|
5-38COM
|
5-38COM
|
|
Sénat de Belgique
|
Belgische Senaat
|
|
Session ordinaire 2010-2011
|
Gewone Zitting 2010-2011
|
|
Commission
des Affaires sociales
|
Commissie
voor de Sociale Aangelegenheden
|
|
Mardi 15 février 2011
|
Dinsdag 15 februari 2011
|
|
Séance de l’après-midi
|
Namiddagvergadering
|
|
|
|
|
Annales
|
Handelingen
|
|
|
|
|
Sommaire
|
Inhoudsopgave
|
|
Demande
d’explications de Mme Fabienne Winckel à la vice-première
ministre et ministre de l’Emploi et de l’Égalité des
chances, chargée de la Politique de migration et d’asile sur
«la différence de traitement des chômeurs selon le statut
professionnel de leur conjoint» (nº 5-257)
Demande
d’explications de Mme Fatiha Saïdi à la vice-première
ministre et ministre de l’Emploi et de l’Égalité des
chances, chargée de la Politique de migration et d’asile sur
«la loi du 10 mai 2007 tendant à lutter contre
certaines formes de discrimination» (nº 5-336)
Demande
d’explications de Mme Fatiha Saïdi à la vice-première
ministre et ministre de l’Emploi et de l’Égalité des
chances, chargée de la Politique de migration et d’asile sur
«la remise au travail des personnes handicapées à la suite
d’une maladie ou d’un accident» (nº 5-450)
Demande
d’explications de Mme Fatiha Saïdi à la vice-première
ministre et ministre de l’Emploi et de l’Égalité des
chances, chargée de la Politique de migration et d’asile sur
«les besoins spécifiques des garçons et des hommes d’origine
étrangère dans le cadre de la problématique des mariages
forcés et arrangés» (nº 5-451)
Demande
d’explications de Mme Zakia Khattabi à la vice-première
ministre et ministre de l’Emploi et de l’Égalité des
chances, chargée de la Politique de migration et d’asile sur
«l’étude de faisabilité d’un master interuniversitaire en
études de genre» (nº 5-297)
Demande
d’explications de M. Bert Anciaux à la vice-première
ministre et ministre de l’Emploi et de l’Égalité des
chances, chargée de la Politique de migration et d’asile et à
la ministre de l’Intérieur sur «la violence domestique à
l’égard des femmes musulmanes» (nº 5-371)
Demande
d’explications de M. Louis Ide à la vice-première
ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé
publique et à la vice-première ministre et ministre de l’Emploi
et de l’Égalité des chances, chargée de la Politique de
migration et d’asile sur «la loi fixant la durée du travail
des médecins, dentistes, vétérinaires, des candidats-médecins
en formation, des candidats-dentistes en formation et étudiants
stagiaires se préparant à ces professions» (nº 5-445)
Demande
d’explications de M. Bert Anciaux à la vice-première
ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé
publique et à la vice-première ministre et ministre de l’Emploi
et de l’Égalité des chances, chargée de la Politique de
migration et d’asile sur «la limitation de la durée de
travail pour les médecins en formation et la pénurie de
médecins» (nº 5-474)
|
Vraag
om uitleg van mevrouw Fabienne Winckel aan de
vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen,
belast met het Migratie- en asielbeleid over «het verschil in de
behandeling van werklozen naargelang van de beroepsstatus van hun
echtgenoot» (nr. 5-257)
Vraag
om uitleg van mevrouw Fatiha Saïdi aan de
vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen,
belast met het Migratie- en asielbeleid over «de wet van
10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van
discriminatie» (nr. 5-336)
Vraag
om uitleg van mevrouw Fatiha Saïdi aan de
vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen,
belast met het Migratie- en asielbeleid over «de
wedertewerkstelling van personen die door een ziekte of ongeval
een handicap kregen» (nr. 5-450)
Vraag
om uitleg van mevrouw Fatiha Saïdi aan de
vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen,
belast met het Migratie- en asielbeleid over «de specifieke
behoeften van jongens en mannen van vreemde afkomst in het kader
van de problematiek van gedwongen en geregelde huwelijken»
(nr. 5-451)
Vraag
om uitleg van mevrouw Zakia Khattabi aan de
vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen,
belast met het Migratie- en asielbeleid over «de
haalbaarheidsstudie betreffende de oprichting van een
interuniversitaire master genderstudies» (nr. 5-297)
Vraag
om uitleg van de heer Bert Anciaux aan de
vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen,
belast met het Migratie- en asielbeleid en aan de minister van
Binnenlandse Zaken over «huiselijk geweld tegen moslima’s»
(nr. 5-371)
Vraag
om uitleg van de heer Louis Ide aan de
vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en
Volksgezondheid en aan de vice-eersteminister en minister van
Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid
over «de wet tot vaststelling van de arbeidsduur van de
geneesheren, de tandartsen, de dierenartsen,
kandidaat-geneesheren in opleiding, kandidaat-tandartsen in
opleiding en studenten-stagiairs die zich voorbereiden op de
uitoefening van deze beroepen» (nr. 5-445)
Vraag
om uitleg van de heer Bert Anciaux aan de
vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en
Volksgezondheid en aan de vice-eersteminister en minister van
Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid
over «het beperken van de arbeidsduur voor artsen in opleiding
en het tekort aan artsen» (nr. 5-474)
|
|
Présidence
de M. Bert Anciaux
(La
séance est ouverte à 15 h 55.)
|
Voorzitter:
de heer Bert Anciaux
(De
vergadering wordt geopend om 15.55 uur.)
|
|
Demande
d’explications de Mme Fabienne Winckel à la vice-première
ministre et ministre de l’Emploi et de l’Égalité des
chances, chargée de la Politique de migration et d’asile sur
«la différence de traitement des chômeurs selon le statut
professionnel de leur conjoint» (nº 5-257)
|
Vraag
om uitleg van mevrouw Fabienne Winckel aan de
vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen,
belast met het Migratie- en asielbeleid over «het verschil in de
behandeling van werklozen naargelang van de beroepsstatus van hun
echtgenoot» (nr. 5-257)
|
|
Mme Fabienne
Winckel (PS). – Comme partenaire d’une personne
bénéficiant d’un revenu professionnel d’indépendant, un
demandeur d’emploi qui vient de perdre son emploi n’a pas
droit aux allocations de chômage au taux de cohabitant avec
charge de famille. Après l’expiration de sa première période
de chômage, ses allocations passent de 60 pour cent de son
dernier salaire à 40 pour cent pour une période déterminée en
fonction de son passé professionnel. Ensuite il obtient une
indemnité forfaitaire. S’il avait pu être considéré comme
cohabitant avec charge de famille, il aurait continué à
recevoir, après sa première année de chômage, des allocations
à hauteur de 60 pour cent de son dernier salaire.
Dans une
situation similaire, la Caisse auxiliaire de paiement des
allocations de chômage et l’Office national de l’emploi
octroie des dérogations pour les partenaires de salariés au
revenu modeste, c’est-à-dire moins de 612 euros par mois. Pour
le partenaire d’un salarié, si toutes les conditions sont
remplies, il conserve le statut de cohabitant avec charge de
famille bien qu’il cohabite avec quelqu’un bénéficiant d’un
revenu professionnel.
Certains
indépendants gagnent moins que le plafond légal de 612 euros
par mois. Des indépendants, dont les revenus sont faibles,
obtiennent même parfois une dispense de cotisations sociales
prévue à l’article 37 de l’arrêté royal du
19 décembre 1967. Le chômeur vivant avec un
partenaire indépendant perd donc une somme importante en
allocations de chômage, simplement à cause de la nature des
revenus de son partenaire.
Madame la
ministre, pouvez-vous me dire le nombre de familles touchées par
cette différence de traitement ? Pourquoi l’ONEM ne se
base-t-il pas sur les revenus du conjoint pour déterminer le
montant de l’allocation de chômage ?
|
Mevrouw Fabienne
Winckel (PS). – Als de partner van een zelfstandige
beroepsbeoefenaar zijn werk verliest, heeft hij geen recht op de
werkloosheidsuitkering voor een samenwonende met gezinslast. Na
afloop van de eerste periode van werkloosheid valt de uitkering
van 60% van het laatste loon terug op 40%, en dit voor een
periode die door het beroepsverleden wordt bepaald. Nadien
ontvangt hij een forfaitaire vergoeding. Mocht hij als
samenwonende met gezinslast worden beschouwd, zou hij na het
eerste jaar werkloosheid een uitkering ten bedrage van 60% van
zijn laatste loon blijven ontvangen.
In
een gelijkaardige situatie staan de Hulpkas voor
Werkloosheidsuitkeringen en de Rijksdienst voor
arbeidsvoorziening afwijkingen toe voor partners van
loontrekkenden met een bescheiden inkomen, dat wil zeggen minder
dan 612 euro per maand. Als alle voorwaarden vervuld zijn,
behoudt de partner van een loontrekkende de status van
samenwonende met gezinslast, ook al woont hij samen met iemand
die een beroepsinkomen heeft.
Sommige
zelfstandigen verdienen minder dan het wettelijke plafond van 612
euro per maand. Zelfstandigen met een bescheiden inkomen worden
soms zelfs vrijgesteld van de betaling van sociale bijdragen op
basis van artikel 37 van het koninklijk besluit van
19 december 1967. De werkloze die met een zelfstandige
partner samenleeft, verliest dus een aanzienlijk bedrag aan
werkloosheidsuitkeringen, enkel en alleen vanwege de aard van het
inkomen van zijn partner.
Hoeveel
gezinnen treft deze ongelijke behandeling? Waarom gaat de RVA
niet van het inkomen van de echtgenoot uit om de hoogte van de
werkloosheidsuitkering te bepalen?
|
|
Mme Joëlle
Milquet, vice-première ministre et ministre de l’Emploi et
de l’Égalité des chances, chargée de la Politique de
migration et d’asile. – L’article 60 de l’arrêté
ministériel du 26 novembre 1991 portant des modalités
d’application de la réglementation du chômage définit les
conditions en fonction desquelles les revenus professionnels du
conjoint d’un chômeur ne sont pas considérés comme revenus
professionnels pour l’application de l’article 110,
§1er, alinéa 1er, de ce même arrêté et
permettent donc l’octroi au chômeur du taux du travailleur
chef de ménage.
Il est vrai
que cet article prévoit explicitement qu’il doit s’agir de
revenus d’un travail salarié, ce qui, par définition, exclut
donc les revenus provenant d’une profession d’indépendant.
La
motivation de cette distinction n’est nullement le résultat
d’un jugement de valeur ou d’une discrimination, mais découle
de la nécessité de pouvoir opérer un contrôle du montant
exact du revenu et d’assurer une certaine sécurité juridique.
En effet, l’organisme qui effectue le paiement des allocations
pour un mois donné doit être en mesure de déterminer le
montant des revenus du conjoint du chômeur pour ce mois et
accorder ainsi soit des allocations de chômeur chef de ménage
si les revenus du conjoint sont inférieurs à 707 euros, soit
des allocations de chômeur cohabitant si le revenu du conjoint
est supérieur à ce montant. Ce calcul se fait chaque mois.
Dans le cas
d’un travailleur salarié, le contrôle est assez facile
puisque le salaire du cohabitant est fixé dans un contrat et que
le montant exact du salaire perçu pour un mois est connu dès la
fin de ce mois. En revanche lorsque le conjoint est indépendant
la situation est différente puisque une activité indépendante
engendre souvent des revenus fluctuant d’un mois à l’autre.
La détermination du revenu d’un mois donné est aléatoire car
la perception des montants facturés ce mois-là et le règlement
de charges y afférentes peuvent être répartis sur une plus
longue période.
Le résultat
financier d’une année ou d’un mois donné n’est
déterminant qu’après une longue période. Il est donc
quasiment impossible à l’organisme de paiement de fixer le
montant à payer pour un mois déterminé, car les données dont
il dispose ne sont pas suffisamment fiables pour pouvoir modifier
le statut de l’intéressé.
Attribuer le
taux de chef de ménage de manière provisionnelle avec
d’éventuelles récupérations ultérieures est difficilement
concevable eu égard au temps nécessaire pour connaître le
revenu imputable à tel ou tel mois et à la complexité des
procédures de récupération et de recalcul.
Dans un
arrêt du 1er avril 2003, la Cour du travail
de Liège a confirmé cette vision. Elle énonce qu’il serait
injustifié de maintenir en faveur du conjoint d’un travailleur
indépendant le droit au taux chef de ménage aussi longtemps
qu’il n’est pas établi que son activité génère des
bénéfices, puisque les revenus tirés d’une activité
indépendante ne sont connus qu’après leur calcul définitif
par l’administration fiscale. En retenant la bonne foi du
chômeur, il serait presque impossible d’obtenir la
récupération de l’indu. La Cour concluait que l’article 110
de l’arrêté royal évoqué n’ouvre pas le droit au taux de
chef de ménage lorsque le conjoint du chômeur exerce une
activité d’indépendant, quels que soient les revenus générés
par cette activité.
Je ne
dispose pas de statistiques en la matière ; au-delà des
explications que je viens de donner, je pourrais demander au
comité de gestion de l’ONEM de se pencher sur ce problème
difficile afin d’éviter une certaine discrimination lorsqu’il
s’agit de revenus manifestement faibles durant une longue
période.
|
Mevrouw Joëlle
Milquet, vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke
Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid. – Artikel 60
van het ministerieel besluit van 26 november 1991
houdende toepassingsmaatregelen van de
werkloosheidsreglementering omschrijft de voorwaarden waaronder
het inkomen van de echtgeno(o)t(e) niet als een beroepsinkomen
wordt beschouwd voor de toepassing van artikel 110, §1,
eerste lid, 1º, van dat koninklijk besluit en waaronder aan de
werkloze een uitkering voor een gezinshoofd wordt toegekend.
