3-89

3-89

Belgische Senaat

3-89

Handelingen - Nederlandse versie

DINSDAG 21 DECEMBER 2004 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek in verband met de bemiddeling (Stuk 3-781) (Evocatieprocedure)

Wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek in verband met de bemiddeling (van mevrouw Clotilde Nyssens en de heer Christian Brotcorne, Stuk 3-226)

Wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek om er een bemiddelingsprocedure in te voegen (van mevrouw Nathalie de T' Serclaes, Stuk 3-343)

Wetsvoorstel tot aanvulling van het Gerechtelijk Wetboek met een zevende deel betreffende de buitengerechtelijke bemiddeling (van mevrouw Marie-Hélène Crombé-Berton en de heer Antoine Duquesne, Stuk 3-442)

Dotatie van de Senaat - Uitgaven van het dienstjaar 2003, uitgavenbegroting voor het dienstjaar 2004 en begrotingsramingen voor het dienstjaar 2005

Verwelkoming van de heer Guan Chengyuan

Dotatie van de Senaat - Uitgaven van het dienstjaar 2003, uitgavenbegroting voor het dienstjaar 2004 en begrotingsramingen voor het dienstjaar 2005

Wetsontwerp houdende instemming met de volgende Internationale Akten:
1º Aanvullende Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Franse Republiek betreffende de gezamenlijke uitvoering van een programma voor de observatie van de aarde, en Bijlage, ondertekend te Parijs op 13 november 1984;
2º Aanvullende Overeenkomst nr. 2 tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Franse Republiek betreffende de gezamenlijke uitvoering van een programma voor de observatie van de aarde, en Bijlage, ondertekend te Parijs op 23 oktober 1991;
3º Aanvullende Overeenkomst nr. 3 tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Franse Republiek betreffende de gezamenlijke uitvoering van een programma voor de observatie van de aarde, en Bijlage, ondertekend te Parijs op 20 december 1994;
4º Aanvullende Overeenkomst nr. 4 tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Franse Republiek betreffende de gezamenlijke uitvoering van een programma voor de observatie van de aarde, en Bijlagen, ondertekend te Parijs op 9 januari 1996 (Stuk 3-401)

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken, ondertekend te Brussel op 7 juli 1997 (Stuk 3-767)

Wetsontwerp houdende instemming met het Internationaal Verdrag inzake Plantgenetische Hulpbronnen voor Voeding en Landbouw, en met de Bijlagen I en II, gedaan te Rome op 6 juni 2002 (Stuk 3-768)

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst inzake de voorrechten en immuniteiten van het Internationaal Strafgerechtshof, gedaan te New York op 9 september 2002 (Stuk 3-821)

Wetsontwerp houdende instemming met de volgende Internationale Akten:
1º Overeenkomst, door de Raad vastgesteld overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie, gedaan te Brussel op 29 mei 2000;
2º Protocol vastgesteld door de Raad overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie, gedaan te Luxemburg op 16 oktober 2001 (Stuk 3-852)

Wetsontwerp houdende instemming met de volgende Internationale Akten:
1º Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de zeevaart,
2º Protocol tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van vaste platforms op het continentale plat,
gedaan te Rome op 10 maart 1988 (Stuk 3-920)

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko betreffende uitlevering, ondertekend te Brussel op 7 juli 1997 (Stuk 3-928)

Wetsontwerp houdende instemming met het Protocol opgesteld op grond van artikel 43, lid 1, van de Overeenkomst tot oprichting van een Europese Politiedienst (Europol-Overeenkomst), tot wijziging van artikel 2 en de Bijlage bij die Overeenkomst, gedaan te Brussel op 30 november 2000 (Stuk 3-929)

Wetsontwerp houdende instemming met het Protocol tot wijziging van de Overeenkomst tot oprichting van een Europese Politiedienst (Europol-Overeenkomst) en het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van Europol, de leden van zijn organen, zijn adjunct-directeuren en zijn personeelsleden, gedaan te Brussel op 28 november 2002 (Stuk 3-930)

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag tussen het Koninkrijk België, het Koninkrijk der Nederlanden en het Groothertogdom Luxemburg inzake grensoverschrijdend politieel optreden, en met de Bijlagen, gedaan te Luxemburg op 8 juni 2004 (Stuk 3-931)

Wetsvoorstel tot wijziging van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, met het oog op de invoering van de mogelijkheid een sticker aan te brengen op verkeerd geparkeerde voertuigen (van de heer Christian Brotcorne, Stuk 3-684)

Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 met het oog op de invoering van een fiscale regeling, «tante-Agaathregeling» genaamd, ten voordele van beginnende ondernemers (van de heer René Thissen, Stuk 3-653)

Stemmingen

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Buitenlandse Zaken over «preventieve diplomatie en conflictpreventie» (nr. 3-496)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Buitenlandse Zaken over «het horizontaal beleid ontwikkelingssamenwerking (2003-2004)» (nr. 3-498)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eerste minister en minister van Justitie, aan de minister van Buitenlandse Zaken en aan de minister van Leefmilieu en minister van Pensioenen over «het internationaal verdrag tot regeling van de walvisvangst» (nr. 3-491)

Mededeling

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Leefmilieu en minister van Pensioenen over «toxicologische bestanddelen in luchtverfrissers» (nr. 3-463)

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de minister van Middenstand en Landbouw over «de hervorming van de wetgeving inzake de toegang tot het beroep» (nr. 3-504)

Vraag om uitleg van de heer Berni Collas aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de beschikbaarheid van de RSZ-aangifte in het Duits op de website van de Rijksdienst voor sociale zekerheid» (nr. 3-499)

Vraag om uitleg van de heer François Roelants du Vivier aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het opstellen van kwaliteitscriteria voor borstklinieken» (nr. 3-500)

Vraag om uitleg van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het akkoord overheid-apothekers» (nr. 3-506)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de vaccinatie tegen de pneumokokken» (nr. 3-502)

Regeling van de werkzaamheden

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eerste minister en minister van Justitie en aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de afwezigheid van een gezondheidsbeleid bij sommige beslissingen tot internering» (nr. 3-494)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Justitie, aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Landsverdediging over «de personeelswissel op de militaire inlichtingendienst» (nr. 3-507)

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de minister van Landsverdediging over «de toekenning van het Kruis van Officier in de Leopoldsorde aan de Belgische veteranen van 40-45» (nr. 3-503)

Vraag om uitleg van mevrouw Erika Thijs aan de minister van Landsverdediging over «de Belgische inspanningen inzake antipersoonsmijnen in het licht van de top van Nairobi» (nr. 3-482)

Vraag om uitleg van mevrouw Erika Thijs aan de minister van Landsverdediging over «de afbouw van F-16's» (nr. 3-505)

Regeling van de werkzaamheden

Berichten van verhindering

Bijlage


Voorzitter: mevrouw Anne-Marie Lizin

(De vergadering wordt geopend om 14.35 uur.)

Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek in verband met de bemiddeling (Stuk 3-781) (Evocatieprocedure)

Wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek in verband met de bemiddeling (van mevrouw Clotilde Nyssens en de heer Christian Brotcorne, Stuk 3-226)

Wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek om er een bemiddelingsprocedure in te voegen (van mevrouw Nathalie de T' Serclaes, Stuk 3-343)

Wetsvoorstel tot aanvulling van het Gerechtelijk Wetboek met een zevende deel betreffende de buitengerechtelijke bemiddeling (van mevrouw Marie-Hélène Crombé-Berton en de heer Antoine Duquesne, Stuk 3-442)

Algemene bespreking

De voorzitter. - Ik stel voor het wetsontwerp en deze wetsvoorstellen samen te bespreken. (Instemming)

De heer Luc Willems (VLD), rapporteur. - Het wetsontwerp dat in de Kamer werd besproken en de wetsvoorstellen van onze collega's Nyssens, Brotcorne, de T' Serclaes en Crombé-Berton die we vandaag bespreken, beogen het Gerechtelijk Wetboek aan te vullen met een aantal bepalingen die de toegang tot het gerecht moeten bevorderen door aan de bemiddeling, een alternatieve wijze van conflictregeling, een wettelijke grondslag te verlenen. Een van de doelstellingen van de regering, opgenomen in het Themisplan met betrekking tot een snelle rechtsbedeling, bestaat er precies in de bemiddeling een wettelijke grondslag te verschaffen.

De debatten tonen aan dat het onderwerp actueel is. Er bestaat duidelijk een gemeenschappelijke wil om aan de bemiddeling de plaats te geven die haar in onze structuren toekomt voor het oplossen van conflicten. Het is belangrijk dat we tot een regeling komen die de burger in staat stelt om zonder, of met een minimale rechterlijke tussenkomst een geschil op te lossen. Het gaat weliswaar om kleine geschillen, maar ook die kunnen grote spanningen onder de betrokkenen teweegbrengen. Samen zoeken naar een oplossing biedt meer waarborgen voor de toekomst: de partijen blazen de bruggen niet op, maar zoeken samen naar een oplossing die ze beide kunnen goedkeuren. Zodoende worden frustraties vermeden die bij de verliezende partij van een proces nogal eens de kop opsteken.

Om die doelstellingen te kunnen verwezenlijken moet de beoogde alternatieve wijze van conflictregeling evenwel enkele minimale juridische waarborgen bieden. Dat is precies het doel van de voorstellen die de Kamercommissie voor de Justitie heeft onderzocht.

Nog voor de teksten daar werden behandeld, nam de minister van Justitie het initiatief om er een zeer ruime raadpleging over te houden, zowel onder wetenschappers als onder de actoren op het terrein. Voorts heeft de Kamer tal van hoorzittingen georganiseerd, die een zeer volledig beeld ophangen van de problematiek. Ook de Senaat heeft een hoorzitting gehouden met één beroepsgroep.

Wat zijn de principes die de werkzaamheden hebben geïnspireerd?

De partijen moeten kunnen vertrouwen op de technische bekwaamheid, onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de persoon die hen tracht te verzoenen.

Ze moeten de waarborg krijgen dat ze openlijk en in alle vertrouwelijkheid kunnen spreken: alle gegevens die tijdens de procedure aan het licht komen dienen vertrouwelijk te blijven, ook als nadien blijkt dat er geen overeenkomst wordt bereikt en een gerechtelijke afhandeling toch noodzakelijk is.

De vrijwilligheid van de bemiddeling verhoogt sterk de kans dat het akkoord tussen de twee partijen ook spontaan wordt uitgevoerd. Zo bespaart de rechtzoekende zich een uitvoeringsprocedure na het proces zelf.

Belangrijk is ook dat het bemiddelde akkoord op een eenvoudige en efficiënte manier kan worden omgezet in een uitvoerbare titel. Het Gerechtelijk Wetboek blijft daarom het voetstuk waarop de nieuwe procedure is gebaseerd en waarin ze is verankerd.

Bereiken de partijen geen akkoord, dan mag hun rechtspositie niet lijden onder het feit dat ze een verzoeningspoging hebben ondernomen. Daarom moet de eventuele verjaring van de vorderingstermijn waaraan de partijen onderworpen zijn, tijdens de looptijd van de bemiddeling worden opgeschort.

Ten slotte mag de bemiddeling in geen geval worden gebruikt als een opschortende techniek. Daarom zijn er mogelijkheden uitgewerkt om op een eenvoudige manier over te stappen van bemiddeling naar geschillenprocedure.

Het ontwerp verenigt alle vormen en hypothesen van bemiddeling. Het heeft zowel betrekking op de vrijwillige bemiddeling als op de bemiddeling in het kader van een gerechtelijke procedure. Het betreft een ruime waaier van geschillen: de bemiddeling in familiezaken die momenteel reeds het voorwerp vormt van een wettelijke regeling, namelijk de wet van 19 februari 2001 en de bemiddeling in burgerrechtelijke en handelsrechtelijke aangelegenheden.

Omwille van de cohesie en de rechtszekerheid, werd geopteerd voor de opheffing van de wet betreffende de bemiddeling in familiezaken. Alle bepalingen met betrekking tot de bemiddeling zijn dus samengebracht in éénzelfde geheel, met name een nieuw zevende deel dat in het Gerechtelijk Wetboek werd ingevoegd. De bemiddeling krijgt hiermee een voorname plaats in de conflictoplossende structuren, op gelijke voet met enerzijds de burgerlijke procedure en anderzijds de arbitrage.

Bovendien wordt getracht de organisatie van de opleiding en de erkenning van de bemiddelaars te harmoniseren, ongeacht uit welk professioneel milieu ze komen.

In dit opzicht werd ook geopteerd voor de oprichting van een federale bemiddelingscommissie die zal samengesteld zijn uit vertegenwoordigers van alle actoren van de bemiddeling en zal belast zijn met de erkenning en de opleiding van de bemiddelaars.

Deze commissie zal volledig onafhankelijk zijn en logistieke steun ontvangen van de Federale Overheidsdienst Justitie.

De minister legt sterk de nadruk op de opleiding van de bemiddelaars. Uiteindelijk zullen zij garant moeten staan voor de goede werking van de procedure. De bemiddelaars die in het raam van gerechtelijke procedures wensen te interveniëren, zullen deze bekwaamheden tijdens een erkenningprocedure moeten aantonen. Ze zullen ook een voortgezette opleiding moeten volgen tijdens de periode waarin zij als erkend bemiddelaar werken.

Rekening houdend met het standpunt van vele bemiddelaars moeten degenen die interveniëren in het kader van de vrijwillige bemiddeling, dus buiten de gerechtelijke procedure, niet noodzakelijk erkend zijn. Een te strikt reglementair kader zou immers een negatieve invloed hebben op de soepelheid en de efficiëntie die kenmerkend moet zijn voor de bemiddeling. De bemiddeling zal in elk geval pas kunnen plaatsvinden nadat een rechter gecontroleerd heeft of deze in overeenstemming is met de openbare orde.

De bemiddeling moet toegankelijk zijn voor de minstbedeelden. De kosten en honoraria van de bemiddelaars kunnen dus ten laste worden genomen van de rechtsbijstand, zowel in het kader van de gerechtelijke als van de vrijwillige bemiddeling. Aangezien deze bemiddelaars door de Staat worden betaald, moeten ze door de bemiddelingscommissie erkend zijn.

Het ontwerp werd door de Kamer en nadien ook door de commissie voor de Justitie van de Senaat unaniem goedgekeurd. Er werd grondig over gedebatteerd en er werd een reeks amendementen ingediend, waarvan een belangrijk deel werd aangenomen.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Ik ben bijzonder blij met de stemming die zo dadelijk zal plaatshebben. Dit wetsontwerp is onder meer gebaseerd op een zeer oud wetsvoorstel van de PSC dat meermaals in de Kamer was ingediend en door senator Brotcorne en mijzelf opnieuw in de Senaat aanhangig is gemaakt. Leden van de meerderheid in de Kamer hebben ons voorstel medeondertekend.

Om een betere toegang tot de justitie te verzekeren, moeten alternatieve methoden tot conflictbeslechting worden aangemoedigd, onder meer de bemiddeling.

Ik ben het over het algemeen eens met het ontwerp, maar onderstreep enkele elementen die nog voor kritiek vatbaar zijn en moeten worden bijgestuurd.

De oorspronkelijke tekst is op enkele plaatsen gewijzigd. Bij de algemene principes is dat vooral het geval met de vaststelling van de voorwaarden om bemiddelaar te worden. Het oorspronkelijke voorstel, dat aansloot bij het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad over bepaalde aspecten van de bemiddeling in burgerlijke en handelszaken en bij de Europese Code van goed gedrag met betrekking tot de essentiële aspecten van het bemiddelingsproces, bevatte regels inzake deontologie en goed gedrag die voor iedere bemiddelaar golden. Het voorliggende wetsontwerp is echter anders opgevat.

Artikel 4 van dit voorstel voor een richtlijn over de kwaliteit van de bemiddeling luidt nochtans als volgt: "De Commissie en de lidstaten bevorderen en stimuleren de ontwikkeling en de naleving van vrijwillige gedragscodes door bemiddelaars en organisaties die bemiddelingsdiensten verstrekken op communautair en op nationaal niveau, alsmede andere doeltreffende kwaliteitscontrolemechanismen voor de verstrekking van bemiddelingsdiensten.

De lidstaten bevorderen en stimuleren de opleiding van bemiddelaars teneinde de partijen bij een geschil de mogelijkheid te geven een bemiddelaar te kiezen die in staat is een bemiddelingsprocedure doeltreffend op de door de partijen verwachte wijze te leiden."

De Commissie heeft in 2001, met het oog op de bescherming van de consument, een aanbeveling aangenomen tot vaststelling van de minimumkwaliteitscriteria die de buitengerechtelijke instanties belast met de consensuele beslechting van consumentengeschillen hun gebruikers moeten aanbieden. Het is wenselijk dat alle bemiddelaars of organen waarop de aanbeveling van toepassing is, die principes naleven.

De federale bemiddelingscommissie zal een deontologische code opstellen die slechts zal worden toegepast op de bemiddelaars die erkend zijn in het kader van een gerechtelijke procedure. De erkende bemiddelaars moeten daarnaast nog voldoen aan enkele elementaire voorwaarden, namelijk:

De erkende bemiddelaars onderwerpen zich bovendien aan een door de commissie erkende permanente vorming.

Voor iedere bemiddelaar, al dan niet erkend, geldt gelukkig de geheimhoudingsplicht.

In het oorspronkelijke voorstel werd een onderscheid gemaakt tussen de vrijwillige en de gerechtelijke bemiddeling. In beide gevallen moet de bemiddelaar nochtans dezelfde kwaliteitsvoorwaarden vervullen.

Betekent dit dat een bemiddelaar die niet erkend is om op te treden in het kader van een gerechtelijke procedure niet alle voor de uitoefening van de bemiddeling noodzakelijke onafhankelijkheids- en onpartijdigheidswaarborgen moet bieden? Dat onderscheid lijkt mij niet opportuun en in strijd met de praktijk en met het Europese recht. Het kan ertoe leiden dat de justitiabelen worden misleid, dat een bemiddeling met twee snelheden ontstaat en dat de overeenkomsten nadien niet kunnen worden uitgevoerd.

In het oorspronkelijke voorstel kon het akkoord van de vrijwillige bemiddeling voorgelegd worden aan de bevoegde rechter en het voorwerp uitmaken van een proces-verbaal van minnelijke schikking, conform artikel 733 van het Gerechtelijk Wetboek.

Wanneer een overeenkomst echter medeondertekend was door een bemiddelaar-advocaat kon die, op verzoek van de partijen, de rechter verzoeken er akte van te nemen en kreeg de beschikking de betekenis van een vonnis, in de zin van artikel 1043 van het Gerechtelijk Wetboek.

In de gerechtelijke bemiddeling konden de partijen de rechter verzoeken om, zij het slechts gedeeltelijk, akte te nemen van de overeenkomst, conform artikel 1043 van het Gerechtelijk Wetboek.

De tekst die na amendering door de Kamer is aangenomen, voerde drie soorten bemiddeling in. Er was ten eerste de zuiver vrijwillige bemiddeling waarvoor de bemiddelaar geen enkele specifieke kwaliteit moest hebben, maar die niet kon uitmonden in een overeenkomst die door de rechter kon worden gehomologeerd. Vervolgens was er de vrijwillige bemiddeling die wel kon uitmonden in een overeenkomst die door de rechter kon worden gehomologeerd en waar van de bemiddelaar een aantal minimale kwaliteiten werden gevraagd, namelijk handelingsbekwaam en meerderjarig zijn en geen gerechtelijk raadsman hebben. Er was ten derde de zuiver gerechtelijke bemiddeling waar de bemiddelaar moet worden erkend door de Federale Bemiddelingscommissie en moet voldoen aan de vijf kwalificatievoorwaarden met betrekking tot vorming of ervaring, goed gedrag, onafhankelijkheid en onpartijdigheid.

De eerste soort bemiddeling is in de Senaat gesneuveld. De zuiver vrijwillige bemiddeling, geleid door een niet-erkende bemiddelaar - die dus niet beantwoordt aan de voorwaarden die de commissie aan de erkende bemiddelaar oplegt - is nog altijd mogelijk, maar alleen de bemiddelingsovereenkomst die door een erkende bemiddelaar buiten het wettelijke kader is bereikt, kan op dezelfde manier worden bekrachtigd als de overeenkomst bereikt in het wettelijke kader.

Dat onderscheid stemt niet overeen met de praktijk. Er wordt een bemiddeling met twee snelheden in het leven geroepen die schadelijk kan zijn voor de zwakste partij. Het onderscheid houdt ook in dat het beroep en de titel van bemiddelaar niet zullen worden beschermd.

Iemand die bemiddelt zonder enige waarborg te bieden op het gebied van kwalificaties of praktische ervaring, of zelfs van goed gedrag, onafhankelijkheid en onpartijdigheid, kan volgens mij onmogelijk de titel `bemiddelaar' krijgen. Het gaat dan misschien om een verzoener of iemand die zijn diensten aanbiedt om een geschil te helpen beslechten.

Nog problematischer is de goedkeuring van een amendement in de commissie voor de Justitie van de Senaat waarbij de rechter in uitzonderlijke omstandigheden een niet-erkende bemiddelaar kan aanwijzen.

Hoe wordt dit verantwoord gelet op het feit dat de overeenkomst bereikt na bemiddeling door een niet-erkend bemiddelaar niet door de rechter kan worden gehomologeerd? Die bepaling lijkt mij dus volkomen onlogisch, zelfs discriminatoir, en absoluut niet praktisch.

Quid met de rechtsbijstand waarop een beroep kan worden gedaan wanneer de bemiddelaar erkend is, zowel voor een overeenkomst in het kader van een gerechtelijke procedure als na een vrijwillige bemiddeling? Wanneer de bemiddelaar niet erkend is, kan hij in principe geen rechtsbijstand genieten. Wat moet er echter gebeuren wanneer een rechter in het kader van een gerechtelijke procedure een niet-erkende bemiddelaar aanstelt?

Het onderscheid tussen de vrijwillige en gerechtelijke bemiddeling mag dus niet steunen op de kwaliteiten die van de bemiddelaar worden geëist. In beide gevallen moeten dezelfde minimale kwaliteiten aanwezig zijn. De door de commissie uitgevaardigde code moet op iedere bemiddelaar van toepassing zijn.

Een andere nieuwigheid tegenover de tekst van de Kamer, die door de Senaat werd verfijnd, is de oprichting van een federale bemiddelingscommissie.

Er kunnen vragen rijzen over het `gewicht' van deze commissie, de onafhankelijkheid van haar leden, die bij de erkenningsprocedure tegelijk rechter en partij zijn, en over het bestaan van een echte beroepsmogelijkheid tegen haar beslissingen.

Indien wordt afgestapt van de idee van een `bemiddelingsinstituut', had ik voor een magistraat als voorzitter gekozen.

Ik heb ook vragen over het begrip `representatieve instanties van bemiddelaars niet-advocaten en niet-notarissen'. De wet of een koninklijk besluit moet de criteria vastleggen waaraan de verenigingen of organisaties moeten voldoen om als representatief te kunnen worden beschouwd. Het beroep is immers per definitie niet georganiseerd.

Wat de bijzondere commissies betreft, moet erover worden gewaakt dat de specificiteit wordt gegarandeerd, met name inzake bemiddeling in familiezaken. Er moet gebruik worden gemaakt van de ervaring van bestaande verenigingen, van de balies en van de federatie van notarissen inzake de opleiding van bemiddelaars in bepaalde materies, in het bijzonder in familiezaken. De wet inzake de proceduregebonden bemiddeling in familiezaken dateert al van februari 2001. Er is op dat vlak een praktijk tot stand gekomen, hoewel de uitvoeringsbesluiten nooit werden genomen.

De voorwaarden inzake toekenning en intrekking van een erkenning, opleiding en permanente vorming en inzake deontologie, waaraan de erkende bemiddelaars worden onderworpen, moeten worden opgesteld in overleg met de bestaande verenigingen, de federatie van notarissen en de balies.

Deontologische en tuchtrechtelijke aangelegenheden zouden bijvoorbeeld door de commissie aan de balies kunnen worden gedelegeerd om te voorkomen dat de advocaat-bemiddelaar aan twee tuchtinstanties wordt onderworpen.

