en adoptant à l’unanimité une résolution exprimant clairement sa position. Cette résolution exige la création d’une circonscription électorale distincte pour la région de langue allemande, sans groupement de listes, afin de garantir une représentation adéquate au sein de la Chambre fédérale. Dans ce sens, j’ai redéposé mon amendement à l’article 195 de la Constitution visant à ouvrir les articles 62, § 2, et 63 de la Constitution à révision et à permettre un examen des exigences de la Communauté germanophone. En effet, si nous n’en sommes aujourd’hui pas encore au stade de la suppression du Sénat, il ne s’agirait pas davantage de créer une nouvelle circonscription électorale. Il s’agirait juste de ne pas rendre cette option impossible. Et j’en appelle ici à votre sens des responsabilités parlementaire : n’excluez pas cette possibilité, ne serait‑ce que pour avoir l’occasion d’un échange de vues à ce sujet. Si nous voulons consolider fondamentalement et à long terme l’assise de l’État belge, nous ne devons pas restreindre le débat. Si mon amendement devait être rejeté aujourd’hui, je serais contrainte de voter contre la réforme. Vous ne pouvez en effet attendre de moi que j’accepte la suppression d’une représentation garantie ou que j’en ouvre la voie sans qu’une garantie alternative soit offerte en contrepartie. Comme je l’ai dit, la population de langue allemande a besoin d’un interlocuteur politique à l’échelon fédéral qui comprenne la réalité de son existence et parle sa langue. Pourquoi ai‑je tenu ces propos ? Pourquoi cela est‑il si important pour la population germanophone ? Cela est lié à notre histoire et à notre identité. Et cette identité est le résultat d’un processus historique douloureux, car nous avons vécu une histoire mouvementée. Elle a commencé avec le Traité de Versailles. En 1919, les Cantons dits de l’Est ont été cédés par l’Allemagne à la Belgique. Du jour au lendemain, la population de ces cantons a fait partie d’un nouvel État, d’un nouveau système politique, sans avoir d’attaches culturelles avec cet État. Ce changement de nationalité l’a plongée dans une grande incertitude. La situation a encore empiré lorsque la Deuxième Guerre mondiale a éclaté. En 1940, les Cantons de l’Est ont été annexés par les nazis. De nombreux hommes ont été, souvent contre leur gré, incorporés dans la Wehrmacht et forcés de combattre pour le Reich allemand. Après 1945, s’est instaurée une période de méfiance générale. Notre région a été rendue à la Belgique et les Belges de langue allemande ont souvent été considérés collectivement comme des collaborateurs. Même la langue est devenue un sujet sensible. Parler allemand suffisait à éveiller la méfiance. Dans la période d’après‑guerre, il n’était certainement pas facile de s’opposer à la vague d’épuration, à la romanisation explicite de l’État belge, à l’éviction de l’allemand de l’enseignement et de la culture et à la stigmatisation générale en tant que sympathisants nazis. Ma propre histoire familiale porte l’empreinte de cette histoire, car mon grand‑père a été l’une de ces personnes. Recruté de force, il a été incorporé dans la Wehrmacht et a perdu presque toute sa famille lors du bombardement de sa ville natale, Saint‑Vith. |
|
|||
|
Das hat ihn nicht daran gehindert, nach seiner Rückkehr für die Gleichstellung der deutschen Sprache, unserer Muttersprache, zu kämpfen. Als „Heim ins Reich”‑Anhänger oder Kollaborateur bezeichnet zu werden, war in dem Fall keine Seltenheit. Und heute können wir uns glücklich schätzen, dass einige politische Wortführer der Deutschsprachigen genau diesen Kampf geführt haben, sonst wären wir heute nicht hier. Unsere Bevölkerung hat also eine bewegte Geschichte erlebt. Bis mit den ersten Staatsreformen in den 1970er Jahren eine nachhaltige Wende begann, in der man sich mit der eigenen Geschichte auseinandersetzen konnte und durch zunehmende Autonomie der Wunsch nach Gleichstellung entstand. Die deutschsprachigen Belgier haben ein starkes Regionalbewusstsein entwickelt, verbunden mit dem Wunsch, ihr historisch‑kulturelles Erbe zu erhalten, allerdings auch geprägt durch ein starkes Zugehörigkeitsgefühl zu Belgien und keineswegs separatistisch. Ein Fun Fact: Die ersten Forderungen nach einer garantierten Vertretung reichen zurück in das Jahr 1925. Jetzt befinden wir uns im Jahre 2026 und riskieren, die einzige garantierte Vertretung, die wir jemals erhalten haben, wieder zu verlieren. Und ich frage Sie alle hier: Finden Sie das gerecht? Finden Sie es gerecht, dass der Wunsch und der Kampf unserer Großeltern zur Gleichstellung der deutschen Sprache immer noch andauern muss? Finden Sie es gerecht, dass eine jahrzehntealte Forderung wieder auf später verschoben wird? Finden Sie es gerecht, dass die Deutschsprachigen, als Einzige, nach all diesen Jahren immer noch nicht gesichert in der Kammer vertreten sind? Und finden Sie es gerecht, dass wir riskieren, dass ausschließlich die Deutschsprachigen überhaupt kein Teil der parlamentarischen Arbeit auf föderaler Ebene mehr sein sollen? Wir riskieren, einen Teil der Bevölkerung von der föderalen Politik auszuschließen. Das kann nicht unser Wunsch sein, hier an dieser Stelle. Ich persönlich wünsche mir ein Land, in dem nationale Minderheiten, nationale Sprachminderheiten geschützt werden, in dem loyale Staatsbürger nicht an den Rand gedrängt werden, in dem die Anliegen von Bürgern aus kleinen Gemeinschaften nicht unsichtbar werden, in dem föderale, interföderale Zusammenarbeit auf Augenhöhe geschieht, in dem regionale Unterschiede als Chance gesehen werden und in dem Vertreter aller drei Landessprachen die Politik des Landes mitgestalten. Wir deutschsprachigen Belgier, wir sind Ihre Partner, wir sind Ihre Freunde, nicht Ihre Gegner. Wir wollen dazugehören, wir wollen mitgestalten. Wir sind europäisch, wir sind mehrsprachig, wir sind gut vernetzt im Inland mit Flamen, mit Wallonen, mit Brüsselern und im Ausland mit Deutschland, Luxemburg, den Niederlanden, selbst mit Österreich, Frankreich und Südtirol. Wir sind die Brücke zum deutschsprachigen Raum in Europa und ein aktiver Partner und zentraler Akteur in der Grenzregion, sowohl in der Großregion als auch in der Euregio Maas‑Rhein. Wir leben von Zusammenarbeit und Kooperation, das ist unser Alltag, nutzen Sie das! Sie alle haben in unzähligen Gesprächen, die wir miteinander geführt haben, immer wieder bekräftigt, dass Sie Verständnis haben für die Situation der Deutschsprachigen und dass eine Lösung gefunden werden muss, um diese Vertretung auf föderaler Ebene abzusichern. Sie haben bekräftigt, dass eine Lösung gefunden werden muss, bevor der Senat endgültig abgeschafft wird, und dass dies sicherlich auch gelingen wird. Das stimmt uns positiv, aber seien Sie versichert: wir, die politischen Verantwortungsträger aus der Deutschsprachigen Gemeinschaft, wir, die Bevölkerung des deutschen Sprachgebiets, wir, die deutschsprachigen Belgier, nehmen Sie alle beim Wort. |
Das hat ihn nicht daran gehindert, nach seiner Rückkehr für die Gleichstellung der deutschen Sprache, unserer Muttersprache, zu kämpfen. Als „Heim ins Reich”‑Anhänger oder Kollaborateur bezeichnet zu werden, war in dem Fall keine Seltenheit. Und heute können wir uns glücklich schätzen, dass einige politische Wortführer der Deutschsprachigen genau diesen Kampf geführt haben, sonst wären wir heute nicht hier. Unsere Bevölkerung hat also eine bewegte Geschichte erlebt. Bis mit den ersten Staatsreformen in den 1970er Jahren eine nachhaltige Wende begann, in der man sich mit der eigenen Geschichte auseinandersetzen konnte und durch zunehmende Autonomie der Wunsch nach Gleichstellung entstand. Die deutschsprachigen Belgier haben ein starkes Regionalbewusstsein entwickelt, verbunden mit dem Wunsch, ihr historisch‑kulturelles Erbe zu erhalten, allerdings auch geprägt durch ein starkes Zugehörigkeitsgefühl zu Belgien und keineswegs separatistisch. Ein Fun Fact: Die ersten Forderungen nach einer garantierten Vertretung reichen zurück in das Jahr 1925. Jetzt befinden wir uns im Jahre 2026 und riskieren, die einzige garantierte Vertretung, die wir jemals erhalten haben, wieder zu verlieren. Und ich frage Sie alle hier: Finden Sie das gerecht? Finden Sie es gerecht, dass der Wunsch und der Kampf unserer Großeltern zur Gleichstellung der deutschen Sprache immer noch andauern muss? Finden Sie es gerecht, dass eine jahrzehntealte Forderung wieder auf später verschoben wird? Finden Sie es gerecht, dass die Deutschsprachigen, als Einzige, nach all diesen Jahren immer noch nicht gesichert in der Kammer vertreten sind? Und finden Sie es gerecht, dass wir riskieren, dass ausschließlich die Deutschsprachigen überhaupt kein Teil der parlamentarischen Arbeit auf föderaler Ebene mehr sein sollen? Wir riskieren, einen Teil der Bevölkerung von der föderalen Politik auszuschließen. Das kann nicht unser Wunsch sein, hier an dieser Stelle. Ich persönlich wünsche mir ein Land, in dem nationale Minderheiten, nationale Sprachminderheiten geschützt werden, in dem loyale Staatsbürger nicht an den Rand gedrängt werden, in dem die Anliegen von Bürgern aus kleinen Gemeinschaften nicht unsichtbar werden, in dem föderale, interföderale Zusammenarbeit auf Augenhöhe geschieht, in dem regionale Unterschiede als Chance gesehen werden und in dem Vertreter aller drei Landessprachen die Politik des Landes mitgestalten. Wir deutschsprachigen Belgier, wir sind Ihre Partner, wir sind Ihre Freunde, nicht Ihre Gegner. Wir wollen dazugehören, wir wollen mitgestalten. Wir sind europäisch, wir sind mehrsprachig, wir sind gut vernetzt im Inland mit Flamen, mit Wallonen, mit Brüsselern und im Ausland mit Deutschland, Luxemburg, den Niederlanden, selbst mit Österreich, Frankreich und Südtirol. Wir sind die Brücke zum deutschsprachigen Raum in Europa und ein aktiver Partner und zentraler Akteur in der Grenzregion, sowohl in der Großregion als auch in der Euregio Maas‑Rhein. Wir leben von Zusammenarbeit und Kooperation, das ist unser Alltag, nutzen Sie das! Sie alle haben in unzähligen Gesprächen, die wir miteinander geführt haben, immer wieder bekräftigt, dass Sie Verständnis haben für die Situation der Deutschsprachigen und dass eine Lösung gefunden werden muss, um diese Vertretung auf föderaler Ebene abzusichern. Sie haben bekräftigt, dass eine Lösung gefunden werden muss, bevor der Senat endgültig abgeschafft wird, und dass dies sicherlich auch gelingen wird. Das stimmt uns positiv, aber seien Sie versichert: wir, die politischen Verantwortungsträger aus der Deutschsprachigen Gemeinschaft, wir, die Bevölkerung des deutschen Sprachgebiets, wir, die deutschsprachigen Belgier, nehmen Sie alle beim Wort. |
|
|||
|
Dat weerhield hem er niet van om zich na zijn terugkeer in te zetten voor de gelijkwaardigheid van de Duitse taal, onze moedertaal. Het was in dat geval geen zeldzaamheid om als aanhanger van de Heim ins Reich‑beweging of als collaborateur te worden bestempeld. Vandaag mogen we ons gelukkig prijzen dat enkele politieke voortrekkers van de Duitstaligen precies deze strijd hebben gevoerd, anders zouden we hier vandaag niet staan. Onze bevolking heeft dus een bewogen geschiedenis doorgemaakt. Pas met de eerste staatshervormingen in de jaren 1970 begon een duurzame kentering, waarin men zich met de eigen geschiedenis kon bezighouden en waarin door toenemende autonomie de wens tot gelijkberechtiging ontstond. De Duitstalige Belgen ontwikkelden een sterk regionaal bewustzijn, gekoppeld aan de wil om hun historisch‑cultureel erfgoed te bewaren, maar ook gekenmerkt door een sterk gevoel van verbondenheid met België en geenszins door separatisme. Een opmerkelijk feit: de eerste oproepen tot gegarandeerde vertegenwoordiging dateren al uit 1925. Vandaag is het 2026 en dreigen we de enige gegarandeerde vertegenwoordiging die we ooit hebben gekregen, weer kwijt te raken. En ik vraag het iedereen hier: vindt u dat rechtvaardig? Vindt u het rechtvaardig dat de strijd van onze grootouders voor de gelijkwaardigheid van de Duitse taal vandaag nog altijd niet is voltooid? Vindt u het rechtvaardig dat een eis die al decennialang bestaat, opnieuw op de lange baan wordt geschoven? Vindt u het rechtvaardig dat de Duitstaligen, als enigen, na al die jaren nog steeds geen gegarandeerde vertegenwoordiging in de Kamer hebben? En vindt u het rechtvaardig dat we het risico lopen dat uitsluitend de Duitstaligen helemaal geen deel meer zouden uitmaken van het parlementaire werk op federaal niveau? We lopen het risico een deel van de bevolking uit te sluiten van het federale beleid. Dat kan hier op dit moment toch niet onze bedoeling zijn. Persoonlijk zou ik graag een land zien waarin nationale minderheden en taalminderheden worden beschermd, waarin loyale burgers niet aan de zijlijn worden gezet, waarin de bezorgdheden van burgers uit kleine gemeenschappen niet onzichtbaar worden, waarin federale en interfederale samenwerking op voet van gelijkheid plaatsvindt, waarin regionale verschillen als een kans worden gezien en waarin vertegenwoordigers van alle drie de landstalen het beleid van het land mee vormgeven. Wij Duitstalige Belgen zijn uw partners, wij zijn uw vrienden, niet uw tegenstanders. Wij willen erbij horen, wij willen mee vormgeven. Wij zijn Europees, wij zijn meertalig, wij zijn goed verbonden in eigen land met Vlamingen, Walen en Brusselaars, en in het buitenland met Duitsland, Luxemburg, Nederland, en zelfs met Oostenrijk, Frankrijk en Zuid‑Tirol. Wij zijn de brug naar het Duitstalige gebied in Europa en een actieve partner en centrale speler in de grensregio, zowel in de Euregio SaarLorLux als in de Euregio Maas‑Rijn. Wij leven van samenwerking en partnerschap, dat is onze dagelijkse realiteit, maak daar gebruik van! U hebt in talloze gesprekken die wij met elkaar hebben gevoerd steeds weer bevestigd dat u begrip heeft voor de situatie van de Duitstaligen en dat er een oplossing moet worden gevonden om deze vertegenwoordiging op federaal niveau veilig te stellen. U hebt bevestigd dat er een oplossing moet worden gevonden voordat de Senaat definitief wordt afgeschaft, en dat dit zeker ook zal lukken. Dat stemt ons positief, maar wees gerust: wij, de politieke verantwoordelijken van de Duitstalige Gemeenschap, wij, de bevolking van het Duitse taalgebied, wij, de Duitstalige Belgen, houden u allen aan uw woord. |
Cela ne l’a pas empêché de lutter, après son retour, pour l’égalité de la langue allemande, notre langue maternelle. Cela lui a valu d’être fréquemment qualifié d’adepte du mouvement Heim ins Reich et de collaborateur. Aujourd’hui, nous pouvons nous estimer heureux que certains porte‑paroles politiques des germanophones aient été à la pointe de ce combat, sans quoi nous ne serions pas ici. Notre population a donc connu une histoire tumultueuse. Ce n’est qu’avec les premières réformes de l’État dans les années septante qu’un tournant durable s’est amorcé, permettant de se confronter à sa propre histoire et, grâce à une autonomie croissante, de voir naître le désir d’égalité de droits. Les Belges de langue allemande ont développé une profonde conscience régionale, doublée d’une volonté de préserver leur patrimoine historique et culturel, mais caractérisée aussi par un fort sentiment d’appartenance à la Belgique, excluant tout séparatisme. Un fait est à signaler : les premiers appels à une représentation garantie datent de 1925 ! Nous sommes en 2026 et risquons de voir disparaître l’unique représentation garantie que nous ayons jamais obtenue. Je vous pose à tous la question : trouvez‑vous cela juste ? Trouvez‑vous juste que le combat de nos grands‑parents pour l’égalité de la langue allemande doive encore se poursuivre aujourd’hui ? Trouvez‑vous juste qu’une revendication remontant à des décennies soit à nouveau reportée à plus tard ? Trouvez‑vous juste qu’après tant d’années, les germanophones soient les seuls à ne pas disposer d’une représentation garantie à la Chambre ? Et trouvez‑vous juste que nous risquions de priver les seuls germanophones de la possibilité de participer au travail parlementaire à l’échelon fédéral ? Nous risquons d’exclure une partie de la population de la politique fédérale. Cela ne saurait être notre vœu, ici, aujourd’hui. Personnellement, je rêve d’un pays qui protège les minorités nationales et linguistiques, qui ne met pas sur la touche des citoyens loyaux, qui ne fait pas fi des préoccupations des citoyens appartenant à de petites communautés, qui permet à chacun de collaborer sur pied d’égalité aux niveaux fédéral et interfédéral, qui considère les différences régionales comme une chance et qui associe des représentants des trois langues nationales à l’élaboration de la politique du pays. Nous, Belges germanophones, sommes vos partenaires, vos amis et non vos adversaires. Nous voulons compter et apporter notre pierre à l’édifice. Nous sommes des Européens multilingues ; dans notre pays, nous sommes proches des Flamands, des Wallons et des Bruxellois et, à l’étranger, nous sommes proches de l’Allemagne, du Luxembourg, des Pays‑Bas et même de l’Autriche, de la France et du Sud‑Tyrol. Nous sommes le pont qui nous relie à l’espace germanophone en Europe, un partenaire actif et un acteur clé de la région frontalière, tant dans la Grande Région SaarLorLux que dans l’eurorégion Meuse‑Rhin. Notre existence est faite de collaborations et de partenariats. Voilà notre réalité quotidienne. Tirez‑en parti ! Vous avez sans cesse réaffirmé que vous compreniez la situation des germanophones et qu’il fallait trouver une solution afin de garantir cette représentation au niveau fédéral. Vous avez confirmé que cette solution devait être trouvée avant la suppression définitive du Sénat et que l’on y parviendrait. Cela nous met dans de bonnes dispositions, mais soyez assurés que nous, responsables politiques de la Communauté germanophone, nous, population de la région de langue allemande, nous, Belges germanophones, nous vous prenons au mot. |
|
|||
|
De heer Klaas Slootmans (Vlaams Belang). – Als de democratie vandaag zegeviert, als de democratie vandaag haar werk mag doen, collega’s van MR, dan zal deze zitting van 3 april 2026 het einde inluiden van een weliswaar majestueuze, maar vandaag volstrekt overbodige instelling. Zoals de vorige sprekers al zeer uitvoerig hebben aangegeven, is de Senaat sinds de zesde staatshervorming verworden tot een wezenloze praatassemblee zonder beleidsimpact en zonder maatschappelijke en politieke relevantie. Dat staat eigenlijk in volledige contradictie met de wil van de grondwetgever die met de zesde staatshervorming van deze instelling vooral een constitutionele deelstatenkamer wilde maken die inspraak bood aan de deelstaten bij staatshervormingen, bij grondwetsherzieningen en bij bijzondere wetten. Maar in tegenstelling tot die ambitie glorieerde de Senaat de afgelopen twaalf jaar in parlementaire bezigheidstherapie in de vorm van vrijblijvende resoluties en van vuistdikke informatieverslagen die door niemand werden gelezen. Tegenover die onmiskenbare irrelevantie stond en staat nog altijd een jaarlijkse kostprijs van om en bij de 45 miljoen euro. Op het moment dat er kolossale inspanningen worden gevraagd, is dat een onverdedigbaar bedrag dat veel beter kan worden ingezet voor een noodzakelijke lastenverlaging. Met de afschaffing van de Senaat lossen wij dan ook een belofte in, die al een kwarteeuw in verschillende regeerakkoorden staat en waarmee zowat elke partij al jaren naar de kiezer trekt. Dat het zo lang heeft geduurd, toont nogmaals aan dat de politiek veel beter is in het opleggen van besparingen aan de bevolking dan in besparen op zichzelf. Vlaams Belang schaart zich dan ook onverkort achter de afschaffing van de Senaat. Maar precies omdat wij die afschaffing steunen, is het ook onze plicht om te waarschuwen voor de gevolgen wanneer we dat onberedeneerd zouden doen. Het is voor ons dan ook van cruciaal belang dat het moeizaam bevochten medezeggenschap van Vlaanderen in de institutionele architectuur van dit land niet achteloos overboord wordt gegooid. Het zou een historische vergissing zijn om dat fundamentele evenwicht en die essentiële garantie van de deelstaten lichtzinnig te verkwanselen. Wij geven daarmee trouwens niet alleen gehoor aan de idealen van het programma van Vlaams Belang, maar eigenlijk ook aan het confederale programma van N‑VA en aan de voorstellen die destijds zijn ingediend door cd&v. Wij geven daarmee ook gehoor aan de Vlaamse resoluties van ’99, waarin de deelstaatparticipatie bij grondwetswijzigingen en bij staatshervormingen als een essentiële voorwaarde werd gesteld voor het federale België. Daarop terugkomen door de klok terug te draaien, is ons inziens een kapitale en onomkeerbare fout die frontaal botst met het federaliseringproces zoals wij dat sinds 1970 kennen. Om het in de woorden van grondwetspecialist professor Jan Velaers te stellen: “We gaan toch het enige instrument om de deelstaten te laten meebeslissen over hun eigen instellingen niet zomaar overboord gooien?” Professor Maddens stelde het nog scherper: “Hoe dom kun je zijn om een moeizaam bevochten beschermingsmechanisme eigenhandig af te breken?” Of nog beter – hij zal het niet graag horen – collega Dalle die zich in De Standaard afvraagt: “Het zou toch ironisch zijn dat flaminganten de deelstaten op die manier juist minder macht geven. Hun enige staatshervorming zou dan neerkomen op een herfederalisering. Dat willen ze toch niet?” Ondanks verwoede pogingen bij de premier hebben we tot op vandaag nog geen antwoord gekregen. Het enige wat voorliggend voorstel stelt is dat men post factum – de heer Wahl heeft dat ook gesteld – zal onderzoeken welke manieren van participatie van de deelgebieden aangewezen zijn. Kortom, men gaat eerst doen en dan denken, “eerst boemboem en dan blabla”. We gaan eerst het badwater weggooien om daarna te bekijken wat er met het kind moet gebeuren. Dat is de werkwijze die hier vandaag wordt gehanteerd. Daarbij komt dat in het voorstel zulke rigide voorwaarden worden opgenomen voor eventuele toekomstige vormen van deelstaatinspraak, dat die inspraak bij voorbaat tandeloos wordt. Zo lezen we in het voorstel dat wanneer er in nieuwe regionale inspraakvormen zou worden voorzien, ze het federale beleid niet mogen blokkeren. Met andere woorden, als de deelstaten überhaupt nog iets te zeggen zullen hebben over de Belgische staathuishouding, zal dat louter symbolisch en vrijblijvend zijn. Dat is uiteraard een reusachtige stap achteruit voor Vlaanderen. Dat standpunt is trouwens niet exclusief van Vlaams Belang, van verschillende grondwetspecialisten, en van – zo begrijp ik het toch – de heer Dalle. Ironisch genoeg is dat ook de conclusie van niemand minder dan Georges‑Louis Bouchez, die in Le Soir stelde dat dit een anti‑confederale hervorming is, ten nadele van de Vlamingen, aangezien de macht verschuift naar het nationale niveau. Hoeveel alarmbellen kunnen er voor Vlaams‑nationalisten en bij uitbreiding voor de hele Vlaamse Gemeenschap nog afgaan? Laat mij duidelijk zijn over ons standpunt: wij zullen het voorliggende herzieningsvoorstel goedkeuren, omdat dit de enige poort opent naar de afschaffing van de Senaat, maar wij geven geen blanco cheque voor wat daarna volgt. De afschaffing van de Senaat is perfect mogelijk zonder tegelijk de Vlaamse inspraak op te offeren. Dat is ook de reden waarom wij onze amendementen opnieuw indienen. Ze houden de afschaffing in, maar dan zonder de fout te maken het institutionele medezeggenschap van Vlaanderen en van de andere deelstaten op te geven, en zonder dat ze de belastingbetaler één eurocent kost. Kortom: ja voor de afschaffing van de Senaat, maar neen voor de afschaffing van de Vlaamse inspraak. Een laatste kwestie, die los van de nobele intenties die vandaag al zijn geuit, onopgelost blijft, is de vertegenwoordiging van de Duitstalige Gemeenschap maar ook van de Brusselse Vlamingen in het federale parlement. Die dreigt met deze hervorming gehypothekeerd te worden. Onze oproep aan de collega’s van de meerderheid is dan ook om in navolging van deze eerste horde werk te maken van garanties voor de federale vertegenwoordiging van de Vlaamse Gemeenschap in Brussel en van de Duitstalige Gemeenschap. Anders betekent dit een grote stap achteruit op communautair vlak. Uit de intenties en ambities in het uitvoerige betoog van de heer Vanlouwe heb ik begrepen dat men die garantie zal honoreren. Het zou enigszins wereldvreemd zijn om vandaag vanop dit spreekgestoelte als senator van Vlaams Belang niet in te gaan op de chantagepolitiek van een aantal Franstalige partijen, in het bijzonder MR en Les Engagés, die aangegeven hebben de afschaffing van de Senaat te zullen blokkeren indien de stemmen van Vlaams Belang en PVDA‑PTB nodig zijn om een tweederdemeerderheid te halen. Daarmee zeggen ze eigenlijk dat bijna twee miljoen kiezers en hun vertegenwoordigers minderwaardig zijn, dat twee miljoen kiezers inferieur zijn aan die van de traditionele partijen. Ze mogen wel stemmen, maar ze mogen niet wegen. Dat is in feite wat uw partij zegt, mijnheer Wahl en mevrouw Goffinet. Het is het ‘cordon sanitaire op steroïden’. Dat de leden van MR en Les Engagés zoiets zeggen, zal niemand verbazen, maar dat premier De Wever het nodig vond om deze democratische aberratie in het regeerakkoord te verankeren, bewijst dat zijn afkeer van het Vlaams Belang groter is dan zijn wil om de Senaat af te schaffen. Ons standpunt blijft echter consequent en kristalhelder: wij steunen de afschaffing van de Senaat voor 100 % en zullen, met of zonder goedkeuring van de heer Bouchez, de poort om dat mogelijk te maken mee helpen openen. |
M. Klaas Slootmans (Vlaams Belang). – Si on laisse la démocratie jouer son rôle et triompher aujourd’hui, alors, chers collègues du MR, cette séance du 3 avril 2026 sonnera le glas d’une institution certes vénérable, mais désormais totalement superflue. Depuis la sixième réforme de l’État, le Sénat est une assemblée où l’on parle dans le vide, sans plus aucune influence politique ni pertinence sociétale et politique. Or, à l’époque, la volonté du constituant était de faire du Sénat une chambre constitutionnelle des entités fédérées afin de donner à celles‑ci un droit de regard sur les réformes de l’État, les révisions constitutionnelles et les lois spéciales. Mais ce n’est pas comme cela que les choses ont évolué : ces douze dernières années, le Sénat s’est livré à une thérapie occupationnelle en produisant des résolutions non contraignantes et de volumineux rapports d’information que personne ne lit, mais pour un coût annuel qui avoisine les 45 millions d’euros. À l’heure où tout le monde doit faire des efforts, c’est un montant qui est difficilement justifiable et que l’on pourrait utiliser à meilleur escient en procédant à une nécessaire réduction des charges. En votant la suppression du Sénat, nous honorons donc une promesse qui figure déjà depuis un quart de siècle dans plusieurs accords de gouvernement et que la quasi‑totalité des partis brandissent depuis des années pour séduire l’électeur. Le fait que cela ait pris autant de temps montre une nouvelle fois que la classe politique est plus douée pour imposer des mesures d’austérité à la population que pour faire elle‑même des économies. Le Vlaams Belang soutient donc sans réserve la suppression du Sénat et considère d’autant plus comme son devoir de mettre en garde contre les conséquences d’une action irréfléchie dans ce domaine. Il ne faudrait pas que la participation de la Flandre dans l’architecture institutionnelle de ce pays, qui a été acquise de haute lutte, fasse les frais de cette suppression. Toucher à cet équilibre fondamental et à cette garantie essentielle pour les entités fédérées serait une erreur historique. L’implication des entités fédérées fait partie des idéaux du programme du Vlaams Belang et figure aussi dans le programme confédéral de la N‑VA et dans plusieurs propositions déposées à l’époque par le cd&v. Dans plusieurs résolutions flamandes de 1999 aussi, la participation des entités fédérées aux modifications de la Constitution et aux réformes de l’État était posée comme une condition essentielle pour la Belgique fédérale. Si l’on remettait cela en cause, on commettrait une erreur cruciale et irréversible qui irait à l’encontre du processus de fédéralisation tel que nous nous le connaissons depuis 1970. Le constitutionnaliste Jan Velaers a d’ailleurs déclaré à ce propos : « On ne va quand même pas supprimer le seul instrument qui permette aux entités fédérées de prendre part aux décisions qui concernent leurs propres institutions ? » (traduction). Et le professeur Maddens a dit les choses en des termes encore plus abrupts : « Faut‑il être stupide pour supprimer soi‑même un mécanisme de protection acquis de haute lutte ? » (traduction). Notre collègue Dalle aussi y est allé de son commentaire dans De Standaard : « Que les flamingants rabotent ainsi le pouvoir des entités fédérées, voilà qui ne manquerait pas de piquant. Leur seule réforme de l’État aboutirait à une refédéralisation. Telle n’est quand même pas leur volonté ? ». À ce jour, nous n’avons toujours pas reçu de réponse du premier ministre en dépit de nos demandes répétées. On dit dans la proposition que les formes de participation les plus appropriées pour les entités fédérées seront examinées a posteriori. L’idée est donc d’avancer et de voir après pour la suite. C’est un peu comme si on jetait l’eau du bain et que l’on regardait ensuite ce qu’il est advenu du bébé. Telle est la méthode appliquée en l’espèce. Autre problème : la proposition fixe des conditions tellement rigides pour d’éventuelles formes futures de participation des entités fédérées que cette participation ne sera qu’une coquille vide. En effet, si de nouvelles formes de participation régionale voient le jour, elles ne pourront pas bloquer la politique fédérale. Cela signifie, en d’autres termes, que si les entités fédérées ont encore leur mot à dire dans l’économie belge et la gestion de l’État, ce sera purement symbolique et informel. Il s’agit évidemment d’un énorme pas en arrière pour la Flandre ; c’est ce que pense le Vlaams Belang, mais également plusieurs constitutionnalistes et M. Dalle aussi apparemment. L’ironie veut que Georges‑Louis Bouchez lui‑même partage cet avis, puisqu’il a déclaré au journal Le Soir qu’il s’agissait d’une réforme anticonfédérale néfaste pour les Flamands puisque le centre de gravité du pouvoir se déplace vers le niveau national. Combien faudra‑t‑il encore de signaux d’alerte pour que les nationalistes flamands et la Communauté flamande dans son ensemble prennent conscience de cette réalité ? Que les choses soient claires : nous approuverons la proposition de révision à l’examen car elle ouvre la voie à la suppression du Sénat, mais nous ne donnons pas de chèque en blanc pour ce qui suivra. On peut parfaitement supprimer le Sénat sans sacrifier pour autant la participation flamande. C’est pourquoi nous redéposons nos amendements en vue de supprimer le Sénat, mais sans commettre l’erreur de renoncer à la participation institutionnelle de la Flandre et des autres entités fédérées et sans que cela coûte un centime au contribuable. Bref, nous disons oui à la suppression du Sénat, mais non à la suppression de la participation flamande. Une dernière question, indépendante des nobles intentions déjà exprimées aujourd’hui, concerne la représentation de la Communauté germanophone, mais aussi des Flamands de Bruxelles au Parlement fédéral, qui risque d’être mise en péril par cette réforme. Nous appelons donc nos collègues de la majorité à veiller, une fois ce premier cap passé, à garantir la représentation fédérale de la Communauté flamande à Bruxelles et de la Communauté germanophone. À défaut, nous assisterons à une régression majeure sur le plan communautaire. Il me semble, à entendre M. Vanlouwe, que cette garantie sera respectée. En tant que sénateur du Vlaams Belang, je me dois de dénoncer la politique de chantage à laquelle se livrent plusieurs partis francophones, singulièrement le MR et Les Engagés, qui ont fait savoir qu’ils bloqueraient la suppression du Sénat si les voix du Vlaams Belang et du PVDA‑PTB devaient s’avérer nécessaires pour réunir une majorité des deux tiers. En substance, cela revient à considérer que près de deux millions d’électeurs et leurs représentants ont moins de valeur que ceux des partis traditionnels. Nos électeurs peuvent voter, mais leur vote n’a aucun poids. Tel est en substance le message de vos partis respectifs, Monsieur Wahl et Madame Goffinet. C’est une sorte de « cordon sanitaire sous stéroïdes ». Le fait que des membres du MR et des Engagés s’expriment de la sorte ne surprendra personne, mais que le premier ministre De Wever ait jugé nécessaire d’ancrer cette aberration démocratique dans l’accord de gouvernement, voilà qui prouve que son rejet du Vlaams Belang est plus fort que sa volonté de supprimer le Sénat. Pour ce qui est de notre position, elle reste cohérente et limpide : nous soutenons à 100 % la suppression du Sénat et, que M. Bouchez le veuille ou non, nous ferons notre part afin d’ouvrir la voie à cette suppression. |
|
|||
|
Mevrouw Alice Bernard (PVDA‑PTB). – Wat hier vandaag gebeurt, is problematisch. De Arizona‑partijen, bijgetreden door Anders., willen na maanden zonder debat nu in sneltempo doorgaan om de afschaffing van de Senaat af te dwingen. Deze haast lijkt ons volkomen ongerechtvaardigd, tenzij u de aandacht wilt afleiden van wat er in de Kamer gebeurt, waar uw meerderheid terrein verliest door het sociale, politieke en burgerlijke verzet tegen de roof van de pensioenen en de index, tegen uw beleid van begrotingsbezuinigingen en investeringen in bewapening. De Senaat afschaffen kan niet zomaar even met een vingerknip gebeuren. We hebben u in november en afgelopen maandag in de commissie gevraagd de tijd te nemen om deskundigen en burgers te horen die hebben nagedacht over alternatieven voor de huidige werking van de Senaat. Er werd ons daarnet verteld dat er al hoorzittingen hebben plaatsgevonden, maar de burgers zijn in dit parlement nog niet gehoord, en de deskundigen die voorstellen om één federale kieskring op te richten, evenmin. Wij vinden het belangrijk om maatregelen te nemen om de vertegenwoordiging van de deelstaten op federaal niveau te behouden en een grotere burgerparticipatie mogelijk te maken. U heeft deze verzoeken uitgesteld en vervolgens verworpen. Nu wilt u de plannen doordrukken, wat bijzonder problematisch is. Het is waar, men vraagt zich af wat het nut van de Senaat nog is. Het is waar, de Senaat is een soort lege doos geworden, een ingewikkeld en log apparaat. Vroeger had de Senaat evenveel beslissingsbevoegdheid als de Kamer. Maar sinds 1993 hebben de verschillende staatshervormingen, met de steun van alle traditionele partijen, de Senaat beetje bij beetje van zijn bevoegdheden ontdaan. Tegenwoordig is de Senaat alleen nog bevoegd voor grondwetswijzigingen, bijzondere wetten en bepaalde benoemingen van zeer hoge ambtenaren. Voor het overige worden er voorstellen van resolutie, aanbevelingen en informatieverslagen besproken en worden er tal van deskundigen gehoord, maar de debatten blijven helaas vaak zonder gevolgen voor het dagelijks leven van de burgers. Niemand is verplicht om toe te passen wat daar wordt gezegd. De senatoren ontvangen, zoals in de andere parlementen, vergoedingen en pensioenen die veel te hoog zijn. Men moet vaststellen dat, van alle parlementen die België telt, de Senaat de minste impact heeft en het verst van de burgers afstaat. Dit alles pleit dus inderdaad voor de afschaffing van de Senaat, maar dat mag niet op om het even welke manier gebeuren. Wij zijn niet tevreden met de richting die de zaken momenteel uitgaan, en dat om twee belangrijke redenen. Ten eerste is de Senaat momenteel de enige federale assemblee waar verkozenen uit de verschillende deelstaatparlementen elkaar kunnen ontmoeten en met elkaar in dialoog kunnen gaan. Het concept is weliswaar bijzonder onvolmaakt, aangezien de aangenomen teksten niet bindend zijn, maar er is tenminste sprake van uitwisseling. Als de Senaat zou verdwijnen, dan is er geen mechanisme voorhanden om ervoor te zorgen dat de Kamer van volksvertegenwoordigers een actieve rol speelt bij het in stand houden van de dialoog tussen de Gewesten. |
Mme Alice Bernard (PVDA‑PTB). – Ce qui se passe aujourd’hui est problématique. Les partis de l’Arizona, rejoints par Anders., après des mois sans débat, veulent aujourd’hui avancer au pas de charge pour forcer la suppression du Sénat. Cette précipitation nous semble totalement injustifiée, à moins que vous ne vouliez détourner l’attention de ce qui se passe à la Chambre, où votre majorité recule face à la résistance sociale, politique et citoyenne contre le vol des pensions et de l’index, contre votre politique d’austérité budgétaire et d’investissement dans l’armement. Supprimer le Sénat ne peut pas se faire d’un simple claquement de doigts. Nous vous avons demandé, en novembre dernier et encore lundi en commission, de prendre le temps d’auditionner des experts et des citoyens qui se sont penchés sur des alternatives au fonctionnement actuel du Sénat. On nous a dit tout à l’heure qu’il y avait déjà eu des auditions, mais les citoyens n’ont pas encore été entendus dans ce parlement, et les experts qui proposent de créer une circonscription fédérale unique n’ont pas non plus été entendus. Nous trouvons important de prendre des mesures pour préserver la représentation fédérale des entités fédérées et permettre une plus grande participation citoyenne. Vous avez reporté puis rejeté ces demandes. Vous voulez maintenant passer en force, ce qui est vraiment problématique. C’est vrai, on se demande à quoi sert encore le Sénat. C’est vrai, le Sénat est devenu une sorte de boîte vide, une usine à gaz. Auparavant, le Sénat avait des pouvoirs de décision équivalents à ceux de la Chambre. Mais depuis 1993, avec le soutien de tous les partis traditionnels, les différentes réformes de l’État ont petit à petit vidé le Sénat de ses compétences. Aujourd’hui, le Sénat reste compétent uniquement pour les révisions de la Constitution, les lois spéciales et certaines nominations de très hauts fonctionnaires. Pour le reste, on y discute de propositions de résolution, de recommandations, de rapports d’information, on y entend de nombreux experts, mais les débats y sont, malheureusement, souvent sans conséquences pour le quotidien des citoyens. Personne n’est obligé d’appliquer ce qui s’y dit. Les sénateurs, comme dans les autres parlements, reçoivent des dotations et des pensions bien trop élevées. Force est de constater que, de tous les parlements que compte la Belgique, le Sénat est celui qui a le moins d’impact et qui est le plus éloigné des citoyens. Tout cela plaide donc effectivement pour la suppression du Sénat, mais cela ne doit pas se faire n’importe comment. Nous n’aimons pas la direction que prennent les choses actuellement, et ce pour deux grandes raisons. Premièrement, le Sénat est actuellement la seule assemblée fédérale où des élus des différents parlements régionaux peuvent se rencontrer et dialoguer. C’est très imparfait puisque les textes adoptés ne sont pas contraignants, mais il y a au moins des échanges. Si le Sénat disparaît, aucun mécanisme n’est prévu pour assurer que la Chambre des représentants joue un rôle actif dans le maintien du dialogue entre les Régions. |
|
|||
|
Diese Zusammensetzung gewährleistet auch die automatische Präsenz auf föderaler Ebene von mindestens einer gewählten Vertreterin oder einem gewählten Vertreter der deutschsprachigen Gemeinschaft. Wenn der Senat verschwindet, gibt es keinerlei Garantie mehr, dass die deutschsprachige Gemeinschaft auf föderaler Ebene vertreten sein wird. Und hier zeigt sich doch eine ziemliche Heuchelei: Alle sagen, man müsse eine Lösung finden, aber niemand legt etwas Konkretes auf den Tisch. Außer die Kollegin Scholzen, die einen Abänderungsantrag eingebracht hat, den die gesamte Mehrheit abgelehnt hat. Das ist eine Schande. |
Diese Zusammensetzung gewährleistet auch die automatische Präsenz auf föderaler Ebene von mindestens einer gewählten Vertreterin oder einem gewählten Vertreter der deutschsprachigen Gemeinschaft. Wenn der Senat verschwindet, gibt es keinerlei Garantie mehr, dass die deutschsprachige Gemeinschaft auf föderaler Ebene vertreten sein wird. Und hier zeigt sich doch eine ziemliche Heuchelei: Alle sagen, man müsse eine Lösung finden, aber niemand legt etwas Konkretes auf den Tisch. Außer die Kollegin Scholzen, die einen Abänderungsantrag eingebracht hat, den die gesamte Mehrheit abgelehnt hat. Das ist eine Schande. |
|
|||
|
Deze samenstelling garandeert ook de automatische aanwezigheid op federaal niveau van minstens één verkozen vertegenwoordiger van de Duitstalige Gemeenschap. Als de Senaat verdwijnt, is er geen enkele garantie meer dat de Duitstalige Gemeenschap op federaal niveau vertegenwoordigd zal zijn. En hier komt toch een behoorlijke hypocrisie naar voren: iedereen zegt dat er een oplossing moet worden gevonden, maar niemand legt iets concreets op tafel. Behalve collega Scholzen, die een amendement heeft ingediend dat door de volledige meerderheid is verworpen. Dat is een schande! |
Cette composition garantit également la présence automatique d’au moins un représentant élu de la Communauté germanophone à l’échelon fédéral. Si le Sénat disparaît, nous n’avons plus aucune garantie que la Communauté germanophone sera représentée à l’échelon fédéral. La plus grande hypocrisie règne à ce propos : chacun affirme qu’il faut trouver une solution, mais personne ne propose une mesure concrète. Hormis Mme Scholzen qui a déposé un amendement rejeté par l’ensemble de la majorité. C’est une honte ! |
|
|||
|
De realiteit vandaag is dat als Bart De Wever de Senaat wil afschaffen, dat niet is om het aantal politici of hun privileges te verminderen, noch om de efficiëntie te verhogen of de werking van de staat te moderniseren. Het is om een federaal overlegniveau te verzwakken, na een proces van staatshervormingen dat de bevoegdheden van de federale Staat sterk heeft uitgekleed en die van de regionale regeringen aanzienlijk heeft uitgebreid. |
La réalité est aujourd’hui la suivante : si Bart De Wever veut supprimer le Sénat, ce n’est pas pour réduire le nombre de mandataires politiques et leurs privilèges, ni pour accroître l’efficacité, ni pour moderniser le fonctionnement. C’est pour affaiblir un niveau fédéral de concertation, après un long processus de réformes qui a dépouillé l’État fédéral d’une grande part de ses compétences au profit des gouvernements régionaux. |
|
|||
|
Voor de PVDA‑PTB moet de afschaffing van de Senaat gepaard gaan met mechanismen om de eenheid van het land te garanderen en te versterken. Daarom dienen we een amendement voor de oprichting van een federale kieskring opnieuw in. Die kieskring zou een deel van de 150 volksvertegenwoordigers kunnen kiezen. Die verkozenen zouden zich, los van de taal die ze spreken, baseren op een globale visie over het land. Dat zou de verkozenen van de Kamer verplichten zich tot heel de bevolking van het land te richten, van alle gewesten en niet enkel tot een deel van het land. Daaruit zou een dialoog ontstaan tussen de politieke verantwoordelijken van de verschillende gemeenschappen. Ten tweede, door de Senaat af te schaffen opent de Arizona‑coalitie een gevaarlijke deur: zonder de Senaat zal het in de toekomst makkelijker zijn om de Grondwet te wijzigen. Bijvoorbeeld artikel 19 dat de vrijheid van meningsuiting waarborgt. Het besparingsbeleid en het inhakken op de pensioenen, de indexering en de koopkracht gaan gepaard met pogingen van de meerderheid om het verzet van de werknemers en het maatschappelijk middenveld te smoren of te verbieden. Tot nu toe zonder succes, onder meer omdat de Grondwet het recht op betogen waarborgt. Zoals journalist Bertrand Henne zegt: “De afschaffing van de Senaat betekent een verzwakking van de Belgische democratie.” Bart De Wever en de Arizona‑meerderheid willen zo meer autoritarisme opleggen, meer macht aan de regering geven en minder aan het parlement. Dat is de logica omdraaien: normaal gesproken keurt het parlement de wetten goed en voert de regering ze uit. Dat zien we nu al aan de manier waarop de meerderheid momenteel te werk gaat: u neemt niet eens meer de moeite om de werkwijze van de Senaat te respecteren. Sommige journalisten, goed geïnformeerd door de premier, hebben de beslissingen van het Bureau van de Senaat drie dagen voordat het bijeenkwam al gepubliceerd. Dat is toch sterk! U hebt de stemmen van de oppositie nodig voor de tweederdemeerderheid, maar u neemt niet de moeite om serieus met de oppositie te komen praten. Daarom zal de PVDA‑PTB deze tekst niet steunen. We zullen blijven ijveren voor een oplossing die de eenheid van het land niet in gevaar brengt en die een nieuwe machtsgreep van de regering‑De Wever‑Bouchez voorkomt. |
Pour le PTB, la suppression du Sénat doit aller de pair avec des mécanismes garantissant et renforçant l’unité du pays. C’est pourquoi nous redéposons un amendement pour la création d’une circonscription électorale fédérale. Cette circonscription pourrait élire une partie des 150 députés de la Chambre. Ces élus, quelle que soit la langue qu’ils parlent, partiraient d’une vision globale du pays. Cela obligerait les élus de la Chambre à s’adresser à l’ensemble de la population du pays, de toutes les Régions et pas à une seule partie. Cela développerait le dialogue entre les responsables politiques des différentes Communautés. Deuxièmement, en supprimant le Sénat, la coalition Arizona ouvre une porte dangereuse : sans le Sénat, il sera plus facile à l’avenir de modifier la Constitution. Par exemple, l’article 19, qui garantit la liberté de manifester ses opinions. La politique d’austérité et d’attaques contre les pensions, l’index, le pouvoir d’achat s’accompagne de tentatives, de la part de la majorité, d’étouffer ou d’interdire la résistance des travailleurs et de la société civile. Sans succès jusqu’à présent, entre autres parce que la Constitution garantit le droit de manifester. Comme le dit le journaliste Bertrand Henne : « la suppression du Sénat signe un affaiblissement de la démocratie belge ». Bart De Wever et la majorité Arizona veulent ainsi imposer plus d’autoritarisme, donner plus de pouvoir au gouvernement et moins au Parlement. C’est renverser la logique : normalement, c’est le parlement qui vote les lois et le gouvernement qui les exécute. On le voit déjà dans la façon dont vous, la majorité, travaillez actuellement : vous ne prenez même plus la peine de respecter le mode de fonctionnement du Sénat. Certains journalistes bien informés par le premier ministre ont publié les décisions du Bureau du Sénat trois jours avant qu’il ne se réunisse. Il faut le faire ! Vous avez besoin des voix de l’opposition pour la majorité des deux tiers, mais vous ne prenez pas la peine de venir discuter un peu sérieusement avec elle. C’est pour cela que le PTB ne soutiendra pas ce texte. Nous allons continuer à œuvrer pour une solution qui ne met pas en danger l’unité du pays et évite de nouveau ce passage en force du gouvernement De Wever‑Bouchez. |
|
|||
|