Het
artikel stipuleert uitdrukkelijk dat het inkomen moet
voortvloeien uit arbeid in loondienst, waardoor het inkomen uit
een zelfstandige beroepsactiviteit wordt uitgesloten.
Dat
onderscheid is niet ingegeven door een waardeoordeel of een
discriminatie, maar vloeit voort uit de noodzaak de hoogte van
het inkomen exact te bepalen en een bepaalde rechtszekerheid te
waarborgen. De instelling die de uitkeringen voor een maand doet,
moet het bedrag van het inkomen van de echtgenoot van de werkloze
voor die maand kunnen bepalen. Als het inkomen van de echtgenoot
lager is dan 707 euro, kent de instelling de
werkloosheidsuitkering voor een gezinshoofd toe; als het inkomen
van de echtgenoot boven dat bedrag ligt, kent ze de
werkloosheidsuitkering voor een samenwonende toe. Die berekening
wordt maandelijks gemaakt.
Voor
loontrekkenden is die controle vrij eenvoudig aangezien het loon
van de samenwonende in een overeenkomst is vastgelegd. Het exacte
bedrag van het loon voor een maand is aan het einde van die maand
bekend. Als de echtgenoot echter een zelfstandige
beroepsactiviteit uitoefent, verschilt het inkomen vaak van maand
tot maand. Het inkomen van een maand is dan ook onzeker want de
inning van de bedragen die in die maand werden gefactureerd en de
afhandeling van de daaraan verbonden lasten kunnen over een
langere periode worden gespreid.
Het
financiële resultaat van een jaar of een maand kan slechts na
een lange periode worden bepaald. De uitkeringsinstelling kan dan
ook onmogelijk het bedrag voor een bepaalde maand vastleggen want
ze beschikt niet over voldoende betrouwbare gegevens om de status
van de betrokkene aan te passen.
Het
is moeilijk denkbaar dat de uitkering voor een gezinshoofd op
voorlopige basis wordt toegekend en dan later eventueel sommen te
moeten terugvorderen. Het duurt immers een hele tijd voordat het
inkomen van een bepaalde maand bekend is en de procedures voor
terugvordering en herberekening zijn ingewikkeld.
Het
arbeidshof van Luik heeft dat standpunt in een arrest van
1 april 2003 bevestigd. Het oordeelde dat het
ongerechtvaardigd zou zijn dat de echtgenoot van een zelfstandige
beroepsbeoefenaar het recht op een uitkering voor een gezinshoofd
zou behouden zolang niet is vastgesteld dat zijn activiteit
winstgevend is, aangezien het inkomen uit een zelfstandige
beroepsactiviteit pas bekend is na de eindberekening door de
fiscus. Zonder goede trouw van de werkloze is het bijna
onmogelijk het niet-verschuldigde bedrag te recupereren. Het hof
besluit dat artikel 110 van het voormelde koninklijk besluit
geen recht op uitkering opent voor een gezinshoofd wanneer de
echtgenoot van de werkloze een zelfstandige activiteit uitoefent,
ongeacht het gegenereerde inkomen.
Ik
beschik niet over cijfergegevens ter zake. Ik zou het
beheerscomité van de RVA kunnen vragen zich over dit
ingewikkelde probleem te buigen teneinde een discriminatie te
vermijden voor inkomens die gedurende een lange periode duidelijk
laag zijn.
|
|
Mme Fabienne
Winckel (PS). – Comme la ministre, je suis consciente des
difficultés.
Par
ailleurs, des personnes qui se lancent dans une carrière
d’indépendant et connaissent des difficultés, ont du mal de
vivre avec des revenus aussi bas. Si l’on a pu faire un effort
sur le plan des cotisations sociales, on pourrait faire de même
sur celui des indemnités de chômage.
J’attendrai
l’avis du comité de gestion sur cette question qui me semble
pertinente, surtout en cette période de crise.
|
Mevrouw Fabienne
Winckel (PS). – Ik besef, net als de minister, dat het
ingewikkeld is.
Overigens
komen mensen, die een zelfstandige beroepsactiviteit beginnen en
moeilijkheden ondervinden, met een dergelijk laag inkomen
moeilijk rond. Op het vlak van de sociale bijdragen werd een
inspanning gedaan; dat moet ook mogelijk zijn voor de
werkloosheidsuitkeringen.
Ik
wacht het advies van het beheerscomité van de RVA af over deze
kwestie, die vooral in deze crisisperiode zeer relevant is.
|
|
Demande
d’explications de Mme Fatiha Saïdi à la vice-première
ministre et ministre de l’Emploi et de l’Égalité des
chances, chargée de la Politique de migration et d’asile sur
«la loi du 10 mai 2007 tendant à lutter contre
certaines formes de discrimination» (nº 5-336)
|
Vraag
om uitleg van mevrouw Fatiha Saïdi aan de
vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen,
belast met het Migratie- en asielbeleid over «de wet van
10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van
discriminatie» (nr. 5-336)
|
|
Mme Fatiha
Saïdi (PS). – Depuis le 10 mai 2007, la Belgique
a transposé dans sa législation nationale la directive
européenne 2000/78/CE visant à garantir un traitement égal
dans le cadre de l’emploi, des conditions de travail et de la
formation professionnelle.
Compte tenu
de la loi antidiscrimination du 25 février 2003, cette
loi, entrée en vigueur le 9 juin 2007, interdit la
discrimination fondée sur l’âge, l’orientation sexuelle,
l’état civil, la naissance, la fortune, etc.
Le texte
prévoit des possibilités d’exceptions pour que la
discrimination à l’embauche ne puisse être évoquée quand
les justifications de mise à l’écart sont objectivement
légitimes ou qu’une expérience professionnelle déterminante
est requise.
Un cas
litigieux, par nature singulier, sera examiné par le Centre pour
l’Égalité des Chances et/ou par un juge. Ceux-ci
détermineront la légitimité des motifs invoqués et des moyens
employés.
La loi
prévoit également des exceptions plus globales, quand des
politiques publiques sont menées en matière d’emploi ou que
des actions dites « positives » visent temporairement
un groupe particulier.
Dans
l’article 8, §4, la loi prévoit que le gouvernement
finalise un arrêté royal constituant une liste exemplative des
situations dans lesquelles une caractéristique déterminée
constitue une exigence professionnelle essentielle et
déterminante.
De même,
l’article 10, paragraphe 3, de la loi prévoit que le
gouvernement finalise un arrêté royal fixant les conditions des
actions positives menées en matière d’emploi.
Or, d’après
les informations dont je dispose à ce jour, ces arrêtés
royaux, pourtant essentiels à la bonne application de la loi,
n’ont pas été élaborés. Sont-ils en voie de finalisation ?
Les consultations auprès des organes publics et privés visés à
l’article 10, paragraphe 4, ont-elles été ou vont-elles
être menées ? Si ces organes n’ont pas encore été
consultés, pourriez-vous nous indiquer le calendrier des
consultations ?
|
Mevrouw Fatiha
Saïdi (PS). – Sinds 10 mei 2007 heeft België de
Europese richtlijn 2000/78/EG tot instelling van een algemeen
kader van gelijke behandeling in arbeid en beroep in nationale
wetgeving omgezet.
De
wet van 10 mei 2007, die in werking is getreden op
9 juni 2007, en de antidiscriminatiewet van
25 februari 2003 vervangt, verbiedt discriminatie op
grond van leeftijd, seksuele geaardheid, handicap, geloof of
levensbeschouwing, burgerlijke staat, geboorte, vermogen,
enzovoort.
De
tekst voorziet in uitzonderingsmogelijkheden opdat discriminatie
bij de indienstneming niet kan worden ingeroepen indien de
redenen om iemand opzij te schuiven objectief gerechtvaardigd
zijn of als doorslaggevende beroepservaring is vereist.
Een
geschil, van nature uniek, wordt onderzocht door het Centrum voor
gelijkheid van kansen en racismebestrijding en/of door een
rechter. Zij beoordelen de legitimiteit van de ingeroepen
motieven en van de gebruikte middelen.
De
wet voorziet ook in meer algemene uitzonderingen, als de overheid
een werkgelegenheidsbeleid voert of als zogenaamde ‘positieve
acties’ tijdelijk op een specifieke groep gericht zijn.
In
artikel 8, §4, van de wet is bepaald dat de regering bij
koninklijk besluit een exemplatieve lijst van situaties kan
bepalen waarin een bepaald kenmerk een wezenlijke en bepalende
beroepsvereiste vormt.
Op
dezelfde wijze bepaalt artikel 10, paragraaf 3 van de wet
dat de regering bij koninklijk besluit de situaties bepaalt
waarin en de voorwaarden waarbij een maatregel van positieve
actie getroffen kan worden.
Volgens
de informatie waarover ik vandaag beschik zijn die koninklijke
besluiten, die nochtans essentieel zijn om de wet goed te kunnen
toepassen, nog niet uitgewerkt. Zullen ze weldra klaar zijn?
Hebben de raadplegingen bij de publieke en privé-organen bedoeld
in artikel 10, paragraaf 4 plaatsgevonden of zullen ze
plaatsvinden? Als die organen nog niet werden geraadpleegd, kunt
u me dan zeggen wanneer die raadplegingen zullen plaatsvinden?
|
|
Mme Joëlle
Milquet, vice-première ministre et ministre de l’Emploi et
de l’Égalité des chances, chargée de la Politique de
migration et d’asile. – Je remercie Mme Saïdi de sa
question.
Lorsque je
suis entrée en fonction, j’ai constaté la complexité de la
mise en œuvre de cette loi du 10 mai 2007. Celle-ci
mérite des thèses de doctorat pour la rédaction des arrêtés
d’exécution ! En tant que juriste, j’ai rarement vu une
loi aussi compliquée à mettre en œuvre.
J’ai mis
sur pied un groupe de travail où siègent des membres de mon
cabinet, du Centre pour l’égalité des chances, de l’Institut
pour l’égalité entre les hommes et les femmes et du SPF
Emploi. Ce groupe bénéficie du soutien des auteurs de la loi,
qui sont des avocats experts, pour préparer les différents
arrêtés royaux relatifs aux mesures positives et aux différents
éléments évoqués dans la question.
Ces arrêtés
sont en train d’être finalisés, en tout cas en ce qui
concerne les éléments objectifs qui ont été cités. Ils sont
intimement liés et, en fait, un seul arrêté d’exécution
concerne les actions positives à l’égard des groupes cibles.
Il est vrai
que pour la détermination de ces groupes cibles, nous attendons
que le monitoring socio-économique soit terminé. La Banque
Carrefour et l’ensemble des différentes administrations
collaborent à l’identification des différents groupes cibles
de manière objective, sur la base de ce monitoring. Ce travail
demande également une coordination avec les entités fédérées.
Nous
attendions donc ces derniers éléments pour finaliser l’arrêté
qui est déjà rédigé à plus de 80%. Nous avions déjà
consulté le Conseil national du travail qui nous avait remis un
avis le 10 octobre 2008. Dès que nous disposerons de
l’ensemble des éléments, nous demanderons la consultation du
Comité A.
Le fait que
nous soyons en affaires courantes ne nous empêche pas d’avancer
ni de discuter de l’évolution de ces arrêtés. À mes yeux,
l’urgence demande que nous puissions prendre ces arrêtés. Je
verrai avec mes collègues du gouvernement si ces arrêtés
peuvent entrer dans le concept des affaires courants ou urgentes.
Les projets
d’arrêté sont en tout cas quasiment opérationnels.
|
Mevrouw Joëlle
Milquet, vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke
Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid. – Ik dank
mevrouw Saïdi voor haar vraag.
Bij
mijn aantreden heb ik vastgesteld hoe ingewikkeld het was de wet
van 10 mei 2007 in werking te laten treden. Die wet
verdient doctoraalscripties voor de redactie van de
uitvoeringsbesluiten! Als jurist heb ik zelden een wet gezien die
zo ingewikkeld is om uit te voeren.
Ik
heb een werkgroep opgezet waarin leden van mijn kabinet, van het
Centrum voor gelijkheid van kansen, van het Instituut voor de
gelijkheid van vrouwen en mannen en van de FOD werkgelegenheid
zetelen. Die groep geniet de steun van de auteurs van de wet, die
gespecialiseerde advocaten zijn, om de verschillende koninklijke
besluiten met betrekking tot de positieve maatregelen voor te
bereiden.
Die
besluiten zijn bijna klaar, in ieder geval wat betreft de
objectieve elementen die vermeld werden. Ze zijn nauw met elkaar
verbonden en in feite betreft een enkel uitvoeringsbesluit de
positieve acties ten aanzien van de doelgroepen.
Het
is waar dat we voor de bepaling van die doelgroepen wachten tot
de sociaaleconomische monitoring klaar is. De kruispuntbank en
alle besturen werken samen aan de objectieve identificatie van de
verschillende doelgroepen, op basis van die monitoring. Dat werk
vereist eveneens coördinatie met de regionale entiteiten.