De controle door de rechter via de homologatie van het akkoord wordt beperkt tot het toezicht op de conformiteit van het akkoord met de openbare orde en, na het indienen van amendementen, met het belang van de minderjarige kinderen.

Ik had liever een bredere controle door de rechter gezien. Ik had een amendement ingediend om de rechter toe te laten na te gaan of het akkoord de rechten van de verdediging en van derden respecteert, of de afstand van bepaalde rechten duidelijk was en of het akkoord de openbare orde eerbiedigt. De rechter zou ook moeten nagaan of rekening werd gehouden met de belangen van de kinderen na, indien wettelijk vereist, het advies van de procureur des Konings te hebben ingewonnen.

De commissie voor de Justitie en de regering wilden van een dergelijke bredere controle niet weten. Die minimale garanties lijken me nochtans noodzakelijk opdat het alternatief voor een proces billijk zou zijn conform artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens.

De rechterlijke controle is nodig om te voorkomen dat de minnelijke regelingen achteraf toch voor de rechter worden betwist.

Inzake de waarde van de instemming die aan een bemiddelingsakkoord wordt gegeven, onderstreept het groenboek van de Europese Commissie over de alternatieve conflictregeling inzake burgerlijke en handelsgeschillen het volgende: "Het akkoord tussen de partijen vormt de essentiële etappe van de procedure en, in zeker opzicht, de meest gevoelige."

Er moet inderdaad worden nagegaan of het om een echt akkoord gaat. Als dat niet de echte wilsuiting van de partijen weergeeft, het compromis dat de partijen willen aanvaarden door afstand te doen van hun oorspronkelijke wensen, dan wordt de doelstelling, namelijk de oplossing van het conflict en de sociale vrede die daaruit voortvloeit, niet bereikt.

Er rijst dan een risico op nieuwe problemen, zoals het juridisch aanvechten van de geldigheid van het akkoord en het betwisten van de verantwoordelijkheid van de derde om een onbillijk compromis aan één van de partijen te hebben opgelegd, enz. In het bijzonder groeit bij economische ongelijkheid tussen de partijen de overtuiging van een bepaald beschermend formalisme met betrekking tot het treffen en de ondertekening van het akkoord.

Alles moet in het werk worden gesteld om de geldigheid van de wilsuitingen te garanderen. Aldus zou een reflectietermijn moeten worden ingelast voordat de handtekening wordt gezet of een termijn tijdens welke het akkoord kan worden ingetrokken na de ondertekening, conform het groenboek.

Ik zal de tekst goedkeuren. Ik hoop dat de Kamer de amendementen van de Senaat aandachtig zal bekijken.

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Het wetsontwerp dat ter stemming voorligt, beantwoordt aan een grote maatschappelijke nood. Steeds meer geschillen worden aan rechtbanken voorgelegd, waar ze terechtkomen in de mallemolen van justitie. De toevloed aan procedures zorgt voor verdere vertragingen in de afhandeling van rechtszaken en dat geeft dan weer aanleiding tot toenemende wrevel bij de bevolking, wat het al zo broze vertrouwen in justitie verder aantast.

Bemiddeling beoogt een meer laagdrempelige toegang tot het gerecht en een humanere beslechting van conflicten. Niet het uitvechten van geschillen via advocaten, die gevormd zijn in het conflictmodel, staat centraal, wel het uitwerken van een regeling die door beide partijen als evenwichtig en rechtvaardig wordt aanvaard en daarom meer kans maakt op een duurzame oplossing.

De SP.A-SPIRIT-fractie onderschrijft ten volle de uitgangspunten van het ontwerp. De bemiddeling staat of valt met de volgehouden instemming van beide partijen met de procedure én met de figuur van de bemiddelaar; de vrijwilligheid is essentieel. De bemiddelaar moet voldoen aan ernstige criteria van bekwaamheid, onafhankelijkheid en onpartijdigheid. Vorming en controle moeten die kwaliteitseisen maximaal garanderen. De vertrouwelijkheid van wat aan de bemiddelaar meegedeeld wordt, moet totaal zijn; de verkregen informatie kan in een eventuele gerechtelijke procedure achteraf niet worden aangewend.

Persoonlijk betreur ik het nadrukkelijke overwicht van juristen in de algemene commissie en in de drie bijzondere commissies, een zorg die ik deel met mevrouw de T' Serclaes. Het wekt de indruk dat vooral juridisch geschoolde personen voor oplossingen kunnen zorgen. De onpartijdigheid, bekwaamheid en ingesteldheid van de bemiddelaar zijn essentiëler dan zijn technische scholing. Er is een kans gemist om de commissies evenwichtiger samen te stellen, zodat ze dichter bij de mensen staan.

Met de nooit gerealiseerde wet op de bemiddeling in familiezaken in het achterhoofd, hoop ik dat dit ontwerp binnen afzienbare termijn effectief tot uitvoering kan komen en, zeker op het delicate terrein van de kinderrechten, tijdig geëvalueerd en desnoods bijgestuurd wordt. De toetsing aan het belang van de minderjarige kinderen, opgenomen in artikel 1736, moet daarbij de dwingende leidraad vormen.

Deze kritische bedenkingen nemen niet weg dat de fractie het ontwerp unaniem zal goedkeuren. De nieuwe wet zal meehelpen justitie verder uit haar ivoren toren te halen en het verloren vertrouwen van de bevolking terug te winnen.

Tot slot spreek ik mijn waardering uit voor de positieve ingesteldheid die ik tijdens de bespreking van dit wetsontwerp heb kunnen vaststellen. De besprekingen hebben een hele tijd in beslag genomen en waren vaak technisch, maar verliepen steeds in volle openheid en met de intentie tot een eindproduct te komen waar eenieder zich achter kon scharen; de open debatcultuur op zijn best! Dit is dan ook mijn eindejaarsboodschap, weliswaar in de schaduw van die van de premier en van de Koning: laten we ook de volgende jaren het debat over wetsvoorstellen en actuele thema's steeds voeren in volle openheid en wederzijds respect, zonder verborgen agenda's en politieke listen. Het zal meteen de beste reclame zijn voor de opwaardering van de Senaat. Ik denk dat zelfs de voorzitster het daarmee eens kan zijn.

Mevrouw Nathalie de T' Serclaes (MR). - De invoering van een bemiddelingsprocedure wordt uiteraard door iedereen onderschreven. Het is de bedoeling van de voorliggende tekst de burgers een betere toegang tot justitie te verlenen en hen in de mogelijkheid te stellen hun conflicten beter te beheersen en te beheren. We hopen ook dat bemiddeling een probaat middel is in de strijd tegen de tendens om alles voor de rechtbank te brengen. Hierdoor ontstaat uiteindelijk een gerechtelijke achterstand die men almaar moeilijker kan wegwerken. Een wetsvoorstel om een bemiddelingsprocedure in te voeren, is een antwoord op de grote bezorgdheid van alle actoren en beoogt een betere werking van justitie.

Mevrouw De Roeck verwees naar de wet van 2001, waarbij de bemiddeling in familiezaken in het Gerechtelijk Wetboek werd ingevoegd. De toepassing in de praktijk blijft spijtig genoeg moeilijk. De voorliggende tekst omvat de mogelijkheid tot bemiddeling zowel in familiale als in burgerrechtelijke en commerciële geschillen. We hopen dat deze tekst een nieuwe impuls aan bemiddeling zal geven, want dat is nodig. Zowel de minister van Justitie als de parlementsleden zullen trouwens ernstige inspanningen moeten leveren om van de bemiddeling geleidelijk aan een procedure te maken waarmee de mensen hun conflicten oplossen, in plaats van onmiddellijk hun toevlucht te nemen tot het gerecht.

De bemiddeling moet een minimaal werkingskader hebben. Sommigen beweren van niet, omdat de bemiddeling niet verplicht is. Ik vind van wel, omdat mensen overeenkomen om iemand aan te stellen die buiten de gerechtelijke instanties zal proberen hun conflicten op te lossen.

Als het gaat om het oplossen van conflicten waarvoor al een procedure voor de rechtbank werd ingeleid, en wanneer dus bepaalde bemiddelingsresultaten officieel moeten worden goedgekeurd om rechtskracht te krijgen, is wetgeving absoluut noodzakelijk. We hebben de tekst die ons door de Kamer werd overgezonden behandeld met de bedoeling de zaken te verduidelijken en alles in één wet op te nemen. Maar wie veel begeert, veel ontbeert. Het leek nuttig verschillende elementen van deze wet opnieuw te bekijken. We hebben vooral getracht een tekst uit te werken die van toepassing is zowel op bemiddeling in het kader van een gerechtelijke procedure als op bemiddeling waarbij de betrokkenen een officiële bekrachtiging wensen. De tekst van de Kamer werd dus verduidelijkt. Buiten dit soort bemiddeling zijn er natuurlijk nog andere vormen, die niet altijd aan een wet onderworpen zijn. Dat betekent echter nog niet dat dit soort bemiddeling aan een gedragscode ontsnapt. Als de bemiddelingscommissie is geïnstalleerd, moet ze die gedragscode opstellen. We zullen dan moeten discussiëren over totaal vrijwillige bemiddeling en moeten beslissen of de bemiddelaars op een of andere manier een gedragscode moeten naleven. Dit lijkt me in de huidige stand van zaken nogal voorbarig. We hebben ons beperkt tot het verduidelijken van de tekst van de Kamer.

De tekst die nu voorligt verleent een wettelijke grondslag aan de bemiddeling zodat deze verder kan worden uitgebouwd.

Persoonlijk verkoos ik een beter evenwicht tussen de juristen en niet-juristen in de bemiddelingscommissie.

We hebben gediscussieerd over de uitvoering van deze wet en over de overgangsmaatregelen. De minister heeft beloofd de bemiddelingscommissie vlug op te starten. In overleg met de mensen uit het veld kan dan zo snel mogelijk de erkenningwijze voor de toekomstige bemiddelaars worden bepaald. Er zijn nu al bemiddelaars aan het werk. Verschillende verenigingen over het hele land organiseren opleidingen en werken aan een gedragscode. De balie heeft voor de advocaten-bemiddelaars zelf een gedragscode uitgewerkt.

Deze wet, die we hopelijk vandaag zullen goedkeuren, situeert de bestaande praktijken in een gepast kader. Wie zijn toevlucht wil nemen tot de bemiddeling weet waartoe hij zich verbindt.

We hebben in de commissie lang gediscussieerd over het eventueel ontbreken van beroepsmogelijkheid. De normale weg is de Raad van State. Er zijn volgens mij voldoende garanties, aangezien de bemiddelingscommissie met mensen uit het veld zal werken; vooral tijdens de installatiefase. De commissie zal ook voldoende op de hoogte zijn van de opleidingen en weten welke personen geschikt zijn om als bemiddelaar te worden erkend.

Bemiddeling is een vrije keuze van de partijen. Deze keuze is omkeerbaar. Er is geen zwakke partij en geen sterke partij; beide partijen moeten het eens zijn over de bemiddelaar.

De bemiddeling kan te allen tijde worden beëindigd. Er wordt gezocht naar de beste oplossing, die waarmee beide partijen kunnen instemmen.

Ik hoop dat deze tekst een duwtje in de rug zal zijn voor de bemiddeling. Ik hoop ook dat de bemiddelingsprocedure een echte conflictoplosser wordt. Verschillende internationale teksten, de Europese richtlijn en het groenboek van de Commissie stellen het in elk geval voor. Het werk is niet af. Ik hoop dat de minister alles doet wat in haar macht ligt opdat deze tekst zo snel mogelijk realiteit wordt.

Mevrouw Anke Van dermeersch (VL. BELANG). - In dit land bestaat al jaren een grote gerechtelijke achterstand. Om hieraan het hoofd te bieden werd reeds in 2001 een wet ontworpen om de bemiddeling in familieconflicten in de gerechtelijke procedure op te nemen waardoor de uitkomst van een bemiddeling de waarde van een vonnis kreeg. De uitvoeringsbesluiten op die wet werden echter nooit uitgevaardigd.

De wet die nu voorligt, schaft de vorige wet af en maakt bemiddeling in alle zaken mogelijk, ook bijvoorbeeld in conflicten tussen werkgever en werknemer. In contracten kan dan ook een bindende clausule worden opgenomen om in geval van problemen een beroep te doen op bemiddeling alvorens naar de rechtbank te stappen.

Het voorstel tot veralgemening van de bemiddeling, zoals die nu al bestaat voor familiezaken en collectieve schuldenregeling, kan echter geen instrument zijn om de gerechtelijke achterstand weg te werken. Dat is meteen mijn voornaamste argument tegen het wetsontwerp, want om de gerechtelijke achterstand structureel op te lossen moeten de staande en de zittende magistratuur meer middelen krijgen en moet justitie worden gemoderniseerd en communautair gesplitst.

Voorkomen is beter dan genezen, ook in dit dossier. Bemiddeling kan inderdaad een middel zijn om het aantal geschillen dat in de gerechtelijke mallemolen terechtkomt, te beperken. Iedereen lost zijn problemen het best zelf op en dan worden er meestal ook oplossingen op mensenmaat gevonden. Slechts in allerlaatste instantie zou een beroep mogen worden gedaan op geschillenbeslechting door een rechter.

De burger wordt met de dag mondiger en dat is een goed teken. Dat leidt echter ook tot een soort van conflictcultuur. Burgers nemen sneller stelling en die stelling lokt een tegenstelling uit. Het gaat om een gezonde mentaliteitswijziging bij de burger, maar dat volstaat niet. Ook de volgende stap moet worden gedaan, namelijk leren op een redelijke wijze voor zichzelf op te komen om aldus een deel van de oplossing te vinden voor het gerezen conflict. Een en ander kan de bevolking worden aangeleerd in het kader van de buitengerechtelijke bemiddeling.

Bovendien heeft de bemiddelingsmogelijkheid vóór en tijdens de gerechtelijke procedure het voordeel dat ze sneller en dus goedkoper is. Aldus kan ook het veel voorkomende gerechtelijke trauma worden vermeden, wat het imago van het gerecht natuurlijk ten goede komt.

Bemiddeling is een oervorm van geschillenbeslechting en mag dus per definitie niet aan een overdadige reglementering worden onderworpen. Hieraan voldoet het voorliggende wetsontwerp niet echt. Het ontwerp kan erg contraproductief zijn, omdat de voorziene procedure nog altijd zeer log en formalistisch is. Precies dat is een van de doorslaggevende argumenten waarom het gerecht een ingewikkeld kluwen blijft voor de burger. De burger die zijn heil zoekt in de bemiddeling, wordt weerom geconfronteerd met een moeizame procesgang, wat toch de bedoeling niet kan zijn.

Een zo groot mogelijke soepelheid is de bedoeling van de bemiddeling. Het voorliggende wetsontwerp geeft overigens geen eenduidige definitie van bemiddeling. Er bestaat ook onduidelijkheid over wie als bemiddelaar kan optreden. Bij de invoering van de vorige wet heeft zich een langgerekte discussie ontsponnen tussen de ministers Vande Lanotte, Vogels en Verwilghen, onder meer over wie bemiddelaar kan worden. In de wet stond toen dat advocaten, notarissen en derden dat konden zijn. Die `derden' leveren nu juist problemen op, omdat het niet duidelijk is of ook maatschappelijk werkers en psychologen mogen bemiddelen.

In geval van een bemiddeling die werd vastgelegd in een contract, kan iedere handelsbekwame meerderjarige als tussenpersoon worden aangesteld. De nieuwe wet preciseert echter nog steeds niet wie als bemiddelaar kan optreden. Het ontwerp bepaalt dat de bemiddelaars moeten worden erkend door een commissie waarin vertegenwoordigers van notarissen, advocaten en van de overige bemiddelaars zitting hebben. Ik verwacht dus dezelfde discussie als in 2001 bij de vraag wie die overige bemiddelaars nu juist mogen zijn. Veel hangt af van de uitvoeringsbesluiten die een en ander zullen moeten preciseren. Het wetsontwerp is geen voorbeeld van goede wetgeving wegens te veel vraagtekens en vage definities, als die al niet ontbreken. De wetswijziging vormt dan ook slechts een kleine stap in de goede richting.

Bovendien zou de wet gepaard moeten gaan met een zeer goede voorlichtingscampagne voor de rechtsonderhorigen en een mentaliteitswijziging bij de rechterlijke macht, het griffiepersoneel, de advocaten en de gerechtsdeurwaarders. Al die beroepscategorieën dienen voldoende te worden gestimuleerd om hun respectieve clientèle zoveel mogelijk aan te zetten een beroep te doen op alternatieve geschillenbemiddeling in alle materies waarin partijen een dading kunnen aangaan.

De heer Luc Willems (VLD). - Het wetsontwerp biedt vele kansen. Het kan bijdragen tot een nieuwe cultuur in Justitie. De rechtzoekende zal zelf immers een oplossing moeten helpen zoeken in plaats van voor elke probleem naar de rechter te stappen, een uitspraak te krijgen en eventueel in beroep te gaan. Ik hoop dat het wetsontwerp de trend om te bemiddelen zal versnellen.

Het gaat om een nieuw hulpmiddel in de strijd tegen de gerechtelijke achterstand. Het wetsontwerp is zeker geen wondermiddel en alles zal afhangen van de invulling op het terrein, maar zelfs de geringste bijdrage is al positief. De strijd tegen de gerechtelijke achterstand moet immers met verschillende wapens worden gestreden en ieder wapen is nuttig.

Ik heb twee bedenkingen. De eerste betreft het bemiddelingsbeding en de tweede de voorwaarden om bemiddelaar te zijn.

Aan het bemiddelingsbeding is in de commissie weinig aandacht besteed. Er moet worden voorkomen dat het bemiddelingsbeding in de toekomst contractueel wordt ingeschreven als een nieuw vertragingsmanoeuvre. Ik sluit mij aan bij de vraag van de Vlaamse Vereniging van Balies om aandacht te besteden aan de standaardcontracten. Consumenten zullen dergelijke contracten misschien te gemakkelijk ondertekenen en later geconfronteerd worden met spitstechnologische instrumenten tot bescherming van de professionele verkoper. In de praktijk zal blijken hoe daarmee wordt omgegaan.

Een tweede bedenking betreft de voorwaarden om bemiddelaar te worden waarvoor ik verwijs naar de nieuwe artikelen 1726 en 1727 van het Gerechtelijk Wetboek. Er wordt voorzien in bemiddelaars en in de oprichting van een federale bemiddelingscommissie die zal zijn samengesteld uit twee advocaten, twee notarissen en twee vertegenwoordigers van de bemiddelaars. Die commissie zal de organen voor de vorming van de bemiddelaars en de vorming zelf erkennen, de criteria voor de erkenning bepalen, de bemiddelaars erkennen, de erkenning van bemiddelaars die niet voldoen aan de permanente vorming tijdelijk of definitief intrekken. Ze zal de procedures bepalen, de lijst van bemiddelaars opstellen en verspreiden in hoven en rechtbanken en een gedragscode met bijbehorende sancties opstellen.

De VLD hoopt dat hier geen nieuwe vorm van corporatisme wordt gecreëerd. Het wettelijke kader laat ruimte voor invulling. Het is bijgevolg niet denkbeeldig dat er een heruitgave komt van de nieuwe beroepsgroep van vastgoedmakelaars. Bij de oprichting van die groep kon iedereen vastgoedmakelaar worden, maar al vlug ging de deur dicht en kon niemand er nog bij. Hetzelfde gebeurde bij de accountants, boekhouders en bedrijfsrevisoren. De kans is groot dat bij de nieuwe beroepsgroep van de bemiddelaars een jurist met vijf jaar opleiding en drie jaar stage als advocaat of notaris als verdacht wordt gezien. Ik heb daar al voor gewaarschuwd. Ik heb in discussies met bemiddelaars echter vastgesteld dat er haast is om een nieuwe beroepsgroep van bemiddelaars te creëren.

Aan welke voorwaarden moet een bemiddelaar voldoen? Hij moet vooral over sterke menselijke kwaliteiten beschikken. Hij moet kunnen bemiddelen. Kan dat door permanente vorming, dure cursussen of door elk jaar een aantal verplichte vormingen op te leggen via commerciële circuits? Ik twijfel daaraan. Naast de menselijke kwaliteiten moeten de bemiddelaars in elk geschil weten waarover ze spreken. Ik vraag de minister dus om daar bij de uitvoeringsbesluiten grote aandacht aan te besteden zodat we niet de zoveelste corporatie van bemiddelaars oprichten.

Juristen kunnen eenvoudigweg in het systeem van de bemiddeling worden ingeschakeld. Er is geen bezwaar tegen dat ook anderen die taak op zich nemen, maar voorkomen moet worden dat een jurist als bemiddelaar wordt geweigerd. Ik zal de invulling van de koninklijke besluiten en de opstelling van de criteria op de voet volgen.

De vorming van corporaties en de organisatie van cursussen of commerciële opleidingen mogen zeker niet worden aangemoedigd.

(Voorzitter: de heer Staf Nimmegeers, eerste ondervoorzitter.)

Mevrouw Nathalie de T' Serclaes (MR). - Ik wil de heer Willems alleen maar zeggen dat er vandaag een veel groter gevaar is voor een monopolie van advocaten-bemiddelaars dan voor bemiddelaars die geen juridische opleiding hebben genoten. Dat beviel me niet in het voorstel van de Kamer. Ik heb niets tegen advocaten-bemiddelaars maar het is precies het tegenovergestelde van wat de heer Willems zopas zei.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik betreur dat de vergaderingen van de Senaat niet op het geplande tijdstip beginnen. Iedereen heeft verplichtingen. De Senaat is een parlementaire assemblee. Voor de voorzitter van de Senaat zijn de verplichtingen die uit het voorzitterschap voortvloeien, van prioritair belang. Het negeren van die verplichtingen betekent een gebrek aan respect voor de leden van deze kamer, die de Hoge Vergadering wordt genoemd. Wie een functie opneemt, moet bereid zijn de consequenties te dragen die met die functie gepaard gaan. Het laattijdig starten van de werkzaamheden stelt het geduld van de regering op de proef en uiteindelijk zullen de senatoren daarvan het slachtoffer zijn.

De bespreking van dit belangrijke wetsontwerp in de commissie voor de Justitie van de Senaat onderstreept het belang van een tweede kamer in een democratisch systeem. In een democratisch federaal of confederaal regime is de tweede lezing van een wettekst door andere verkozenen noodzakelijk. De Senaat heeft de onderhavige tekst op vele punten gewijzigd. Het gaat niet alleen om juridisch-technische verbeteringen op het vlak van de interne logica en de coherentie van het ontwerp met andere wetten, maar ook om de maatschappelijke inbreng. We stellen vast dat, gelet op het gebrek aan populariteit van wetgevende activiteiten, in een tweekamerstelsel de wetgevende controle meestal in de tweede kamer terechtkomt.

In de uiteenzettingen van de vorige sprekers en in het verslag werd het belang van de bemiddeling bij conflictregeling onderstreept. Het is duidelijk dat er dringend een cultuurwijziging nodig is. De mensen hebben vooral geleerd om assertief te zijn en op te komen voor hun rechten.

Opkomen voor zijn rechten is één zaak, ze realiseren is een andere. In een democratische samenleving betekent het realiseren van zijn rechten dat men met anderen overeen moet kunnen komen. Rechten worden niet in een vacuüm, in een laboratorium uitgeoefend, wel in een maatschappelijke ruimte. Het uitoefenen van zijn rechten, rekening houdend met de rechtspositie van anderen, en het bij conflicten zoeken naar oplossingen is op de eerste plaats een vorm van cultuur.

Ik wil dan ook opkomen tegen het karikaturiseren van juristen. Juristen hebben een universitaire opleiding inzake het oplossen van conflicten gekregen, hebben geleerd onpartijdig te zijn en het beroepsgeheim te bewaren. Die opleiding zorgt voor een eigen gevoel voor problemen en de oplossing ervoor. Ik beweer niet dat alle juristen die vaardigheid hebben. Ik kan mij echter niet verzoenen met de gewoonte een onderscheid te maken tussen de inhoud en de vorm. Sommigen beweren dat juristen dan wel de wet kennen, maar dat voor de toepassing van de wet men geen jurist moet zijn.