Mevrouw Anne Lambelin (PS). – Ik zal heel duidelijk zijn, zoals de PS dat steeds geweest is vanaf het begin van deze discussie. Wij zullen de afschaffing van de Senaat slechts steunen indien er aan drie voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet deze assemblee vervangen worden door een mechanisme van participatieve democratie, vergelijkbaar met wat er bestaat in de Duitstalige Gemeenschap, met een permanente dialoog met de burgers. Ten tweede moet – zoals de voorzitter van mijn partij al heeft bevestigd – het recht op vrijwillige zwangerschapsonderbreking eindelijk worden opgenomen in de Grondwet. Dit is ons historisch standpunt en dat blijft ongewijzigd. Ten derde kan deze discussie pas plaatsvinden na een debat waarin de standpunten worden uiteengezet van deskundigen, van het middenveld en van de partners van de federale Staat en in het bijzonder van de Duitstalige Gemeenschap, die door deze hervorming nadeel ondervindt. Daarom vragen wij al maanden om echte hoorzittingen te houden. Voor ons is die vraag een voorwaarde om vooruit te gaan in dit dossier. Dit is dus klaar en duidelijk het standpunt van mijn fractie en ik licht het vandaag voor de zoveelste keer toe. Eerst en vooral het houden van een echt, volledig, transparant en weloverwogen debat. De Senaat is een absoluut onmisbare instelling geweest in de democratische structuur van ons land en een aantal mensen hebben dat vandaag ook benadrukt. Op zijn initiatief zijn belangrijke veranderingen doorgevoerd en de laatste tijd hebben de opeenvolgende hervormingen, ingegeven door de wil om het politieke landschap te vereenvoudigen, ertoe geleid dat hij zich heeft toegelegd op reflectiewerk, terwijl hij zijn wetgevende en grondwetgevende rol op een aantal fundamentele terreinen heeft behouden. De Senaat is ook nog steeds de toegangspoort van de deelstaten binnen de federale structuur. Het klopt dat zijn rol sterk is verzwakt. We gaan dit hier vandaag niet ontkennen. Maar de Senaat blijft evengoed een absoluut noodzakelijke pijler van onze institutionele structuur. Het is dus die pijler die u wil afschaffen in slechts twee commissievergaderingen, zonder in te gaan op onze legitieme vraag om hoorzittingen te houden. Ik ken geen enkele andere democratie die naam waardig waarin men een dergelijke hervorming zou aanvaarden zonder eerst een geïnformeerd debat te voeren. Ik ken absoluut geen andere democratie waarin men zou aanvaarden om een wetgevende kamer af te schaffen na twee luttele commissievergaderingen. Er bestaat geen democratie die naam waardig waarin men zou aanvaarden om een dergelijke institutionele hervorming door te voeren zonder één enkele deskundige uit te nodigen, terwijl er ernstige kritiek is over de legitimiteit van de herzieningsprocedure en de daarmee verbonden voorwaarden, zonder ook maar één vertegenwoordiger van het middenveld uit te nodigen terwijl er vele tientallen klaarstonden om hun mening te geven, zonder ook maar één partner van de federale Staat uit te nodigen, in het bijzonder de Duitstalige Gemeenschap, die rechtstreeks wordt geraakt aangezien zij haar enige gewaarborgde vertegenwoordiging op federaal niveau zal verliezen. Haar vertegenwoordigster geniet trouwens mijn volle steun. Bij deze besprekingen kregen wij maar twee argumenten te horen. Ten eerste werd ons gezegd dat hoorzittingen nutteloos waren, aangezien die reeds hadden plaatsgevonden. Dat is een leugen. Er zijn in dit parlement nooit hoorzittingen gehouden over de afschaffing van de Senaat. En als u het heeft over het beruchte verslag over het tweekamerstelsel? De centrale kwestie in dit verslag was niet de afschaffing van de Senaat, maar de manier om het tweekamerstelsel in ons land te verbeteren. Meer nog: dit verslag had absoluut niet als doel om de voorwaarden van de eventuele afschaffing van de Senaat te onderzoeken, noch om de gevolgen ervan op internationaal niveau te analyseren, of de vertegenwoordiging van de deelstaten op het federale niveau, of de plaats van de Duitstalige Gemeenschap binnen de federale instellingen. Dit argument is ronduit leugenachtig en dat weet u. Een tweede argument dat men in de commissie tegen ons heeft gebruikt was dat hoorzittingen de werkzaamheden zouden hebben vertraagd, dat er snel gehandeld moest worden en dat wij ons moesten haasten, gezien de urgentie. Dat argument is helemaal misleidend. Van november tot nu zijn er drie vergaderingen van de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden in de Senaat geannuleerd. Waarom? Drie vergaderingen werden geannuleerd op vraag van de eerste minister, die blijkbaar onze agenda bepaalt. Zo zijn er vier maanden voorbijgegaan. Vier maanden waarin wij ernstige hoorzittingen hadden kunnen organiseren, die naam waardig. Men mag zich dus echt wel afvragen wat er eigenlijk gebeurd is. Indien deze argumenten vals zijn, waarom weigert u dan in alle openheid te werken? Bent u bang om tegengesproken te worden? Kijk om u heen. Hoe duidelijker het project wordt, hoe meer stemmen er opgaan aan alle kanten, hoe meer opiniestukken, hoe meer standpunten uit de academische en de verenigingswereld er weerklinken om zowel de procedure als de inhoud van de hervorming te bekritiseren. Daarom weigert u om meer duidelijkheid te scheppen over deze hervorming! Daarom gaat u een geïnformeerde discussie met het middenveld, of met de getroffen partners van de federale Staat over deze institutionele hervorming uit de weg. Als men zeker is van de juistheid van zijn projecten, vreest men zijn burgers niet, is men niet bang voor juristen of deskundigen die hun standpunt komen toelichten. Men luistert naar hen, men respecteert hen, men grijpt de uitwisseling van ideeën aan om zijn plannen te verfijnen. En juist dat stelt ons in staat om de gezondheidstoestand van een democratie in te schatten. Staat u mij toe om, als fractievoorzitter van een oppositiepartij, mijn parlementaire controletaak uit te oefenen en er ook vandaag weer voor te zorgen dat dit voorstel tot vereenvoudiging van het politieke landschap in geen geval leidt of zal leiden tot een verzwakking van de democratie. Mijn fractie is voorstander van institutionele hervormingen indien, en alleen indien zij werkelijk tot een grotere efficiëntie leiden. Nooit zullen wij echter aanvaarden dat het streven naar efficiëntie voorrang krijgt op een veel belangrijker doel, namelijk de democratie. Overal in Europa en ook bij ons is de democratie in gevaar en verzwakt. De bevolking wordt steeds achterdochtiger. Overal winnen extreemrechts en fascisme terrein. In die context is het de verantwoordelijkheid van de politici van goede wil om de instellingen te versterken, om meer debatruimtes te creëren, om de tegenmacht te consolideren. Het is wel degelijk onze taak om de democratie te beschermen. Door de Senaat af te schaffen zonder zelfs een simpele denkoefening te houden over de werking van onze democratische instellingen, bijvoorbeeld via het mechanisme van de participatieve democratie, doet de meerderheid exact het omgekeerde. Dit is een politieke fout die verstrekkende gevolgen zal hebben. Er bestaan nochtans goed werkende mechanismen die de band tussen de burgers en de politiek kunnen versterken. Ik heb het zelfs niet over mechanismen die gebruikt worden in verre landen, maar bij ons, binnen de Duitstalige Gemeenschap, de deelstaat die u blijkbaar opzettelijk wil negeren, ondanks de federale loyauteit. Daar heeft de vraag om hoorzittingen gezorgd voor een permanente dialoog met de burgers, voor een permanent instrument waarmee de burgers de instellingen kunnen raadplegen. Wij stellen voor dat de federale Staat zich hierop inspireert. Dit is een unieke gelegenheid om er inspiratie uit te putten en ik ben niet de enige die dat zegt, noch binnen deze assemblee, noch erbuiten: u heeft de mening gehoord van de verschillende verenigingen die zich hierover hebben uitgesproken. Met andere woorden: de Parti socialiste zal de afschaffing van de Senaat alleen steunen indien zij gepaard gaat met echte hervormingen, die onze democratie versterken en de burgers meer betrekken bij de democratie. Ik kom bij de tweede inhoudelijke vereiste waarover ik sprak en die wij ook zien als een voorwaarde voor onze steun voor de afschaffing van de Senaat: de verankering van het recht op vrijwillige zwangerschapsafbreking in onze tekst is fundamenteel. U weet allen dat de socialisten al jarenlang strijden voor vrouwenrechten. U weet dat de PS zich daar sinds jaar en dag voor inzet en deze assemblee kan dat zeker bevestigen. De PS strijdt reeds lang onvermoeibaar om vrouwen de mogelijkheid te bieden een zwangerschap af te breken, zonder penalisering, binnen een termijn van achttien weken. Ondanks de obstakels en hindernissen opgeworpen door bepaalde partijen, gaat deze strijd onverminderd door in de Kamer van volksvertegenwoordigers. Gelijktijdig hiermee wordt een andere fundamentele discussie gevoerd in de commissie voor Grondwet en Institutionele Vernieuwing van de Kamer, waarmee beoogd wordt het recht op vrijwillige zwangerschapsonderbreking in onze Grondwet op te nemen. Om te begrijpen wat er speelt en wat er vereist is, is het essentieel om zich de context te herinneren waarbinnen deze evolutie plaatsvindt. Staat u mij toe in dit verband een stukje uit het regeerakkoord van eerste minister De Wever te citeren, onder de rubriek “Hervormingsfederalisme en democratische vernieuwing”. De Arizona‑meerderheid gaat er prat op dat ze een nieuwe staatsstructuur wil creëren en de bevoegdheden van de instellingen wil herzien. Ik citeer: “Hierover zal de eerste minister de nodige contacten leggen om bijkomende parlementaire steun te vinden om de benodigde meerderheden te bereiken zonder de steun van extremistische stemmen.” U zoekt dus een tweederdemeerderheid om de institutionele hervorming door te voeren, zonder daarbij een beroep te moeten doen op extremistische stemmen, of dat nu hier in de Senaat is of in de Kamer. Tot zover meen ik dat wij elkaar hebben begrepen. Maar maandag werd er tijdens de werkzaamheden in de commissie wel erg veel verwezen naar de zesde staatshervorming. Ik voeg hieraan toe dat ik in dit verband de eerlijkheid van de heer Wahl erg apprecieer, wanneer hij herinnert aan de feiten en de context rond die zesde staatshervorming. Ik vind, beste collega, dat u gelijk had om te verwijzen naar die zesde staatshervorming. De methode die destijds werd gebruikt, is erg leerzaam voor onze werkzaamheden. Sommige mensen vonden dat ik mij daar meer in moest verdiepen en dachten wellicht dat ik dat nooit had gedaan. Deze hervorming kwam echter tot stand na een grondige voorbereiding en vergaderingen tussen de vertegenwoordigers van twee derde van de parlementaire assemblees – dat wil voor alle duidelijkheid zeggen: tussen de regeringspartijen en de oppositiepartijen die hun steentje wilden bijdragen aan de nieuwe staatsstructuur. Met andere woorden: er was toen, naast het regeerakkoord, ook sprake van een echt meerderheidsakkoord door onderhandelingen tussen de regeringspartijen, maar ook met de andere politieke partijen die deze staatshervorming vormgaven. Hun deelname was absoluut noodzakelijk om die bijzondere meerderheid tot stand te brengen. Er waren veel besprekingen, zeer veel vergaderingen en raadplegingen nodig, voor men overging tot de procedure van het voor herziening vatbaar verklaren van de Grondwet. Al die politieke partijen hebben samengewerkt en onderhandeld over een institutioneel akkoord. Ze hebben duidelijk, en binnen een zeer ernstig kader, hun prioriteiten kunnen uitspreken met betrekking tot de constitutionele, of breder gezien de institutionele evolutie. Wij hebben toen de dingen in de correcte volgorde gedaan. Maandag in de commissie dacht de eerste minister, die hier vandaag niet is, dat ik toen nog niet geboren was. Ook u, mijnheer de voorzitter, was niet van plan om akkoord te gaan met het verzoek om overleg en hoorzittingen. U hebt een blind vertrouwen in de rapporteur van de tekst. U zou nochtans moeten weten dat ik, tijdens de onderhandelingen voor de zesde staatshervorming, werkte voor het voorzitterschap van de Kamer van volksvertegenwoordigers. Ik heb daar veel partijvoorzitters, parlementsleden, ministers en deskundigen in onze lokalen zien binnenkomen, tot er een akkoord was gevonden voor een bijzondere meerderheid. Er zijn immers twee soorten akkoorden: akkoorden met een gewone meerderheid en akkoorden zoals dit soort teksten, waarvoor een bijzondere tweederdemeerderheid nodig is. Maar hoe gaat u hier te werk? Waar blijft het overleg? Wordt er geluisterd naar elkaar? Is er sprake van respect? De hervorming die u ons vandaag voorstelt, houdt opnieuw een staatshervorming in, maar met een beperkte draagwijdte. Ik zou graag weten – en deze vraag is, in afwezigheid van de eerste minister, gericht aan de minister die de regering vertegenwoordigt – waar en hoe u de nodige steun heeft gevonden voor deze hervorming, in de Senaat en in de Kamer. Want in tegenstelling tot de tot nu toe heersende traditie, heeft de eerste minister niet geprobeerd om een solide institutioneel akkoord te sluiten over materies die nochtans een brede meerderheid vereisen. Hij legt ons systematisch teksten voor zonder voorafgaand overleg. Alles is te nemen of te laten. Dat is een binaire visie op politiek waar ik niet achter sta. Onlangs konden we hiervan nog een voorbeeld zien bij de bespreking van het ontwerp van bijzondere wet aangaande het Grondwettelijk Hof, die uitliep op een flinke nederlaag voor de eerste minister. U begrijpt dus wel waarom mijn fractie haar steun ook afhankelijk maakt van de verankering van het recht op vrijwillige zwangerschapsonderbreking in onze Grondwet. Voor onze partij gaat het hier om een absoluut essentiële prioriteit en wij zijn hierover vanaf het begin duidelijk geweest. Zelfs als wij betrokken waren geweest bij de onderhandelingen over een echt meerderheidsakkoord, zelfs als wij echte hoorzittingen hadden kunnen organiseren om vooruitgang te boeken, zelfs als u naar ons had geluisterd en wij de beschikbare tijd hadden kunnen gebruiken om op een ernstige manier samen te werken, dan nog zou die verankering voor ons een voorwaarde zijn geweest om mee te doen. Maar u heeft mij in de commissie hierover zelfs niets laten zeggen, aangezien u onze allereerste vereiste niet heeft willen overwegen: om met respect vooruit te gaan en te werken met de ernst die deze instelling verdient. Inmiddels wordt het recht op vrijwillige zwangerschapsonderbreking inderdaad op nooit eerder geziene wijze bedreigd, zowel hier als op andere plaatsen. De verankering ervan in de Grondwet zou niet slechts symbolisch zijn, maar zou dit recht duurzaam kunnen versterken en toegankelijker maken, met slechts een paar wetswijzigingen. Wij bevinden ons op dit moment op een kantelpunt. Enerzijds zouden wij, na Frankrijk, het tweede land ter wereld zijn dat dit recht opneemt bij de grondrechten, en anderzijds vinden de meeste grondwetsspecialisten dat deze herziening perfect mogelijk is binnen deze zittingsperiode. We hebben hier dus een unieke gelegenheid om, nu of nooit, een impuls te geven aan dit dossier. Voor de socialisten is het een prioriteit om de rechten en de vrijheden van vrouwen beter te beschermen door het recht op vrijwillige zwangerschapsafbreking in de Grondwet op te nemen. Op die manier wordt elke stap achteruit, terug naar het verleden, onmogelijk en kunnen de rechten en vrijheden van vrouwen niet meer worden teruggedraaid. Ook dat is democratische vernieuwing. Ik wil deze toespraak niet beëindigen zonder mijn steun uit te spreken voor het personeel van deze instelling, dat onze debatten ondergaat, onze beslissingen, die te snel worden genomen, onder druk en met ongekende gevolgen. Ik wil het personeel van de Senaat verzekeren van mijn respect. Deze fundamentele hervorming vindt plaats op overhaaste wijze, zonder het minimum aan overleg dat in dergelijke situaties vereist is. Zij zal onze democratie niet versterken maar verzwakken, omdat u niet heeft begrepen dat wij dit unieke moment moeten aangrijpen om de burgers en de politieke instanties dichter tot elkaar te brengen, omdat de meerderheid weigert om de vrouwenrechten in deze zittingsperiode te consolideren door het recht op en de toegang tot vrijwillige zwangerschapsonderbreking te garanderen, omdat wij niet willen deelnemen aan uw respectloze, overhaaste en instabiele werkwijze. Om al deze redenen zullen wij, waarde collega’s, noch uw voorstel tot herziening van de Grondwet, noch het voorstel van bijzondere wet dat ermee samenhangt, steunen. |
Mme Anne Lambelin (PS). – Je vais être très claire, comme le PS l’a été dès l’entame de cette discussion. Nous ne soutiendrons la suppression du Sénat que pour autant que trois conditions soient respectées. Premièrement, cette assemblée doit être remplacée par un mécanisme de démocratie participative, à l’image de ce qui est en place en Communauté germanophone avec le dialogue citoyen permanent. Deuxièmement, ainsi que le président de mon parti l’a déjà affirmé, l’interruption volontaire de grossesse doit être enfin protégée dans notre Constitution. C’est notre position historique ; elle reste parfaitement inchangée. Troisièmement, cette discussion ne peut avoir lieu qu’après un débat éclairé par les positionnements des experts, les positionnements de la société civile et des partenaires de l’État fédéral, et en particulier le positionnement de la Communauté germanophone, lésée par cette réforme. C’est pourquoi nous demandons, depuis des mois, la tenue d’auditions dignes de ce nom comme condition préalable à toute avancée dans ce dossier. Voilà, de but en blanc, le positionnement de mon groupe politique et je m’apprête une nouvelle fois à le détailler devant vous aujourd’hui. D’abord quant à la nécessité de mener un débat plein, entier, transparent et éclairé, le Sénat a été un organe absolument essentiel de la vie démocratique de notre pays et certains en ont parfaitement fait l’éloge aujourd’hui. Des évolutions importantes ont été adoptées à son initiative et ces derniers temps, les réformes successives justifiées par la volonté de simplifier le paysage politique l’ont amené à se concentrer sur un travail de réflexion tout en conservant sa fonction législative et constituante sur certains sujets fondamentaux. Le Sénat reste toujours un point d’accès des entités fédérées au sein de l’institution fédérale. On le sait, son rôle s’est fortement réduit. Nous n’allons pas nous en cacher aujourd’hui. Il n’en reste pas moins un pilier absolument essentiel de notre vie institutionnelle. Et c’est donc un pilier de celle‑ci que vous proposez aujourd’hui de supprimer, en deux réunions de commission seulement, en ignorant notre demande légitime de tenir des auditions. Je ne connais aucune démocratie digne de ce nom dans laquelle on accepterait de procéder à une telle réforme sans qu’un débat éclairé puisse être mené. Je ne connais absolument aucune démocratie dans laquelle on accepterait de supprimer une chambre législative en organisant deux timides réunions de commission seulement. Il n’y a pas de démocratie digne de ce nom dans laquelle on accepterait une telle réforme institutionnelle sans tenir d’auditions, sans inviter un seul expert alors que des critiques importantes se font entendre sur la régularité du processus de révision et sur ses modalités, sans inviter un seul représentant de la société civile, alors qu’ils étaient des dizaines et des dizaines à avoir demandé à être entendus, sans inviter un seul partenaire de l’État fédéral, en particulier la Communauté germanophone, alors qu’elle est directement touchée puisqu’elle perdrait sa seule représentation garantie au niveau fédéral. Sa représentante a d’ailleurs, aujourd’hui, mon total soutien. Seuls deux arguments nous ont été opposés lors de ces discussions. Premièrement, nous avons a entendu que les auditions étaient inutiles parce qu’elles avaient déjà eu lieu. Argument mensonger. Jamais des auditions sur la suppression du Sénat n’ont été menées dans ce parlement. Et si vous m’opposez le fameux rapport que nous avons tenu sur le bicaméralisme ? La question centrale dont traitait précisément ce rapport ne portait pas sur la suppression du Sénat, mais bien sur la manière d’améliorer le bicaméralisme dans notre pays. Plus fondamentalement, ce rapport n’avait absolument pas pour objet d’examiner les modalités d’une éventuelle suppression du Sénat ni d’en analyser les conséquences sur le plan international ou en ce qui concerne la représentation des entités fédérées au niveau fédéral ou la place de la Communauté germanophone au sein des institutions fédérales. Cet argument est totalement mensonger et vous le savez. Un deuxième argument que l’on nous a opposé en commission est le fait que les auditions auraient retardé les travaux, qu’il fallait agir rapidement et se dépêcher au vu de l’urgence. Cet argument est totalement fallacieux. En effet, entre le mois de novembre et aujourd’hui, trois réunions de la commission des Affaires institutionnelles du Sénat ont été annulées. Pourquoi ? Trois réunions annulées à la demande du premier ministre, qui décide apparemment de notre agenda. Il s’est écoulé près de quatre mois, quatre mois que nous aurions pu mettre à profit pour organiser des auditions sérieuses et dignes de ce nom. On peut donc légitimement se demander ce qu’il s’est réellement passé. Si ces arguments sont mensongers, pourquoi refusez‑vous alors de travailler dans la lumière ? Est‑ce la peur de la contradiction ? Regardez autour de vous. Plus votre projet se dévoile, plus il y a de voix qui s’élèvent un peu partout, plus les cartes blanches, les prises de position académiques et de l’associatif se multiplient pour critiquer tant la manière de réformer que le sens même de la réforme. Voilà pourquoi vous refusez de faire la lumière sur cette réforme ! Voilà pourquoi vous refusez un échange éclairé sur cette révision institutionnelle avec la société civile, avec les constitutionnalistes ou avec les partenaires de l’État fédéral touchés par cette réforme ! Car, quand on est convaincu du bien‑fondé de ses projets, on ne craint pas ses propres citoyens, on ne craint pas les juristes, ni les experts qui pourront donner leur avis. On les écoute, on les respecte, on se nourrit de ces échanges pour améliorer nos ambitions. Et c’est cela même qui nous permet de juger de l’état de santé d’une démocratie. Permettez‑moi, en tant que cheffe de groupe d’un parti de l’opposition, d’exercer mon devoir de contrôle parlementaire et de m’assurer, aujourd’hui encore, que cette proposition de simplification du paysage politique n’implique pas et n’impliquera en aucun cas un affaiblissement de la démocratie. Mon groupe est favorable aux réformes institutionnelles si, et seulement si, elles génèrent effectivement un gain d’efficience. Mais jamais nous n’accepterons que le souci de l’efficacité prenne le pas sur un impératif bien plus important, je veux parler de la démocratie. Partout en Europe, en ce compris chez nous, les démocraties sont en péril et fragilisées. La défiance grandit dans nos populations. Partout, l’extrême‑droite et le fascisme progressent. Dans ce contexte, la responsabilité des femmes et des hommes politiques de bonne volonté est de renforcer les institutions, de multiplier les espaces de débat, de consolider les contre‑pouvoirs. Bref, notre devoir est bel et bien de protéger la démocratie. En supprimant le Sénat sans même mener une simple réflexion sur le fonctionnement de nos institutions démocratiques par le biais notamment des mécanismes de démocratie participative, la majorité fait exactement l’inverse. C’est une faute politique qui sera lourde de conséquences. Pourtant, il existe bel et bien des mécanismes qui fonctionnent pour resserrer le lien entre les citoyens et la politique, et je ne parle pas de mécanismes qui existent à l’autre bout du monde. Ce sont des mécanismes qui sont appliqués chez nous, au sein de la Communauté germanophone, l’entité fédérée que vous décidez d’ignorer délibérément au mépris de la loyauté fédérale. La demande d’auditions a donné lieu, là‑bas, à la mise en place d’un dialogue citoyen permanent, un outil permanent de consultation institutionnelle pour les citoyens. Nous proposons que l’État fédéral puisse s’en inspirer. Nous avons une occasion unique pour nous en inspirer aujourd’hui, et je ne suis pas la seule à le dire, ni dans cette assemblée, ni en dehors : vous avez entendu l’avis des différentes associations qui se sont prononcées sur le sujet. En d’autres termes, le Parti socialiste ne soutiendra la suppression du Sénat que si, et seulement si, elle est accompagnée de véritables réformes qui renforcent notre démocratie, qui impliquent davantage les citoyens dans notre démocratie. J’en viens à la deuxième exigence de fond dont je vous ai parlé, qui conditionne également notre soutien à la suppression du Sénat. L’inscription de l’intervention volontaire de grossesse dans notre texte est fondamentale. Vous connaissez toutes et tous les combats de longue date que mènent les socialistes pour les droits des femmes. Vous savez que le PS s’engage depuis toujours et cette assemblée en est le premier témoin. Le PS s’engage depuis toujours dans la lutte sans relâche pour garantir aux femmes la possibilité d’avorter, sans être criminalisées, dans un délai de dix‑huit semaines. Malgré les embuscades et les blocages de certains partis, ce combat se poursuit bel et bien à la Chambre des représentants. En parallèle, un autre débat fondamental est engagé en commission Constitution et Renouveau institutionnel de la Chambre, et celui‑ci vise à inscrire le droit à l’interruption volontaire de grossesse dans notre texte fondamental. Pour comprendre ces enjeux et ces exigences, il est essentiel de rappeler le contexte dans lequel nous évoluons. Permettez‑moi de citer à ce propos un extrait de l’accord de gouvernement du premier ministre De Wever, dans la rubrique « Fédéralisme de réforme et renouveau démocratique ». La majorité Arizona se targue de vouloir édifier une nouvelle structure de l’État, de revoir la répartition des compétences des institutions. Je cite textuellement : « Le premier ministre prendra les contacts nécessaires pour trouver un soutien parlementaire complémentaire sans l’appui des voix extrémistes afin d’atteindre les majorités nécessaires. » Vous cherchez donc la majorité des deux tiers pour avancer dans votre réforme institutionnelle sans avoir besoin de la voix des extrêmes, que ce soit ici au Sénat ou à la Chambre. Jusqu’ici, il me semble que nous avons pu nous comprendre. Mais lundi, pendant les travaux en commission, les références à la sixième réforme de l’État ont été nombreuses. Je voudrais souligner que j’apprécie à ce propos l’honnêteté de M. Wahl sur le sujet, lorsqu’il rappelle les faits et le contexte dans lequel cette sixième réforme de l’État s’est déroulée. Je trouve, cher collègue, que vous avez eu raison de faire référence à cette sixième réforme de l’État. En effet, la méthode qui avait été utilisée à l’époque est assez instructive pour nos travaux. Certains m’ont dit de m’y intéresser davantage, jugeant que je ne l’avais sans doute jamais fait. Cette réforme a été l’objet d’une préparation approfondie et de réunions répétées entre les partis, entre les représentants des deux tiers des assemblées parlementaires, c’est‑à‑dire – pour être claire – entre les partis du gouvernement et les partis de l’opposition qui voulaient apporter leur pierre à l’édifice de cette nouvelle structure de l’État. En d’autres termes, au‑delà de l’accord de gouvernement, il a existé un véritable accord de majorité spéciale négocié par les partis du gouvernement, mais aussi par les formations politiques associées à la réforme de l’État, dont la participation était absolument nécessaire pour atteindre la majorité spéciale. De très nombreux échanges, de très nombreuses réunions et de nombreuses consultations avaient été tenues avant la procédure d’ouverture à révision de la Constitution. Ces partis ont participé tous ensemble à la négociation de l’accord institutionnel. Ils ont pu faire valoir, de manière claire et dans un cadre absolument sérieux, leurs priorités en ce qui concerne les évolutions constitutionnelles ou, plus largement, institutionnelles. Nous avions fait les choses dans l’ordre. Et, en commission lundi, le premier ministre, qui n’est pas là aujourd’hui, pensait que je n’étais pas née à cette époque. Vous non plus, Monsieur le président, ne comptiez pas répondre positivement à la demande de réunions de concertation et d’auditions. Vous faites aveuglément confiance au porteur de ce texte. Or vous devez savoir que, lors des négociations de la sixième réforme de l’État, je travaillais à la présidence de la Chambre des représentants, et j’en ai vu défiler des présidents de parti. J’en ai vu défiler des parlementaires, des ministres, des experts dans nos locaux, jusqu’à ce qu’un accord à la majorité spéciale puisse être trouvé. Il y a, en effet, deux types d’accords : les accords qui requièrent une majorité simple et les accords – et c’est le cas pour ce genre de textes – qui nécessitent une majorité spéciale des deux tiers. Mais ici, quelle méthode suivez‑vous ? Où est la concertation ? Où est l’écoute ? Où est le respect ? La réforme que vous nous proposez aujourd’hui consiste ni plus ni moins en une nouvelle réforme de l’État mais dont le périmètre est réduit. J’aimerais savoir – et ma question s’adresse plutôt à la ministre qui représente le gouvernement en l’absence du premier ministre – où et comment vous avez trouvé le soutien nécessaire à cette réforme, ici au Sénat et à la Chambre. Parce que, contrairement à la tradition qui prévalait jusqu’ici, jamais le premier ministre n’a cherché à bâtir un accord institutionnel solide sur des matières qui requièrent pourtant de larges majorités. Systématiquement, il nous soumet des textes sans concertation préalable. C’est à prendre ou à laisser. C’est une vision binaire des choses à laquelle je n’adhère pas en politique. Nous en avons encore eu récemment la démonstration à l’occasion de l’examen de la proposition de loi spéciale relative à la Cour constitutionnelle, qui s’est soldé par un échec cuisant pour le premier ministre. Vous comprendrez donc pourquoi mon groupe conditionne également son soutien à l’inscription du droit à l’interruption volontaire de grossesse dans notre texte fondamental. Pour notre parti, il s’agit d’une priorité absolument essentielle et nous avons été clairs sur le sujet depuis le début. Si nous avions été associés à la négociation d’un véritable accord de majorité spéciale, si nous avions pu organiser des auditions dignes de ce nom pour avancer, si vous nous aviez écoutés, si nous avions pu mettre à profit le temps dont nous disposions pour travailler sérieusement ensemble, cette inscription aurait également constitué pour nous une condition à notre participation. Mais vous ne m’avez même pas laissé le dire en commission, car vous n’avez pas pris notre toute première exigence en considération : avancer dans le respect et travailler avec le sérieux que mérite cette institution. Aujourd’hui, en effet, le droit à l’interruption volontaire de grossesse fait l’objet de menaces inédites, ici comme ailleurs, et son inscription dans la Constitution ne relèverait pas du symbole, mais permettrait de le renforcer durablement et d’améliorer son accessibilité moyennant quelques adaptations législatives. Nous sommes d’ailleurs à un moment charnière à cet égard. D’une part, nous pourrions devenir le deuxième pays au monde après la France à ancrer ce droit dans son texte fondamental. D’autre part, une large majorité de constitutionnalistes estiment que cette révision est parfaitement réalisable au cours de l’actuelle législature. C’est donc une fenêtre d’opportunité unique qui s’offre à nous. C’est maintenant ou jamais qu’il faut avancer sur ce dossier. Renforcer la protection des droits et libertés des femmes en inscrivant le droit à l’interruption volontaire de grossesse dans la Constitution est une priorité pour les socialistes. Car, en empêchant tout retour vers le passé, on empêche toute attaque contre les droits et libertés des femmes et on protège celles‑ci contre tout retour en arrière et, ça aussi, c’est du renouveau démocratique. Je ne voudrais pas clôturer mon intervention sans adresser un mot de soutien au personnel de cette institution, un personnel qui subit nos débats, nos décisions prises trop rapidement, exécutées dans le stress et l’inconnu. Je voudrais dire au personnel du Sénat qu’il a tout mon respect. Parce que cette réforme fondamentale se fait à la hâte sans le minimum de concertation requis en l’espèce et qu’elle ne renforcera pas notre démocratie mais, au contraire, la fragilisera, parce que vous ne comprenez pas que nous devons saisir ce moment unique pour rapprocher les citoyens des instances politiques, parce que la majorité ne souhaite pas consolider dès cette législature les droits des femmes en garantissant l’accès et le droit à l’interruption volontaire de grossesse, parce que nous ne pouvons adhérer à vos méthodes bâclées, irrespectueuses, instables, pour toutes ces raisons, chers collègues, nous ne soutiendrons pas votre proposition de révision de la Constitution ni la proposition de loi spéciale qui l’accompagne. |
|
|||
|
De heer Benjamin Dalle (cd&v). – Het gebeurt niet vaak dat we hier zo talrijk aanwezig zijn en bovendien zoveel persbelangstelling krijgen. Dat wijst erop dat het voor de Senaat en onze instellingen een heel belangrijke dag is. Zoals u weet, geeft cd&v loyale steun aan het punt in het regeerakkoord over de afschaffing van de Senaat en daarmee ook over de afschaffing van de vele taken die niet tot de kerntaken van een parlement behoren. Ook in ons verkiezingsprogramma was dat een belangrijk punt. De afschaffing van de Senaat als aparte kamer is natuurlijk een stap in een proces dat al lang geleden is ingezet. Verschillende collega’s hebben dat ook benadrukt. Al met de vierde staatshervorming in 1993 verloor de Senaat een belangrijke bevoegdheid door de stevige beperking van zijn politieke controlerol. Met de zesde staatshervorming ging het nog veel verder. De functie van reflectiekamer, die waakte over de kwaliteit van de wetgeving, werd sterk ingeperkt en de politieke controle werd eigenlijk volledig afgeschaft. De meest radicale hervorming vanuit democratisch oogpunt lag echter in de afschaffing van de rechtstreekse verkiezing van de senatoren. Voor een democratie is dat een zeer vergaande maatregel. Ondanks het geleidelijk afbouwen van de belangrijkste bevoegdheden, bleef de Senaat als instelling voortbestaan. Hij kreeg een nieuwe rol, die van kamer van de deelstaten, die ook blijkt uit zijn huidige samenstelling. De Senaat bestaat namelijk vooral uit deelstaatsenatoren. Ondanks de politieke discussies daarover, werd uitdrukkelijk niet gekozen voor een paritaire samenstelling, maar wel voor een verhouding tussen de taalgroepen die overeenkomt met de demografische verhoudingen in België. Toch speelt de Senaat niet enkel een rol als kamer van de deelstaten. Als compensatie voor het verlies van bepaalde bevoegdheden kreeg de Senaat een nieuwe adviserende rol, in de vorm van het opstellen van informatieverslagen over zaken die gevolgen hebben voor de bevoegdheden van de deelstaten. Ook behield de Senaat zijn bemiddelende rol in de behandeling van belangenconflicten tussen de wetgevende vergaderingen, waarbij een parlement van oordeel is dat zijn belangen ernstig worden geschaad door een beslissing van een andere wetgevende vergadering. Zoals u weet heeft cd&v nooit de meerwaarde gezien van bepaalde bijkomende taken. Wat ons betreft, behoren ze niet tot de kerntaken van een parlement. We zien bijvoorbeeld geen rol meer voor de Senaat, of voor een ander parlementair orgaan, in de procedure rond parlementaire belangenconflicten. Indien na het inroepen van een belangenconflict het overleg tussen de betrokken parlementen binnen 60 dagen niet tot een oplossing leidt, moet het geschil volgens ons rechtstreeks bij het Overlegcomité aanhangig kunnen worden gemaakt. We stemmen straks dan ook over een ander voorstel dat dat mogelijk maakt. De afschaffing van de Senaat en daarmee van de vele zaken die niet tot de kerntaken van een parlement behoren is dan ook een goede zaak. Die afschaffing moet en zal gebeuren met het grootste respect voor de diensten van de Senaat, die zoals iedereen weet, uitstekend werk leveren en tot de beste parlementaire diensten van ons land behoren. Ook in dit dossier hebben we opnieuw kunnen merken dat er bijzonder kwaliteitsvol advies is geleverd en dat de ondersteuning door de diensten uitstekend was. Ook het Kenniscentrum voor de Institutionele Aangelegenheden, dat in 2019 werd opgericht, heeft nuttig advies geleverd en ik ben van oordeel dat het binnen de Kamer een nuttige rol kan spelen. In ons land, dat om de paar legislaturen een belangrijke staatshervorming kent, is er geen enkele administratie die de kennis over de staatshervorming permanent bijhoudt. Het Kenniscentrum heeft die kennis wel en in de toekomst kan ook de Kamer er nuttig gebruik van maken. Uit respect voor het werk van de mensen van de Senaat, zullen wij er ook samen op toezien dat er bij de fusie van de diensten goede afspraken worden gemaakt met het personeel, met respect voor de verworven rechten, zodat ook de Kamer in de toekomst op hen mag blijven steunen. Ik wil kort ingaan op de techniek van de overgangsbepaling bij artikel 195 van de Grondwet, want uiteindelijk is dat het artikel dat hier ter stemming voorligt. Dat artikel moet het mogelijk maken de integrale afschaffing van de Senaat tijdens deze legislatuur te realiseren, zonder dat er nog vier of vijf artikelen in de Grondwet blijven staan die verwijzen naar de rol van de Senaat in een bicameraal systeem. Onze fractie is ervan overtuigd dat deze methode de goede is. Sommige collega’s leken te twijfelen of de gekozen techniek wel verenigbaar is met de Grondwet en de Europese standaarden. Het was alvast goed om maandag in de commissie vast te stellen dat Groen dan toch het akkoord ondersteunt om artikel 195 aan te passen. De premier heeft in de commissie al uitgelegd dat die werkwijze niet strijdig is met de Grondwet, noch met het internationaal recht. Ik denk dat dit de juiste conclusie is. Er is om te beginnen geen enkel probleem met betrekking tot het Belgisch grondwettelijk recht. Wat we hier doen, respecteert volledig de principes van de Grondwet en de principes van artikel 195 zelf. Vóór de verkiezingen werd artikel 195 opgenomen in de herzieningsverklaring. Vandaag zullen we stemmen over de aanpassing van artikel 195 met een tweederdemeerderheid. Daarbij wordt inderdaad gebruikgemaakt van een overgangsbepaling bij artikel 195. Later, binnen deze legislatuur, zullen we dan opnieuw met een tweederdemeerderheid kunnen stemmen over de inhoudelijke artikelen met betrekking tot de Senaat. Met andere woorden: twee keer is een tweederdemeerderheid vereist. Dat zijn zeer sterke garanties die volledig in overeenstemming zijn met de procedure van artikel 195 van de Grondwet. Collega’s, niet alleen is dit voorstel in overeenstemming met het Belgisch grondwettelijk recht, het respecteert ook ten volle alle internationale standaarden over de rechtsstaat en over de democratie. In de commissie is er uitvoerig verwezen naar het advies van de Commissie van Venetië en het volstaat eigenlijk de conclusie van dat advies ook hier nog even te citeren, want die is glashelder. De experten inzake democratie en rechtsstaat van die commissie concluderen: “It cannot be said that the procedure violated the Belgian Constitution or international standards.” Collega’s, laat het glashelder zijn: wat hier wordt voorgesteld is volledig in overeenstemming met het Belgisch grondwettelijk recht en is ook volledig in overeenstemming met alle internationale standaarden. De eerste minister heeft in de commissie ook terecht aangegeven dat bij de bespreking van de herzieningsverklaring de bedoeling van de preconstituante bijzonder duidelijk was, onder meer door te verwijzen naar de tussenkomst van minister Verlinden in de plenaire vergadering van deze assemblee. Daarnaast, collega’s, werd er gevraagd hoorzittingen te organiseren. Wij achten dat inderdaad niet nodig. Wat ons betreft, liggen alle elementen op tafel. De evaluatie van de gemengde commissie Kamer en Senaat over het tweekamerstelsel dateert nog maar van 2022. Er is toen zeer uitvoerig gesproken met zowat alle relevante specialisten en wij zijn dan ook van oordeel dat alle elementen die nodig zijn om een evenwichtige afweging te maken in dit dossier voorhanden zijn. Collega Lambelin, ik moet toegeven dat ik maandag verrast was door het standpunt van de Parti Socialiste en dat ik vandaag opnieuw verrast ben door uw standpunt. De PS‑fractie is de enige fractie die maandag heeft tegengestemd. Nochtans wordt hier, met wat vandaag voorligt, exact dezelfde methodologie gehanteerd als bij de zesde staatshervorming, met eerst een overgangsbepaling bij artikel 195 en vervolgens een ingrijpende aanpassing van de Grondwet, deze keer niet om de Senaat grondig te hervormen, maar om de Senaat af te schaffen, maar dat is exact hetzelfde. U zegt dat er toen wel een akkoord was rond een bijzondere meerderheid. Ik heb vastgesteld, ook vandaag, dat dit voorstel niet alleen is ingediend door de Arizonapartijen, maar ook door Anders. Ook de collega’s uit de oppositie, bijvoorbeeld van Groen, hebben gezegd dat ze dit zouden steunen. Uiteraard moet er een tweederdemeerderheid zijn. In 2011 is die tweederdemeerderheid gevonden, en ik ben hoopvol dat die vandaag zal worden gevonden. Collega Lambelin, ik wil toch nog eventjes de puntjes op de i zetten over de historiek. De indieners van vandaag hebben die overgangsbepaling bij artikel 195 niet zelf uitgevonden. Zij hebben er wel de artikelen betreffende de Senaat aan toegevoegd, maar de methodiek die wij vandaag toepassen, is bedacht in december 2011, namelijk in de Wetstraat 16, op het kabinet van de toenmalige eerste minister, Elio Di Rupo. Ik weet het, want ik was toen kabinetschef van de staatssecretaris voor Staatshervorming Servais Verherstraeten. Samen met staatssecretaris Wathelet hebben wij die overgangsbepaling bij Elio Di Rupo geschreven. We hebben inderdaad voorgesteld aan de fractieleiders om dat in te dienen, eerst in de Kamer. Bij de behandeling van artikel 195 in de Kamercommissie begin 2012 was het uitgerekend Thierry Giet, partijvoorzitter van de PS, die het voorstel als eerste toelichtte. Hij was de hoofdindiener van het voorstel. Een zeker parlementslid Ben Weyts zei: “Misschien zijn er toch wel een aantal grondwettelijke bedenkingen te maken. Moeten wij niet even een aantal specialisten daarover horen?” De toenmalige communautaire meerderheid heeft gezegd: “Neen, we moeten vooruitgaan. We willen die staatshervorming snel realiseren. We hebben niet meer zoveel tijd en we gaan het doen zonder hoorzitting.” Het was inderdaad Thierry Giet die zei dat zij niet wilden ingaan op die vraag. Als er vandaag partijen kritiek zouden mogen hebben op de gehanteerde methode, zijn het niet de partijen die de zesde staatshervorming hebben gesteund, zoals mijn eigen partij of de PS, maar de N‑VA, die vandaag inderdaad deze nieuwe methodiek steunt. Alleen dwazen veranderen nooit van mening. Het is toch wel bizar dat de rollen vandaag omgekeerd zijn en dat het nu de PS is die kritiek heeft op een systeem dat ze zelf heeft bedacht en verdedigd. Collega Lambelin, u hebt gezegd dat de situatie vandaag anders is, omdat de democratie onder druk staat. Mag ik u eraan herinneren dat wij in 2011 541 dagen hebben onderhandeld over een nieuwe regering? Dat was een wereldrecord! De Belgische democratie heeft nooit zo onder druk gestaan als in 2011. Collega Lambelin, Ik was ook bijzonder verrast deze morgen in La Libre Belgique te lezen en u daarnet ook hier te horen zeggen: “Bien sûr, on continuera à lier les deux dossiers”, namelijk abortus in de Grondwet en de afschaffing van de Senaat. Het gaat over twee uitzonderlijk belangrijke dossiers, die evenwel niets met elkaar te maken hebben. Ik ben verrast dat u hier nu voor de eerste keer in de plenaire vergadering de link komt leggen tussen die twee dossiers. In de twee uitgebreide vergaderingen van de commissie heb ik u op geen enkel moment daarover horen spreken en u heeft ook op geen enkele manier voorstellen gedaan, tussenkomsten gedaan, of amendementen ingediend om dat te realiseren. Sta me toe om dit zeer verrassend te vinden. Het politiek verbinden van deze twee dossiers doet ook oneer aan deze zeer belangrijke thema’s die absoluut niets met elkaar te maken hebben. Wat uw steun voor de Duitstalige Gemeenschap betreft, collega Lambelin, hebben wij hier allemaal gezegd dat wij vinden dat wat collega Scholzen voorstelt uitzonderlijk belangrijk is, dat we daar rekening mee gaan houden en een oplossing vinden. U zegt dat de mensen die het voorstel voor herziening van de Grondwet steunen, geen respect hebben voor de Duitstalige Gemeenschap. Maar wat hebt u zelf gedaan in de commissie? U hebt eerst lang gesproken, opnieuw over het belang van de Duitstalige Gemeenschap, maar uiteindelijk hebt u niet voor het amendement van collega Scholzen gestemd. Eerlijk gezegd vind ik deze houding niet consequent, en hypocriet. Collega’s, we kunnen tot slot onmogelijk het debat over de afschaffing van de Senaat voeren zonder ook in te gaan op de participatie van de deelstaten. Het is geweten dat cd&v daaraan een bijzonder groot belang hecht. Het volstaat om terug te gaan naar de basisprincipes van het federalisme. Er zijn drie wetten van het federalisme die toepasselijk zijn: autonomie, samenwerking en participatie, de zogenaamde shared rule. In een federale staat moeten deelstaten niet alleen een statuut en autonomie hebben, maar is het van belang dat ze ook rechtstreeks inspraak hebben bij de organisatie van hun statuut en hun autonomie. Deelstaten moeten institutioneel verankerde middelen hebben om invloed uit te oefenen op federale beslissingen, zodat de federale overheid niet eenzijdig kan beslissen over aangelegenheden die de deelstaten raken. Het gaat dan bijvoorbeeld over de herziening van de Grondwet, over de staatshervorming, de aanpassing van de bevoegdheden of de financieringswet. Het gaat ook over de benoeming van bepaalde magistraten. En het gaat inderdaad ook over de participatie van deelstaatparlementsleden aan internationale parlementaire instellingen. Denk aan de instellingen van de Raad van Europa, de OVSE, de NAVO en ook de IPU. Dat de deelstaatparlementsleden daarbij betrokken worden via de Senaat is een uniek model. U zult begrijpen dat wij met cd&v als Vlaamsgezinde partij, als een partij die ijvert voor een doorgedreven federalisme, die inspraak ook willen behouden. Daartoe past het om na de afschaffing van de Senaat een mechanisme uit te werken dat deze rechtstreekse inspraak van de deelstaten vorm geeft. We kunnen trouwens ook verwijzen naar het buitenland. De vele buitenlandse voorbeelden van andere federale of semi‑federale staten tonen aan dat de deelstaten steeds betrokken worden bij het opstellen en wijzigen van de federale grondwet en de wetgeving die het statuut van de deelstaten regelt. Die shared rule kan verschillende vormen aannemen. Het gaat over indirecte participatie van de deelstaten door middel van een tweede kamer, zoals via de Senaat. Maar er zijn ook andere vormen, zoals directe participatie in een conventie, een initiatiefrecht voor de deelstaten, een ratificatierecht voor de deelstaten en ook natuurlijk meer informele vormen van consultatie van de deelstaten. Slechts een zeer beperkt aantal landen beschikt niet over dergelijke mechanismen. Het gaat dan veelal over microstaten, Micronesië bijvoorbeeld, of over minder democratische regimes. Het argument dat Vlaanderen, Wallonië en Brussel en de Duitstalige gemeenschap reeds in de Kamer vertegenwoordigd zijn en dat alle parlementsleden over de verschillende niveaus heen toch hetzelfde moeten denken, overtuigt ons niet. Dat is eerlijk gezegd een argument dat volledig past in de particratie. Het houdt weinig rekening met de eigenheid van de deelstaatparlementsleden en toont weinig respect voor het niveau dat ze vertegenwoordigen. Wie kijkt naar concrete dossiers weet dat het parlement waarin iemand zetelt, een regionaal of een nationaal parlement, een impact heeft op de manier waarop mensen redeneren. Ik kan mij bijvoorbeeld inbeelden dat er binnen dezelfde partij totaal verschillende visies bestaan over de bijzondere financieringswet tussen de fracties in de verschillende parlementen, maar dat kan ook het geval zijn over heel concrete dossiers. Neem nu bijvoorbeeld het voorstel van collega De Roo van onze fractie over artikel 23 van de Grondwet. Dat gaat over het recht op werken, het recht op behoorlijke huisvesting, het recht op een gezond leefmilieu en dergelijke meer. Collega De Roo zetelt in het Vlaams Parlement en is onder meer gespecialiseerd in landbouw en leefmilieu. Vanuit die kennis en ervaring, onder meer over de concrete impact van artikel 23 op de vergunningen, heeft hij in de Senaat een voorstel ingediend. De gevoeligheid daarover leeft misschien ook in de Kamerfracties en ook in onze cd&v‑Kamerfractie. Toch is dat niet hetzelfde, want het is op regionaal niveau dat men dagelijks wordt geconfronteerd met die realiteit. De betrokkenheid van de deelstaatparlementsleden is dus duidelijk een meerwaarde. De weg die we dus moeten volgen, is zeker niet de weg naar een Belgische Grondwet die kan gewijzigd worden door de Kamer van volksvertegenwoordigers zonder betrokkenheid van de deelstaatparlementsleden. We zijn dan ook bijzonder tevreden dat het voorliggende wetgevend pakket een duidelijk engagement toont van alle indieners om de participatie van de deelstaten ook in de toekomst te waarborgen. De verschillende fracties hebben het belang daarvan benadrukt en ook de eerste minister heeft herhaald dat dit een belangrijk punt is. In het kader van dit bredere onderzoek naar betrokkenheid van de deelstaten, zal een oplossing moeten worden gezocht en gevonden voor de terechte bekommernis van collega Scholzen dat met de afschaffing van de Senaat ook de vertegenwoordiging van de Duitstalige Gemeenschap in deze instelling wegvalt. Op die manier voorkomen we dat we enkel een ad‑hoc- oplossing vinden voor de Duitstalige Gemeenschap. We moeten een oplossing vinden voor Ostbelgien, voor de Duitstalige Gemeenschap, maar ook voor de Nederlandse taalgroep in Brussel. Breder gezien moeten we een oplossing vinden voor de betrokkenheid van de deelstaten. Dat is een engagement van de indieners en van alle hier aanwezige fracties. We kunnen met de cd&v‑fractie dit voorstel vol overtuiging steunen en we hopen ook dat daar een heel brede meerderheid voor kan worden gevonden. |