We
wachten dus op die laatste elementen om het besluit, dat al voor
80% is opgesteld, af te werken. We hadden de Nationale
Arbeidsraad al geraadpleegd. Die heeft ons een advies verstrekt
op 10 oktober 2008. Zodra we over alle elementen
beschikken, zullen we het Comité A raadplegen.
Het
feit dat de regering in lopende zaken is, belet niet dat we
vooruit gaan, noch dat we de voortgang van die besluiten
bespreken. In mijn ogen is spoed vereist en moeten we daarom die
besluiten nemen. Ik zal met mijn collega’s in de regering
bekijken of die besluiten onder de lopende of dringende zaken
kunnen vallen.
De
ontwerpen van besluit zijn in ieder geval zo goed als klaar.
|
|
Mme Fatiha
Saïdi (PS). – Je me réjouis que la ministre considère
que cette disposition est urgente. C’est aussi une bonne chose
que ces arrêtés sont en voie d’élaboration car ils sont
réellement indispensables pour prévenir toute velléité de
discrimination.
Si la
situation politique le permet, je reviendrai sur le sujet pour
connaître l’état d’avancement du dossier.
|
Mevrouw Fatiha
Saïdi (PS). – Ik ben blij dat de minister die bepaling
dringend acht. Het is eveneens positief dat die besluiten bijna
zijn uitgewerkt want ze zijn echt onmisbaar om elke neiging tot
discriminatie te verhinderen.
Als
de politieke situatie het mogelijk maakt, kom ik terug op dit
onderwerp om de stand van zaken van het dossier te kennen.
|
|
Demande
d’explications de Mme Fatiha Saïdi à la vice-première
ministre et ministre de l’Emploi et de l’Égalité des
chances, chargée de la Politique de migration et d’asile sur
«la remise au travail des personnes handicapées à la suite
d’une maladie ou d’un accident» (nº 5-450)
|
Vraag
om uitleg van mevrouw Fatiha Saïdi aan de
vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen,
belast met het Migratie- en asielbeleid over «de
wedertewerkstelling van personen die door een ziekte of ongeval
een handicap kregen» (nr. 5-450)
|
|
Mme Fatiha
Saïdi (PS). – Des études européennes montrent qu’un
travailleur sur cinq sera victime d’une maladie incapacitante
ou d’un accident lourd de conséquences.
Passé le
choc physique et mental et si leur état le leur permet, s’ensuit
alors une longue période durant laquelle ces personnes doivent
réapprendre à vivre, à faire les choses du quotidien, à
« dompter » leur handicap. On pourrait penser que ce
n’est qu’une fois cette étape franchie que ces personnes
retrouvent la volonté de chercher un emploi. Pour ma part,
recommencer à travailler fait partie intégrante de ce
processus, souvent perçu comme vital.
Je profite
d’ailleurs de l’occasion pour saluer les ETA – Entreprises
de travail adapté – de notre pays. Ces entreprises permettent
à de très nombreuses personnes moins valides de se sentir à
nouveau utiles, de retrouver une forme de dignité et de se
revaloriser socialement au travers de leur activité
professionnelle.
Cependant,
selon les estimations syndicales, seul un tiers des personnes
handicapées âgées de 16 à 64 ans est au travail, contre 65%
chez les personnes valides. Il reste donc encore beaucoup à
faire dans le domaine de la remise au travail des personnes moins
valides.
En outre,
seul un pour cent des travailleurs en ETA est ensuite embauché
dans une autre entreprise, alors que les ETA ont pour mission de
servir de passerelles vers le circuit économique « ordinaire ».
À
l’occasion de la Journée mondiale de la personne handicapée
du 3 décembre dernier, des syndicats ont lancé un appel
pour que des conventions collectives de travail soient négociées
en vue de faciliter le maintien au travail, l’embauche ou la
réintégration des personnes handicapées après un accident de
travail ou une maladie.
Le Service
public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale
envisage-t-il d’aborder cette question lors d’une
concertation avec les partenaires sociaux ?
|
Mevrouw Fatiha
Saïdi (PS). – Europese studies tonen aan dat één op vijf
werknemers slachtoffer wordt van een zware ziekte of een ongeluk
met zware gevolgen.
Na
de fysieke en mentale schok, moeten die mensen, als ze voldoende
hersteld zijn, opnieuw de draad van hun leven opnemen en proberen
hun handicap onder controle te houden. Men zou kunnen denken dat
die mensen, eens ze zo ver staan, weer werk willen zoeken.
Opnieuw aan de slag kunnen, maakt volgens mij wezenlijk deel uit
van dit proces. Het is als het ware van levensbelang.
Ik
wil hier ook hulde brengen aan de beschutte werkplaatsen in ons
land. Mindervaliden krijgen er het gevoel weer nuttig te zijn. Ze
vinden hun waardigheid terug en worden maatschappelijk
gewaardeerd worden voor het werk dat ze presteren.
Volgens
ramingen van de vakbonden is slechts één derde van de mensen
met een handicap tussen 14 en 64 jaar aan het werk. Voor validen
is dat 65%. Er is dus nog veel te doen om mindervaliden meer aan
het werk te krijgen.
Slechts
één procent van de werknemers in een beschutte werkplaats wordt
later aangeworven in een ander bedrijf, terwijl beschutte
werkplaatsen de overgang naar de gewone arbeidsmarkt zouden
moeten voorbereiden.
Naar
aanleiding van de werelddag voor mensen met een handicap op
3 december jl. hebben vakbonden een oproep gelanceerd om
collectieve arbeidsovereenkomsten te sluiten met het oog op het
behoud van het werk, de aanwerving of de herinschakeling van
mindervaliden na een arbeidsongeval of een ziekte.
Overweegt
de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg dit thema te
bespreken met de sociale partners?
|
|
Mme Joëlle
Milquet, vice-première ministre et ministre de l’Emploi et
de l’Égalité des chances, chargée de la Politique de
migration et d’asile. – Les données du SPF Emploi montrent
qu’environ deux tiers des conventions collectives sectorielles
et des conventions collectives complémentaires conclues en 2009
et 2010 dans le cadre de la réglementation relative aux
« groupes à risques » intègrent les « handicapés »
ou « moins-valides » dans leur définition des
groupes à risques. Si vous le désirez, je vous ferai d’ailleurs
parvenir un aperçu de ces différentes conventions.
Maintenant
que les négociations sectorielles vont commencer, j’avais
l’intention – comme vous m’y invitez d’ailleurs –
d’envoyer une lettre aux différents responsables des
commissions paritaires pour leur demander d’accorder une
attention toute particulière aux dispositions concernant les
personnes handicapées et, surtout, aux mesures relatives à
l’accès à l’emploi des personnes moins valides ou
handicapées, que ce soit par la logique des groupes cibles ou
autres. Je pense également à la classification des fonctions, à
la lutte pour l’égalité salariale entre les hommes et les
femmes et à la lutte contre les discriminations plus
spécifiquement axée sur la problématique des personnes
handicapées.
J’aimerais
au moins, même si cela ne relève pas de mes compétences, que
l’on puisse respecter au niveau fédéral les quotas que nous
nous sommes fixés. Pour pouvoir donner des leçons à tout le
monde, il faut être capable de respecter l’objectif de 3% de
personnes handicapées dans ses propres administrations. Je
voudrais que les administrations publiques montrent réellement
l’exemple dans ce domaine et que nous puissions avancer.
|
Mevrouw Joëlle
Milquet, vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke
Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid. – Uit gegevens
van de FOD Werkgelegenheid blijkt dat in ongeveer twee derde van
de sectorale collectieve arbeidsovereenkomsten en van de
aanvullende cao’s die in 2009 en 2010 gesloten zijn in het
kader van de reglementering voor risicogroepen, personen met een
handicap of mindervaliden beschouwen als een risicogroep. Ik kan
u een overzicht bezorgen van die overeenkomsten.
Nu
de sectorale onderhandelingen gaan beginnen, was ik van plan de
verantwoordelijken van de paritaire comités aan te schrijven om
hun bijzondere aandacht te vragen voor de bepalingen met
betrekking tot personen met een handicap en vooral voor de
maatregelen om, al dan niet via de doelgroepen, mindervaliden
toegang te verlenen tot de arbeidsmarkt. Ik denk bijvoorbeeld aan
de classificatie van betrekkingen, de strijd voor loongelijkheid
tussen mannen en vrouwen en aan de strijd tegen discriminatie, in
het bijzonder van personen met een handicap.
Ik
zou minstens willen bereiken dat op het federale niveau de
opgelegd quota in acht worden genomen, ook al behoort dat niet
onder tot mijn bevoegdheid. Voor men andere de les wil spellen,
moet men de doelstelling van 3% mindervalide personeelsleden in
de eigen administratie waarmaken. Ik wens dat de overheid hierin
het voorbeeld geeft zodat we vooruitgang kunnen boeken.
|
|
Mme Fatiha
Saïdi (PS). – Je remercie la ministre pour sa réponse. La
promotion est cruciale. Il faut vraiment sensibiliser les
institutions et les collectivités locales au devoir moral
d’engager des personnes handicapées. Il n’y a pas de
contrainte à le faire. Dans ma commune, par exemple, nous avons
organisé une rencontre avec la fédération des entreprises de
travail adapté qui nous a permis de nous rendre compte à quel
point nous pouvions engager des personnes handicapées, y compris
dans les marchés publics.
|
Mevrouw Fatiha
Saïdi (PS). – Ik dank de minister voor het antwoord. Het
is van cruciaal belang dit aspect te promoten. Instellingen en
gemeentebesturen moeten bewust gemaakt worden van de morele
plicht om mindervaliden aan te werven. Nu is er weinig druk om
dat te doen. In mijn gemeente hebben we bijvoorbeeld een
ontmoeting georganiseerd met de federatie van beschutte
werkplaatsen om na te gaan in welke mate we een beroep kunnen
doen op personen met een handicap, ook bij openbare
aanbestedingen.
|
|
Demande
d’explications de Mme Fatiha Saïdi à la vice-première
ministre et ministre de l’Emploi et de l’Égalité des
chances, chargée de la Politique de migration et d’asile sur
«les besoins spécifiques des garçons et des hommes d’origine
étrangère dans le cadre de la problématique des mariages
forcés et arrangés» (nº 5-451)
|
Vraag
om uitleg van mevrouw Fatiha Saïdi aan de
vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen,
belast met het Migratie- en asielbeleid over «de specifieke
behoeften van jongens en mannen van vreemde afkomst in het kader
van de problematiek van gedwongen en geregelde huwelijken»
(nr. 5-451)
|
|
Mme Fatiha
Saïdi (PS). – Je me demande pourquoi ma question écrite a
été transformée en demande d’explications…
Quoi qu’il
en soit, je m’interroge à propos des choix stratégiques à
envisager en vue d’harmoniser la prévention et l’assistance
aux garçons et aux hommes d’origine étrangère impliqués
dans la problématique des mariages forcés et arrangés.
Le volet
opérationnel du plan d’action national 2010-2014 contre les
violences entre partenaires étendu aux mariages forcés et
arrangés prévoyait que l’Institut pour l’égalité des
femmes et des hommes formule des recommandations basées sur deux
études universitaires dans le courant de l’année 2010.
La première
étude a été menée par le Centre pour l’Islam en Europe de
l’université de Gand de 2005 à 2007. Elle portait sur les
facteurs limitant la liberté du choix d’un partenaire dans les
groupes de populations d’origine étrangère en Belgique. La
deuxième, publiée à la fin de l’année 2009 en complément
de la première, était une analyse statistique et qualitative du
choix de la conjointe et du mariage des hommes marocains, turcs
et sikhs effectuée par le Centre pour les Migrations et Études
interculturelles de l’université d’Anvers.
Les
résultats de ces deux études ont-ils été analysés ?
L’analyse a-t-elle permis à l’Institut pour l’égalité
des femmes et des hommes de formuler des recommandations ?
Dans l’affirmative, lesquelles ?
|
Mevrouw Fatiha
Saïdi (PS). – Mijn vraag gaat over de strategische keuzes
met het oog op de harmonisering van de preventie en de bijstand
aan jongens en mannen van vreemde afkomst in het kader van de
problematiek van gedwongen en geregelde huwelijken.
Het
operationele deel van het Nationaal Actieplan 2010-2014 ter
bestrijding van partnergeweld werd uitgebreid tot de gedwongen
huwelijken. Het bepaalt dat de Instituut voor de gelijkheid van
vrouwen en mannen in de loop van 2010 op basis van twee
universitaire studies aanbevelingen zou doen.
De
eerste studie werd in 2005-2007 gerealiseerd door het centrum
voor de Islam in Europa van de universiteit van Gent. Ze ging
over factoren die de vrije partnerkeuze beperken in de
bevolkingsgroepen van vreemde afkomst in België. De tweede
studie van het Centrum voor Migratie en Interculturele studies
van de Universiteit Antwerpen werd eind 2009 gepubliceerd als
aanvulling op de eerste. Het was een kwantitatieve en
kwalitatieve analyse van de partnerkeuze en het huwelijk van
Marokkaanse, Turkse en sikhmannen.