Een goede bemiddelaar hoeft inderdaad niet noodzakelijk een jurist te zijn, maar er is geen tegenstelling tussen beide. In de juridische bemiddeling, die een andere is dan de zakelijke of commerciële bemiddeling, moet een element van juridische cultuur aanwezig zijn, omdat in de doelstelling van het ontwerp de hypothese van de rechterlijke uitvoering wordt opgenomen. Het exequatur zal worden getoetst aan een aantal juridische beginselen en die moeten in de bemiddeling te lezen zijn.

Een goede bemiddeling vooronderstelt, zoals mevrouw De Roeck zei, dat men niet leeft in een ivoren toren, maar actieve juristen kunnen niet in een ivoren toren leven. Als ik na zovele jaren ervaring vandaag de gevangenis bezoek, is dat nog steeds een uitzonderlijk ogenblik. Ik wil niet vervallen in de populaire opvatting dat juristen geen essentiële inbreng moeten hebben bij de bemiddeling.

Ik wil in een breder politiek kader ook onderstrepen dat de vele moeilijkheden in verband met justitie, die trouwens niet enkel in ons land bestaan, enkel kunnen worden opgelost indien daarvoor de vereiste financiële middelen worden uitgetrokken. Indien de regering haar doelstellingen en ambities wil realiseren, indien de regering wil doen wat de publieke opinie vraagt, moet de minister van Justitie een budget krijgen dat het dubbele van dat van vandaag bedraagt. Het is niet correct de moeilijkheden van justitie naar de gerechtelijke wereld en de juristen door te schuiven, wanneer de maatschappij onvoldoende middelen voor deze dienstverlening ter beschikking stelt.

Ik zou daarvan vele voorbeelden kunnen geven.

Ik durf echter op te komen voor een `sociale klasse' in de samenleving waar het intellectuele leven zeer hoog is, waar het gevoel voor rechtvaardigheid zeer groot is, omdat ze dagelijks geconfronteerd wordt met vragen om recht en rechtvaardigheid, en die een belangrijke bijdrage kan leveren, weliswaar met allerlei afwijkingen en misbruiken.

De bemiddeling kan er op het terrein voor zorgen dat men zich bij conflicten niet onmiddellijk tot de rechter wendt om een proces te voeren, maar dat men de gemeenschappelijke deler zoekt om een oplossing te vinden. Dat is een kwestie van ingesteldheid, van inleving, van sensibiliteit, die bij iedereen aanwezig kan zijn. Het is echter ook een kwestie van knowhow, omdat de besluitvorming uitvoerbaar moet zijn en eventueel door de rechter moet kunnen worden bekrachtigd.

Onze discussie is in dit perspectief verlopen. We hebben in die zin ook de teksten van de Kamer gecorrigeerd, want die heeft een aantal vergissingen begaan. Dat wijst op het belang van een constructieve samenwerking in een tweekamerstelsel.

(Voorzitter: mevrouw Anne-Marie Lizin.)

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Het verslag was uitstekend. Ik heb zeer aandachtig geluisterd naar de verschillende uiteenzettingen. Ze tonen het belang van het debat aan dat in de commissie voor de Justitie van de Senaat werd gehouden. Het ontwerp werd geamendeerd om aan de professionele bemiddeling de kans te geven zich te ontwikkelen. De bemiddeling in familiezaken was een eerste poging, maar ze heeft zich niet ontwikkeld zoals het moest.

Ik hoop dat de Kamer de tekst zeer spoedig zal goedkeuren, zodat er een alternatief ontstaat voor de juridisch procedure.

Ik zal me inzetten voor een aantal uitvoeringsbesluiten en een informatiecampagne om de bevolking bewust te maken van de mogelijkheid van bemiddeling. Bij bemiddeling wint iedereen, aangezien de oplossing door iedereen aanvaard wordt.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking van het wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek in verband met de bemiddeling (Stuk 3-781) (Evocatieprocedure)

(Voor de tekst geamendeerd door de commissie voor de Justitie, zie stuk 3-781/8.)

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Dotatie van de Senaat - Uitgaven van het dienstjaar 2003, uitgavenbegroting voor het dienstjaar 2004 en begrotingsramingen voor het dienstjaar 2005

Bespreking

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). - Als voorzitter van de quaestuur breng ik u namens het College van quaestoren verslag uit over de uitgaven van het dienstjaar 2003, de uitvoering van de begroting 2004 en de begrotingsvooruitzichten voor 2005.

Vooraf herinner ik eraan dat de beslissingen die betrekking hebben op de uitgaven van het werkingsjaar 2003 voor het overgrote deel genomen werden door de vorige quaestuur, die overigens schitterend werk heeft verricht.

In naam van het College van quaestoren feliciteer en dank ik heel speciaal het hoofd van onze boekhouding en haar ambtenaren voor de schitterende verslaggeving en vooral voor alle inspanningen die ze hebben geleverd om een klaar en duidelijk overzicht te geven van de uitgaven van het dienstjaar 2003, de uitvoering van de begroting 2004 en voor het opstellen van de begrotingsvooruitzichten.

In de begrotingsvooruitzichten 2005 krijgen we een beter en duidelijker overzicht van de noden en behoeften, gerangschikt per begrotingspost. Deze herschikking en herbenoeming was nodig om meer transparante voorstellen te kunnen doen, die alle noodzakelijke voorzieningen samenvatten per welomschreven hoofdstuk of artikel. Met deze transparante herschikking is het duidelijk dat sommige voorziene uitgaven niet samendrukbaar zijn en zelfs stijgen ingevolge indexaanpassingen en sociale verplichtingen.

De nieuwe ploeg - de griffier, de directeur-generaal en het College van quaestoren - waarvan twee leden pas sinds enkele maanden lid zijn, hebben zich tot doel gesteld alle uitgaven en voorzieningen grondig te evalueren en te saneren waar nodig en mogelijk is, zonder evenwel de goede werking van de Senaat in het gedrang te brengen. Er is ook een nieuwe grote doelstelling. We willen namelijk alle senatoren verantwoordelijkheidszin bijbrengen, zowel in hun specifieke opdracht van voorzitter, commissievoorzitter en fractieleider, als in hun gewone opdracht van senator.

Met financiële middelen moet men immers met de grootste zorg omspringen en men moet ze als een goede huisvader of huismoeder beheren.

Over de restauratie van de salons van de voorzitter is er tijdens het weekend een en ander in de pers verschenen en ik wil alle mogelijke misvattingen hierover uit te weg ruimen. Als senatoren werken we in een van de mooiste gebouwen van het land. Dat houdt ook de verplichting in tot een degelijk onderhoud en instandhouding. Dit wil zeggen dat we de plicht hebben ervoor te zorgen dat het gebouw niet door de tand des tijds wordt aangetast en vervalt. Regelmatig onderhoud en tijdige restauratie zijn overigens geldbesparend. Daarom moeten deze oude gebouwen in ieder geval vochtvrij worden gehouden worden, regelmatig worden hersteld en waar nodig gerenoveerd en aangepast.

De salons van de voorzitter behoren tot de meest prestigieuze ontvangstruimten van het land. Het is een prioritaire taak van het College van Quaestoren om deze te onderhouden, te restaureren en in stijl te herstellen. De noodzaak tot restauratie kan aangetoond worden met enkele voorbeelden. Uit één schouw werd een ton vuil gehaald, dat daar wellicht ten gevolge van afbrokkeling en jarenlange ophoping is terecht gekomen. Dat houdt een groot brandgevaar in, uitgerekend in een ruimte waar schitterende en zeer kostbare Brusselse tapijten hangen. Ook de stabiliteit van de zoldering liet te wensen over: bij de voorbereiding van de schilderwerken en de reparatie van het stucwerk bleek dat de zoldering dreigde neer te storten. De restauratie was dus meer dan nodig en daarbij werden alle wettelijke voorschriften gevolgd.

De rekeningen van het dienstjaar 2003 werden afgesloten met een overschot van 1.203.926 euro. De bedoeling was om reserves aan te leggen voor de afscheidsvergoedingen die moesten betaald worden na de verkiezingen van 2003 en 2004. Er werd rekening gehouden met de te verrekenen indexen.

In artikel 1.1 `vergoeding aan de senatoren' is er ook een overschot van 311.474,99 euro. Dit overschot was grotendeels toe te schrijven aan de mogelijke programmatie van de senatorenvergoeding, waarmee rekening is gehouden bij het opstellen van de begroting, maar die uiteindelijk niet is doorgevoerd. Bovendien werden de gemeenschapssenatoren tijdens het verkiezingsjaar 2003 in de maand juni betaald door de regionale parlementen.

Anderzijds werd slechts rekening gehouden met een verhoging van het vakantiegeld tot 80 procent, daar waar 92 procent werd toegekend, dit ingevolge de beslissing die is genomen ten voordele van het senaatspersoneel. De bureauvergoeding van de fractieleiders kende eveneens een min-uitgave veroorzaakt door de vermindering van het aantal erkende fracties.

Over de toelage voor de pensioenkas voor senatoren en de spoorwegabonnementen van eresenatoren werden geen opmerkingen gemaakt.

Voor de afscheidsvergoedingen werd in 2002 en 2003 en reserve aangelegd om de afscheidsvergoedingen van 2003 en 2004 te betalen. Deze reserve werd voor een klein deel aangesproken. Het saldo werd overgedragen naar 2004. Voor 2004 werd derhalve slechts een bedrag van 1.030.000 euro begroot.

Voor het secretariaatspersoneel van de senatoren werd in 2003 een overschot opgetekend van 322.324 euro. Bij de opmaak van de begroting werd het aantal opzeggingsvergoedingen overschat. Bovendien heeft niet elke senator onmiddellijk een medewerker in dienst genomen.

Voor het secretariaat van het voorzitterschap en van de fractievoorzitters werden respectievelijk 245.888,87 en 3.612.847,36 euro uitgegeven. Sommige fracties nemen hun krediet echter niet volledig op. Het saldo werd dan overgedragen naar het volgende kalenderjaar. De opgebouwde reserve werd tijdens het verkiezingsjaar ten dele opgenomen.

Over de afstandsvergoeding van senatoren werden geen opmerkingen gemaakt.

Artikel 1.2 Fractiesecretariaten. De erkende fracties ontvangen voor hun fractiesecretariaat een subsidie voor hun werkingskosten van 51.180,85 euro à 100% per lid; de niet-erkende fracties ontvangen een subsidie 50.662,29 euro à 100%. Bovendien ontvangen de erkende fracties per lid een aanvullende subsidie van 6.006,80 euro à 100%. Bovendien worden de salarissen van de fractiesecretaris eveneens in deze post ten laste van de Senaat genomen. In 2003 werd 48.599,61 euro minder uitgegeven dan begroot onder meer omdat bepaalde fracties een parttime secretaris in dienst hadden genomen.

Artikel 2 Wedden en vergoedingen. Bij de opmaak van de begroting 2003 werd een reserve voorzien van 500.000 euro voor onvoorziene uitgaven. De helft van deze reserve werd aangesproken onder meer voor de aanpassing van de verhoogde terugbetaling van het woon-werkverkeer ingevolge prijsstijgingen van de treintickets, voor de stijging van de premies van verzekeringen en voor de stijging van het aantal losse medewerkers.

Punt 4. d handelt over het archief. Het contract dat in 2003 werd afgesloten met Mediargus en Press Banking zal in 2004 ongeveer 150.000 euro kosten. Mediargus en Press Banking kwamen er op vraag van alle fractievoorzitters. Ik hoop dat men nuttig gebruik maakt van de geboden mogelijkheden om de senatoren beter te informeren.

Over verlichting, verwarming en water zijn er geen opmerkingen.

Wat de werken betreft is het niet altijd mogelijk de werken uit te voeren in het jaar waarvoor ze werden begroot. Dit was onder meer het geval voor de vernieuwing van de salons van het voorzitterschap die initieel gepland was in 2003 door de vorige Quaestuur. De uitvoering vond evenwel plaats in 2004.

Anderzijds waren er dringende werken zoals aan het bureau van de heer Happart, waar ontzettend veel water uit de muren moest worden verwijderd.

Een volgende post is de aankoop van meubilair, materieel en kunstwerken. In 2003 werd er beslist nieuwe kantoorkasten aan te kopen voor de senatoren. De heer Schouppe had gesuggereerd om kasten met een hangklassement aan te kopen en we hebben dat ook gedaan.

Ook werden bij de galerij De Vuyst twee schilderijen van Wolvens aangekocht, namelijk `Het station van Lissewege' en `De waterstraal/park van Brussel' en dit voor een gezamenlijk bedrag van 45.880 euro. De Senaat bezit trouwens heel wat waardevolle schilderijen, vazen, bronzen werken, tapijten en andere kunstwerken. Misschien is dit patrimonium onvoldoende bekend en moeten we in 2005 naar aanleiding van het 175-jarig bestaan van België een tentoonstelling organiseren.

Op de post `protocol en reizen' was er jammer genoeg een overschrijding met 288.383 euro. We hebben voor de begroting 2005 de nodige maatregelen genomen opdat een dergelijke overschrijding zich niet zou herhalen. Wat de protocollaire verplichtingen betreft wil ik ook nog wijzen op de nieuwe outfits van de kamerbewaarders.

Dan kom ik bij artikel 12 `Toelagen in verband met de parlementaire assemblees en verenigingen'. Het gaat hier om vrij grote bedragen en de quaestoren hebben dan ook beslist om deze bedragen grondig te controleren en na te gaan in welke mate kan worden bespaard, zonder aan onze verplichtingen te verzaken.

Voor het restaurant is er een overschot van 34.411 euro.

Voor de informatica nemen de kosten jaarlijks toe. We hadden dit ook voorzien en er is een overschot van 53.848,97 euro.

Ik om nu bij de begroting 2004.

De volgende elementen hebben een invloed gehad op de lopende rekeningen van 2004. In november 2004 was er een indexsprong, die eigenlijk pas verwacht was voor maart 2005. Dit betekent per maand een meeruitgave van 63.500 euro. De in 2003 genomen beslissing om aan elke senator een deeltijdse universitaire medewerker toe te kennen werd in 2004 voor het eerst toegepast en dit heeft een meeruitgave met zich gebracht van één miljoen euro. Dit kon moeilijk worden voorzien omdat de dotatie 2004 reeds in juni moest worden aangevraagd.

De vernieuwingswerken in de salons van het voorzitterschap heb ik daarnet al uitgebreid toegelicht. In 2003 werd daarvoor 349.871 euro en in 2004 nog eens 125.000 euro uitgetrokken.

De sanitaire installaties aan het voorzitterschap en aan de koffiekamer bevonden zich in een lamentabele, zelfs een beetje beschamende toestand en werden gerenoveerd voor 81.627 euro.

Om elektriciteit, machines en dergelijke in overeenstemming te brengen met de Europese veiligheidsnormen was 36.780 euro nodig.

De in 2003 genomen beslissing in verband met de loonsverhogingen voor het personeel resulteerde in een uitgave van 1,1 miljoen euro. Zoals u weet heeft de Kamer beslissingen genomen die door de Senaat werden gevolgd. Daardoor kregen bepaalde categorieën personeelsleden een loonsverhoging. Deze beslissingen werden uitgevoerd in 2003 en doorgetrokken in 2004. Natuurlijk heeft dat een aanzienlijke meerkost tot gevolg gehad.

Ik kom nu bij de begroting voor 2005. Ze wordt gekenmerkt door een belangrijke nieuwe wind die in de Senaat waait, zowel in de Quaestuur als bij de griffier, de directeur-generaal en de ploeg die instaat voor de boekhouding. Zoals ik daarnet al zei, behoort het tot de hoofddoelstellingen te kijken waar er kan worden gesaneerd en de senatoren bij hun gewone en specifieke opdrachten te responsabiliseren. De wetgevende assemblees moeten al in de maand juni de dotatie voor het volgende jaar aanvragen. Voor de Senaat en voor de financiering van de politieke partijen werd er een bedrag van respectievelijk 63,032 miljoen en 8,350 miljoen euro aangevraagd. In de rijksmiddelenbegroting werd er voor de Senaat een bedrag ingeschreven van 57,613 miljoen euro. Dit werd na aanvraag tot rectificatie opgetrokken tot 61,5 miljoen euro. Ik wil speciaal onderstrepen dat ongeveer 90% van de geplande uitgaven betrekking hebben op niet te reduceren kosten: personeel, senatoren, ex-senatoren, administratief personeel, medewerkers, subsidies aan de fracties, onderhoudswerken aan het gebouw. We zijn dus verplicht de bestaande reserves aan te spreken om het verschil bij te passen en de begroting te kunnen uitvoeren, hopelijk zonder al te veel onverwachte schokken.

Met mobiliteit, flexibiliteit, vorming en interne promotie van het statutair personeel - in het verleden werd dit laatste nauwelijks toegepast - zullen we zoveel mogelijk trachten tegemoet te komen aan de vele nieuwe representatieve taken die de Senaat in het raam van zijn Europese en internationale rol heeft te vervullen. Het is evenwel niet uitgesloten dat we precies om die reden toch moeten overgaan tot rekrutering van een aantal nieuwe personeelsleden.

Er kunnen moeilijk besparingen worden gedaan inzake onderhoudswerken, aangezien het Paleis der Natie een historisch gebouw is dat tot het kunstpatrimonium van ons land behoort.

Wat dus die overige 10% betreft, zal de Senaat een inspanning doen om de kosten in de mate van het mogelijke te beperken, met name door besparingen op verplaatsingen naar het buitenland.

Het College van Quaestoren ziet erop toe, via een stelselmatige budgettaire controle, dat de uitgaven niet ontsporen. Zo dingt zich vanaf 2005 een herschikking en herbenoeming op van de begrotingsposten teneinde meer duidelijkheid te geven in de kosten.

Artikel 1.1 Vergoedingen voor de Senatoren. Er werd rekening gehouden met de verdubbeling van de premie voor de verzekeringen voor gezondheidszorg.

Pensioenkas voor Senatoren. Ingevolge de stijging van het aantal eresenatoren dat aanspraak maakt op een abonnement op de Belgische spoorwegen, is een verhoging met 7.820 euro gerechtvaardigd.

Ten gevolge van de uittredingen in 2003 en 2004, moet voor 2005 in een uitgave van 1.826.000 euro worden voorzien.

De invulling van het volledige bestand van de deeltijdse universitaire medewerkers betekent een meeruitgave van 952.000 euro.

Een bedrag van 375.000 euro werd voorzien voor het personeel van het voorzitterschap.

Voor de fractievoorzitters werd een basisbedrag, bestemd voor het aanwerven van fractiepersoneel, van 50.500 euro per lid voorzien. `Niet-erkende' fracties ontvangen per lid, 75% van het bovenvermelde bedrag.

Voor sociale voordelen werd in een bedrag van 311.000 euro voorzien. Al deze bedragen leiden tot een verhoging van de uitgaven voor dit artikel met 179.000 euro. De Senaat voorziet in tal van sociale voorzieningen voor het personeel. Dat is een uitgave waar we fier mogen op zijn.

Artikel 1.2: Voor de fractiesecretariaten wordt een min-uitgave van 56.100 euro verwacht ingevolge het wegvallen van enkele aanvullende subsidies voor de niet-erkende fracties en ook de stijging van het aantal onafhankelijk zetelende senatoren.

Er is ook een verhoging van de bezoldiging van het personeel met 3.062.500 euro. Die is het gevolg van de indexaanpassing, de weddenschaalverhogingen, de loonsverhogingen, de verzekeringen, de werkgeversbijdrage, de leeftijdstoelage en de onkosten voor woon-werkverkeer. Voortaan worden de taalcursussen en de opleidingen en tegemoetkomingen in het raam van het PC-privé-project ook op deze post van de begroting ingeschreven.

Inzake kantoorbenodigdheden hebben we in 2004 een stockbeheerder aangesteld. De meeruitgave hiervoor moet in de toekomst leiden tot een min-uitgave. Daarom werd hiervoor slechts 200.000 euro uitgetrokken.

Aan het camerasysteem werd 298.360 euro uitgegeven. Dit artikel omvat alle kosten die verband houden met de leasing van het camerasysteem en met het inhuren van recorders, van personeel en van de aanschaf van cassettes.

Voor de externe communicatie werd 79.000 euro uitgetrokken, onder andere voor de publicatie van de Senaat die opnieuw tweemaal per jaar zal verschijnen.

Voor de informatie die van de buitenwereld naar de Senaat komt, onder andere Mediargus, Press Banking, wetboeken, abonnementen, enzovoorts, werd 735.000 euro uitgegeven.

Voor verlichting, verwarming en water wordt een uitgave van 350.000 euro gebudgetteerd. Het energieverbruik zal het voorwerp uitmaken van een grondige studie om te onderzoeken in welke mate naar een rationeler en duurzamer verbruik kan worden overgegaan. We sporen elke senator en elke ambtenaar aan om het licht te doven, als hij zijn kantoor verlaat en om niet het venster open te zetten maar de radiator dicht te draaien als hij het te warm krijgt.

Voor de bibliotheek van het Parlement hadden we een ernstige achterstand ten opzichte van onze verplichtingen, zodat we de uitgaven hiervoor nu hebben moeten optrekken tot 211.000 euro.

Voor werken die in 2005 worden gepland, wordt 450.000 euro uitgetrokken. We willen onze ervaring met vroeger restauratiewerk benutten om een dossier op te maken voor klassering, zodat we onze komende restauraties op een andere manier kunnen financieren. We moeten hierbij echter rekening houden met de omstandigheid dat de Senaat slechts gebruiker is van dit gebouw en dat de staat eigenaar is.

Inzake aankoop van meubilair, materieel en kunstwerken kan ik melden dat we op het ogenblik bezig zijn een inventaris op te maken. Onze voorgangers hebben schitterende werken aangekocht die het patrimonium van de Senaat enorm hebben verrijkt. We willen dit beleid voortzetten door ook werken van hedendaagse kunstenaars aan te kopen. Er zal een commissie worden samengesteld voor advies bij de aankopen van kunstwerken.

In het artikel over bilaterale relaties, protocol en public relations werd tot 2004 geen onderscheid gemaakt tussen de diverse onderdelen. Zoals reeds vermeld wordt voorgesteld dit artikel op te splitsen in `Bilaterale Relaties' en `Protocol en Public Relations'.

In `Bilaterale relaties' zijn de werkings-, colloquia- en reiskosten van de commissies, adviescomités en werkgroepen begrepen.

Daarvoor wordt jaarlijks voorzien in een bedrag van 232.500 euro. Dit bedrag werd berekend op basis van het gemiddelde van de uitgaven van de laatste 10 jaar, verhoogd met een coëfficiënt voor de levensduurte en een bedrag voor de organisatie van één colloquium.

Het is de bedoeling om vanaf de volgende regeerperiode een budgettaire enveloppe toe te kennen van 110.000 euro per commissie voor de hele duur van de regeerperiode.

De enveloppe waarover het comité I kan beschikken bedraagt 50.000 euro.

Ik had het daarnet over de responsabilisering. Welnu, de bureaus van de commissies, de commissieleden en de commissievoorzitters zullen erover moeten waken dat de kosten voor commissiereizen, voor colloquia binnen de commissie en voor de ontvangst van gasten tijdens een lunch of een receptie, de budgettaire enveloppe niet overschrijden. Als een commissie op één van die posten meer wil uitgeven, zal ze moeten besparen op een andere post. Het college van quaestoren is overeengekomen dat de commissiereizen binnen een regeerperiode beperkt worden tot één reis binnen Europa en één reis buiten Europa. We zullen er zorgvuldig over waken dat er geen fouten op dat vlak gebeuren.

De post `kosten van parlementaire delegaties' bevat zowel de uitgaven inzake ontvangsten van buitenlandse delegaties als die welke betrekking hebben op het uitzenden van Belgische delegaties naar het buitenland.

Voor `Colloquia en andere gebeurtenissen' wordt in 110.000 euro voorzien. Het betreft colloquia georganiseerd door de Senaat zelf - niet door een welbepaalde commissie. Voorbeelden daarvan zijn het colloquium over terrorisme of de Europese week.