M. Benjamin Dalle (cd&v). – Il est rare que nous soyons aussi nombreux dans cet hémicycle et que la presse s’intéresse autant à nous. Cela montre à quel point cette journée est importante pour le Sénat et pour nos institutions. Comme vous le savez, le cd&v tient à soutenir avec loyauté le point de l’accord de gouvernement relatif à la suppression du Sénat et, partant, la suppression de ses nombreuses tâches qui ne relèvent pas des missions essentielles d’un parlement. Il s’agissait également d’un point important de notre programme électoral. La suppression du Sénat en tant que chambre distincte s’inscrit naturellement dans un processus engagé de longue date, comme plusieurs collègues l’ont rappelé. Dès la quatrième réforme de l’État, en 1993, le Sénat a perdu une compétence importante avec la forte limitation de son rôle de contrôle politique. La sixième réforme de l’État est allée encore plus loin : sa fonction de chambre de réflexion, chargée de veiller à la qualité de la législation, a été fortement réduite et le contrôle politique a, en pratique, été entièrement supprimé. La réforme la plus radicale, du point de vue démocratique, a toutefois été la suppression de l’élection directe des sénateurs, qui constitue une mesure extrême pour une démocratie. Malgré le démantèlement progressif de ses principales compétences, le Sénat a continué d’exister en tant qu’institution. Il s’est vu confier un nouveau rôle, celui de chambre des entités fédérées, ce que traduit également sa composition actuelle. Le Sénat est en effet composé majoritairement de sénateurs des entités fédérées. Malgré les débats politiques à ce sujet, il a été expressément décidé d’opter non pas pour une composition paritaire, mais pour une répartition entre groupes linguistiques correspondant aux équilibres démographiques de la Belgique. Le Sénat ne se limite toutefois pas à ce rôle de chambre des entités fédérées. Pour compenser la perte de certaines de ses compétences, il s’est vu confier une nouvelle mission consultative consistant à établir des rapports d’information sur des matières qui ont des incidences sur les compétences des entités fédérées. Le Sénat a également conservé son rôle de médiateur dans le traitement des conflits d’intérêts entre assemblées législatives, lorsqu’un parlement estime que ses intérêts sont gravement lésés par une décision d’une autre assemblée législative. Comme vous le savez, le cd&v n’a jamais perçu la valeur ajoutée de certaines de ces tâches supplémentaires, qui ne relèvent pas, à ses yeux, des missions essentielles d’un parlement. Par exemple, nous ne voyons plus de rôle pour le Sénat, ni pour aucun autre organe parlementaire, dans la procédure des conflits d’intérêts parlementaires. Si, après qu’un conflit d’intérêts a été invoqué, la concertation entre les parlements concernés ne permet pas de trouver une solution dans les soixante jours, le litige doit, selon nous, pouvoir être porté directement devant le Comité de concertation. Nous voterons d’ailleurs tout à l’heure sur une autre proposition qui le permet. La suppression du Sénat, et avec lui de toute une série de tâches qui ne relèvent pas des missions fondamentales d’un parlement, est donc une bonne chose à nos yeux. Cette suppression doit et devra se faire en témoignant le plus grand respect pour les services du Sénat qui, comme chacun le sait, accomplissent un travail remarquable et comptent parmi les meilleurs services parlementaires de notre pays. Dans ce dossier aussi, nous avons une nouvelle fois pu constater que des avis de très grande qualité ont été rendus et que l’appui des services a été excellent. Le Centre d’expertise pour les Affaires institutionnelles, créé en 2019, a lui aussi fourni des avis utiles, et je considère qu’il pourra apporter une expertise déterminante à la Chambre. Dans notre pays, qui connaît une importante réforme de l’État toutes les deux ou trois législatures, il n’existe aucune administration qui garde systématiquement à jour une base de données sur les réformes de l’État. Le Centre d’expertise a effectué ce travail de synthèse, et la Chambre pourra également en tirer parti après la réforme. Par respect pour le travail accompli par les collaborateurs du Sénat, nous veillerons ensemble à ce que, lors de la fusion des services, de bons accords soient conclus avec le personnel, dans le respect de leurs droits acquis, afin que la Chambre puisse continuer à compter sur eux après la réforme. J’aimerais dire un mot sur la technique de la disposition transitoire inscrite à l’article 195 de la Constitution, car c’est en définitive cet article qui sera aujourd’hui soumis à notre vote. Cet article doit permettre de procéder, au cours de cette législature, à la suppression complète du Sénat, sans laisser encore dans la Constitution quatre ou cinq articles faisant référence au rôle du Sénat dans un système bicaméral. Notre groupe est convaincu qu’il s’agit de la bonne méthode. Certains collègues semblaient douter de la compatibilité de la technique retenue avec la Constitution et les standards européens. Il était en tout cas positif de constater, lundi en commission, que Groen soutient finalement l’accord visant à modifier l’article 195. Le premier ministre a déjà expliqué en commission que cette méthode ne contrevient ni à la Constitution ni au droit international. Je pense que c’est la bonne conclusion. Il n’y a, pour commencer, aucun problème du point de vue du droit constitutionnel belge. Ce que nous faisons ici respecte pleinement les principes de la Constitution, ainsi que ceux de l’article 195 lui‑même. Avant les élections, l’article 195 a été inclus dans la déclaration de révision. Aujourd’hui, nous voterons la modification de l’article 195 à une majorité des deux tiers. Pour ce faire, nous recourrons effectivement à une disposition transitoire ajoutée à l’article 195. Plus tard, au cours de cette même législature, nous pourrons à nouveau nous prononcer à une majorité des deux tiers sur les articles de fond relatifs au Sénat. En d’autres termes, une majorité des deux tiers sera requise à deux reprises. Il s’agit là de garanties très solides, qui sont entièrement conformes à la procédure prévue par l’article 195 de la Constitution. Non seulement cette proposition est conforme au droit constitutionnel belge, mais elle respecte aussi pleinement l’ensemble des standards internationaux relatifs à l’état de droit et à la démocratie. La commission a amplement cité l’avis de la Commission de Venise et il suffit en fait d’en rappeler ici la conclusion, tant celle‑ci est limpide. Les experts de cette commission en matière de démocratie et d’état de droit ont tiré la conclusion suivante : « It cannot be said that the procedure violated the Belgian Constitution or international standards ». Les choses sont donc on ne peut plus claires : ce qui est proposé ici est en totale conformité avec le droit constitutionnel belge, ainsi qu’avec l’ensemble des standards internationaux. Le premier ministre a également indiqué à raison, en commission, que lors de l’examen de la déclaration de révision, l’intention du préconstituant était particulièrement claire, faisant notamment référence à l’intervention de la ministre Verlinden en séance plénière de cette assemblée. Par ailleurs, il a été demandé d’organiser des auditions. Nous estimons en effet que cela n’est pas nécessaire. Pour nous, tous les éléments sont sur la table. L’évaluation de la commission mixte Chambre‑Sénat sur le bicaméralisme ne remonte qu’à 2022. À l’époque, des échanges très approfondis ont eu lieu avec pratiquement tous les spécialistes en la matière, et nous considérons dès lors que nous disposons de tous les éléments requis pour procéder à une évaluation équilibrée dans ce dossier. Madame Lambelin, je dois reconnaître que j’ai été surpris, lundi, par la position du Parti socialiste, et que je le suis à nouveau aujourd’hui par la vôtre. Le groupe PS est le seul à avoir voté lundi contre la proposition. Pourtant, la méthodologie appliquée par le texte qui nous est soumis aujourd’hui est exactement la même que lors de la sixième réforme de l’État : nous votons d’abord sur une disposition transitoire ajoutée à l’article 195, et nous voterons ensuite sur une modification radicale de la Constitution, cette fois non pas pour réformer le Sénat en profondeur, mais pour le supprimer, ce qui, sur le plan de la méthodologie, revient strictement au même. Vous dites qu’à l’époque, il y avait bien un accord sur une majorité spéciale. J’ai constaté aujourd’hui encore que cette proposition n’a pas été déposée uniquement par les partis de l’Arizona, mais aussi par Anders. Des collègues de l’opposition, par exemple de Groen, ont eux aussi déclaré qu’ils la soutiendraient. Il faut bien sûr une majorité des deux tiers. Elle avait été trouvée en 2011, et je suis optimiste quant au fait qu’elle le sera aussi aujourd’hui. Madame Lambelin, je souhaiterais quand même remettre les pendules à l’heure quant à l’historique. Les auteurs de la proposition actuelle n’ont pas inventé eux‑mêmes cette disposition transitoire à inscrire dans l’article 195. Ils y ont certes ajouté les articles relatifs au Sénat, mais la méthodologie que nous appliquons aujourd’hui a été conçue en décembre 2011, au 16, rue de la Loi, au cabinet du premier ministre de l’époque, qui était Elio Di Rupo. Je le sais, car j’étais alors chef de cabinet du secrétaire d’État aux Réformes institutionnelles, Servais Verherstraeten. Avec le secrétaire d’État Wathelet, nous avons rédigé cette disposition transitoire au cabinet d’Elio Di Rupo. Nous avons effectivement proposé aux chefs de groupe de la déposer, d’abord à la Chambre. Lors de l’examen de l’article 195 en commission de la Chambre, début 2012, c’est précisément Thierry Giet, alors président du PS, qui a présenté le premier la proposition, dont il était le principal auteur. Un certain député, Ben Weyts, s’est alors demandé s’il n’y aurait quand même pas quelques objections d’ordre constitutionnel à formuler et s’il ne faudrait pas entendre quelques spécialistes à ce sujet. La majorité communautaire de l’époque a répondu par la négative, disant qu’il fallait avancer, qu’elle souhaitait réaliser cette réforme de l’État rapidement, qu’elle n’avait plus beaucoup de temps et qu’elle allait le faire sans auditions. C’est bien Thierry Giet qui a déclaré qu’ils ne souhaitaient pas donner suite à cette demande. Si certains partis devaient critiquer aujourd’hui la méthode utilisée, ce ne devrait pas être ceux qui ont soutenu la sixième réforme de l’État, comme mon propre parti ou le PS, mais bien la N‑VA, qui soutient aujourd’hui le recours à cette nouvelle méthode. Seuls les imbéciles ne changent jamais d’avis. Il est tout de même pour le moins curieux que les rôles soient à présent inversés et que ce soit désormais le PS qui critique un système qu’il a lui‑même conçu et défendu. Madame Lambelin, vous avez indiqué que la situation est aujourd’hui différente parce que la démocratie est sous pression. Permettez‑moi de vous rappeler qu’en 2011, nous avons négocié pendant 541 jours pour former un nouveau gouvernement. Ce fut un record mondial, et jamais la démocratie belge n’a été autant sous pression qu’en 2011. Madame Lambelin, j’ai aussi été particulièrement surpris de lire ce matin dans La Libre Belgique, ce que vous venez également de confirmer ici : « On continue à lier les deux dossiers. Bien sûr ! », à savoir l’inscription du droit à l’avortement dans la Constitution et la suppression du Sénat. Il s’agit de deux dossiers extrêmement importants, qui n’ont toutefois aucun lien entre eux. Je suis étonné que vous établissiez ici, pour la première fois en séance plénière, un lien entre ces deux dossiers. Lors des deux longues réunions de la commission, je ne vous ai à aucun moment entendu en parler et vous n’avez pas non plus déposé de propositions, effectué d’interventions ou déposé des amendements en ce sens. Permettez‑moi de trouver cela très surprenant. Lier politiquement ces deux dossiers ne fait pas non plus honneur à ces thèmes très importants, qui n’ont absolument rien à voir l’un avec l’autre. S’agissant de votre soutien à la Communauté germanophone, Madame Lambelin, nous avons tous déclaré ici que nous trouvons que la proposition de notre collègue Scholzen revêt une importance capitale, que nous en tiendrons compte et que nous trouverons une solution. Vous dites que celles et ceux qui soutiennent la proposition de révision de la Constitution ne respectent pas la Communauté germanophone. Mais qu’avez‑vous fait vous‑même en commission ? Vous avez d’abord longuement parlé, une fois encore, de l’importance de la Communauté germanophone, mais, au bout du compte, vous n’avez pas voté en faveur de l’amendement de notre collègue Scholzen. Franchement, je trouve cette attitude incohérente et hypocrite. Chers collègues, je conclurai en soulignant que nous ne pouvons débattre de la suppression du Sénat sans aborder aussi la participation des entités fédérées. Chacun sait que le cd&v y attache une importance toute particulière. Il suffit de revenir aux principes fondamentaux du fédéralisme. Trois lois du fédéralisme s’appliquent en l’espèce : l’autonomie, la coopération et la participation, dite ‘shared rule’. Dans un État fédéral, les entités fédérées ne doivent pas seulement disposer d’un statut et d’une autonomie, il est également essentiel qu’elles aient directement voix au chapitre quant à l’organisation de leur statut et quant à leur autonomie. Les entités fédérées doivent disposer de moyens institutionnellement ancrés pour peser sur les décisions fédérales, afin que l’autorité fédérale ne puisse pas décider unilatéralement de questions qui les concernent. Il s’agit par exemple de la révision de la Constitution, des réformes de l’État, de l’adaptation des compétences ou de la loi de financement. Il s’agit aussi de la nomination de certains magistrats, ainsi que de la participation de parlementaires des entités fédérées à des institutions parlementaires internationales, comme le Conseil de l’Europe, l’OSCE, l’OTAN ou encore l’UIP. Que ces parlementaires des entités fédérées y soient associés par l’intermédiaire du Sénat constitue un modèle unique. Vous comprendrez qu’en tant que parti flamand qui plaide pour un fédéralisme fort développé, le cd&v souhaite préserver cette participation. Il conviendra dès lors, après la suppression du Sénat, d’inventer un mécanisme mettant en œuvre cette participation directe des entités fédérées. D’ailleurs, nous pouvons aussi nous intéresser à ce qui se passe à l’étranger. De nombreux exemples d’autres États fédéraux ou semi‑fédéraux montrent que les entités fédérées sont toujours associées à l’élaboration et à la révision de la Constitution fédérale et de la législation qui régit leur statut. Cette shared rule peut revêtir diverses formes. Il peut s’agir d’une participation indirecte des entités fédérées par le biais d’une seconde chambre, comme le Sénat. Mais il existe aussi d’autres formes, telles que la participation directe à une convention, un droit d’initiative ou de ratification pour les entités fédérées, ainsi que des formes plus informelles de consultation. Seul un nombre très limité de pays ne dispose pas de tels mécanismes, le plus souvent des micro‑États, comme la Micronésie, par exemple, ou des régimes moins démocratiques. L’argument selon lequel la Flandre, la Wallonie, Bruxelles et la Communauté germanophone sont déjà représentées à la Chambre et que tous les parlementaires devraient de toute façon penser la même chose, quel que soit le niveau de pouvoir où ils siègent, ne nous convainc pas. C’est à vrai dire un argument qui s’inscrit pleinement dans la logique de la particratie. Il tient très peu compte de la spécificité des parlementaires des entités fédérées et témoigne d’un manque de respect pour le niveau qu’ils représentent. Quiconque se penche sur des questions concrètes sait que le parlement dans lequel un élu siège, régional ou fédéral, influence son raisonnement. Je peux parfaitement imaginer qu’au sein d’un même parti, les visions divergent totalement, par exemple sur la loi spéciale de financement, entre les groupes dans les différents parlements, mais cela vaut aussi pour des dossiers très concrets. Prenons par exemple la proposition du sénateur De Roo, membre de notre groupe, relative à l’article 23 de la Constitution, qui concerne le droit au travail, le droit à un logement décent, le droit à un environnement sain, etc. Notre collègue De Roo siège au Parlement flamand et est notamment spécialisé dans les matières qui relèvent de l’agriculture et de l’environnement. Fort de ces connaissances et de cette expérience, notamment en ce qui concerne l’incidence concrète de l’article 23 sur les permis, il a déposé une proposition de loi au Sénat. Cette sensibilité existe peut‑être aussi au sein des groupes de la Chambre, y compris au sein de notre groupe cd&v. Ce n’est toutefois pas la même chose, car c’est au niveau régional que l’on est confronté au quotidien à cette réalité. Il est donc clair que l’implication des parlementaires des entités fédérées apporte une réelle valeur ajoutée. La voie à suivre n’est donc certainement pas celle d’une Constitution belge pouvant être modifiée par la Chambre des représentants sans l’implication des parlementaires des entités fédérées. Nous sommes dès lors particulièrement satisfaits que le paquet législatif soumis à notre approbation traduise l’engagement clair de tous les auteurs de garantir aussi à l’avenir la participation des entités fédérées. Les différents groupes ont souligné l’importance de cet aspect et le premier ministre a lui aussi rappelé qu’il s’agissait d’un point essentiel. Dans le cadre de cette réflexion plus large sur l’implication des entités fédérées, il faudra rechercher et trouver une solution à la préoccupation légitime de notre collègue Scholzen, qui a rappelé que la suppression du Sénat signifierait également la disparition de la représentation de la Communauté germanophone au sein de cette institution. Ce faisant, nous éviterons de nous en tenir à une solution ad hoc pour la Communauté germanophone. Nous devons trouver une solution pour l’Ostbelgien, pour la Communauté germanophone, mais aussi pour le groupe linguistique néerlandophone à Bruxelles. Plus largement, nous devons trouver une solution pour garantir l’implication des entités fédérées. Il s’agit là d’un engagement pris par les auteurs de la proposition et par l’ensemble des groupes présents dans cet hémicycle. Avec le groupe cd&v, nous pouvons soutenir cette proposition en toute conviction et nous espérons également qu’elle pourra rallier une très large majorité. |
|
|||
|
Mevrouw Anne‑Catherine Goffinet (Les Engagés). – Tijdens deze twee vergaderingen van de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden heb ik namens mijn fractie de gelegenheid gehad om niet alleen het manifest, maar ook het programma van Les Engagés in herinnering te brengen. Ons programma was duidelijk wat de toekomst van deze Senaat betreft. Ofwel lieten we de Senaat evolueren door zijn rol en bevoegdheden te herzien, zodat hij echt zijn plaats zou vinden in het Belgische institutionele landschap, zodat hij efficiënter zou zijn, zodat hij zou deelnemen aan het democratische debat en zodat hij een rol van betekenis zou hebben in heel België, van Oostende tot Aarlen. Ofwel moesten we de moed hebben om ons af te vragen of hij wel moest blijven bestaan. Na de opeenvolgende hervormingen die de Senaat van zijn bevoegdheden hebben ontdaan, zien we het nut ervan inderdaad niet meer in, ondanks de inspanningen van iedereen, het kwaliteitswerk dat is verricht en de goede wil van de verschillende diensten en het personeel van de Senaat. De Senaat is in de loop van de hervormingen zijn inhoud verloren en draagt niet langer bij aan de verrijking van het democratische debat. Dit geldt zowel voor zijn functie als reflectiekamer, die niet meer is wat ze in het verleden was, als voor zijn rol als vergadering van de deelstaten op federaal niveau, een gevolg van de verregaande hervorming van 2014. Bovendien kunnen we alleen maar vaststellen dat de Senaat niet langer echt een tegenwicht vormt voor de Kamer van volksvertegenwoordigers op wetgevend vlak. Hoewel wij van mening zijn dat een nieuwe hervorming van de Senaat deze instelling in staat had kunnen stellen opnieuw een sleutelrol te spelen in de coördinatie van het politieke optreden, waarvoor de federale Staat zou instaan, kunnen wij niet ontkennen dat deze instelling er altijd moeite mee heeft gehad haar plaats te vinden in het Belgische institutionele bestel, ondanks de opeenvolgende veranderingen die zij heeft ondergaan. Zoals mijn collega‑senatoren en de eerste minister tijdens de debatten hebben opgemerkt, is deze vorm het resultaat van een eeuw van zoektocht naar een identiteit en van hervormingen die zijn geëindigd met de zesde staatshervorming en de huidige Senaat. Alle partijen zijn het erover eens dat de werking ervan niet aan de verwachtingen voldoet. Vandaag moeten we dan ook de moed hebben om te zeggen dat deze opeenvolgende hervormingen van de Senaat hebben gefaald en het vertrouwen van de burgers en de politieke families hebben ondermijnd, zowel in het nut van een nieuwe hervorming als in de te verwachten resultaten ervan. Sommigen zijn van mening dat er een einde moet komen aan de levensverlengende maatregelen, en wij kunnen hen begrijpen. Gelet op dit alles en de onmogelijkheid om de rol van de Senaat via een nieuwe hervorming te versterken, moeten we de moed hebben om hieruit de nodige conclusies te trekken. Vanuit die gedachte hebben we ermee ingestemd om deze kamer af te schaffen. We hebben ermee ingestemd op twee belangrijke voorwaarden, die zijn vastgelegd in het regeerakkoord. Ten eerste: alle bevoegdheden van de Senaat moeten op federaal niveau blijven en dus volledig worden overgedragen aan de Kamer. Ten tweede: we wilden dat de eerste minister aanvullende parlementaire steun zou vinden, zodat we de nodige meerderheden kunnen bereiken zonder de steun van extremistische stemmen. Onder deze voorwaarden zijn wij vastbesloten de overgang naar een eenkamerstelsel te begeleiden en al onze energie in te zetten om te voorkomen dat dit het begin wordt van een verzwakking van ons België en onze rechtsstaat. In wezen is deze hervorming, die de overgang naar een eenkamerstelsel markeert, een politieke keuze. Een politieke keuze waarover beide kamers zich zullen moeten uitspreken in een proces dat in verschillende fasen verloopt en in totaal acht stemrondes omvat. En we zijn nu bij de tweede aangekomen. Sommigen zouden deze politieke keuze willen koppelen aan een andere keuze, namelijk die om de Senaat om te vormen tot een vergadering voor burgerparticipatie of een permanente burgerraad. Ik denk dat we ons op dit punt in de verkeerde discussie bevinden. We hebben het al gezegd en we herhalen het: Les Engagés zijn absoluut voorstander van het idee om onze democratie te verrijken door haar een participatieve en deliberatieve dimensie te geven, om haar weer betekenis te geven in de ogen van de burgers en hun vertrouwen te herstellen. We strijden voor een vernieuwde democratie die voor iedereen zinvol is. Onze beweging steunt initiatieven die erop gericht zijn leden van het maatschappelijk middenveld in staat te stellen op een directere manier deel te nemen aan het democratische proces. Maar we moeten niet alles door elkaar halen. De afschaffing van de Senaat houdt niet noodzakelijkerwijs verband met de instelling van een burgervergadering of een permanente burgerraad. Deze vergadering of raad zal de Senaat niet vervangen en de bevoegdheden, het reglement of zelfs de werking ervan niet overnemen. De instelling van een burgerraad of een burgervergadering vereist de oprichting van een vergadering sui generis, die volledig nieuw is. Een dergelijk project is op zich een debat waard, en wij zijn bereid eraan deel te nemen. Laten we terugkomen op de tekst waar we ons vandaag mee bezighouden, namelijk de overgangsbepaling die in artikel 195 van de Grondwet moet worden opgenomen. We moeten ons nu uitspreken over de keuze van de te volgen methode. In dit stadium is er nog geen sprake van een stemming over de opheffing van de artikelen van de Grondwet die het bestaan van de Senaat vastleggen. Het gaat er vandaag alleen om deze hervorming voor te bereiden, zodat we deze vervolgens volgens de regels en op de juiste wijze kunnen doorvoeren. Ik zal het toelichten. Vijf artikelen van de Grondwet die moeten worden gewijzigd om onze Senaat te kunnen afschaffen, zijn op dit moment niet voor herziening vatbaar verklaard. Om ze te kunnen herzien met inachtneming van de procedure die onze Grondwet voorschrijft, hebben we ervoor gekozen een overgangsbepaling in artikel 195 op te nemen. Hoewel deze methode inderdaad niet de meest elegante is, is ze om drie redenen volkomen geschikt. Ten eerste is de afschaffing van de Senaat wel degelijk aan de orde gekomen tijdens de debatten over de verklaring tot herziening van de Grondwet en zijn bijna alle betrokken artikelen voor herziening vatbaar verklaard, met uitzondering van deze vijf artikelen. De participatieve aard van onze procedure voor de herziening van de Grondwet wordt dus gerespecteerd. Ten tweede is deze methode al in 2011 toegepast ter voorbereiding van de zesde staatshervorming van 2014. In dit verband heeft de Europese Commissie voor democratie door het recht, beter bekend als de Commissie van Venetië, duidelijk verklaard dat deze procedure in overeenstemming is met de geest en de letter van onze Grondwet. Ten derde biedt deze procedure voldoende waarborgen, aangezien er twee fasen met elk vier stemmingen moeten worden doorlopen. De eerste fase bestaat uit het voor herziening vatbaar verklaren van de artikelen, door middel van een stemming in de commissie bij absolute meerderheid en een stemming in de plenaire vergadering bij tweederdemeerderheid, en dit in elk van de kamers in aanwezigheid van ten minste twee derde van de leden. In deze fase bevinden we ons nu. De tweede fase bestaat uit het herhalen van deze twee stemmingen in de commissie en vervolgens in de plenaire vergadering, volgens dezelfde voorschriften, maar dan om de artikelen van de Grondwet te herzien. Belangrijk is dat de artikelen die in de eerste fase voor herziening vatbaar verklaard werden, in de tweede fase alleen kunnen worden herzien in de zin en volgens de aanwijzingen die bij de eerste stemmingen zijn gegeven, zoals wij dat vandaag zullen doen. Naast de voorwaarden die in het akkoord zijn vastgelegd, moeten we nog drie aanvullende opmerkingen maken over de hervorming en de gevolgen daarvan. Dit met de nadrukkelijke bedoeling de integriteit van onze democratie te waarborgen. De eerste opmerking betreft de overgang van een tweekamerstelsel naar een eenkamerstelsel. Deze verandering zal ongetwijfeld gevolgen hebben voor de procedure voor de herziening van de Grondwet, die monocameraal zal worden. Dit houdt in dat er voor de preconstituante fase voortaan slechts één stemming in de commissie en één stemming in de plenaire vergadering in de Kamer van volksvertegenwoordigers nodig zal zijn. Evenzo zal voor de constituante fase, waarin de voor herziening vatbaar verklaarde artikelen kunnen worden gewijzigd, voortaan slechts één stemming bij absolute meerderheid in de commissie en één stemming bij tweederdemeerderheid, met ten minste twee derde van de aanwezige leden, in de plenaire vergadering nodig zijn. Zoals ik in de commissie heb kunnen toelichten, moet deze aanzienlijke vereenvoudiging van de herzieningsprocedure worden gezien in het licht van de voorwaarden voor de aanneming van een bijzondere wet. Elke wijziging van bijzondere wetten vereist een tweederdemeerderheid van de stemmen, alsook een meerderheid van de stemmen in elk van de twee taalgroepen. Het is echter de Grondwet die de regels voor de aanneming van bijzondere wetten vastlegt. Het lijkt dan ook paradoxaal dat de hoogste norm, namelijk de Grondwet, kan worden gewijzigd volgens regels die soepeler zijn dan die welke nodig zijn om een lagere norm, zoals een bijzondere wet, te wijzigen. Onze tweede opmerking betreft het taalevenwicht, een punt dat bijzondere aandacht verdient. Terwijl de samenstelling van de taalgroepen in de Senaat is vastgelegd in artikel 43, § 2 van de Grondwet, wordt de samenstelling van de taalgroepen in de Kamer bepaald door de gewone wetgever, overeenkomstig artikel 43, § 1 van de Grondwet. Dit betekent dat in de toekomst een gewone meerderheid zou kunnen volstaan om de regels te wijzigen. In het eenkamerstelsel dat we voor ogen hebben en waarin de Kamer centraal staat, wordt dit een reële kwetsbaarheid. We vragen dan ook dat er een constitutionele oplossing wordt gevonden. Deze verschillende elementen tonen aan dat we de procedure voor de herziening van de Grondwet moeten herzien, zodat de afschaffing van de Senaat deze procedure niet buitensporig verzwakt en zo ons constitutionele bouwwerk ondermijnt. Ook moet ervoor worden gezorgd dat de stabiliteit van de samenstelling van de taalgroepen behouden blijft. Onze derde opmerking vloeit voort uit de verwerping in de Kamer van volksvertegenwoordigers van het ontwerp van bijzondere wet inzake het Grondwettelijk Hof. Dit wetsontwerp schrapte de bevoegdheid van de Senaat om afwisselend met de Kamer grondwettelijke rechters voor te dragen. Deze bepaling, die vorige maand in de Kamer niet kon worden aangenomen, moet dus hier worden aangenomen vóór de stemming over de afschaffing van de Senaat. Zoals we eerder hebben gezegd, moet de afschaffing van de Senaat leiden tot de overdracht van zijn bevoegdheden aan de Kamer. Onze laatste opmerking betreft de bezorgdheid die de Duitstalige Gemeenschap via mijn collega Liesa Scholzen heeft geuit. Door de afschaffing van de Senaat zullen de Duitstalige burgers hun enige gegarandeerde vertegenwoordiging in een federale assemblee verliezen. Op dit punt maken wij een belangrijk onderscheid. Enerzijds is er de vertegenwoordiging van de Duitstalige Gemeenschap, en anderzijds die van de Duitstalige burgers. De Duitstalige Belgen zijn onbetwistbaar Belgen die even belangrijk zijn als de anderen. Zij verdienen dezelfde rechten en dezelfde garanties. Hun eis van een gegarandeerde vertegenwoordiging in de Kamer is voor ons volkomen legitiem. Ook zij moeten hun stem kunnen laten horen via een vertegenwoordiger van hun eigen taal. Er zijn verschillende oplossingen denkbaar om de vertegenwoordiging van de Duitstalige Belgen in de Kamer te garanderen. Deze oplossing moet nog vóór de afschaffing van de Senaat worden gevonden. Onze houding bij de eindstemming over de afschaffing van de Senaat zal dan ook afhangen van de naleving van de drie voorwaarden die ik zojuist heb genoemd: een samenhangende procedure voor de herziening van de Grondwet die niet op ondoordachte wijze wordt afgezwakt, de overdracht van de bevoegdheid voor de benoeming van rechters bij het Grondwettelijk Hof naar de Kamer, en ten slotte een grondwettelijke oplossing om de vertegenwoordiging van de Duitstalige burgers in de Kamer te waarborgen. Geachte collega’s, ik ben nog niet klaar. Ik richt mij tot de burgers die wij vertegenwoordigen met de volgende overweging: het enige gevolg van de stemming die wij vandaag zullen houden, is simpelweg het al dan niet toestaan dat het debat over de afschaffing van de Senaat wordt gevoerd. Is het werkelijk verantwoord om deze deur te sluiten terwijl we zeggen dat deze instelling haar rol niet vervult en dat zij misschien moet worden afgeschaft? Wij zijn van mening dat de overdracht van al deze bevoegdheden van de Senaat naar de Kamer de enige manier is om de overgang naar een eenkamerstelsel te realiseren, waarbij de integriteit van de federale Staat behouden blijft. Wij vinden de teksten die ter stemming worden voorgelegd adequaat. Ze zijn in overeenstemming met onze Grondwet. En bovenal zijn wij van mening dat blokkades en stilstand nooit het belang van de burger of het algemeen belang hebben gediend. Daarom zullen wij deze eerste stap steunen, vastbesloten om het werk serieus en rustig uit te voeren, met respect voor de rechtsstaat en onze democratie. |
Mme Anne‑Catherine Goffinet (Les Engagés). – Durant ces deux réunions de la commission des Affaires institutionnelles, j’ai eu l’occasion, au nom de mon groupe, de rappeler le manifeste, mais également le programme des Engagés. Notre programme était clair quant à l’avenir de ce Sénat. Soit nous faisions évoluer le Sénat en revoyant son rôle, ses compétences, pour qu’il puisse trouver véritablement sa place dans le paysage institutionnel belge, pour qu’il soit plus efficace, pour qu’il participe au débat démocratique et qu’il fasse sens d’un bout à l’autre de la Belgique, d’Ostende à Arlon. Soit il fallait avoir le courage de s’interroger sur son maintien. À la suite des réformes successives qui ont dépossédé le Sénat de ses compétences, il est vrai que nous ne percevons plus son utilité, et ce, malgré les efforts de tous, le travail de qualité accompli et la bonne volonté des différents services et du personnel du Sénat. Le Sénat a été, au fil des réformes, vidé de sa substance et n’est plus en mesure de participer à l’enrichissement du débat démocratique. Cela se vérifie tant pour sa fonction de chambre de réflexion qui n’est plus ce qu’elle a pu être dans le passé, que pour son rôle d’assemblée des entités fédérées à l’échelon fédéral, conséquence de la grande réforme de 2014. De plus, nous ne pouvons que constater que le Sénat ne constitue plus réellement un contre‑pouvoir législatif vis‑à‑vis de la Chambre de représentants. Si nous croyons qu’une nouvelle réforme du Sénat aurait pu lui permettre de jouer à nouveau un rôle clé dans la coordination de l’action politique dont l’État fédéral serait le garant, nous ne pouvons nier que cette institution a toujours eu du mal à trouver sa place dans le système institutionnel belge, malgré les transformations successives dont il a fait l’objet. Comme mes collègues sénateurs et le premier ministre ont pu le rappeler au cours des débats, cette forme est le résultat d’un siècle de quête d’identité et de réformes ayant abouti à la sixième réforme de l’État et au Sénat actuel. Tous les partis s’accordent à reconnaître que son fonctionnement ne répond pas aux attentes. Aujourd’hui, nous devons dès lors avoir le courage de dire que ces réformes successives du Sénat ont échoué et ont sapé la confiance des citoyens et des familles politiques, tant dans l’utilité d’une nouvelle réforme que dans ses résultats prévisibles. Certains considèrent qu’il faut mettre fin à l’acharnement thérapeutique, et nous pouvons les entendre. Face à ce constat et à l’impossibilité de renforcer le rôle du Sénat par le biais d’une nouvelle réforme, nous devons avoir le courage d’en tirer les conclusions. C’est dans cette optique que nous avons accepté de supprimer cette assemblée. Nous avons accepté de la supprimer à deux grandes conditions qui ont été traduites dans l’accord de gouvernement. Un : il faut que l’ensemble des compétences du Sénat reste au niveau fédéral et donc que ces compétences soient entièrement transférées à la Chambre. Deux : nous voulions que le premier ministre trouve un soutien parlementaire complémentaire pour que l’on puisse atteindre les majorités nécessaires sans l’appui des voix extrémistes. À ces conditions, nous sommes déterminés à accompagner la transition vers un régime monocaméral en y mettant toute notre énergie pour qu’elle ne soit pas les prémices d’une fragilisation de notre Belgique et de notre état de droit. Sur le fond, cette réforme, qui marque la transition vers le monocaméralisme, est un choix politique. Un choix politique sur lequel chacune des deux chambres devra se prononcer au cours d’un processus qui se fera en plusieurs étapes, qui comprendra huit sessions de vote au total. Et nous en sommes ici à la deuxième. Certains voudraient coupler ce choix politique à un autre choix, celui de transformer le Sénat en assemblée de participation citoyenne ou en conseil citoyen permanent. Je pense qu’on se trompe de débat sur ce point. Nous l’avons dit, nous le répétons, Les Engagés sont particulièrement favorables à l’idée d’enrichir notre démocratie en la dotant d’une dimension participative et délibérative, pour lui redonner du sens aux yeux des citoyens et redonner confiance à ceux‑ci. Nous militons pour une démocratie régénérée qui fasse sens pour toutes et tous. Notre mouvement soutient les initiatives qui visent à permettre aux membres de la société civile de prendre part à l’exercice démocratique de manière plus directe. Mais il ne faut pas tout mélanger. La suppression du Sénat n’a pas forcément de lien avec la mise en place d’une assemblée citoyenne ou d’un conseil citoyen permanent. Cette assemblée, ce conseil ne va pas remplacer le Sénat. Elle ou il ne va pas reprendre ses compétences, son règlement ni même son fonctionnement. La mise en place d’un conseil citoyen ou d’une assemblée citoyenne nécessite la création d’une assemblée sui generis, entièrement nouvelle et inédite. Un tel projet mérite son propre débat et nous serons prêts à y prendre part. Revenons sur le texte qui nous occupe aujourd’hui, la disposition transitoire à insérer dans l’article 195 de la Constitution. C’est sur le choix de la méthode employée que nous devons maintenant nous prononcer. Il n’est pas encore question à ce stade de voter sur l’abrogation des articles de la Constitution qui consacrent l’existence du Sénat. Il s’agit juste aujourd’hui de préparer cette réforme pour pouvoir la mener ensuite dans les règles et proprement. Je m’explique. Cinq articles de la Constitution qu’il est nécessaire de modifier pour pouvoir supprimer notre Sénat ne sont à ce jour pas ouverts à révision. Pour pouvoir les réviser en respectant la procédure prévue par notre Constitution, nous avons choisi d’insérer une disposition transitoire dans l’article 195. Si cette méthode n’est pas la plus esthétique, j’en conviens, elle est parfaitement adéquate pour trois raisons. Premièrement, la suppression du Sénat a bien été évoquée durant les débats relatifs à la déclaration de révision de la Constitution et presque tous les articles concernés ont été ouverts à révision, à l’exception de ces cinq articles. La dimension participative qu’implique notre procédure de révision de la Constitution est donc respectée. Deuxièmement, cette méthode a déjà été utilisée en 2011 pour préparer la sixième réforme de l’État de 2014. À ce sujet, la Commission européenne pour la démocratie par le droit, qu’on connaît mieux sous le nom de Commission de Venise, a clairement dit que ce procédé était conforme à l’esprit et à la lettre de notre texte fondamental. Troisièmement, cette procédure offre des garanties suffisantes puisqu’il faut passer par deux étapes de quatre votes chacune. La première étape consiste à ouvrir les articles à révision, moyennant un vote en commission à la majorité absolue et un vote en séance plénière à la majorité des deux tiers, et cela dans chacune des chambres en présence d’au moins deux tiers des membres. C’est à cette étape que nous sommes maintenant. La deuxième étape consistera à répéter ces deux votes en commission puis en séance plénière, selon les mêmes modalités, pour cette fois réviser les articles de la Constitution. Il est à noter que les articles ouverts à révision lors de la première étape ne pourront être révisés à la seconde étape que dans le sens et selon les indications donnés lors des premiers votes, soit comme nous le déterminerons lors de notre vote de ce jour. Au‑delà des conditions transcrites dans l’accord, nous devons émettre encore trois remarques supplémentaires sur la réforme et ses conséquences. Nous les formulons dans un souci appuyé de préservation de l’intégrité de notre démocratie. La première remarque porte sur la transition du bicaméralisme au monocaméralisme. Ce changement aura un impact certain sur la procédure de révision de la Constitution qui deviendra monocamérale. Cela implique que, pour la phase préconstituante, il ne faudra dorénavant qu’un vote en commission et qu’un vote en séance plénière dans la seule Chambre des représentants. De même, pour la phase constituante qui permet de réviser les articles ouverts à révision, il ne faudra plus qu’un vote à la majorité absolue en commission et qu’un vote à la majorité des deux tiers, avec au moins deux tiers des membres présents, en séance plénière. Comme j’ai pu l’expliquer en commission, cet allègement considérable de la procédure de révision doit être mis en parallèle avec les conditions d’adoption d’une loi spéciale. Toute modification des lois spéciales nécessite une majorité des deux tiers des suffrages ainsi qu’une majorité de votes positifs dans chacun des deux groupes linguistiques. Or c’est la Constitution qui organise les règles d’adoption des lois spéciales. Il apparaît donc paradoxal que la norme suprême, à savoir la Constitution, puisse être modifiée avec des règles plus souples que celles nécessaires pour modifier une norme inférieure telle qu’une loi spéciale. Notre deuxième remarque concerne les équilibres linguistiques, point qui mérite une attention particulière. Si la composition des groupes linguistiques du Sénat est fixée par la Constitution, à l’article 43, § 2, la composition des groupes linguistiques de la Chambre est fixée par le législateur ordinaire, conformément à l’article 43, § 1er, de la Constitution, ce qui signifie qu’une majorité simple pourrait suffire demain pour modifier les règles. Dans le système monocaméral centré autour de la Chambre que nous envisageons, cela devient une vulnérabilité réelle. Nous demandons donc qu’une solution constitutionnelle soit trouvée. Ces différents éléments montrent qu’il nous faudra revoir la procédure de révision de la Constitution pour que la suppression du Sénat ne l’allège pas de manière excessive, fragilisant ainsi notre édifice constitutionnel. Tout comme il faudra veiller à préserver la stabilité de la composition des groupes linguistiques. Notre troisième remarque est inspirée par le rejet à la Chambre des représentants du projet de loi spéciale sur la Cour constitutionnelle. Ce projet de loi supprimait la compétence du Sénat de présenter alternativement avec la Chambre les juges constitutionnels. Il faut donc que cette disposition, qui n’a pas pu être adoptée à la Chambre le mois dernier, soit adoptée ici avant le vote supprimant le Sénat. Comme nous l’avons dit précédemment, la suppression du Sénat doit entraîner le transfert de ses compétences à la Chambre. Notre dernière remarque concerne les préoccupations exprimées par la Communauté germanophone par l’intermédiaire de ma collègue Liesa Scholzen. La suppression du Sénat fera perdre aux citoyens germanophones leur seule représentation garantie dans une assemblée fédérale. Nous faisons sur ce point une distinction importante. Il y a la représentation de la Communauté germanophone, d’une part, et celle des citoyens d’expression allemande, d’autre part. Les Belges germanophones sont incontestablement des Belges tout aussi importants que les autres. Ils méritent les mêmes droits, les mêmes garanties. Leur revendication d’une représentation garantie à la Chambre est pour nous tout à fait légitime. Eux aussi doivent pouvoir faire entendre leur voix à travers un représentant de leur propre langue. Plusieurs solutions sont envisageables pour garantir une représentation à la Chambre des Belges d’expression allemande. Il y a lieu de trouver cette solution avant même la suppression du Sénat. Dès lors, notre attitude lors du vote final sur la suppression du Sénat dépendra du respect des trois éléments que je viens de citer : une procédure de révision de la Constitution cohérente et qui ne soit pas allégée de manière inconséquente, le transfert de la compétence des désignations des juges à la Cour constitutionnelle à la Chambre et enfin une solution constitutionnelle pour garantir la représentation des citoyens de langue allemande au sein de la Chambre. Chers collègues, je n’achève pas. Je m’arrête devant les citoyens que nous représentons avec la réflexion suivante : la seule conséquence du vote que nous allons émettre aujourd’hui est simplement de permettre ou non de mener le débat sur la suppression du Sénat. Est‑il vraiment responsable de fermer cette porte tout en disant que cette institution ne remplit pas son rôle et qu’elle devrait peut‑être être supprimée ? Nous pensons que le transfert de toutes ces compétences du Sénat vers la Chambre est la seule manière de procéder à la transition vers le monocaméralisme qui préserve l’intégrité de l’État fédéral. Nous pensons que les textes soumis à notre vote sont adéquats. Ils sont respectueux de notre loi fondamentale. Et nous pensons surtout que le blocage et l’immobilisme n’ont jamais été au service de l’intérêt citoyen, de l’intérêt commun. C’est pourquoi nous soutiendrons cette première étape, déterminés à mener le travail avec sérieux, avec sérénité, dans un souci du respect de l’état de droit et de notre démocratie. |
|
|||
|
De heer Kris Verduyckt (Vooruit). – Het debat over artikel 195 van de Grondwet zou een heel technisch debat kunnen zijn, maar natuurlijk gaat het vandaag vooral over de manier waarop wij ons land willen besturen. Artikel 195 werd ooit bedacht om ervoor te zorgen dat de Grondwet, die toen wellicht de meest rigide was in een groot deel van de wereld, toch kon worden aangepast. Toen ik daarstraks de collega van PVDA‑PTB hoorde zeggen dat we de Senaat gaan afschaffen om de Grondwet makkelijker te kunnen aanpassen, dan is dat wel het slechtste argument dat ik hier vandaag heb gehoord. Om de Belgische Grondwet te kunnen aanpassen, moeten we immers de betrokken artikelen voor herziening vatbaar verklaren, nieuwe verkiezingen organiseren en vervolgens een tweederdemeerderheid zoeken. Daar ligt dus zeker niet de reden om vandaag artikel 195 aan te passen en straks de Senaat af te schaffen. Dit debat gaat dus over hoe we ons land willen besturen. Hoe maken we het eenvoudiger, duidelijker en eerlijker voor de mensen? In ons land met zijn vele parlementen, provinciale en lokale besturen wordt er te vaak vooral over die structuren, over onszelf, over hoe we werken gesproken en veel te weinig over de zaken waar de mensen echt mee bezig zijn. Want laten we eerlijk zijn, weinig mensen liggen wakker van dit debat. Vandaag zijn de mensen bezig met de wereld die in brand staat, letterlijk en figuurlijk. We worden al enkele jaren geconfronteerd met een oorlog aan de grenzen van ons continent, met stijgende energieprijzen, economische onzekerheid, klimaatuitdagingen die we niet kunnen uitstellen en een groeiende ongelijkheid, ook in onze samenleving. Mensen zijn bezorgd over hun koopkracht, hun energiefactuur, de kwaliteit van de zorg, de mobiliteit en wonen. Dat zijn de echte prioriteiten en hoeveel van die prioriteiten pakt de Senaat vandaag nog aan? Het antwoord is heel eenvoudig: zo goed als geen. De Senaat neemt vandaag geen beslissingen over energieprijzen of oplossingen voor de klimaatcrisis, zorgt niet voor betere pensioenen, meer zorg en betaalbare woningen. De Senaat is, met alle respect voor de personeelsleden die hier uitstekend werk leveren en voor de mensen die de instelling in 2014 hebben hervormd, aan de zijlijn beland. Het is een instelling die nog bestaat, maar waarvan de rol voor veel mensen onduidelijk is geworden. Daarom zetten we vandaag een stap in de richting van de afschaffing. De herziening van artikel 195 is absoluut geen doel op zich. Het is een noodzakelijke stap om de hervorming mogelijk te maken. Al zal een collega straks wellicht de vraag stellen: is het echt nodig om artikel 195 te herzien om de Senaat af te schaffen? Nee, op zich is het niet echt nodig, maar waarom zouden we half werk doen? Als we artikel 195 niet herzien en de Senaat wel afschaffen, dan zitten we met een Grondwet die toch enkele schoonheidsfoutjes bevat. Laten we ons werk correct en volledig doen en dus artikel 195 herzien. Als we dan straks de Senaat afschaffen, is alles ineens helemaal in orde. Ik ben in de politiek gestapt om te vechten tegen sociale ongelijkheid, tegen klimaatopwarming, voor meer gelijke rechten, ook voor mannen en vrouwen. Ik zal die dossiers niet aan elkaar koppelen, maar ik ben niet in de politiek gegaan om te vechten voor structuren die hun waarde verloren hebben. Ik ben ook blij dat mijn partij kiest voor duidelijkheid, voor een democratie waarin burgers nog begrijpen wie er beslist en duidelijk weten wie verantwoordelijk is. We willen af van een structuur die vandaag geen meerwaarde meer heeft en daardoor komen we straks in een eenkamerstelsel terecht. Ik hou nogal van lijstjes en heb ook eens het lijstje gemaakt van de parlementaire democratieën met een eenkamerstelsel. Voor de hele wereld kwam ik op een zestig- tot zeventigtal, al valt er over sommige enigszins te discussiëren. In de Europese Unie heeft ongeveer de helft een eenkamerstelsel, met landen zoals Zweden, Noorwegen, Denemarken, Finland, Letland, Estland, Litouwen, Slovenië, Griekenland, Portugal. Dat zijn echt geen landen die op mijn lijstje staan met democratieën die mank lopen. De stap die we zetten is dus geen aanslag op de democratie. De afschaffing van een instelling die vandaag niet eens meer rechtstreeks door de kiezer wordt samengesteld, een aanslag op de democratie noemen, gaat echt te ver. Laten we even een korte geschiedenisles houden. De Belgische Senaat werd ooit opgericht als een conservatieve reflectiekamer om overhaaste beslissingen van de Kamer tegen te houden. Het was toen de bedoeling de belangen van de elite en de gevestigde orde te beschermen als een tegengewicht tegen meer democratische tendensen. Voor wie toen senator wilde worden, waren de voorwaarden bijzonder streng. Er was niet alleen de leeftijdsvoorwaarde, maar je moest erg vermogend zijn, je moest man zijn, er was een hoge belastingdrempel, …. Laten we blij zijn dat dit vandaag niet meer het geval is en dat de Senaat vandaag op dat vlak heel anders is samengesteld. Wij zijn er zelfs in geslaagd om hier een student in dit halfrond te krijgen, die heel blij zal zijn als we straks de stemming tot een goed einde kunnen brengen. Maar niet alleen de Senaat is veranderd, ook onze samenleving is veranderd. Wie vandaag in onze samenleving naar de checks‑and‑balances kijkt, kan niet anders dan vaststellen dat de samenleving is veranderd. En wie vandaag zegt dat door de Senaat af te schaffen de politiek straks vrij spel heeft, die staat toch wel bijzonder ver van de werkelijkheid. Ik wil ingaan op de kritiek die ik hoorde bij de spreker van het Vlaams Belang, die in het begin van zijn betoog stelde dat de Senaat nutteloos is en geen enkele functie meer heeft, om dan de afschaffing een kaakslag voor Vlaanderen te noemen. Ik vind dat bijzonder, net zoals de uitspraak dat Vlaanderen zijn kans zal mislopen om zich te laten vertegenwoordigen in belangrijke buitenlandse fora. Voor een stuk klopt dat inderdaad, meneer Slootmans, want we zullen geen Vlaamse parlementsleden meer kunnen sturen naar enkele internationale fora. Dat reisbureau gaat dicht. Maar wees gerust, er zullen nog Vlamingen in het NAVO‑Parlement zetelen, ook van uw eigen partij. We gaan gewoon terug naar de situatie van vóór 2014 en toen draaide ons land ook. Ik hoor sommige partijen zeggen dat er oplossingen moeten worden gezocht voor dat probleem. Dat zullen we dan wel zien. Tot slot zien we ook in de debatten vandaag dat dit dossier complex en politiek geladen is, en dat er zelfs discussies zijn over meerderheden en over wie al dan niet moet mee stemmen. Maar laten we toch de essentie niet uit het oog verliezen en ons niet met dat soort politieke spelletjes bezighouden. Vandaag is de vraag die voorligt gewoon of we een volgende stap willen zetten om ons institutioneel systeem aan te passen aan de realiteit van vandaag. En daarvoor moeten zaken soms veranderen en dat kan moeilijk zijn, maar wij als politici moeten er toch mee kunnen omgaan dat we soms afscheid moeten nemen van structuren die vertrouwd zijn, die goed georganiseerd zijn, maar niet langer noodzakelijk. Door de Senaat straks af te schaffen maken we ons land niet zwakker. We zorgen gewoon voor meer duidelijkheid, meer efficiëntie en we zorgen er vooral voor dat de politiek zich kan focussen op wat echt telt: op de mensen, op hun zorgen, op hun toekomst. Dat is waar mijn partij Vooruit voor staat. Dus daarom zullen wij straks ook met overtuiging de herziening van artikel 195 steunen. Ze is een eerste stap in een bredere hervorming die ons land eenvoudiger en beter bestuurbaar moet maken. |