Zijn
de resultaten van die studies geanalyseerd? Heeft het Instituut
voor de gelijkheid van mannen en vrouwen aanbevelingen kunnen
doen? Zo ja, welke?
|
|
(M. Rik
Torfs prend place au fauteuil présidentiel.)
|
(Voorzitter:
de heer Rik Torfs.)
|
|
Mme Joëlle
Milquet, vice-première ministre et ministre de l’Emploi et
de l’Égalité des chances, chargée de la Politique de
migration et d’asile. – L’étude citée met en lumière les
éléments qui déterminent le choix de partenaire par les hommes
d’origine étrangère – qu’ils soient marocains, turcs ou
sikhs – de la deuxième génération vivant en Belgique. Elle
ne se limite pas à la seule problématique des mariages forcés
et arrangés. Mais elle revêt effectivement à la fois un aspect
quantitatif et qualitatif, notamment grâce aux nombreuses
interviews réalisées auprès des personnes issues des trois
cultures que j’ai évoquées.
Il ressort
des premières analyses que l’intervention de tiers dans la
conclusion d’un mariage est vraiment omniprésente et largement
acceptée au sein de ces différentes communautés.
L’étude
démontre aussi qu’il n’est pas toujours simple d’établir
la distinction entre mariage forcé et mariage arrangé. En
fonction des circonstances, des personnalités et des relations,
un mariage arrangé peut devenir un mariage forcé. Par ailleurs,
en dépit de premières rencontres exercées sous la pression, le
mariage forcé peut se transformer en mariage arrangé.
Nous avons
vraiment un problème de détermination des définitions et donc
des mesures adéquates pour éviter ce genre de situations.
L’équipe
de recherche de l’université d’Anvers a mis en exergue une
série de mesures et de recommandations : la mise en place
de points d’information pour les jeunes et les hommes
allochtones, la création de matériel de sensibilisation destiné
à toutes les minorités ethnoculturelles afin d’éviter les
stigmatisations à l’encontre de ces dernières,
l’intensification de l’information via les écoles et maisons
de jeunes, le recours aux sites internet pour une sensibilisation
à cette problématique. Une autre mesure est le maintien de
cours de langue et d’intégration pour les arrivants, mais elle
s’éloigne davantage du sujet qui nous occupe. Citons encore la
rédaction de brochures présentant les expériences de quelques
hommes appartenant à différentes minorités ethnoculturelles.
Le nouveau
plan d’action contre les violences adopté en novembre par les
différents niveaux de pouvoir et qui doit être appliqué au
cours des quatre prochaines années comprend un volet vraiment
très spécifique sur les crimes d’honneur et sur les mesures
relatives aux mariages forcés, qui relèvent des compétences
régionales, communautaires et – très partiellement –
fédérales.
Je voudrais
ajouter qu’une disposition française me paraît
particulièrement intéressante en ce qui concerne les mariages
forcés. Il s’agit, dans l’hypothèse où l’on emmène une
jeune fille en vacances pour la marier, dans son pays d’origine,
à un cousin éloigné, de permettre à cette jeune fille de
bénéficier d’une interdiction de visa de sortie. L’idée me
paraît excellente. On vise toujours la maîtrise des visas
d’entrée, sans envisager celle des visas de sortie. Or, en
évoquant cette interdiction, la jeune fille pourra rester dans
le pays européen dans lequel elle vit. J’espère que ce
nouveau plan pourra faire ses preuves.
|
Mevrouw Joëlle
Milquet, vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke
Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid. – De studie
waarnaar wordt verwezen werpt een licht op de elementen die de
partnerkeuze bepalen van mannen van vreemde afkomst –
Marokkanen, Turken of sikhs – van de tweede generatie, wonend
in België. Ze is niet beperkt tot de problematiek van de
gedwongen en gearrangeerde huwelijken. Ze heeft tegelijkertijd
een kwantitatief en een kwalitatief aspect, onder meer dankzij de
vele interviews met mensen uit de drie genoemde culturen.
Uit
de eerste analyses blijkt dat de interventie van derden in de
huwelijkssluiting in die verschillende gemeenschappen echt
alomtegenwoordig en breed aanvaard is.
De
studie toont ook aan dat het niet altijd eenvoudig is het
onderscheid te maken tussen een gedwongen en een gearrangeerd
huwelijk. Naargelang van de omstandigheden, de persoonlijkheden
en de relaties kan een gearrangeerd huwelijk een gedwongen
huwelijk worden. Ook kan een gedwongen huwelijk, ondanks het feit
dat de eerste contacten onder dwang tot stand kwamen, uitgroeien
tot een gearrangeerd huwelijk.
Het
is echt moeilijk het probleem te definiëren en bijgevolg om
adequate maatregelen te nemen om dergelijke situaties te
vermijden.
Het
onderzoeksteam van de universiteit van Antwerpen heeft een aantal
maatregelen en aanbevelingen voorgesteld: de oprichting van
infopunten voor allochtone jongeren en mannen, de creatie van
bewustmakingsmateriaal voor etnisch-culturele minderheden dat
erop gericht is stigmatisering van die groepen te vermijden, meer
informatie in de scholen en de jeugdhuizen, internetsites voor
bewustmaking van die problematiek. Een andere maatregel is het
behoud van taal- en integratiecursussen voor nieuwkomers, maar
hiermee dwalen we af van het aangekaarte probleem. Ook wordt
aanbevolen brochures te maken met de ervaringen van enkele mannen
uit de verschillende etnisch-culturele minderheden.
Het
nieuwe actieplan ter bestrijding van het partnergeweld werd in
november door de verschillende beleidsniveaus aangenomen en moet
de volgende vier jaar worden toegepast. Eén onderdeel is
specifiek gewijd aan maatregelen met betrekking tot de gedwongen
huwelijken, waarvoor de gewesten, de gemeenschappen, en in
beperkte mate ook de federale overheid, bevoegd zijn.
Ik
wil nog verwijzen naar een zeer interessante Franse maatregel
inzake gedwongen huwelijken. Wanneer een meisje op vakantie mee
naar haar land van herkomst wordt genomen om er met een verre
neef te trouwen, moet het mogelijk zijn voor dat meisje een
uitreisvisum te weigeren. Dat lijkt me een excellent idee. Men
kijkt altijd naar inreisvisa, maar nooit naar uitreisvisa. Door
de weigering zal het meisje echter blijven in het Europese land
waar ze woont. Ik hoop dat dit nieuwe plan zijn waarde zal
bewijzen.
|
|
Mme Fatiha
Saïdi (PS). – Il y a lieu, sur le plan législatif, de
réfléchir à d’autres modes opératoires visant à empêcher
ces mariages forcés mais aussi les séquestrations des femmes à
l’étranger. Mais j’interpellerai prochainement le ministre
des Affaires étrangères concernant cette thématique qui doit
aussi être prise en considération car il s’agit également de
violence faite aux femmes et notre souci est de combattre toutes
les formes de violence, y compris celle exercée à l’encontre
d’une Belge d’origine étrangère qui se rend dans son pays
d’origine.
|
Mevrouw Fatiha
Saïdi (PS). – Er moet op wetgevend vlak worden gedacht aan
andere maatregelen om zowel gedwongen huwelijken als de
opsluiting van vrouwen in het buitenland te verhinderen. Ik zal
de minister van Buitenlandse Zaken ondervragen over dat probleem
waarmee eveneens rekening moet worden gehouden, want ook hier
gaat het om geweld tegen vrouwen. We willen immers alle vormen
van geweld tegen vrouwen bestrijden, met inbegrip van geweld
tegen Belgische vrouwen van vreemde afkomst die naar hun land van
herkomst gaan.
|
|
Demande
d’explications de Mme Zakia Khattabi à la vice-première
ministre et ministre de l’Emploi et de l’Égalité des
chances, chargée de la Politique de migration et d’asile sur
«l’étude de faisabilité d’un master interuniversitaire en
études de genre» (nº 5-297)
|
Vraag
om uitleg van mevrouw Zakia Khattabi aan de
vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen,
belast met het Migratie- en asielbeleid over «de
haalbaarheidsstudie betreffende de oprichting van een
interuniversitaire master genderstudies» (nr. 5-297)
|
|
Mme Zakia
Khattabi (Ecolo). – Entre le 1er janvier 2009
et le 31 décembre 2010, et à la suite de votre
demande, l’asbl Sophia, réseau belge de coordination des
études féministes, a réalisé sous la coordination de
l’Institut pour l’égalité des femmes et des hommes, une
étude de faisabilité « relative à la création d’un
master interuniversitaire en études de genre en Belgique et
l’élaboration d’un concept de master interuniversitaire en
études de genre ».
Eu égard
aux obligations internationales de la Belgique en matière de
promotion de l’égalité des femmes et des hommes et à la loi
dite « de gender mainstreaming » visant à
intégrer de manière transversale la dimension du genre, et vu
l’absence d’une telle formation dans le paysage universitaire
de notre pays, cette initiative était plus que bienvenue, pour
ne pas dire indispensable.
Le rapport a
été déposé en décembre. Pouvez-vous m’indiquer quelles
sont les conclusions de cette étude ainsi que les suites que
vous leur donnerez ?
En réponse
à une question sur ce sujet, le ministre en charge de
l’Enseignement supérieur en Communauté française m’avait
indiqué que l’étude visait notamment « à susciter et
s’assurer de l’adhésion des autorités académiques et
politiques à ce projet, afin d’ancrer structurellement les
études de genre dans les universités. » À cet effet, un
comité de pilotage associant les cabinets, les administrations
et les universités des Communautés française et flamande avait
d’ailleurs été mis sur pied.
À l’issue
de cette recherche, cette adhésion est-elle désormais acquise ?
En d’autres termes, peut-on espérer la création rapide de ce
master interuniversitaire ?
|
Mevrouw Zakia
Khattabi (Ecolo). – De vzw Sophia, het Belgische
coördinatienetwerk voor vrouwenstudies, heeft op uw vraag tussen
1 januari 2009 en 31 december 2010, onder de
coördinatie van het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en
mannen, een haalbaarheidsstudie uitgevoerd over ‘de oprichting
van een interuniversitaire master in genderstudies in België en
de uitwerking van een concept van interuniversitaire master en
genderstudies’.
Gezien
de internationale verplichtingen van België op het vlak van de
bevordering van de gelijkheid van vrouwen en mannen en de
zogenaamde wet ‘gendermainstreaming’, die erop gericht
is op transversale wijze de dimensie van het geslacht te
integreren, en gezien de afwezigheid van dergelijke opleiding in
het universitaire landschap in ons land, was dit initiatief meer
dan welkom, om niet te zeggen broodnodig.
Het
verslag werd in december ingediend. Kunt u me de conclusies van
die studie meedelen, evenals het gevolg dat u eraan zult geven?
In
antwoord op een vraag over dit onderwerp deelde de minister voor
hoger onderwijs van de Franse Gemeenschap me mee dat de studie
onder meer beoogde de instemming van de academische en politieke
autoriteiten te verkrijgen, zodat de genderstudies structureel in
de universiteiten kunnen worden verankerd. Daartoe werd overigens
een stuurcomité, samengesteld uit kabinetten, de administraties
en de universiteiten van de Franse en Vlaamse Gemeenschap,
opgericht.
Heeft
de studie als resultaat dat die instemming werd verkregen? Met
andere woorden, kunnen we spoedig de oprichting van die
interuniversitaire master verwachten?
|
|
Mme Joëlle
Milquet, vice-première ministre et ministre de l’Emploi et
de l’Égalité des chances, chargée de la Politique de
migration et d’asile. – Nous avons effectivement demandé à
l’asbl Sophia de réaliser cette étude de faisabilité pour
décembre 2010 puisqu’elle avait fait le constat que,
contrairement à d’autres pays, nous ne disposions d’aucune
formation universitaire ou d’enseignement supérieur dans ce
domaine.
Je vous
transmettrai le rapport qui m’a été soumis. Nous pourrions
éventuellement en discuter au sein de cette commission.
Quatre
conclusions importantes se dégagent.
La première
indique que l’organisation d’une formation de master
intercommunautaire n’est pas évidente en matière de diplômes.
On préconise plutôt la création d’une formation
interuniversitaire, à la fois en Communauté française et en
Communauté flamande, sur une base linguistique différente.
Ensuite, des accords de collaboration intercommunautaire
pourraient être noués sur les modules de formation et la
mobilité des étudiants ou des professeurs.
L’idée
est plutôt de prévoir une formation interuniversitaire par
communauté, avec des partenariats entre les communautés, avec
la participation des trois académies et, le cas échéant, des
écoles d’enseignement supérieur qui le souhaiteraient. Un
système de mobilité permettrait à ceux qui le désirent de
suivre les formations dispensées dans les deux communautés. La
codiplomation est possible et applicable aux deux communautés.
Un nombre
important de modules de formation avec une perspective de genre
est déjà proposé, au niveau du master, dans les universités
belges. Ces formations sont en général faiblement ancrées car
elles sont fortement liées à la personne. En outre, les études
de genre ne se développent pas autant dans chaque discipline et
dans chaque université et il n’existe pas de module de
formation théorique et méthodologique en études de genre, au
niveau du master, dans les universités belges.
Le
regroupement de l’offre existante dans des spécialisations à
orientation thématique ou disciplinaire peut être, selon
l’étude, une ébauche de programme de master, avec une
collaboration interuniversitaire à ce sujet.
Dans le
cadre de l’étude de faisabilité, l’asbl Sophia a aussi
réalisé une étude de marché, d’une part, auprès des
étudiants et doctorants et, d’autre part, auprès des
employeurs potentiels. Cette étude a révélé que
l’organisation d’un master en études de genre est pertinente
à la fois sur les plans social et scientifique. Elle a révélé
un besoin réel et une demande de poursuite d’expertise en la
matière, ce qui est une bonne nouvelle.