We zullen dus een keuze moeten maken in het organiseren van colloquia. Wekelijks een colloquium organiseren kan overigens niet worden gedragen door de administratie. Via de colloquia wordt aan de Senaat meer uitstraling gegeven, maar toch zullen er keuzes moeten worden gemaakt.

Voor `Protocol en Public Relations' wordt in 359.200 euro voorzien. Dit bedrag dekt alle protocollaire plechtigheden en verplichtingen van de Senaat en van het voorzitterschap. Het is duidelijk dat ook onze voorzitter, mevrouw Lizin, wordt geresponsabiliseerd. Zij beschikt over een bepaald budget voor de werking van haar voorzitterschap.

Voor `Dienst- en huurwagens' wordt in een verhoging van 35.000 euro voorzien.

Artikel 12 betreft de `Multilaterale relaties en toelagen aan verenigingen'. Deze post willen we grondig bekijken voor 2005. Er zijn wel enkele bijzondere uitgaven; met name voor de Belgische kandidatuur voor de Interparlementaire Unie wordt in 100.000 euro voorzien; voor het Belgische Voorzitterschap van de West-Europese Unie wordt in 7.500 euro voorzien. Voor de nieuwe Euro-mediterrane parlementaire assemblee wordt in 18.000 euro voorzien. Voor het ECPRD, European Centre for Parliamentary Research and Documentation, wordt in 10.000 euro voorzien. Deze bedragen zijn gedeeltelijk overgenomen van het vorige dienstjaar.

Verwelkoming van de heer Guan Chengyuan

De voorzitter. - Ik begroet de heer Guan Chengyuan, onze scheidend ambassadeur van China, die ons een genoegen doet met zijn bezoek aan de plenaire vergadering. Wij danken hem daarvoor. (Algemeen applaus)

Dotatie van de Senaat - Uitgaven van het dienstjaar 2003, uitgavenbegroting voor het dienstjaar 2004 en begrotingsramingen voor het dienstjaar 2005

Voortzetting van de bespreking

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). - Ingevolge een verhoging van de kostprijs van de maaltijden wordt het bedrag voor het restaurant onder artikel 13 verhoogd tot 320.000 euro.

De uitgaven onder artikel 14 voor de informatica blijven stijgen. Wij moeten mee met de tijd en wij investeren in software en hardware en in het onderhoud ervan voor een globaal bedrag van 545.000 euro.

Ik maak geen opmerkingen bij de financiering van de politieke partijen. Wij zullen zien wat de toekomst ons brengt.

Ik wil heel speciaal melding maken van de parlementaire samenwerking tussen België en Congo. Het departement Ontwikkelingssamenwerking zou ons 250.000 euro toekennen om de werking van de Congolese Senaat te helpen ondersteunen.

Het document dat vandaag ter tafel werd rondgedeeld en vannacht nog per elektronische post rondgezonden, is de vrucht van het naarstige werk van onze diensten. Het document is zeer duidelijk, maar het staat u vrij alle mogelijke vragen te stellen.

Voor het jaar 2005 zal worden gewerkt met een moderner boekhoudsysteem. Het bureau zal zodoende de financiële toestand dan op geregelde tijdstippen kunnen toelichten.

Elke senator die inzage wil in de documenten, is welkom op de boekhoudkundige dienst.

Ik wil in het bijzonder het personeel van die dienst bedanken. Zij hebben onvoorstelbaar hard gewerkt en zijn nu echt wel aan vakantie toe.

Ik ben bereid op alle vragen te antwoorden en ik verzoek de Senaat om deze rekeningen, uitgavenbegroting en begrotingsraming goed te keuren, zonder evenwel het doel te vergeten dat wij hebben vooropgesteld, met name de responsabilisering. De Senaat heeft immers een voorbeeldfunctie.

De voorzitter. - Ik dank de Quaestuur voor het uitzonderlijke werk dat ze heeft verricht voor de voorstelling van deze begroting. Ik dank ook de verantwoordelijken van de administratie van de Senaat, die dat werk met grote zorgvuldigheid leiden.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - CD&V zal zich bij de bespreking van de dotatie van de Senaat kritisch, maar constructief opstellen. We zijn gematigd positief over de begroting 2005 omdat er stapsgewijs rekening wordt gehouden met onze kritische opmerking bij de begroting 2004. De uitgebreide toelichting van de voorzitter van de Quaestuur bewijst dat het de goede richting uitgaat. We wachten wel nog op de eindafrekening van 2004, die nog niet volledig klaar is.

Voorts heb ik nog twee bedenkingen; de eerste betreft de vorm en de tweede de inhoud.

CD&V heeft een vormelijke bedenking bij de begroting voor 2005. Wij zijn van oordeel dat de vorm waarin de huidige begroting wordt gepresenteerd, niet beantwoordt aan wat van een instelling zoals de Senaat kan worden verwacht. Wij vragen een begroting die volgens de hedendaagse boekhoudkundige normen wordt opgesteld en een publicatie van die begroting. Er moet in de boekhouding een duidelijk en gedetailleerd overzicht gegeven worden van de roerende activa en de passiva, van de reserves en de toekomstige verplichtingen. Ook de cashflow moet worden toegelicht. We vragen dan ook een fundamentele bijsturing van de opmaak van de begroting en we zullen de begroting 2006 aan deze vormvereisten toetsen alvorens ze goed te keuren. Ik heb begrepen dat de Quaestuur een aantal engagementen in die zin heeft genomen. We zullen dat in de komende maanden op de voet volgen.

We hebben ook een inhoudelijke bedenking bij de begroting 2005. We pleiten voor een verantwoord en spaarzaam omgaan met de beschikbare middelen.

De meerderheid in de Senaat stelt een uitgavengroei voor van 10,7%. In 1997 en 1998 daalden de uitgaven; in 1999, een verkiezingsjaar, was er een toename met minder dan 2%. Die cijfers staan in schril contrast met de periode nadien. In 2001 stegen de uitgaven met meer dan 5%, in 2003 met meer dan 7% en nu dus met bijna 11%.

Dat er in 2005 een groei van de dotatie moest zijn ten opzichte van 2004 is bijna logisch, gelet op de bijna nulgroei van vorig jaar en de noodzakelijke inspanning voor de lonen van het personeel. Toch vraag ik de Quaestuur ons hierover een gedetailleerde verklaring te bezorgen. De uitgebreide toelichting van mevrouw Leduc komt daar al voor een deel aan tegemoet.

De CD&V-Senaatsfractie vindt een verhoging van de dotatie voor 2005 verdedigbaar als aan strikte voorwaarden wordt voldaan. Ik noem er enkele.

We pleiten, ten eerste, voor een meer strategische benadering van de uitgaven. Zo moet er een echt patrimoniumbeleid worden gevoerd. Het beheer van het gebouw moet een voorbeeld zijn en voldoen aan alle eisen van de regelgeving voor monumenten en landschappen. Het gebouw zelf zou niet geklasseerd zijn. Het zou een goede zaak zijn om ten minste een deel van het gebouw te laten klasseren en voor de renovatie en het onderhoud van het gebouw de regels van de diensten voor monumenten en landschappen te volgen en aan de hoge kwaliteitseisen van die dienst te voldoen. Het verdient aanbeveling een ambtenaar van de Senaat als conservator aan te stellen en een objectieve commissie advies te laten verstrekken bij de selectie en aankoop van kunstwerken.

Er moet, ten tweede, een proactief en eigentijds personeels- en communicatiebeleid worden gevoerd met een perspectief over meerdere jaren. Ik ga daar vandaag niet verder op in. Wij dringen vooral aan op een meerjarenplan en op het strategisch inzetten van mensen. We moeten goed nadenken over de manier waarop wij onze instelling, in termen van human resources en communicatie, kunnen versterken.

Ten slotte zal de Senaat, veel meer dan tot nu toe het geval is, een platform kunnen zijn om de kloof tussen de burgers en de politiek te dichten en de democratie te versterken. Dat is overigens een van de redenen waarom de CD&V-fractie haar steun heeft verleend aan de Europese week. De wetgevende macht moet haar functies kunnen versterken en moet over de nodige middelen kunnen beschikken om die functies te vervullen. Dat moet gebeuren op basis van een strategische aanpak die in het Bureau van de Senaat is besproken en goedgekeurd en die aan de plenaire vergadering is voorgelegd.

CD&V pleit voor de integratie van het debat over de dotatie van de Senaat in het debat over de rol en de noodzakelijke middelen van een eigentijdse assemblee met het oog op het versterken van de parlementaire democratie.

De heer Jean-Marie Happart (PS). - Ik zal zoals gewoonlijk zeer kort zijn, maar ik wil de voorzitster van de Quaestuur bedanken voor haar verslag en de nieuwe ploeg feliciteren. Ik feliciteer ook het personeel, dat steeds ten dienste staat van de senatoren.

Ik ben sinds enige jaren senator en zie een positieve evolutie. Toen ik quaestor was, wou ik steeds ten dienste staan van de senatoren en van het personeel dat hen bij hun taak helpt. Ik zou graag hebben dat die houding blijft bestaan. Als vertegenwoordigers van het volk moeten de senatoren over werkingsmiddelen beschikken die in overeenstemming zijn met hun opdracht.

Ik wil ook onderstrepen dat ons land op het vlak van vergoedingen de dertiende plaats innam in het Europa van de Vijftien, net voor Griekenland en Ierland. Alle andere landen kenden hun parlementsleden heel wat hogere vergoedingen en een bredere ondersteuning toe. Ze zijn misschien niet efficiënter, maar hun middelen zijn in ieder geval veel omvangrijker.

Ik pleit ervoor dat we de gekozen weg verder volgen. De senatoren moeten steeds meer werk verrichten. Ons gemoderniseerd ambt vergt een betere uitrusting.

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). - De opmerkingen van mevrouw de Bethune zijn een weergave van de afspraken die de Quaestuur reeds heeft gemaakt. Wij willen een transparant beleid voeren en ons geleidelijk aanpassen aan de moderne boekhouding die dit huis nodig heeft. De Senaat kan op ons rekenen, maar wij rekenen ook op de leden voor de responsabilisering.

-De bespreking is gesloten.

-Over de dotatie van de Senaat wordt later gestemd.

Wetsontwerp houdende instemming met de volgende Internationale Akten:
1º Aanvullende Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Franse Republiek betreffende de gezamenlijke uitvoering van een programma voor de observatie van de aarde, en Bijlage, ondertekend te Parijs op 13 november 1984;
2º Aanvullende Overeenkomst nr. 2 tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Franse Republiek betreffende de gezamenlijke uitvoering van een programma voor de observatie van de aarde, en Bijlage, ondertekend te Parijs op 23 oktober 1991;
3º Aanvullende Overeenkomst nr. 3 tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Franse Republiek betreffende de gezamenlijke uitvoering van een programma voor de observatie van de aarde, en Bijlage, ondertekend te Parijs op 20 december 1994;
4º Aanvullende Overeenkomst nr. 4 tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Franse Republiek betreffende de gezamenlijke uitvoering van een programma voor de observatie van de aarde, en Bijlagen, ondertekend te Parijs op 9 januari 1996 (Stuk 3-401)

Algemene bespreking

De heer François Roelants du Vivier (MR), rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.

De voorzitter. - ... dat positief is.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Hoe kan een verslag nu positief of negatief zijn? Het is de weergave van de werkzaamheden en dus absoluut neutraal.

De heer François Roelants du Vivier (MR). - Het verslag is inderdaad absoluut neutraal, maar in de conclusies wordt onze assemblee aangeraden om een positieve stem uit te brengen, iets wat de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen al heeft gedaan.

Ik wou de behandeling van dit verdrag en van de volgende eens te meer aangrijpen om de regering te wijzen op de achterstand die ons land heeft opgelopen bij de ratificatie van de internationale verdragen.

Ik weet dat de heren Michel en De Gucht allebei geprobeerd hebben om die achterstand weg te werken. Dat neemt niet weg dat we met gezwinde pas moeten voortwerken aan de ratificatie van nog nagenoeg driehonderd verdragen! Elk jaar ondertekent ons land gemiddeld vijfenzeventig verdragen; wij zouden bijvoorbeeld in 2005 eens een uitzonderlijke inspanning kunnen doen, anders geraakt de achterstand nooit weggewerkt.

Het is belangrijk dat onze assemblee de verdragen die de regering heeft getekend, rustig en tijdig kan bespreken. Ik wens niet systematisch internationale overeenkomsten en verdragen te moeten bespreken die de regering soms tot twintig of meer jaren geleden heeft getekend.

Wij moeten echt een inhaalbeweging inzetten. De Senaatscommissie voor de Buitenlandse Betrekkingen heeft gepland om volgend jaar een hele dag per maand uit te trekken voor de bespreking van de te ratificeren verdragen. Wij moeten dat tempo aanhouden, als wij de inhaalbeweging met succes willen bekronen.

(Voorzitter: de heer Hugo Vandenberghe, ondervoorzitter.)

Het is van belang dat de regering ons hierbij steunt. Via de geratificeerde verdragen doen wij immers afstand van een deel van onze soevereiniteit aan de internationale rechtsorde. Het is dus van wezenlijk belang dat wij ons daarover tijdig uitspreken en niet pas tien of vijftien jaar na de ondertekening, want anders dreigt het gevaar dat we niet meer weten waarom dit of dat verdrag werd gesloten.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 3-401/1.)

-De artikelen 1 tot 5 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken, ondertekend te Brussel op 7 juli 1997 (Stuk 3-767)

Algemene bespreking

De voorzitter. - Mevrouw Laloy verwijst naar haar schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 3-767/1.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsontwerp houdende instemming met het Internationaal Verdrag inzake Plantgenetische Hulpbronnen voor Voeding en Landbouw, en met de Bijlagen I en II, gedaan te Rome op 6 juni 2002 (Stuk 3-768)

Algemene bespreking

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT), rapporteur. - Het is een klassiek verschijnsel. In de weken voor de Kerstvakantie moeten we ons door een massa teksten worstelen en ettelijke wetsontwerpen en -voorstellen goedkeuren. Het gevaar bestaat dat echt belangrijke teksten niet de aandacht krijgen die ze verdienen. Dat geldt onder meer voor het onderhavige wetsontwerp.

Het doel van dit verdrag is niets minder dan de bescherming van belangrijke voedingsmiddelen en veevoeders in het belang van de wereldvoedselzekerheid. Het beheer en het duurzaam gebruik van plantgenetisch materiaal voor voedsel en landbouw en een billijke verdeling van de voordelen bij het gebruik ervan staan centraal.

Hiertoe voorziet het verdrag in een multilateraal systeem dat de toegang vergemakkelijkt tot 66 gewassen die essentieel zijn voor de voedselzekerheid. Voorts bevordert het de uitwisseling van informatie en technologieën met ontwikkelingslanden.

Het verdrag zal van kracht worden op de 90e dag na de ratificatie door veertig partijen. De goedkeuring van dit verdrag biedt ons land de kans actief te blijven meewerken aan de uitwerking van een internationaal beleid inzake het gebruik van hulpbronnen waarvan duurzame landbouw en wereldvoedselzekerheid afhankelijk zijn. Meteen draagt het ook bij tot de realisatie van het verdrag van Rome van 2001 inzake de biologische diversiteit.

Het ontwerp werd door de negen aanwezige leden unaniem goedgekeurd.

Tot daar het verslag.

Persoonlijk wil ik eraan toevoegen dat meerdere collega's tijdens de bespreking van het ontwerp pertinente vragen hebben gesteld. Tot nu toe werd daarop niet geantwoord. Dat betreur ik. Toch nodig ik de Senaat uit het verdrag met overtuiging goed te keuren.

Ik dank de commissievoorzitter en de collega's voor de vlotte samenwerking en de diensten voor hun inzet.

De heer Philippe Mahoux (PS). - In het uitstekende verslag van mevrouw De Roeck staat dat de vertegenwoordigster van de regering twee keer geantwoord heeft dat ze inlichtingen ging inwinnen. Ik zou het op prijs stellen dat de vertegenwoordigster van de regering ons inlicht zodra ze die inlichtingen heeft gekregen. Ik heb geen bezwaar tegen de tekst maar ik wens dat de vertegenwoordigster van de minister van Buitenlandse Zaken ons zeer spoedig de antwoorden op de twee gestelde vragen meedeelt.

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik beschik niet over die antwoorden maar ik zal er navraag naar doen. Ze zijn inmiddels ongetwijfeld beschikbaar. Ik zal ze zo vlug mogelijk meedelen.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 3-768/1.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst inzake de voorrechten en immuniteiten van het Internationaal Strafgerechtshof, gedaan te New York op 9 september 2002 (Stuk 3-821)

Algemene bespreking

De heer Christian Brotcorne (CDH), rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 3-821/1.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsontwerp houdende instemming met de volgende Internationale Akten:
1º Overeenkomst, door de Raad vastgesteld overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie, gedaan te Brussel op 29 mei 2000;
2º Protocol vastgesteld door de Raad overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie, gedaan te Luxemburg op 16 oktober 2001 (Stuk 3-852)

Algemene bespreking

De voorzitter. - De heer Lionel Vandenberghe verwijst naar zijn schriftelijk verslag.

Ik heb er in het Bureau op gewezen dat de commissie voor de Justitie bij dergelijke akten dient te worden betrokken. De communautaire rechtsorde is geen `buitenlandse zaak'. Ze vormt een deel van onze interne rechtsorde. In dit geval betreft het bepalingen die verband houden met het Wetboek van Strafvordering. Het gaat om materieel strafrecht en niet om een internationaal verdrag. In de toekomst moet naar een goede formule worden gezocht. De kaderbesluiten gaan trouwens reeds naar de commissie voor de Justitie. Een verdrag met dezelfde inhoud gaat echter naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen, terwijl de draagwijdte vergelijkbaar is.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik ben het volledig eens met de voorzitter van de commissie voor de Justitie. We moeten alle wetsontwerpen over verdragen blijven verzenden aan de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen. Maar over alle vragen die betrekking hebben op bepalingen van het strafrecht moet de commissie voor de Justitie worden geraadpleegd.

De heer François Roelants du Vivier (MR). - Zoals de voorzitter zei, is het inderdaad nuttig en gepast om al die akten voortaan voor advies voor te leggen aan de commissie voor de Justitie, waarna de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen definitief beslist.

Het lijkt me inderdaad zeer nuttig dat de commissie voor de Justitie advies kan geven over de internationale akten die de voorzitter van de commissie voor de Justitie heeft genoemd.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 3-852/1.)

-De artikelen 1 tot 3 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsontwerp houdende instemming met de volgende Internationale Akten:
1º Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de zeevaart,
2º Protocol tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van vaste platforms op het continentale plat,
gedaan te Rome op 10 maart 1988 (Stuk 3-920)

Algemene bespreking

De voorzitter. - De heer Chevalier verwijst naar zijn schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 3-920/1.)

-De artikelen 1 tot 3 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko betreffende uitlevering, ondertekend te Brussel op 7 juli 1997 (Stuk 3-928)

Algemene bespreking

De voorzitter. - De heer Wille verwijst naar zijn schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 3-928/1.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsontwerp houdende instemming met het Protocol opgesteld op grond van artikel 43, lid 1, van de Overeenkomst tot oprichting van een Europese Politiedienst (Europol-Overeenkomst), tot wijziging van artikel 2 en de Bijlage bij die Overeenkomst, gedaan te Brussel op 30 november 2000 (Stuk 3-929)

Algemene bespreking

De voorzitter. - De heer Galand verwijst naar zijn schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 3-929/1.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsontwerp houdende instemming met het Protocol tot wijziging van de Overeenkomst tot oprichting van een Europese Politiedienst (Europol-Overeenkomst) en het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van Europol, de leden van zijn organen, zijn adjunct-directeuren en zijn personeelsleden, gedaan te Brussel op 28 november 2002 (Stuk 3-930)

Algemene bespreking

De voorzitter. - De heer Nimmegeers verwijst naar zijn schriftelijk verslag.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Snel en efficiënt: zo zou de huidige regering voortaan regeren. Ik zou menig voorbeeld kunnen aanhalen om het tegendeel te bewijzen, maar ik beperk me tot voorliggend ontwerp.

De CD&V-fractie is uiteraard niet gekant tegen een uitbreiding van de bevoegdheden van Europol in de strijd tegen het terrorisme. Dit ontwerp moet dan ook gezien worden als een uitvloeisel van de vreselijke aanslagen in Madrid op 11 maart jongstleden. Op de Europese Raad van 25 maart werden dan ook onder Iers voorzitterschap maatregelen goedgekeurd met het oog op de bestrijding van het terrorisme en de verbetering van de justitiële samenwerking. De Raad heeft er toen bij alle lidstaten op aangedrongen alle maatregelen daartoe onverkort te nemen. Bovendien drong de Europese Raad erop aan voorliggend protocol, dat dateert van 2002, uiterlijk in december 2004 te bekrachtigen..

Snel en efficiënt: opnieuw slaagt de regering erin de slechte leerling te zijn op internationaal vlak, want het ontwerp kan niet meer vóór 31 december in de Kamer worden goedgekeurd.

Opnieuw voegt de regering de daad niet bij het woord. Heeft onze eerste minister immers niet aangekondigd dat op de Europese Raad een reeks beslissingen waren genomen die we onverkort en onverwijld zouden uitvoeren? In een speech in Nederland, enkele dagen na de gruwelijke aanslagen in Madrid, verklaarde de eerste minister: "Ze dwingen ons om haarscherp te focussen op de eerste uitdaging van de komende jaren: de strijd tegen de terreur". Toch slaagt de regering er niet in het wettelijk kader conform de gemaakte afspraken tijdig aan het Parlement voor te leggen.

De regering is op dit vlak zeker niet aan haar proefstuk toe. Zo was ze het administratief en financieel protocol bij de ACP-EU-partnerovereenkomst van Cotonou in 2002 vergeten, waardoor deze overeenkomst niet op de afgesproken datum van 1 januari 2003 in werking kon treden. Door deze vergetelheid moest de Europese Unie met heel wat kunst- en vliegwerk overbruggingskredieten zoeken tot 1 april 2003, in de hoop dat België als laatste zo vriendelijk zou willen zijn de beide protocollen goed te keuren.

De CD&V-fractie zal voorliggend ontwerp uiteraard goedkeuren, maar betreurt ten zeerste dat de regering zo lang heeft getalmd om het voor te leggen. Om de vele onschuldige slachtoffers van Madrid kunnen we enkel nog treuren, maar we kunnen wel trachten te voorkomen dat in de toekomst nog meer slachtoffers vallen, op voorwaarde uiteraard dat de regering de daartoe gemaakte afspraken nakomt. Die ijver is vandaag in ieder geval niet aanwezig.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 3-930/1.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag tussen het Koninkrijk België, het Koninkrijk der Nederlanden en het Groothertogdom Luxemburg inzake grensoverschrijdend politieel optreden, en met de Bijlagen, gedaan te Luxemburg op 8 juni 2004 (Stuk 3-931)

Algemene bespreking

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V), rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 3-931/1.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsvoorstel tot wijziging van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, met het oog op de invoering van de mogelijkheid een sticker aan te brengen op verkeerd geparkeerde voertuigen (van de heer Christian Brotcorne, Stuk 3-684)

Algemene bespreking

De voorzitter. - De heer Galand verwijst naar zijn schriftelijk verslag. De commissie stelt de verwerping van de sticker op fout geparkeerde wagens voor.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Ik leg me neer bij het oordeel van de commissie.

-De algemene bespreking is gesloten.

-De stemming over de conclusie van de commissie heeft later plaats.

Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 met het oog op de invoering van een fiscale regeling, «tante-Agaathregeling» genaamd, ten voordele van beginnende ondernemers (van de heer René Thissen, Stuk 3-653)

Algemene bespreking

De voorzitter. - De heer Schouppe verwijst naar zijn schriftelijk verslag.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - De tante-Agaathlening, zoals ze in Nederland wordt genoemd, of tante-Julialening of suikertantelening heeft als doel het ondernemerschap van onderuit te bevorderen. Het systeem komt vooral de startende zelfstandige ondernemer tegemoet die met een minimum aan kapitaal een zaak wil beginnen. Hij krijgt gemakkelijker leningen bij vrienden en familie die in zijn project geloven. Bovendien is de kans groot dat de startende onderneming een lening krijgt tegen een lager tarief dan dat op de markt.