M. Kris Verduyckt (Vooruit). – Le débat relatif à l’article 195 de la Constitution pourrait être très technique, mais ce qui nous occupe aujourd’hui est la manière dont nous voulons gérer notre pays. L’article 195 n’a jamais été conçu pour permettre d’adapter quand même la Constitution qui, à l’époque, était peut‑être la norme la plus rigide dans une grande partie du monde. En entendant tout à l’heure notre collègue du PVDA‑PTB affirmer que nous allons supprimer le Sénat afin de pouvoir plus facilement modifier la Constitution, j’ai pensé qu’il s’agissait là du pire des arguments entendus aujourd’hui. En effet, pour adapter la Constitution, il faut déclarer les articles concernés ouverts à révision, organiser des nouvelles élections et rechercher ensuite une majorité des deux tiers. Ce n’est donc pas la raison pour laquelle nous allons aujourd’hui adapter l’article 195 et demain supprimer le Sénat. Le débat porte donc sur la manière dont nous voulons gérer notre pays. Comment rendre les choses plus simples, plus claires et plus équitables pour les citoyens ? Dans notre pays, qui compte de nombreux parlements, des pouvoirs provinciaux et locaux, nous parlons trop souvent de ces structures, de nous‑mêmes, de notre manière de travailler, et trop peu des choses dont se préoccupent les citoyens Soyons honnêtes, le débat de ce jour préoccupe peu les citoyens. Aujourd’hui, les gens s’inquiètent de voir le monde en feu, au sens propre comme au sens figuré. Depuis quelques années déjà, nous sommes confrontés à une guerre aux portes de notre continent, à la flambée des prix énergétiques, à l’incertitude économique, aux défis climatiques que nous ne pouvons remettre au lendemain et à une inégalité croissante, même dans notre société. Les gens s’inquiètent de leur pouvoir d’achat, de leur facture d’énergie, de la qualité des soins, de la mobilité et de l’habitat. Voilà les véritables priorités et combien d’entre elles le Sénat traite‑t‑il encore aujourd’hui ? Pratiquement aucune. Il ne prend pas de décisions sur les prix de l’énergie, ne trouve pas de solution à la crise climatique, ne veille pas à améliorer les pensions, à développer les soins ni à rendre les logements accessibles financièrement. Avec tout le respect dû au personnel qui fait de l’excellent travail et à ceux qui ont réformé l’institution en 2014, le Sénat est aujourd’hui sur la touche. L’institution survit mais son rôle est devenu obscur pour beaucoup. C’est pourquoi nous faisons aujourd’hui un pas en direction de sa suppression. La révision de l’article 195 n’est nullement un but en soi. C’est une étape indispensable à la réforme. Peut‑être un collègue demandera‑t‑il tout à l’heure s’il faut vraiment réviser l’article 195 pour supprimer le Sénat. Non, ce n’est en soi pas nécessaire, mais pourquoi ferions‑nous les choses à moitié ? Si nous supprimions le Sénat sans revoir l’article 195, notre Constitution serait entachée de quelques imperfections formelles. Faisons le travail correctement et jusqu’au bout en révisant l’article 195. Quand nous supprimerons le Sénat, tout sera alors parfaitement en ordre. Je suis entré en politique pour combattre l’injustice sociale, l’inégalité, le réchauffement climatique et pour défendre l’égalité des droits, notamment des femmes et des hommes. Je ne vais cependant pas lier les dossiers, je ne fais pas de politique pour prendre la défense de structures qui ont perdu leur valeur. Je me réjouis que mon parti fasse le choix de la clarté, d’une démocratie dans laquelle le citoyen comprend encore qui prend les décisions et qui est responsable. Nous ne voulons plus d’une structure n’offrant plus aucune plus‑value et nous optons donc pour un système monocaméral. J’aime établir des listes et j’ai donc fait une liste des démocraties parlementaires monocamérales. On en compte une septantaine dans le monde. Au sein de l’Union européenne, près de la moitié des pays, comme la Suède, le Danemark, l’Estonie, la Slovénie, la Grèce et le Portugal, ont un système monocaméral. Ce ne sont pourtant pas des démocraties défaillantes. Le pas que nous franchissons aujourd’hui ne porte pas atteinte à la démocratie. Qualifier d’atteinte à la démocratie la suppression d’une institution dont les membres ne sont même pas désignés directement par l’électeur, c’est aller trop loin. Donnons une brève leçon d’histoire. Le Sénat de Belgique a jadis été créé en tant que chambre de réflexion conservatrice chargée de faire barrage aux décisions précipitées de la Chambre. L’objectif à l’époque était de protéger les intérêts de l’élite et l’ordre établi en instaurant un contrepoids aux tendances plus démocratiques. Les conditions pour devenir sénateur étaient très strictes : il fallait avoir l’âge requis, être nantis, être un homme, payer assez d’impôts, etc. Réjouissons‑nous que ce ne soit plus le cas aujourd’hui. Nous sommes même parvenus à faire entrer au Sénat un étudiant qui sera très heureux si notre vote de tout à l’heure aboutit. Le Sénat n’est toutefois pas le seul à avoir changé, notre société aussi. Celui qui affirme aujourd’hui que supprimer le Sénat, c’est laisser les coudées franches à la politique, est fort éloigné de la réalité. Je voudrais réagir à une critique formulée par l’intervenant du Vlaams Belang qui, après avoir clamé que le Sénat est inutile et n’a plus aucune fonction, a qualifié sa suppression de camouflet à la Flandre. Je trouve cette affirmation aussi curieuse que la déclaration selon laquelle la Flandre se prive d’une représentation dans d’importants forums internationaux. Certes, nous ne pourrons plus envoyer de membres du Parlement flamand dans des organisations internationales. L’agence de voyages qu’était le Sénat ferme ses portes. Mais soyez rassuré, Monsieur Slootmans, certains Flamands siégeront encore dans l’Assemblée de l’OTAN, y compris des membres de votre parti. Nous reviendrons à la situation d’avant 2014. Nous verrons s’il y a lieu de chercher une solution, comme le demandent certains partis. Enfin, nous constatons dans les débats que ce dossier est complexe et connoté politiquement, et qu’il y a même eu des discussions sur les majorités et sur le fait de savoir qui devait ou non voter. Ne perdons pas l’essentiel de vue en tombant dans le travers de ces jeux politiciens. Nous devons juste nous demander si nous sommes prêts à faire un pas de plus vers l’adaptation de notre système institutionnel à la réalité d’aujourd’hui. Et si cela nécessite de modifier certaines choses, peut‑être à contrecœur, les responsables politiques que nous sommes doivent être en mesure d’accepter la disparition de structures familières devenues inutiles. En supprimant demain le Sénat, nous n’affaiblirons pas le pays. Nous œuvrerons à une plus grande transparence et à une plus grande efficacité et permettrons au monde politique de se focaliser sur ce qui compte vraiment : les citoyens, leurs préoccupations et leur avenir. C’est ce que prône mon parti, Vooruit. Nous voterons donc avec conviction en faveur de la révision de l’article 195. Il s’agit de la première étape d’une vaste réforme appelée à simplifier notre pays et à le rendre plus facilement gouvernable. |
|
|||
|
Mevrouw Eva Platteau (Ecolo‑Groen). – Groen is al jaren vragende partij voor de afschaffing van de Senaat. Ik zal dan ook, net als maandag in de commissie, voor deze tekst stemmen. Het is goed om, net zoals andere collega’s, even in herinnering te brengen dat de Senaat ooit is opgericht als een aristocratisch tegengewicht voor de democratische Kamer. Men heeft daarna via verschillende hervormingen geprobeerd om de Senaat aan te passen aan een moderner, meer federaal België. Maar laten we eerlijk zijn, die hervormingen zijn nooit echt succesvol geweest. Ik krijg wel eens de vraag of het afschaffen van een tweekamerstelsel niet ondemocratisch is. Er zijn echter heel veel landen die op internationale democratierankings heel goed scoren, beter zelfs dan België, en een eenkamerstelsel hebben, zoals Noorwegen, Nieuw‑Zeeland, Zweden, Denemarken, om er enkele te noemen. Eén of twee kamers, dat is niet wat een land democratisch maakt. Ik wil er ook even op wijzen dat niemand van de huidige senatoren rechtstreeks verkozen is. Wij zitten hier allemaal als afgevaardigden van onze deelstaten of als gecoöpteerden en zijn dus aangewezen door fracties en politieke partijen. De Senaat heeft ook doorheen de jaren steeds minder bevoegdheden gekregen. Vooral met de laatste staatshervorming in 2014 werd de Senaat sterk hervormd en sindsdien fungeert hij vooral als een ontmoetingsplaats van de deelstaten en veel minder als een wetgevende kamer. We behandelen hier inderdaad nog slechts een beperkt aantal wetsontwerpen. En laten we wel wezen, ook de rol van ontmoetingsplaats van de gemeenschappen werd nooit echt waargemaakt. Voor Groen is de Senaat in zijn huidige vorm dus een lege doos geworden, zowel op papier als in de praktijk. Daarom zullen we voor de afschaffing van de Senaat stemmen. Voor Groen moet het ook een volledige afschaffing zijn. Dat wil zeggen dat ook de middelen voor de fracties en de politieke partijen die nu gelinkt zijn aan de Senaat, moeten verdwijnen. Verschillende financiële stromen zijn immers gelinkt aan de vertegenwoordiging in de Senaat. Denk aan fractietoelagen en contracten voor de medewerkers van de senatoren. Daarnaast is ook de federale partijfinanciering voor een deel gelinkt aan de vertegenwoordiging van partijen in de Senaat, want per zetel in de Senaat wordt de dotatie voor politieke partijen verhoogd. Dat is dus een financieringsstroom die rechtstreeks naar de politieke partijen gaat als onderdeel van de formele partijfinanciering. De afschaffing van de Senaat moet daarom voor Groen een echte besparing op de politiek zijn. Dat vragen de burgers van ons land ook. Die besparing op de politiek is helaas niet gebeurd bij de vorige staatshervorming. Toen werd ervoor gekozen om de politieke partijen volledig te compenseren voor het verlies aan middelen ten gevolge van de inkrimping van de Senaat. Dat leidde toen tot veel terechte kritiek en is, wat Groen betreft, niet voor herhaling vatbaar. De partijfinanciering staat natuurlijk wel los van de afbouw van de werkingsmiddelen en het personeel van de Senaat zelf. We zullen met de nodige zorgzaamheid moeten omgaan met het personeel, want onze beslissingen hebben op hen uiteraard een grote impact. Ik denk dat we ons daar allemaal wel bewust van zijn. Vandaag staat een overgangsbepaling bij artikel 195 op de agenda. In essentie zorgt dat artikel ervoor dat een grondwetsartikel in twee bewegingen moet worden gewijzigd. Eerst moet het voor herziening vatbaar worden verklaard en de eigenlijke wijziging kan dan pas gebeuren in een volgende legislatuur, na nieuwe verkiezingen. Dat principe is uiteraard belangrijk voor het democratische gehalte van een grondwetswijziging. De tekst waarover we vandaag stemmen, voegt een overgangsbepaling toe aan artikel 195, enkel en alleen en heel specifiek voor een beperkt aantal bijkomende artikelen waarin de Senaat wordt vermeld, en enkel en alleen met het oog op het afschaffen van de Senaat. Het gebruik van artikel 195 verdient inderdaad geen schoonheidsprijs, maar voor Groen is het wel te verantwoorden. Het levert het beste resultaat, namelijk een propere, integrale afschaffing van de Senaat tijdens deze legislatuur. Wel vinden we het belangrijk te benadrukken dat artikel 195 geen “passe‑partout” mag zijn om de hele Grondwet aan te passen. We zullen ons als partij zeker verzetten tegen elk oneigenlijk gebruik van artikel 195 om de hele Grondwet te wijzigen. Als we straks geen tweederdemeerderheid halen, kunnen we alsnog de Senaat afschaffen, maar dan is er in een volgende legislatuur opnieuw een grondwetswijziging nodig om van de Grondwet een coherente tekst te maken. Het is beter meteen nu te zorgen voor een volledige, nette wijziging en zo te vermijden dat we er in een volgende legislatuur opnieuw mee bezig moeten zijn. De voorgaande spreker heeft er ook op gewezen: de burger wil dat de politiek minder met zichzelf bezig is en meer met de problemen die de mensen vandaag hebben. We moeten ervoor zorgen dat mensen een betaalbare woning kunnen vinden, dat ze hun energiefactuur kunnen betalen, dat ze propere lucht kunnen inademen, dat ze een deftig pensioen hebben en dat ze beschermd zijn tegen de gevolgen van de klimaatverandering. Vandaag kunnen we een stap zetten naar institutionele vereenvoudiging. Dat is ook wat de burger van ons verwacht. Wat we vandaag doen, ligt perfect in de lijn van wat de preconstituante beoogde, namelijk de afschaffing van de Senaat in deze legislatuur. Wat we vandaag doen is ook democratisch. De afschaffing van de Senaat werd vóór de verkiezingen aangekondigd en verschillende politieke partijen, waaronder Groen, hebben zich er openlijk voorstander van verklaard. De afschaffing van de Senaat werd dus wel degelijk aangekondigd en was onderwerp van een publiek debat voorafgaand aan de verkiezingen. Voor het vertrouwen in de politiek is het heel belangrijk dat de politiek zegt wat ze zal doen en na de verkiezingen ook uitvoert wat ze beloofde. Onze fractie was er inderdaad ook voorstander van om hoorzittingen te organiseren en dat kunnen we ook na vandaag nog doen. Ik herhaal dus de oproep tot hoorzittingen met experts en burgers. Het kan nooit kwaad om ook burgers bij de hervorming te betrekken. We zullen daar zeker aan meewerken. Om af te ronden wil ik nog iets zeggen over de bespreking die we maandag in de commissie hebben gehad en die ondertussen door vele sprekers vandaag ook werd vermeld. Ik ben verbaasd over wat sommige fracties zeggen enerzijds en hun stemgedrag anderzijds. Ik hoor een partij een vurig pleidooi afsteken tegen de afschaffing van de Senaat en zie ze vervolgens voorstemmen. Een andere partij zegt wel dat ze voorstander is van de wijziging van artikel 195, maar toch nog niet zeker is of ze de afschaffing van de Senaat wel zal goedkeuren. Nog een andere partij heeft zich in het verleden kritisch uitgelaten over het gebruik van artikel 195, maar dient wel zelf een amendement in om zelfs nog een artikel toe te voegen aan het lijstje, zodat er een federale kieskring kan worden ingevoerd. Laat het duidelijk zijn: Groen is voorstander van een federale kieskring, maar dat is vandaag totaal niet aan de orde en dat is pas misbruik maken van artikel 195. Het meest verbaasd was ik over de houding van de PS, die vroeger verklaarde voorstander te zijn van de afschaffing van de Senaat en dat zelfs aan een ander dossier koppelde, maar maandag tegenstemde en dat vandaag ook zal doen. Groen is er ook voorstander van het recht op abortus in de Grondwet op te nemen. We hebben er zelfs een wetsvoorstel over ingediend. Maar het is niet omdat het ene niet lukt dat men het andere ook moet blokkeren. Tijdens de vorige legislatuur volgde ik als kamerlid de ethische dossiers op en heb ik gezien wat er gebeurt als politieke dossiers aan elkaar gekoppeld worden en politieke partijen elkaar niks meer gunnen. Dan is er gewoon geen vooruitgang en blokkeert alles. En dat is wat de burger van de politiek vervreemdt. Politieke partijen die voor de verkiezingen een bepaald standpunt innemen, het zelfs in hun partijprogramma zetten en na de verkiezingen precies het tegenovergestelde doen, omdat ze een opponent, een regeringspartij geen trofee gunnen. Als ik hoor dat sommigen hier zullen tegenstemmen enkel en alleen om Bart De Wever geen cadeau te doen, dan kan ik alleen vragen daarmee te stoppen. De mensen begrijpen dat echt niet en dat is echt nefast voor de geloofwaardigheid van de politiek. We hebben vandaag de kans om een eerste belangrijke horde te nemen in de afschaffing van de Senaat. Daarom zal ik namens Groen hier voorstemmen. |
Mme Eva Platteau (Ecolo‑Groen). – Groen plaide depuis des années pour la suppression du Sénat. Je voterai donc en faveur de ce texte aujourd’hui, comme je l’ai fait lundi en commission. Rappelons qu’à l’origine, le Sénat a été créé pour servir de contrepoids aristocratique à la Chambre démocratique. Il a par la suite été reformé à plusieurs reprises afin d’être davantage en phase avec une Belgique plus moderne et plus fédérale. Mais il faut reconnaître que ces réformes n’ont jamais vraiment abouti. On me demande parfois si la suppression d’un système bicaméral n’est pas antidémocratique. À cela, je réponds que dans les classements internationaux en matière de démocratie, de nombreux pays obtiennent d’excellents résultats, parfois supérieurs à ceux de la Belgique, alors qu’ils possèdent un système monocaméral, comme la Norvège, la Nouvelle‑Zélande, la Suède ou encore le Danemark. La qualité démocratique d’un pays ne tient pas à son nombre de chambres. Je signale aussi qu’aucun de nous ici n’a été élu directement. Au Sénat, nous siégeons en tant que représentants de nos entités fédérées ou en tant que membres cooptés et nous avons donc été désignés par des groupes et des partis politiques. Au fil des années, le Sénat a perdu de plus en plus de compétences, mais c’est la dernière réforme de l’État de 2014 qui l’a transformé de la manière la plus radicale, faisant de lui davantage un lieu de rencontre des entités fédérées qu’une chambre législative. Le nombre de projets de loi qu’il est encore amené à examiner s’est réduit comme peau de chagrin et il n’est jamais vraiment parvenu à remplir son rôle de lieu de rencontre entre les Communautés. Dans sa forme actuelle, le Sénat est une coquille vide, tant sur le papier que dans la pratique. C’est pourquoi nous voterons pour sa suppression, qui doit être totale, ce qui veut dire que les moyens alloués aux groupes et aux partis politiques, qui sont actuellement liés au Sénat, doivent eux aussi disparaître. Il y a en effet plusieurs flux financiers qui sont liés à la représentation au Sénat, notamment les subventions allouées aux groupes et les contrats pour les collaborateurs des sénateurs. Il y a en outre le financement fédéral des partis qui est aussi partiellement lié à la représentation des partis au Sénat, car la dotation octroyée aux partis politiques est majorée pour chaque siège au Sénat. Il s’agit donc d’un flux financier qui va directement aux partis politiques en tant que composante du financement officiel des partis. Pour Groen, la suppression du Sénat doit donc se traduire par une véritable économie sur le plan politique, comme le demandent les citoyens de notre pays. Malheureusement, cette économie n’a pas été réalisée lors de la précédente réforme de l’État. À l’époque, on avait fait le choix d’attribuer aux partis politiques un montant compensatoire couvrant intégralement la perte de ressources résultant de la réduction du Sénat, ce qui avait suscité légitimement de nombreuses critiques et qui ne doit pas se reproduire. La question du financement des partis n’a évidemment rien à voir avec celle de la réduction des moyens alloués au Sénat et du personnel, que nous devons traiter avec toute la considération requise car il subit les conséquences de nos décisions. Nous sommes amenés aujourd’hui à examiner une disposition transitoire insérée à l’article 195. En substance, cet article prévoit que la modification d’un article de la Constitution doit se faire en deux temps. Il faut d’abord ouvrir l’article à révision avant de pouvoir procéder à la modification proprement dite lors d’une législature suivante, après de nouvelles élections. Ce principe est évidemment important pour garantir le caractère démocratique d’une modification de la Constitution. Le texte qui sera mis aux voix aujourd’hui ajoute une disposition transitoire à l’article 195, spécifiquement pour un nombre limité d’articles supplémentaires dans lesquels le Sénat est mentionné et uniquement en vue de la suppression de celui‑ci. Le recours à l’article 195 n’est certes pas le procédé le plus élégant, mais pour Groen, il se justifie pleinement car il permet d’atteindre le meilleur résultat, à savoir la suppression nette et intégrale du Sénat durant cette législature. L’article 195 ne saurait toutefois servir de « passe‑partout » pour modifier toute la Constitution. En tant que parti, nous nous opposerons à tout recours abusif à l’article 195 en vue de modifier l’ensemble de la Constitution. Si nous ne parvenons pas à réunir une majorité des deux tiers tout à l’heure, nous pourrons quand même supprimer le Sénat, mais il faudra alors une nouvelle modification de la Constitution lors de la prochaine législature afin de faire de la Constitution un texte cohérent. Mieux vaut donc procéder dès maintenant à une modification propre et complète afin de ne pas devoir remettre l’ouvrage sur le métier lors de la prochaine législature. Car, ce que veut le citoyen, c’est que la politique se soucie moins d’elle‑même mais davantage des problèmes qui le préoccupe : pouvoir trouver un logement financièrement abordable et payer ses factures d’énergie, respirer un air sain, bénéficier d’une pension décente et être protégé contre les conséquences du changement climatique. Aujourd’hui, l’occasion nous est donnée de faire un pas vers une simplification institutionnelle, ce qui est d’ailleurs aussi une attente du citoyen. Le projet à l’examen est parfaitement conforme à la volonté du préconstituant, qui était de supprimer le Sénat durant cette législature, et il est aussi démocratique puisque cette suppression a été annoncée avant les élections et que plusieurs partis politiques, dont Groen, s’y sont déclarés ouvertement favorables. La suppression du Sénat a donc bel et bien été annoncée et a fait l’objet d’un débat public avant les élections. Si l’on veut que le citoyen garde confiance dans la politique, il faut que le monde politique dise ce qu’il compte faire et qu’il s’y tienne après les élections. Notre groupe aussi était favorable à la tenue d’auditions, qui pourraient aussi avoir lieu ultérieurement. Je réitère donc l’appel en vue de la tenue d’auditions d’experts et de citoyens. Il est toujours bon d’écouter le citoyen et nous ferons en sorte que ce soit le cas. Pour conclure, j’aimerais revenir à la discussion de lundi en commission. Je suis surprise par le décalage qui existe chez plusieurs groupes entre le discours et le comportement de vote. Un parti se déclare opposé à la suppression du Sénat mais finit par voter pour cette suppression. Un autre se dit favorable à la modification de l’article 195, mais indique ne pas encore être certain d’approuver la suppression du Sénat. Un autre parti encore a émis de vives critiques par le passé au sujet de l’utilisation de l’article 195, mais dépose un amendement visant à ajouter un article supplémentaire à la liste en vue de permettre la création d’une circonscription électorale fédérale. Groen est favorable à une circonscription électorale fédérale, mais cela n’est absolument pas à l’ordre du jour aujourd’hui et cela reviendrait à recourir abusivement à l’article 195. Mais, ce qui m’a le plus surpris, c’est l’attitude du PS, qui se disait favorable à la suppression du Sénat et qui liait même celle‑ci à un autre dossier mais qui a voté contre la suppression lundi et fera de même aujourd’hui. Groen aussi est pour l’inscription du droit à l’avortement dans la Constitution. Nous avons d’ailleurs déposé une proposition de loi dans ce sens, mais ce n’est pas parce que l’on n’obtient pas ce que l’on veut dans un dossier que l’on doit en bloquer un autre. Députée sous la précédente législature, j’ai suivi les dossiers éthiques et j’ai vu ce qu’il se passe lorsque les partis se mettent à coupler des dossiers et qu’ils cessent de faire des concessions. Plus rien n’avance, tout est bloqué, et le fossé continue de se creuser entre le citoyen et le monde politique. Avant les élections, les partis politiques défendent un point de vue et l’inscrivent dans leur programme mais après les élections, ils font volte‑face parce qu’ils ne veulent pas laisser un adversaire, un parti au pouvoir, l’emporter. À ceux qui déclarent qu’ils voteront contre ce projet simplement parce qu’ils ne veulent pas faire de cadeau à Bart De Wever, je dis qu’il faut arrêter avec ce genre de procédé. Les citoyens ne comprennent rien à ces manœuvres qui nuisent gravement à la crédibilité de la politique. Aujourd’hui, l’occasion nous est donnée de franchir une première étape importante vers la suppression du Sénat. C’est pourquoi, au nom de Groen, j’émettrai un vote positif. |
|
|||
|
De heer Hajib El Hajjaji (Ecolo‑Groen). – Door te weigeren om artikel 195 voor herziening vatbaar te verklaren teneinde de Grondwet te wijzigen op basis van een project dat duidelijk genoeg is en breed gedragen wordt, hervormt u België niet maar schaadt u het land. Om de redenen die ik nu ga uiteenzetten, is Ecolo van mening dat niet is voldaan aan de voorwaarden om het proces van de hervorming van de Senaat op te starten en kan onze fractie niet instemmen met deze overhaaste aanpak. De activering van artikel 195 is niet slechts een technische aangelegenheid. Het is de sleutel die de deur opent naar onze vrijheden, onze grondwettelijke, sociale, juridische en politieke structuur. De Grondwet verenigt ons en een grondwetswijziging zou ons ook moeten verenigen om gezamenlijk, in overleg, constructief en veilig vooruit te gaan. De methode die vandaag wordt gebruikt om deze eerste beveiliging te doorbreken, is echter het symbool van het politieke falen van de huidige meerderheid op federaal niveau. Ik geef enkele voorbeelden. Degenen die bijvoorbeeld beweren dat onze instelling geen macht heeft, wil ik erop wijzen dat er geen grotere macht bestaat dan de macht om een einde te maken aan zijn eigen bestaan. Degenen die zeggen dat hier bijna niets beurt, wil ik herinneren aan het respect dat we onze teams, het personeel van de diensten van de Senaat, die de instelling en onze democratische waarden tot leven brengen, verschuldigd zijn. Degenen die beweren dat we voor onbepaalde tijd moeten wachten op oplossingen voor belangrijke kwesties zoals het burgerdebat of de gewaarborgde vertegenwoordiging van de Duitstalige Gemeenschap, antwoord ik: als u al niet in staat bent om een onderling akkoord te bereiken – want de vertegenwoordigster van de Duitstalige Gemeenschap maakt voor zover ik weet deel uit van de huidige meerderheid – hoe wilt u dan de andere partijen en meer bepaald de oppositiepartijen de nodige waarborgen geven? Ik heb geluisterd naar de bedenkingen en aandachtspunten van de vertegenwoordigster van Les Engagés over de noodzakelijke beschermingsmaatregelen, waar ook nog antwoorden op moeten komen. Dit is allemaal amateurisme. Ik herhaal wat er deze ochtend is gezegd en wat volgens mij perfect de situatie samenvat waarin wij ons nu bevinden. Het was senator Jean‑Paul Wahl die zei dat een meerderheid, wanneer zij niet zeker is dat ze het vereiste aantal stemmen haalt, probeert zich niet al te hooghartig te gedragen maar zich ook tracht open te stellen voor de partners uit de oppositie. Dit is een fantastische samenvatting van de situatie waarin wij ons nu bevinden. Het zit in het DNA van de ecologisten om België en zijn werking te versterken, in al zijn componenten. Onze prioriteit is om onze democratie sterker te maken zodat zij de crises van deze eeuw beter het hoofd kan bieden. Dit is wat wij altijd hebben verdedigd. Wij zitten hier niet om dingen te blokkeren maar om constructief te zijn. Constructief zijn gaat samen met respect, niet met forceren. Respect voor onze geschiedenis, respect voor het personeel van de Senaat en voor alle teams die onze democratie levend houden. Hoe kan men beweren dat men het evenwicht van het land herstelt, terwijl men de componenten ervan negeert? De kwestie van de Duitstalige Gemeenschap is nu duidelijk. Het is dan ook verbazend en onbegrijpelijk dat er een proces wordt gelanceerd van institutionele hervorming zonder dat men daarbij de vertegenwoordiger hoort van de Duitstalige Gemeenschap, die hier nochtans om gevraagd had. Deze Gemeenschap vormt een essentiële schakel in onze federale identiteit en kan niet zomaar het enige wetgevende forum verliezen waar zij gehoord wordt als nationale en taalkundige minderheid. De Arizona‑coalitie heeft meer dan twaalf maanden gehad om hiervoor een oplossing voor te stellen, maar dat is niet gebeurd. De vraag om hoorzittingen, vanwege de Duitstalige Gemeenschap maar ook vanwege vele organisaties uit het middenveld die voorstander zijn van directe burgerparticipatie en dit zagen als een weg naar de opening en modernisering van de Senaat, werd in één beweging van tafel geveegd. U weigert om de boodschap van de burgers van dit land te horen. U verwijst naar een gebrek aan tijd. Maar als het om de Grondwet gaat, is tijd geen luxe maar een vereiste. U hebt zichzelf opgesloten in een urgentie die alleen in uw hoofd bestaat en die uw eigen haast weerspiegelt. Dit verraadt eigenlijk een kwetsbaarheid van uw meerderheid, die er al maandenlang niet in slaagt om een akkoord te sluiten dat meer verdeelt dan het samenbrengt. Uw regering heeft vrij spel gehad met betrekking tot de procedure, omdat u een gewone meerderheid hebt. Maar om het land te hervormen, zal u een veel bredere democratische meerderheid nodig hebben. De geschiedenis van ons land toont aan dat er geen enkele duurzame hervorming kan plaatsvinden zonder een brede consensus, die wordt gedragen over alle taalgrenzen heen. Door te handelen zoals u nu doet, heeft u het proces gewoon nog onzekerder gemaakt. Het meest betreurenswaardige is nog dat de tekst geen enkele toekomstvisie biedt. Hoe moeten onze instellingen evolueren? Bij Ecolo zijn er geen taboes. Wij hopen dat die er bij u ook niet zijn. Als men artikel 195 voor herziening vatbaar verklaart, stellen wij constructief voor om in de Grondwet andere fundamentele elementen op te nemen, die, volgens ons, deel uitmaken van een moderne democratie: het recht op vrijwillige zwangerschapsafbreking, respect voor de fysieke grenzen van de planeet, en ook de strijd tegen de ecocide, die een misdaad tegen de menselijkheid is, tegen ons leefmilieu, de menselijke soort en al wat leeft. De participatieve democratie wordt ook een beetje overhaast afgevoerd, terwijl deze assemblee omgevormd zou kunnen worden tot een plaats waar de burgers zich rechtstreeks kunnen uitspreken, zoals de G1000 of het collectief La Voix est Libre hebben aangetoond. Niemand in deze assemblee heeft eraan herinnerd dat het op vraag van de Ecolo‑fractie was dat er een Commissie voor Democratische Vernieuwing en Burgerschap werd opgericht. Deze heeft een goed gestoffeerd verslag uitgebracht met pistes om onze democratie nieuw leven in te blazen en waaraan we gevolg zouden moeten geven. Tot slot wil ik nog zeggen dat u, door te weigeren om artikel 195 voor herziening vatbaar te verklaren teneinde onze Grondwet te wijzigen op basis van een project dat zowel voldoende duidelijk als breed gedragen is, België niet zal hervormen maar zal schaden. Om al deze redenen meent Ecolo dat de nodige voorwaarden om een hervormingsproces voor de Senaat aan te vatten niet aanwezig zijn. Wij kunnen deze overhaaste werkwijze, die ook de vergadering van vandaag kenmerkt, niet goedkeuren. We blijven dus constructief en staan open voor een echte dialoog om een manier te vinden die op meer draagvlak kan rekenen, zodat we kunnen praten over de toekomst van onze eerbiedwaardige instelling en onze democratie. |
M. Hajib El Hajjaji (Ecolo‑Groen). – En refusant d’ouvrir l’article 195 à révision pour modifier notre Constitution avec un projet suffisamment clair et suffisamment partagé, vous ne réformez pas la Belgique, vous l’abîmez. Pour les raisons que je vais développer, Ecolo fait le constat que les conditions ne sont pas réunies pour enclencher le processus de modification du Sénat et nous ne pouvons cautionner cette fuite en avant. L’activation de l’article 195 n’est pas un simple outil technique. C’est la clé qui touche au champ de nos libertés, de notre organisation constitutionnelle, sociale, juridique et politique. La Constitution nous réunit et sa modification devrait donc nous réunir aussi pour avancer de manière concertée, constructive et sécurisante. Pourtant, la méthode que vous employez aujourd’hui pour forcer ce premier verrou est le symbole de l’échec politique de l’actuelle majorité au niveau fédéral. J’en donnerai quelques exemples. À ceux qui disent, par exemple, que notre institution n’a pas de pouvoir, je rappellerai qu’il n’y a pas de plus grand pouvoir que celui de pouvoir mettre un terme à sa raison d’être. À ceux qui disent qu’il ne s’y passe pas grand‑chose ou quasi rien, je rappellerai qu’il faut respecter nos équipes, vos équipes, le personnel des services du Sénat qui font vivre notre institution et nos valeurs démocratiques en ce lieu. À ceux qui disent qu’il va falloir attendre pour donner des réponses, dans un futur non défini, à des questions aussi importantes que le débat citoyen, que la représentation garantie de la minorité germanophone, je dirai que, si vous n’êtes déjà pas capables de vous mettre d’accord entre vous, puisque la représentante de la Communauté germanophone fait partie, à ma connaissance, de la majorité actuelle, comment voulez‑vous élargir cette garantie à d’autres partis, notamment ceux de l’opposition ? J’ai entendu les réserves et les points d’attention de la représentante des Engagés sur les protections nécessaires sur lesquelles il faudra aussi des réponses. Tout cela, c’est de l’amateurisme. Je reprendrai une citation que nous avons entendue ce matin et qui, à mon avis, résume à merveille la situation paradoxale dans laquelle nous sommes aujourd’hui. C’est celle du sénateur Jean‑Paul Wahl, qui dit : « lorsqu’une majorité n’est pas sûre d’avoir le quorum, elle essaye de ne pas se montrer trop arrogante et d’être ouverte aussi vis‑à‑vis des partenaires de l’opposition ». Cette phrase est un résumé formidable de la situation dans laquelle nous nous trouvons ce matin. L’ADN des écologistes est de renforcer la Belgique et son fonctionnement dans toutes ses composantes. Notre priorité, c’est de consolider notre démocratie pour la rendre plus résiliente face aux crises de notre siècle. C’est ce que nous défendons depuis toujours. Nous ne sommes pas là pour bloquer, nous sommes là pour construire. Or la construction demande du respect et non pas des passages en force. Le respect de notre histoire, le respect du personnel du Sénat et de toutes les équipes qui font vivre notre démocratie. Comment peut‑on prétendre réformer l’équilibre du pays en ignorant ses composantes ? Le cas de la Communauté germanophone est connu aujourd’hui et il est donc étonnant et incompréhensible de lancer un processus de réforme institutionnelle sans pouvoir entendre le représentant de la Communauté germanophone qui en a fait la demande. La Communauté germanophone est un maillon essentiel de notre identité fédérale et ne peut perdre le seul canal législatif fédéral dont elle dispose pour être entendue en tant que minorité nationale et linguistique. La coalition Arizona a eu plus de douze mois pour proposer une solution, mais rien n’est sur le tapis aujourd’hui. La demande d’auditions, venant des représentants de la Communauté germanophone, mais aussi des très nombreuses organisations de la société civile, favorables à une démocratie participative directe, en vue d’une ouverture et d’une modernisation du Sénat, a été balayée d’un revers de la main. Vous refusez d’entendre un message des citoyens de notre pays. Vous invoquez le manque de temps. Mais quand on touche à la loi fondamentale, le temps n’est pas un luxe, le temps est une exigence. Vous vous êtes enfermés vous‑même dans une urgence qui est la vôtre, celle de votre propre empressement. Elle traduit en fait une forme de fragilité de votre majorité, qui ne parvient pas depuis des mois à conclure un accord qui divise plus qu’il ne rassemble. Votre gouvernement a eu les coudées franches en ce qui concerne le processus parce que vous disposez d’une majorité simple. Mais, pour transformer ce pays, il faut une majorité démocratique bien plus large. L’histoire de notre pays montre qu’aucune réforme durable ne se fait sans un consensus large, coconstruit par‑delà les frontières linguistiques et de toutes les frontières linguistiques. En agissant comme vous le faites aujourd’hui, vous avez purement et simplement ajouté de l’incertitude au processus. Le fait plus regrettable est que le texte ne propose aucune vision d’avenir. Comment nos institutions doivent‑elles évoluer ? Chez Ecolo, nous n’avons pas de tabous, nous espérons qu’il en est de même pour vous. Si l’article 195 devait être ouvert à révision, nous proposons, dans un esprit constructif, d’inscrire dans la Constitution d’autres éléments fondamentaux qui, selon nous, sont constitutifs d’une démocratie moderne : le droit à l’interruption volontaire de grossesse, le respect des limites physiques planétaires ou encore la lutte contre l’écocide en tant que crime contre notre humanité, notre environnement, notre espèce humaine et le vivant. On évacue aussi un peu vite la démocratie participative alors que nous pourrions transformer cette assemblée en un lieu d’expression direct pour les citoyens, comme le G1000 ou encore le collectif La Voix est Libre l’ont montré. Personne dans cette assemblée n’a rappelé que c’est à la demande du groupe Ecolo qu’une Commission pour le Renouveau démocratique et la Citoyenneté a été mise en place. Elle a remis un rapport dense qui proposait des pistes pour revivifier notre démocratie et auquel il faut donner suite. Pour conclure, je dirais qu’en refusant d’ouvrir l’article 195 à révision pour modifier notre Constitution sur la base d’un projet suffisamment clair et partagé, vous ne réformez pas la Belgique, vous l’abîmez. Pour toutes ces raisons, Ecolo fait le constat que les conditions ne sont pas réunies pour enclencher le processus de modification du Sénat et ne peut cautionner cette fuite en avant qui se poursuit jusqu’à la séance d’aujourd’hui. Nous restons donc constructifs et ouverts à un vrai dialogue afin de trouver un moyen qui recueille davantage d’adhésion pour parler de l’avenir de notre honorable institution et de notre démocratie. |
|
|||
|
Mevrouw Stephanie D’Hose (Anders.). – Op 15 december 1830 – toch wel een tijdje geleden – na twee dagen van ongelooflijk verhitte debatten, werd de Senaat opgericht met 128 stemmen voor en 62 tegen. Zelfs bij de geboorte van deze instelling was er twijfel. Zelfs toen al moest men vechten om voldoende stemmen bij elkaar te krijgen. De Senaat is eigenlijk begonnen met een identiteitscrisis en die is nooit opgelost. Het ‘voor’‑kamp had verschillende argumenten. Ik geef er drie. De koning mocht niet worden geschoffeerd door te veel macht aan het volk te geven. Want stel u voor dat het volk zich zou bemoeien met het bestuur van het land, dat het volk medezeggenschap zou krijgen. Hoe vulgair is dat? Al te progressieve wetten uit de Kamer moesten echt worden tegengehouden, want verandering was slecht. Er was een rem nodig, een noodrem op de democratie. Tot slot was er een bemiddelaar nodig voor conflicten tussen de wetgever en Koning Leopold I. Maar men mocht vooral het belang van de bezittende klasse niet vergeten. De bezittende klasse moest een eigen assemblee hebben, want “enkel het grootgrondbezit kon de basis voor een welvarend land vormen”. Dat waren toen de argumenten. De Senaat is dus opgericht om de rijken een veilige zetel te geven van waaruit zij de gewone burger konden corrigeren. Dat is geen karikatuur, het is gewoon de geschiedenis. Dat was de realiteit. De oprichting van deze instelling was een sterk staaltje realpolitik. Het is niet de bedoeling om daar nostalgisch op terug te kijken. We hoeven geen tranen te plengen bij een idee en bij het graf van een instelling die eigenlijk doodgeboren was. Het was spijtig genoeg nooit de bedoeling om met deze kamer een sterke representatieve democratie te creëren. De Senaat was een compromis, een pleister op de spanningen van 1830. Een oplossing voor de rijken en de armen. Een oplossing voor een probleem dat inmiddels twee eeuwen oud is en al ten minste 150 jaar geen probleem meer is. België is een bicameraal land enkel en alleen omdat het tweehonderd jaar geleden de enige manier was om de adel en het volk met elkaar te verzoenen. De adel is er al lang niet meer, maar de Senaat draait nog steeds, als een spooktrein die niemand ooit durfde stil te leggen. Ik zal niet ontkennen dat opeenvolgende generaties van politici goede pogingen hebben gedaan om dat recht te trekken. Er is vaak gemorreld aan de samenstelling van dit huis. Provinciale verkozenen, gemeenschapssenatoren, de toevoeging van gecoöpteerden en uiteindelijk een kamer van de deelstaten. Telkens weer een nieuw laagje verf op een muur die men al lang geleden had moeten afbreken. De bevoegdheden en de verwachtingen van dit huis zijn heel vaak gewijzigd. Een matigende werking, een dialoogplatform, een reflectiekamer, een plek voor grote maatschappelijke kwesties, een federalistisch instrument. Klinken ze bekend in de oren, al die grote woorden die elke tien jaar opnieuw werden bovengehaald? Telkens wanneer iemand het waagde de vraag te stellen: “Maar waarvoor dient dat eigenlijk, die Senaat?” Keer op keer was het een manier om de discussie over de Senaat stil te leggen. Keer op keer een nieuwe start, keer op keer de kans op relevantie. En keer op keer, laten we elkaar niets wijsmaken, een manier om uitstel te kopen. Niemand kan zeggen dat we het niet hebben geprobeerd en niemand zal zeggen dat er nooit zinvolle resultaten uit deze assemblee zijn gekomen, mijnheer Wahl. Vrouwenrechten, transgenderrechten, het recht op euthanasie, belangrijke maatschappelijke vooruitgangen waarvoor deze Senaat in het verleden de juiste koers heeft uitgestippeld. Dat erken ik ten volle. Ik zeg dat niet als voetnoot, maar met respect voor iedereen die er toen zijn schouders heeft ondergezet. Maar ondanks al het goede dat hier gebeurd is, kan je al lang niet meer ontkennen dat het te weinig is om daarvoor een aparte federale kamer te behouden. Een wielrenner die elke tien jaar een etappe wint, krijgt ook geen levenslang contract. In 1993 wist men dat eigenlijk al en werd de Senaat kleiner en minder machtig. Men dacht dat alles goed ging komen door de Senaat te hervormen, maar dat was niet zo. In 2014 werd de Senaat nog kleiner en hield amper nog bevoegdheden over. Men zei: “Nu wordt het een reflectiekamer, nu gaat het echt lukken.” Ik weet niet hoeveel hier gereflecteerd is, maar ik ben vrij zeker dat het Belgisch Staatsblad niet ligt te wachten op onze inzichten. Elke hervorming was steeds een kleinere versie van hetzelfde probleem. Men heeft de Senaat niet hervormd, men heeft hem stelselmatig in een hoek geduwd. Wij liberalen, die geloven in een sterke wetgevende macht die resultaat kan tonen aan de burgers, zeggen al jaren dat je dan beter de deuren sluit. Wij zeggen dat niet uit cynisme of desinteresse, maar net uit respect voor de democratie en voor de mensen, de burgers die verwachten dat hun belastinggeld naar instellingen gaat die functioneren. En ook uit respect voor onszelf. De burgers van ons land hebben we daar al lang van kunnen overtuigen. Eerlijk gezegd is dat niet eens zo moeilijk, want de burgers stellen een heel eenvoudige vraag: “Wat doet de Senaat?” Zelfs wij die hier zitten, kunnen daar geen helder antwoord op geven zonder vijf minuten context, zonder op verschillende punten voorbehoud te maken. Dan is het duidelijk. Wij, die hier al jaren op de eerste rij zitten, weten dat de Senaat een doodlopende straat is in de plaats van een snelweg naar betere wetten. Dat zien de burgers ook en daarom vragen zij om een eenvoudige afschaffing. De burgers willen dat de focus ligt op andere parlementen, die wel functioneren, waar zij wel voor kunnen stemmen en waar wel beleid uit voortkomt. Dat is geen brutale vraag, maar juist een heel logische vraag. In de vorige zittingsperiode heeft deze Senaat daarom de moedige keuze gemaakt om alles voor te bereiden zodat hij zichzelf kan afschaffen. Een parlement dat besluit om zijn eigen einde voor te bereiden, is niet niks. Dat vergt politieke moed en de bereidheid om in het algemeen belang te redeneren. Ik heb hier in deze zaal veel collega’s gezien die dat effectief ook hebben gedaan. In het begin was er geen grote bereidheid om daaraan mee te werken. Sommigen hadden twijfels, sommigen hadden bezwaren. Maar we hebben het toen wel gedaan en ik ben alle betrokkenen die daaraan hebben meegeholpen nog steeds dankbaar. De Grondwet kan worden herzien met twee zaken in het achterhoofd. Ten eerste wordt en zal er worden gezorgd voor het personeel. Zelden heb ik een dergelijke knowhow, trots en volharding gezien bij medewerkers. Mensen die dag in, dag uit deze instelling draaiende houden met professionalisme dat menigeen in de privésector jaloers zou maken. Ik ben hen daar oprecht dankbaar voor en vertrouw erop dat ze met hun flexibiliteit ook als één ambtenarenapparaat voor de Kamer zullen werken. Zij zijn het beste bewijs dat het niet de mensen zijn die falen, maar het systeem. Ten tweede is er het gebouw. Deze zaal ademt de geschiedenis van ons land. Het is ons erfgoed en het zal niet verpieteren. Daarvoor kijkt Maria Theresia van Oostenrijk, die het gebouw in 1779 liet optrekken, ons iets té streng aan. Ze heeft nota bene zestien kinderen gekregen, dus het is duidelijk dat ze van geen kleintje vervaard was. Als zij het aankon om een imperium te besturen, een dozijn oorlogen te overleven en zestien kinderen groot te brengen, dan kunnen wij het wel aan om één instelling te sluiten, denk ik dan. Terug naar vandaag en naar de realiteit. Op het einde van de vorige zittingsperiode zijn de grondwetsartikelen voor herziening vatbaar verklaard. Met die realiteit zijn we allemaal in 2024 aan de verkiezingen begonnen. We gaven de kiezer de keuze, eens en voor altijd. In ieder partijprogramma stond een toekomstvisie op de Senaat en dat was interessant leesvoer. Voor ons was de afschaffing een speerpunt, dat is nogal duidelijk. Ook Groen, N‑VA, Les Engagés, Vooruit, Vlaams Belang en cd&v stelden ondubbelzinnig het einde van de Senaat voorop. Niet tussen de regels, niet in een voetnoot, zwart op wit werd dit in het partijprogramma aan de kiezer beloofd. Het resultaat was een vertaling naar het regeerakkoord waar wij als oppositie heel tevreden over waren. Daarom hebben we als oppositiepartij de voorstellen vol overtuiging mee ingediend. Want als oppositie en meerderheid het eens zijn, dan moet dat toch wel een goed idee zijn. Of op zijn minst een overduidelijk idee. Eigenlijk zou de stemming zonneklaar moeten zijn en de tweederdemeerderheid puur een formaliteit. Het zou een keuze moeten zijn die de grenzen van meerderheid en oppositie gewoon overstijgt. We hebben in ons land al genoeg parlementen. We hebben al genoeg politici. Ik weet het, ik voel de ironie wanneer ik dat zeg, als politicus. Maar het is daarom niet minder waar. We zitten in budgettair zware tijden waarin we van onze bevolking serieuze inspanningen vragen. We vragen mensen om harder en langer te werken, om te besparen, om de buikriem aan te halen. Als we dan de unieke kans hebben om op onszelf te besparen, ons land efficiënter en helderder te maken, dan is het toch evident dat ook te doen? Dan is dat toch een no‑brainer? Of moeten we de burger in de ogen kijken en zeggen: “We vragen aan u om offers te maken, maar onze eigen privileges, daar raken we liever niet aan.” Na de verkiezingen in oktober vorig jaar las ik: “Nous soutiendrons la suppression du Sénat.” Het zijn niet mijn woorden. Het zijn de woorden van de voorzitter van de PS, de Parti Socialiste, de partij die nu… Ik laat u zelf de conclusie trekken. Ik was dus wel heel erg op mijn gemak een aantal maanden geleden. The wheels were in motion. Een heel erg duidelijke meerderheid van twee derde van dit parlement steunde in woord en in daad de afschaffing. U kunt zich mijn verbazing indenken toen er opeens met de voeten werd gesleept, alles plots moest worden uitgesteld en de agenda ineens te krap werd voor nieuwe hoorzittingen over iets waar we verdorie al jarenlang over palaveren en debatteren. Hoorzittingen die we tijdens de vorige zittingsperiode uit den treure hebben gehouden, met Kamer en Senaat verenigd, en waarvan de conclusies al op tafel liggen. Op een bepaald moment moet men stoppen met het organiseren van hoorzittingen en beginnen luisteren naar wat experts en vooral de bevolking al jarenlang vragen. De vraag van de federale vertegenwoordiging van de Duitstalige Gemeenschap is absoluut terecht. Ik wil dat graag benadrukken, maar hiervoor bestaan oplossingen zonder de Senaat te behouden. Iedereen in dit halfrond is ervan overtuigd dat de Duitstalige Gemeenschap federaal moet vertegenwoordigd worden. Iedereen zal meewerken aan een oplossing, dat is onderhand wel duidelijk, en de premier heeft het maandag nog onverkort bevestigd. De Duitstalige Gemeenschap verdient een plek aan de federale tafel, maar die tafel hoeft niet de Senaat te zijn. Je hoeft geen volledig restaurant te bouwen voor één restaurantgast. Een andere drogreden is de installatie van een burgerkamer. Ik ben persoonlijk een heel groot voorstander van de deliberatieve democratie. Onze vrienden van de Oostkantons bewijzen dat die burgerpanels echt werken, met indrukwekkende resultaten, maar dat argument gebruiken om de Senaat te behouden, is zoals zeggen dat je je oude auto moet houden omdat je er ooit op een dag een keer een caravan mee wil voorttrekken. Je kan perfect een burgerkamer installeren na de afschaffing van de Senaat, indien daar de politieke wil voor is. Ik vind het laakbaar dat de burgerkamer hier wordt gebruikt als drogreden. Dit is een aanfluiting van de deliberatieve democratie. Het is misbruik maken van een mooi concept om een slecht besluit te verantwoorden. Het is een nieuw argument dat we gisteren hoorden. Andere dossiers worden als chantagemiddel gebruikt op een politieke tapijtenmarkt. Shame on you. Als u dit vandaag opnieuw gebruikt, moet u dat maar uitleggen aan de burger. Collega’s, het is zo klaar als een klontje. Vandaag hebben we een clean break nodig. Een heldere afschaffing. Geen vertragingen, geen manoeuvres, geen halve oplossingen en, ook geen Senaat 2.0. Een Senaat 2.0 zou hetzelfde zijn als een Senaat 1.0, alleen met een ander logo en met een Instagramaccount. In tweede orde zullen de zogenaamde losse eindjes worden aangepakt en dat is de beste manier om vooruit te gaan. Dit is de aangewezen manier om komaf te maken met een instituut dat al lang afgeschaft had moeten zijn. En ook ik sla een mea culpa, nog voor er mogelijk beschuldigende vingers komen. Mijn partij heeft ook al langer de kans gehad om de Senaat af te schaffen, maar tijdens de vorige zittingsperiode hebben we eindelijk de koe bij de horens gevat en de grondwetsartikelen voor herziening vatbaar verklaard. Ik heb daar mijn persoonlijke queeste van gemaakt als Senaatsvoorzitter, en ik heb toen de banbliksems over mij gekregen, en dat gebeurt nog steeds, maar ik ben nog altijd trots dat we toen een trein in werking hebben gezet. Ik wil uitdrukkelijk de collega’s van N‑VA bedanken omdat zij het werk voortzetten en zij ons ook de mogelijkheid hebben geboden om het voorstel samen mee in te dienen. Ik hou van deze correcte manier van aan politiek doen en misschien moeten we dat allemaal wat meer doen. Wanneer we over correctheid en politiek spreken, laten we dan een kat een kat noemen. Wie vandaag nog absoluut wil tegenstemmen, wie straks toch nog op die rode knop durft te duwen, moet eerlijk zijn en zeggen waar het op staat. Het gaat om partijfinanciering. Het gaat om het politieke personeel dat doorgesluisd wordt naar de partijhoofdkwartieren. Daar gaat het om. Niet om hoorzittingen, niet om burgerkamers, niet om reflectie of dialoog. De afschaffing van de Senaat gaat over het ontvetten van de Staat, maar ook over het ontvetten van onszelf, van de politiek, van het systeem dat wij in stand houden. Het debat is gevoerd, de feiten liggen op tafel. De wil van de burger is gekend en is zonneklaar. De partijprogramma’s zijn geschreven, de beloften zijn gemaakt. En wie vandaag tegenstemt, pleegt kiezersbedrog. Wie vandaag tegenstemt, zegt eigenlijk tegen de burger: “Uw stem telt, maar alleen als het ons uitkomt.” Wie nu tegenstemt, laat een unieke kans schieten om ons land en onze democratie slanker, sterker en duidelijker te maken. Wie nu tegenstemt, zal dat moeten uitleggen, niet aan mij, niet aan deze zaal, maar wel aan de burger, aan de mensen thuis. Voor ons is het heel duidelijk: de politiek moet anders. Dat kunnen we vandaag aantonen met deze stemming. |