En ce qui
concerne les bonnes pratiques, la Belgique est un des rares pays
européens à ne pas proposer de formation en la matière. Le
paysage européen de l’enseignement en ce qui concerne les
études de genre a été analysé. Quelques études de cas, de
programmes de master ont été discutés. Il en ressort que
l’appui des autorités politiques et/ou universitaires, outre
l’engagement énorme des académiciens concernés, est
indispensable pour le lancement d’une nouvelle formation en
études de genre.
Autrement
dit, en l’absence de décision de politique et surtout de
financement permettant de lancer le projet, je crains que les
chances ne soient réduites.
C’est sur
la base de ces paramètres qu’un programme-cadre pour un master
en études de genre a été élaboré. L’un des principaux
mérites de ce projet réside dans la diversité des acteurs. Des
représentants des différentes universités et des grandes
écoles belges ont participé au groupe de travail qui a surtout
étudié l’aspect du contenu. Un comité de pilotage, composé
de représentants des différents cabinets, administrations
compétentes et autorités académiques, s’est penché avec un
vif intérêt sur la question. À ce stade, il n’y a pas encore
d’accord formel des autorités académiques pour créer ce
master.
Je compte
envoyer cette étude dont nous venons de découvrir les
conclusions aux différentes autorités académiques, aux
recteurs et aux coordinations interuniversitaires, avec une
demande d’analyse des collaborations possibles entre les
différentes universités. Ce même dossier sera également
transmis aux ministres communautaires de l’enseignement
supérieur.
|
Mevrouw Joëlle
Milquet, vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke
Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid. – We hebben
inderdaad aan de vzw Sophia gevraagd die haalbaarheidsstudie uit
te voeren tegen december 2010, aangezien ze had vastgesteld
dat ons land, in tegenstelling tot andere landen, over geen
enkele universitaire opleiding of opleiding in het hoger
onderwijs in dat domein beschikte.
Ik
zal u het verslag bezorgen. We kunnen het eventueel bespreken in
deze commissie.
Een
eerste conclusie uit dat verslag is dat de organisatie van een
intercommunautaire masteropleiding niet vanzelfsprekend is op het
vlak van diploma’s. Er wordt eerder aan de oprichting van een
interuniversitaire vorming gedacht, zowel in de Franse als in de
Vlaamse Gemeenschap, op een verschillende taalbasis. Daarna
kunnen intercommunautaire samenwerkingsakkoorden worden gesloten
over opleidingsmodules en over de mobiliteit van de studenten of
professoren.
Het
idee is eerder een interuniversitaire opleiding in elke
gemeenschap te organiseren, met samenwerkingsverbanden tussen de
gemeenschappen, met de deelname van de drie academies, en
eventueel met scholen voor hoger onderwijs die dat wensen. Een
mobiliteitssysteem zou het voor degenen die dat wensen, mogelijk
maken de opleiding te verdelen over de twee gemeenschappen.
Codiplomering is mogelijk en toepasbaar in de twee
gemeenschappen.
Aan
de Belgische universiteiten wordt al een groot aantal
opleidingsmodules met een genderperspectief op masterniveau
aangeboden. Die opleidingen zijn over het algemeen weinig
verankerd aangezien ze sterk aan de persoon gebonden zijn.
Bovendien ontwikkelen de genderstudies zich niet even sterk in
elke discipline en in elke universiteit en bestaat er geen
theoretische en methodologische opleidingsmodule in genderstudies
op masterniveau aan de Belgische universiteiten.
De
groepering van het bestaande aanbod in specialisaties met een
thematische of disciplinaire oriëntatie kan volgens de studie
een aanzet vormen voor een masterprogramma, met een
interuniversitaire samenwerking betreffende dat onderwerp.
In
het kader van de haalbaarheidsstudie heeft de vzw Sophia ook een
marktstudie uitgevoerd, enerzijds bij de studenten en
doctoraatsstudenten en anderzijds bij de potentiële werkgevers.
Uit die studie blijkt dat de organisatie van een master in
genderstudies zowel op sociaal vlak als op wetenschappelijk vlak
relevant is. De studie heeft een reële nood en een vraag naar
vervolgexpertise in deze materie blootgelegd, wat een goede zaak
is.
België
is een van de weinige Europese landen waarin geen opleiding in
deze materie wordt aangeboden. Het Europese landschap van
genderstudies werd onderzocht. Enkele casestudy’s van
masterprogramma’s werden besproken. Daaruit blijkt dat de steun
van de politieke en/of universitaire overheden, naast het enorme
engagement van de betrokken academici, onmisbaar is voor de
oprichting van een nieuwe genderopleiding.
Met
andere woorden, zonder politieke beslissing en vooral zonder
financiering die de start van dit project mogelijk maken, zijn de
kansen klein.
Het
is op basis van die gegevens dat een kaderprogramma voor een
master in genderstudies werd uitgewerkt. Een van de belangrijkste
verdiensten van dat project schuilt in de diversiteit van de
actoren. Vertegenwoordigers van de verschillende universiteiten
en van grote Belgische scholen hebben deelgenomen aan de
werkgroep, die vooral de inhoud heeft bestudeerd. Een
stuurcomité, samengesteld uit vertegenwoordigers van de
verschillende kabinetten, van de bevoegde administraties en van
de academische overheden, heeft zich met grote interesse over het
onderwerp gebogen. Op dit ogenblik is er nog geen formeel akkoord
van de academische autoriteiten om die master op te richten.
Ik
ben van plan die studie aan de verschillende academische
overheden, de rectoren en de interuniversitaire
coördinatieorganen voor te leggen, met de vraag de mogelijke
samenwerkingsvormen tussen de verschillende universiteiten te
onderzoeken. Het dossier zal ook worden overgelegd aan de
gemeenschapsministers voor het hoger onderwijs.
|
|
Mme Zakia
Khattabi (Ecolo). – Je remercie la ministre du soutien
qu’elle apporte à ce projet. Étant sénatrice de communauté,
je ne manquerai pas d’interroger le ministre de l’Enseignement
supérieur de la Communauté française afin de m’assurer de
son soutien, d’autant qu’il a déjà marqué son intérêt
pour l’étude et pour la mise en place d’un tel dispositif.
Je ne manquerai pas de revenir ensuite vers vous, madame la
ministre, afin de voir comment avancer dans la concrétisation de
ce projet.
|
Mevrouw Zakia
Khattabi (Ecolo). – Ik dank de minister voor haar steun aan
dit project. Als gemeenschapssenator zal ik de minister voor
hoger onderwijs van de Franse Gemeenschap zeker ondervragen om me
te vergewissen van zijn steun, temeer daar hij zijn interesse
voor de studie en voor een dergelijk initiatief al heeft laten
blijken. Ik zal me daarna opnieuw tot u richten om te bekijken
hoe we vooruitgang kunnen boeken bij de realisatie van dit
project.
|
|
Demande
d’explications de M. Bert Anciaux à la vice-première
ministre et ministre de l’Emploi et de l’Égalité des
chances, chargée de la Politique de migration et d’asile et à
la ministre de l’Intérieur sur «la violence domestique à
l’égard des femmes musulmanes» (nº 5-371)
|
Vraag
om uitleg van de heer Bert Anciaux aan de
vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen,
belast met het Migratie- en asielbeleid en aan de minister van
Binnenlandse Zaken over «huiselijk geweld tegen moslima’s»
(nr. 5-371)
|
|
M. Bert
Anciaux (sp.a). – Comme leurs congénères, de nombreuses
femmes d’origine maghrébine sont victimes de violence
domestiques. Cette forme de violence, une pratique criminelle
intolérable, semble largement répandue.
La
Vereniging voor Ontwikkeling en Emancipatie van Moslims,
VOEM, a communiqué dernièrement des chiffres très
inquiétants et a souligné que la violence intrafamiliale à
l’égard des femmes maghrébines est un phénomène
relativement important mais qui reste un sujet tabou. La VOEM
fournit des information au sujet de la violence domestique à
l’égard, entre autres, des femmes marocaines et intervient
comme point de contact en cas de suspicion de violence
intrafamiliale. Dans cette situation précaire, les femmes ne
connaissement pas suffisamment leurs droits, ne sont pas
financièrement autonomes et se retrouvent complètement isolées.
Souvent, il s’agit de femmes marocaines qui se sont mariée
dans notre pays avec un Belgomarocain. Certaines d’entre elles
vivent ici depuis 15 ou 20 ans et ont subi cette violence pendant
toutes ces années. Dans ces circonstances, la situation des
femmes maghrébines est comparable à celle de leurs congénères
d’origine belge. En raison du manque de moyens de subsistance
et d’une dépendance quasi absolue de leur mari, elles ne
peuvent quitter celui-ci. Heureusement, ces femmes peuvent
compter sur une réelle solidarité de la part d’autres femmes
musulmanes.
L’ampleur
et la nature de cette problématique exigent des actions rapides
et énergiques. Il faut mettre fin à ces pratiques criminelles
et avilissantes. La société porte une grande responsabilité à
cet égard.
La
ministre peut-elle évaluer l’ampleur de cette problématique ?
Dispose-t-elle de chiffres et de données concernant la violence
intrafamiliale dans les familles d’origine maghrébine ?
Quel est le nombre de plaintes déposées ces dernières années
pour ce type de violence à l’égard de musulmanes ? Des
évolutions sont-elles constatées ? Lesquelles ? Quel
est le nombre de procédures pénales ou civiles ouvertes au
sujet de cette problématique ? Quel est le résultat de ces
plaintes ? La ministre dispose-t-elle d’évaluations ?
Existe-t-il
une collaboration entre la Justice et les services de police ?
Existe-t-il une collaboration avec les administrations communales
et les CPAS ? Est-il fait appel à l’expertise
d’organisations telles que la VOEM ? Comment se
déroulent ces collaborations ?
Depuis
2001, la Belgique dispose de plusieurs plans d’actions contre
la violence intrafamiliale. Le dernier Plan d’action national
de lutte contre la violence entre partenaires et d’autres
formes de violences intrafamiliales couvre la période 2010-2014.
Quels sont les résultats de l’évaluation des plans d’action
antérieurs ? Ont-ils contribué à diminuer la violence
intrafamiliale ? Quels sont les ministres et les département
concernés par le Plan d’action et quels en sont les effets
positifs sur la collaboration sur le terrain ?
Le
Plan d’action prévoit-il explicitement une attention
particulière pour la situation des familles maghrébines ?
Existe-t-il des projets concrets ? Quel budget y est-il
affecté ? Se préoccupe-t-on suffisamment de l’information,
de la prévention ainsi que de la sensibilisation de ce groupe
cible ? Comment se déroulent ces campagnes d’information
et de prévention ? Qui est associé à ces campagnes ?
La
réglementation et les mesures relatives à la protection contre
la violence domestique et à sa détection ont-elles déjà été
évaluées ? La ministre estime-t-elle qu’il existe des
insuffisances dans cette réglementation ou dans son
application ? Lesquelles ? Quelles initiatives la
ministre envisage-t-elle, en collaboration avec les autres
ministres, afin d’améliorer à l’avenir le respect de cette
réglementation ?
|
De heer Bert
Anciaux (sp.a). – Zoals al hun seksegenoten, zijn ook veel
vrouwen van Maghrebijnse afkomst het slachtoffer van huiselijk
geweld. Deze vorm van geweld, een ontoelaatbare en criminele
praktijk, blijkt breed verspreid te zijn. De Vereniging voor
Ontwikkeling en Emancipatie van Moslims, VOEM, presenteerde
onlangs erg verontrustende cijfers en wees erop dat het taboe
rond huiselijk geweld bij Maghrebijnse vrouwen relatief groter
is. VOEM geeft informatie over huiselijk geweld bij onder andere
Marokkaanse vrouwen en treedt op als aanspreekpunt bij een
vermoeden van huiselijk geweld. Vrouwen in deze precaire situatie
kennen onvoldoende hun rechten, beschikken niet over financiële
autonomie en raken volkomen geïsoleerd. Vaak gaat het om
Marokkaanse vrouwen die hier trouwen met een Belgisch-Marokkaanse
man. Sommigen van die vrouwen leven hier al 15 tot 20 jaar en
doorstonden al die jaren huiselijk geweld. Ook in deze situatie
zijn Maghrebijnse vrouwen sterk vergelijkbaar met hun lotgenoten
van Belgische afkomst. Door een gebrek aan bestaansmiddelen en
een nagenoeg absolute afhankelijkheid van hun man kunnen ze hun
man onmogelijk verlaten. Gelukkig kunnen die vrouwen rekenen op
echte solidariteit van andere moslima’s.
De omvang en
aard van deze problematiek eisen snelle en doortastende acties.
Deze criminele en mensonwaardige praktijken moeten stoppen. De
samenleving draagt hier een grote verantwoordelijkheid.
Kan de
minister de omvang en het belang van deze problematiek
inschatten? Beschikt de minister over cijfers en gegevens met
betrekking tot huiselijk geweld in families van Maghrebijnse
afkomst? Kan de minister zeggen hoeveel klachten over huiselijk
geweld tegen moslima’s de afgelopen jaren werden ingediend?
Kunnen er evoluties worden vastgesteld en geduid? Kan de minister
zeggen hoeveel strafrechtelijke en burgerrechterlijke procedures
over deze problematiek werden gevoerd? Weet de minister tot welk
resultaat deze klachten hebben geleid? Beschikt de minister over
evaluaties?