De essentie van het wetsvoorstel is dat de overheid vrienden en familie van een startende ondernemer stimuleert om een minimum aan kapitaal ter beschikking te stellen. De stimulans van de overheid bestaat uit een dubbele fiscaal gunstige behandeling. Het familielid of de vriend die geld ter beschikking stelt en in ruil daarvoor rente ontvangt, dient geen roerende belasting op die rente te betalen. Daarnaast kan de vriend of het familielid een deel van het kapitaal van de belastbare som aftrekken mocht hij het ter beschikking gestelde kapitaal nooit meer terugkrijgen, bijvoorbeeld wegens faillissement. Tijdens de vorige legislatuur heb ik een gelijkaardig wetsvoorstel ingediend. Vandaar mijn grote interesse in het voorliggend voorstel.

In Nederland is er reeds vele jaren een gelijkaardige regeling van kracht. In enkele jaren tijd is de tante-Agaathregeling voor een aanzienlijk aantal zelfstandige ondernemers een bijkomende financieringsbron geworden.

Kleine en middelgrote ondernemingen ondervinden moeilijkheden bij het vinden van kapitaal. KMO-leiders voelen terecht aan dat zij enerzijds moeilijk krediet kunnen krijgen en anderzijds dat het krediet duurder wordt of gepaard gaat met dermate zware waarborgverplichtingen dat het in feite onhaalbaar wordt.

Verschillende studies, organisaties en vooraanstaande figuren erkennen dit prangende probleem. Professor Hans Crijns die het Centrum voor Ondernemerschap van de Vlerick Management School leidt, pleit onomwonden voor een vriendenlening. Ook vanuit de ondernemerswereld en hun belangenorganisaties is dezelfde verzuchting te horen. Het Europees Observatorium voor KMO's bevestigt dat de ondernemers toegang tot de financiering vermelden als één van de drie grootste beperkingen die wegen op de ontwikkeling van de KMO's. Ook UNIZO is reeds lang vragende partij voor een dergelijke suikertantelening. Een enquête van UNIZO bij zelfstandige ondernemers wees uit dat de ondernemers vragende partij zijn voor een systeem van een vriendenlening. Vanuit de overheid is een gelijkaardige eis te horen. De Hoge Raad voor Financiën heeft in zijn rapport over de hervorming van de vennootschapsbelasting benadrukt dat de structuur van het aandeelhouderschap en de kleinschaligheid van de KMO's gevolgen hebben voor de kosten inzake de toegang tot kapitaal. Dat er meer mogelijkheden tot alternatieve externe financiering voor KMO's moeten komen, was tevens het besluit van de parlementaire werkgroep Toegang van de KMO's tot bankkrediet en de beursmarkten, ook de werkgroep genoemd naar wijlen Aimé Desimpel. De liberale fracties in het parlement hadden in december 2001 al gesteld dat op deze weg moest worden verdergegaan.

Maar ook individuele ministers pleiten onomwonden voor een vriendenlening. Minister Patrick Dewael verklaarde als toenmalig Vlaams minister-president gewonnen te zijn voor dergelijke fiscaal gunstige vriendenleningen. Hij verwees daarbij uitdrukkelijk naar Nederland. In de jongste beleidsnota van minister Reynders van november 2004 lezen we: "Tevens zal worden gezocht naar een vereenvoudiging van het huidige systeem van investeringsreserve en naar nieuwe mogelijkheden voor particulieren om kapitaal te beleggen in KMO's die genieten van het verlaagd tarief en die volledig in handen zijn van natuurlijke personen."

Dat dit interessante voorstel in de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden niet is goedgekeurd, is onbegrijpelijk. Het is een gemiste kans om het ondernemerschap en de werkgelegenheid te stimuleren. De regering roept voortdurend dat extra maatregelen nodig zijn om het ondernemerschap te stimuleren. Het voorstel van de tante-Agaathlening bestaat al jaren. Iedere maand uitstel betekent dat steeds meer starters geen kapitaal vinden en jonge bedrijven geen groeikansen krijgen en dus ook niet voor bijkomende werkgelegenheid kunnen zorgen.

Ik hoop dat al diegenen in deze plenaire vergadering die het ondernemerschap en de werkgelegenheid in België een duw in de rug willen geven, het wetsvoorstel alsnog zullen steunen door niet akkoord te gaan met het voorstel van de commissie tot verwerping ervan.

(Voorzitter: mevrouw Anne-Marie Lizin.)

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Het voorstel van CDH is gebaseerd op een dubbele vaststelling.

Enerzijds is iedereen het erover eens dat de economische ontwikkeling in grote mate wordt bepaald door de rol van de KMO's, zowel in de industriële structuur als op het vlak van de tewerkstelling.

Met de tweede vaststelling is misschien niet iedereen het eens, maar ze is alleszins even bekend. Jonge ondernemers hebben het moeilijk om een bedrijf of een nieuwe structuur te financieren. Dit zijn geen nieuwe gegevens want de werkgroep, voorgezeten door Eric André, had zich reeds gebogen over het probleem van de toegang van KMO's tot het bankkrediet en meer in het bijzonder het fenomeen van de credit crunch.

Volgens de Belgische Vereniging van Banken is er geen kredietschaarste, maar ze erkent dat KMO's en beginnende ondernemingen moeilijker krediet kunnen krijgen.

Het is uitermate ingewikkeld om krediet te krijgen voor de oprichting van een onderneming. Voor een zelfstandige handelaar of iemand die een onderneming opricht, bieden risicokapitaal of een beursgang natuurlijk geen oplossing.

De bankier is meestal de enige persoon die voor het nodige kapitaal kan zorgen. Kredieten worden vaak geweigerd omdat de geëiste waarborgen steeds groter worden en omdat de kredietaanvragen al te vaak worden beoordeeld op basis van jaarrekeningen die totaal vreemd zijn aan de manier waarop een KMO functioneert.

De vorige spreker heeft erop gewezen dat het niet logisch is de KMO's te loven voor hun bijdrage tot de economische ontwikkeling, als men het hun tegelijkertijd zo moeilijk mogelijk maakt om de middelen te vinden waarmee ze hun onderneming kunnen uitbouwen of opstarten.

Naast de problemen bij de oprichting van de onderneming, zijn er ook de groeiproblemen. De groei is blijkbaar een moeilijke fase, zowel op het vlak van de organisatie als van de financiering. Een KMO die competitief wil blijven, moet investeren en om te kunnen investeren, is er kapitaal nodig. Op die manier komen ondernemingen in een vicieuze cirkel terecht.

Ingevolge de beslissingen van de ministerraad van Gembloux werd er een werkgroep `KMO' opgericht. Men had gehoopt dat de organisaties van werkgevers, financiers, banken en verzekeringsinstellingen, en bedrijfsrevisoren, boekhouders en fiscalisten concrete voorstellen zouden doen om de toegang tot het bankkrediet te vergemakkelijken.

We beschikken nog niet over de resultaten van de werkgroep, maar wat de voorstellen of de ideeën van die werkgroep ook mogen zijn, het blijft een feit dat familieleden en verwanten voor jonge ondernemers de belangrijkste financieringsbron vormen.

Men moet weten dat 80% van de middelen die worden ingezameld voor de oprichting van een onderneming, afkomstig zijn van familieleden en verwanten van de oprichter. De financiering door familie, verwanten en vrienden is dus belangrijker dan de financiering via banken of risicofondsen.

Campagnes die gericht zijn op het aanwakkeren van de ondernemingszin hebben geen zin zolang er niet wordt voorzien in stimulansen om jonge ondernemers aan de nodige middelen te helpen.

De Belgische wetgeving heeft nood aan een `tante-Agaathregeling', zoals ze in Nederland wordt genoemd, een regeling die de alternatieve financiering door familieleden of verwanten stimuleert. Bij ons zouden we er een `tante-Juliaregeling' van kunnen maken, zodat de jonge ondernemer de oorsprong van zijn middelen blijft onthouden.

Het mechanisme werd in 1996 ingevoerd om privé spaarders aan te moedigen hun spaargeld aan te wenden voor de oprichting of de uitbouw van een KMO. Het systeem is niet alleen fiscaal voordelig, het heeft bovendien het voordeel dat er weinig voorwaarden aan verbonden zijn voor de beginnende ondernemer en dat het de risico's beperkt voor de persoon die het geld ter beschikking stelt.

De minister van Financiën verklaarde in zijn algemene beleidsnota van 18 november jongstleden dat zal worden gezocht naar "nieuwe mogelijkheden voor particulieren om kapitaal te beleggen in KMO's die genieten van het verlaagd tarief en die volledig in handen zijn van natuurlijke personen".

Hoewel het huidige voorstel tot invoering van de `tante-Agaathregeling' ten voordele van beginnende ondernemers volledig in die logica past, werd het door de commissie voor de Financiën verworpen.

De `tante-Agaathregeling' kan onmogelijk alle moeilijkheden van de KMO's inzake de toegang tot de financiering oplossen, maar de ondernemingswereld hoopt in elk geval op de verdere verspreiding van het mechanisme. Daarom betreuren we de houding van onze commissie. Ik hoop, tegen beter weten in, dat de plenaire vergadering dat standpunt alsnog zal herzien.

De heer Berni Collas (MR). - Ik geef toe dat ik in de commissie sympathie heb getoond voor dit parlementair initiatief. Alle maatregelen ter bevordering van de groei en de ontwikkeling van de KMO's boeien mij. Ik heb er evenwel op gelezen dat het probleem niet zozeer bij de leningen ligt, maar bij het gebrek aan eigen middelen, die in een gezonde onderneming 20% moeten bedragen. Bovendien functioneren de eigen middelen als hefboom voor het bankkrediet.

De huidige regering heeft al veel gerealiseerd. Ik denk aan de vennootschapsbelasting, de aanslagvoet, de herinvestering van winsten en reservefondsen en de fiscale regeling ervan. Ik aanvaard dus niet dat van de regering of de minister van Financiën wordt beweerd dat ze alleen maar beloften doen. Integendeel, er is vooruitgang en er werden concrete maatregelen genomen.

Mevrouw Joëlle Kapompolé (PS). - De meerderheid van onze fractie zal tegen dit wetsvoorstel stemmen. De regering heeft in de commissie gewezen op de budgettaire risico's die het systeem inhoudt. Een van onze leden zal zich evenwel onthouden om te wijzen op het probleem van de chronische onderfinanciering van de KMO's.

-De algemene bespreking is gesloten.

-De stemming over de conclusie van de commissie heeft later plaats.

Stemmingen

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek in verband met de bemiddeling (Stuk 3-781) (Evocatieprocedure)

Stemming 1

Aanwezig: 52
Voor: 52
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het werd geamendeerd en zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

-De goedkeuring van het wetsontwerp impliceert dat volgende wetsvoorstellen vervallen:

Dotatie van de Senaat - Uitgaven van het dienstjaar 2003, uitgavenbegroting voor het dienstjaar 2004 en begrotingsramingen voor het dienstjaar 2005

De heer Jurgen Ceder (VL. BELANG). - We zullen ons bij deze stemming onthouden omdat er in 2004 enkele dubieuze uitgaven zijn gedaan. Ik wens ook te benadrukken dat niet wij met dit dossier naar de pers zijn gegaan.

We betreuren dat de uitgaven voor 2005 met 10% zullen stijgen. Ik begrijp dat die stijging voor een deel voortvloeit uit een overname van 2004, maar een stijging met 10% over twee jaar is toch te veel.

De voorzitter. - In mijn eigen naam en in naam van heel wat leden van deze assemblee wil ik mevrouw Leduc en de twee nieuwe leden van het college van quaestoren nogmaals feliciteren.

(Applaus)

Stemming 2

Aanwezig: 54
Voor: 45
Tegen: 0
Onthoudingen: 9

-De dotatie van de Senaat is aangenomen.

Wetsontwerp houdende instemming met de volgende Internationale Akten:
1º Aanvullende Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Franse Republiek betreffende de gezamenlijke uitvoering van een programma voor de observatie van de aarde, en Bijlage, ondertekend te Parijs op 13 november 1984;
2º Aanvullende Overeenkomst nr. 2 tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Franse Republiek betreffende de gezamenlijke uitvoering van een programma voor de observatie van de aarde, en Bijlage, ondertekend te Parijs op 23 oktober 1991;
3º Aanvullende Overeenkomst nr. 3 tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Franse Republiek betreffende de gezamenlijke uitvoering van een programma voor de observatie van de aarde, en Bijlage, ondertekend te Parijs op 20 december 1994;
4º Aanvullende Overeenkomst nr. 4 tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Franse Republiek betreffende de gezamenlijke uitvoering van een programma voor de observatie van de aarde, en Bijlagen, ondertekend te Parijs op 9 januari 1996 (Stuk 3-401)

Stemming 3

Aanwezig: 54
Voor: 54
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken, ondertekend te Brussel op 7 juli 1997 (Stuk 3-767)

Stemming 4

Aanwezig: 54
Voor: 54
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Internationaal Verdrag inzake Plantgenetische Hulpbronnen voor Voeding en Landbouw, en met de Bijlagen I en II, gedaan te Rome op 6 juni 2002 (Stuk 3-768)

Stemming 5

Aanwezig: 52
Voor: 52
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst inzake de voorrechten en immuniteiten van het Internationaal Strafgerechtshof, gedaan te New York op 9 september 2002 (Stuk 3-821)

Stemming 6

Aanwezig: 54
Voor: 54
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de volgende Internationale Akten:
1º Overeenkomst, door de Raad vastgesteld overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie, gedaan te Brussel op 29 mei 2000;
2º Protocol vastgesteld door de Raad overeenkomstig artikel 34 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie, gedaan te Luxemburg op 16 oktober 2001 (Stuk 3-852)

Stemming 7

Aanwezig: 55
Voor: 55
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de volgende Internationale Akten:
1º Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de zeevaart,
2º Protocol tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van vaste platforms op het continentale plat,
gedaan te Rome op 10 maart 1988 (Stuk 3-920)

Stemming 8

Aanwezig: 55
Voor: 55
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko betreffende uitlevering, ondertekend te Brussel op 7 juli 1997 (Stuk 3-928)

Stemming 9

Aanwezig: 52
Voor: 52
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Protocol opgesteld op grond van artikel 43, lid 1, van de Overeenkomst tot oprichting van een Europese Politiedienst (Europol-Overeenkomst), tot wijziging van artikel 2 en de Bijlage bij die Overeenkomst, gedaan te Brussel op 30 november 2000 (Stuk 3-929)

Stemming 10

Aanwezig: 55
Voor: 55
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Protocol tot wijziging van de Overeenkomst tot oprichting van een Europese Politiedienst (Europol-Overeenkomst) en het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van Europol, de leden van zijn organen, zijn adjunct-directeuren en zijn personeelsleden, gedaan te Brussel op 28 november 2002 (Stuk 3-930)

Stemming 11

Aanwezig: 55
Voor: 55
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag tussen het Koninkrijk België, het Koninkrijk der Nederlanden en het Groothertogdom Luxemburg inzake grensoverschrijdend politieel optreden, en met de Bijlagen, gedaan te Luxemburg op 8 juni 2004 (Stuk 3-931)

Stemming 12

Aanwezig: 54
Voor: 54
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 met het oog op de invoering van een fiscale regeling, «tante-Agaathregeling» genaamd, ten voordele van beginnende ondernemers (van de heer René Thissen, Stuk 3-653)

De voorzitter. - Wij stemmen over de conclusie van de commissie die voorstelt dit wetsvoorstel te verwerpen.

Stemming 13

Aanwezig: 55
Voor: 34
Tegen: 18
Onthoudingen: 3

De heer François Roelants du Vivier (MR). - Ik heb mij vergist. Ik wou ja stemmen.

-De conclusie is aangenomen.

-Bijgevolg is het wetsvoorstel verworpen.

Wetsvoorstel tot wijziging van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, met het oog op de invoering van de mogelijkheid een sticker aan te brengen op verkeerd geparkeerde voertuigen (van de heer Christian Brotcorne, Stuk 3-684)

De voorzitter. - Wij stemmen over de conclusie van de commissie die voorstelt dit wetsvoorstel te verwerpen.

Stemming 14

Aanwezig: 55
Voor: 38
Tegen: 3
Onthoudingen: 14

-De conclusie is aangenomen.

-Bijgevolg is het wetsvoorstel verworpen.

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Buitenlandse Zaken over «preventieve diplomatie en conflictpreventie» (nr. 3-496)

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt namens de heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - De budgetlijn voor conflictpreventie, vredesopbouw en mensenrechten van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken komt sinds deze regeerperiode volledig toe aan de minister van Buitenlandse Zaken.

Welke concrete beleidsmaatregelen en acties heeft de minister in 2004 genomen in het kader van preventieve diplomatie, conflictpreventie, vredesopbouw en mensenrechten? Wat was het budget voor 2004? Kan minister het budget uitsplitsen en meedelen naar welke projecten en programma's het geld concreet gaat, wie de projecten en programma's uitvoert en beheert?

Welke projecten en programma's worden mee verrekend in het budget van ontwikkelingssamenwerking? Welke zijn voor het jaar 2005 de strategische doelstellingen inzake preventieve diplomatie, conflictpreventie, vredesopbouw en mensenrechten? Wat is de begroting voor 2005? Kan de minister het budget uitsplitsen en meedelen naar welke projecten en programma's het geld concreet gaat, wie de projecten en programma's uitvoert en beheert? Welke criteria worden gehanteerd om projecten en programma's te selecteren?

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Op de begroting 2004 is er voor de basisallocatie `Tussenkomsten en initiatieven van België inzake preventieve diplomatie, hulpverlening aan bevolkingen die het slachtoffer zijn van conflicten, naleven van de mensenrechten, versterking en herstel van de rechtsstaat' een krediet van 9.822.000 euro en voor de basisallocatie `Conflictpreventie, vredesopbouw en mensenrechten' een krediet van 22.500.000 euro.

Voor de concrete acties die de ministers Michel en De Gucht in 2004 hebben gevoerd, zal ik mevrouw de Bethune per basisallocatie de overzichtstabellen bezorgen van de subsidies aan de projecten en de programma's.

De concrete politieke maatregelen van 2004 waren gebaseerd op de criteria in de strategische nota die kan worden geraadpleegd op de website van het Directoraat-generaal Ontwikkelingssamenwerking. De criteria voor de diplomatieke preventie waren gebaseerd op de dienstnota van 30 oktober 2002, die ik eveneens zal bezorgen.

Alle projecten op beide budgetlijnen werden ook verrekend in de begroting Ontwikkelingssamenwerking om de doelstelling van 0,7% te bereiken. De ODA (Official Development Assistance) werd boekhoudkundig verwerkt volgens de criteria van het DAC (Development Assistance Committee) van de OESO.

Conflictpreventie en het zoeken naar vreedzame oplossingen voor conflicten staan bovenaan de agenda van ons buitenlands beleid. De ervaring uit het verleden leert ons dat grijpen naar de wapens zelden leidt tot duurzame oplossingen voor conflicten maar integendeel uitmondt in eindeloze confrontaties en bestandsschendingen.

Daarom wenst België spanningen die tot confrontaties kunnen leiden, te verminderen door middel van gerichte acties. Wij willen ook bijdragen tot het duurzaam oplossen van de bestaande conflicten via onderhandelingen.

Om de samenhang en de dynamiek van ons buitenlands beleid te versterken, werden de budgetlijnen voor preventieve diplomatie en voor conflictpreventie samengebracht onder de bevoegdheid van de minister van Buitenlandse Zaken. Preventieve diplomatie en conflictpreventie moeten de instrumenten worden van een samenhangend en doeltreffend buitenlands beleid. De klemtoon zal liggen op de opbouw en de wederopbouw van democratische structuren en van de rechtsstaat. Bovendien zullen wij bijstand verlenen aan vredesoperaties, aan ontwapening, aan demobilisatie, aan de terugkeer van soldaten naar het burgerleven, aan programma's voor wederopbouw, aan de organisatie van verkiezingen en aan de verbetering van de democratie en van de mensenrechten. In dit verband vergt ook de toestand in de `gefaalde staten' en in de `in gebreke gebleven landen' onze aandacht.

Op de begroting 2005 is er voor de basisallocaties `Preventieve diplomatie' en `Conflictpreventie' een krediet van respectievelijk 2.512.000 en 22.500.000 euro.

De middelen die bestemd zijn voor de specifieke programma's en projecten zijn voor 2005 nog niet vastgelegd. Het is zeer belangrijk dat onze instrumenten voor preventieve diplomatie en conflictpreventie een coherent geheel vormen. Zij moeten de doelstellingen van ons buitenlands beleid helpen verwezenlijken. Deze middelen zullen worden geconcentreerd op Centraal-Afrika en op de buurlanden van de Europese Unie.

Het project moet uiteraard beantwoorden aan de administratieve criteria: de identificatie van de organisatie die verantwoordelijk is voor de verwezenlijking van het project, de gedetailleerde beschrijving van het project, de rechthebbende en de doelstellingen, een specifieke begroting, gegevens die het mogelijk maken de kwaliteit van het project te evalueren en de opvolging ervan te verzekeren.

De rondzendbrieven waarnaar ik heb verwezen en de tabellen met alle details over de gesubsidieerde acties voor het begrotingsjaar 2004 houd ik ter beschikking van mevrouw de Bethune.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Ik zal de tabellen en de bijlagen aandachtig lezen. Later zal ik misschien nog bijkomende vragen stellen.

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Buitenlandse Zaken over «het horizontaal beleid ontwikkelingssamenwerking (2003-2004)» (nr. 3-498)

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt namens de heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Op 15 juli 2004 heb ik elk lid van de federale regering schriftelijk gevraagd wat hun bijdrage was aan het horizontaal beleid inzake ontwikkelingssamenwerking, een uitdrukkelijke prioriteit van het regeerakkoord. Sommige vragen werden nog niet beantwoord. Ze hebben volgende referenties:

Het spijt me dat ik die vragen nu als vraag om uitleg moet stellen.

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Het departement liet mij weten dat er in november schriftelijk op de vragen van mevrouw de Bethune werd geantwoord. Ik zal haar de documenten overhandigen waarover ik beschik, in de hoop dat ze minstens ten dele aan haar verwachting beantwoorden. Zo nodig zal ik het departement verzoeken haar een bijkomend antwoord inzake het ontwikkelingsbeleid voor de jaren 2003 en 2004 te bezorgen.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Ik ben het daarmee eens en stel voor dat de antwoorden worden opgenomen in het Bulletin van vragen en antwoorden.

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eerste minister en minister van Justitie, aan de minister van Buitenlandse Zaken en aan de minister van Leefmilieu en minister van Pensioenen over «het internationaal verdrag tot regeling van de walvisvangst» (nr. 3-491)

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Bij wet van 9 juli 2004 heeft het parlement ingestemd met de wet tot "toetreding van België tot het Internationaal Verdrag tot regeling van de walvisvangst, en tot het Reglement, gedaan te Washington op 2 december 1946: tot het Protocol gedaan te Washington op 19 november 1956, bij het Internationaal Verdrag tot regeling van de walvisvangst, gedaan te Washington op 2 december 1946". België heeft vervolgens op 14 juli 2004 de toetredingsoorkonden bij de depositaris van deze verdragen neergelegd en is op 15 juli 2004 tot het op basis van deze verdragen opgerichte International Whaling Commission (IWC) toegetreden.

België heeft op die manier op de bijeenkomst van de IWC van 19 tot 22 juli 2004 in Sorrento (Italië) een lovenswaardige rol gespeeld in het behoud van het moratorium op de walvisvangst en de internationale bescherming van de walvis. Dit mag ons evenwel niet doen vergeten dat België door partij te worden bij de verdragen een aantal internationale verplichtingen op zich heeft genomen, waaronder de verbintenis om het verdrag en het reglement om te zetten in het Belgisch recht, en te voorzien in strafbepalingen voor de overtreding ervan - dit staat in artikel 9 van de conventie.