Mme Stephanie D’Hose (Anders.). – Le 15 décembre 1830 – il y a tout de même un certain temps –, après deux jours de très vifs débats, le Sénat a été créé par 128 voix contre 62. À la naissance même de cette institution, le doute régnait. Déjà à l’époque, il fallait se battre pour réunir suffisamment de voix. Le Sénat a en fait commencé par une crise d’identité qui n’a jamais été résolue. Le camp des « pour » avait plusieurs arguments. J’en citerai trois. Il ne fallait pas offenser le Roi en accordant trop de pouvoir au peuple. Laisser le peuple s’immiscer dans la gestion de notre pays ? Faire en sorte qu’il ait son mot à dire ? Pensez‑vous ! Il fallait absolument bloquer les lois trop progressistes de la Chambre, car le changement était néfaste. Il fallait un frein, un frein d’urgence à la démocratie. Enfin, il fallait un médiateur pour régler les conflits entre le législateur et le roi Léopold Ier. Mais il ne fallait surtout pas oublier les intérêts de la classe possédante. Celle‑ci devait disposer de sa propre assemblée, car « seule la grande propriété foncière pouvait constituer la base d’un pays prospère ». Tels étaient les arguments de l’époque. Le Sénat a donc été créé pour offrir aux riches un siège sûr d’où ils allaient pouvoir corriger le simple citoyen. Ce n’est pas une caricature, c’est simplement l’histoire. Telle était la réalité. La création de cette institution était un bel exemple de realpolitik. Le but n’est pas de jeter un regard nostalgique sur cette époque. Nous n’avons pas à verser des larmes sur une idée ni sur la tombe d’une institution qui était en fait mort‑née. Il n’avait malheureusement jamais été question de mettre en place, avec cette chambre, une démocratie représentative forte. Le Sénat était le fruit d’un compromis. Il n’était qu’un emplâtre sur les tensions de 1830, une solution pour les riches et pour les pauvres, une solution à un problème aujourd’hui vieux de deux siècles mais qui, depuis 150 ans au moins, n’en est plus un. Si la Belgique est un pays bicaméral, c’est uniquement parce qu’il y a deux cents ans, c’était le seul moyen de réconcilier la noblesse et le peuple. La noblesse a disparu depuis longtemps, mais le Sénat continue à fonctionner, tel un train fantôme que personne n’a jamais osé arrêter. Je ne nierai pas que plusieurs générations successives de responsables politiques se sont courageusement efforcées de rectifier cette anomalie. La composition de cette institution a souvent été remaniée. Il y a eu des élus provinciaux et des sénateurs de Communauté, des sénateurs cooptés et, enfin, le Sénat est devenu une chambre des entités fédérées. Ce fut à chaque fois une nouvelle couche de peinture sur un mur qu’il aurait fallu démolir depuis longtemps. Les compétences de cette assemblée ainsi que les attentes placées en elle ont très souvent changé : un rôle modérateur, une plateforme de dialogue, une chambre de réflexion, un forum dédié à la réflexion sur les grandes questions de société, un instrument fédéraliste. Résonnent‑ils de manière familière, tous ces grands mots qui refaisaient surface tous les dix ans ? Tous ces mots qui ressurgissaient à chaque fois que quelqu’un osait poser la question : « Mais ce Sénat, à quoi sert‑il finalement ? » À chaque fois, un de ces grands mots était brandi pour couper court au débat sur l’utilité du Sénat. À chaque fois, un nouveau départ, une nouvelle opportunité de retrouver sa pertinence. Et à chaque fois – ne nous leurrons pas – un moyen de gagner du temps. Monsieur Wahl, personne ne peut dire que nous n’avons pas essayé, ou que cette assemblée n’a jamais permis d’obtenir des résultats significatifs : je pense aux droits des femmes, aux droits des personnes transgenres, au droit à l’euthanasie ou à d’autres avancées sociétales majeures pour lesquelles le Sénat a, par le passé, balisé le chemin. Je le reconnais tout à fait. Je ne dis pas cela pour la forme, mais avec respect pour tous ceux qui se sont engagés dans ces combats à l’époque. Cependant, malgré toutes les bonnes choses qui ont été accomplies ici, force est aujourd’hui de reconnaître que cela ne suffit pas pour justifier le maintien d’une chambre fédérale distincte. Un cycliste qui ne remporte qu’une étape tous les dix ans ne décrochera pas un contrat à vie. Cela, on le savait déjà en 1993, et le Sénat a alors été réduit, perdant une partie de son pouvoir et de ses compétences. On pensait que tout allait pouvoir s’arranger avec la réforme de l’institution, mais il n’en fut rien. En 2014, le Sénat a subi une nouvelle cure d’amaigrissement, ne conservant que quelques compétences à peine. On disait : « Ce sera désormais une chambre de réflexion, cela va vraiment marcher. » J’ignore à quel point on a réfléchi ici, mais je suis presque sûre que le Moniteur belge n’attend pas impatiemment le fruit de nos réflexions. Chaque réforme n’a été qu’une version de plus en plus réduite du même problème. On n’a pas réformé le Sénat, on l’a systématiquement remisé au placard. Nous, libéraux, qui croyons en un pouvoir législatif fort, capable de présenter des résultats aux citoyens, nous disons depuis des années qu’il vaudrait mieux fermer les portes de cette institution. Nous n’affirmons pas cela par cynisme ou par désintérêt, mais justement par respect pour la démocratie et pour les citoyens, qui souhaitent que leurs impôts servent à financer des institutions qui fonctionnent. Et cela, nous le disons aussi par respect pour nous‑mêmes. Il y a longtemps que nous avons réussi à convaincre nos concitoyens de cette nécessité. Et honnêtement, ce n’est pas si difficile, car les citoyens posent une question très simple : « Que fait le Sénat ? ». Même nous qui siégeons ici, nous ne pouvons y répondre clairement sans exposer brièvement le contexte de notre travail et sans formuler l’une ou l’autre réserve. Nous‑mêmes, qui nous trouvons ici aux premières loges depuis des années, nous savons que le Sénat se trouve dans une impasse et qu’il n’est pas la voie royale escomptée vers de meilleures lois. Les citoyens aussi s’en rendent compte, et c’est pourquoi ils demandent la suppression pure et simple. Les citoyens veulent que l’attention se porte sur d’autres parlements, sur des parlements qui fonctionnent, sur des parlements pour lesquels ils peuvent voter et qui débouchent sur des politiques concrètes. Ce n’est pas une demande impertinente, mais au contraire une demande tout à fait logique. Au cours de la législature précédente, ce Sénat a donc pris la décision courageuse de tout préparer en vue de sa propre suppression. Ce n’est pas rien. Cela demande, d’une part, du courage politique et, d’autre part, la volonté de raisonner dans l’intérêt général. J’ai vu ici, dans cet hémicycle, de nombreux collègues qui ont effectivement agi en ce sens. Au début, la volonté de coopérer n’était pas très forte. D’aucuns avaient des doutes ou des objections. Mais nous l’avons fait et je suis très reconnaissante envers toutes celles et tous ceux qui ont prêté leur concours à ce processus. Nous pouvons réviser la Constitution en gardant deux choses à l’esprit. Premièrement, le personnel n’est pas et ne sera pas oublié. J’ai rarement eu l’occasion de voir un tel savoir‑faire, une telle fierté et une telle persévérance chez des collaborateurs. Des personnes qui, jour après jour, font fonctionner cette institution avec un professionnalisme qui ferait pâlir d’envie plus d’un employeur du secteur privé. Je leur en suis sincèrement reconnaissante et je ne doute pas que, grâce à leur flexibilité, ils se fondront efficacement dans l’administration de la Chambre. Ils sont la meilleure preuve que ce ne sont pas les personnes qui échouent, mais le système. Deuxièmement, il y a le bâtiment. Cet hémicycle respire l’histoire de notre pays. Il fait partie de notre patrimoine et nous ne le laisserons pas dépérir. Marie‑Thérèse d’Autriche, qui fit construire cet édifice en 1779, nous en tiendrait par trop rigueur. Mère de seize enfants, elle n’était d’ailleurs clairement pas du genre à s’effrayer pour si peu. Si cette femme est parvenue à diriger un empire et à survivre à une douzaine de guerres tout en élevant seize enfants, alors je pense que nous sommes capables de fermer une seule institution. Mais revenons‑en à la réalité d’aujourd’hui. À la fin de la législature précédente, plusieurs articles de la Constitution ont été déclarés ouverts à révision. Telle était la réalité lorsque nous nous sommes tous présentés aux élections en 2024. Nous avons donné le choix aux électeurs, une fois pour toutes. Le programme de chaque parti présentait une vision d’avenir pour le Sénat. Pour nous, la suppression du Sénat était – faut‑il le rappeler – une priorité. Groen, la N‑VA, Les Engagés, Vooruit, le Vlaams Belang et le cd&v ont, eux aussi, prôné sans ambiguïté la fin du Sénat. Non pas entre les lignes ou dans une petite note de bas de page, mais noir sur blanc, dans leur programme électoral. Tout cela a débouché sur un accord de gouvernement dont nous nous sommes réjouis, bien que relégués dans l’opposition. C’est pourquoi, bien qu’étant dans l’opposition, nous avons cosigné ces propositions avec conviction. Car si l’opposition et la majorité sont d’accord, on peut raisonnablement supposer que l’idée est bonne ou, à tout le moins, qu’elle relève de l’évidence. En réalité, le vote ne devrait laisser planer aucune ambiguïté et la majorité des deux tiers devrait être une simple formalité. Ce devrait être un choix qui transcende tout simplement les clivages entre majorité et opposition. Nous avons déjà suffisamment de parlements dans notre pays. Nous avons suffisamment d’hommes et de femmes politiques. Les propos que je tiens ici en tant que femme politique peuvent sembler ironiques, mais ils n’en sont pas moins vrais. Nous traversons des temps difficiles sur le plan budgétaire et nous demandons de sérieux efforts à notre population. Nous demandons aux citoyens de travailler plus et plus longtemps, de faire des économies et de se serrer la ceinture. Si nous avons une occasion unique de réaliser des économies en commençant par nous‑mêmes, et de rendre notre pays plus efficace et plus transparent, n’est‑il pas évident de le faire ? Ou devons‑nous regarder les citoyens dans les yeux et leur dire : « Nous vous demandons de faire des sacrifices, mais nous préférons ne pas toucher à nos propres privilèges » ? Après les élections d’octobre dernier, j’ai lu : « Nous soutiendrons la suppression du Sénat. » Ce ne sont pas mes mots. Ce sont les mots du président du Parti socialiste, le parti qui aujourd’hui… Je vous laisse tirer vos propres conclusions. J’étais donc tout à fait sereine il y a quelques mois. Le processus était lancé. Une très nette majorité des deux tiers de cette assemblée soutenait, en parole et en actes, la suppression. Vous pouvez imaginer ma surprise lorsque, tout à coup, d’aucuns ont commencé à traîner les pieds, que tout a dû être reporté et que le calendrier est soudain devenu trop serré pour organiser de nouvelles auditions sur un sujet dont nous palabrons et débattons pourtant depuis des années ! Lors de la législature précédente, nous avons, Chambre et Sénat réunis, organisé des auditions à n’en plus finir, et les conclusions sont déjà sur la table. À un moment donné, il faut cesser d’organiser des auditions et commencer à écouter ce que les experts, et surtout la population, demandent depuis des années. La demande de représentation fédérale de la Communauté germanophone est tout à fait légitime, mais il existe des solutions pour y répondre sans qu’il soit nécessaire de maintenir le Sénat. Tout le monde dans cet hémicycle est convaincu que la Communauté germanophone doit être représentée au niveau fédéral. Il est évident que tout le monde collaborera à la recherche d’une solution, et le premier ministre l’a encore confirmé sans réserve lundi dernier. La Communauté germanophone mérite une place à la table fédérale, mais cette table ne doit pas nécessairement être le Sénat. Il n’est pas nécessaire de construire tout un restaurant pour un seul client. Un autre argument fallacieux est celui de la mise en place d’une chambre citoyenne. Je suis personnellement une fervente partisane de la démocratie délibérative. Nos amis des Cantons de l’Est prouvent que ces panels citoyens fonctionnent réellement, avec des résultats impressionnants à la clé, mais utiliser cet argument pour maintenir le Sénat reviendrait à dire qu’il faut garder sa vieille voiture parce qu’on voudra un jour y atteler une caravane. On peut parfaitement mettre en place une chambre citoyenne après la suppression du Sénat, s’il y a une volonté politique pour ce faire. Utiliser une telle chambre citoyenne comme prétexte, c’est faire honte à la démocratie délibérative. C’est abuser d’un beau concept pour justifier une mauvaise décision. C’est un nouvel argument que nous avons entendu hier. D’autres dossiers sont utilisés comme moyen de chantage dans un véritable marchandage politique. Honte à vous. Si vous réutilisez cet argument aujourd’hui, vous devrez l’expliquer aux citoyens. La situation est claire comme de l’eau de roche. Nous avons aujourd’hui besoin d’une rupture nette et d’une suppression sans ambiguïté. Pas d’atermoiements, pas de manœuvres, pas de demi‑mesures et, surtout, pas de Sénat 2.0. Un Sénat 2.0 serait la même chose qu’un Sénat 1.0, mais avec un autre logo et un compte Instagram. Dans un deuxième temps, il s’agira de s’attaquer aux derniers points en suspens, ce qui est la meilleure façon d’avancer et de mettre fin à une institution qui aurait dû être supprimée depuis longtemps. Je tiens, moi aussi, à faire ici mon mea‑culpa, avant que des doigts accusateurs ne se lèvent. Mon parti a lui aussi eu l’occasion depuis longtemps de supprimer le Sénat, mais au cours de la législature précédente, nous avons enfin pris le taureau par les cornes en déclarant ouverts à révision les articles de la Constitution concernés. J’en ai fait mon combat personnel en tant que présidente du Sénat, et j’ai alors essuyé un déluge de critiques. C’est encore le cas aujourd’hui, mais je suis fière d’avoir contribué à mettre, avec d’autres, le processus en marche. Je tiens à remercier expressément mes collègues de la N‑VA de poursuivre le travail et de nous avoir donné la possibilité de co‑déposer cette proposition. J’apprécie cette manière de faire de la politique, et nous devrions peut‑être tous nous en inspirer davantage. Tant qu’à parler de manière correcte de faire de la politique, osons appeler un chat un chat. Ceux qui veulent absolument voter contre aujourd’hui, ceux qui oseront appuyer sur ce bouton rouge tout à l’heure doivent être honnêtes et dire les choses telles qu’elles sont. Ce qui est en jeu, en réalité, c’est le financement des partis, le personnel politique et le transfert de collaborateurs vers les quartiers généraux des partis. Il n’est pas question ici d’auditions, de chambres citoyennes, de réflexion ou de dialogue. Qui dit suppression du Sénat dit ‘dégraissage’ de l’État, mais aussi ‘dégraissage’ du système politique que nous entretenons. Le débat a eu lieu, les faits sont sur la table. La volonté du citoyen est connue et elle est très claire. Les programmes des partis ont été rédigés et les promesses ont été faites. Ceux qui votent contre aujourd’hui trompent leurs électeurs et disent en réalité aux citoyens : « Votre voix compte, mais seulement quand cela nous arrange ». Voter contre aujourd’hui, c’est laisser passer une occasion unique de ‘dégraisser’ et renforcer notre pays et notre démocratie et de les rendre plus transparents. Celui ou celle qui vote contre devra s’en expliquer, non pas devant moi, ni devant cette assemblée, mais devant les citoyens. Pour nous, c’est très clair : il faut faire de la politique autrement. Nous pouvons aujourd’hui, par ce vote, joindre le geste à la parole. |
|
|||
|
Mevrouw Celia Groothedde (Ecolo‑Groen). – Ik geef deze stemverklaring in persoonlijke naam. Ik zal stemmen voor de afschaffing van de Senaat. Laat ik dat maar eerst zeggen, want hier worden zeer veel schijnmanoeuvres aangehaald door een aantal collega’s vandaag en daar wil ik dus heel duidelijk op antwoorden. Mijn partij heeft daarin een lang en basisdemocratisch proces afgelegd en die beslissing is eruit gekomen en die zal ik volledig respecteren. Ik heb ook veel begrip voor de vragen van het middenveld om nu te overleggen over deliberatieve democratische deelname. Daar is jarenlang aan gewerkt en wij hebben als Groenen voluit achter dat middenveld gestaan. Wij hebben geprobeerd om, op een moment waarop de democratie steeds minder aanhang heeft en sommige mensen zich in het politieke debat regelrecht uitspreken tegen de democratie, doordachte initiatieven van burgers te ondersteunen. In de Oostkantons leiden die initiatieven trouwens tot een zeer positief resultaat. Er zou daar een doorbraak gemaakt kunnen worden in tijden waarin de burger zich afkeert van de politiek en waarin men dat enthousiasme kan capteren. En die kans doet men vandaag af met ‘misschien’. |
Mme Celia Groothedde (Ecolo‑Groen). – Je donne cette explication de vote à titre personnel. Je voterai pour la suppression du Sénat. Je tiens à le dire d’emblée, car certains collègues ont aujourd’hui recouru à de nombreuses manœuvres de diversion, et je tiens à y répondre très clairement. Mon parti a suivi, en l’espèce, un long processus démocratique, qui a abouti à cette décision que je respecterai pleinement. Je comprends également très bien les demandes de la société civile visant à mettre en place une concertation sur la participation démocratique délibérative. Cela fait des années que l’on y travaille et, en tant qu’écologistes, nous avons pleinement soutenu cette société civile. À un moment où la démocratie perd de plus en plus de terrain et où d’aucuns s’expriment ouvertement contre la démocratie dans le débat politique, nous avons essayé de soutenir des initiatives citoyennes mûrement réfléchies. Dans les Cantons de l’Est, ces initiatives donnent d’ailleurs des résultats très positifs. À l’heure où de nombreux citoyens se détournent de la politique, il y aurait là un enthousiasme à capter. Et aujourd’hui, on balaye cette opportunité en disant « peut‑être ». |
|
|||
|
Auch die Worte unserer deutschsprachigen Kollegin in Sachen der Vertretung lassen mich nicht unberührt. Viele ihrer Sorgen teile ich als niederländischsprachige Brüsselerin ebenfalls. Ich habe diese Bedenken in der Kommission dem Premierminister vorgelegt. |
Auch die Worte unserer deutschsprachigen Kollegin in Sachen der Vertretung lassen mich nicht unberührt. Viele ihrer Sorgen teile ich als niederländischsprachige Brüsselerin ebenfalls. Ich habe diese Bedenken in der Kommission dem Premierminister vorgelegt. |
|
|||
|
Ook de woorden van onze Duitstalige collega in verband met de vertegenwoordiging laten mij niet onberoerd. Als Nederlandstalige Brusselse deel ik eveneens heel wat van haar bezorgdheden. Ik heb deze bedenkingen in de commissie aan de eerste minister voorgelegd. |
Les propos de notre collègue germanophone quant à la représentation ne me laissent pas non plus indifférente. En tant que Bruxelloise néerlandophone, je partage beaucoup de ses préoccupations. J’en ai fait part au Premier ministre en commission. |
|
|||
|
In het algemeen is het verdedigen van kleinere gemeenschappen, maar ook het overleg tussen gemeenschappen en gewesten vanuit het wetgevende orgaan – in plaats van het alleen over te laten aan de regeringen om in het beste geval overleg te hebben, in het slechtste geval allerlei dingen te bedisselen of te blokkeren –, een enorme bezorgdheid die men in de publieke dialoog op dit moment over het hoofd ziet. Waar de premier zowel in de pers als in de commissie de Duitstalige Gemeenschap nog enig perspectief heeft gegeven, ontbreekt dat voor de Nederlandstalige Brusselaars vandaag volledig. Wij bestaan niet. En toen ik die vraag stelde, heeft de premier als Vlaams‑nationalist die bezorgdheid van de Nederlandstalige Brusselaars in de commissie weggezet met een beschimping. Ik voel mij er persoonlijk, en hopelijk mag ik zeggen ook uit naam van mijn fractie – ook al is dit een persoonlijke stemverklaring – toe geroepen om ook kort het personeel van de Senaat te vermelden. Ik denk tijdens dit soort debatten aan deze mensen die vaak heel discreet werken, met tientallen jaren institutioneel geheugen en een politieke analyse die vaak zeer doordesemd is van metier en ervaring, en met wie ik graag van gedachten heb gewisseld. Want inderdaad is het zwaarste instrument van de Senaat nog een informatieverslag. Ik ben zelf initiatiefnemer, rapporteur en voortrekker geweest van het verslag rond gynaecologisch geweld en lichamelijke zelfbeschikking. “Vuistdikke rapporten die door niemand gelezen worden”, beweerde daarnet een lid onterecht. Het verslag over gynaecologisch geweld en lichamelijke zelfbeschikking, waar dat lid en zijn extremistische partij niet voorstemden – zo weten we ook alweer hoe deze partij denkt over het lijden en de zelfbeschikking en de rechten van vrouwen – heeft in de recente schandalen een grote impact gehad. Op het moment dat vrouwen naar voren kwamen die decennia geleden waren verkracht en dat het Vlaams Meldpunt twee extra lijnen moest openen, lagen de richtlijnen hier klaar. Na drie jaar hoorzittingen die doordacht waren, waar was samengewerkt. Die aanbevelingen worden vandaag meegenomen en onder andere tijdens dat intensieve samenwerken rond dat verslag, maar ook in internationale samenwerkingen, heb ik het metier van de diensten van de Senaat zeer geapprecieerd. Deze mensen leven al jaren in onzekerheid en stress en ik hoop oprecht dat zij met het respect dat zij verdienen, een plek zullen krijgen. Ik wil dat gezegd hebben omdat ik begrijp dat een aantal collega’s op die bezorgdheden ingaan, en die zijn reëel. Er zijn er nog een aantal. Ik heb ze aangehaald in de commissie, want er is nog geen sluitend akkoord. Maar, en nu kom ik tot het hoofdpunt van mijn betoog: de stemming rond de afschaffing van de Senaat ligt vandaag niet voor. Dat hebben verschillende collega’s terecht aangegeven. Wat voorligt, ondanks de verhandelingen over de geschiedenis en het vergaan van de Senaat, is het oneigenlijke gebruik van artikel 195 van de Grondwet. Daarover gaat de stemming vandaag. Dat artikel bepaalt hoe onze Grondwet wordt gewijzigd en het wordt om die reden door grondwetspecialisten, terecht vind ik, wel eens het belangrijkste artikel van onze volledige Grondwet genoemd. De procedure om onze Grondwet te wijzigen is geen lichte procedure. De grondwetgevers hebben dat indertijd ook bewust zo gedaan. Zij wilden dat zodat er niet licht met de Grondwet zou worden omgesprongen. Ze hebben zelfs verkiezingen gekoppeld aan het veranderen van de Grondwet om hem te verankeren als het belangrijkste document van onze democratie en van onze wetgeving. En daarom moeten er inderdaad tijdens de ene zittingsperiode artikelen worden opengesteld door het ene parlement en pas de volgende zittingsperiode aangepast door het nieuwe parlement. Dat is niet zo gek, want het beschermt ons tegen willekeur, zodat één bepaald parlement niet in zijn eentje de Grondwet kan veranderen en onze allerbelangrijkste verankerde rechten en plichten niet zomaar kan veranderen of wegnemen. Voor de duidelijkheid: men zou artikel 195 kunnen openstellen om het artikel zelf te veranderen, want er zijn verbeteringen mogelijk. Men zou de procedure kunnen aanpassen: een voor de hand liggende lacune is bijvoorbeeld de omgang met de onthoudingen bij deze stemming, zoals trouwens bij de meeste parlementaire stemmingen. Maar dat is niet de reden waarom artikel 195 is opengesteld, en de stemming vandaag gaat daar ook niet over. De reden waarom vandaag het opengestelde artikel 195 wordt gebruikt en aangehaald, is niet om de procedure te veranderen, laat staan te verbeteren, maar om de procedure om de Grondwet te wijzigen tussen haakjes te zetten. Dat is de overgangsbepaling die een aantal mensen hebben aangehaald. De procedure voor verandering is voor herziening vatbaar verklaard, zodat men eventjes de procedure zelf niet hoeft te volgen. Het is een binnenweg waardoor een parlement binnen één bepaalde zittingsperiode wel de Grondwet kan wijzigen buiten de procedure om. En bij het openstellen van artikel 195: all bets are off. Alles kan zonder beperking worden veranderd in de Grondwet met een tweederdemeerderheid. Er is geen vangrail meer. Het is geen wonder dat ik de extremisten zie glimlachen. De procedure voor de verandering van de Grondwet wordt opgeheven en dat trucje is al één keer gebruikt. Men zat toen in een diepe politieke crisis en er is toen beloofd om het nooit meer te doen. Ik begrijp waarom men die belofte heeft gemaakt. Ook in het partijprogramma van mijn partij staat aangegeven dat wij tegen het oneigenlijke gebruik van artikel 195 zijn. Dat is tijdens de vorige zittingsperiode ook door de vicepremier aangehaald. Want het is misschien niet flagrant tegen de wet, maar het gaat wel duidelijk tegen de Grondwet en tegen de bedoeling van de grondwetgevers in. Het ging nooit meer gebeuren, maar het gebeurt weer. Er gebeurt ook waar grondwetspecialisten voor hebben gewaarschuwd. De Grondwet lichtzinniger gebruiken, wordt stapje voor stapje meer een gewoonte. Daar zijn talloze opiniestukken over gepubliceerd door grondwetspecialisten, die aangeven dat dit onmiskenbaar een hellend vlak is. Ik heb aan het einde van de vorige zittingsperiode, toen artikel 195 voor herziening vatbaar is verklaard precies om dit trucje toe te passen, aangegeven dat ik niet voor zou stemmen als het niet de bedoeling was om artikel 195 zelf aan te passen, maar enkel om de procedure van de grondwetswijziging te omzeilen. En nu wordt die openstelling in deze zittingsperiode aangewend bij deze stemming. Mijn stem straks is daar dus een logisch gevolg van en vervolg op. Ter vergelijking: artikel 196 bepaalt dat de Grondwet in tijden van oorlog en bezetting niet veranderd kan worden. Iedereen begrijpt dat dit ons behoedt voor ondemocratische toestanden. Stel dat artikel 196 zou worden opengesteld op het moment dat een vreemde mogendheid ons zou bezetten, niet met de bedoeling om het te veranderen, maar om ervoor te zorgen dat de Grondwet toch veranderd zou worden, ook al is het oorlog. Dat is mogelijk niet flagrant tegen de wet, maar ik kan dat persoonlijk niet getrouwheid aan de grondwet noemen. Want waarvoor wordt het openstellen van artikel 195 in dit geval in de praktijk gebruikt? Tijdens de vorige zittingsperiode zijn een aantal artikelen van de Grondwet waarin de Senaat voorkomt, niet voor herziening vatbaar verklaard. Dat schijnt een eis te zijn geweest van een bepaalde regeringspartij. Maar dat betekende wel dat als nu, tijdens de volgende zittingsperiode, wordt gestemd over de afschaffing van de Senaat, hij nog steeds wordt genoemd in die artikelen. En daarom gebruikt men artikel 195 om toch nu meteen die artikelen te kunnen wijzigen. Uiteraard is het dan logisch dat je minstens de vraag stelt: is het noodzakelijk om dit nu te doen om de Senaat te kunnen afschaffen? Ik ben dat expliciet bij grondwetspecialisten gaan aftoetsen en zij gaven aan dat men die artikelen perfect kan laten zoals ze zijn. Men kan stemmen voor de afschaffing van de Senaat en die artikelen voor herziening vatbaar verklaren aan het einde van de zittingsperiode. Men kan verkiezingen afkondigen en men kan de volgende constituante die artikelen laten wijzigen. Zij gaven zelfs aan dat het geen ramp zou zijn als dat niet zou gebeuren. De Grondwet staat immers vol met, zoals één van hen het zeer poëtisch zei, “sporen van het verleden”. Sporen van eerdere wijzigingen zijn overal in onze Grondwet te vinden en die zitten ons niet dwars. Dat geldt trouwens niet alleen voor onze Grondwet, maar bijvoorbeeld ook voor de Nederlandse Grondwet. Daar is een volledig artikel nog altijd gewijd aan grondwetswijzigingen wanneer er een regent is – volledig verouderd – maar niemand struikelt daarover. Dus de keuze die vandaag gemaakt wordt, is niet onontkoombaar of noodzakelijk, zelfs niet om de Senaat af te schaffen. De stemming vandaag gaat erom het proper te doen en iedereen heeft zijn gewetensgrens te trekken. Ik ben er zeker van dat velen van u niet licht over deze en vele andere beslissingen gaan. Dat is eerlijk gezegd de hoop die ik behoud in de politiek: dat wij ons geweten gebruiken. Dit is over mijn grens. En wat de beschimping over schijnmanoeuvres van daarnet betreft, men mag proberen me te verwijten dat het me om partijfinanciering te doen is. Check mijn uiteenzettingen maar, mijn overtuigingen en stemgedrag, ik heb meer voor de verandering van de partijfinanciering gestemd dan de personen die mij dat verwijt maakten. Maar ik kan een trucje met de Grondwet niet proper noemen. De Grondwet is geen instrument voor een lenteschoonmaak. Ik kan dat niet goedkeuren en ik kan ook de amendementen die erop zijn ingediend, niet goedkeuren. Dit is oneigenlijk gebruik van artikel 195. Ik wil de eed die ik heb afgelegd, gestand doen en de Grondwet respecteren. Het spekken van partijkassen, dat motiveert mij niet. Verre van. Maar de realiteit van vandaag motiveert me wel extra. We leven in een tijd waarin het internationaal recht en de mensenrechten dagelijks fundamenteel op de helling worden gezet. Een tijd van geopolitieke instabiliteit, na zovele jaren van vrede. Beseffen we nog wel wat een enorme rijkdom en luxe we hebben veroverd dankzij wetten en verdragen? Dat geeft een extra en veel te actuele zwaarte en urgentie aan deze stem voor mij. Ook omdat we onlangs nog in een rapport over België van onze Europese democratische waakhonden lazen dat ook in België de democratie erop achteruitgaat. Dit is een tijd waarin ik oprecht en diepgaand overtuigd ben dat wij de liberale democratie hoog moeten houden en de Grondwet is een van de belangrijkste bakens daarin die ik diep respecteer en getrouw wil zijn. Daarom zal ik tegen dit oneigenlijk gebruik van artikel 195 stemmen. |
D’une manière générale, la défense des petites Communautés, mais aussi la concertation entre les Communautés et les Régions à partir de l’organe législatif – plutôt que de laisser aux seuls gouvernements le soin de se concerter, de régler toutes sortes de choses ou de tout bloquer –, constituent une préoccupation majeure que l’on néglige actuellement dans le débat public. Alors que le premier ministre a, tant dans la presse qu’en commission, donné certains gages à la Communauté germanophone, ceux‑ci font aujourd’hui totalement défaut pour les Bruxellois néerlandophones. Nous n’existons pas. Et lorsque j’ai posé la question en commission, le premier ministre, en tant que nationaliste flamand, a balayé de manière insultante cette préoccupation des Bruxellois néerlandophones. Je me sens personnellement appelée à évoquer brièvement le personnel du Sénat. Lors de débats comme celui‑ci, je pense à ces personnes, souvent très discrètes, riches d’une très longue expérience des matières institutionnelles et douées d’un grand sens de l’analyse politique, avec lesquelles j’ai eu le plaisir d’échanger des idées. L’instrument qui a le plus de poids au Sénat est encore le rapport d’information. J’ai moi‑même été l’instigatrice et la rapporteuse du rapport d’information concernant le droit à l’autodétermination corporelle et la lutte contre les violences obstétricales. Un collègue a parlé tout à l’heure, à tort, de « volumineux rapports que personne ne lit ». Le rapport sur les violences obstétricales et l’autodétermination corporelle, que ce collègue et son parti extrémiste n’ont pas voté – nous rappelant une fois de plus ce que ce parti pense de la souffrance, de l’autodétermination et des droits des femmes –, a eu un impact considérable dans les scandales récents. Au moment où des femmes se sont manifestées pour raconter qu’elles avaient été violées il y a des décennies et où le Vlaams Meldpunt a dû ouvrir deux lignes d’appel supplémentaires, les recommandations étaient déjà prêtes ici, au terme de trois années d’auditions approfondies et d’un important travail collégial. Ces recommandations sont aujourd’hui prises en compte, et c’est notamment dans le cadre de cette collaboration intensive, mais aussi grâce à plusieurs collaborations internationales, que j’ai pu apprécier le professionnalisme des services du Sénat. Ces personnes vivent depuis des années dans l’incertitude et le stress, et j’espère sincèrement qu’elles trouveront leur juste place et le respect qu’elles méritent. Je tiens à le préciser, car je comprends que certains collègues soulèvent ces préoccupations, qui sont bien réelles. Il y en a encore d’autres, que j’ai d’ailleurs évoquées en commission, car il n’y a pas encore d’accord définitif. J’en arrive maintenant au point central de mon argumentation : le vote sur la suppression du Sénat n’est pas à l’ordre du jour de notre séance plénière. Ce qui est en jeu dans le vote de ce jour, malgré les discussions sur l’histoire et la disparition annoncée du Sénat, c’est le recours abusif à l’article 195 de la Constitution. Cet article définit la manière dont notre Constitution est modifiée, et ce n’est pas un hasard si les constitutionnalistes le qualifient parfois, à juste titre selon moi, d’article le plus important de notre Constitution. La procédure de modification de notre Constitution n’est pas une procédure anodine. Les constituants en ont délibérément décidé ainsi à l’époque. Ils voulaient éviter que l’on fasse n’importe quoi avec la Constitution. Ils ont même couplé les élections à la modification de la Constitution afin de consacrer celle‑ci comme le document le plus important de notre démocratie et de notre législation. C’est la raison pour laquelle les articles visés doivent être ouverts à révision par un parlement au cours d’une législature, et modifiés seulement lors de la législature suivante par le nouveau parlement. Cette procédure n’est pas si mal pensée : elle nous protège de l’arbitraire, en faisant en sorte qu’un parlement ne puisse pas modifier la Constitution de son propre chef ni modifier ou supprimer comme bon lui semble nos droits et devoirs les plus importants. L’on pourrait ouvrir l’article 195 à révision afin de modifier la disposition elle‑même, car des améliorations sont toujours possibles. On pourrait adapter la procédure : une lacune évidente concerne par exemple la manière de traiter les abstentions lors de ce vote, comme c’est d’ailleurs le cas pour la plupart des votes parlementaires. Mais ce n’est pas la raison pour laquelle l’article 195 a été ouvert à révision, et tel n’est pas non plus l’objet du vote de ce jour. Si l’on invoque aujourd’hui l’article 195, ce n’est pas pour modifier la procédure, et encore moins pour l’améliorer, mais pour mettre entre parenthèses la procédure de révision de la Constitution. Ce qui est en jeu, c’est la disposition transitoire que d’aucuns ont invoquée. La procédure de modification a été déclarée ouverte à révision, de sorte que, pour un temps, il n’est pas nécessaire de suivre la procédure proprement dite. On met donc en place un raccourci qui permet à un parlement de modifier la Constitution au cours d’une législature donnée, en dehors des sentiers battus de la procédure. Une fois l’article 195 ouvert à révision, tout est possible. Tout peut être modifié sans restriction dans la Constitution à la majorité des deux tiers. Il n’y a plus de garde‑fou, et je ne m’étonne donc pas de voir les extrémistes sourire. La procédure de modification de la Constitution est donc suspendue, et c’est la deuxième fois que l’on recourt à ce stratagème. À l’époque, le pays traversait une profonde crise politique et l’on avait promis de ne plus jamais procéder de la sorte. Je comprends pourquoi cette promesse a été faite. Dans le programme de mon parti aussi, on peut lire que nous sommes opposés à l’utilisation abusive de l’article 195. Le vice‑premier ministre l’avait d’ailleurs rappelé sous la législature précédente. Car si elle ne constitue pas une violation flagrante de la loi, cette pratique va néanmoins clairement à l’encontre de la Constitution et de l’intention des constituants. Cela n’allait plus jamais se reproduire. Et pourtant, l’histoire se répète, malgré les mises en garde des constitutionnalistes. L’application moins rigoureuse de la Constitution devient peu à peu une habitude. Des spécialistes de la Constitution ont publié d’innombrables tribunes à ce sujet pour dénoncer ce terrain glissant indéniable. À la fin de la législature précédente, lorsque l’article 195 a été déclaré ouvert à révision précisément pour permettre le recours à ce stratagème, j’avais indiqué que je ne voterais pas en faveur de cette ouverture si l’intention n’était pas de modifier l’article 195 proprement dit, mais uniquement de contourner la procédure de révision de la Constitution. Or, l’ouverture de cet article est maintenant mise à profit, au cours de cette même législature, pour le vote qui nous occupe. Mon vote de tout à l’heure sera donc logique et cohérent. À titre de comparaison, l’article 196 dispose que la Constitution ne peut être modifiée en temps de guerre ou d’occupation. Chacun comprend que cela nous protège des dérives antidémocratiques. Imaginons qu’en temps d’occupation par une puissance étrangère, l’article 196 soit déclaré ouvert à révision non pas pour le modifier, mais pour permettre malgré tout une révision de la Constitution, y compris en temps de guerre. Ce ne serait peut‑être pas une violation flagrante de la loi, mais pour moi, ce serait contraire à la Constitution. Car dans le cas qui nous occupe, à quoi sert concrètement l’ouverture à révision de l’article 195 ? Au cours de la législature précédente, plusieurs articles de la Constitution mentionnant le Sénat n’ont pas été déclarés ouverts à révision. Il semble que ce fut une exigence dictée par l’un des partis de la coalition. Autrement dit, si nous votons la suppression du Sénat lors de cette législature, le mot sénat ne disparaîtra pas de ces articles. C’est pour cela que nous recourons à l’article 195, pour pouvoir modifier ces articles dès maintenant. Quoi de plus logique que de se demander au minimum s’il faut dès maintenant recourir à ce stratagème pour pouvoir supprimer le Sénat. J’ai posé explicitement la question à des constitutionnalistes, qui m’ont indiqué que l’on pouvait parfaitement laisser ces articles en l’état. Nous pouvons voter la suppression du Sénat et déclarer ces articles ouverts à révision en fin de la législature. Nous pouvons convoquer des élections et laisser l’assemblée constituante suivante modifier ces articles. Ils ont même indiqué que ce ne serait pas dramatique de ne pas modifier ces articles. Notre Constitution est en effet truffée, comme l’un d’eux l’a joliment formulé, de « traces du passé ». Des reliquats de révisions antérieures y sont omniprésents, sans que cela nous gêne. Ce n’est d’ailleurs pas propre à notre Constitution : la Constitution néerlandaise, par exemple, comporte toujours un article entier consacré à sa modification en cas de régence – ce qui est tout à fait anachronique –, mais personne ne s’en émeut. Le choix que nous faisons aujourd’hui n’a donc rien d’inéluctable ni de nécessaire, pas même pour supprimer le Sénat. Le vote de ce jour porte sur la manière de faire les choses correctement, et chacun doit fixer les limites de sa conscience. Je suis convaincue que beaucoup d’entre vous ne prendront pas cette décision, ni bien d’autres, à la légère. Pour être franche, c’est l’espoir que je garde en politique : que nous agissions dans les limites de notre conscience. Pour moi, elles sont franchies. Quant aux allégations formulées tout à l’heure quant à de prétendues manœuvres de façade, on peut bien tenter de m’accuser de ne me soucier que du financement des partis. Il suffit pourtant de vérifier mes interventions, mes convictions et mon comportement de vote : j’ai plus souvent voté en faveur d’une réforme du financement des partis que celles et ceux qui m’ont adressé ce reproche. Mais je ne peux qualifier de légitime le stratagème utilisé pour modifier la Constitution. La Constitution n’est pas un texte que l’on peut toiletter à sa guise. Je ne peux pas l’accepter, et je peux encore moins approuver les amendements déposés en ce sens. Il s’agit à mes yeux d’un usage inapproprié de l’article 195. Je veux être fidèle au serment que j’ai prêté et respecter la Constitution. Remplir les caisses des partis, cela ne me motive pas, bien au contraire. En revanche, la réalité actuelle me motive davantage. Nous vivons une époque où le droit international et les droits humains sont chaque jour bafoués, une époque d’instabilité géopolitique, après tant d’années de paix. Mesurons‑nous encore la richesse et le confort immenses que nous avons conquis grâce aux lois et aux traités ? Pour moi, cela confère à ce vote une gravité et une urgence supplémentaires, tristement d’actualité, d’autant que nous avons récemment lu, dans un rapport que nos vigies démocratiques européennes ont consacré à la Belgique, que la démocratie recule aussi dans notre pays. En cette période, je suis sincèrement et profondément convaincue que nous devons défendre la démocratie libérale, et la Constitution est l’un des repères essentiels de cet édifice, que je respecte profondément et auquel je souhaite rester fidèle. C’est pourquoi je voterai contre cet usage inapproprié de l’article 195. |
|
|||
|
De voorzitter. – Door de heer Slootmans c.s. werden amendementen ingediend (amendementen nr. 1 tot 3, zie Doc. 8‑127/6). Het woord is aan de heer Slootmans. |
M. le président. – M. Slootmans et consorts ont déposé des amendements (amendements nos 1 à 3, voir Doc. 8‑127/6). La parole est à M. Slootmans. |
|
|||
|
De heer Klaas Slootmans (Vlaams Belang). – We hernemen inderdaad drie fundamentele amendementen. Met amendement nr. 1 willen wij de volgens ons antidemocratische regel uit de weg ruimen van de bijzondere wetten die vandaag pas kunnen worden goedgekeurd indien daarvoor niet alleen een tweederdemeerderheid is, maar daarnaast ook een meerderheid in elke taalgroep. Daardoor is het moeilijker om een bijzondere wet te wijzigen dan de Grondwet zelf, wat uiteraard een extra grendel vormt op de parlementaire wil, de wil van het volk en op de emanatie van de democratie. Als morgen 100 van de 150 Kamerleden voor een wijziging van een bijzondere wet stemmen, maar slechts 30 of 40 % van de Franstaligen daarvoor stemt, dan komt die wijziging er niet, wat uiteraard een democratische aberratie is. Vandaar dienen wij dit amendement in, waarbij wij voorstellen om de procedure van artikel 195 voor herziening vatbaar te verklaren, zodat we vervolgens die procedure nog naar de prullenmand van de bijzondere wetten kunnen verwijzen. Wat amendement nr. 2 betreft, stellen we voor om bij grondwetswijziging en bijzondere wet de federale wetgevende macht toe te kennen aan een nieuwe grondwetgevende vergadering waarin zowel de federatie als de deelstaten afgevaardigd zijn, en de deelstaten ook hun constitutionele medezeggenschap, hun inspraak, hun participatie – zoals die vandaag ook bestaat – behouden, en die niet verliezen zoals het geval is in het voorliggende voorstel. Daarmee gaan wij ook in op de bezorgdheden van verschillende grondwetspecialisten en, naar wat ik heb begrepen, van een aantal meerderheidspartijen. Het sluit bovendien aan bij een eerder voorstel van cd&v van wie wij dan ook de volmondige steun verwachten. Met amendement nr. 3 willen we de veel te omslachtige procedure voor grondwetswijzingen – met een preconstituante, verkiezingen, en vervolgens een constituante – vereenvoudigen, zodat de grondwetgever op elk moment grondwetswijzigingen kan doorvoeren, wat in een volwassen democratie mogelijk zou moeten zijn. Die procedure dateert van 1831, een tijd waarin de adel en de burgerij wilden voorkomen dat er algemeen enkelvoudig stemrecht zou kunnen worden ingevoerd. Hiermee gaan we ook in op de oproep en bezorgdheid van verschillende constitutionalisten, onder wie professor Alen. In de parlementaire commissie belast met de Evaluatie van de Staatshervormingen uit de vorige legislatuur riep hij op om deze veel te logge en moeilijke procedure te wijzigen. |
M. Klaas Slootmans (Vlaams Belang). – Nous reprenons en effet trois amendements fondamentaux. Par l’amendement no 1, nous souhaitons supprimer la règle que nous jugeons antidémocratique, selon laquelle les lois spéciales ne peuvent aujourd’hui être adoptées que si elles recueillent non seulement une majorité des deux tiers, mais également une majorité au sein de chaque groupe linguistique. Il est ainsi plus difficile de modifier une loi spéciale que la Constitution elle‑même, ce qui constitue évidemment un frein supplémentaire à la volonté parlementaire, à la volonté du peuple et à l’expression de la démocratie. Si demain, 100 des 150 députés votent en faveur de la modification d’une loi spéciale, mais que 30 ou 40 % seulement des francophones votent pour, cette modification ne verra pas le jour, ce qui est évidemment une aberration sur le plan démocratique. C’est pourquoi nous déposons cet amendement, par lequel nous proposons de déclarer la procédure de l’article 195 ouverte à révision, afin de pouvoir ensuite la reléguer à la poubelle des lois spéciales. En ce qui concerne l’amendement no 2, nous proposons que, lors d’une modification de la Constitution et d’une loi spéciale, le pouvoir législatif fédéral soit confié à une nouvelle assemblée constituante au sein de laquelle tant la fédération que les entités fédérées sont représentées, et au sein de laquelle les entités fédérées conservent également leur droit de regard constitutionnel et leur mot à dire – tels qu’ils existent aujourd’hui – et n’en soient pas privées, comme c’est le cas dans la présente proposition. Nous répondons ainsi aux préoccupations de plusieurs constitutionnalistes et de certains partis de la majorité. Cela s’inscrit en outre dans la lignée d’une proposition antérieure du cd&v, dont nous attendons dès lors un plein soutien. Avec l’amendement no 3, nous souhaitons simplifier la procédure beaucoup trop lourde de révision de la Constitution – avec un préconstituant, des élections, puis un constituant –, afin que le constituant puisse procéder à tout moment à une révision de la Constitution, ce qui devrait être possible dans une démocratie adulte. Cette procédure remonte à 1831, à une époque où la noblesse et la bourgeoisie voulaient empêcher l’instauration du suffrage universel pur et simple. Nous répondons ainsi également à l’appel et aux préoccupations de plusieurs constitutionnalistes, dont le professeur Alen. Au sein de la commission parlementaire chargée de l’Évaluation des Réformes de l’État lors de la législature précédente, celui‑ci avait appelé à modifier cette procédure beaucoup trop lourde et complexe. |
|
|||
|
De voorzitter. – Mevrouw Scholzen heeft een amendement ingediend (amendement nr. 4, zie Doc. 8‑127/6). Het woord is aan mevrouw Scholzen. |
M. le président. – Mme Scholzen a déposé un amendement (amendement no 4, voir Doc. 8‑127/6). La parole est à Mme Scholzen. |
|
|||
|
Mevrouw Liesa Scholzen (MR). – Ik heb reeds ruimschoots de gelegenheid gehad om mijn standpunt toe te lichten. Het betreft dus het voor herziening vatbaar verklaren van de artikelen 63 en 62, tweede lid, van de Grondwet, waardoor wij op zijn minst een debat kunnen voeren over de voormelde kieskring. |
Mme Liesa Scholzen (MR). – J’ai déjà eu l’occasion d’exposer suffisamment mon point de vue. Il s’agit donc de l’ouverture à révision des articles 63 et 62, alinéa 2, de la Constitution, qui nous permettrait d’avoir au moins une discussion sur cette circonscription électorale dont je viens de parler. |
|
|||
|
De voorzitter. – Mevrouw Bernard en de heer Cocciolo hebben een amendement ingediend (amendement nr. 5, zie Doc. 8‑127/6). Het woord is aan mevrouw Bernard. |
M. le président. – Mme Bernard et M. Cocciolo ont déposé un amendement (amendement no 5, voir Doc. 8‑127/6). La parole est à Mme Bernard. |
|
|||
|
Mevrouw Alice Bernard (PVDA‑PTB). – Zoals ik daarnet heb uitgelegd, willen wij met ons amendement artikel 63 voor herziening vatbaar verklaren teneinde één enkele federale kieskring op te richten, waardoor een deel van de 150 volksvertegenwoordigers vanuit het hele nationale grondgebied verkozen kunnen worden. |
Mme Alice Bernard (PVDA‑PTB). – Comme je l’ai expliqué lors de ma prise de parole tout à l’heure, notre amendement vise à ouvrir l’article 63 à révision, de sorte que l’on puisse créer une circonscription électorale fédérale unique, où pourraient être élus une partie des 150 députés au départ de l’ensemble du territoire national. |
|
|||
|
– De bespreking is gesloten. |
– La discussion est close. |
|
|||
|
– De stemming over de amendementen en over het enig artikel heeft later plaats. |
– Il sera procédé ultérieurement au vote sur les amendements et sur l’article unique. |
|
|||
Herziening van artikel 195 van de Grondwet (Verklaring van de wetgevende macht, zie Belgisch Staatsblad nr. 111 van 27 mei 2024) |
|
||||
Voorstel tot herziening van artikel 195 van de Grondwet met het oog op de toevoeging van een overgangsbepaling strekkende tot wijziging van artikel 63 van de Grondwet met betrekking tot de zetelverdeling van de Kamer van volksvertegenwoordigers (van de heren Klaas Slootmans, Yves Buysse, Bob De Brabandere, Johan Deckmyn en Kristof Slagmulder, mevrouw Anke Van dermeersch en de heren Wim Verheyden en Hans Verreyt; Doc. 8‑103) |
|
||||
Bespreking |
|
||||
|
De voorzitter. – Dit voorstel werd, met toepassing van artikel 56.2, derde lid, van het Reglement, op verzoek van de indiener op de agenda van de plenaire vergadering geplaatst. |
M. le président. – Cette proposition a été inscrite à l’ordre du jour de la séance plénière à la demande de l’auteur, en application de l’article 56.2, troisième alinéa, du Règlement. |
|
|||
|
Onze vergadering moet zich na de algemene bespreking uitspreken over de vraag of de bespreking wordt verdergezet. Indien de vergadering beslist dat er geen reden is om de bespreking voort te zetten, geldt die beslissing als een verwerping van het voorstel. |
Notre assemblée doit se prononcer après la discussion générale sur la question de savoir s’il est procédé à la suite de la discussion. Si l’assemblée décide qu’il n’y a pas lieu de poursuivre la discussion, cette décision vaut rejet de la proposition. |
|
|||
|
De rapporteurs, de heren Deckmyn en Coel, verwijzen naar het schriftelijk verslag. |
Les rapporteurs, MM. Deckmyn et Coel, se réfèrent au rapport écrit. |
|
|||
|
De heer Klaas Slootmans (Vlaams Belang). – Dit voorstel doet eigenlijk niet meer dan, zoals al aangegeven, artikel 63 van de Grondwet, dat de zetelverdeling in de Kamer betreft, toe te voegen aan de overgangsbepaling van artikel 195, aangezien het door de preconstituante niet voor herziening vatbaar is verklaard. We doen dit voorstel omdat de zetels in de Kamer vandaag niet verdeeld zijn op basis van het aantal kiezers per kieskring en zelfs niet op basis van het aantal uitgebrachte stemmen, maar wel op basis van het aantal inwoners, los van het feit of zij Belgen zijn of minder- of meerderjarigen. Alle inwoners tellen dus wel mee voor de berekening van de extra zetels, ook degenen die niet mogen stemmen. Het is ons inziens evident dat dit vanuit democratisch oogpunt niet meer te verantwoorden is, omdat het frontaal botst met de evenredige vertegenwoordiging en het democratische basisprincipe van one man, one vote. Daarenboven is het duidelijk in strijd met het gelijkheidsbeginsel, want niet elke stem weegt even zwaar door. Een concreet voorbeeld. Les Engagés haalde bij de federale verkiezingen van 9 juni 2024 473 000 stemmen, terwijl zusterpartij cd&v 557 000 stemmen haalde, 84 000 meer. Toch kreeg Les Engagés 14 zetels en cd&v maar 11, drie zetels minder. Hetzelfde zien we gebeuren bij PS en Vooruit. Vooruit haalde 566 000 stemmen en kreeg daarvoor 13 zetels. De PS haalde 5 000 stemmen minder, 561 000, maar kreeg wel drie zetels meer in de Kamer. Gemiddeld zijn er 38 000 stemmen nodig voor een Waalse zetel in de Kamer en 49 000 voor een Vlaamse zetel, een discrepantie van niet minder dan 30 %. De stem van een Vlaamse kiezer weegt met andere woorden aanzienlijk minder dan de stem van een Franstalige kiezer. Het lijkt ons evident dat zoiets niet langer verdedigbaar is, noch vanuit het oogpunt van de juridische gelijkheid, noch vanuit het oogpunt van het democratische gegeven en zeker niet vanuit Vlaams oogpunt. Vandaar ons voorstel om deze gebetonneerde ongelijkheid eindelijk te corrigeren door het bewuste grondwetsartikel toe te voegen aan de overgangsbepaling van artikel 195. |