Is er
samenwerking tussen Justitie en politiediensten en hoe verloopt
die? Is er samenwerking met de gemeentebesturen en de OCMW’s?
Doet men een beroep op de expertise van organisaties zoals VOEM?
Hoe verloopt die samenwerking?
Sinds 2001
beschikt België over verschillende actieplannen tegen huiselijk
geweld. Het laatste Nationaal Actieplan ter Bestrijding van
Partnergeweld en andere vormen van Intrafamiliaal geweld beslaat
de periode 2010-2014. Tot welke resultaten leidden de evaluaties
van de eerdere actieplannen? Resulteerden die actieplannen in een
vermindering van huiselijk geweld? Welke ministers en
beleidsdepartementen zijn betrokken bij het Actieplan en tot
welke gunstige effecten leidt dit voor de samenwerking op het
terrein?
Voorziet het
Actieplan expliciet in aandacht voor de specifieke situatie van
Maghrebijnse families? Resulteert dat in concrete projecten en
welk budget is daarvoor uitgetrokken? Wordt voldoende gedaan voor
informatieverstrekking, preventie en bewustmaking van deze
doelgroep? Hoe verlopen deze informatie- en preventiecampagnes en
wie worden er allemaal bij betrokken?
Werden de
regelgeving en de maatregelen inzake de bescherming tegen en
opsporing van huiselijk geweld al geëvalueerd? Zijn er volgens
de minister tekortkomingen in deze regelgeving of in de naleving
ervan? Waar situeren ze zich? Welke verdere initiatieven plant de
minister samen met de andere ministers zodat de regelgeving in de
toekomst beter wordt nageleefd?
|
|
Mme Joëlle
Milquet, vice-première ministre et ministre de l’Emploi et
de l’Égalité des chances, chargée de la Politique de
migration et d’asile. – Mes compétences concernant la
violence, la justice et le droit pénal étant assez limitées,
il serait préférable de demander des données et des chiffres
aux ministres de la Justice et de l’Intérieur.
|
Mevrouw Joëlle
Milquet, vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke
Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid. – Mijn
bevoegdheid inzake geweld, justitie en strafrecht is vrij
beperkt.
Het is dan
ook beter de vragen over gegevens en cijfers te stellen aan de
ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken.
|
|
M. Bert
Anciaux (sp.a). – Ma demande d’explications est adressée
tant à la ministre de l’Emploi et de l’Égalité des
chances, chargée de la Politique de migration et d’asile qu’à
la ministre de l’Intérieur. La demande d’explications étant
toujours orientée vers un seul ministre, je présume que vous
vous exprimez également au nom de votre collègue.
|
De heer Bert
Anciaux (sp.a). – Ik heb deze vraag gericht tot zowel de
minister van Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en
asielbeleid als de minister van Binnenlandse Zaken. De vraag
wordt altijd op één minister toegespitst. Ik neem aan dat u
spreekt namens uw collega’s.
|
|
Mme Joëlle
Milquet, vice-première ministre et ministre de l’Emploi et
de l’Égalité des chances, chargée de la Politique de
migration et d’asile. – Je ne dispose pas de toutes les
données mais je demanderai des informations complémentaires à
mes collègues.
Un
nouveau Plan d’action national – PAN – a été adopté en
novembre 2010. Il est le fruit d’un travail de longue
haleine réalisé en concertation avec les ministres fédéraux,
communautaires et régionaux concernés.Si ce nouveau plan
d’action a pour objet principal la violence entre partenaires,
il a néanmoins été élargi à trois autres types de violence
liée au genre : les mutilations génitales féminines, les
crimes liés à l’honneur et les mariages forcés.
Afin
de renforcer l’information des femmes immigrées victimes de
violence au sujet des possibilités de soutien et de recours, un
nouveau dépliant d’information a été élaboré et traduit en
dix-sept langues, dont l’arabe et le turc. Il sera
prochainement diffusé et permettra aux victimes d’être
orientées vers des services pouvant leur fournir une écoute
dans leur propre langue.
J’ai
également commandé à l’Université d’Anvers une recherche
sur la dimension de genre dans la politique belge d’asile et de
migration. Cet état des lieux et les recommandations qui en
découleront devraient nous permettre d’améliorer la prise en
charge des victimes de violence parmi les nouvelles arrivantes,
réfugiées et demandeuses d’asile.
Certaines
formes de violence intrafamiliale peuvent donner lieu à une
demande de statut de réfugié. C’est pourquoi, nous réalisons
pour le moment un état des lieux de la situation juridique des
personnes étrangères bénéficiant d’un titre de séjour
provisoire ainsi que des victimes de violence familiale.
L’objectif est d’arriver à des recommandations concrètes
telles que, par exemple, la mise en place d’un système de
protection spécifique permettant à ces personnes d’obtenir un
permis de séjour indépendamment de celui du conjoint ou du
partenaire.
Enfin,
le PAN prévoit également la réalisation d’une recherche sur
le phénomène des violences liées à l’honneur en Belgique.
Cette recherche, qui devrait être finalisée à la fin de
l’année 2011, devrait nous permettre de disposer d’une
meilleure vision de cette problématique encore peu connue.
En
ce qui concerne le nombre de plaintes déposées et la
collaboration entre la Justice et les services de police, je vous
invite à prendre contact avec les ministres compétents. Je
pourrais éventuellement vous fournir une réponse écrite.
|
Mevrouw Joëlle
Milquet, vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke
Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid. – Ik beschik
niet over alle gegevens, maar zal bij mijn collega’s
aanvullende informatie opvragen.
In
november 2010 werd een nieuw nationaal actieplan, NAP,
goedgekeurd. Dat is het resultaat van een werk van lange adem, in
overleg met de betrokken federale, gewest- en
gemeenschapsministers.
Hoewel
partnergeweld het hoofdthema van het nieuwe actieplan is, werd
het uitgebreid naar drie andere vormen van gendergerelateerd
geweld: genitale verminking bij vrouwen, eergerelateerd geweld en
gedwongen huwelijken.
Om de
migrantenvrouwen die het slachtoffer zijn van geweld beter te
informeren over steun- en toevluchtsmogelijkheden, werd een
nieuwe informatiefolder opgesteld en vertaald in zeventien talen,
waaronder het Arabisch en het Turks. Deze folder zal binnenkort
verspreid worden, zodat slachtoffers zich kunnen laten begeleiden
naar diensten waar naar hen wordt geluisterd en ze zich in hun
eigen taal kunnen uitdrukken.
Ook heb ik
de Universiteit Antwerpen gevraagd een studie te doen naar de
genderdimensie in het Belgische asiel- en migratiebeleid. Dankzij
de stand van zaken en de aanbevelingen die daaruit volgen, moeten
de slachtoffers van geweld onder de nieuwkomers, vluchtelingen en
asielzoekers beter kunnen worden begeleid.
Bepaalde
vormen van huiselijk geweld kunnen een reden zijn voor de
toekenning van de vluchtelingenstatus. Daarom maken we momenteel
een stand van zaken op van de juridische situatie van
buitenlanders met een voorlopige verblijfsvergunning, alsook van
slachtoffers van familiaal geweld. Het is de bedoeling tot
concrete aanbevelingen te komen, zoals bijvoorbeeld het invoeren
van een specifieke beschermingsregeling waardoor personen een
verblijfsvergunning kunnen bekomen, los van die van de partner of
de echtgenoot.
Tot slot
voorziet het NAP ook in een studie naar het fenomeen van het
eergerelateerde geweld in België. Deze studie, die tegen eind
2011 klaar moet zijn, zal ons een betere kijk moeten geven op
deze nog vrij onbekende problematiek.
Voor uw
vragen over het aantal ingediende klachten en de samenwerking
tussen Justitie en politie, zal ik contact opnemen met de
bevoegde ministers. Ik kan u eventueel schriftelijk antwoorden.
|
|
M. Bert
Anciaux (sp.a). – J’adresserai mes questions spécifiques
par écrit aux ministres compétents.
Je
suis persuadé que la ministre est consciente de l’importance
de la lutte contre cette forme de violence et de la nécessité
de la soutenir. Il convient de réfléchir au moyen d’assurer
une meilleure prévention sur une base confidentielle.
Malheureusement, il s’agit d’un problème général. Quelle
que soit leur origine, les femmes sont très souvent victimes de
violence intrafamiliale. Nous devons continuer à y être
attentifs, particulièrement pour les femmes allochtones. Je suis
profondément convaincu que l’émancipation et la révolution
dans ce groupe de la population seront possibles grâce au
femmes. C’est la raison pour laquelle la société doit
accorder beaucoup plus d’attention à la protection des femmes
contre des situations intolérables.
|
De heer Bert
Anciaux (sp.a). – Ik zal mijn specifieke vragen
schriftelijk stellen aan de bevoegde ministers.
Ik ben ervan
overtuigd dat ook de minister inziet hoe belangrijk de
bestrijding van deze vorm van geweld is en hoe belangrijk haar
steun is. We moeten er echt over nadenken hoe we op
vertrouwelijke basis een betere preventie kunnen realiseren.
Jammer genoeg gaat het om een algemeen probleem. Vrouwen, van
welke afkomst ook, zijn zeer vaak het slachtoffer van huiselijk
geweld. We moeten daar aandacht aan blijven besteden en dat is
zeker belangrijk voor vrouwen van allochtone afkomst. Ik ben er
honderd procent van overtuigd dat de emancipatie en de revolutie
in deze bevolkingsgroep zich dankzij de vrouw zullen voltrekken.
Daarom moet ook de samenleving veel meer aandacht schenken aan de
bescherming van vrouwen tegen situaties die niet door de beugel
kunnen.
|
|
Mme Joëlle
Milquet, vice-première ministre et ministre de l’Emploi et
de l’Égalité des chances, chargée de la Politique de
migration et d’asile. – Le manque de statistiques tant
nationales qu’européennes est l’un de nos principaux
problèmes. Non seulement les statistiques générales sont
insuffisantes mais les statistiques relatives aux femmes
d’origine étrangère sont particulièrement difficiles à
obtenir.
|
Mevrouw Joëlle
Milquet, vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke
Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid. – Zoals u
weet, is het gebrek aan echte statistieken, niet alleen
nationale, maar ook Europese, een van onze grootste problemen. Er
zijn niet alleen te weinig algemene statistieken, er is ook een
gebrek aan statistieken over vrouwen van vreemde afkomst omdat
dit laatste nog moeilijker ligt.
|
|
Demande
d’explications de M. Louis Ide à la vice-première
ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé
publique et à la vice-première ministre et ministre de l’Emploi
et de l’Égalité des chances, chargée de la Politique de
migration et d’asile sur «la loi fixant la durée du travail
des médecins, dentistes, vétérinaires, des candidats-médecins
en formation, des candidats-dentistes en formation et étudiants
stagiaires se préparant à ces professions» (nº 5-445)
|
Vraag
om uitleg van de heer Louis Ide aan de
vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en
Volksgezondheid en aan de vice-eersteminister en minister van
Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid
over «de wet tot vaststelling van de arbeidsduur van de
geneesheren, de tandartsen, de dierenartsen,
kandidaat-geneesheren in opleiding, kandidaat-tandartsen in
opleiding en studenten-stagiairs die zich voorbereiden op de
uitoefening van deze beroepen» (nr. 5-445)
|
|
Demande
d’explications de M. Bert Anciaux à la vice-première
ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé
publique et à la vice-première ministre et ministre de l’Emploi
et de l’Égalité des chances, chargée de la Politique de
migration et d’asile sur «la limitation de la durée de
travail pour les médecins en formation et la pénurie de
médecins» (nº 5-474)
|
Vraag
om uitleg van de heer Bert Anciaux aan de
vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en
Volksgezondheid en aan de vice-eersteminister en minister van
Werk en Gelijke Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid
over «het beperken van de arbeidsduur voor artsen in opleiding
en het tekort aan artsen» (nr. 5-474)
|
|
M. le
président. – Je vous propose de joindre ces demandes
d’explications. (Assentiment)
|
De
voorzitter. – Ik stel voor deze vragen om uitleg samen te
voegen. (Instemming)
|
|
M. Louis
Ide (N-VA). – La directive européenne 2003/88/CE
concernant certains aspects de l’aménagement du temps de
travail fixe la limite du temps de travail hebdomadaire moyen à
48 heures. Cette directive s’applique également aux médecins
qui travaillent dans les hôpitaux.
Cette
directive a été transposée, juste avant la date-limite
européenne, dans la loi fixant la durée du travail des
médecins, dentistes, vétérinaires, des candidats-médecins en
formation, des candidats-dentistes en formation et étudiants
stagiaires se préparant à ces professions. Cette loi a été
publiée au Moniteur Belge du 22 décembre 2010.
Afin
de garantir la qualité des soins, on peut plaider en faveur de
la limite des 48 heures. Notamment par crainte des sanctions que
risquait la Belgique, tous les partis politiques ainsi que les
associations professionnelles se sont montrés très
constructifs, se rendant bien compte que de sérieux problèmes
peuvent se poser à la suite de l’entrée en vigueur de cette
loi. Pressé par le temps pour éviter les sanctions européennes,
on a insuffisamment réfléchi aux conséquences pratiques de
cette loi.
Nous
devrons prendre à court terme des mesures en espérant pouvoir
remédier aux problèmes urgents. Ce sont surtout les services
des urgences, qui manquent déjà actuellement de personnel, qui
sont les dupes de la législation. Cette nouvelle réglementation
n’est-elle pas contraire au principe de base selon lequel
chaque médecin, quelle que soit sa fonction ou sa spécialité,
doit aider sans délai un malade en danger immédiat ?