Hoe ver staat België met de omzetting van die bepalingen in het Belgisch recht?

Welke acties plant de minister opdat België ten volle aan zijn verdragsverplichtingen zou voldoen (omzetting in Belgisch recht, rapporteringsverplichting, informatie-uitwisseling, bijdrage aan het wetenschappelijk onderzoek inzake walvissen, ...)?

In het Belgisch Staatsblad van 16 september 2004 werd eveneens het reglement of het zogenaamde schedule gepubliceerd. België is hieraan gebonden. In het Belgisch Staatsblad is evenwel een oude versie gepubliceerd. Is de regering zich bewust van die onzorgvuldigheid en welke stappen zal ze doen om dat recht te zetten?

De heer Bruno Tobback, minister van Leefmilieu en minister van Pensioenen. - Ik ben blij dat het niet ongemerkt voorbij is gegaan dat België inderdaad gebruik heeft gemaakt van zijn toetreding tot de Internationale Walviscommissie om een actief beleid te voeren voor de internationale bescherming van deze zeezoogdieren. Als ik me niet vergis - maar het was voor mijn tijd - bestond er zowel in Kamer als Senaat eensgezindheid over het belang van onze toetreding en de rol die de federale milieuminister daarin zou spelen. Daarmee ik wil even iets heel duidelijk rechtzetten. Mevrouw de Bethune stelde haar vraag aan drie ministers, maar de Internationale Walviscommissie is wel degelijk de exclusieve bevoegdheid van de federale milieuminister.

Op de concrete vragen kan ik het volgende antwoorden.

Volgens ons is België niet verplicht de bestaande bepalingen van het verdrag nog bijkomend in Belgisch recht om te zetten via een uitvoeringswet. Mevrouw de Bethune verwees naar artikel 9 van het verdrag van 1946, maar dat betreft enkel landen die actief aan walvisvangst doen. België behoort daar niet toe en bovendien is er, behalve voor walvisvangst met wetenschappelijke doeleinden, sinds 1986 een moratorium op walvisvangst van kracht. Een bijkomende omzetting in Belgisch recht kan in de toekomst wel noodzakelijk zijn indien bijvoorbeeld nieuwe bepalingen in verband met toezicht op de handel in walvisproducten worden vastgelegd, maar op dit ogenblik is dat niet aan de orde.

Mevrouw de Bethune verwees zelf al naar de Belgische activiteiten in het kader van de IWC en ik kan daaraan nog het volgende toevoegen. In voorbereiding op de vergadering, die inderdaad in Sorrento plaatsvond, maakte de FOD Volksgezondheid en Leefmilieu een overeenkomst op voor wetenschappelijke ondersteuning door een internationale autoriteit op het vlak van walvissen. Het gaat om een Belg, Koen Van Waerebeek, die momenteel werkzaam is in een door hemzelf opgericht centrum voor de studie van zeezoogdieren in Peru. De overeenkomst houdt in dat hij deelnam aan de vergaderingen van de IWC in Sorrento. Bovendien legde hij ook verschillende papers voor, onder meer in verband met `mondiale prioriteiten inzake reductie van bijvangst van zeezoogdieren' en in verband met `tandwalvissen van de Southern Ocean Sanctuary'. De komende maanden zal hij ook als enige Europeaan deelnemen aan een expeditie die de walvispopulatie in Antarctica zal onderzoeken. Ook voor volgend jaar plannen we een vergelijkbare overeenkomst voor wetenschappelijke ondersteuning.

In de IWC profileert ons land zich als een zeer constructieve deelnemer van de groep van landen die een beschermingsregime van walvissen in stand wil houden. Ik reken er ook op dat te kunnen blijven doen. We zijn in een specifieke werkgroep gestapt die de discussie over een herziening van het beheer- en toezichtsysteem inzake walvissen voorbereidt. Ook hebben we een antwoord gemaakt op de vragenlijst die de Walvisvangstcommissie ons voorlegde over dit beheer- en toezichtsysteem inzake walvissen. De FOD Leefmilieu is momenteel in samenwerking met verschillende universiteiten ook bezig met de opmaak van een wetenschappelijk verslag over de waarnemingen en activiteiten van België in verband met zeezoogdieren. Ten slotte onderhouden we contact met andere leden van de IWC om hun actieve deelname aan de Commissie te bepleiten.

Tot slot verwees mevrouw de Bethune ook nog naar de schedule in verband met de bepalingen die na de aanvaarding van het Verdrag van 1946 zijn vastgelegd. De nieuwe versie werd pas besproken op de vergadering in Sorrento. De nieuwe schedule dateert van na onze toetreding op 14 juli van dit jaar en bevat slechts kleine veranderingen zoals datums en verfijningen van de bepalingen voor walvisvangst door inheemse volkeren. Bovendien is de publicatie van de schedule niet verplicht in het kader van de toetreding, aangezien de schedule geen deel uitmaakt van het verdrag en zijn protocol. Ik denk ook niet dat dit op het ogenblik voor ons een prioriteit moet zijn.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Ik dank de minister voor de informatie en wil hem aanzetten om ook deze conventie met de nodige juridische zorgvuldigheid op te volgen, rekening houdend met het feit dat de Raad van State niet akkoord ging met de bevoegdheidsverdeling en de ratificatieprocedure die was ingezet. De regering koos voor een ratificatie voor het federaal parlement, terwijl dit volgens de Raad van State een exclusief gewestmaterie is. We hebben dat debat in de commissie gevoerd. CD&V volgde het standpunt van de Raad van State, maar steunde toch de ratificatie van de conventie wegens de eigenlijke inhoud ervan, om te voorkomen dat we niet kunnen optreden en het moratorium niet kunnen steunen. Dit belet ons niet goed toe te zien dat de legaliteit van alle andere punten van de conventie wordt nageleefd. We zullen dit blijven volgen.

De heer Bruno Tobback, minister van Leefmilieu en minister van Pensioenen. - Zoals bekend is er een discussie aan de gang is tussen de Raad van State en het Arbitragehof over de toepassing van het extraterritorialiteitsprincipe. Ik denk dat we wettelijk gezien een correcte keuze hebben gemaakt en ik zal die ook blijven verdedigen. Wat niet wil zeggen dat we geen overleg voeren met de gewestregeringen voor de standpuntbepaling in de internationale walviscommissie.

Mededeling

De voorzitter. - Zopas is officieel medegedeeld dat de twee Franse gijzelaars in Irak werden vrijgelaten. Ik herinner u eraan dat één van beide journalisten voor een Belgisch persmedium werkzaam was.

Op voorstel van de heer Roelants du Vivier stel ik voor dat de Senaat aan de Franse president laat weten dat hij zeer opgelucht is over dit nieuws en hem feliciteert.

(Instemming)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Leefmilieu en minister van Pensioenen over «toxicologische bestanddelen in luchtverfrissers» (nr. 3-463)

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - In overleg met de minister stel ik voor deze vraag om uitleg uit te stellen tot half januari.

(Instemming)

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de minister van Middenstand en Landbouw over «de hervorming van de wetgeving inzake de toegang tot het beroep» (nr. 3-504)

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Volgens de pers wil de minister de reglementering inzake de beroepsvaardigheden moderniseren, de regels inzake de algemene kennis van het bedrijfsbeheer wijzigen en de procedures voor de toegang tot het beroep verbeteren.

Momenteel wordt voor 42 beroepen toegang verleend door de ondernemersloketten op basis van een aantal criteria. De minister wil deze stap voor elf beroepen schrappen omdat die overbodig is geworden en de sociale impact van die beroepen in de loop der jaren sterk is gewijzigd.

Verder zou de minister eraan denken om de lijst van diploma's die gelden als bewijs voor de kennis inzake bedrijfsbeheer uit te breiden en voor sommige specifieke beroepen zou ze het certificaat willen afschaffen. Ook denkt ze eraan om het aantal jaren praktijkervaring dat vereist is om toegang te krijgen tot het beroep te verminderen. Het gaat om een nogal globale hervorming.

De Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de KMO is echter van mening dat die toegangsvereisten tot het beroep interessant, zelfs onontbeerlijk zijn. Ze bieden immers bescherming tegen een bepaalde vorm van oneerlijke concurrentie; ze zijn ook een kwaliteitslabel voor de consument. De Raad vreest ook dat het aantal faillissementen zal toenemen zodat de sociale kost uiteindelijk veel hoger zal zijn dan de opbrengst die wordt verwacht uit de toename van het aantal beginnende ondernemers.

Het is goed dat de minister de reglementering inzake de toegang tot het beroep wil hervormen zodat die aangepast is aan de realiteit en rekening houdt met de technische evolutie in de beroepen. Het is echter de vraag of het wenselijk is dat sommige certificaten gewoon worden afgeschaft.

Ik heb ook gelezen dat de minister onlangs de vertegenwoordigers van verschillende beroepen heeft ontmoet, waaronder vertegenwoordigers van de elf bovengenoemde beroepen. Die vertelden dat ze de plannen van de minister niet begrepen en vasthielden aan een gereglementeerde toegang tot hun beroep. De minister zou hierop een minder uitgesproken standpunt hebben ingenomen.

Het zou inderdaad beter zijn om de reglementering niet af te schaffen, maar aan te passen zodat ze in overeenstemming blijft met de realiteit en rekening houden met de technische evolutie van de beroepen.

Meent de minister niet dat de vereiste van professionalisme een goede bescherming biedt tegen faillissementen en een kwaliteitsgarantie vormt voor de consument? Heeft de minister haar mening herzien na haar ontmoeting met de vertegenwoordigers van de beroepen?

Mevrouw Sabine Laruelle, minister van Middenstand en Landbouw. - Zoals de heer Brotcorne weet heeft de regering zich gebogen over een principenota die ik samen met de staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging heb voorgesteld.

Mijn wens om de reglementering voor elf beroepen af te schaffen is gestuit op een minder gunstig advies van de HRZ-KMO. Om die reden hebben we de nota, die door de regering was goedgekeurd, herwerkt.

Zoals ik gisteren op een vergadering met vertegenwoordigers van de elf federaties heb aangegeven, moeten we vaststellen dat de situatie van beroep tot beroep verschilt.

We wensen allen dat de toegang tot het beroep wordt gemoderniseerd en vereenvoudigd. Dat een toegang tot het beroep noodzakelijk is voor het plaatsen van houten ramen, maar niet voor ramen in PVC, toont aan dat het huidige systeem onsamenhangend is.

Sommige van de elf beroepen vragen dat een gereglementeerde toegang behouden blijft, ook al berust die toegang op geen enkele specifieke opleiding. Voor sommige is de enige vereiste dat men het secundair onderwijs heeft beëindigd. Ik vraag me af welk nut een toegang tot het beroep zonder enige vereiste inzake opleiding of specifieke kennis nog heeft nu de schoolplicht tot 18 jaar geldt.

Zo doen de kleinhandelaren in vaste en die in vloeibare brandstoffen opmerken dat er momenteel elf soorten steenkool bestaan. Nochtans moet iemand die het beroep wil uitoefenen op geen enkele wijze aantonen dat hij over een technische of praktische kennis inzake steenkool beschikt. Mij lijkt het een open vraag of het behoud van de toegang tot het beroep nog nuttig is.

Nemen we de sector van de wasserijen. De mensen uit de sector beweren dat ze een specifieke opleiding hebben ontvangen, maar in de Franse Gemeenschap is bij gebrek aan kandidaten geen dergelijke opleiding georganiseerd. Er hadden zich vijf personen aangemeld, maar de opleiding wordt pas opgestart vanaf acht kandidaten. Wat moet er gebeuren met de vijf personen die geen toegang hebben tot het beroep? Waarom moeten de toegangsvereisten behouden blijven?

Voor de installateurs van lichtreclames geldt als enige vereiste dat ze elektricien zijn. Ik heb dan ook voorgesteld om het plaatsen van lichtreclame toe te voegen aan het gereglementeerde beroep van elektricien-installateur, aangezien dezelfde basiskennis is vereist. Dit zou de beroepsmobiliteit ten goede komen.

Ik heb de federaties gevraagd me vóór einde januari een dossier te bezorgen met een antwoord op de volgende vijf vragen:

Op basis hiervan zal ik de regering vragen een standpunt in te nemen.

Over de bekwaamheid inzake bedrijfsbeheer wenst de regering vóór april 2005 nieuwe voorstellen te ontvangen. Ze baseert zich op de ervaring uit Nederland, maar gaat minder ver. De regering zal voorstellen om de bestaande opleidingen uit te breiden zodat de kandidaten niet langer moeten aantonen dat ze over een bekwaamheid inzake beheer beschikken. Sommige cursussen in het secundair onderwijs bevatten reeds een opleiding inzake boekhouding, beheer en economie. De lijst van cursussen die aanleiding geven tot een afwijking van de aanvullende verplichting om de bekwaamheid inzake beheer te bewijzen wordt dus uitgebreid.

We hebben tevens voorgesteld om sommige beroepen, zoals die van houthakker en personen in de rechtstreekse verkoop, vrij te stellen van de verplichting om hun bekwaamheid inzake beheer aan te tonen. Het gaat immers om beroepen waarvoor weinig investeringen nodig zijn en de risico's inzake beheer zeer beperkt zijn.

Ook hebben we voorgesteld om de vereiste beroepservaring van vijf naar twee jaar terug te brengen en van drie naar één jaar als de betrokkene reeds een functie als bedrijfsleider heeft bekleed of de activiteiten reeds als hoofdberoep heeft uitgeoefend.

Over de bekwaamheid inzake beheer en de cursussen die leiden tot een vrijstelling van de aanvullende verplichting zullen we overleg plegen met de collega's die in de verschillende gemeenschappen bevoegd zijn voor onderwijs.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Na de opmerkingen van de vertegenwoordigers van de verschillende sectoren te hebben gelezen, heb ik een beetje de indruk dat een idee is gelanceerd en dat nadien werd onderhandeld met de vertegenwoordigers van de federaties. Het is goed dat de federaties werden geraadpleegd en dat is een eerste stap is naar een betere reglementering van de betrokken beroepen. Toch moet een opleiding tot de toegang worden behouden, al was het maar om een garantie te bieden aan de consumenten.

Mevrouw Sabine Laruelle, minister van Middenstand en Landbouw. - Het voorstel dat ik juist heb toegelicht, is het enige dat een de regering werd voorgelegd. Voordien is geen enkel voorstel gedaan aangezien we rekening wilden houden met de resultaten van het overleg en over sommige punten de dialoog wilden voortzetten.

Vraag om uitleg van de heer Berni Collas aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de beschikbaarheid van de RSZ-aangifte in het Duits op de website van de Rijksdienst voor sociale zekerheid» (nr. 3-499)

De heer Berni Collas (MR). - Ich bediene mich der deutschen Sprache, weil der vorliegende Anlass sprachenpolitischer Natur ist. Dies für die Symbolik. Ich werde jedoch meine Intervention in französischer Sprache fortsetzen.

Ik begin deze vraag om uitleg symbolisch in het Duits omdat het gaat om een taalaangelegenheid.

Via de driemaandelijkse aangifte moet de werkgever de loon- en arbeidstijdgegevens van zijn bedienden en arbeiders meedelen. Sinds begin 2003 kan dat alleen nog elektronisch. Ik vind dat een zeer lovenswaardige evolutie.

De driemaandelijkse elektronische aangifte kan echter niet in het Duits worden gedaan. Dit lijkt me niet in overeenstemming te zijn met de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken van 18 juli 1966, meer bepaald met de artikelen 40, 41 en 42 van hoofdstuk V over `Het gebruik van de talen in de diensten waarvan de werkkring het ganse land bestrijkt'.

In het Duitstalige landsgedeelte worden meerdere werkgevers met dit probleem geconfronteerd.

Twee werkgevers kregen zelfs een boete omdat hun driemaandelijkse aangifte te laat kwam. In feite heeft een RSZ-bediende de aangifte te laat ingeschreven in het Frans.

Op welke manier zal de minister ervoor zorgen dat de driemaandelijkse elektronische aangifte bij de RSZ zo spoedig mogelijk in het Duits kan gebeuren?

Is de minister van oordeel dat de boete die deze werkgevers krijgen gerechtvaardigd is als de RSZ de wettelijke bepalingen ter zake zelf niet naleeft?

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ich habe viel von meinem Deutsch verlernt und ich möchte deshalb auf Französisch antworten.

Mijn Duits is niet zo goed meer als vroeger en daarom antwoord ik liever in het Frans.

De instructies die nodig zijn om de multifunctionele aangifte in te vullen, zijn beschikbaar in het Duits zodat een werkgever of een sociaal secretariaat dat actief is in Duitstalige gemeenten weet hoe de aangifte in te vullen.

Onder de werkgevers waarop de heer Collas alludeert, bevinden zich het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap evenals bepaalde politieke fracties. Strikt genomen is de wet op het gebruik van de talen in bestuurszaken niet van toepassing op de betrekkingen tussen een federale administratieve overheid, de RSZ, en een deelstaat.

Het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap kan een vermeende inbreuk op deze wet dus niet inroepen om een laattijdige aangifte te rechtvaardigen. Desalniettemin vind ik het niet correct dat de multifunctionele aangifte nog altijd niet in het Duits beschikbaar is. Ik zal de RSZ bijgevolg vragen deze aanpassing zo spoedig mogelijk door te voeren.

Ik wens me niet uit te spreken over de rechtmatigheid van de toegepaste sancties. Ik heb de dienst niettemin gevraagd de dossiers van de werkgevers die zich hebben beroepen op het ontbreken van de Duitstalige versie van de multifunctionele aangifte om hun laattijdige aangifte te rechtvaardigen, opnieuw te bekijken.

Ik onderstreep dat dit een pragmatische oplossing is die alleen voor deze gevallen geldt en niet als een precedent kan worden ingeroepen.

De heer Berni Collas (MR). - Ik dank de minister voor zijn uitleg en neem nota van zijn voornemens. Ik heb het gevoel dat we stilaan de goede richting uitgaan.

Vraag om uitleg van de heer François Roelants du Vivier aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het opstellen van kwaliteitscriteria voor borstklinieken» (nr. 3-500)

De heer François Roelants du Vivier (MR). - Borstkanker is de tweede doodsoorzaak bij vrouwen. Het is het soort kanker dat bij vrouwen het meest voorkomt en het is bij vrouwen tussen 35 en 55 jaar zelfs de eerste doodsoorzaak.

Als borstkanker tijdig wordt opgespoord, kan het sterftecijfer met 30% worden verminderd, als het tenminste op een kwaliteitsvolle manier gebeurt. Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie WHO zou door een goede opsporing het sterftecijfer ten gevolge van borstkanker bij vrouwen tussen 50 en 69 jaar met 35% kunnen worden verminderd.

België behoort tot de landen waar borstkanker het meest voorkomt. In 2002 waren er in België op een totaal van 51.900 kankerpatiënten, 7.400 vrouwen die leden aan borstkanker en 2.700 van hen stierven als gevolg van die ziekte.

Voor vrouwen tussen 50 en 69 jaar is voorzien in een systematische opsporing om de twee jaar. Ik poog dat uit te breiden tot de groep vrouwen tussen 40 en 50 jaar. Er bestaat tot nog toe evenwel geen enkele kwaliteitsnorm met betrekking tot de behandeling van borstkanker.

Een efficiënte behandeling moet worden uitgevoerd door gespecialiseerde artsen die multidisciplinair samenwerken in een structuur die aan bepaalde criteria beantwoordt. Vandaar het belang van de borstklinieken, want volgens dokter Liebens, voorzitster van Europa Donna Belgium, is borstkanker een typisch voorbeeld van een aandoening die een zeer gespecialiseerde en complexe multidisciplinaire aanpak vereist.

Er moeten dus specifieke normen worden vastgesteld voor borstklinieken. Die klinieken zijn ontstaan in de jaren '90, toen door vele studies werd aangetoond dat als een vrouw werd behandeld door een chirurg die in een multidisciplinair team werkte, ze meer kans had de ziekte te overleven en haar levenskwaliteit beter was dan die van vrouwen die door een `gewone' chirurg waren geopereerd.

Dat kwam onder meer doordat in een borstkliniek alle deskundigen aanwezig zijn en samenwerken. Die artsen-specialisten hebben immers, naast hun opleiding in het eigen vakgebied en hun algemene medische opleiding ook nog een bijkomende specifieke opleiding inzake borstaandoeningen. Dat geldt zowel voor de radiologen als voor de chirurgen, de gynaecologen, enz. Ze bezitten niet alleen specifieke technische vaardigheden maar zijn ook goed op de hoogte van gespecialiseerde behandelingen, die van groot belang zijn bij borstkanker.

De snelle evolutie van de technieken voor diagnose, behandeling, psychologische begeleiding enz. vereist van die deskundigen een voordurende bijscholing.

Wanneer dergelijke specialisten op eenzelfde plaats werken en voor elke patiënt een multidisciplinaire aanpak uitwerken, heeft de patiënt de beste kansen op een optimale behandeling volgens de meest recente behandelingsmethodes.

Uit dit alles blijkt hoe belangrijk de borstkankerklinieken zijn voor de behandeling van borstkanker.

Ik deel dus de bekommernis van Europa Donna, waarvan de voorzitster van mening is dat voor de behandeling van een vrouw met borstkanker complex diagnostisch en therapeutisch materieel nodig is, dat zeer specifiek is en voordurend evolueert. Om de diagnose te stellen, moet men beschikken over gesofistikeerd hoogtechnologisch materieel. De therapeutische indicaties zijn complex en evolueren voortdurend, zowel op het vlak van de heelkunde als van de begeleidende behandeling met chemotherapie, hormonentherapie of radiotherapie.

Wat is de stand van zaken in België?

Op 21 maart 2003 werd een koninklijk besluit aangenomen houdende vaststelling van de normen waaraan het zorgprogramma voor oncologische basiszorg en het zorgprogramma voor oncologie moeten voldoen om te worden erkend. Dat is het eerste Belgische initiatief dat ertoe strekt de verzorging van kankerpatiënten te reglementeren en te organiseren, wat zeer opmerkelijk is.

Het koninklijk besluit heeft tot doel de kwaliteit van de verzorging te verbeteren en het multidisciplinaire karakter van de aanpak te bevorderen.

Het bevat regels met betrekking tot de vereiste, al dan niet medische, omkadering.

Volgens dokter Liebens zou een mogelijke maatregel om de multidisciplinaire behandeling te verzekeren bestaan in de organisatie van een multidisciplinaire vergadering over de individuele patiënt met de verschillende artsen om de beste behandeling en follow-up af te spreken.

Het besluit bepaalt dat in elk ziekenhuis een multidisciplinaire commissie voor oncologie moet worden opgericht die over een oncologisch zorgprogramma zal beschikken zodat voor elke patiënt een kwaliteitsvolle verzorging wordt verzekerd.

Hoewel dit koninklijk besluit een primeur is inzake oncologie, is het veel te algemeen en slechts ten dele van toepassing op borstkanker, die een gespecialiseerde behandeling vereist. Het genoemde koninklijk besluit bepaalt daarover dat "in de toekomst nog een aantal gespecialiseerde zorgprogramma's dienen te worden ontwikkeld voor patiënten met tumoren die een complexe multidisciplinaire benadering en/of een uitermate gespecialiseerde expertise vergen."

Dat is nu precies het geval met borstkanker.

Momenteel mag iedereen in België borstkanker behandelen, ongeacht of hij een specifieke opleiding heeft genoten en ondanks het bestaan van enkele multidisciplinaire centra, die evenwel zeldzaam blijven.

Die toestand is natuurlijk niet optimaal, want voor de behandeling van een vrouw met borstkanker moet men, zoals gezegd, gebruik kunnen maken van geavanceerd materieel en dito technieken.

Daarom moet worden besloten tot de oprichting van borstklinieken die aan bepaalde kwaliteitscriteria voldoen.

Niet alleen staat in de resolutie van 2003 van het Europees Parlement dat borstklinieken een prioriteit vormen in de strijd tegen borstkanker, maar er zijn ook Europese wetenschappelijke aanbevelingen over het concept van een borstkliniek, bijvoorbeeld van de European Society of Mastology. De doelstellingen van die aanbevelingen zijn:

1. een gespecialiseerde kwaliteitsvolle dienstverlening ter beschikking stellen van alle vrouwen in Europa;

2. de criteria voor een dergelijke dienst vastleggen;

3. de vaststelling van accrediterings- en bewakingsinstrumenten voor borstklinieken aanbevelen opdat die diensten altijd herkenbaar zouden zijn als kwaliteitsvol voor patiënten en klanten.