M. Klaas Slootmans (Vlaams Belang). – Cette proposition se limite en réalité à ajouter l’article 63 de la Constitution relatif à la répartition des sièges à la Chambre à la disposition transitoire de l’article 195, le préconstituant ne l’ayant pas déclaré ouvert à révision. Si nous faisons cette proposition, c’est parce qu’aujourd’hui, les sièges à la Chambre sont répartis non pas sur la base du nombre d’électeurs par circonscription électorale, ni même du nombre de suffrages exprimés, mais bien sur la base du nombre d’habitants, qu’ils soient Belges, mineurs ou majeurs. Tous les habitants sont donc pris en compte pour le calcul des sièges supplémentaires, y compris ceux qui ne peuvent pas voter. Cela n’est évidemment plus justifiable du point de vue démocratique, car cela est contraire à la représentation proportionnelle, au principe démocratique fondamental « un homme, une voix », mais aussi au principe d’égalité, qui veut que toutes les voix aient le même poids. Voici un exemple concret. Lors des élections fédérales du 9 juin 2024, Les Engagés ont récolté 473 000 voix alors que leur parti frère, le cd&v, en a recueilli 557 000, soit 84 000 de plus. Or, Les Engagés ont obtenu 14 sièges contre 11 seulement pour le cd&v, soit trois sièges de moins. On observe le même phénomène pour le PS et Vooruit : avec 566 000 voix, Vooruit a obtenu 13 sièges alors que le PS, avec 561 000 voix, soit 5 000 de moins que Vooruit, a obtenu trois sièges de plus à la Chambre. À la Chambre, il faut, en moyenne, 38 000 voix pour décrocher un siège côté wallon contre 49 000 voix côté flamand, soit un écart de pas moins de 30 %. Le vote d’un électeur flamand a donc nettement moins de poids que celui d’un électeur francophone. Cette situation n’est évidemment plus défendable, ni du point de vue de l’égalité juridique, ni du point de vue démocratique, et certainement pas du point de vue flamand. C’est pourquoi nous proposons de corriger cette inégalité bétonnée en ajoutant l’article en question de la Constitution à la disposition transitoire de l’article 195. |
|
|||
|
– De bespreking is gesloten. |
– La discussion est close. |
|
|||
|
De voorzitter. – Wij gaan over tot een stemming bij zitten en opstaan over de vraag of de vergadering de bespreking wenst verder te zetten. |
M. le président. – Nous procédons donc à un vote par assis et levé sur la question de savoir si l’assemblée souhaite poursuivre la discussion. |
|
|||
|
– De vergadering beslist bij zitten en opstaan dat de bespreking niet wordt verdergezet. Bijgevolg is het voorstel tot herziening verworpen. |
– L’assemblée décide par assis et levé qu’elle ne procède pas à la suite de la discussion. Par conséquent, la proposition de révision est rejetée. |
|
|||
Herziening van artikel 195 van de Grondwet (Verklaring van de wetgevende macht, zie Belgisch Staatsblad nr. 111 van 27 mei 2024) |
|
||||
Voorstel tot herziening van artikel 195 van de Grondwet met het oog op de opheffing van artikel 157bis van de Grondwet (van de heren Klaas Slootmans, Yves Buysse en Johan Deckmyn, mevrouw Anke Van dermeersch en de heren Bob De Brabandere, Wim Verheyden, Hans Verreyt en Kristof Slagmulder; Doc. 8‑105) |
|
||||
Bespreking |
|
||||
|
De voorzitter. – Dit voorstel werd, met toepassing van artikel 56.2, derde lid, van het Reglement, op verzoek van de indiener op de agenda van de plenaire vergadering geplaatst. |
M. le président. – Cette proposition a été inscrite à l’ordre du jour de la séance plénière à la demande de l’auteur, en application de l’article 56.2, troisième alinéa, du Règlement. |
|
|||
|
Onze vergadering moet zich na de algemene bespreking uitspreken over de vraag of de bespreking wordt verdergezet. Indien de vergadering beslist dat er geen reden is om de bespreking voort te zetten, geldt die beslissing als een verwerping van het voorstel. |
Notre assemblée doit se prononcer après la discussion générale sur la question de savoir s’il est procédé à la suite de la discussion. Si l’assemblée décide qu’il n’y a pas lieu de poursuivre la discussion, cette décision vaut rejet de la proposition. |
|
|||
|
De rapporteurs, de heren Deckmyn en Coel, verwijzen naar het schriftelijk verslag. |
Les rapporteurs, MM. Deckmyn et Coel, se réfèrent au rapport écrit. |
|
|||
|
De heer Klaas Slootmans (Vlaams Belang). – Dit laatste voorstel heeft tot doel een pijnlijke lacune uit het verleden weg te werken. Vandaag staat de tweetalige constructie van het gerechtelijk arrondissement Brussel‑Halle‑Vilvoorde grondwettelijk in steen gebeiteld door de betonnering van artikel 157bis, ook al botst die constructie frontaal met het territorialiteitsbeginsel zoals dat bepaald is in artikel 4 van de Grondwet. Halle‑Vilvoorde is daardoor de enige regio in Vlaanderen die geen volwaardige rechtbank heeft. Bovendien geldt door de betonnering van artikel 157bis het principe van eentalige rechtsbedeling, zoals dat elders in het land wel bestaat, niet in mijn regio Halle‑Vilvoorde. Mocht dat allemaal vlot verlopen, dan zouden we daar de schouders bij kunnen ophalen, maar dat is natuurlijk niet het geval. Het zorgt voor rechtsongelijkheid, het zorgt voor rechtsmisbruik en het zorgt voor complete straffeloosheid. Het biedt daders immers de mogelijkheid om aan taalshopping te doen. Ter zitting in een rechtbank, nadat de onderzoeksdaden al gesteld zijn, kunnen ze een taalwijzigingsverzoek indienen. Het onderzoek verhuist dan naar een Franstalige rechter, waarna het dossier opnieuw moet worden ingeleid. Vervolgens moet een nieuwe onderzoeksrechter worden aangesteld, die dan opnieuw onderzoeksdaden moet stellen. Daarna moeten nieuwe Franstalige korpsen worden aangewezen die opnieuw onderzoeksdaden moeten stellen, terwijl de feiten vaak niet eens in hun zone hebben plaatsgevonden. Iedereen beseft dat dit een onhoudbare situatie is. Voormalig procureur des Konings, vandaag drugscommissaris, Ine Van Wymersch heeft daar in het verleden een moedige maar vruchteloze strijd tegen gevoerd. Ook voormalig minister van Justitie Koen Geens, huidig Vlaams minister‑president Diependaele en eerder ook minister Weyts hebben al meermaals expliciet gepleit voor de opheffing van deze achterhaalde regeling die gebetonneerd staat in dat fameuze artikel 157bis. Ook defensieminister Theo Francken verklaarde op 25 april 2024 het volgende: “Het moet gedaan zijn met de stiefmoederlijke behandeling vanuit Brussel voor Vlaams‑Brabant. Het is tijd voor een eigen rechtbank, zoals dat in alle andere delen van Vlaanderen het geval is.” Ook huidig Vlaams minister van Vooruit, Hans Bonte, toen nog in zijn rol als burgemeester van Vilvoorde, pleitte voor het ongedaan maken van deze grondwettelijke anomalie die, en ik citeer hem, “au fond alleen maar in het voordeel werkt van criminelen”. Het enige wat het voorliggende voorstel doet, is het mogelijk maken om deze historische vergissing, deze anomalie, eindelijk recht te zetten door artikel 157bis toe te voegen aan de overgangsbepaling van artikel 195. Gezien de ingenomen standpunten ter zake van de verschillende Vlaamse partijen, die ik heb aangehaald, reken ik op de brede steun van deze vergadering. |
M. Klaas Slootmans (Vlaams Belang). – Cette dernière proposition vise à combler une lacune douloureuse, héritée du passé. Actuellement, la structure bilingue de l’arrondissement judiciaire de Bruxelles‑Hal‑Vilvorde est effectivement gravée dans le marbre par l’article 157bis de la Constitution, bien que cette structure soit en contradiction flagrante avec le principe de territorialité tel que défini à l’article 4 de la Constitution. La région de Hal‑Vilvorde est donc la seule de Flandre à ne pas disposer d’un tribunal à part entière. En outre, comme l’article 157bis de la Constitution est bétonné, le principe de l’administration unilingue de la justice, tel qu’il s’applique ailleurs dans le pays, ne s’applique pas à Hal‑Vilvorde. Si tout cela se passait sans heurts, on pourrait encore ne pas s’en indigner, mais ce n’est bien sûr pas le cas. Cette situation entraîne une inégalité juridique, un abus de droit et une impunité totale. En effet, la situation actuelle offre aux auteurs d’infractions la possibilité de faire du « shopping linguistique », c’est‑à‑dire de demander, lors d’une audience devant un tribunal, alors que des actes d’instruction ont déjà été accomplis, un changement de langue, ce qui provoque le transfert de l’enquête vers un juge francophone. Ce dossier doit alors être réintroduit et un nouveau juge d’instruction doit être désigné, qui mènera de nouvelles investigations. Les corps francophones devront ensuite accomplir de nouveaux actes d’instruction, alors que les faits n’ont généralement pas été commis dans leur zone de police. Tout le monde est conscient que cette situation est intenable. Jadis, l’ancienne procureure du Roi Ine Van Wymersch s’est également battue héroïquement pour dénoncer cette situation, mais en vain. L’ancien ministre de la Justice Koen Geens et, plus récemment, le ministre‑président Diependaele et le ministre Weyts du gouvernement flamand ont également plaidé à plusieurs reprises en faveur de la suppression de cette réglementation obsolète, bétonnée dans ce fameux article 157bis. L’actuel ministre de la Défense, Theo Francken, s’est aussi exprimé sur le sujet le 25 avril 2024 : « Il faut mettre fin au traitement injuste du Brabant flamand opéré depuis Bruxelles. Il est temps de doter cette région de son propre tribunal, comme c’est le cas dans toutes les autres parties de la Flandre ». (traduction). Hans Bonte, le ministre Vooruit au sein du gouvernement flamand, a plaidé aussi, alors qu’il était encore bourgmestre de Vilvorde, en faveur de la suppression de cette anomalie constitutionnelle qui « au fond, ne profite qu’aux criminels », selon ses propres termes. La seule chose que fait la présente proposition est de permettre potentiellement de corriger enfin cette erreur historique en ajoutant également l’article 157bis de la Constitution à la disposition transitoire proposée à l’article 195 de la Constitution. Au vu des positions prises en la matière par les différents partis flamands, je compte sur le large soutien de cette assemblée. |
|
|||
|
– De bespreking is gesloten. |
– La discussion est close. |
|
|||
|
De voorzitter. – Wij gaan over tot een stemming bij zitten en opstaan over de vraag of de vergadering de bespreking wenst verder te zetten. |
M. le président. – Nous procédons donc à un vote par assis et levé sur la question de savoir si l’assemblée souhaite poursuivre la discussion. |
|
|||
|
– De vergadering beslist bij zitten en opstaan dat de bespreking niet wordt verdergezet. Bijgevolg is het voorstel tot herziening verworpen. |
– L’assemblée décide par assis et levé qu’elle ne procède pas à la suite de la discussion. Par conséquent, la proposition de révision est rejetée. |
|
|||
Voorstel van bijzondere wet tot wijziging van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (van de heren Karl Vanlouwe en Gaëtan Van Goidsenhoven, mevrouw Anne‑Catherine Goffinet, de heren Kris Verduyckt en Benjamin Dalle en mevrouw Stephanie D’Hose; Doc. 8‑148) |
|
||||
Algemene bespreking |
|
||||
|
Mevrouw Griet Vanryckegem (N‑VA), rapporteur. – Namens de Commissie voor de Institutionele Aangelegenheden heb ik de eer verslag uit te brengen over het voorstel van bijzondere wet tot wijziging van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen. Dit voorstel werd ingediend op 25 september 2025 door de heer Karl Vanlouwe en zijn mede‑indieners. Op 4 december werd op verzoek van de voorzitter een advies van de Raad van State uitgebracht. Het voorstel werd in de commissie besproken op 30 maart 2026. Tijdens de algemene bespreking gaf de heer Karl Vanlouwe aan dat het voorstel strekt tot een meer evenwichtige participatie van de deelstaten zonder afbreuk te doen aan het consensuele karakter van de besluitvorming. Hij benadrukte ook dat indien de Senaat wordt afgeschaft, de betrokken wetgeving noodzakelijk moet worden aangepast. Ten eerste beoogt het een hervorming van de samenstelling van het Overlegcomité met het oog op een evenwichtiger vertegenwoordiging van de verschillende deelstaten. Daarbij wordt voorzien dat zowel het Vlaams Gewest, het Waals Gewest, de Vlaamse Gemeenschap als de Franse Gemeenschap elk twee vertegenwoordigers kunnen afvaardigen naar het Overlegcomité, ongeacht of de instellingen van bepaalde entiteiten gefusioneerd zijn, zoals in Vlaanderen. Ten tweede regelt het voorstel de behandeling van belangenconflicten in het licht van de geplande afschaffing van de Senaat. Aangezien de Senaat vandaag nog een rol speelt in deze procedure – in de vorm van een gemotiveerd advies binnen de dertig dagen – wordt voorgesteld om deze rol te schrappen en de behandeling volledig toe te vertrouwen aan het Overlegcomité, met een verlenging van de termijn van dertig naar zestig dagen. In de commissie werd erkend dat het voorstel een evenwichtiger participatie nastreeft, maar uitte men wel kritiek op het behoud van de pariteit binnen het Overlegcomité. Ook werd het belangenconflict als mogelijk blokkeringsmechanisme aangehaald. Daarnaast werd erkend dat het Overlegcomité in de praktijk is uitgegroeid tot het centrale forum voor overleg en besluitvorming tussen de deelstaten, een rol die de Senaat niet heeft kunnen opnemen. Een evenwichtiger vertegenwoordiging van de deelstaten en de federale cohesie werden gegeven als argumenten om het voorstel te steunen. Tegelijk werd ook gepleit voor bijkomende inspanningen om de werking van het Overlegcomité transparanter en begrijpelijker te maken. Er werd ook gewezen op de volgende twee bijkomende elementen, namelijk dat de Duitstalige Gemeenschap alleen een consensus kan tegenhouden wanneer zij rechtstreeks betrokken is bij een belangenconflict. Hierdoor is er het risico op meer blokkeringen. Daarnaast gaf men ook aan rekening te houden met de beperkingen van de Brusselse regeringsleden om besluiten te blokkeren. Er werd ook gesteld dat de voorgestelde regeling ertoe leidt dat geen enkel parlement nog betrokken zal zijn bij de behandeling van belangenconflicten en dat deze bevoegdheid voortaan uitsluitend bij de uitvoerende macht komt te liggen. Tot slot werd ook benadrukt dat de hervorming noodzakelijk is in het licht van de afschaffing van de Senaat en dat er nog enkele niet volledig uitgeklaarde constitutionele aspecten zijn. Er werd ook opnieuw gewezen op het wegvallen van de parlementaire controle en geargumenteerd dat de Duitstalige Gemeenschap niet op gelijke voet staat met de andere deelstaten. In een afsluitende repliek werd erop gewezen dat de rol van de Senaat bij afhandeling van belangenconflicten in de praktijk nooit tot een oplossing heeft geleid. Als uitvoerend orgaan is het Overlegcomité mogelijk beter in staat om dit wel te doen. Bij afschaffing van de Senaat zal de betrokken wetgeving bovendien noodzakelijkerwijs moeten worden aangepast. Vervolgens was er in de commissie de artikelsgewijze bespreking met verschillende amendementen. Artikel 1 werd zonder verdere bespreking aangenomen. Bij artikel 2 werden verschillende amendementen ingediend. Eén amendement had als doel de samenstelling te herstructureren volgens de demografische verhouding Nederlandstaligen en Franstaligen. Dit amendement werd verworpen. Amendement 6, dat aanpassingen had met betrekking tot wetgevingstechnische opmerkingen, werd aangenomen. Bij zowel artikel 3 als artikel 4 werden amendementen aangenomen die tegemoetkwamen aan wetgevingstechnische opmerkingen. Het geamendeerd voorstel van de bijzondere wet in zijn geheel werd aangenomen met twaalf stemmen voor, drie stemmen tegen en vijf onthoudingen. Beste collega’s, de commissie vraagt u dan ook om dit voorstel van bijzondere wet zoals geamendeerd goed te keuren. |
Mme Griet Vanryckegem (N‑VA), rapporteuse. – Au nom de la commission des Affaires institutionnelles, j’ai l’honneur de vous présenter le rapport sur la proposition de loi spéciale modifiant la loi ordinaire du 9 août 1980 de réformes institutionnelles, déposée le 25 septembre 2025 par M. Vanlouwe et consorts. Le 4 décembre, le Conseil d’État a rendu un avis, tel que demandé par le président, et le 30 mars 2026, la commission a examiné la proposition. Lors de la discussion générale, M. Karl Vanlouwe a indiqué que la proposition visait à garantir une participation plus équilibrée des entités fédérées sans porter atteinte au caractère consensuel du processus décisionnel. Il a souligné aussi que si le Sénat était supprimé, la législation concernée devrait nécessairement être adaptée. Premièrement, la proposition vise à réformer la composition du Comité de concertation afin d’assurer une représentation plus équilibrée des différentes entités. Il est prévu que tant la Région wallonne que la Région flamande, ainsi que la Communauté française et la Communauté flamande, puissent chacune déléguer deux représentants au Comité de concertation, et ce indépendamment d’une éventuelle fusion institutionnelle de certaines entités, comme c’est le cas en Flandre. Deuxièmement, la proposition règle la question du traitement des conflits d’intérêts à la lumière de la suppression prévue du Sénat. Étant donné qu’aujourd’hui, le Sénat joue encore un rôle dans cette procédure – en rendant un avis motivé dans les trente jours – il est proposé de supprimer ce rôle et de confier l’entière compétence du règlement des conflits au Comité de concertation, en portant le délai de trente à soixante jours. En commission, on a reconnu que la proposition tendait à garantir une participation plus équilibrée, mais on a formulé des critiques sur le maintien de la parité au sein du Comité de concertation. On a aussi parlé du conflit d’intérêts en tant que possible mécanisme de blocage. En outre, on a admis que, dans la pratique, le Comité de concertation était devenu le forum central pour la concertation et le processus décisionnel entre les entités fédérées, un rôle que le Sénat n’a pas pu assumer. Une représentation plus équilibrée des entités fédérées et la cohésion fédérale ont été avancées comme arguments en faveur de la proposition. On a demandé également que des efforts supplémentaires soient faits afin de rendre le fonctionnement du Comité de concertation plus transparent et plus compréhensible. On a rappelé aussi deux autres éléments. Premièrement, il y a le fait que la Communauté germanophone ne peut empêcher un consensus que lorsque le conflit d’intérêts la concerne directement, ce qui risque d’entraîner davantage de blocages. Deuxièmement, il y a les limitations relatives à la capacité des membres des exécutifs bruxellois à bloquer des décisions. On a fait remarquer que la réglementation proposée aura pour conséquence que plus aucun parlement ne sera impliqué dans le traitement des conflits d’intérêts et que cette compétence relèvera désormais exclusivement du pouvoir exécutif. Enfin, on a souligné que la réforme était nécessaire au vu de la suppression du Sénat et qu’il subsiste quelques aspects constitutionnels qui n’ont pas encore été totalement clarifiés. On a attiré de nouveau l’attention sur la suppression du contrôle parlementaire et sur le fait que la Communauté germanophone n’était pas sur un pied d’égalité avec les autres entités fédérées. Dans une réplique finale, on a fait observer que, dans la pratique, le rôle du Sénat dans le traitement des conflits d’intérêts n’avait jamais abouti à une solution. En tant qu’organe exécutif, le Comité de concertation est sans doute mieux à même de jouer ce rôle. Lors de la suppression du Sénat, il faudra nécessairement adapter la législation. La commission a procédé ensuite à la discussion des articles qui ont fait l’objet de plusieurs amendements. L’article 1er a été adopté sans autre discussion. L’article 2 a fait l’objet de plusieurs amendements. Un amendement visait à restructurer la composition en fonction de la proportion démographique entre néerlandophones et francophones. Cet amendement a été rejeté. L’amendement 6, qui visait à tenir compte d’observations de nature légistique, a été adopté. Les articles 3 et 4 ont fait l’objet d’amendements qui répondaient eux aussi à des observations de nature légistique et qui ont été adoptés. L’ensemble de la proposition de loi spéciale ainsi amendée a été adopté par 12 voix contre 3 et 5 abstentions. Chers collègues, la commission vous demande dès lors d’approuver la proposition de loi spéciale ainsi amendée. |
|
|||
|
De heer Karl Vanlouwe (N‑VA). – In lijn met de afschaffing van de Senaat beogen we met dit voorstel van bijzondere wet de samenstelling van het overleg te herzien, met het oog op een meer evenwichtige vertegenwoordiging van de verschillende deelstaten die deel uitmaken van de federale staatsstructuur. De hervorming heeft dus een evenwichtiger aanwezigheid binnen het Overlegcomité tot doel, met meer oog voor de gelijkwaardigheid van de verschillende deelstaten binnen het overlegmodel. Deze wijziging raakt niet aan de consensuele aard van de besluitvorming binnen het Overlegcomité. Het gaat hier dan ook om een versterking van de participatie, niet om een wijziging van de besluitvorming zelf. Daarnaast is er ook de bedoeling om een wijziging te brengen bij de behandeling van belangenconflicten. Tot op heden speelt de Senaat daar een rol in. Indien een motie tot indiening van een belangenconflict wordt aangenomen in een deelstaatparlement en het voorafgaand overleg tussen de diverse parlementen geen oplossing heeft gebracht, wordt dat naar de Senaat gestuurd. De Senaat kan hierover binnen de dertig dagen een gemotiveerd advies uitbrengen aan het Overlegcomité. Daaropvolgend beslist het Overlegcomité binnen de dertig dagen volgens de procedure van de consensus. Zodra de Senaat is afgeschaft, zal hij geen rol meer kunnen spelen in de procedure van belangenconflicten. Daarom wordt geopteerd om de procedure bij het Overlegcomité te verlengen van dertig naar zestig dagen. Net zoals het vorige stuk werd ook dit voorstel maandag in de commissie aangenomen en ik vraag dan ook samen met alle indieners om voor te stemmen. |
M. Karl Vanlouwe (N‑VA). – Dans le prolongement de la suppression du Sénat, cette proposition de loi spéciale vise à revoir la composition de l’instance de concertation, afin d’assurer une représentation plus équilibrée des différentes entités fédérées qui composent la structure de l’État fédéral. La réforme a donc pour objectif de garantir une présence plus équilibrée au sein du Comité de concertation, en accordant davantage d’importance à l’égalité des différentes entités fédérées dans le modèle de concertation. Cette modification ne remet pas en cause le caractère consensuel de la prise de décision au sein du Comité de concertation. Il s’agit donc d’un renforcement de la participation, et non d’une modification de la prise de décision elle‑même. Par ailleurs, il est également prévu d’adapter la procédure de traitement des conflits d’intérêts. Jusqu’à présent, le Sénat y joue un rôle : lorsqu’une motion visant à soulever un conflit d’intérêts est adoptée dans un parlement d’une entité fédérée et que la concertation préalable entre les différents parlements n’a pas permis de trouver une solution, le dossier est transmis au Sénat. Celui‑ci peut alors, dans un délai de trente jours, rendre un avis motivé au Comité de concertation, qui statue ensuite dans les trente jours, selon la procédure du consensus. Une fois le Sénat supprimé, il ne pourra plus intervenir dans cette procédure de conflits d’intérêts. Il est donc proposé de prolonger de trente à soixante jours le délai dont dispose le Comité de concertation. Comme le texte précédent, cette proposition a été adoptée lundi en commission et, avec l’ensemble des auteurs, je vous invite donc à l’approuver. |
|
|||
|
De heer Jean‑Paul Wahl (MR). – We hebben de tekst gesteund, maar moeten wel toegeven dat het weer een beetje kunst- en ‑vliegwerk is. De Raad van State heeft zich daar overigens niet in vergist. Een soortgelijk geval heeft zich in de Kamer voorgedaan. De eerste minister heeft zelf erkend dat we voorzichtig moesten zijn. Het gaat hier namelijk om het aannemen van een bepaling die pas van kracht wordt als de Senaat is afgeschaft. Dat levert dus een klein probleem op vanuit principieel oogpunt. Als meerderheidspartij hebben we een amendement ingediend om dit probleem met betrekking tot de inwerkingtreding van de tekst te verhelpen. Eigenlijk kon de tekst normaal gesproken alleen worden aangenomen als het proces rond de afschaffing van de Senaat daadwerkelijk zou zijn afgerond. Ik ben er niet zeker van of dit een dringende prioriteit was en ik betwijfel of onze medeburgers zich veel aantrekken van dit probleem met betrekking tot het Overlegcomité. Op een gegeven moment zal het nodig zijn om het ingevoerde mechanisme te evalueren. Het gaat hier om bevoegdheidsconflicten, met name tussen de assemblees. Eens de Senaat is afgeschaft, zal het aan het Overlegcomité zijn om hierin op te treden. De controle zal dus uitsluitend bij de uitvoerende macht liggen. Precies op dat vlak werd lange tijd aangevoerd dat er een probleem was met betrekking tot de controle op het Overlegcomité. Elke assemblee controleert haar regering of de ministers van haar regering. Maar ik heb in het verleden al vastgesteld dat niet alle ministers noodzakelijkerwijs hetzelfde zeiden voor hun respectieve parlementen. Men had dus kunnen bedenken dat de Senaat die rol van controle op het Overlegcomité zou vervullen. Als het proces slaagt, zal de Senaat het Overlegcomité dus niet controleren, maar zal de Senaat worden vervangen door het Overlegcomité. Dat is een vorm van een oplossing. |
M. Jean‑Paul Wahl (MR). – Nous avons soutenu le texte, mais il faut bien admettre qu’à nouveau, c’est un peu du bricolage en l’espèce. Le Conseil d’État ne s’y est d’ailleurs pas trompé. Un cas similaire s’est présenté à la Chambre. Le premier ministre lui‑même a reconnu qu’il fallait être attentif. En effet, il s’agit ici d’adopter une disposition qui n’entrera en vigueur que si le Sénat est supprimé. Cela pose donc une petite difficulté du point de vue du principe. En tant que parti de la majorité, nous avons déposé un amendement qui permet de remédier à cet écueil relatif à l’entrée en vigueur du texte. En réalité, le texte ne pouvait normalement être adopté que si le processus lié à la suppression du Sénat était mené effectivement à son terme. Je ne suis pas sûr qu’il s’agissait d’une priorité urgente et je doute que nos concitoyens se soucient beaucoup de ce problème relatif au Comité de concertation. Il convient de souligner aussi qu’à un moment donné, il faudra évaluer le mécanisme mis en place. L’enjeu, en l’espèce, ce sont les conflits de compétences, notamment entre assemblées. Le Sénat disparu, c’est au Comité de concertation, le Codeco, qu’il reviendra d’intervenir en l’espèce. Le contrôle relèvera donc exclusivement du pouvoir exécutif. À cet égard justement, on a considéré pendant longtemps qu’un problème se posait au sujet du contrôle du Codeco. Chaque assemblée contrôle son gouvernement ou les ministres de son gouvernement. Mais j’ai déjà constaté par le passé que tous les ministres ne disaient pas nécessairement la même chose devant leurs différents parlements respectifs. On aurait donc pu imaginer que le Sénat ait ce rôle de contrôler le Codeco. Si le processus aboutit, le Sénat ne contrôlera donc pas le Codeco, mais sera remplacé par le Codeco. C’est une forme de solution. |
|
|||
|
Mevrouw Liesa Scholzen (MR). – In Artikel 1 der Verfassung heißt es, dass Belgien ein Föderalstaat ist, der sich aus den Gemeinschaften und den Regionen zusammensetzt. In Artikel 2 heißt es weiter, dass Belgien drei Gemeinschaften umfasst. In Artikel 3 heißt es weiter, dass Belgien drei Regionen umfasst. Mit dem hier vorliegenden Gesetzesvorschlag soll nun die Zusammensetzung des Konzertierungsausschusses neu geregelt werden, mit dem erklärten Ziel, so wurde es am Montag in der Ausschusssitzung noch einmal erklärt, eine ausgeglichenere Vertretung aller Teilstaaten, die den Föderalstaat bilden, zu gewährleisten. Aller Teilstaaten? Nein. Denn die Deutschsprachige Gemeinschaft wird nicht gleichermaßen berücksichtigt. Und hier sind wir ganz explizit in einer Diskussion um eine Vertretung einer Gemeinschaft auf exekutiver Ebene. In unseren Augen ist es von entscheidender Bedeutung, dass die Deutschsprachige Gemeinschaft, die ein gleichwertiger Gliedstaat ist, ebenso ein vollwertiges Mitglied im Konzertierungsausschuss wird. Die ursprüngliche Funktion des Konzertierungsausschusses bestand in der Beilegung von Interessenkonflikten zwischen verschiedenen staatlichen Ebenen. Wir wissen aber alle, dass die Rolle des Konzertierungsausschusses mittlerweile weit darüber hinausgeht. Seine Bedeutung hat erheblich zugenommen und er ist schon seit langem nicht mehr nur ein einfaches Organ zur Regelung von Interessenkonflikten, sondern er ist zu einem zentralen Ort der Information, Koordinierung und Konzertierung zwischen den verschiedenen Ebenen der Staatsgewalt geworden. Er ist ein strategisches Steuerungs- und Koordinationsorgan. Das wurde nicht zuletzt im Rahmen der Covid‑Pandemie deutlich. Dadurch ist er zu einem Scharnier der exekutiven Ebene zwischen dem Föderalstaat und den Gliedstaaten geworden. In diesem Kontext ist es in unseren Augen eben nicht mehr zu rechtfertigen, dass es lediglich eine Präsenz sein soll, die nicht wirklich fest geregelt ist. Erstens ist die Deutschsprachige Gemeinschaft ein vollwertiger Gliedstaat. Sie ist das im Sinne der Verfassung. Sie ist eine Gemeinschaft. Sie ist keine Untereinheit oder eine Entität zweiten Ranges. Sie ist eine gleichrangige föderale Entität. Und dem belgischen Föderalismus liegt das Gleichheitsprinzip zugrunde. Alles andere wäre ein Widerspruch. Zweitens betreffen die Entscheidungen des Konzertierungsausschusses ganz konkret die Deutschsprachige Gemeinschaft. Ich habe schon gesagt, dass er zu einem strategischen Koordinationsorgan geworden ist, und wir wissen alle, dass sich die Zuständigkeiten der Regionen und Gemeinschaften in den letzten Jahren massiv weiterentwickelt haben, seit 1983. Bereits heute übt die Deutschsprachige Gemeinschaft rund 80 Prozent der Regionalzuständigkeiten auf ihrem Gebiet aus, und das in zahlreichen Bereichen: Bildungswesen, Kultur, Sozialpolitik, regionale Materien und so weiter. Eine bloße faktische Anwesenheit ist also nicht mehr zu rechtfertigen. Wir würden uns auch Rechtssicherheit und eine Regelung im Sinne der Rechtsstaatlichkeit wünschen, denn das würde es ermöglichen, gerade bei institutionellen Fragen formell vertreten zu sein und die Interessen wirksam verteidigen zu können. Heute hängt das eher noch davon ab, wie die Gepflogenheiten sind, ob man informell eingeladen wird, ob es guten Willen seitens der anderen Regierungen gibt. Das ist zwar meistens der Fall, aber es ist natürlich schwierig, sich darauf zu verlassen. Für die Zukunft wünschen wir uns da Rechtssicherheit. Zusammenfassend ist die vollwertige und stimmberechtigte Mitgliedschaft der Deutschsprachigen Gemeinschaft im Konzertierungsausschuss eine logische Konsequenz ihrer Stellung im belgischen Föderalstaat als vollwertiger Teilstaat. Ich würde daher alle bitten, heute ein Zeichen zu setzen und die Stimme der Deutschsprachigen Gemeinschaft auf strukturelle Weise zu verankern, dort, wo sie gehört wird und dort, wo Politik des gesamten Landes gestaltet wird. Darum habe ich den Abänderungsantrag, den ich auch am Montag dieser Woche vorgestellt habe, erneut eingereicht. |
Mme Liesa Scholzen (MR). – In Artikel 1 der Verfassung heißt es, dass Belgien ein Föderalstaat ist, der sich aus den Gemeinschaften und den Regionen zusammensetzt. In Artikel 2 heißt es weiter, dass Belgien drei Gemeinschaften umfasst. In Artikel 3 heißt es weiter, dass Belgien drei Regionen umfasst. Mit dem hier vorliegenden Gesetzesvorschlag soll nun die Zusammensetzung des Konzertierungsausschusses neu geregelt werden, mit dem erklärten Ziel, so wurde es am Montag in der Ausschusssitzung noch einmal erklärt, eine ausgeglichenere Vertretung aller Teilstaaten, die den Föderalstaat bilden, zu gewährleisten. Aller Teilstaaten ? Nein. Denn die Deutschsprachige Gemeinschaft wird nicht gleichermaßen berücksichtigt. Und hier sind wir ganz explizit in einer Diskussion um eine Vertretung einer Gemeinschaft auf exekutiver Ebene. In unseren Augen ist es von entscheidender Bedeutung, dass die Deutschsprachige Gemeinschaft, die ein gleichwertiger Gliedstaat ist, ebenso ein vollwertiges Mitglied im Konzertierungsausschuss wird. Die ursprüngliche Funktion des Konzertierungsausschusses bestand in der Beilegung von Interessenkonflikten zwischen verschiedenen staatlichen Ebenen. Wir wissen aber alle, dass die Rolle des Konzertierungsausschusses mittlerweile weit darüber hinausgeht. Seine Bedeutung hat erheblich zugenommen und er ist schon seit langem nicht mehr nur ein einfaches Organ zur Regelung von Interessenkonflikten, sondern er ist zu einem zentralen Ort der Information, Koordinierung und Konzertierung zwischen den verschiedenen Ebenen der Staatsgewalt geworden. Er ist ein strategisches Steuerungs- und Koordinationsorgan. Das wurde nicht zuletzt im Rahmen der Covid‑Pandemie deutlich. Dadurch ist er zu einem Scharnier der exekutiven Ebene zwischen dem Föderalstaat und den Gliedstaaten geworden. In diesem Kontext ist es in unseren Augen eben nicht mehr zu rechtfertigen, dass es lediglich eine Präsenz sein soll, die nicht wirklich fest geregelt ist. Erstens ist die Deutschsprachige Gemeinschaft ein vollwertiger Gliedstaat. Sie ist das im Sinne der Verfassung. Sie ist eine Gemeinschaft. Sie ist keine Untereinheit oder eine Entität zweiten Ranges. Sie ist eine gleichrangige föderale Entität. Und dem belgischen Föderalismus liegt das Gleichheitsprinzip zugrunde. Alles andere wäre ein Widerspruch. Zweitens betreffen die Entscheidungen des Konzertierungsausschusses ganz konkret die Deutschsprachige Gemeinschaft. Ich habe schon gesagt, dass er zu einem strategischen Koordinationsorgan geworden ist, und wir wissen alle, dass sich die Zuständigkeiten der Regionen und Gemeinschaften in den letzten Jahren massiv weiterentwickelt haben, seit 1983. Bereits heute übt die Deutschsprachige Gemeinschaft rund 80 Prozent der Regionalzuständigkeiten auf ihrem Gebiet aus, und das in zahlreichen Bereichen : Bildungswesen, Kultur, Sozialpolitik, regionale Materien und so weiter. Eine bloße faktische Anwesenheit ist also nicht mehr zu rechtfertigen. Wir würden uns auch Rechtssicherheit und eine Regelung im Sinne der Rechtsstaatlichkeit wünschen, denn das würde es ermöglichen, gerade bei institutionellen Fragen formell vertreten zu sein und die Interessen wirksam verteidigen zu können. Heute hängt das eher noch davon ab, wie die Gepflogenheiten sind, ob man informell eingeladen wird, ob es guten Willen seitens der anderen Regierungen gibt. Das ist zwar meistens der Fall, aber es ist natürlich schwierig, sich darauf zu verlassen. Für die Zukunft wünschen wir uns da Rechtssicherheit. Zusammenfassend ist die vollwertige und stimmberechtigte Mitgliedschaft der Deutschsprachigen Gemeinschaft im Konzertierungsausschuss eine logische Konsequenz ihrer Stellung im belgischen Föderalstaat als vollwertiger Teilstaat. Ich würde daher alle bitten, heute ein Zeichen zu setzen und die Stimme der Deutschsprachigen Gemeinschaft auf strukturelle Weise zu verankern, dort, wo sie gehört wird und dort, wo Politik des gesamten Landes gestaltet wird. Darum habe ich den Abänderungsantrag, den ich auch am Montag dieser Woche vorgestellt habe, erneut eingereicht. |
|
|||
|
Mevrouw Liesa Scholzen (MR). – In artikel 1 van de Grondwet staat dat België een federale Staat is, die samengesteld is uit de gemeenschappen en de gewesten. In artikel 2 staat voorts dat België drie gemeenschappen omvat. In artikel 3 staat verder dat België drie gewesten omvat. Met dit wetsvoorstel moet nu de samenstelling van het Overlegcomité opnieuw worden geregeld, met als doel – zoals maandag tijdens de commissievergadering nogmaals werd toegelicht – te zorgen voor een evenwichtigere vertegenwoordiging van alle deelstaten die samen de federale Staat vormen. Alle deelstaten? Nee. Want er wordt niet op gelijke voet rekening gehouden met de Duitstalige Gemeenschap. En hier hebben we het heel expliciet over de vertegenwoordiging van een gemeenschap op uitvoerend niveau. In onze ogen is het van doorslaggevend belang dat de Duitstalige Gemeenschap, die een gelijkwaardige deelstaat is, eveneens een volwaardig lid van het Overlegcomité wordt. De oorspronkelijke functie van het Overlegcomité bestond erin belangenconflicten tussen verschillende overheidsniveaus op te lossen. We weten echter allemaal dat de rol van het Overlegcomité inmiddels veel verder reikt. Het belang ervan is aanzienlijk toegenomen en het is al lang niet meer louter een eenvoudig orgaan voor het regelen van belangenconflicten, het is uitgegroeid tot een centrale plaats voor informatie, coördinatie en overleg tussen de verschillende bevoegdheidsniveaus. Het is een strategisch sturings- en coördinatieorgaan. Dat is niet in het minst duidelijk geworden tijdens de covidpandemie. Daardoor is het een scharnier op uitvoerend niveau geworden tussen de federale Staat en de deelstaten. In deze context is het naar onze mening niet langer te verantwoorden dat het slechts om een aanwezigheid gaat die niet formeel vastgelegd is. Ten eerste is de Duitstalige Gemeenschap een volwaardige deelstaat. Dat is wat de Grondwet zegt. Ze is een Gemeenschap. Ze is geen subeenheid of tweederangsentiteit. Ze is een gelijkwaardige federale entiteit. En het Belgische federalisme berust op het gelijkheidsbeginsel. Alles wat daarvan afwijkt, zou daarmee in strijd zijn. Ten tweede hebben de beslissingen van het Overlegcomité een directe impact op de Duitstalige Gemeenschap. Ik heb reeds gezegd dat het een strategisch coördinatieorgaan is geworden, en we weten allemaal dat de bevoegdheden van de gewesten en gemeenschappen de afgelopen jaren, sinds 1983, sterk zijn uitgebreid. Vandaag oefent de Duitstalige Gemeenschap al ongeveer 80 procent van de gewestbevoegdheden op haar grondgebied uit, en dat op tal van gebieden: onderwijs, cultuur, sociaal beleid, gewestelijke aangelegenheden, enzovoort. Een louter feitelijke aanwezigheid valt dus niet langer te rechtvaardigen. Wij wensen ook rechtszekerheid en een regeling in de geest van de rechtsstaat, want dat zou het mogelijk maken om net bij institutionele kwesties formeel vertegenwoordigd te zijn en de belangen doeltreffend te kunnen verdedigen. Momenteel hangt dat nog steeds af van de gangbare praktijken, van informele uitnodigingen of van de goede wil van de andere regeringen. Dat is weliswaar meestal het geval, maar het is natuurlijk moeilijk om daarop te vertrouwen. Voor de toekomst zouden we op dat vlak graag rechtszekerheid zien. Samengevat is het volwaardige en stemgerechtigde lidmaatschap van de Duitstalige Gemeenschap in het Overlegcomité een logisch gevolg van haar status in de Belgische federale Staat als volwaardige deelstaat. Ik zou iedereen dan ook willen vragen om vandaag een signaal te geven en de stem van de Duitstalige Gemeenschap structureel te verankeren, daar waar ze gehoord wordt en daar waar het beleid voor het hele land wordt bepaald. Daarom heb ik het amendement, dat ik ook afgelopen maandag heb voorgesteld, opnieuw ingediend. |
Mme Liesa Scholzen (MR). – L’article 1er de la Constitution dispose que la Belgique est un État fédéral qui se compose des Communautés et des Régions, l’article 2 que la Belgique comprend trois Communautés et l’article 3 que la Belgique comprend trois Régions. La présente proposition de loi vise à revoir la composition du Comité de concertation dans le but – comme expliqué en commission lundi – d’assurer une représentation plus équilibrée des entités fédérées composant l’État fédéral. De toutes les entités fédérées ? Non, la Communauté germanophone n’est pas prise en considération sur pied d’égalité. Il est ici explicitement question de la représentation d’une Communauté au niveau exécutif. Il est pour nous fondamental que la Communauté germanophone, qui est une entité fédérée de rang égal, soit elle aussi membre à part entière du Comité de concertation. La fonction initiale du Comité de concertation consistait à résoudre les conflits d’intérêts entre les différents niveaux de pouvoir. Nous savons toutefois que son rôle va aujourd’hui bien au‑delà et que son importance s’est considérablement accrue. Le Comité de concertation n’est plus depuis longtemps déjà un simple organe de règlement des conflits d’intérêts, mais est devenu un lieu central d’information, de coordination et de concertation entre les différents niveaux de pouvoir. Il est devenu un organe stratégique de pilotage et de coordination. Cette réalité est apparue au grand jour durant la pandémie de covid. Le Comité de concertation est devenu un pivot entre l’État fédéral et les entités fédérées au niveau exécutif. Dans ce contexte, il n’est, selon nous, plus justifiable de permettre seulement une simple présence de la Communauté germanophone sans la consacrer formellement. Premièrement, la Communauté germanophone est une entité fédérée à part entière. C’est ce que dit la Constitution. Elle est une Communauté et non une sous‑unité ni une entité de second rang. Elle est une entité fédérale de rang égal. Le fédéralisme belge repose sur le principe d’égalité. Tout traitement différent serait contraire à ce principe. Deuxièmement, les décisions du Comité de concertation ont des répercussions directes sur la Communauté germanophone. Comme je l’ai déjà dit, le Comité de concertation est devenu un organe stratégique de coordination et nous savons que depuis 1983, les compétences des Régions et Communautés ont été considérablement élargies. Aujourd’hui, la Communauté germanophone exerce déjà environ 80 % des compétences régionales sur son territoire, et ce dans divers domaines : l’enseignement, la culture, la politique sociale, les matières régionales, etc. Une simple présence de fait n’est donc plus acceptable. Nous voulons la sécurité juridique et une réglementation conforme à l’état de droit, qui permette à la Communauté germanophone, lorsque des questions institutionnelles se posent, d’être formellement représentée et de défendre efficacement ses intérêts. Actuellement, la participation de la Communauté germanophone dépend encore trop des usages, d’invitations informelles ou de la bonne volonté des autres gouvernements. Si elle est généralement présente, elle peut difficilement en être assurée et voudrait la sécurité juridique à ce propos à l’avenir. En résumé, l’admission pleine et entière de la Communauté germanophone au sein du Comité de concertation, assortie du droit de vote, est une suite logique de son statut d’entité fédérée à part entière au sein de l’État fédéral belge. Je voudrais donc vous demander de donner un ancrage structurel à la voix de la Communauté germanophone, à l’endroit où elle est entendue, à l’endroit où se décide la politique de l’ensemble du pays. C’est la raison pour laquelle j’ai redéposé l’amendement que j’ai présenté lundi dernier. |
|
|||
|
Nicht nur, weil ich denke, dass es im Sinne der Deutschsprachigen Gemeinschaft wäre, sondern auch, weil nicht wirklich die Möglichkeit bestanden hat, darüber abzustimmen, da ein anderer Abänderungsvorschlag meinen quasi ersetzt hat. Darum liegt er heute erneut vor. In unseren Augen bedarf es keiner Rechtfertigung, warum die Deutschsprachige Gemeinschaft eingebunden werden sollte, sondern ihre bisherige strukturelle Ausgrenzung müsste gerechtfertigt werden. Andernfalls wird das Prinzip der Gleichberechtigung verletzt. Die Argumente, die ich gehört habe und die auch am Montag bereits diskutiert worden sind, nämlich dass ein zusätzliches Blockaderisiko besteht, wenn man sich auf den Grundsatz der Gleichberechtigung stützt, dürften eigentlich nicht zählen. Denn je mehr Mitglieder dazukommen, desto höher ist das Risiko einer Blockade, unabhängig davon, wo diese Mitglieder herkommen. Es wurde außerdem gesagt, die Deutschsprachige Gemeinschaft sei nicht auf dem gleichen Niveau wie die anderen Teilstaaten. Was ist damit gemeint? Geografisch? Kompetenzmäßig? Das ist nicht der Fall. Es gibt andere Teilstaaten, die weniger Kompetenzen ausüben. Oder ist die Bevölkerung gemeint? Die Deutschsprachige Gemeinschaft hat eine geringere Bevölkerung. Der Konzertierungsausschuss ist jedoch nicht proportional nach der Bevölkerung besetzt, sondern jeder Teilstaat, egal wie groß er ist, hat eine garantierte Vertretung. Darum soll auch die Deutschsprachige Gemeinschaft, genauso wie alle anderen, ein vollwertiges Mitglied dieses Gremiums werden. Darum möchte ich Sie bitten, heute diesem Abänderungsvorschlag zuzustimmen. |
Nicht nur, weil ich denke, dass es im Sinne der Deutschsprachigen Gemeinschaft wäre, sondern auch, weil nicht wirklich die Möglichkeit bestanden hat, darüber abzustimmen, da ein anderer Abänderungsvorschlag meinen quasi ersetzt hat. Darum liegt er heute erneut vor. In unseren Augen bedarf es keiner Rechtfertigung, warum die Deutschsprachige Gemeinschaft eingebunden werden sollte, sondern ihre bisherige strukturelle Ausgrenzung müsste gerechtfertigt werden. Andernfalls wird das Prinzip der Gleichberechtigung verletzt. Die Argumente, die ich gehört habe und die auch am Montag bereits diskutiert worden sind, nämlich dass ein zusätzliches Blockaderisiko besteht, wenn man sich auf den Grundsatz der Gleichberechtigung stützt, dürften eigentlich nicht zählen. Denn je mehr Mitglieder dazukommen, desto höher ist das Risiko einer Blockade, unabhängig davon, wo diese Mitglieder herkommen. Es wurde außerdem gesagt, die Deutschsprachige Gemeinschaft sei nicht auf dem gleichen Niveau wie die anderen Teilstaaten. Was ist damit gemeint ? Geografisch ? Kompetenzmäßig ? Das ist nicht der Fall. Es gibt andere Teilstaaten, die weniger Kompetenzen ausüben. Oder ist die Bevölkerung gemeint ? Die Deutschsprachige Gemeinschaft hat eine geringere Bevölkerung. Der Konzertierungsausschuss ist jedoch nicht proportional nach der Bevölkerung besetzt, sondern jeder Teilstaat, egal wie groß er ist, hat eine garantierte Vertretung. Darum soll auch die Deutschsprachige Gemeinschaft, genauso wie alle anderen, ein vollwertiges Mitglied dieses Gremiums werden. Darum möchte ich Sie bitten, heute diesem Abänderungsvorschlag zuzustimmen. |
|
|||
|
Mevrouw Liesa Scholzen (MR). – Niet alleen omdat ik denk dat dit in het belang van de Duitstalige Gemeenschap zou zijn, maar ook omdat er eigenlijk geen echte mogelijkheid is geweest om hierover te stemmen, aangezien een ander amendement het mijne de facto heeft vervangen. Daarom ligt het vandaag opnieuw voor. Naar onze mening hoeft er geen rechtvaardiging te worden gegeven voor de vraag waarom de Duitstalige Gemeenschap hierbij betrokken zou moeten worden; integendeel, haar structurele uitsluiting tot nu toe zou moeten worden gerechtvaardigd. Anders wordt het gelijkheidsbeginsel geschonden. De argumenten die ik heb gehoord en die maandag reeds zijn besproken, namelijk dat er een bijkomend risico op blokkering zou ontstaan wanneer men zich op het gelijkheidsbeginsel beroept, zouden eigenlijk geen rol mogen spelen. Want hoe meer leden er bijkomen, hoe groter het risico op blokkering, ongeacht waar die leden vandaan komen. Er werd bovendien gezegd dat de Duitstalige Gemeenschap niet op hetzelfde niveau zou staan als de andere deelstaten. Wat wordt daarmee bedoeld? Geografisch? Qua bevoegdheden? Dat is niet het geval. Er zijn andere deelstaten die minder bevoegdheden uitoefenen. Of bedoelt men de bevolking? De Duitstalige Gemeenschap heeft een kleinere bevolking. Het Overlegcomité is echter niet proportioneel samengesteld op basis van de bevolking, maar elke deelstaat, ongeacht zijn grootte, beschikt over een gegarandeerde vertegenwoordiging. Daarom moet ook de Duitstalige Gemeenschap, net als alle andere, een volwaardig lid van dit orgaan worden. Daarom wil ik u vragen vandaag dit amendement goed te keuren. |
Mme Liesa Scholzen (MR). – Non seulement parce que je pense que cela est dans l’intérêt de la Communauté germanophone, mais aussi parce que nous n’avons pas réellement eu l’occasion de voter sur mon amendement, celui‑ci ayant de facto été remplacé par un autre amendement. C’est pourquoi je vous le soumets à nouveau aujourd’hui. Selon nous, nous n’avons pas à justifier notre demande de participation de la Communauté germanophone. C’est au contraire son exclusion structurelle jusqu’à aujourd’hui qui devrait être motivée. Sans quoi nous nous trouvons face à une violation du principe d’égalité. Les arguments avancés et déjà débattus lundi, à savoir qu’invoquer le principe d’égalité accroîtrait le risque de blocage, ne tiennent pas la route. Plus le Comité de concertation compte de membres, plus le risque de blocage y est important, peu importe l’origine de ces membres. D’aucuns ont en outre déclaré que la Communauté germanophone ne se situe pas au même niveau que les autres entités fédérées. Qu’entendent‑ils par là ? S’agit‑il de la situation géographique ? Des compétences ? Ce n’est pas le cas. D’autres entités fédérées exercent moins de compétences que la Communauté germanophone. S’agit‑il de la population ? La Communauté germanophone a une population moins importante, mais la composition du Comité de concertation n’est pas basée sur la démographie ; chaque entité fédérée y dispose d’une représentation garantie, quelle que soit sa grandeur. C’est pourquoi la Communauté germanophone doit elle aussi devenir un membre à part entière de cet organe. Je vous invite donc à voter en faveur de mon amendement. |
|
|||
|
De heer Klaas Slootmans (Vlaams Belang). – In het voorstel lezen we dat men een evenwichtigere en meer proportionele participatie van de deelstaten beoogt, maar anderzijds zien we dat de pariteit in het Overlegcomité behouden blijft. Dat lijkt ons bijzonder contradictorisch, aangezien Vlaanderen meer dan 60 procent van de bevolking uitmaakt, maar dat percentage dus niet gevaloriseerd ziet in de samenstelling van het Overlegcomité. Dat voorstel houdt dus eigenlijk een onevenwicht dat vandaag bestaat, weliswaar in gewijzigde vorm, in stand. Vandaar dat wij in de commissie ook hebben geprobeerd om via amendering de samenstelling van het Overlegcomité in lijn te brengen met de demografische verhoudingen. We hebben alleen maar kunnen vaststellen dat die democratische evidentie niet is gehonoreerd maar integendeel verworpen. Wij betreuren dat, nemen daar akte van en zullen ons dus onthouden op dit voorstel. |
M. Klaas Slootmans (Vlaams Belang). – La proposition indique qu’elle vise une participation plus équilibrée et plus proportionnelle des entités fédérées, mais nous constatons par ailleurs que la parité au sein du Comité de concertation est maintenue. Cela nous paraît particulièrement contradictoire, dès lors que la Flandre représente plus de 60 % de la population, sans que ce poids démographique se reflète dans la composition du Comité de concertation. En réalité, cette proposition ne fait que perpétuer, sous une forme certes modifiée, le déséquilibre existant. C’est pourquoi nous avons tenté en commission, par le dépôt d’un amendement, d’aligner la composition du Comité de concertation sur les rapports démographiques. Nous n’avons pu que constater que cette évidence démocratique n’a pas été retenue, mais au contraire rejetée. Nous le déplorons, en prenons acte et nous nous abstiendrons donc sur cette proposition. |