Une
certaine flexibilité semble également s’imposer du point de
vue du contrôle. L’objectif ne peut quand même être que
l’inspection du travail oblige un médecin à arrêter de
prodiguer des soins lorsqu’il a atteint la limite des 48
heures, sans qu’une permanence n’ait été garantie pour les
soins ? Dans ces circonstances, le fonctionnaire désigné
par le Roi doit-il être informé, tel que prévu à
l’article 5 ? Un arrêté d’exécution a-t-il été
préparé ? Si oui, quel fonctionnaire doit être informé
et de quelle manière ?
En
outre, la nouvelle réglementation accentue la discrimination
entre les médecins salariés et indépendants qui travaillent
dans un hôpital. Les médecins salariés seraient, du fait de la
loi, limités dans leurs activités alors que les indépendants
ne se verraient imposer aucune limitation. Ne serait-il pas
judicieux de demander un avis à ce sujet à la toute nouvelle
chambre normative de la Commission de règlement de la relation
de travail ?
L’article 4,
3º de la loi prévoit que les dispositions de la loi ne
s’appliquent pas « aux personnes investies d’un poste
de direction ». On ne retrouve cependant pas dans la loi de
description spécifique de cette fonction. Quelle est
l’interprétation de la ministre ?
L’article 7,
§2, de la loi porte sur la rémunération complémentaire des
candidats médecins. Il exige lui aussi une disposition
d’exécution. Où en est-on à ce sujet ?
L’article 8
prévoit que l’employeur est tenu de disposer d’un registre
« reprenant les prestations journalières effectuées par
les travailleurs selon un ordre chronologique. Ce registre peut
être tenu de manière électronique. » Une pointeuse
permet-elle de respecter cette exigence légale ? Une
pointeuse n’est-elle pas contraire à la déontologie du
médecin ? Comment peut-on concilier ceci avec la situation
des cadres d’une entreprise qui travaillent eux aussi plus de
48 heures par semaine ?
Est-il
possible qu’un médecin spécialiste salarié devienne
indépendant à titre complémentaire et déclare sous ce statut
ses tâches au service des urgences, tâches clairement
distinctes de ses tâches journalières dans l’hôpital ?
La loi ne dépasse-t-elle pas son objectif ?
La
concertation se poursuit-elle avec les associations
professionnelles, les hôpitaux et les parties intéressées qui,
je le suppose, se posent les mêmes questions ?
|
De heer Louis
Ide (N-VA). – De Europese richtlijn 2003/88/EG betreffende
een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd legt de
grens van de arbeidstijd vast op gemiddeld 48 uur per week. Deze
richtlijn is ook van toepassing op de artsen die in ziekenhuizen
werken.
Deze
richtlijn is vlak voor de Europese deadline omgezet in de wet tot
vaststelling van de arbeidsduur van de geneesheren, de
tandartsen, de dierenartsen, kandidaat-geneesheren in opleiding,
kandidaat-tandartsen in opleiding en studenten-stagiairs die zich
voorbereiden op de uitoefening van deze beroepen. De wet is
gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van
22 december 2010.
Met het oog
op het garanderen van een kwalitatieve zorg kan men een pleidooi
voeren in favorem van de 48-urenmaatregel. Mede uit vrees
voor de sancties die België boven het hoofd hingen, stelden alle
politieke partijen evenals alle beroepsverenigingen zich zeer
constructief op, goed beseffend dat ernstige problemen kunnen
ontstaan naar aanleiding van deze wet. Gezien de tijdsdruk om
Europese sancties te vermijden, is over de praktische gevolgen
ervan onvoldoende nagedacht.
We zullen op
korte termijn maatregelen moeten nemen in de hoop acute problemen
te kunnen verhelpen. Vooral de nu al onderbemande spoeddiensten
zijn de dupe van de wetgeving. Is deze nieuwe regelgeving niet in
strijd met het grondprincipe dat elke geneesheer, ongeacht zijn
functie of specialiteit, onverwijld hulp moet bieden aan een
zieke die in onmiddellijk gevaar verkeert?
Ook op het
vlak van controle lijkt enige flexibiliteit op zijn plaats. Het
kan toch niet de bedoeling zijn dat de arbeidsinspectie een arts
zal dwingen om bij het bereiken van de grens van 48 uur de
verzorging te staken zonder dat een permanentie voor de
verzorging gegarandeerd is? Moet in dergelijke omstandigheden de
door de Koning aangewezen ambtenaar op de hoogte gebracht worden,
zoals gestipuleerd in artikel 5? Werd een uitvoeringsbesluit
voorbereid? Zo ja, welke ambtenaar moet op de hoogte gebracht
worden en op welke manier?
Bovendien
accentueert de nieuwe regelgeving de discriminatie tussen
gesalarieerde en zelfstandige artsen die werkzaam zijn in een
ziekenhuis. Gesalarieerde artsen in ziekenhuizen zouden door deze
wet in hun activiteiten beperkt worden, terwijl zelfstandigen
geen beperking opgelegd krijgen? Ware het niet verstandig in deze
een advies te vragen aan de gloednieuwe normatieve kamer van de
Commissie ter regeling van de arbeidsrelatie?
Artikel 4,
3º van de wet zegt dat de bepalingen van de wet niet van
toepassing zijn op ‘de personen die een leidinggevende functie’
uitoefenen. Een specifieke omschrijving van deze functie is in de
wet echter niet terug te vinden. Wat begrijpt de minister
daaronder?
Ook
artikel 7, §2, van de wet in verband met het aanvullend
loon van de kandidaat-geneesheren vereist een
uitvoeringsbepaling. Hoe ver staat het hiermee?
In artikel 8
wordt bepaald dat de werkgever over een register moet beschikken
dat ‘de door de werknemers geleverde dagelijkse prestaties
volgens chronologische volgorde herneemt. Dat register mag op
elektronische wijze worden bijgehouden.’ Komt een prikklok
tegemoet aan deze wettelijke vereisten? Is een prikklok niet in
strijd met de deontologie van de arts? Hoe valt dit te rijmen met
pakweg kaderleden in bedrijven die ook meer dan de luttele 48 uur
per week kloppen?
Kan het dat
een gesalarieerd arts-specialist zelfstandige in bijberoep wordt
en zijn taken op de spoedgevallendienst, die duidelijk te
onderscheiden zijn van zijn dagtaken in het ziekenhuis, onder dit
statuut aangeeft? Schiet de wet dan zijn doel niet voorbij?
Is er nog
verder overleg met de beroepsverenigingen, ziekenhuizen en
belanghebbende partijen die, naar ik vermoed, met dezelfde vragen
zitten?
|
|
M. Bert
Anciaux (sp.a). – La ministre de l’Emploi et celle des
Affaires sociales ont récemment annoncé que le conseil des
ministres a approuvé le projet de loi transposant la directive
européenne relative à l’adaptation de la durée du travail
des médecins, dentistes, vétérinaires, des candidats-médecins
en formation, des candidats-dentistes en formation et étudiants
stagiaires se préparant à ces professions.
Le
projet de loi fixe une durée maximale du temps de travail de
manière à ce que les salariés précités puissent disposer
d’un temps de repos suffisant. La mesure vise à protéger leur
santé et celle de leurs patients.
La
durée de travail hebdomadaire des salariés visés ne peut
dépasser une moyenne de 48 heures pendant une période de
référence de 13 semaines. Si cette durée moyenne est dépassée,
les heures excédentaires doivent absolument être récupérées
durant la période de référence. La semaine de travail ne peut
en aucun cas dépasser la limite absolue de 60 heures.
Cette
adaptation de la durée de travail ne peut être considérée
séparément d’autres mesures existantes : le
contingentement et le numerus clausus des médecins. Le
contingentement consiste à limiter le nombre des diplômés
recevant l’accès aux professions médicales comme celles de
médecin, de dentiste et de kinésithérapeute. C’est pourquoi
le gouvernement détermine chaque année le nombre de médecins,
dentistes et kinésithérapeutes qui peuvent accéder au marché
du travail. Par ailleurs, avec le numerus clausus, on organise un
examen d’accès aux études de médecin et de dentiste. Lors de
cet examen, un résultat minimum doit être atteint mais le
nombre de lauréats n’est pas fixé à l’avance.
Toutes
ces mesures concourent toutefois à ce que la pénurie déjà
présente de médecins ne s’arrange pas mais s’aggrave au
contraire. La pénurie constitue déjà un problème tangible qui
menace la qualité des soins de santé.
Quelles
mesures la ministre prendra-t-elle pour éviter que la qualité
des soins de santé ne continue à se dégrader ? Combien de
médecins en formation, de généralistes et de spécialistes
travaillent-ils aujourd’hui dans le secteur de la santé ?
Comment ces chiffres ont-ils évolué annuellement au cours de
ces dix dernières années ? Comment l’âge moyen des
médecins et des spécialistes a-t-il évolué au cours de cette
période ? Une augmentation de l’âge engendrerait en
effet un problème supplémentaire. Ces chiffres justifient-ils
la limitation de la durée de travail, le contingentement et le
numerus clausus ? La ministre a-t-elle connaissance de
problèmes graves qui se posent dans les hôpitaux et qui sont
dus à la limitation de la durée du travail ? N’est-il
pas nécessaire de se concerter rapidement avec le secteur et les
communautés pour élaborer des solutions ? Peut-on encore
maintenir les mesures limitatives pour les médecins ? En
tant que profane, je constate en effet que les avis continuent à
diverger dans le secteur au sujet du contingentement et du
numerus clausus. Certains sont pour, d’autres sont contre.
Comment pouvons-nous trouver une solution à la pénurie de
médecins si on établit toujours plus de limitations ?
C’est pour moi un mystère.
|
De heer Bert
Anciaux (sp.a). – De minister van Werk en die van Sociale
Zaken meldden onlangs dat de ministerraad het wetsontwerp
goedgekeurd heeft dat omzetting regelt van de Europese richtlijn
omtrent de aanpassing van de arbeidsduur van de artsen,
tandartsen, dierenartsen, kandidaat-artsen in opleiding,
kandidaat-tandartsen in opleiding en van de studenten stagiairs
die zich voorbereiden op de uitoefening van die beroepen.
Het
wetsontwerp bepaalt een maximumduur van de arbeidstijd zodat
voornoemde werknemers over voldoende rusttijd kunnen beschikken.
De maatregel beoogt de bescherming van hun gezondheid en die van
hun patiënten.
De
wekelijkse arbeidsduur van de beoogde werknemers mag niet meer
bedragen dan gemiddeld 48 uur over een referteperiode van 13
weken. Als die gemiddelde arbeidsduur van 48 uur per week wordt
overschreden, moeten de overtollige uren noodzakelijkerwijs
worden gerecupereerd binnen de referteperiode. De werkweek mag in
geen geval de absolute grens van 60 uur overschrijden.
Die
aanpassing van de arbeidsduur kan niet los worden gezien van
andere bestaande maatregelen. Ik heb het over de contingentering
en de numerus clausus voor artsen. Contingentering is het
beperken van het aantal afgestudeerden dat toegang krijgt tot het
beroep. In ons land gaat het om de medische beroepen zoals dat
van arts, tandarts en kinesitherapeut. De regering legt daarom
jaarlijks vast hoeveel artsen, tandartsen en kinesitherapeuten de
arbeidsmarkt mogen betreden. Anderzijds is er de numerus clausus
waarbij een toelatingsexamen wordt georganiseerd voor de studie
van arts en tandarts, waarvoor een minimumresultaat moet worden
behaald, maar waarbij het aantal geslaagden niet van tevoren
vaststaat.
Al die
maatregelen samen leiden er echter toe dat het reeds aanwezige
tekort aan artsen niet zal verminderen, maar eerder zal toenemen.
Het tekort is nu al een tastbaar probleem dat de kwaliteit aan
gezondheidszorg bedreigt.
Welke
maatregelen zal de minister nemen om te vermijden dat de
kwaliteit van de gezondheidszorg verder daalt? Hoeveel artsen in
opleiding, huisartsen en specialisten werken vandaag in de
gezondheidssector? Hoe evolueren die cijfers jaarlijks gedurende
de laatste tien jaar? Hoe evolueerde de gemiddelde leeftijd van
de artsen en specialisten gedurende de laatste tien jaar? Een
leeftijdsstijging zou immers een bijkomend probleem opleveren.
Verantwoorden die cijfers de beperking van de arbeidsduur, de
contingentering en de numerus clausus? Heeft de minister weet van
ernstige problemen in de ziekenhuizen door de beperking van de
arbeidsduur? Is er niet dringend overleg nodig met de sector en
de gemeenschappen om oplossingen uit te werken? Kan men nog
langer vasthouden aan de beperkende maatregelen voor artsen? Als
leek stel ik immers vast dat over de contingentering en de
numerus clausus verschillende meningen leven binnen de sector,
sommigen zij voorn anderen tegen. Het is me een raadsel hoe we
een oplossing kunnen vinden voor het tekort aan artsen als men
steeds meer beperkingen instelt.
|
|
Mme Joëlle
Milquet, vice-première ministre et ministre de l’Emploi et
de l’Égalité des chances, chargée de la Politique de
migration et d’asile. – Afin d’assurer une flexibilité
maximale et la continuité des soins, il a été convenu dans la
nouvelle loi d’appliquer l’article 22 de la directive
européenne. On permet ainsi que l’hôpital et le médecin
concerné conviennent que soient exécutées par semaine douze
heures en plus de la moyenne des 48 heures pendant une période
de treize semaines. Le temps de travail hebdomadaire maximal peut
ainsi atteindre 72 heures.