Dit alles staat te lezen in het European Journal of Cancer nr. 36.

Enige tijd geleden bestond de politieke wil om het statuut van de borstklinieken te regelen, maar nu schijnt dit project niet meer tot de prioriteiten te behoren.

Is de minister van plan om kwaliteitsnormen vast te stellen voor borstklinieken in België, die gericht zijn op een multidisciplinaire organisatie, op kwaliteitscontrole van de verzorging en die gebaseerd zijn op de Europese aanbevelingen terzake?

Zoniet, kan de minister mij uitleggen waarom hij dat idee verwerpt, terwijl het me nochtans van belang lijkt, zowel voor de volksgezondheid als voor de vrouwen die lijden aan deze ziekte?

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik bedank de heer Roelants du Vivier voor de gelegenheid die hij me geeft om op dit onderwerp, dat me zeer ter harte gaat, terug te komen.

Het is mijn bedoeling de programmatienormen voor kankerbehandeling, die onder meer de behandeling van borstkanker betreffen, te herzien. Wij moeten overigens eens nadenken over het zorgtraject van kanker. Daarom juist had het koninklijk besluit waarnaar werd verwezen een meer algemene strekking.

De voorstellen van de voorzitster van Europa Donna komen tegemoet aan onze bezorgdheid op dat vlak. Om efficiënt te kunnen optreden, moet de overheid zorgen voor de best mogelijke coördinatie. Dat voorkomt tijdverlies en bevoegdheidsproblemen. Kankerbehandeling vereist een adequaat antwoord, in het bijzonder de soorten kanker die een verregaande technologische beheersing vereisen. Het betreft een prioriteit inzake volksgezondheid.

Ik ben ervan overtuigd dat de multidisciplinaire zorgprogramma's kwaliteitsverzorging garanderen. Multidisciplinariteit is hier geen modewoord, maar de absolute voorwaarde voor de slaagkans van het op te richten netwerk.

Mijn medewerkers hebben overigens onlangs vertegenwoordigers van Europa Donna ontmoet om dit onderwerp te bespreken. Op deze manier willen wij komen tot een veel fijnere analyse van de concreet te realiseren doelstellingen.

Bij die gelegenheid zullen een aantal vragen worden besproken met betrekking tot de geavanceerde chirurgie inzake borstkanker. Daarbij wordt rekening gehouden met het feit dat deze ziekte veel voorkomt: één vrouw op negen wordt erdoor getroffen. Het is dus essentieel dat we kunnen beschikken over behandelingen en dat we efficiënte en voor zoveel mogelijk mensen toegankelijke opsporingsmethodes organiseren.

Het probleem nu enkel vanuit de hoek van de geavanceerde chirurgie benaderen zou een sterk verengend standpunt zijn. De voorstellen van de heer Roelants du Vivier wijzen niet in die richting. Vandaag verduidelijken wij de indicaties inzake de behandeling door middel van gerichte chirurgie en ook de meer courante waarbij equipes van chirurgen en gynaecologen niet enkel op een veilige, maar ook op een kwaliteitsvolle manier kunnen ingrijpen. Dat zijn de noodzakelijke bakens voor een zo efficiënt mogelijk antwoord. Uiteraard onderzoeken wij modellen en organisatievormen in het buitenland. De aanbevelingen daarover zullen voor ons een richtsnoer zijn, niet enkel in het kader van deze discussie, maar voor alle soorten zorgen en de programmatie die daarmee samengaat.

Ik wens geen snel, `politiek' antwoord te geven op uw vragen. Ik wil dit probleem niet op de lange baan schuiven. Ik wil integendeel in overleg met specialisten - ik ga geregeld naar colloquia over dit onderwerp - niets aan het toeval overlaten om oplossingen te vinden voor deze pathologie die een gerichte behandeling vereist.

De heer François Roelants du Vivier (MR). - Ik voel aan dat de minister sterk wordt aangesproken door deze problematiek. Hij gaat specialisten raadplegen. Ik zal dus aandachtig volgen wat hij gaat doen, maar ik kan de sector reeds melden dat de minister alle aandacht wil wijden aan dit probleem.

Vraag om uitleg van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het akkoord overheid-apothekers» (nr. 3-506)

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Na een overleg, dat van juli 2003 tot maart 2004 plaatsvond, sloot de regering een akkoord met de vertegenwoordigers van de openbare officina's. Graag kreeg ik van de minister een stand van zaken over de verschillende punten van dat akkoord.

Wat de beslissingen betreft in uitvoering van de begroting 2004 werd het grootste gedeelte uitgevoerd, met uitzondering van het farmacotherapeutisch overleg. Er werden wel de nodige maatregelen genomen inzake zuurstof.

Heel recent verscheen voorts een koninklijk besluit voor de uitvoering van de beloftes die de minister over de magistrale bereidingen heeft gedaan. De magistrale bereidingen moeten echter opnieuw extra worden gepromoot.

Voor het voorschrijven op stofnaam moest een systeem worden gevonden voor het voorschrijven op de moleculennaam, weliswaar met aandacht voor de therapietrouw van de patiënt, voor de beschikbaarheid en de prijs. Er is bij de artsen nogal wat weerstand en er doen nogal wat nieuwe ideeën de ronde die daarop een invloed kunnen hebben. Zal de minister dit verder uitwerken?

Wat de verpakkingsgrootte betreft zijn we nog niet ver gevorderd. De Commissie voor Terugbetaling van Geneesmiddelen zou de grootte bepalen van een startverpakking en van een chronische verpakking. Het was de bedoeling tot twee verpakkingsgroottes te komen met een maximumgrootte van drie maanden. Hoe ver staat het hiermee?

Er is ook het probleem van de verhoogde toepassing van de financieringsmarge en de absolute marge voor generieke geneesmiddelen. Graag meer informatie terzake.

Er is ook de unieke streepjescode die vanaf 1 januari 2005 bij aflevering voor de tarificatie moet worden meegestuurd. Dit systeem was gelinkt aan een controlesysteem voor ziekenhuizen. Hoe ver staat het hiermee? Zal dat akkoord vanaf 1 januari 2005 worden uitgevoerd?

Hoe zit het met de aangekondigde administratieve vereenvoudiging? Hoever staat het met de herwaardering van de rol van de apotheker en het nieuwe vergoedingssysteem? In het akkoord staat dat de wettelijke basis vóór 1 januari 2005 zal worden goedgekeurd en vanaf 1 januari 2006 zal worden ingevoerd.

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik maak graag van de vraag van mevrouw Van de Casteele gebruik om een stand van zaken te geven inzake het akkoord met de apothekers dat ik op 5 april 2004 namens de regering heb ondertekend. De balans is mijns inziens zeer positief.

Voor het lokale farmacotherapeutische overleg tussen artsen en apothekers werd in maart 2004 binnen het RIZIV een werkgroep opgericht met vertegenwoordigers van beide beroepsgroepen. Bedoeling van deze werkgroep, die al driemaal is samengekomen, is de projecten vast te leggen en de middelen toe te wijzen die daarvoor op de begroting van 2004 werden ingeschreven. De basisprincipes van de bestaande lokale initiatieven, waarvan enkele al sterk ontwikkeld zijn, werden daar besproken. De gesprekken verlopen sereen, zeker als men weet hoe gevoelig het overleg tussen artsen en apothekers ligt. De eerste projecten kunnen in de loop van 2005 al worden gefinancierd.

Ik kom nu tot de kosten van het gebruik van zuurstof thuis. Sinds augustus 2004 worden de huur van de zuurstofflessen en de uitgaven van de patiënt voor de installatie, het materiaal en het honorarium van de apotheker eindelijk, na jarenlange discussies, terugbetaald.

Het koninklijk besluit dat de procedure van de terugbetaling van nieuwe magistrale bereidingen moet vastleggen, werd in 1997 al in het vooruitzicht gesteld. Het is uiteindelijk in oktober 2004 gepubliceerd.

Om voorschriften op stofnaam of VOS toe te laten waren er 3 reglementaire initiatieven nodig. Het eerste was een besluit van de minister van Volksgezondheid dat de artsen de mogelijkheid biedt om voorschriften op molecule te schrijven. Voorts moest dit ministerie een besluit uitvaardigen om aan de apothekers uit te leggen wat zij mogen leveren, als iemand hem een voorschrift op stofnaam voorlegt. Ten slotte was er een besluit nodig van de minister van Sociale Zaken dat bepaalt hoe de geneesmiddelen die met een VOS waren voorgeschreven, worden terugbetaald. De drie besluiten zijn klaar.

Gezien de vele discussies die over het VOS al zijn gevoerd en er allicht nog zullen volgen, zullen die besluiten in eerste instantie in een informele werkgroep besproken worden. Die zal bestaan uit vertegenwoordigers van artsen, apothekers en ziekenfondsen en komt deze week nog samen. Ik hoop de reglementaire procedures voor deze besluiten op te starten in de loop van januari of februari 2005.

Om een oplossing te vinden in de kwestie van de verpakkingsgrootte heeft het RIZIV, overeenkomstig de erg complexe Europese wetgeving, een crisisteam onder de arm genomen. Er zijn al verscheidene erg technische vergaderingen geweest van juristen, medewerkers van mijn administratie en vertegenwoordigers van de apothekers. Nog voor het einde van dit jaar bezorgen ze mij een voorstel van besluittekst. Die tekst wordt daarna volgens de reglementaire procedure afgehandeld.

Om in 2004 en 2005 de verhoging door te voeren van de financieringsmarge voor de apotheker van 3,2 miljoen euro op jaarbasis, werd besloten via twee sporen te werken. Voor 2004 zal het bedrag worden afgetrokken van de verschuldigde bijdrage van de apothekers voor 2004 ten bedrage van 1,6 miljoen euro, hetzij het equivalent van een half jaar, hetgeen bepaald was in het akkoord. De procedure voor dat besluit is momenteel aan de gang. Voor 2005 is er in overleg met de apothekers besloten dat de verhoging zal gebeuren via de verhoging van de financieringsmarge op de producten van meer dan 68 euro. Deze grens is gekozen om ervoor te zorgen dat de patiënt helemaal beschermd blijft door middel van het remgeld, dat op 68 euro geplafonneerd is, onafhankelijk van de terugbetalingscategorie.

Aangezien het een verhoging van de marge van de apothekers betreft, moet het besluit nog worden overgemaakt aan mijn collega van economische zaken. De procedure voor dat besluit is aan de gang. Gezien de reglementaire termijnen is de inwerkingtreding vóór 1 januari 2005 uiteraard uitgesloten, maar ik probeer dat besluit zo snel als mogelijk in werking te laten treden.

Het besluit voor de invoering van de unieke streepjescode is van toepassing vanaf 1 januari 2005. Het besluit waarin de bepaling over de controle van geneesmiddelen via een streepjescode is opgenomen, is voorgelegd aan het Verzekeringscomité en wordt dus momenteel besproken. Dit verhindert de start van het gebruik van de streepjescode in openbare apotheken, zoals wettelijk voorzien, helemaal niet.

In verband met de administratieve vereenvoudiging werden voorstellen geformuleerd door de overeenkomstencommissie apothekers-verzekeringsinstellingen. Elke partij onderzoekt momenteel hoe deze beslissingen in de praktijk kunnen worden gebracht.

In verband met het project inzake de herwaardering van de rol van de apotheker en de nieuwe vergoedingswijze, werd de timing van het akkoord gerespecteerd. Er heeft een brainstorming plaatsgevonden tussen het kabinet en de vertegenwoordigers van de apothekers over de mogelijke opties, bijvoorbeeld over het honorariumniveau. Er werden verschillende simulaties gevoerd door de APB en OPHACO over de gevolgen van de verschillende modellen voor de globale begroting, maar ook over de micro-economische impact op de verschillende types apotheken, met name kleine, grote, landelijke en stedelijke. Een juridisch team werkt momenteel samen met het RIZIV aan de bepaling van de noden inzake reglementering. In de programmawet van december 2004 kan eventueel een artikel worden voorgesteld, maar dat is niet noodzakelijk. De volgende stap is de beslissing over het uiteindelijke model. Die beslissing zal begin 2005 worden genomen. In de loop van 2005 zullen dan de uitvoeringsbesluiten kunnen volgen. Zodoende kan het vooropgestelde doel worden bereikt, namelijk dat het nieuwe vergoedingssysteem in werking treedt op 1 januari 2006.

Over de rol van de apothekers is er een wetsartikel klaar dat de functies van bereiding en levering uitbreidt tot die van de farmaceutische opvolging van de patiënt door de apotheker. Dat artikel zal worden besproken binnen de werkgroep apothekers-ziekenfondsen, die deze week samenkomt.

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Ik dank de minister voor zijn uitgebreid antwoord. Het rapport is inderdaad vrij goed en de apothekersverenigingen hebben dan ook het licht op groen gezet om de uitvoering van het akkoord voort te zetten. Het gevoeligste punt blijft mijns inziens het overleg met de artsen. Op een bepaald ogenblik zijn er problemen gerezen waardoor het farmacotherapeutisch overleg dreigde af te breken, maar intussen zijn de plooien wel gladgestreken.

Voor het voorschrijven op stofnaam en voor de nieuwe taakinvulling van de apotheker hebben we nog geen vergelijk gevonden. Ik hoop dat de minister erin slaagt om in het belang van de patiënten en van de volksgezondheid een brug te slaan tussen beide groepen.

Nieuw in de discussie over de verpakkingsgrootte zijn de Europese vereisten, waardoor de belofte om het overaanbod aan verpakkingsgroottes te beperken gehypothekeerd wordt.

Ik noteer dat het dossier inzake de financieringsmarge voor 2005 zich bij minister Verwilghen bevindt en dat het zo snel als mogelijk zal moeten worden goedgekeurd. We zullen erop toezien.

Het antwoord in verband met de unieke streepjescode heeft mij enigszins verrast, omdat uit de berichten aan de apothekers blijkt dat men niet klaar is voor de invoering ervan op 1 januari 2005. De invoering van de streepjescodes heeft zeer ingrijpende gevolgen. Ik denk alleen al aan patiënten die hun voorschrift na aankoop binnenbrengen. Het is dus absoluut noodzakelijk dat de mensen hierover snel en goed worden voorgelicht. Wanneer de minister het systeem wil invoeren vanaf 2005, dan mag hij niet vergeten dat de invoering ervan gebonden is aan de aflevering van medicamenten voor ambulante hulp in ziekenhuizen. De communicatie hierover met de apothekers zou heel klaar en duidelijk moeten zijn.

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de vaccinatie tegen de pneumokokken» (nr. 3-502)

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Uit een studie van de Belgische Vereniging voor Kindergeneeskunde blijkt dat ongeveer één kind per dag met een pneumokokkenaandoening heeft af te rekenen. Die studie is gebaseerd op een grootschalig onderzoek tussen 2002 en 2003 en toont aan dat het aantal besmettingen dubbel zo hoog ligt dan tot dan toe werd gedacht. Een pneumokokkeninfectie is helemaal niet zonder gevaar. Niet alleen is de kans op overlijden vrij reëel, de behandeling ervan is evenmin eenvoudig omdat verschillende van de 90 gekende antigeentypes van de pneumokokken resistent zijn voor antibiotica. De toestand verschilt evenwel van land tot land en is blijkbaar afhankelijk van het voorschrijfgedrag.

Uit het onderzoek blijkt dat vooral kinderen jonger dan 2 jaar, een leeftijdsgroep waarvoor lange tijd geen doeltreffend vaccin op de markt was, vatbaar zijn voor die bacterie. In totaal werden tijdens de voornoemde onderzoeksperiode 104 gevallen op 100.000 geregistreerd.

Pneumokokken kunnen hersenvliesontsteking, bloedinfecties en longontsteking veroorzaken. De minder gevaarlijke variant veroorzaakt vaak een middenoorontsteking of zware verkoudheden. Die laatste zijn niet meteen levensbedreigend, maar ze brengen wel belangrijke kosten met zich zowel op medisch als op maatschappelijk vlak. Bovendien geven zij vaak aanleiding tot het voorschrijven van antibiotica, vooral bij kinderen die geregeld naar een kinderdagverblijf gaan, aangezien deze groep 36 maal meer kans loopt op een besmetting met pneumokokken.

Tot voor kort was er geen vaccin op de markt dat de kwetsbare leeftijdsgroep onder de 2 jaar kon beschermen. Maar sinds enkele jaren is er een vaccin beschikbaar dat door zijn immunogeen vermogen bij kinderen jonger dan 2 jaar kan worden gebruikt. Dit vaccin is sinds 2003 geregistreerd voor de vaccinatie van kinderen tussen 2 maanden en 2 jaar en zou een bescherming bieden van ongeveer 86%. Uit een Amerikaanse studie bij ongeveer 39.000 personen blijkt overigens dat de beschermende doeltreffendheid tegen de zogenaamde invasieve pneumokokkeninfecties 97% bedraagt. De bescherming tegen de niet-levensbedreigende middenoorontsteking door deze bacterie bedraagt volgens een Finse studie slechts 57%.

Tot op heden wordt dit vaccin in België niet terugbetaald. Nochtans blijkt uit onderzoek dat het niet alleen levens kan redden, maar ook dat door de preventie met dit vaccin de bacterie opnieuw minder resistent wordt tegen antibiotica en dat minder volwassenen worden besmet.

De niet-terugbetaling vormt evenwel een probleem. Het vaccin wordt immers als een luxe vaccin beschouwd omdat het ongeveer 68 euro kost. Een kind van twee maanden moet in totaal 4 dosissen krijgen, wat neerkomt op een totale kostprijs van 272 euro, de consultaties van de huisarts of kinderarts niet meegerekend. Wij weten dat ongeveer 5,7 op 100.000 kinderen jonger dan vijf jaar besmet raken met de meningokok C, waartegen baby's nu reeds gratis gevaccineerd worden. Een vaccin tegen de gevaarlijke pneumokok die 59 op 100.000 kinderen jonger dan vijf jaar treft, is dus dringend nodig.

Werd de FOD Volksgezondheid bij het vermelde onderzoek betrokken? Indien ja, in welke mate heeft hij eraan meegewerkt? Remedieert dit onderzoek aan het gebrek aan sociaal-economische gegevens zodat de overheid kan kiezen uit de verschillende vaccinatiestrategieën? In de VS werd de pneumokokkenvaccinatie opgenomen in de vaccinatiekalender. Welke Europese landen hebben dit tot op heden gedaan?

Reeds in 2002 formuleerde de Hoge Gezondheidsraad de aanbeveling dat de preventie van pneumokokkeninfecties bij kinderen door vaccinatie een doelstelling moet worden van de overheid. Zal de minister, gelet op deze aanbeveling en de conclusies van het recente onderzoek, de opportuniteit van een systematische vaccinatie laten onderzoeken?

De hoge kostprijs schrikt evenwel heel wat ouders af zodat de vaccinatie dreigt beperkt te worden tot de meer gegoede gezinnen. Een degelijke preventie heeft trouwens maar zin wanneer ze algemeen wordt toegediend, dus wanneer ze toegankelijk is voor iedereen. Is de minister bereid dit vaccin, dat toch heel wat levens kan redden, op te nemen in het vaccinatieprogramma voor jonge kinderen en te voorzien in een volledige of gedeeltelijke terugbetaling?

De alarmerende berichten in de media over de recente studie van de Belgische Vereniging voor Kindergeneeskunde en de gestarte campagne hebben heel wat ouders verontrust. Vele kinderartsen worden overspoeld met vragen over de doeltreffendheid van het vaccin en de terugbetaalbaarheid. Zal de minister de informatiecampagne van de Belgische Vereniging voor Kindergeneeskunde steunen?

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - De federale overheidsdienst werd niet betrokken bij de studie van de Belgische Vereniging van Kinderartsen, gefinancierd door de firma die het geconjugeerde pneumokokkenvaccin produceert.

In de meeste Europese landen, ook in Zwitserland, werden de aanbevelingen voor het gebruik van het geconjugeerde vaccin in 2002 uitsluitend toegepast op de kinderen die om gezondheidsredenen een verhoogd risico lopen op een invasieve pneumokokkeninfectie. In Frankrijk wordt het gebruik aanbevolen voor kinderen jonger dan twee jaar die in gemeenschap verblijven. We beschikken nog niet over een overzicht van de aanbevelingen in de Europese landen.

In het advies van de Hoge Gezondheidsraad, uitgebracht in 2002, wordt aanbevolen dit vaccin op te nemen in de vaccinatiekalender voor kinderen, maar voorrang moet gaan naar de introductie van het hexavalente vaccin tegen difterie, tetanus, pertussis, polio, hepatitis B en haemophilus B. Dit hexavalente vaccin werd geïntroduceerd in de vaccinatiekalender in het kader van het akkoord dat in juni 2003 met de gemeenschappen werd gesloten.

In het kader van dit protocol neemt de federale overheid twee derde van de aankoopprijs van het vaccin voor haar rekening. Het akkoord wordt toegepast vanaf 1 januari 2004, maar op die datum was het geconjugeerde pneumokokkenvaccin in België nog niet beschikbaar. De gemeenschappen zijn bevoegd voor de preventieve maatregelen, waartoe de vaccinatie behoort.

De federale overheid financiert een groot deel van de vaccinatieprogramma's van de gemeenschappen omdat ze zich ervan bewust is dat het belangrijk is een optimale dekkingsgraad te verzekeren. Dat is ook de reden waarom ik heb beloofd alles in het werk te stellen om, conform het akkoord, middelen van de federale begroting ter beschikking te stellen. Ik heb er uiteraard ook bij de gemeenschappen op aangedrongen om de vaccinatieprogramma's mee te financieren. Er werden met hen besprekingen aangevat teneinde de introductie van het vaccin vanaf 1 januari 2006 mogelijk te maken. Het is nog te vroeg om een uitspraak te doen over het voorstel, maar ik hoop op een spoedig akkoord.

De huidige informatiecampagne van de Belgische vereniging van kinderartsen wordt mede via privé-fondsenwerving gerealiseerd. Het lijkt me niet wenselijk dergelijke initiatieven te steunen. Ik herinner eraan dat de aanbevelingen van de Hoge Gezondheidsraad geregeld worden gepubliceerd op de website van de Hoge Gezondheidsraad.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Ik wil erop wijzen dat zowel de Gezinsbond als de ziekenfondsen het belang van een vaccinatiecampagne onderstrepen.

Regeling van de werkzaamheden

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Mevrouw de voorzitter, mijn vraag over de personeelswissel op de militaire inlichtingendienst staat als eerste geagendeerd op de lijst van de vragen om uitleg. Thans stel ik vast dat mijn vraag niet door de vice-eerste minister of door de minister van Binnenlandse Zaken zal worden beantwoord en dat ze blijkbaar als laatste aan de beurt zal komen.

De voorzitter. - U zal uw vraag straks kunnen stellen, mijnheer Vandenberghe.

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eerste minister en minister van Justitie en aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de afwezigheid van een gezondheidsbeleid bij sommige beslissingen tot internering» (nr. 3-494)

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Mijn vraag om uitleg is ook gericht aan de minister van Volksgezondheid aangezien geïnterneerden die niet toerekeningsvatbaar worden geacht, een specifieke behandeling krijgen. Ze worden meestal geïnterneerd in een instelling van sociaal verweer.

Het aantal geïnterneerden is hoger dan het aantal beschikbare plaatsen. Er zijn slechts twee instellingen, één in Doornik en één in Paifve. Wegens plaatsgebrek worden vele geïnterneerden vastgehouden in de psychiatrische afdelingen van de penitentiaire instellingen. Het betreft 80 geïnterneerden in Wallonië, 65 in Brussel en 500 in Vlaanderen, waar er geen instelling van sociaal verweer bestaat.

De uitbreiding van de instelling van sociaal verweer te Paifve en de bouw van de eerste soortgelijke instelling in Vlaanderen zijn gepland in 2005.