|
|||
|
Mevrouw Anne‑Catherine Goffinet (Les Engagés). – Het is waar dat de Senaat deze rol van overlegorgaan tussen de deelstaten had moeten vervullen. Hij had een directe rol moeten spelen bij het oplossen van belangenconflicten, maar de werkelijkheid is heel anders. Het is namelijk veeleer het Overlegcomité dat deze overlegfunctie op zich heeft genomen, en het is dus daar dat in de praktijk de dialoog, het overleg en de gezamenlijke besluitvorming tussen de deelstaten in werkelijkheid geschieden. Als we kiezen voor de afschaffing van de Senaat, aangezien er geen wil is om hem te hervormen, dan is het logisch om de werking en de samenstelling van het Overlegcomité te herzien. De twee richtsnoeren die tot de wijziging hebben geleid, zijn in de eerste plaats de evenwichtige vertegenwoordiging van elke deelstaat. Die wordt versterkt door de aanwezigheid van de gemeenschappen in dit Comité, en het verdient dus de voorkeur om te werken vanuit een logica van vertegenwoordiging van alle deelstaten in plaats van vanuit een logica van Nederlandstaligen en Franstaligen. Het tweede richtsnoer betreft de eerbiediging van de federale loyaliteit en samenhang. Aangezien de besluiten van het Overlegcomité bij consensus worden genomen, levert het vergroten van het aandeel van de leden van de deelstaatregeringen ten opzichte van dat van de federale regering geen probleem op voor het besluitvormingsmechanisme. Het algemene evenwicht dat ten grondslag ligt aan de werking en de besluiten van dit comité blijft dus intact. Ik wil nogmaals de nadruk leggen op de punten die ik in de commissie naar voren heb gebracht. Er moet nog verder worden nagedacht over een manier van overleg en van het oplossen van belangenconflicten die transparanter, democratischer en begrijpelijker is. Tot slot, zowel de specifieke situatie van Brussel, waar de consensus van twee leden nodig is om hun stem beslissend te maken, als de situatie van het lid van de Duitstalige Gemeenschap dat niet bij alle beslissingen een beslissende stem heeft, verdienen een grondiger reflectie in het kader van de grote evenwichten. Die kwesties maken deel uit van de reflectie die, na de afschaffing van de Senaat, moet worden gevoerd over de participatie van de deelstaten. Wij zijn in ieder geval van mening dat deze richtsnoeren zijn gevolgd. |
Mme Anne‑Catherine Goffinet (Les Engagés). – Il est vrai que le Sénat aurait dû jouer ce rôle de concertation entre les entités fédérées. Il aurait dû jouer un rôle direct dans le règlement des conflits d’intérêts, mais la réalité est tout autre. En effet, c’est plutôt le Comité de concertation qui a endossé cette fonction de concertation, et c’est donc en son sein que se concentrent réellement, en pratique, le dialogue, la concertation ainsi que la prise de décision commune entre les entités fédérées. Si nous optons pour la suppression du Sénat, puisqu’il n’y a pas de volonté de le réformer, alors il est logique de revoir le fonctionnement et la composition du Comité de concertation. Les deux balises qui ont conduit à la modification, c’est tout d’abord la juste représentation de chaque entité. Celle‑ci est renforcée par la présence des Communautés au sein de ce Comité, et il est donc préférable de fonctionner dans une logique de représentation de toutes les entités plutôt que dans une logique néerlandophones‑francophones. La deuxième balise est celle du respect de la loyauté et de la cohésion fédérales. Les décisions du Comité de concertation étant prises au consensus, le fait d’augmenter la proportion de membres des gouvernements des entités par rapport à ceux du gouvernement fédéral ne pose pas de problème dans le mécanisme décisionnel. Les grands équilibres qui président au fonctionnement et aux décisions de ce comité restent donc intacts. Je voudrais insister une fois encore sur des éléments que j’ai soulevés en commission. Il y aura encore une réflexion à mener pour concevoir un mode de concertation et de règlement des conflits d’intérêts qui soit plus transparent, plus démocratique et plus lisible. Enfin, qu’il s’agisse de la situation particulière de Bruxelles, où il est nécessaire d’avoir l’avis consensuel de deux membres pour que leur voix soit délibérative, ou qu’il s’agisse du membre de la Communauté germanophone qui n’a pas de voix délibérative dans toutes les décisions, ces deux questions méritent une réflexion plus approfondie dans le cadre des grands équilibres et constituent un élément de la réflexion qui, après la suppression du Sénat, devra être menée quant à la participation des entités fédérées. Nous estimons en tout cas que ces balises sont respectées. |
|
|||
|
Mevrouw Celia Groothedde (Ecolo‑Groen). – Wij begrijpen dat men met deze aanpassing een mouw probeert te passen aan dit probleem, maar dat lukt natuurlijk niet helemaal. Zoals mijn collega Eva Platteau overigens ook in de commissie heeft aangegeven, is er door de afschaffing van de Senaat geen enkel parlement meer dat nog advies geeft aan het Overlegcomité. De wetgevende macht wordt met andere woorden verder buitenspel gezet ten voordele van de uitvoerende macht. Collega Scholzen heeft gelijk dat er een lacune is voor de Duitstalige Gemeenschap en dat geldt ook voor de Nederlandstalige Brusselaars. Er is sprake van twee vertegenwoordigers, maar er wordt niet verduidelijkt of die van bepaalde gemeenschappen moeten komen. De versterking van de deelstaten in het Overlegcomité vinden we op zich niet verkeerd. We kunnen ons er ook in vinden dat de rol van de deelstaten in belangenconflicten kan worden verminderd, maar de oplossing die hier wordt gezocht, wordt niet echt gevonden. Een versterking door leden van de deelstaatregeringen, compenseert natuurlijk niet de rol van een parlement. Wij betreuren dan ook dat door deze wijzigingen de balans overhelt naar de uitvoerende macht. Daarom zal de Groen‑Ecolo‑fractie zich onthouden bij de stemming over deze tekst. |
Mme Celia Groothedde (Ecolo‑Groen). – Nous comprenons qu’en apportant cette adaptation, on cherche à se tirer d’affaire, sans y parvenir tout à fait. Comme Mme Platteau l’a d’ailleurs dit en commission, après la suppression du Sénat, plus aucun parlement ne remettra d’avis au Comité de concertation. Autrement dit, le pouvoir législatif est mis sur la touche au profit de l’exécutif. Mme Scholzen a raison de mettre en exergue une lacune concernant la Communauté germanophone. C’est aussi vrai pour les Bruxellois néerlandophones. Il est question de deux représentants, sans que soit précisé s’ils doivent provenir de certaines communautés. Nous ne sommes pas défavorables à un renforcement des entités fédérées au sein du Comité de concertation. Nous pouvons même accepter que le rôle des entités fédérées dans le règlement des conflits d’intérêts soit réduit, mais la solution envisagée n’en est pas une. Un renforcement de l’intervention des entités fédérées à travers les membres de leurs gouvernements ne compense pas la disparition du rôle d’un parlement. Nous déplorons que ces modifications fassent glisser le curseur du côté du pouvoir exécutif. Le groupe Ecolo‑Groen s’abstiendra donc lors du vote de ce texte. |
|
|||
|
– De algemene bespreking is gesloten. |
– La discussion générale est close. |
|
|||
Artikelsgewijze bespreking |
|
||||
|
(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden, zie doc. 8‑148/6.) |
(Pour le texte adopté par la Commission des Affaires institutionnelles, voir document 8‑148/6.) |
|
|||
|
– Artikel 1 wordt zonder opmerking aangenomen. |
– L’article 1er est adopté sans observations. |
|
|||
|
De voorzitter. – Op artikel 2 werd een amendement ingediend door mevrouw Scholzen (amendement nr. 10, zie Doc. 8‑148/7). |
M. le président. – À l’article 2, Mme Scholzen a déposé un amendement (amendement no 10, voir Doc. 8‑148/7). |
|
|||
|
– De artikelen 3 en 4 worden zonder opmerking aangenomen. |
– Les articles 3 et 4 sont adoptés sans observations. |
|
|||
|
– De artikelsgewijze bespreking is gesloten. – De aangehouden stemmingen en de stemming over het voorstel van bijzondere wet in zijn geheel hebben later plaats. |
– La discussion des articles est close. – Il sera procédé ultérieurement aux votes réservés ainsi qu’au vote sur l’ensemble de la proposition de loi spéciale. |
|
|||
Voordracht van kandidaten voor een betrekking van Franstalige staatsraad bij de Raad van State |
|
||||
|
De voorzitter. – De Raad van State is tijdens zijn algemene vergadering van 8 januari 2026, overeenkomstig artikel 70 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, overgegaan tot het opmaken van een lijst van kandidaten voor een betrekking van staatsraad in het Franstalig kader. Voor deze betrekking, werden de volgende kandidaten door de Raad van State voorgedragen: Eerste kandidaat: mevrouw Virginie
Rolin; Mevrouw Rolin werd door de algemene vergadering van de Raad van State eenparig als eerste kandidaat voorgedragen. Bij brief van 16 maart 2026 deelt de minister van Binnenlandse Zaken aan de Senaat mee dat hij, overeenkomstig artikel 70, § 1, vijfde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de eenparige voordracht van mevrouw Rolin tot staatsraad aanneemt. De Senaat kan derhalve zich met deze voordracht akkoord verklaren ofwel de voordracht weigeren, binnen een termijn van dertig dagen, indien hij van oordeel is dat het aantal leden benoemd uit het auditoraat ten aanzien van het aantal andere leden van de Raad van State te hoog wordt. Op grond van zijn onderzoek stelt het Bureau voor dat de Senaat zich akkoord verklaart met de voordracht door de Raad van State. |
M. le président. – Le Conseil d’État a procédé, lors de son assemblée générale du 8 janvier 2026, conformément à l’article 70 des lois coordonnées sur le Conseil d’État, à l’établissement d’une liste de candidats à une fonction de conseiller d’État dans le cadre francophone. Pour cette fonction, les candidats suivants ont été présentés par le Conseil d’État : Premier candidat : Mme Virginie
Rolin ; Mme Rolin a été présentée à l’unanimité en tant que première candidate par l’assemblée générale du Conseil d’État. Par lettre du 16 mars 2026, le ministre de l’Intérieur communique au Sénat qu’il accepte, conformément à l’article 70, § 1er, alinéa 5, des lois coordonnées sur le Conseil d’État, la présentation unanime de Mme Rolin pour la fonction de conseiller d’État. Le Sénat peut dès lors soit marquer son accord sur cette présentation, soit refuser cette présentation dans un délai de 30 jours, s’il estime que le nombre de membres du Conseil d’État qui ont été nommés parmi les membres de l’auditorat est trop élevé par rapport aux autres membres du Conseil. Sur base de son examen, le Bureau propose que le Sénat marque son accord sur la présentation du Conseil d’État. |
|
|||
|
(Instemming) |
(Assentiment) |
|
|||
Inoverwegingneming van voorstellen |
|
||||
|
De voorzitter. – De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd elektronisch meegedeeld. Zijn er opmerkingen? Aangezien er geen opmerkingen zijn, beschouw ik die voorstellen als in overweging genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. |
M. le président. – La liste des propositions à prendre en considération a été communiquée par voie électronique. Y a‑t‑il des observations ? Puisqu’il n’y a pas d’observations, ces propositions sont considérées comme prises en considération et renvoyées à la commission indiquée par le Bureau. |
|
|||
|
(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.) |
(La liste des propositions prises en considération figure en annexe.) |
|
|||
|
De heer Gaëtan Van Goidsenhoven (MR). – Mijnheer de voorzitter, ik vraag de schorsing van de vergadering voor een half uur. |
M. Gaëtan Van Goidsenhoven (MR). – Monsieur le président, je sollicite une suspension de séance d’une demi‑heure. |
|
|||
|
De voorzitter. – Ik stel voor te stemmen bij zitten en opstaan over de vraag tot schorsing. |
M. le président. – Je vous propose de voter par assis et levé sur la demande de suspension de séance. |
|
|||
|
De heer Jean‑Paul Wahl (MR). – Mijnheer de voorzitter, de vraag tot schorsing is rechtmatig. |
M. Jean‑Paul Wahl (MR). – Monsieur le président, la demande de suspension est de droit. |
|
|||
|
De voorzitter. – De vraag is inderdaad rechtmatig, maar in geval van betwisting staat het iedereen vrij om zich daarover uit te spreken. We zullen daarna stemmen bij zitten en opstaan. |
M. le président. – La demande est bien de droit, mais en cas de contestation, chacun est libre de s’exprimer. Nous voterons ensuite par assis et levé. |
|
|||
|
De heer Jean‑Paul Wahl (MR). – Mijnheer de voorzitter, het is de eerste keer dat ik meemaak dat u aan eenieder het woord geeft over een vraag tot schorsing. Maar dat u een stemming houdt over een vraag tot schorsing, is ongezien. De MR‑fractie verlaat de vergadering! |
M. Jean‑Paul Wahl (MR). – Monsieur le président, que vous donniez la parole à chacun à propos d’une demande de suspension est une première pour moi. Mais que vous fassiez voter sur une demande de suspension, c’est du jamais vu ! Le groupe MR quitte la séance ! |
|
|||
|
De heer Karl Vanlouwe (N‑VA). – Ik stel voor dat we tien minuten schorsen, zodat we even kunnen overleggen. Ik stel voor dat de zitting na tien minuten wel wordt hervat. |
M. Karl Vanlouwe (N‑VA). – Je propose une suspension de dix minutes, pour que nous puissions nous concerter. |
|
|||
|
Mevrouw An Capoen (N‑VA). – Als de schorsing langer dan tien minuten duurt, dan moet ik de vergadering van de commissie voor de Transversale Aangelegenheden‑Gemeenschapsbevoegdheden annuleren. Er zijn sprekers die al een hele tijd aan het wachten zijn. De afspraak was dat, als we om 15.00u niet in de commissie zijn, we de sprekers naar huis laten gaan. Als we dus een half uur schorsen, ben ik genoodzaakt de sprekers nu al naar huis te sturen. Ik zou dus willen vragen de schorsing korter te houden, ofwel moet ik de opdracht geven aan het secretariaat om de sprekers te laten gaan. |
Mme An Capoen (N‑VA). – Si la suspension se prolonge au‑delà de dix minutes, je serai contrainte d’annuler la réunion de la Commission des Matières transversales‑Compétences communautaires. Plusieurs orateurs attendent depuis un certain temps déjà. Nous étions convenus que si nous ne pouvions être en commission à 15 heures, les orateurs seraient invités à rentrer chez eux. J’aimerais donc que la suspension soit courte, sinon je dois demander au secrétariat de renvoyer les orateurs. |
|
|||
|
Mevrouw Anne Lambelin (PS). – Ik zou willen onderstrepen hoezeer ik verbaasd ben over de methodes die in onze assemblee worden gebruikt. Ik heb vandaag mijn bezorgdheid uitgesproken voor onze democratie. Wij zijn hier bezig met een uiterst belangrijk dossier, een dossier dat gaat over de mogelijkheid tot herziening van de Grondwet. Ik stel vast dat de meerderheid niet in staat is om consequent te werk te gaan, niet heeft nagedacht over de gevolgen van haar daden, en ook niet in staat is om te tellen en te zien wie de hervorming zal steunen en wie niet. U hebt een tweederdemeerderheid nodig. Ik zie dat dat een probleem kan vormen en ik hoor eveneens dat men een schorsing van de zitting, gevraagd door de liberale fractie, weigert of dat men erover discussieert, terwijl in een dergelijke schorsing voorzien is in het reglement. Het gaat om een democratisch recht en het is niet het eerste recht dat tijdens deze debatten met de voeten wordt getreden. De democratische rechten werden ook geschonden toen u weigerde om hoorzittingen te houden. Ik ben gechoqueerd door wat ik vandaag meemaak, door wat u vandaag doet en door de methoden die door deze assemblee worden gebruikt. Ik denk dat het personeel ook geschokt mag zijn en de burgers des te meer. |
Mme Anne Lambelin (PS). – Je voudrais souligner ici mon étonnement quant aux méthodes utilisées dans notre assemblée. J’ai fait part de mon inquiétude pour notre démocratie aujourd’hui. Nous sommes en train d’aborder un dossier absolument essentiel, un dossier qui engage la réouverture à révision de la Constitution. Je constate une majorité incapable de s’organiser pour travailler de manière conséquente, qui n’a pas réfléchi aux conséquences de ses actes et qui n’est pas non plus capable de compter pour voir qui soutiendra sa réforme et qui ne la soutiendra pas. Vous aviez besoin d’une majorité des deux tiers. J’entends que cela pose problème et j’entends également que l’on refuse une suspension de séance demandée par le groupe libéral ou que l’on en discute, alors qu’une telle suspension est prévue de droit. Il s’agit d’un droit démocratique, et ce ne sera pas le premier à avoir été bafoué dans ces débats. Des droits démocratiques ont été bafoués lorsque vous avez refusé nos demandes d’auditions. Je suis scandalisée par ce que je subis aujourd’hui, par ce que vous faites aujourd’hui et par les méthodes qui sont utilisées dans cette assemblée. Je pense que le personnel peut être, lui aussi, scandalisé et que les citoyens le sont tout autant. |
|
|||
|
Mevrouw Stephanie D’Hose (Anders.). – Ik ben evenzeer geschandaliseerd. Welk spelletje zijn wij hier aan het spelen? Welk spelletje wordt hier gespeeld met de burger? We staan klaar om te stemmen. Iedereen heeft het woord kunnen nemen. Iedereen heeft zijn mening kunnen geven. En nu stapt hier een voltallige fractie op die lid is van de meerderheid en die mee het wetsvoorstel heeft ingediend. In welk theater zijn we hier vandaag beland? |
Mme Stephanie D’Hose (Anders.). – Je suis tout aussi scandalisée. À quel jeu sommes‑nous en train de jouer ici ? À quel jeu joue‑t‑on avec le citoyen ? Nous sommes prêts à voter. Chacun a pu prendre la parole. Chacun a pu donner son avis. Et voilà qu’un groupe parlementaire au complet, membre de la majorité et cosignataire de la proposition de loi, quitte l’hémicycle ! Sommes‑nous en train de jouer dans une pièce de théâtre ? |
|
|||
|
Mevrouw Celia Groothedde (Ecolo‑Groen). – Men kan natuurlijk een schorsing vragen, maar ik denk dat iedereen graag wil weten om welke reden die schorsing gerechtvaardigd is. Wij hebben hier debatten gehad en opeens wordt er een schorsing aangekondigd. Meneer de voorzitter, ik dacht dat het uw prerogatief was om een schorsing aan te kondigen en ik zou dan minstens wel graag een reden hebben. Ik ga er inderdaad ook vanuit dat een meerderheid vooraf overlegt. Is dat dan blijkbaar niet gebeurd? Ik mag hopen dat die schorsing na zo’n lang debat tot tien minuten kan worden beperkt. Het kan toch niet de bedoeling zijn dat van een zo zwaarwegend debat met stemming openlijk een politieke koehandel wordt gemaakt en dat daarom het democratisch debat wordt uitgesteld. Dat kunnen wij niet begrijpen. |
Mme Celia Groothedde (Ecolo‑Groen). – Une suspension de séance peut bien sûr être demandée, mais je pense que nous aimerions tous savoir ce qui la justifie. Nous étions en plein débat et, tout à coup, on nous annonce une suspension. Monsieur le président, je pensais que c’était votre prérogative d’annoncer une suspension et je souhaiterais, à tout le moins, en connaître la raison. Je considère en effet qu’une majorité se concerte au préalable. De toute évidence, cela n’a pas été le cas. J’ose espérer qu’après un débat aussi long, cette suspension pourra être limitée à dix minutes. En tout cas, il ne peut absolument pas être question de transformer ouvertement un débat aussi important, assorti d’un vote, en marchandage politique, et de reporter pour cela le débat démocratique. Nous ne pouvons pas l’accepter. |
|
|||
|
De heer Klaas Slootmans (Vlaams Belang). – Het getuigt van een gebrek aan respect om hier een schorsing te vragen en niet te wachten op een toezegging van u, mijnheer de voorzitter, wiens prerogatief dat nochtans is, en vervolgens gewoon op te stappen. Iedereen heeft hier de gelegenheid gekregen om zijn voor- en tegenargumenten te geven, maanden aan een stuk, zelfs jaren aan een stuk, in dit fundamentele debat. En dan stapt men hier gewoon op, zonder dat er ook maar enige toezegging is van u of van dit parlement. Ik vind dat eigenlijk blijk geven van dedain tegenover deze assemblee en wij steunen die schorsing dan ook niet. Bovendien: de tien minuten die gevraagd werden, zijn intussen al voorbij. |
M. Klaas Slootmans (Vlaams Belang). – Monsieur le président, c’est faire preuve d’un manque total de respect de demander ici une suspension de séance sans attendre votre assentiment, alors même qu’il relève de votre prérogative de l’accorder, et ensuite de quitter simplement l’hémicycle. Dans le cadre de ce débat fondamental, chacun a eu ici l’occasion de faire valoir ses arguments, dans un sens comme dans l’autre, pendant des mois, voire des années. Et l’on s’en va ainsi, sans le moindre assentiment de votre part ou de ce Parlement. Je considère que cela témoigne d’un véritable mépris à l’égard de cette assemblée, et nous ne soutenons donc pas cette suspension. D’ailleurs, les dix minutes qui avaient été demandées sont déjà écoulées. |
|
|||
|
De voorzitter. – Ik stel voor onze werkzaamheden te schorsen gedurende 10 minuten. |
M. le président. – Je vous propose de suspendre nos travaux pendant 10 minutes ? |
|
|||
|
(Instemming) |
(Assentiment) |
|
|||
|
(De vergadering wordt geschorst om 14.40 uur. Ze wordt hervat om 15.30 uur.) |
(La séance, suspendue à 14 h 40, est reprise à 15 h 30.) |
|
|||
|
De voorzitter. – Ik stel vast dat de fracties van MR en Les Engagés nog niet teruggekeerd zijn naar de vergadering. Het quorum om te stemmen is wel bereikt en we kunnen dus overgaan tot de stemming. Wenst u de vergadering te hervatten? |
M. le président. – Je constate que les groupes MR et Les Engagés ne sont pas encore revenus en séance. Le quorum requis pour les votes est cependant atteint et nous pouvons donc procéder aux votes. Souhaitez‑vous reprendre la séance ? |
|
|||
|
Mevrouw Anne Lambelin (PS). – Mijnheer de voorzitter, ik zie mij genoodzaakt u te laten weten dat ik uiterst verbaasd ben. Wat is er aan de hand in uw assemblee? Waarom zijn de banken van de MR nu leeg? Ik zie dat de fractievoorzitster van Les Engagés zich bij ons voegt. Wat is er vandaag aan de hand in deze vergadering? Het enige mogelijke antwoord is, naar mijn mening, een schrijnend gebrek aan ernstig werk. Het werk dat u hebt opgezet en besloten hebt in slechts twee commissievergaderingen uit te voeren, getuigt niet van ernst. Het is een weerspiegeling van wat hier gaande is en van de democratische grenzen waarop we vandaag in deze vergadering botsen. Wij willen het werk voortzetten, mijnheer de voorzitter, zoals u hebt gevraagd. |
Mme Anne Lambelin (PS). – Monsieur le président, il est de mon devoir de vous faire part de mon plus grand étonnement. Que se passe‑t‑il dans votre assemblée ? Que se passe‑t‑il aujourd’hui pour que les bancs du MR soient vides ? Je vois la cheffe de groupe des Engagés qui nous rejoint. Que se passe‑t‑il dans cette assemblée aujourd’hui ? La seule réponse possible, à mes yeux, est un manque cruel de travail sérieux. Le travail que vous avez mis en place et décidé d’exécuter en seulement deux réunions de commission manque de sérieux. C’est le reflet même de ce qui est en train de se passer ici et des limites démocratiques auxquelles nous nous heurtons aujourd’hui dans cette assemblée. Nous souhaitons poursuivre les travaux, Monsieur le président, comme vous l’avez demandé. |
|
|||
|
Mevrouw Stephanie D’Hose (Anders.). – Ik voel mij bekocht als mede‑indienster van het wetsvoorstel. Dit had eigenlijk een hoogdag moeten zijn van de democratie. Dit had een dag moeten zijn waarop wij politici onze job deden. Dit had een dag moeten zijn waarop geluisterd wordt naar miljoenen Belgen die al jaren de afschaffing van deze assemblee vragen. Het is een schande en ik vind het spijtig dat ze hier niet zijn. Maar waar zat de MR wanneer ze hun handtekening hebben gezet onder het regeerakkoord waarin de afschaffing van deze Senaat staat? Waar zat de MR wanneer ze het wetsvoorstel dat we vandaag zouden moeten goedkeuren, hebben goedgekeurd of ingediend? En waar zit de MR vandaag? |
Mme Stephanie D’Hose (Anders.). – En tant que cosignataire de la proposition de loi, j’ai le sentiment d’avoir été dupée. Cela aurait dû être un grand jour pour la démocratie, un jour où les hommes et les femmes politiques que nous sommes aurions fait notre travail en écoutant les millions de Belges qui réclament depuis des années la suppression de cette assemblée. C’est une honte et il est dommage qu’ils ne soient pas là. Mais où étaient les responsable du MR lorsqu’ils ont apposé leur signature au bas de l’accord de gouvernement prévoyant la suppression de ce Sénat ? Où étaient‑ils lorsqu’ils ont déposé ou approuvé la proposition de loi qui sera mise aux voix aujourd’hui ? Et où est le MR maintenant ? |
|
|||
|
De heer Karl Vanlouwe (N‑VA). – Dit is niet voor herhaling vatbaar. Het enige wat ik vraag, is dat we zouden overgaan tot de stemmingen. |
M. Karl Vanlouwe (N‑VA). – Il ne faut pas que cela se reproduise. Tout ce que je demande, c’est que nous procédions aux votes. |
|
|||
Stemmingen |
|
||||
|
(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.) |
(Les listes nominatives figurent en annexe.) |
|
|||
Herziening van artikel 195 van de Grondwet (Verklaring van de wetgevende macht, zie Belgisch Staatsblad, nr. 111 van 27 mei 2024) |
|
||||
Voorstel tot herziening van artikel 195 van de Grondwet (Doc 8‑127) |
Proposition de révision de l’article 195 de la Constitution (Doc. 8‑127). |
|
|||
|
De voorzitter. – We stemmen eerst over amendement nr. 1 van de heer Slootmans c.s. |
M. le président. – Nous votons d’abord sur l’amendement no 1 de M. Slootmans et consorts. |
|
|||
|
Stemming nr. 1 |
Vote no 1 |
|
|||
|
Aanwezig: 58 |
Présents : 58 |
|
|||
|
– Het amendement heeft niet de meerderheid, zoals artikel 195, laatste lid, van de Grondwet vereist behaald. – Het amendement is verworpen. |
– L’amendement n’a pas obtenu la majorité requise par l’article 195, dernier alinéa, de la Constitution. – L’amendement n’est pas adopté. |
|
|||
|
De voorzitter. – We stemmen nu over amendement nr. 2 van de heer Slootmans c.s. |
M. le président. – Nous votons maintenant sur l’amendement no 2 de M. Slootmans et consorts. |
|
|||
|
Stemming nr. 2 |
Vote no 2 |
|
|||
|
Aanwezig: 58 |
Présents : 58 |
|
|||
|
– Het amendement heeft niet de meerderheid, zoals artikel 195, laatste lid, van de Grondwet vereist behaald. – Het amendement is verworpen. |
– L’amendement n’a pas obtenu la majorité requise par l’article 195, dernier alinéa, de la Constitution. – L’amendement n’est pas adopté. |
|
|||
|
De voorzitter. – We stemmen nu over amendement nr. 3 van de heer Slootmans c.s. |
M. le président. – Nous votons à présent sur l’amendement no 3 de M. Slootmans et consorts. |
|
|||
|
Stemming nr. 3 |
Vote no 3 |
|
|||
|
Aanwezig: 58 |
Présents : 58 |
|
|||
|
– Het amendement heeft niet de meerderheid, zoals artikel 195, laatste lid, van de Grondwet vereist behaald. – Het amendement is verworpen. |
– L’amendement n’a pas obtenu la majorité requise par l’article 195, dernier alinéa, de la Constitution. – L’amendement n’est pas adopté. |
|
|||
|
De voorzitter. – We stemmen nu over amendement nr. 4 van mevrouw Scholzen. |
M. le président. – Nous votons maintenant sur l’amendement no 4 de Mme Scholzen. |
|
|||
|
Stemming nr. 4 |
Vote no 4 |
|
|||
|
Aanwezig: 58 |
Présents : 58 |
|
|||
|
– Het amendement heeft niet de meerderheid, zoals artikel 195, laatste lid, van de Grondwet vereist behaald. – Het amendement is verworpen. |
– L’amendement n’a pas obtenu la majorité requise par l’article 195, dernier alinéa, de la Constitution. – L’amendement n’est pas adopté. |
|
|||
|
De voorzitter. – We stemmen nu over amendement nr. 5 van mevrouw Bernard en de heer Cocciolo. |
M. le président. – Nous votons maintenant sur l’amendement no 5 de Mme Bernard et M. Cocciolo. |
|
|||
|
Stemming nr. 5 |
Vote no 5 |
|
|||
|
Aanwezig: 58 |
Présents : 58 |
|
|||
|
– Het amendement heeft niet de meerderheid, zoals artikel 195, laatste lid, van de Grondwet vereist behaald. – Het amendement is verworpen. |
– L’amendement n’a pas obtenu la majorité requise par l’article 195, dernier alinéa, de la Constitution. – L’amendement n’est pas adopté. |
|
|||
|
De voorzitter. – We stemmen ten slotte over het enig artikel. |
M. le président. – Nous votons enfin sur l’article unique. |
|
|||
|
Stemming nr. 6 |
Vote no 6 |
|
|||
|
Aanwezig: 58 |
Présents : 58 |
|
|||
|
– Het quorum en de meerderheid, zoals artikel 195, laatste lid, van de Grondwet vereist, zijn bereikt. – De bepaling is aangenomen. – Ze zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden. |
– Le quorum et la majorité requis par l’article 195, dernier alinéa, de la Constitution, sont atteints. – La disposition est adoptée. – Elle sera transmise à la Chambre des représentants. |
|
|||
|
Mevrouw Anne‑Catherine Goffinet (Les Engagés). – Mijnheer de voorzitter, ik wil graag mijn onthouding bij de stemming toelichten. Gedurende de werkzaamheden heb ik voortdurend gewezen op de punten waarvoor onze beweging belangrijke voorwaarden had gesteld, die in het regeerakkoord zijn opgenomen en die voorzien in het verkrijgen van de steun van andere parlementsleden om over de benodigde meerderheden te beschikken zonder de stemmen van extremistische partijen. Als ik vandaag naar de toespraken en uiteenzettingen luister, stel ik vast dat er een probleem is met betrekking tot die steun van andere parlementsleden. Ik heb ook gewezen op drie elementen die ons belangrijk lijken voor de voortzetting van het proces, waarover we in dit stadium dus geen enkele garantie hebben. Het eerste punt betreft de herziening van de Grondwet: de herzieningsprocedure, die momenteel via een bijzondere wet verloopt, mag niet worden versoepeld. Het tweede punt betreft de overdracht van de benoemingen van rechters bij het Grondwettelijk Hof: die bevoegdheid moet inderdaad volledig worden overgedragen aan de Kamer. Het derde punt, ten slotte, gaat over de gewaarborgde aanwezigheid van een vertegenwoordiger van de Duitstalige burgers binnen het federale bestel, met name in de Kamer. Op dit moment hebben we dus geen garanties over deze punten. Daarom heb ik mij namens mijn fractie onthouden bij de stemming, maar we willen niet dat het proces in deze fase wordt opgeschort of stopgezet. |
Mme Anne‑Catherine Goffinet (Les Engagés). – Monsieur le président, je souhaiterais motiver mon vote et mon abstention. Tout au long des travaux, j’ai signalé les points pour lesquels notre mouvement fixait des balises et des conditions importantes, notamment celles qui figurent dans l’accord de majorité et qui prévoient de recueillir l’assentiment d’autres parlementaires pour disposer des majorités nécessaires sans les voix des partis extrémistes. Je constate, en entendant les discours et les interventions aujourd’hui, qu’il y a un problème en ce qui concerne le soutien d’autres parlementaires. J’ai fait état aussi de trois éléments qui nous semblent importants pour la poursuite du processus, au sujet de laquelle nous n’avons donc aucune garantie à ce stade. Le premier élément concerne la révision de la Constitution : il ne faudrait pas que la procédure de révision, qui se fait actuellement par une loi spéciale, soit rendue plus facile. Le deuxième élément est le transfert des nominations des juges à la Cour constitutionnelle : la compétence doit bel et bien être intégralement transférée à la Chambre. Et, enfin, le troisième élément porte sur la nécessité de garantir la présence d’un représentant des citoyens germanophones au sein de l’entité fédérale, c’est‑à‑dire de la Chambre. Pour le moment, nous n’avons donc pas de garanties au sujet de ces balises. C’est pourquoi, au nom de mon groupe, je me suis abstenue lors du vote sur le texte, mais nous ne souhaitons pas que le processus soit suspendu ni arrêté en l’état. |
|
|||
|
De heer Gaëtan Van Goidsenhoven (MR). – Dank aan mijn collega die op enkele punten heeft gewezen. Ik ga natuurlijk niet terugkomen op de verstandige opmerkingen die mijn collega de heer Wahl tijdens het debat heeft gegeven. Wij konden inderdaad geen garantie krijgen over het feit of we niet afhankelijk zouden zijn van de stemmen van extreme partijen voor deze stemming. Er is echter zeer lang aangedrongen op de noodzaak om deze stemming tot stand te brengen met de steun van de democratische partijen. Dit verantwoordt dan ook onze onthouding. |
M. Gaëtan Van Goidsenhoven (MR). – Merci à ma collègue d’avoir rappelé un certain nombre de choses. Je ne vais évidemment pas revenir sur les remarques judicieuses qui ont été formulées par mon collègue, M. Wahl, durant nos débats. Nous ne pouvions effectivement avoir des garanties quant au fait que nous ne dépendions pas des extrêmes pour ce vote. Or, la nécessité de pouvoir consolider ce vote avec l’apport des partis démocratiques avait été longuement soulignée. Ainsi se justifie donc notre abstention. |
|
|||
|
Mevrouw Alice Bernard (PVDA‑PTB). – Zoals ik zei tijdens mijn betoog van daarnet, zijn wij het ermee eens dat het nodig is de Senaat in zijn huidige vorm af te schaffen. De weg waarop wij ons begeven roept echter veel vragen op. Er kan nog veel gebeuren tijdens het proces dat nu is opgestart. We zullen zien hoe de situatie evolueert. Het lijkt ons in elk geval verstandig om ons voorlopig te onthouden. |
Mme Alice Bernard (PVDA‑PTB). – Comme je l’ai dit dans mon intervention tout à l’heure, nous sommes d’accord sur la nécessité de mettre fin au Sénat tel qu’il se présente aujourd’hui, mais la voie sur laquelle on s’engage nous pose beaucoup de questions. Beaucoup de choses peuvent encore se passer dans le processus qui est maintenant lancé, et nous verrons comment la situation évoluera. Il nous semble en tout cas judicieux, pour le moment, de nous abstenir. |
|
|||
Voorstel van bijzondere wet tot wijziging van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (Doc. 8‑148) |
|
||||
|
De voorzitter. – We stemmen eerst over amendement nr. 10 op artikel 2 van mevrouw Scholzen. |
M. le président. – Nous votons d’abord sur l’amendement no 10 à l’article 2 de Mme Scholzen. |
|
|||
|
Stemming nr. 7 |
Vote no 7 |
|
|||
|
Nederlandse taalgroep Aanwezig: 35 |
Groupe linguistique néerlandais Présents : 35 |
|
|||
|
Franse taalgroep Aanwezig: 22 |
Groupe linguistique français Présents : 22 |
|
|||
|
De Duitstalige gemeenschapssenator heeft voorgestemd. |
Le sénateur de communauté germanophone a voté pour. |
|
|||
|
– Het quorum bepaald in artikel 4, derde lid, van de Grondwet is bereikt. – Het amendement heeft twee derden van de uitgebrachte stemmen niet behaald. – Het amendement heeft de meerderheid van de uitgebrachte stemmen in elke taalgroep niet behaald. |
– Le quorum prévu par l’article 4, alinéa 3, de la Constitution a été atteint. – L’amendement n’a pas atteint les deux tiers des suffrages exprimés. – L’amendement n’a pas atteint la majorité des suffrages dans chaque groupe linguistique. |
|
|||
|
– Het amendement is niet aangenomen. |
– L’amendement n’est pas adopté. |
|
|||
|
De voorzitter. – We stemmen nu over artikel 2. |
M. le président. – Nous votons à présent sur l’article 2. |
|
|||
|
Stemming nr. 8 |
Vote no 8 |
|
|||
|
Nederlandse taalgroep Aanwezig: 35 |
Groupe linguistique néerlandais Présents : 35 |
|
|||
|
Franse taalgroep Aanwezig: 22 |
Groupe linguistique français Présents : 22 |
|
|||
|
De Duitstalige gemeenschapssenator heeft tegengestemd. |
Le sénateur de communauté germanophone a voté contre. |
|
|||
|
– Het quorum bepaald in artikel 4, derde lid, van de Grondwet is bereikt. – Het artikel heeft twee derden van de uitgebrachte stemmen behaald. – Het artikel heeft de meerderheid van de uitgebrachte stemmen in elke taalgroep behaald. |
– Le quorum prévu par l’article 4, alinéa 3, de la Constitution a été atteint. – L’article a atteint les deux tiers des suffrages exprimés. – L’article a atteint la majorité des suffrages dans chaque groupe linguistique. |
|
|||
|
– Het artikel is aangenomen. |
– L’article est adopté. |
|
|||
|
De voorzitter. – We stemmen ten slotte over het voorstel van bijzondere wet in zijn geheel. |
M. le président. – Nous votons enfin sur la proposition de loi spéciale dans son ensemble. |
|
|||
|
Stemming nr. 9 |
Vote no 9 |
|
|||
|
Nederlandse taalgroep Aanwezig: 35 |
Groupe linguistique néerlandais Présents : 35 |
|
|||
|
Franse taalgroep Aanwezig: 22 |
Groupe linguistique français Présents : 22 |
|
|||
|
De Duitstalige gemeenschapssenator heeft tegengestemd. |
Le sénateur de communauté germanophone a voté contre. |
|
|||
|
– Het quorum bepaald in artikel 4, derde lid, van de Grondwet is bereikt. – Het voorstel van bijzondere wet heeft twee derden van de uitgebrachte stemmen behaald. – Het voorstel heeft de meerderheid van de uitgebrachte stemmen in elke taalgroep behaald. |
– Le quorum prévu par l’article 4, alinéa 3, de la Constitution a été atteint. – La proposition de loi spéciale a atteint les deux tiers des suffrages exprimés. – La proposition a atteint la majorité des suffrages dans chaque groupe linguistique. |
|
|||
|
– Het voorstel van bijzondere wet is aangenomen. |
– La proposition de loi spéciale est adoptée. |
|
|||
|
– Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden. |
– Elle sera transmise à la Chambre des représentants. |
|
|||
Regeling van de werkzaamheden |
|
||||
|
De voorzitter. – De agenda van deze vergadering is afgewerkt. De volgende vergadering vindt plaats op vrijdag 29 mei 2026. |
M. le président. – L’ordre du jour de la présente séance est ainsi épuisé. La prochaine séance aura lieu le vendredi 29 mai 2026. |
|
|||
|
(De vergadering wordt gesloten om 15.56 uur.) |
(La séance est levée à 15 h 56.) |
|
|||
Berichten van verhindering |
|
||||
|
Afwezig met bericht van verhindering: de heren Dodrimont en Koyuncu. |
MM. Dodrimont et Koyuncu demandent d’excuser leur absence à la présente séance. |
|
|||
|
– Voor kennisgeving aangenomen. |
– Pris pour information. |
|
|||
Bijlage |
|
||||
|
Naamstemmingen |
|
|||
|
Stemming nr. 1 |
Vote no 1 |
|
||
|
Aanwezig: 58 |
Présents : 58 |
|
||
|
Voor |
Pour |
|
||
|
Buysse Yves, D Brabandere Bob, Deckmyn Johan, Slagmulder Kristof, Slootmans Klaas, Van dermeersch Anke, Verheyden Wim, Verreyt Hans |
|
|||
|
Tegen |
Contre |
|
||
|
Ahallouch Fatima, Ammi Jamila, Bernard Alice, Blondel Vincent, Burssens Debby, Capoen An, Claes Allessia, Cocciolo Antonio, Coel Arnout, D'Hose Stephanie, Dalle Benjamin, Debaets Bianca, De Bue Valérie, De Roo Stijn, Desalle Caroline, Diallo Elhadj Moussa, Diericx Manu, Durenne Véronique, El Hajjaji Hajib, El Yousfi Nadia, Goffinet Anne-Catherine, Groothedde Celia, Gryffroy Andries, Hendrickx Marc, Lambelin Anne, Liekens Goedele, Maghroud Nawal, Michielsen Mauro, Mvumbi Luzolo Marie-Claire, Özen Özlem, Partyka Katrien, Pieters Andy, Pillen Jasper, Platteau Eva, Scholzen Liesa, Segers Katia, Teitelbaum Viviane, Thoron Stéphanie, Tombeur Ine, d'Ursel Anne-Charlotte, Van Gestel Raf, Van Goidsenhoven Gaëtan, Vanlouwe Karl, Van Rompuy Peter, Vanryckegem Griet, Van Tendeloo Kelly, Van Walle Patricia, Verduyckt Kris, Wahl Jean-Paul, Witsel Thierry |
|
|||
|
Stemming nr. 2 |
Vote no 2 |
|
||
|
Aanwezig: 58 |
Présents : 58 |
|
||
|
Voor |
Pour |
|
||
|
Buysse Yves, De Brabandere Bob, Deckmyn Johan, Slagmulder Kristof, Slootmans Klaas, Van dermeersch Anke, Verheyden Wim, Verreyt Hans |
|
|||
|
Tegen |
Contre |
|
||
|
Ahallouch Fatima, Ammi Jamila, Bernard Alice, Blondel Vincent, Burssens Debby, Capoen An, Claes Allessia, Cocciolo Antonio, Coel Arnout, D'Hose Stephanie, Dalle Benjamin, Debaets Bianca, De Bue Valérie, De Roo Stijn, Desalle Caroline, Diallo Elhadj Moussa, Diericx Manu, Durenne Véronique, El Hajjaji Hajib, El Yousfi Nadia, Goffinet Anne-Catherine, Groothedde Celia, Gryffroy Andries, Hendrickx Marc, Lambelin Anne, Liekens Goedele, Maghroud Nawal, Michielsen Mauro, Mvumbi Luzolo Marie-Claire, Özen Özlem, Partyka Katrien, Pieters Andy, Pillen Jasper, Platteau Eva, Scholzen Liesa, Segers Katia, Teitelbaum Viviane, Thoron Stéphanie, Tombeur Ine, d'Ursel Anne-Charlotte, Van Gestel Raf, Van Goidsenhoven Gaëtan, Vanlouwe Karl, Van Rompuy Peter, Vanryckegem Griet, Van Tendeloo Kelly, Van Walle Patricia, Verduyckt Kris, Wahl Jean-Paul, Witsel Thierry |
|
|||
|
Stemming nr. 3 |
Vote no 3 |
|
||
|
Aanwezig: 58 |
Présents : 58 |
|
||
|
Voor |
Pour |
|
||
|
Buysse Yves, De Brabandere Bob, Deckmyn Johan, Slagmulder Kristof, Slootmans Klaas, Van dermeersch Anke, Verheyden Wim, Verreyt Hans |
|
|||
|
Tegen |
Contre |
|
||
|
Ahallouch Fatima, Ammi Jamila, Bernard Alice, Blondel Vincent, Burssens Debby, Capoen An, Claes Allessia, Cocciolo Antonio, Coel Arnout, D'Hose Stephanie, Dalle Benjamin, Debaets Bianca, De Bue Valérie, De Roo Stijn, Desalle Caroline, Diallo Elhadj Moussa, Diericx Manu, Durenne Véronique, El Hajjaji Hajib, El Yousfi Nadia, Goffinet Anne-Catherine, Groothedde Celia, Gryffroy Andries, Hendrickx Marc, Lambelin Anne, Liekens Goedele, Maghroud Nawal, Michielsen Mauro, Mvumbi Luzolo Marie-Claire, Özen Özlem, Partyka Katrien, Pieters Andy, Pillen Jasper, Platteau Eva, Scholzen Liesa, Segers Katia, Teitelbaum Viviane, Thoron Stéphanie, Tombeur Ine, d'Ursel Anne-Charlotte, Van Gestel Raf, Van Goidsenhoven Gaëtan, Vanlouwe Karl, Van Rompuy Peter, Vanryckegem Griet, Van Tendeloo Kelly, Van Walle Patricia, Verduyckt Kris, Wahl Jean-Paul, Witsel Thierry |
|
|||
|
Stemming nr. 4 |
Vote no 4 |
|
||
|
Aanwezig: 58 |
Présents : 58 |
|
||
|
Voor |
Pour |
|
||
|
Ammi Jamila, Bernard Alice, Burssens Debby, Buysse Yves, Cocciolo Antonio, De Brabandere Bob, Deckmyn Johan, El Hajjaji Hajib, Scholzen Liesa, Slagmulder Kristof, Slootmans Klaas, Van dermeersch Anke, Van Gestel Raf, Van Walle Patricia, Verheyden Wim, Verreyt Hans |
|
|||
|
Tegen |
Contre |
|
||
|
Blondel Vincent, Capoen An, Claes Allessia, Coel Arnout, D'Hose Stephanie, Dalle Benjamin, Debaets Bianca, De Bue Valérie, De Roo Stijn, Desalle Caroline, Diallo Elhadj Moussa, Diericx Manu, Durenne Véronique, Goffinet Anne-Catherine, Groothedde Celia, Gryffroy Andries, Hendrickx Marc, Liekens Goedele, Maghroud Nawal, Michielsen Mauro, Mvumbi Luzolo Marie-Claire, Partyka Katrien, Pieters Andy, Pillen Jasper, Segers Katia, Teitelbaum Viviane, Thoron Stéphanie, Tombeur Ine, d'Ursel Anne-Charlotte, Van Goidsenhoven Gaëtan, Vanlouwe Karl, Van Rompuy Peter, Vanryckegem Griet, Van Tendeloo Kelly, Verduyckt Kris, Wahl Jean-Paul |
|
|||
|
Onthouding |
Abstention |
|
||
|
Ahallouch Fatima, El Yousfi Nadia, Lambelin Anne, Özen Özlem, Platteau Eva, Witsel Thierry |
|
|||
|
Stemming nr. 5 |
Vote no 5 |
|
||
|
Aanwezig: 58 |
Présents : 58 |
|
||
|
Voor |
Pour |
|
||
|
Ammi Jamila, Bernard Alice, Burssens Debby, Cocciolo Antonio, Van Gestel Raf, Van Walle Patricia |
|
|||
|
Tegen |
Contre |
|
||
|
Blondel Vincent, Buysse Yves, Capoen An, Claes Allessia, Coel Arnout, D'Hose Stephanie, Dalle Benjamin, Debaets Bianca, De Brabandere Bob, De Bue Valérie, Deckmyn Johan, De Roo Stijn, Desalle Caroline, Diallo Elhadj Moussa, Diericx Manu, Durenne Véronique, El Hajjaji Hajib, Goffinet Anne-Catherine, Groothedde Celia, Gryffroy Andries, Hendrickx Marc, Liekens Goedele, Maghroud Nawal, Michielsen Mauro, Mvumbi Luzolo Marie-Claire, Partyka Katrien, Pieters Andy, Pillen Jasper, Platteau Eva, Segers Katia, Slagmulder Kristof, Slootmans Klaas, Teitelbaum Viviane, Thoron Stéphanie, Tombeur Ine, d'Ursel Anne-Charlotte, Van dermeersch Anke, Van Goidsenhoven Gaëtan, Vanlouwe Karl, Van Rompuy Peter, Vanryckegem Griet, Van Tendeloo Kelly, Verduyckt Kris, Verheyden Wim, Verreyt Hans, Wahl Jean-Paul |
|
|||
|
Onthouding |
Abstention |
|
||
|
Ahallouch Fatima, El Yousfi Nadia, Lambelin Anne, Özen Özlem, Scholzen Liesa, Witsel Thierry |
|
|||
|
Stemming nr. 6 |
Vote no 6 |
|
||
|
Aanwezig: 58 |
Présents : 58 |
|
||
|
Voor |
Pour |
|
||
|
Blondel Vincent, Buysse Yves, Capoen An, Claes Allessia, Coel Arnout, D'Hose Stephanie, Dalle Benjamin, Debaets Bianca, De Brabandere Bob, Deckmyn Johan, De Roo Stijn, Desalle Caroline, Diallo Elhadj Moussa, Diericx Manu, Gryffroy Andries, Hendrickx Marc, Liekens Goedele, Maghroud Nawal, Michielsen Mauro, Mvumbi Luzolo Marie-Claire, Partyka Katrien, Pieters Andy, Pillen Jasper, Platteau Eva, Segers Katia, Slagmulder Kristof, Slootmans Klaas, Tombeur Ine, Van dermeersch Anke, Vanlouwe Karl, Van Rompuy Peter, Vanryckegem Griet, Van Tendeloo Kelly, Verduyckt Kris, Verheyden Wim, Verreyt Hans |
|
|||
|
Tegen |
Contre |
|
||
|
Ahallouch Fatima, El Hajjaji Hajib, El Yousfi Nadia, Groothedde Celia, Lambelin Anne, Özen Özlem, Scholzen Liesa, Witsel Thierry |
|
|||
|
Onthouding |
Abstention |
|
||
|
Ammi Jamila, Bernard Alice, Burssens Debby, Cocciolo Antonio, De Bue Valérie, Durenne Véronique, Goffinet Anne-Catherine, Teitelbaum Viviane, Thoron Stéphanie, d'Ursel Anne-Charlotte, Van Gestel Raf, Van Goidsenhoven Gaëtan, Van Walle Patricia, Wahl Jean-Paul |
|
|||
|
Stemming nr. 7 |
Vote no 7 |
|
||
|
Nederlandse taalgroep Aanwezig: 35 |
Groupe linguistique néerlandais Présents : 35 |
|
||
|
Voor |
Pour |
|
||
|
Burssens Debby, Van Gestel Raf |
||||
|
Tegen |
Contre |
|
||
|
Capoen An, Claes Allessia, Coel Arnout, D'Hose Stephanie, Dalle Benjamin, Debaets Bianca, De Roo Stijn, Diericx Manu, Gryffroy Andries, Hendrickx Marc, Liekens Goedele, Maghroud Nawal, Michielsen Mauro, Partyka Katrien, Pieters Andy, Pillen Jasper, Segers Katia, Tombeur Ine, Vanlouwe Karl, Van Rompuy Peter, Vanryckegem Griet, Van Tendeloo Kelly, Verduyckt Kris |
|
|||
|
Onthouding |
Abstention |
|
||
|
Buysse Yves, De Brabandere Bob, Deckmyn Johan, Groothedde Celia, Platteau Eva, Slagmulder Kristof, Slootmans Klaas, Van dermeersch Anke, Verheyden Wim, Verreyt Hans |
|
|||
|
Franse taalgroep Aanwezig: 22 |
Groupe linguistique français Présents : 22 |
|
||
|
Voor |
Pour |
|
||
|
Ammi Jamila, Bernard Alice, Cocciolo Antonio, El Hajjaji Hajib, Van Walle Patricia |
||||
|
Tegen |
Contre |
|
||
|
Blondel Vincent, De Bue Valérie, Desalle Caroline, Diallo Elhadj Moussa, Durenne Véronique, Goffinet Anne-Catherine, Mvumbi Luzolo Marie-Claire, Teitelbaum Viviane, Thoron Stéphanie, d'Ursel Anne-Charlotte, Van Goidsenhoven Gaëtan, Wahl Jean-Paul |
|
|||
|
Onthouding |
Abstention |
|
||
|
Ahallouch Fatima, El Yousfi Nadia, Lambelin Anne, Özen Özlem, Witsel Thierry |
|
|||
|
Duitstalige gemeenschapssenator |
Sénateur de communauté germanophone |
|
||
|
Voor |
Pour |
|
||
|
Scholzen Liesa |
|
|||
|
Stemming nr. 8 |
Vote no 8 |
|
||
|
Nederlandse taalgroep Aanwezig: 35 |
Groupe linguistique néerlandais Présents : 35 |
|
||
|
Voor |
Pour |
|
||
|
Capoen An, Claes Allessia, Coel Arnout, D'Hose Stephanie, Dalle Benjamin, Debaets Bianca, De Roo Stijn, Diericx Manu, Gryffroy Andries, Hendrickx Marc, Liekens Goedele, Maghroud Nawal, Michielsen Mauro, Partyka Katrien, Pieters Andy, Pillen Jasper, Segers Katia, Tombeur Ine, Vanlouwe Karl, Van Rompuy Peter, Vanryckegem Griet, Van Tendeloo Kelly, Verduyckt Kris |
||||
|
Onthouding |
Abstention |
|
||
|
Burssens Debby, Buysse Yves, De Brabandere Bob, Deckmyn Johan, Groothedde Celia, Platteau Eva, Slagmulder Kristof, Slootmans Klaas, Van dermeersch Anke, Van Gestel Raf, Verheyden Wim, Verreyt Hans |
|
|||
|
Franse taalgroep Aanwezig: 22 |
Groupe linguistique français Présents : 22 |
|
||
|
Voor |
Pour |
|
||
|
Blondel Vincent, De Bue Valérie, Desalle Caroline, Diallo Elhadj Moussa, Durenne Véronique, Goffinet Anne-Catherine, Mvumbi Luzolo Marie-Claire, Teitelbaum Viviane, Thoron Stéphanie, d'Ursel Anne-Charlotte, Van Goidsenhoven Gaëtan, Wahl Jean-Paul |
||||
|
Tegen |
Contre |
|
||
|
Ahallouch Fatima, El Yousfi Nadia, Lambelin Anne, Özen Özlem, Witsel Thierry |
|
|||
|
Onthouding |
Abstention |
|
||
|
Ammi Jamila, Bernard Alice, Cocciolo Antonio, El Hajjaji Hajib, Van Walle Patricia |
|
|||
|
Duitstalige gemeenschapssenator |
Sénateur de communauté germanophone |
|
||
|
Tegen |
Contre |
|
||
|
Scholzen Liesa |
|
|
||
|
Stemming nr. 9 |
Vote no 9 |
|
||
|
Nederlandse taalgroep Aanwezig: 35 |
Groupe linguistique néerlandais Présents : 35 |
|
||
|
Voor |
Pour |
|
||
|
Capoen An, Claes Allessia, Coel Arnout, D'Hose Stephanie, Dalle Benjamin, Debaets Bianca, De Roo Stijn, Diericx Manu, Gryffroy Andries, Hendrickx Marc, Liekens Goedele, Maghroud Nawal, Michielsen Mauro, Partyka Katrien, Pieters Andy, Pillen Jasper, Segers Katia, Tombeur Ine, Vanlouwe Karl, Van Rompuy Peter, Vanryckegem Griet, Van Tendeloo Kelly, Verduyckt Kris |
||||
|
Onthouding |
Abstention |
|
||
|
Burssens Debby, Buysse Yves, De Brabandere Bob, Deckmyn Johan, Groothedde Celia, Platteau Eva, Slagmulder Kristof, Slootmans Klaas, Van dermeersch Anke, Van Gestel Raf, Verheyden Wim, Verreyt Hans |
|
|||
|
Franse taalgroep Aanwezig: 22 |
Groupe linguistique français Présents : 22 |
|
||
|
Voor |
Pour |
|
||
|
Blondel Vincent, De Bue Valérie, Desalle Caroline, Diallo Elhadj Moussa, Durenne Véronique, Goffinet Anne-Catherine, Mvumbi Luzolo Marie-Claire, Teitelbaum Viviane, Thoron Stéphanie, d'Ursel Anne-Charlotte, Van Goidsenhoven Gaëtan, Wahl Jean-Paul |
||||
|
Tegen |
Contre |
|
||
|
Ahallouch Fatima, El Yousfi Nadia, Lambelin Anne, Özen Özlem, Witsel Thierry |
|
|||
|
Onthouding |
Abstention |
|
||
|
Ammi Jamila, Bernard Alice, Cocciolo Antonio, El Hajjaji Hajib, Van Walle Patricia |
|
|||
|
Duitstalige gemeenschapssenator |
Sénateur de communauté germanophone |
|
||
|
Tegen |
Contre |
|
||
|
Scholzen Liesa |
|
|
||
In overweging genomen voorstellen |
|
||||
|
Voorstellen van resolutie |
Propositions de résolution |
|
|||
|
Voorstel van resolutie ter bestrijding van geweld tegen vrouwen die politiek actief zijn (van de dames Özlem Özen en Anne Lambelin; Doc. 8‑195/1). |
Proposition de résolution visant à lutter contre les violences à l’égard des femmes engagées en politique (de Mmes Özlem Özen et Anne Lambelin ; Doc. 8‑195/1). |
|
|||
|
– Commissie voor de Transversale Aangelegenheden – Gemeenschapsbevoegdheden – Gelijke kansen voor vrouwen en mannen |
– Commission des Matières transversales – Compétences communautaires – Égalité des chances entre les femmes et les hommes |
|
|||
|
Voorstel van resolutie ter bestrijding van gendergerelateerde discriminatie in het tijdperk van artificiële intelligentie (van de dames Fatima Ahallouch en Nadia El Yousfi; Doc. 8‑196/1). |
Proposition de résolution visant à lutter contre la discrimination genrée à l’ère de l’intelligence artificielle (de Mmes Fatima Ahallouch et Nadia El Yousfi ; Doc. 8‑196/1). |
|
|||
|
– Commissie voor de Transversale Aangelegenheden – Gemeenschapsbevoegdheden – Gelijke kansen voor vrouwen en mannen |
– Commission des Matières transversales – Compétences communautaires – Égalité des chances entre les femmes et les hommes |
|
|||
|
Voorstel van resolutie betreffende de erkenning en betere integratie van de genderdimensie in het gezondheidsbeleid (van de dames Caroline Desalle, Marie‑Claire Mvumbi en Anne‑Catherine Goffinet en de heer Elhadj Moussa Diallo; Doc. 8‑198/1). |
Proposition de résolution relative à la reconnaissance et à une meilleure prise en compte de la dimension de genre dans les politiques de santé (de Mmes Caroline Desalle, Marie‑Claire Mvumbi et Anne‑Catherine Goffinet et M. Elhadj Moussa Diallo ; Doc. 8‑198/1). |
|
|||
|
– Commissie voor de Transversale Aangelegenheden – Gemeenschapsbevoegdheden – Gelijke kansen voor vrouwen en mannen |