En
ce qui concerne l’article 5 de la nouvelle loi, je peux
indiquer que l’objectif était, comme expliqué dans l’exposé
des motifs, de pouvoir faire face aux cas de force majeure en
autorisant un dépassement de certains maxima. Ces derniers ne
peuvent être dépassés que pour des événements totalement
imprévisibles et urgents qui ne peuvent être appréhendés dans
le cadre des activités habituelles de l’hôpital et qui ne
sont pas la conséquence d’une mauvaise organisation du travail
au sein de ce dernier. L’article 5 prévoit deux types de
force majeure : un accident survenu ou imminent et un
événement imprévu pour lequel il est exigé que le
fonctionnaire désigné par le Roi soit informé. Ainsi un
service d’urgences d’un hôpital doit par exemple être en
mesure de recevoir à tout moment des patients et doit par
conséquent être organisé de manière à pouvoir faire face à
différentes situations possibles. On ne peut toutefois exiger
d’un tel service qu’il puisse disposer dans le cadre d’une
organisation normale de travail d’une équipe médicale
suffisante pour assurer la prise en charge d’un très grand
nombre de patients à la suite d’une catastrophe comme par
exemple la catastrophe ferroviaire de Buizingen. Dans ce cas, il
est légitime que l’équipe médicale en service reçoive
l’autorisation de dépasser, si nécessaire, certaines limites
de durée de travail dans le cadre de cet accident qui constitue
un événement totalement imprévisible et qui exige une réaction
rapide. Un autre exemple est l’absence imprévue d’un médecin
qui doit prendre la relève au sein d’un service et
l’impossibilité de lui trouver un remplaçant à court terme.
Dans ce cas, le médecin présent sera autorisé à poursuivre
ses activités afin d’assurer la continuité des soins jusqu’à
ce que le remplaçant arrive. Puisque ceci concerne une nécessité
imprévue, le fonctionnaire désigné devra toutefois être
informé.
Les
fonctionnaires de contrôle des lois sociales sont chargés de la
surveillance de l’application de la nouvelle loi. Ce sont par
conséquent ces fonctionnaires qui doivent éventuellement être
informés des événements de force majeure justifiant le
dépassement des limites maximales. Cette information peut avoir
lieu a posteriori.
Plusieurs
questions de M. Anciaux, notamment celle portant sur le
numerus clausus, relèvent des compétences de Mme Onkelinx.
Il
s’agit d’une nouvelle loi avec de nouvelles pratiques. Après
six mois, je trouve intéressant de procéder à une évaluation
approfondie, en concertation avec les hôpitaux.
|
Mevrouw Joëlle
Milquet, vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke
Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid. – Met het oog
op een maximale flexibiliteit en om de continuïteit van de zorg
te verzekeren, werd in de nieuwe wet eveneens overeengekomen om
artikel 22 van de Europese richtlijn toe te passen. Daardoor
kan worden toegestaan dat het ziekenhuis en de betrokken
geneesheer overeenkomen om twaalf uur per week arbeidstijd te
verrichten bovenop de gemiddelde 48 uur over een periode van
dertien weken. Daardoor kan de wekelijkse arbeidstijd maximaal 72
uur bedragen.
Inzake de
vraag over artikel 5 van de nieuwe wet, kan ik zeggen dat
het de bedoeling was, zoals verduidelijkt in de memorie van
toelichting, het hoofd te kunnen bieden aan gevallen van
overmacht door een overschrijding van bepaalde maximale grenzen
toe te staan. Die grenzen kunnen enkel worden overschreden voor
volledig onvoorzienbare en dringende gebeurtenissen die niet
kunnen worden gedragen in het kader van de gewone activiteiten
van het ziekenhuis en die niet het gevolg zijn van een slechte
arbeidsorganisatie in het ziekenhuis. Er worden twee soorten
overmacht in artikel 5 opgesomd: een ongeval dat zich heeft
voorgedaan of een dreigend ongeval, en een onvoorziene
gebeurtenis waarvoor vereist is dat de door de Koning aangewezen
ambtenaar op de hoogte wordt gebracht. Zo moet bijvoorbeeld een
spoedgevallendienst van een ziekenhuis in staat zijn op elk
ogenblik patiënten te ontvangen en moet de dienst derhalve zo
georganiseerd zijn dat aan uiteenlopende situaties het hoofd kan
worden geboden. Evenwel kan van een dergelijke dienst niet worden
geëist dat die in het raam van de gewone arbeidsorganisatie kan
beschikken over een medisch team dat toereikend is om de opname
te verzekeren van een zeer groot aantal patiënten naar
aanleiding van een ramp zoals bijvoorbeeld de treinramp van
Buizingen. In dat geval is het derhalve gerechtvaardigd dat het
medische team dat dan dienst heeft de toestemming heeft om,
indien noodzakelijk, bepaalde grenzen van de arbeidsduur te
overschrijden in het kader van dat ongeval, dat een volledig
onvoorzienbare gebeurtenis is en dat een dringende reactie
vereist. Een ander voorbeeld is de onvoorziene afwezigheid van
een geneesheer die binnen een dienst moet aflossen en de
onmogelijkheid om op korte termijn een vervangend geneesheer te
vinden. In dat geval zal de aanwezige geneesheer de toestemming
hebben zijn activiteiten voort te zetten om de continuïteit van
de zorg te verzekeren tot de vervanger komt. Aangezien dit een
onvoorziene noodzaak betreft, zal de aangewezen ambtenaar evenwel
moeten worden ingelicht.
De
ambtenaren van het toezicht op de sociale wetten zijn belast met
het toezicht op de toepassing van de nieuwe wet. Bijgevolg zijn
het die ambtenaren die eventueel op de hoogte moeten worden
gebracht van de voorgevallen gebeurtenis van overmacht waardoor
de overschrijding van de maximale grenzen gerechtvaardigd is. Die
informatie kan a posteriori worden gegeven.
Enkele
vragen van de heer Anciaux, onder meer de vragen over
numerus clausus, vallen onder de bevoegdheid van mijn collega,
mevrouw Onkelinx.
Het is een
nieuwe wet met nieuwe praktijken. Na zes maanden vind ik het
interessant dat we een grondige evaluatie maken, in overleg met
de ziekenhuizen.
|
|
M. Louis
Ide (N-VA). – Le contingentement n’a rien à voir avec
cette problématique puisqu’il existe déjà aujourd’hui un
système permettant l’utilisation des futurs numéros INAMI. Le
contingentement se déroule donc de manière très flexible ;
le contingent est déjà largement dépassé cette année. On
engage donc déjà plus de médecins, surtout dans la partie
francophone du pays, où l’essentiel des médecins roumains
travaillent également. Ceci constitue toutefois la dimension
européenne de l’affaire.
Octroyer
à davantage de médecins un numéro INAMI ne résoudra pas tous
les problèmes, par exemple la pénurie de médecins. En outre,
la pénurie d’urgentistes est due à la suppression en 2008 du
système des médecins titulaires du brevet de médecine aiguë.
Avant de changer quoi que ce soit au contingentement,
Mme Onkelinx doit travailler à un cadastre.
Il
n’a pas été répondu à certaines de mes questions. Je n’ai
pas reçu de réponse à ma question de savoir si un médecin
spécialiste salarié peut travailler dans un service des
urgences en tant qu’indépendant à titre complémentaire. Je
n’ai pas davantage obtenu de définition de la notion de
« fonction dirigeante ». S’agit-il du chef de
service, du médecin qui supervise les infirmiers ? Je n’ai
pas non plus reçu de réponse à ma question sur les mesures
d’exécution relatives à la rémunération complémentaire des
candidats médecins ni à ma question sur la concertation avec
les associations professionnelles et les hôpitaux.
|
De heer Louis
Ide (N-VA). – De contingentering staat enigszins los van
deze problematiek, aangezien er nu al een systeem bestaat
waardoor toekomstige RIZIV-nummers gebruikt worden. De
contingentering verloopt dus zeer flexibel; het contingent is dit
jaar al ruim overschreven. Men zet dus al meer artsen in, vooral
in het Franstalige landsgedeelte, waar ook voornamelijk de
Roemeense artsen aan de slag gaan. Maar dat laatste is de
Europese dimensie van het verhaal.
Meer artsen
een RIZIV-nummer toekennen, zal niet alle problemen oplossen,
bijvoorbeeld het tekort aan huisartsen. Bovendien is het tekort
aan spoedartsen te wijten aan het afschaffen van het systeem van
de BAG-artsen in 2008. Vóór iets veranderd wordt aan de
contingentering, moet mevrouw Onkelinx werk maken van een
kadaster.
Sommige van
mijn vragen werden niet beantwoord. Ik kreeg geen antwoord op
mijn vraag of een gesalarieerde arts-specialist in een
spoeddienst kan werken als zelfstandige in bijberoep? Ik heb ook
geen definitie gekregen van het begrip ‘leidinggevende
functie’. Gaat het om het diensthoofd, de arts die de
verpleegkundigen superviseert? Ik kreeg evenmin een antwoord op
mijn vraag over de uitvoeringsbepalingen inzake het aanvullend
loon voor kandidaat-geneesheren en ook niet op mijn vraag over
het overleg met de beroepsverenigingen en de ziekenhuizen.
|
|
Mme Joëlle
Milquet, vice-première ministre et ministre de l’Emploi et
de l’Égalité des chances, chargée de la Politique de
migration et d’asile. – La ministre Onkelinx a déjà répondu
à ces questions. Je peux vous procurer demain ses réponses
écrites.
|
Mevrouw Joëlle
Milquet, vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke
Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid. – Minister
Onkelinx heeft al op die verschillende vragen geantwoord. Ik kan
morgen haar schriftelijke antwoorden laten bezorgen.
|
|
M. Louis
Ide (N-VA). – Certaines de mes questions concernaient en
effet la ministre Onkelinx. Mme Onkelinx considère
toutefois cette problématique du point de vue de la santé
publique et de la continuité des soins. J’aimerais recevoir
une réponse à mes questions sur son aspect de droit du travail.
Ce donnerait un point d’appui pour les médecins concernés.
|
De heer Louis
Ide (N-VA). – Sommige van mijn deelvragen waren inderdaad
voor minister Onkelinx bedoeld. Mevrouw Onkelinx bekijkt
deze problematiek echter vanuit het oogpunt van volksgezondheid
en continuïteit van zorg. Ik had echter ook graag een antwoord
op mijn vragen gekregen over de arbeidsrechtelijke kant van de
zaak. Dat zou een houvast betekenen voor de betrokken artsen.
|
|
Mme Joëlle
Milquet, vice-première ministre et ministre de l’Emploi et
de l’Égalité des chances, chargée de la Politique de
migration et d’asile. – Les thèmes sont en effet liés. Je
vais élaborer une réponse commune avec Mme Onkelinx qui
abordera tant l’aspect du travail que celui de la prestations
de soins.
|
Mevrouw Joëlle
Milquet, vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke
Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid. – De thema’s
zijn inderdaad met elkaar verbonden. Ik zal samen met minister
Onkelinx een gezamenlijk antwoord opstellen dat zowel op het
aspect arbeid als op het aspect zorgverstrekking ingaat.
|
|
M. Bert
Anciaux (sp.a). – Bien que ma question s’adressait à
deux ministres, j’ai mis davantage l’accent sur la santé
publique. Je puis peut-être encore poser certaines questions à
la ministre Onkelinx.
|
De heer Bert
Anciaux (sp.a). – Hoewel mijn vraag aan twee ministers was
gericht, heb ik inderdaad wat meer de nadruk gelegd op de
volksgezondheid. Sommige vragen kan ik misschien nog eens stellen
aan minister Onkelinx.
|
|
Mme Joëlle
Milquet, vice-première ministre et ministre de l’Emploi et
de l’Égalité des chances, chargée de la Politique de
migration et d’asile. – Je désire aussi me concerter avec ma
collègue Onkelinx pour ces questions.
|
Mevrouw Joëlle
Milquet, vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke
Kansen, belast met het Migratie- en asielbeleid. – Voor die
vragen wil ik ook wel overleggen met collega Onkelinx.
|
|
M. Bert
Anciaux (sp.a). – Je comprends que la ministre Milquet
considère la question du point de vue du droit du travail, mais
quoi qu’il en soit nous devons poursuivre le débat. Un
problème se pose plus précisément en ce qui concerne les
généralistes, du moins dans certaines régions. Toutes ces
mesures restrictives ne résoudront certainement pas ce problème.
C’est pourquoi je continue à demander que l’on s’y
intéresse.
|
De heer Bert
Anciaux (sp.a). – Ik begrijp dat minister Milquet de zaak
bekijkt vanuit een arbeidsrechtelijke situatie, maar hoe dan ook
moeten we het debat voortzetten. Meer bepaald wat de huisartsen
betreft, is er een probleem, vooral in bepaalde streken. Al die
beperkende maatregelen zullen dat probleem zeker niet oplossen.
Daarom blijf ik aandacht vragen voor de problematiek.
|
|
(La
séance est levée à 17 h 00.)
|
(De
vergadering wordt gesloten om 17.00 uur.)
|