De 650 geïnterneerden bevinden zich dus in de overbevolkte psychiatrische afdelingen van de gevangenissen, waar ze geen aangepaste verzorging krijgen. Seksuele delinquenten krijgen bijvoorbeeld geen doeltreffende therapie. Als ze vertrekken, vertonen ze vaak nog dezelfde stoornissen, die soms zelfs erger geworden zijn. Bij hun vrijlating kan het volgen van een therapie worden opgelegd, maar die dreigt dan veel langer te duren omdat ze niet van bij het begin werd gevolgd.

Wat denkt de minister te doen opdat mensen die in psychiatrische afdelingen van gevangenissen zijn geïnterneerd voor hun vrijlating aangepaste verzorging zouden krijgen?

Wat is het statuut van geïnterneerden inzake gezondheidszorg? Moet hun stelsel niet hetzelfde zijn als dat van andere zieken?

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Het is correct dat een persoon die niet verantwoordelijk geacht wordt voor zijn daden en geïnterneerd werd op grond van de wet op het sociaal verweer, een speciale behandeling moet krijgen. Er zijn op dit ogenblik inderdaad maar twee instellingen van sociaal verweer in België.

Omdat er te weinig plaatsen zijn, heeft de minister van Justitie beslist een vleugel van de instelling in Paifve te vernieuwen en het gebouw uit te breiden. Ze heeft ook de nodige schikkingen genomen om op middellange termijn in Vlaanderen een nieuwe instelling te bouwen. In het meerjarenplan 2005 werd een bedrag van 1,5 miljoen euro vrijgemaakt voor de aankoop van een terrein.

Dit dossier werd ook besproken op de ministerraden van 30 en 31 maart en van 20 juli. Beslist werd dat de ministers van Justitie en van Sociale Zaken en Volksgezondheid samen bevoegd zijn voor de gezondheidszorg van de geïnterneerden.

Het is juist dat vele geïnterneerden wachten op een plaats in een instelling van sociaal verweer. Ze bevinden zich in de psychiatrische bijgebouwen van onze gevangenissen. Ze kunnen de gevangenispsychiaters raadplegen. De diensten die ter beschikking staan van de andere gevangenen, staan ook open voor de geïnterneerden. Het gaat onder meer om het justitieel welzijnswerk en om de psychosociale diensten.

De minister van Justitie weet dat er een plaatstekort is. Daarom heeft ze beslist de opvangmogelijkheden in instellingen van sociaal verweer uit te breiden.

Wat de medische zorg betreft, wordt geen onderscheid gemaakt tussen gevangenen en geïnterneerden. Het geheel van de medische zorgverstrekking in de gevangenissen staat ook ter beschikking van de geïnterneerden.

In verband met de behandeling van seksuele delinquenten tijdens hun gevangenschap onderstreept de minister dat we hier niet over geïnterneerden spreken. Vele seksuele delinquenten werden toerekeningsvatbaar verklaard.

De minister van Justitie is uiteraard bereid deze vraag te beantwoorden. De sociale en psychologische follow-up is een bevoegdheid die verdeeld is over Justitie, de gewesten en de gemeenschappen.

Voor de behandeling intra muros van seksuele delinquenten zijn de penitentiaire instellingen bevoegd. Het gevoerde beleid is niet eenvormig. Aan Franstalige zijde bijvoorbeeld streeft de minister naar meer samenwerking tussen Justitie, de Gemeenschap en het Gewest met het oog op een betere coördinatie van de acties die tijdens de detentie worden ondernomen.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Justitie, aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Landsverdediging over «de personeelswissel op de militaire inlichtingendienst» (nr. 3-507)

De voorzitter. - De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Volgens de 37 federale politieagenten van de militaire inlichtingendienst stelt een personeelswissel op de dienst Veiligheidsonderzoeken van de militaire inlichtingendienst ADIV ons land bloot aan een ernstig veiligheidsrisico. Vanaf 1 januari 2005 moeten de 37 federale politieagenten de dienst verlaten en worden ze vervangen door 22 onderofficieren.

Reeds sinds 1938 wordt de dienst Veiligheidsonderzoeken of SI bevolkt door rijkswachters van de Bijzondere Opsporingsbrigade, die na de politiehervorming federale politieagenten werden. Eind oktober 2004 besliste het ministerieel comité Inlichting en Veiligheid dat alle SI-personeelsleden terug naar de federale recherche moeten.

De 22 onderofficieren die vanaf 1 januari in dienst treden, hebben zich tot nog toe beziggehouden met onderzoeken naar veiligheidsincidenten in militaire kwartieren. Ze zouden echter geen opleiding voor security checks hebben gehad. Bovendien zouden die personen niet thuis zijn in politiële, administratieve en gerechtelijke kringen. Binnen de inlichtingendienst worden ook vragen gesteld over het feit dat lager gerangschikte militairen voortaan hun meerderen zullen controleren. Gevreesd wordt voor een verhoogd risico op vriendjespolitiek of inmenging van bovenaf.

Ten slotte vreest de inlichtingendienst dat de nieuwe personeelsleden onvoldoende voorbereid zijn op hun nieuwe functie. Zo zouden de cursussen zijn ingekort tot enkele weken. Bovendien gaan door de vervanging van het volledige SI-personeel heel wat ervaring, contactpersonen en informatiebronnen verloren.

Graag had ik van de minister vernomen of de 22 onderofficieren voldoende voorbereid zijn op hun nieuwe functie. Welke opleidingen werden hiertoe gegeven? Acht de minister het personeelscontingent van 22 personen voldoende om de taken van de 37 federale politieagenten over te nemen? Op welke wijze zal het aangehaalde risico op vriendjespolitiek of inmenging van bovenaf worden ingedijkt, gelet op het feit dat de veiligheidsonderzoeken tot het hoogste legerniveau worden uitgevoerd door onderofficieren met een lagere graad dan de personen die ze moeten screenen? Op welke wijze zullen de 37 federale politieagenten worden ingeschakeld in de strijd tegen het terrorisme?

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Niet 22 onderofficieren, maar wel 2 officieren en 32 onderofficieren zullen in de toekomst de veiligheidsonderzoeken uitvoeren. Alle onderofficieren zijn keuronderofficieren. Die 34 militairen zullen het eerste kwartaal van 2005 elk volgens hun taalstelsel een specifieke opleiding volgen. Gedurende die opleidingsperiode zal de continuïteit van de veiligheidsonderzoeken worden verzekerd door een ploeg van zes onderofficieren, versterkt met een veertigtal reserveofficieren die in het burgerleven politiecommissaris of politie-inspecteur zijn. Het personeelscontingent zal dus bestaan uit 2 officieren en 32 onderofficieren en niet uit 22 onderofficieren zoals vermeld in de vraag.

Naargelang het niveau van de gevraagde veiligheidsmachtiging - vertrouwelijk, geheim of zeer geheim - moeten een aantal onderzoeksdaden worden verricht. Die worden beschreven in de vertrouwelijke nota van maart 2000 van het ministerieel comité `Inlichting en veiligheid' en moeten strikt worden geëerbiedigd. De bepalingen van de wet betreffende de classificatie- en veiligheidsmachtigingen van 11 december 1998 en het hieraan verbonden koninklijk besluit van 10 maart 2000 moeten eveneens worden nageleefd.

Het toestaan, weigeren of beperken van een veiligheidsmachtiging wordt nooit beslist door de onderzoekers of door een enkele persoon. Elk onderzoek wordt voorgeschreven door officieren op basis van een correct en volledig ingevulde basisvragenlijst. Elk onderzoeksverslag wordt door minimum twee verschillende echelons gecontroleerd. In geval van een weigering of beperking van de gevraagde veiligheidsmachtiging en ten einde een maximale objectiviteit na te streven, wordt een beperkt comité samengesteld. Dat comité bestaat uit de chef van de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid, de chef van de divisie militaire veiligheid en de juridisch raadgever. De chef van de ADIV neemt de eindbeslissing. Deze werkwijze zal ook in de toekomst worden gevolgd.

De laatste vraag van de heer Vandenberghe heeft niets te maken met de bevoegdheid van de FOD Landsverdediging, wel met die van Justitie en Binnenlandse Zaken.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik zal daarover nu geen discussie beginnen, aangezien de bevoegde minister niet aanwezig is. Gezien de deining die de jongste dagen ontstaan is over de werking van de militaire inlichtingendienst, wil ik daarover na het kerstreces met de minister van Landsverdediging graag een debat in een breder perspectief. Dat een ruimer debat nodig is mag onder meer blijken uit een interview van de procureur des Konings van Antwerpen waarin de Staatsveiligheid als het `zwarte gat' wordt beschreven. Dat betekent dat alles wat daar binnenkomt verdwijnt zonder te worden geanalyseerd. Dat is een zeer verontrustende verklaring.

Ik dring dus aan om zeer snel de parlementaire begeleidingscommissie samen te roepen om over die al dan niet bestaande moeilijkheden te beraadslagen.

De voorzitter. - Ik kan u daar een positief antwoord op geven.

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de minister van Landsverdediging over «de toekenning van het Kruis van Officier in de Leopoldsorde aan de Belgische veteranen van 40-45» (nr. 3-503)

De voorzitter. - De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt namens de heer André Flahaut, minister van Landsverdediging.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Ik ontving een nogal ontroerende brief van een veteraan van 40-45 naar aanleiding van de herdenking van de 60ste verjaardag van de bevrijding. Hij schrijft dat buitenlandse overheden, meer bepaald de president van de Franse Republiek en de president van de Verenigde Staten, eretekens hebben uitgereikt aan de Belgische veteranen. Hij vroeg zich af of ons land niet eenzelfde gebaar kan stellen door aan de veteranen, buiten het vijfjarenplan om, het Kruis van Officier in de Leopoldsorde toe te kennen uit erkentelijkheid voor de offers die ze voor de natie hebben gebracht. Ik hoop op een positief antwoord. Als dat niet het geval is, waarom dan niet?

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Frankrijk en de Verenigde Staten hebben inderdaad symbolisch eretekens uitgereikt aan een kleine minderheid van Belgische veteranen van de oorlog 40-45.

Afgezien van de vijfjarenplannen krijgen oud-strijders in België geregeld nationale eretekens of zwaarden met de vermelding 40-45 om op de nationale eretekens aan te brengen.

Ingevolge de opheffing van de niet-toekenning van eretekens voor persoonlijke verdiensten in oorlogstijd kunnen de oud-strijders bovendien opnieuw aanvragen indienen bij het departement voor het verkrijgen van een nationale orde. De toekenning van één bepaalde nationale orde aan alle veteranen van de oorlog 40-45 kan niet worden overwogen omdat dat zou ingaan tegen de bestaande hiërarchische regels voor nationale orden. Deze regels worden opgesteld door het ministerie van Buitenlandse Zaken dat de nationale orden beheert.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Ik vind dat spijtig. Ik zal de minister van Buitenlandse Zaken hierover ondervragen.

Vraag om uitleg van mevrouw Erika Thijs aan de minister van Landsverdediging over «de Belgische inspanningen inzake antipersoonsmijnen in het licht van de top van Nairobi» (nr. 3-482)

De voorzitter. - De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt namens de heer André Flahaut, minister van Landsverdediging.

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - De Top van Nairobi voor een mijnenvrije wereld, die van 29 november tot 3 december 2004 plaatsvond, bracht vele wereldleiders, experts en vertegenwoordigers van het middenveld samen om na te gaan in welke mate vooruitgang werd geboekt in de strijd tegen de antipersoonsmijnen. België heeft sinds 1995 een voortrekkersrol gespeeld in dat dossier en samen met een aantal andere landen geijverd voor het Verdrag van Ottawa, dat in 1999 in werking is getreden.

Momenteel zet ons land 12 ontmijners in de getroffen landen in. Nochtans beschikken we over een enorme expertise, waarvoor we in vele landen geprezen worden. Is de minister bereid in overleg met de minister van Ontwikkelingssamenwerking meer mensen in te zetten?

De regering heeft aangekondigd in 2004 aan de strijd tegen de landmijnen 6,3 miljoen euro te besteden. Hoeveel wordt specifiek gespendeerd voor het ruimen van antipersoonsmijnen en welk bedrag wordt uitgetrokken voor de hulpverlening aan de slachtoffers? Op welke budgetten is dat ingeschreven?

Welke prioriteiten zal de Belgische regering de komende jaren leggen in de strijd tegen de antipersoonsmijnen? Wil de regering optreden tegen Belgische bedrijven en banken die nog steeds investeren in bedrijven die antipersoonsmijnen produceren?

De Belgische regering heeft aangekondigd dat de uitdagingen in dit dossier nog bijzonder groot zijn, maar vele in een conflict betrokken partijen omzeilen het Verdrag van Ottawa door gebruik te maken van antitankmijnen en antihanteerbaarheidsmechanismen. Beide systemen werden niet opgenomen in het Verdrag. Is de regering bereid ook hier een voortrekkersrol te spelen door die lacune op het internationale forum aan te kaarten? Is de regering bereid zelf het goede voorbeeld te geven door een verbod in te stellen op de productie en handel van de antihanteerbaarheidsmechanismen in ons land? Wil de regering het wetsvoorstel ter zake, dat in 2001 reeds in Kamer en Senaat werd ingediend, mee ondersteunen?

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ons land is momenteel betrokken bij diverse ontmijningsprogramma's in verschillende landen die geconfronteerd worden met de schadelijke gevolgen van antipersoonsmijnen en niet-ontplofte tuigen. Dertien ontmijningsspecialisten van Landsverdediging stellen hun expertise ter beschikking van landen als Cambodja, Laos, Afghanistan en Kosovo. Daarnaast wordt tweemaal per jaar een opleiding voor zestien ploegoversten-ontmijners georganiseerd. Naast die acties worden onze ontmijningsploegen ook op ons eigen grondgebied ingezet. Zo gaan ze jaarlijks in op meer dan 4.000 aanvragen om interventie.

De Belgische expertise ter zake is alom bekend en er is dan ook een grote vraag naar bijstand van alle landen die te maken hebben met antipersoonsmijnen. Aangezien het aantal personeelsleden en de financiële middelen niet onbeperkt zijn, worden de prioriteiten op geregelde tijdstippen herbekeken, rekening houdend met de humanitaire noodwendigheden, de continuïteit van onze acties en de door de internationale gemeenschap opgestelde of op te stellen ontmijningsprogramma's. In de huidige omstandigheden beschikt het departement van Landsverdediging niet over extra ruimte om het aantal interventies uit te breiden.

In 2003 besteedde België 5,6 miljoen euro, een toename van 45% ten opzichte van het budget dat in 2002 werd toegekend. In 2004 steeg onze financiële bijdrage opnieuw; ze bedroeg 6,3 miljoen euro. Er werd 2 miljoen euro toegekend aan ontmijningsopdrachten die uitgevoerd werden door het departement van Landsverdediging zelf of gefinancierd werden door Handicap International of door internationale organisaties zoals de Verenigde Naties of de Europese Unie. Bovendien draagt België meer dan 4,2 miljoen euro bij voor bijstand aan slachtoffers. Deze budgetten worden ingeschreven op de begroting van het departement van Landsverdediging en van het departement van Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking.

Ons land heeft tussen 1997 en 2004 32 miljoen euro bijgedragen in de strijd tegen de antipersoonsmijnen. Dat plaatst België bij de 15 belangrijkste schenkers.

De Belgische prioriteiten worden geregeld opnieuw bekeken. Na de recente Top in Nairobi en de daaruit voortvloeiende contacten, werd beslist een interdepartementale groep met medewerkers van Landsverdediging, Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking, aangevuld met vertegenwoordigers ad hoc uit de samenleving, te laten nagaan of aanbevelingen voor toekomstige acties kunnen worden geformuleerd.

De Belgische regering heeft op de Top in Nairobi het voorstel toegelicht dat collectieve beleggingsvennootschappen verbiedt om producten aan te bieden met aandelen van bedrijven die antipersoonsmijnen produceren. Het voorstel kreeg veel belangstelling van de leden van de Conventie, maar ook in onze samenleving.

België is zich ervan bewust dat onverantwoord gebruik van antivoertuigmijnen humanitaire problemen veroorzaakt in bepaalde regio's van de wereld. Hierover zijn momenteel in Genève - in het kader van de Conventie van 1980 over bepaalde conventionele wapens en de aanvullende protocollen over het streven naar het verminderen van onnodig lijden door de burgerbevolking - onderhandelingen aan de gang waaraan België actief deelneemt. Aangezien België vooral de internationale normen opgelegd door de Conventie inzake het verbod op antipersoonsmijnen universeel erkend wil zien en wij in Genève over antivoertuigmijnen onderhandelen, lijkt het weinig opportuun op dit ogenblik unilateraal een wet aan te nemen die bepaalde types van antivoertuigmijnen of antimanipulatiesystemen verbiedt. België zal wel actief blijven deelnemen aan het uitwerken van een striktere reglementering inzake het gebruik van bepaalde categorieën van antivoertuigmijnen.

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - Ik weet dat het voor een minister van Volksgezondheid niet gemakkelijk is vragen te beantwoorden die gericht zijn tot de minister van Landsverdediging. Ik heb echter geen duidelijk antwoord gekregen op mijn vraag waarom een wetsvoorstel dat al in 2001 in de Senaat werd ingediend, niet behandeld wordt. België zou meer op de internationale onderhandelingen over de antihanteerbaarheidsmechanismen kunnen wegen als het over een goedgekeurd voorstel beschikte.

Vraag om uitleg van mevrouw Erika Thijs aan de minister van Landsverdediging over «de afbouw van F-16's» (nr. 3-505)

De voorzitter. - De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt namens de heer André Flahaut, minister van Landsverdediging.

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - In een interview in Het Belang van Limburg kondigt de minister van Landsverdediging aan dat we van 90 naar 72 F-16's zullen gaan. Dat betekent dat ongeveer 18 F-16's moeten verdwijnen. Wellicht heeft de minister een gegronde reden hebben om die vliegtuigen aan de grond te houden.

Is het juist dat het Belgische leger zijn luchtcomponent terugbrengt op 72 F-16's? Zo ja, tegen wanneer worden die F-16's uit de vlucht genomen? Wat is de reden om 18 vliegtuigen uit de vlucht te nemen? In principe stelt de VS een veto tegen een verkoop van dergelijke vliegtuigen om te vermijden dat ze verkocht worden aan de zogenaamde schurkenstaten. Wat zal het leger met de uit de vlucht genomen F-16's doen? Moeten de vliegtuigen inderdaad tot schroot worden herleid? Zo ja, is dat geen verspilling van militaire middelen zeker als sommige vliegtuigen nog geen 5.000 vluchturen hebben uitgevoerd?

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Overeenkomstig het stuurplan Defensie van 2003 zal het ministerie van Landsverdediging het aantal F-16's inderdaad verminderen van 90 tot 72. De overtollige vliegtuigen worden uit dienst genomen vóór eind 2004.

De vlootreductie past in de algemene doestelling om een kleinere, meer flexibele, mobielere, beter uitgeruste en sneller inzetbare defensie tot stand te brengen. Het aantal F-16's wordt gereduceerd om te kunnen voldoen aan ons ambitieniveau binnen de EU en de NAVO en een kwaliteitsvolle training voor onze piloten te garanderen. Daardoor kunnen we de werkingskosten reduceren en op efficiënte wijze de noodzakelijke continue modernisering van de F-16 vloot realiseren.

Afhankelijk van het overblijvend potentieel van de vliegtuigen, worden de vliegtuigen als een geheel of als wisselstukken verkocht. In beide gevallen wordt het akkoord van de Verenigde Staten gevraagd.

Verschroting is een optie die slechts in aanmerking komt voor de vliegtuigen met het minste potentieel en wordt hoe dan ook alleen toegepast op het karkas van het vliegtuig nadat alle bruikbare stukken zijn verwijderd. De term `potentieel' moet ruim gezien worden. Als verbeteringsprogramma's worden toegepast, betekenen die een belangrijk complement aan het resterende potentieel vluchturen.

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - Aangezien de minister van Landsverdediging niet aanwezig is, kan ik moeilijk reageren. Als ik het goed begrepen heb, worden de 18 F-16's eerst ontmanteld om vervolgens te worden verkocht en weer te worden geassembleerd. Op die manier wordt het verdrag met de VS omzeild. Dat is toch absurd. Toch had ik graag geweten aan welk land de F-16's worden verkocht en wanneer ze uit België vertrekken.

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik heb nog een vraag om uitleg aan de vice-eerste minister en de minister van Justitie over `de vooropgestelde wijziging van bepaalde aspecten van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten' en een vraag om uitleg aan de minister van Justitie en aan de minister van Binnenlandse Zaken over de `hulpagenten'.

De voorzitter. - De minister heeft me gevraagd die vragen te willen uitstellen.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik wens te protesteren tegen de handelswijze van de regering. Dit is al het tweede uitstel. Het is niet de eerste keer dat een vraag over een actueel probleem wordt uitgesteld.

De voorzitter. - De volgende vergaderingen vinden plaats woensdag 22 december 2004 om 14.00 en om 19.00 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 19.15 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: mevrouw Anseeuw, om gezondheidsredenen, de heer Brotchi, in het buitenland, de heer Cheffert, wegens andere plichten, de heer Chevalier, wegens ambtsplichten, de heer Coveliers, om familiale redenen.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Bijlage

Naamstemmingen

Stemming 1

Aanwezig: 52
Voor: 52
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Jihane Annane, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Berni Collas, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Jacques Germeaux, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Marc Wilmots.

Stemming 2

Aanwezig: 54
Voor: 45
Tegen: 0
Onthoudingen: 9

Voor

Jihane Annane, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Christian Brotcorne, Berni Collas, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Jacques Germeaux, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Marc Wilmots.

Onthoudingen

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Michel Delacroix, Francis Detraux, Nele Jansegers, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.

Stemming 3

Aanwezig: 54
Voor: 54
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Jihane Annane, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Berni Collas, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Jacques Germeaux, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Marc Wilmots.

Stemming 4

Aanwezig: 54
Voor: 54
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Jihane Annane, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Berni Collas, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Jacques Germeaux, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Marc Wilmots.

Stemming 5

Aanwezig: 52
Voor: 52
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Jihane Annane, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Berni Collas, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Jacques Germeaux, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Marc Wilmots.

Stemming 6

Aanwezig: 54
Voor: 54
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Jihane Annane, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Berni Collas, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Jacques Germeaux, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Marc Wilmots.

Stemming 7

Aanwezig: 55
Voor: 55
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Jihane Annane, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Berni Collas, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Jacques Germeaux, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Marc Wilmots.

Stemming 8

Aanwezig: 55
Voor: 55
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Jihane Annane, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Berni Collas, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Jacques Germeaux, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Marc Wilmots.

Stemming 9

Aanwezig: 52
Voor: 52
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Berni Collas, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Jacques Germeaux, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Wim Verreycken, Luc Willems, Marc Wilmots.

Stemming 10

Aanwezig: 55
Voor: 55
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Jihane Annane, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Berni Collas, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Jacques Germeaux, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Marc Wilmots.

Stemming 11

Aanwezig: 55
Voor: 55
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Jihane Annane, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Berni Collas, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Jacques Germeaux, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Marc Wilmots.

Stemming 12

Aanwezig: 54
Voor: 54
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Jihane Annane, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Berni Collas, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Jacques Germeaux, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Marc Wilmots.

Stemming 13

Aanwezig: 55
Voor: 34
Tegen: 18
Onthoudingen: 3

Voor

Jihane Annane, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Jacques Germeaux, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Fatma Pehlivan, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Marc Wilmots.

Tegen

Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Nele Jansegers, Clotilde Nyssens, François Roelants du Vivier, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.

Onthoudingen

Berni Collas, Joëlle Kapompolé, Luc Paque.

Stemming 14

Aanwezig: 55
Voor: 38
Tegen: 3
Onthoudingen: 14

Voor

Jihane Annane, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Berni Collas, Marie-Hélène Crombé-Berton, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Jacques Germeaux, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Marc Wilmots.

Tegen

Christian Brotcorne, Francis Delpérée, Clotilde Nyssens.

Onthoudingen

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Michel Delacroix, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Nele Jansegers, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.