– Commission des Matières transversales – Compétences communautaires – Égalité des chances entre les femmes et les hommes |
|
|||
Vergadering van de Franse Gemeenschapscommissie |
|
||||
|
Bij boodschap van 25 februari 2026 heeft de Vergadering van de Franse Gemeenschapscommissie aan de Senaat laten weten dat die zich ter vergadering van die dag geconstitueerd heeft. |
Par message du 25 février 2026, l’Assemblée de la Commission communautaire française a fait connaître au Sénat qu’elle s’est constituée en sa séance de ce jour. |
|
|||
|
– Voor kennisgeving aangenomen. |
– Pris pour notification. |
|
|||
Raad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie |
|
||||
|
Bij boodschap van 6 maart 2026 heeft de Raad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie aan de Senaat laten weten dat die zich ter vergadering van die dag geconstitueerd heeft. |
Par message du 6 mars 2026, l’Assemblée de la Commission communautaire flamande a fait connaître au Sénat qu’elle s’est constituée en sa séance de ce jour. |
|
|||
|
– Voor kennisgeving aangenomen. |
– Pris pour notification. |
|
|||
Overlijden van een oud‑senator |
|
||||
|
De Senaat heeft met groot leedwezen kennis gekregen van het overlijden van de heer Herman Suykerbuyk, oud‑senator. |
Le Sénat a appris avec un vif regret le décès de Monsieur Herman Suykerbuyk, ancien sénateur. |
|
|||
|
De voorzitter heeft het rouwbeklag van de Vergadering aan de familie van het betreurde gewezen medelid betuigd. |
Le président a adressé les condoléances de l’Assemblée à la famille du regretté ancien collègue. |
|
|||
Boodschap van de Kamer |
|
||||
|
Bij boodschap van 19 maart 2026 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals het ter vergadering van dezelfde dag werd aangenomen: |
Par message du 19 mars 2026, la Chambre des représentants a transmis au Sénat, tel qu’il a été adopté en sa séance du même jour : |
|
|||
|
Artikel 78 van de Grondwet |
Article 78 de la Constitution |
|
|||
|
Wetsontwerp houdende diverse bepalingen inzake economie (II) (Doc. 8‑194/1). |
Projet de loi portant dispositions diverses en matière d’économie (II) (Doc. 8‑194/1). |
|
|||
|
– Het wetsontwerp werd ontvangen op 20 maart 2026; de uiterste datum voor evocatie is dinsdag 7 april 2026. |
– Le projet de loi a été reçu le 20 mars 2026 ; la date limite d’évocation est le mardi 7 avril 2026. |
|
|||
Grondwettelijk Hof – Arresten |
|
||||
|
Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, geeft de griffier van het Grondwettelijk Hof kennis aan de voorzitter van de Senaat van: |
En application de l’article 113 de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour constitutionnelle, le greffier de la Cour constitutionnelle notifie au président du Sénat : |
|
|||
|
– het arrest nr. 23/2026, uitgesproken op 26 februari 2026, inzake de vorderingen tot schorsing: |
– l’arrêt no 23/2026, rendu le 26 février 2026, en cause les demandes de suspension : |
|
|||
|
- van de wet van 14 juli 2025 [tot wijziging van de] wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wat betreft de behandeling van een volgend verzoek om internationale bescherming, ingesteld door Z.W. en anderen, door C.Z. en anderen, door A. S A H., door A. A A J., door A.N. en anderen en door F.B. en anderen; |
- de la loi du 14 juillet 2025 [modifiant la] loi du 15 décembre 1980 sur l’accès au territoire, le séjour, l’établissement et l’éloignement des étrangers en ce qui concerne le traitement d’une demande ultérieure de protection internationale, introduites par Z.W. et autres, par C.Z. et autres, par A. S A H., par A. A A J., par A.N. et autres et par F.B. et autres ; |
|
|||
|
- van de artikelen 2, 4 en 5 van de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen, ingesteld door Z.W. en anderen, door A. S A H., door A. A A J., door F.B. en anderen, door A.N. en anderen, door C.Z. en anderen, door A. M A R., door R. M M A., door H.Y., door S.J. L.M. en R.J. C.L., door Y.I.S. F., door E.D. M.E. en E.D. M.E., door S.N. M. en door M.S. en A.S. (rolnummers 8548, 8549, 8550, 8551, 8552, 8553, 8554, 8555, 8556, 8557, 8558, 8559, 8561, 8562, 8563, 8564, 8565, 8566, 8567 en 8568); |
- des articles 2, 4 et 5 de la loi du 14 juillet 2025 modifiant la loi du 12 janvier 2007 sur l’accueil des demandeurs d’asile et de certaines autres catégories d’étrangers, introduites par Z.W. et autres, par A. S A H., par A. A A J., par F.B. et autres, par A.N. et autres, par C.Z. et autres, par A. M A R., par R. M M A., par H.Y., par S.J. L.M. et R.J. C.L., par Y.I.S. F., par E.D. M.E. et E.D. M.E., par S.N. M. et par M.S. et A.S. (numéros du rôle 8548, 8549, 8550, 8551, 8552, 8553, 8554, 8555, 8556, 8557, 8558, 8559, 8561, 8562, 8563, 8564, 8565, 8566, 8567 et 8568) ; |
|
|||
|
– het arrest nr. 24/2026, uitgesproken op 26 februari 2026, inzake de vorderingen tot schorsing van de artikelen 3, 5, 6, 8 en 9 van de wet van 18 juli 2025 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wat de voorwaarden voor gezinshereniging betreft, ingesteld door Muneer Sablal en Haifa Atya en door Akram Hasan en Abdullah Ahmed (rolnummers 8579 en 8580); |
– l’arrêt no 24/2026, rendu le 26 février 2026, en cause les demandes de suspension des articles 3, 5, 6, 8 et 9 de la loi du 18 juillet 2025 modifiant la loi du 15 décembre 1980 sur l’accès au territoire, le séjour, l’établissement et l’éloignement des étrangers en ce qui concerne les conditions pour le regroupement familial, introduites par Muneer Sablal et Haifa Atya et par Akram Hasan et Abdullah Ahmed (numéros du rôle 8579 et 8580) ; |
|
|||
|
– het arrest nr. 25/2026, uitgesproken op 5 maart 2026, inzake de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 1399, 1400, 1401, 1404, 1405, 1417 en 1432 van het oud Burgerlijk Wetboek, gesteld door de familierechtbank van de rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen (rolnummer 8453); |
– l’arrêt no 25/2026, rendu le 5 mars 2026, en cause les questions préjudicielles relatives aux articles 1399, 1400, 1401, 1404, 1405, 1417 et 1432 de l’ancien Code civil, posées par le tribunal de la famille du tribunal de première instance de Namur, division de Namur (numéro du rôle 8453) ; |
|
|||
|
– het arrest nr. 26/2026, uitgesproken op 5 maart 2026, inzake de prejudiciële vraag betreffende artikel 14 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor personen met een handicap, gesteld door het hof van beroep te Antwerpen (rolnummer 8497); |
– l’arrêt no 26/2026, rendu le 5 mars 2026, en cause la question préjudicielle relative à l’article 14 du décret de la Communauté flamande du 7 mai 2004 portant création de l’agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique Vlaams Agentschap voor personen met een handicap (Agence flamande pour les personnes handicapées), posée par la cour d’appel d’Anvers (numéro du rôle 8497) ; |
|
|||
|
– het arrest nr. 27/2026, uitgesproken op 5 maart 2026, inzake het beroep tot vernietiging van de artikelen 41 en 43 van de programmawet van 18 juli 2025, ingesteld door Michel Maus (rolnummer 8522); |
– l’arrêt no 27/2026, rendu le 5 mars 2026, en cause le recours en annulation des articles 41 et 43 de la loi‑programme du 18 juillet 2025, introduit par Michel Maus (numéro du rôle 8522) ; |
|
|||
|
– het arrest nr. 28/2026, uitgesproken op 5 maart 2026, inzake het beroep tot vernietiging van artikel 4, § 1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de preventie van of de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, ingesteld door J.T. (rolnummer 8529); |
– l’arrêt no 28/2026, rendu le 5 mars 2026, en cause le recours en annulation de l’article 4, § 1er, alinéa 2, de la loi du 3 juillet 1967 sur la prévention ou la réparation des dommages résultant des accidents du travail, des accidents survenus sur le chemin du travail et des maladies professionnelles dans le secteur public, introduit par J.T. (numéro du rôle 8529) ; |
|
|||
|
– het arrest nr. 30/2026, uitgesproken op 12 maart 2026, inzake het beroep tot vernietiging van de wet van 29 maart 2024 tot oprichting van de gemeenschappelijke gegevensbank “Terrorisme, Extremisme, Radicaliseringsproces” (“T.E.R.”) en tot wijziging van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, de wet van 30 juli 2018 tot oprichting van lokale integrale veiligheidscellen inzake radicalisme, extremisme en terrorisme en de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, ingesteld door de vzw Ligue des droits humains en de vzw Défense des enfants – International – Belgique (rolnummer 8349); |
– l’arrêt no 30/2026, rendu le 12 mars 2026, en cause le recours en annulation de la loi du 29 mars 2024 portant création de la banque de données commune « Terrorisme, Extrémisme, processus de Radicalisation » (« T. E.R. ») et modifiant la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l’égard des traitements de données à caractère personnel, la loi du 30 juillet 2018 portant création de cellules de sécurité intégrale locales en matière de radicalisme, d’extrémisme et de terrorisme et la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police, introduit par l’ASBL Ligue des droits humains et l’ASBL Défense des enfants – International – Belgique (numéro du rôle 8349) ; |
|
|||
|
– het arrest nr. 31/2026, uitgesproken op 19 maart 2026, inzake het beroep tot vernietiging van artikel 30 van de wet van 16 mei 2024 tot wijziging van het Belgisch Scheepvaartwetboek en diverse wetten betreffende de scheepvaartregelgeving, ingesteld door K.C. en anderen (rolnummer 8408); |
– l’arrêt no 31/2026, rendu le 19 mars 2026, en cause le recours en annulation de l’article 30 de la loi du 16 mai 2024 [modifiant] le Code belge de la navigation et […] différentes lois relatives à la réglementation de la navigation, introduit par K.C. et autres (numéro du rôle 8408) ; |
|
|||
|
– het arrest nr. 32/2026, uitgesproken op 19 maart 2026, inzake de prejudiciële vragen over artikel 3, § 5, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, gesteld door de Raad van State (rolnummer 8431); |
– l’arrêt no 32/2026, rendu le 19 mars 2026, en cause les questions préjudicielles relatives à l’article 3, § 5, de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques, posées par le Conseil d’État (numéro du rôle 8431) ; |
|
|||
|
– het arrest nr. 33/2026, uitgesproken op 19 maart 2026, inzake de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 1627, 1628 en 1629 van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel 184bis van het Wetboek der registratie‑, hypotheek- en griffierechten, gesteld door het hof van beroep te Brussel (rolnummer 8433); |
– l’arrêt no 33/2026, rendu le 19 mars 2026, en cause la question préjudicielle relative aux articles 1627, 1628 et 1629 du Code judiciaire, lus en combinaison avec l’article 184bis du Code des droits d’enregistrement, d’hypothèque et de greffe, posée par la cour d’appel de Bruxelles (numéro du rôle 8433) ; |
|
|||
|
– het arrest nr. 35/2026, uitgesproken op 19 maart 2026, inzake de prejudiciële vraag over het vijfde deel van het Gerechtelijk Wetboek, titel III, hoofdstuk IV, betreffende het uitvoerend beslag onder derden, gesteld door de rechtbank van eerste aanleg te Eupen (rolnummer 8599). |
– l’arrêt no 35/2026, rendu le 19 mars 2026, en cause la question préjudicielle concernant la cinquième partie du Code judiciaire, titre III, chapitre IV relatif à la saisie‑arrêt‑exécution, posée par le tribunal de première instance d’Eupen (numéro du rôle 8599). |
|
|||
|
– Voor kennisgeving aangenomen. |
– Pris pour notification. |
|
|||
Grondwettelijk Hof – Prejudiciële vragen |
|
||||
|
Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, geeft de griffier van het Grondwettelijk Hof aan de voorzitter van de Senaat kennis van: |
En application de l’article 77 de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour constitutionnelle, le greffier de la Cour constitutionnelle notifie au président du Sénat : |
|
|||
|
– de prejudiciële vraag over de artikelen 67 tot 69 van de wet van 26 december 2013 betreffende de invoering van een eenheidsstatuut tussen arbeiders en bedienden inzake de opzeggingstermijnen en de carenzdag en begeleidende maatregelen, gesteld door het arbeidshof te Brussel (rolnummer 8639); |
– la question préjudicielle relative aux article 67 à 69 de la loi du 26 décembre 2013 concernant l’introduction d’un statut unique entre ouvriers et employés en ce qui concerne les délais de préavis et le jour de carence ainsi que de mesures d’accompagnement, posée par la cour du travail de Bruxelles (numéro du rôle 8639) ; |
|
|||
|
– de prejudiciële vragen over artikel 35 van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970, en artikel 2277 van het oud Burgerlijk Wetboek, gesteld door het arbeidshof te Luik, afdeling Luik (rolnummer 8640); |
– les questions préjudicielles concernant l’article 35 des lois relatives à la prévention des maladies professionnelles et à la réparation des dommages résultant de celles‑ci, coordonnées le 3 juin 1970, et l’article 2277 de l’ancien Code civil, posées par la cour du travail de Liège, division de Liège (numéro du rôle 8640) ; |
|
|||
|
– de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 351 en 356‑4 van het oud Burgerlijk Wetboek, gesteld door het hof van beroep te Antwerpen (rolnummer 8642); |
– la question préjudicielle relative aux articles 351 et 356‑4 de l’ancien Code civil, posée par la cour d’appel d’Anvers (numéro du rôle 8642) ; |
|
|||
|
– de prejudiciële vraag betreffende artikel 442quater van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door het hof van beroep te Brussel (rolnummer 8644); |
– la question préjudicielle relative à l’article 442quater du Code des impôts sur les revenus 1992, posée par la cour d’appel de Bruxelles (numéro du rôle 8644) ; |
|
|||
|
– de prejudiciële vragen betreffende artikel 335, § 3, van het oud Burgerlijk Wetboek, gesteld door het hof van beroep te Bergen (rolnummer 8645). |
– les questions préjudicielles relatives à l’article 335, § 3, de l’ancien Code civil, posées par la cour d’appel de Mons (numéro du rôle 8645). |
|
|||
|
– Voor kennisgeving aangenomen. |
– Pris pour notification. |
|
|||
Grondwettelijk Hof – Beroepen |
|
||||
|
Met toepassing van artikel 76 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, geeft de griffier van het Grondwettelijk Hof kennis aan de voorzitter van de Senaat van: |
En application de l’article 76 de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour constitutionnelle, le greffier de la Cour constitutionnelle notifie au président du Sénat : |
|
|||
|
– het beroep tot vernietiging van de artikelen 96 tot 102 en 110 van het programmadecreet van de Franse Gemeenschap van 16 juli 2025 houdende diverse bepalingen betreffende onderwijs, schoolgebouwen en onderlinge Belgische betrekkingen, ingesteld door de vzw Conseil de l’enseignement des communes et des provinces (rolnummer 8641); |
– le recours en annulation des articles 96 à 102 et 110 du décret‑programme de la Communauté française du 16 juillet 2025 portant diverses dispositions relatives à l’enseignement, aux bâtiments scolaires et aux relations intra‑belges, introduit par l’ASBL Conseil de l’enseignement des communes et des provinces (numéro du rôle 8641) ; |
|
|||
|
– het beroep tot vernietiging van de wet van 24 oktober 2025 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek inzake de retributie ter financiering van de beheerskosten van het centraal register collectieve schuldenregelingen, ingesteld door Jo Van Campenhout en Jean Louis de Chaffoy de Courcelles (rolnummer 8463). |
– le recours en annulation de la loi du 24 octobre 2025 modifiant le Code judiciaire en ce qui concerne la redevance relative au financement des coûts de gestion du registre central des règlements collectifs de dettes, introduit par Jo Van Campenhout et Jean Louis de Chaffoy de Courcelles (numéro du rôle 8463). |
|
|||
|
– Voor kennisgeving aangenomen. |
– Pris pour notification. |
|
|||
Hof van Cassatie |
|
||||
|
Bij brief van 31 maart 2026 zenden de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie en de procureur‑generaal bij het Hof van Cassatie, overeenkomstig artikelen 340, § 3, vijfde lid, en 346, § 2, 2º, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het activiteitenverslag voor 2025 van het Hof van Cassatie, goedgekeurd tijdens de korpsvergadering van 17 maart 2026 en door de algemene vergadering van 27 maart 2026. |
Par lettre du 31 mars 2026, le premier président de la Cour de cassation et le procureur général près la Cour de cassation transmettent au Sénat, conformément aux articles 340, § 3, alinéa 5, et 346, § 2, 2º, du Code judiciaire, le rapport d’activité de l’année 2025 de la Cour de cassation, approuvé lors de l’assemblée de corps du 17 mars 2026 et par l’assemblée générale du 27 mars 2026. |
|
|||
|
– Neergelegd ter Griffie. |
– Dépôt au Greffe. |
|
|||
Parketten |
|
||||
|
Bij brief van 26 maart 2026 zendt de procureur des Konings te Oost‑Vlaanderen, overeenkomstig artikel 346, § 2, 2º, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag 2025 van het parket van de procureur des Konings te Oost‑Vlaanderen, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 26 maart 2026. |
Par lettre du 26 mars 2026, le procureur du Roi de Flandre orientale transmet au Sénat, conformément à l’article 346, § 2, 2º, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2025 du parquet du procureur du Roi de Flandre orientale, approuvé lors de son assemblée de corps du 26 mars 2026. |
|
|||
|
Bij brief van 31 maart 2026 zendt de procureur des Konings van Waals‑Brabant, overeenkomstig artikel 346, § 2, 2º, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag 2025 van het parket van de procureur des Konings van Waals‑Brabant, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 16 maart 2026. |
Par lettre du 31 mars 2026, le procureur du Roi du Brabant wallon transmet au Sénat, conformément à l’article 346, § 2, 2º, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2025 du parquet du procureur du Roi du Brabant wallon, approuvé lors de son assemblée de corps du 16 mars 2026. |
|
|||
|
– Neergelegd ter Griffie. |
– Dépôt au Greffe. |
|
|||
Parket voor de verkeersveiligheid |
|
||||
|
Bij brief van 27 maart 2026 zendt de procureur voor de verkeersveiligheid, overeenkomstig artikel 346, § 2, 2º, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag 2025 van het parket voor de verkeersveiligheid, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 23 maart 2026. |
Par lettre du 27 mars 2026, le procureur de la sécurité routière transmet au Sénat, conformément à l’article 346, § 2, 2º, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2025 du parquet de la sécurité routière, approuvé lors de son assemblée de corps du 23 mars 2026. |
|
|||
|
– Neergelegd ter Griffie. |
– Dépôt au Greffe. |
|
|||
Arbeidsauditoraten |
|
||||
|
Bij brief van 31 maart 2026 zendt de arbeidsauditeur van Antwerpen, overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag 2025 van het arbeidsauditoraat van Antwerpen, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 30 maart 2026. |
Par lettre du 31 mars 2026, l’auditeur du travail d’Anvers transmet au Sénat, conformément à l’article 346 du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2025 de l’auditorat du travail d’Anvers, approuvé lors de son assemblée de corps du 30 mars 2026. |
|
|||
|
Bij brieven van 17 maart 2026 zendt de arbeidsauditeur van Halle‑Vilvoorde, overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag 2025 van het arbeidsauditoraat van Halle‑Vilvoorde, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 17 maart 2026. |
Par lettres du 17 mars 2026, l’auditeur du travail de Hal‑Vilvorde transmet au Sénat, conformément à l’article 346 du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2025 de l’auditorat du travail de Hal‑Vilvorde, approuvé lors de son assemblée de corps du 17 mars 2026. |
|
|||
|
Bij brief van 31 maart 2026 zendt de arbeidsauditeur van Leuven, overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag 2025 van het arbeidsauditoraat van Leuven, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 26 maart 2026. |
Par lettre du 31 mars 2026, l’auditeur du travail de Louvain transmet au Sénat, conformément à l’article 346 du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2025 de l’auditorat du travail de Louvain, approuvé lors de son assemblée de corps du 26 mars 2026. |
|
|||
|
Bij brief van 16 maart 2026 zendt de arbeidsauditeur van Luik, overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag 2025 van het arbeidsauditoraat van Luik, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 16 maart 2026. |
Par lettre du 16 mars 2026, l’auditeur du travail de Liège transmet au Sénat, conformément à l’article 346 du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2025 de l’auditorat du travail de Liège, approuvé lors de son assemblée de corps du 16 mars 2026. |
|
|||
|
Bij brief van 23 maart 2026 zendt de arbeidsauditeur van Waals‑Brabant, overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag 2025 van het arbeidsauditoraat van Waals‑Brabant, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 16 maart 2026. |
Par lettre du 23 mars 2026, l’auditeur du travail du Brabant wallon transmet au Sénat, conformément à l’article 346 du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2025 de l’auditorat du travail du Brabant wallon, approuvé lors de son assemblée de corps du 16 mars 2026. |
|
|||
|
– Neergelegd ter Griffie. |
– Dépôt au Greffe. |
|
|||
Rechtbanken van eerste aanleg |
|
||||
|
Bij brief van 31 maart 2026 zendt de voorzitster van de rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen overeenkomstig artikel 340, § 3, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag 2025 van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 30 maart 2026. |
Par lettre du 31 mars 2026, la présidente du tribunal de première instance d’Anvers transmet au Sénat, conformément à l’article 340, § 3, alinéa 5, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2025 du tribunal de première instance d’Anvers, approuvé lors de son assemblée générale du 30 mars 2026. |
|
|||
|
Bij brief van 31 maart 2026 zendt de voorzitter van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg van Brussel overeenkomstig artikel 340, § 3, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag 2025 van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 30 maart 2026. |
Par lettre du 31 mars 2026, le président du tribunal francophone de première instance de Bruxelles transmet au Sénat, conformément à l’article 340, § 3, alinéa 5, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2025 du tribunal de première instance francophone de Bruxelles, approuvé lors de son assemblée générale du 30 mars 2026. |
|
|||
|
Bij brief van 31 maart 2026 zendt de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg van Brussel overeenkomstig artikel 340, § 3, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag 2025 van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 25 maart 2026. |
Par lettre du 31 mars 2026, le président du tribunal néerlandophone de première instance de Bruxelles transmet au Sénat, conformément à l’article 340, § 3, alinéa 5, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2025 du tribunal de première instance néerlandophone de Bruxelles, approuvé lors de son assemblée générale du 25 mars 2026. |
|
|||
|
Bij brief van 31 maart 2026 zendt de voorzitster van de rechtbank van eerste aanleg te Eupen overeenkomstig artikel 340, § 3, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag 2025 van de rechtbank van eerste aanleg te Eupen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 18 maart 2026. |
Par lettre du 31 mars 2026, la présidente du tribunal de première instance d’Eupen transmet au Sénat, conformément à l’article 340, § 3, alinéa 5, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2025 du tribunal de première instance d’Eupen, approuvé lors de son assemblée générale du 18 mars 2026. |
|
|||
|
Bij brief van 26 maart 2026 zendt de voorzitster van de rechtbank van eerste aanleg van Leuven overeenkomstig artikel 340, § 3, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag 2025 van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 25 maart 2026. |
Par lettre du 26 mars 2026, la présidente du tribunal de première instance de Louvain transmet au Sénat, conformément à l’article 340, § 3, alinéa 5, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2025 du tribunal de première instance de Louvain, approuvé lors de son assemblée générale du 25 mars 2026. |
|
|||
|
Bij brief van 27 maart 2026 zendt de voorzitster van de rechtbank van eerste aanleg van Limburg overeenkomstig artikel 340, § 3, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag 2025 van de rechtbank van eerste aanleg van Limburg, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 26 maart 2026. |
Par lettre du 27 mars 2026, la présidente du tribunal de première instance du Limbourg transmet au Sénat, conformément à l’article 340, § 3, alinéa 5, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2025 du tribunal de première instance du Limbourg, approuvé lors de son assemblée générale du 26 mars 2026. |
|
|||
|
Bij brief van 31 maart 2026 zendt de voorzitster van de rechtbank van eerste aanleg van Luxemburg overeenkomstig artikel 340, § 3, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag 2025 van de rechtbank van eerste aanleg te Luxemburg, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 25 maart 2026. |
Par lettre du 31 mars 2026, la présidente du tribunal de première instance du Luxembourg transmet au Sénat, conformément à l’article 340, § 3, alinéa 5, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2025 du tribunal de première instance du Luxembourg, approuvé lors de son assemblée générale du 25 mars 2026. |
|
|||
|
Bij brief van 17 maart 2026 zendt de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg Oost‑Vlaanderen overeenkomstig artikel 340, § 3, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag 2025 van de rechtbank van eerste aanleg Oost‑Vlaanderen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 16 maart 2026. |
Par lettre du 17 mars 2026, le président du tribunal de première instance de Flandre orientale transmet au Sénat, conformément à l’article 340, § 3, alinéa 5, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2025 du tribunal de première instance de Flandre orientale, approuvé lors de son assemblée générale du 16 mars 2026. |
|
|||
|
Bij brief van 31 maart 2026 zendt de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van Waals‑Brabant overeenkomstig artikel 340, § 3, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag 2025 van de rechtbank van eerste aanleg te Waals‑Brabant, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 19 maart 2026. |
Par lettre du 31 mars 2026, le président du tribunal de première instance du Brabant wallon transmet au Sénat, conformément à l’article 340, § 3, alinéa 5, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2025 du tribunal de première instance du Brabant wallon, approuvé lors de son assemblée générale du 19 mars 2026. |
|
|||
|
Bij brief van 26 maart 2026 zendt de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg West‑Vlaanderen overeenkomstig artikel 340, § 3, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag 2025 van de rechtbank van eerste aanleg West‑Vlaanderen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 26 maart 2026. |
Par lettre du 26 mars 2026, le président du tribunal de première instance de Flandre occidentale transmet au Sénat, conformément à l’article 340, § 3, alinéa 5, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2025 du tribunal de première instance de Flandre occidentale, approuvé lors de son assemblée générale du 26 mars 2026. |
|
|||
|
– Neergelegd ter Griffie. |
– Dépôt au Greffe. |
|
|||
Arbeidsrechtbanken |
|
||||
|
Bij brief van 9 maart 2026 heeft de voorzitster van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, overeenkomstig artikel 340, § 3, 1º en 5º lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2025 van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 6 maart 2026. |
Par lettre du 9 mars 2026, la présidente du tribunal du travail d’Anvers a transmis au Sénat, conformément à l’article 340, § 3, alinéas 1 et 5, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2025 du tribunal du travail d’Anvers, approuvé lors de son assemblée générale du 6 mars 2026. |
|
|||
|
Bij brief van 30 maart 2026 zendt de voorzitter van de Franstalige arbeidsrechtbank te Brussel, overeenkomstig artikel 340, § 3, 5º, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag 2025 van de Franstalige arbeidsrechtbank te Brussel, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 24 maart 2026. |
Par lettre du 30 mars 2026, le président du tribunal du travail francophone de Bruxelles transmet au Sénat, conformément à l’article 340, § 3, alinéa 5, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2025 du tribunal du travail francophone de Bruxelles, approuvé lors de son assemblée générale du 24 mars 2026. |
|
|||
|
Bij brief van 19 maart 2026 zendt de voorzitster van de Nederlandstalige arbeidsrechtbank te Brussel, overeenkomstig artikel 340, § 3, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag 2025 van de Nederlandstalige arbeidsrechtbank te Brussel, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 16 maart 2026. |
Par lettre du 19 mars 2026, la présidente du tribunal du travail néerlandophone de Bruxelles transmet au Sénat, conformément à l’article 340, § 3, alinéa 5, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2025 du tribunal du travail néerlandophone de Bruxelles, approuvé lors de son assemblée générale du 16 mars 2026. |
|
|||
|
Bij brief van 31 maart 2026 zendt de voorzitster van de arbeidsrechtbank te Eupen, overeenkomstig artikel 340, § 3, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat, het werkingsverslag 2025 van de arbeidsrechtbank te Eupen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 18 maart 2026. |
Par lettre du 31 mars 2026, la présidente du tribunal du travail d’Eupen transmet au Sénat, conformément à l’article 340, § 3, alinéa 5, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2025 du tribunal du travail d’Eupen, approuvé lors de son assemblée générale du 18 mars 2026. |
|
|||
|
Bij brief van 30 maart 2026 zendt de voorzitter van de arbeidsrechtbank te Gent, overeenkomstig artikel 340, § 3, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat, het werkingsverslag 2025 van de arbeidsrechtbank te Gent, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 27 maart 2026. |
Par lettre du 30 mars 2026, le président du tribunal du travail de Gand transmet au Sénat, conformément à l’article 340, § 3, alinéa 5, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2025 du tribunal du travail de Gand, approuvé lors de son assemblée générale du 27 mars 2026. |
|
|||
|
Bij brief van 1 april 2026 zendt de voorzitster van de arbeidsrechtbank van Henegouwen, overeenkomstig artikel 340, § 3, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat, het werkingsverslag 2025 van de arbeidsrechtbank van Henegouwen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 31 maart 2026. |
Par lettre du 1er avril 2026, la présidente du tribunal du travail du Hainaut transmet au Sénat, conformément à l’article 340, § 3, alinéa 5, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2025 du tribunal du travail du Hainaut, approuvé lors de son assemblée générale du 31 mars 2026. |
|
|||
|
Bij brief van 24 maart 2026 zendt de voorzitster van de arbeidsrechtbank te Leuven, overeenkomstig artikel 340, § 3, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat, het werkingsverslag 2025 van de arbeidsrechtbank te Leuven, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 23 maart 2026. |
Par lettre du 24 mars 2026, la présidente du tribunal du travail de Louvain transmet au Sénat, conformément à l’article 340, § 3, alinéa 5, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2025 du tribunal du travail de Louvain, approuvé lors de son assemblée générale du 23 mars 2026. |
|
|||
|
Bij brief van 2 april 2026 zendt de voorzitter van de arbeidsrechtbank van Luik, overeenkomstig artikel 340, § 3, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat, het werkingsverslag 2025 van de arbeidsrechtbank van Luik, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 31 maart 2026. |
Par lettre du 2 avril 2026, le président du tribunal du travail de Liège transmet au Sénat, conformément à l’article 340, § 3, alinéa 5, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2025 du tribunal du travail de Liège, approuvé lors de son assemblée générale du 31 mars 2026. |
|
|||
|
Bij brief van 16 maart 2026 zendt de voorzitter van de arbeidsrechtbank van Waals‑Brabant, overeenkomstig artikel 340, § 3, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag 2025 van de arbeidsrechtbank van Waals‑Brabant, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 16 maart 2026. |
Par lettre du 16 mars 2026, le président du tribunal du travail du Brabant wallon transmet au Sénat, conformément à l’article 340, § 3, alinéa 5, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement 2025 du tribunal du travail du Brabant wallon, approuvé lors de son assemblée générale du 16 mars 2026. |
|
|||
|
– Neergelegd ter Griffie. |
– Dépôt au Greffe. |
|
|||
Ondernemingsrechtbanken |
|
||||
|
Bij brief van 31 maart 2026 zendt de voorzitter van de ondernemingsrechtbank van Antwerpen, overeenkomstig artikel 340, § 3, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag voor 2025 van de ondernemingsrechtbank van Antwerpen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 19 maart 2026. |
Par lettre du 31 mars 2026, le président du tribunal de l’entreprise d’Anvers transmet au Sénat, conformément à l’article 340, § 3, alinéa 5, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement pour 2025 du tribunal de l’entreprise d’Anvers, approuvé lors de son assemblée générale du 19 mars 2026. |
|
|||
|
Bij brief van 1 april 2026 zendt de voorzitster van de Franstalige ondernemingsrechtbank van Brussel, overeenkomstig artikel 340, § 3, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag voor 2025 van de Franstalige ondernemingsrechtbank van Brussel, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 30 maart 2026. |
Par lettre du 1er avril 2026, la présidente du tribunal de l’entreprise francophone de Bruxelles transmet au Sénat, conformément à l’article 340, § 3, alinéa 5, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement pour 2025 du tribunal de l’entreprise francophone de Bruxelles, approuvé lors de son assemblée générale du 30 mars 2026. |
|
|||
|
Bij brief van 31 maart 2026 zendt de voorzitster van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank van Brussel, overeenkomstig artikel 340, § 3, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag voor 2025 van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank van Brussel, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 19 maart 2026. |
Par lettre du 31 mars 2026, la présidente du tribunal néerlandophone de l’entreprise de Bruxelles transmet au Sénat, conformément à l’article 340, § 3, alinéa 5, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement pour 2025 du tribunal néerlandophone de l’entreprise de Bruxelles, approuvé lors de son assemblée générale du 19 mars 2026. |
|
|||
|
Bij brief van 31 maart 2026 zendt de voorzitster van de ondernemingsrechtbank te Eupen, overeenkomstig artikel 340, § 3, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag voor 2025 van de ondernemingsrechtbank te Eupen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 18 maart 2026. |
Par lettre du 31 mars 2026, la présidente du tribunal de l’entreprise d’Eupen transmet au Sénat, conformément à l’article 340, § 3, alinéa 5, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement pour 2025 du tribunal de l’entreprise d’Eupen, approuvé lors de son assemblée générale du 18 mars 2026. |
|
|||
|
Bij brief van 30 maart 2026 zendt de voorzitster van de ondernemingsrechtbank van Gent, overeenkomstig artikel 340, § 3, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag voor 2025 van de ondernemingsrechtbank van Gent, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 27 maart 2026. |
Par lettre du 30 mars 2025, la présidente du tribunal de l’entreprise de Gand transmet au Sénat, conformément à l’article 340, § 3, alinéa 5, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement pour 2025 du tribunal de l’entreprise de Gand, approuvé lors de son assemblée générale du 27 mars 2026. |
|
|||
|
Bij brief van 27 maart 2026 zendt de voorzitter van de ondernemingsrechtbank van Henegouwen, overeenkomstig artikel 340, § 3, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag voor 2025 van de ondernemingsrechtbank van Henegouwen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 25 maart 2026. |
Par lettre du 27 mars 2026, le président du tribunal de l’entreprise du Hainaut transmet au Sénat, conformément à l’article 340, § 3, alinéa 5, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement pour 2025 du tribunal de l’entreprise du Hainaut, approuvé lors de son assemblée générale du 25 mars 2026. |
|
|||
|
Bij brief van 23 maart 2026 zendt de voorzitster van de ondernemingsrechtbank van Leuven, overeenkomstig artikel 340, § 3, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag voor 2025 van de ondernemingsrechtbank van Leuven, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 17 maart 2026. |
Par lettre du 23 mars 2026, la présidente du tribunal de l’entreprise de Louvain transmet au Sénat, conformément à l’article 340, § 3, alinéa 5, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement pour 2025 du tribunal de l’entreprise de Louvain, approuvé lors de son assemblée générale du 17 mars 2026. |
|
|||
|
Bij brief van 30 maart 2026 zendt de voorzitter van de ondernemingsrechtbank van Luik, overeenkomstig artikel 340, § 3, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag voor 2025 van de ondernemingsrechtbank van Luik, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 23 maart 2025. |
Par lettre du 30 mars 2026, le président du tribunal de l’entreprise de Liège transmet au Sénat, conformément à l’article 340, § 3, alinéa 5, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement pour 2025 du tribunal de l’entreprise de Liège, approuvé lors de son assemblée générale du 23 mars 2025. |
|
|||
|
– Neergelegd ter Griffie. |
– Dépôt au Greffe. |
|
|||
Algemene vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken |
Assemblée générale des juges de paix et des juges aux tribunaux de police |
|
|||
|
Bij brief van 1 april 2026 zendt de voorzitter van de Algemene Vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken van het arrondissement Brussel overeenkomstig artikel 340, § 3, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag voor 2025 van de Algemene Vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken van het arrondissement Brussel, en van de Algemene Vergadering van de Nederlandstalige rechters in de politierechtbanken van het arrondissement Brussel – Halle en Vilvoorde, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 25 maart 2026. |
Par lettre du 1er avril 2026, le président de l’Assemblée générale des juges de paix et des juges aux tribunaux de police de l’arrondissement de Bruxelles transmet au Sénat, conformément à l’article 340, § 3, alinéa 5, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement pour l’année 2025 de l’Assemblée générale des juges de paix et des juges aux tribunaux de police de l’arrondissement de Bruxelles, et de l’Assemblée générale des juges aux tribunaux de police de l’arrondissement néerlandophone de Bruxelles – Hal et Vilvorde, approuvés lors de son assemblée générale du 25 mars 2026. |
|
|||
|
Bij brief van 31 maart 2026 zendt de voorzitster van de Algemene Vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken van het arrondissement Eupen overeenkomstig artikel 340, § 3, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag voor 2025 van de Algemene Vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken van het arrondissement Eupen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 18 maart 2026. |
Par lettre du 31 mars 2026, la présidente de l’Assemblée générale des juges de paix et des juges aux tribunaux de police de l’arrondissement d’Eupen transmet au Sénat, conformément à l’article 340, § 3, alinéa 5, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement pour l’année 2025 de l’Assemblée générale des juges de paix et des juges aux tribunaux de police de l’arrondissement d’Eupen, approuvé lors de son assemblée générale du 18 mars 2026. |
|
|||
|
Bij brief van 30 maart 2026 zendt de voorzitter van de Algemene Vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken van het arrondissement Henegouwen, overeenkomstig artikel 340, § 3, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag voor 2025 van de Algemene Vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken van het arrondissement Henegouwen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 27 maart 2026. |
Par lettre du 30 mars 2026, le président de l’Aassemblée générale des juges de paix et des juges aux tribunaux de police de l’arrondissement du Hainaut transmet au Sénat, conformément à l’article 340, § 3, alinéa 5, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement pour l’année 2025 de l’Assemblée générale des juges de paix et des juges aux tribunaux de police de l’arrondissement du Hainaut, approuvé lors de son assemblée générale du 27 mars 2026. |
|
|||
|
Bij brief van 31 maart 2026 zendt de voorzitster van de Algemene Vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken van het arrondissement Leuven overeenkomstig artikel 340, § 3, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag voor 2025 van de Algemene Vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken van het arrondissement Leuven, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 25 maart 2026. |
Par lettre du 31 mars 2026, la présidente de l’Assemblée générale des juges de paix et des juges aux tribunaux de police de l’arrondissement du Louvain transmet au Sénat, conformément à l’article 340, § 3, alinéa 5, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement pour l’année 2025 de l’Assemblée générale des juges de paix et des juges aux tribunaux de police de l’arrondissement de Louvain, approuvé lors de son assemblée générale du 25 mars 2026. |
|
|||
|
Bij brief van 18 maart 2026 zendt de voorzitter van de Algemene Vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken van het arrondissement Limburg overeenkomstig artikel 340, § 3, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag voor 2025 van de Algemene Vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken van het arrondissement Limburg, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 12 maart 2026. |
Par lettre du 18 mars 2026, le président de l’Assemblée générale des juges de paix et des juges aux tribunaux de police de l’arrondissement du Limbourg transmet au Sénat, conformément à l’article 340, § 3, alinéa 5, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement pour l’année 2025 de l’Assemblée générale des juges de paix et des juges aux tribunaux de police de l’arrondissement du Limbourg, approuvé lors de son assemblée générale du 12 mars 2026. |
|
|||
|
Bij brief van 30 maart 2026 zendt de voorzitter van de Algemene Vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken van het arrondissement Luik overeenkomstig artikel 340, § 3, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag voor 2025 van de Algemene Vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken van het arrondissement Luik, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 20 maart 2026. |
Par lettre du 30 mars 2026, le président de l’Assemblée générale des juges de paix et des juges aux tribunaux de police de l’arrondissement de Liège transmet au Sénat, conformément à l’article 340, § 3, alinéa 5, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement pour l’année 2025 de l’Assemblée générale des juges de paix et des juges aux tribunaux de police de l’arrondissement de Liège, approuvé lors de son assemblée générale du 20 mars 2026. |
|
|||
|
Bij brief van 31 maart 2026 zendt de voorzitter van de Algemene Vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken van het arrondissement Oost‑Vlaanderen overeenkomstig artikel 340, § 3, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag voor 2025 van de Algemene Vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken van het arrondissement Oost‑Vlaanderen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 30 maart 2026. |
Par lettre du 31 mars 2026, le président de l’Assemblée générale des juges de paix et des juges aux tribunaux de police de l’arrondissement de Flandre orientale transmet au Sénat, conformément à l’article 340, § 3, alinéa 5, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement pour l’année 2025 de l’Assemblée générale des juges de paix et des juges aux tribunaux de police de l’arrondissement de Flandre orientale, approuvé lors de son assemblée générale du 30 mars 2026. |
|
|||
|
Bij brief van 31 maart 2026 zendt de voorzitter van de Algemene Vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken van het arrondissement Waals‑Brabant overeenkomstig artikel 340, § 3, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag voor 2025 van de Algemene Vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken van het arrondissement Waals‑Brabant, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 16 maart 2026. |
Par lettre du 31 mars 2026, le président de l’Assemblée générale des juges de paix et des juges aux tribunaux de police de l’arrondissement du Brabant wallon transmet au Sénat, conformément à l’article 340, § 3, alinéa 5, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement pour l’année 2025 de l’Assemblée générale des juges de paix et des juges aux tribunaux de police de l’arrondissement du Brabant wallon, approuvé lors de son assemblée générale du 16 mars 2026. |
|
|||
|
Bij brief van 24 maart 2026 zendt de voorzitter van de Algemene Vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken van het arrondissement West‑Vlaanderen, overeenkomstig artikel 340¸ § 3, vijfde lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat over, het werkingsverslag voor 2025 van de Algemene Vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken van het arrondissement West‑Vlaanderen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 20 maart 2026. |
Par lettre du 24 mars 2026, le président de l’Assemblée générale des juges de paix et des juges aux tribunaux de police de l’arrondissement de Flandre occidentale transmet au Sénat, conformément à l’article 340, § 3, alinéa 5, du Code judiciaire, le rapport de fonctionnement pour l’année 2025 de l’Assemblée générale des juges de paix et des juges aux tribunaux de police de l’arrondissement de Flandre occidentale, approuvé lors de son assemblée générale du 20 mars 2026. |
|
|||
|
– Neergelegd ter Griffie. |
– Dépôt au Greffe. |
|
|||
Vaste Commissie voor taaltoezicht |
|
||||
|
Bij brief van 1 april 2026, zendt de voorzitter van de Vaste Commissie voor taaltoezicht, overeenkomstig artikel 62 van de door het koninklijk besluit van 18 juli 1966 samengeordende wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, aan de Senaat over, het jaarverslag voor 2025. |
Par lettre du 1er avril 2026, le président de la Commission permanente de contrôle linguistique transmet au Sénat, conformément à l’article 62 des lois sur l’emploi des langues en matière administrative, coordonnées par l’arrêté royal du 18 juillet 1966, le rapport annuel pour 2025. |
|
|||
|
– Neergelegd ter Griffie. |
– Dépôt au Greffe. |
|
|||
Kansspelcommissie |
|
||||
|
Bij brief van 31 maart 2026 zendt de voorzitter van de Kansspelcommissie overeenkomstig artikel 16 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, aan de Senaat over, het financiële jaarverslag voor 2024. |
Par lettre du 31 mars 2026, le président de la Commission des jeux de hasard transmet au Sénat, conformément à l’article 16 de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les établissements de jeux et la protection des joueurs, le rapport financier pour 2024. |
|
|||
|
– Neergelegd ter Griffie. |
– Dépôt au Greffe. |
|
|||
Centrale Raad voor het bedrijfsleven en Nationale Arbeidsraad |
Conseil central de l’économie et Conseil national du travail |
|
|||
|
Bij brieven van 25 maart en 31 maart 2026 zenden de Centrale Raad voor het bedrijfsleven en de Nationale Arbeidsraad aan de Senaat, overeenkomstig artikel XIII.1 van titel I van boek XIII van het Wetboek van economisch recht en artikel 1 van de organieke wet van 29 mei 1952 tot inrichting van de Nationale Arbeidsraad: |
Par lettres des 25 et 31 mars 2026, le Conseil central de l’économie et le Conseil national du travail transmettent au Sénat, conformément à l’article XIII.1er du titre Ier du livre XIII du Code de droit économique et à l’article 1er de la loi du 29 mai 1952 organique du Conseil national du travail : |
|
|||
|
– het advies “Specifieke enveloppe voor de meest kwetsbare personen” (NAR advies 2.482 en CRB 2026‑0925 CO 1000), goedgekeurd tijdens hun gezamenlijke plenaire vergadering van 24 maart 2026; |
– l’avis « Enveloppe spécifique pour les personnes les plus vulnérables » (CNT avis 2.482 et CCE 2026‑9925 CO 1000), approuvé lors de leur séance plénière commune du 24 mars 2026 ; |
|
|||
|
– het advies “Maatregelen betreffende de index – Titel III van het voorontwerp van programmawet” (NAR advies 2.484 en CRB 2026‑1000), goedgekeurd tijdens de gezamenlijke vergadering van 31 maart 2026. |
– l’avis « Mesures relatives à l’index – Titre III de l’avant‑projet de loi programme », (CNT avis 2.484 et CCE 2026‑1000), approuvé lors de leur séance plénière commune du 31 mars 2026. |
|
|||
|
– Neergelegd ter Griffie. |
– Dépôt au Greffe. |
|
|||
Europees Parlement |
|
||||
|
Bij brieven van 6 en 11 maart 2026 zendt de voorzitster van het Europees Parlement aan de Senaat over, de teksten aangenomen door het Europees Parlement tijdens zijn vergaderperiodes van 19 tot 22 januari, van 9 tot 12 februari en van 24 februari 2026. |
Par lettres des 6 et 11 mars 2026, la présidente du Parlement européen transmet au Sénat les textes adoptés par le Parlement européen au cours de ses périodes de session du 19 au 22 janvier, du 9 au 12 février et du 24 février 2026. |
|
|||
|
– Neergelegd ter Griffie. |
– Dépôt au Greffe. |
|
|||
Europees Openbaar Ministerie |
|
||||
|
Bij brief van 4 maart 2026, zendt de Europese hoofdaanklager, overeenkomstig artikel 7, § 1, van de verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie, aan de Senaat over, het jaarverslag van het Europees Openbaar Ministerie voor 2025. |
Par lettre du 4 mars 2026, la cheffe du Parquet européen transmet au Sénat, conformément à l’article 7, § 1er, du règlement (UE) 2017/1939 du Conseil du 12 octobre 2017 mettant en œuvre une coopération renforcée concernant la création du Parquet européen, le rapport annuel du Parquet européen pour 2025. |
|
|||
|
– Neergelegd ter Griffie. |
– Dépôt au Greffe. |
|
|||