3-188 | Belgische Senaat | 3-188 |
Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.
Inoverwegingneming van voorstellen
Wetsontwerp houdende diverse bepalingen betreffende gezondheid (Stuk 3-1812) (Evocatieprocedure)
Voorzitter: mevrouw Anne-Marie Lizin
(De vergadering wordt geopend om 15.20 uur.)
De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.
Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.
Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)
(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)
De heer Wouter Beke (CD&V). - Er zijn nog zekerheden in het leven. Zo wordt de koopjesperiode geregeld ter discussie gesteld. Een even grote zekerheid is dat die discussie meestal eindigt met de conclusie dat de bestaande regeling redelijk is en het best behouden kan blijven.
Tegenover die zekerheden staan echter ook onzekerheden, bijvoorbeeld de temperatuur. Zo is het vandaag 16 november buiten 17 graden. Voor staatssecretaris Van Quickenborne is dat een argument om de koopjesperiode af te afschaffen. Zijn argument is dat als het vandaag te warm is om winteraankopen te doen het geen zin heeft over twee maanden winteruitverkoop te houden.
De temperatuur stijgt blijkbaar ook staatssecretaris Van Quickenborne naar het hoofd. Waarom legt hij die verklaring af terwijl de minister van Middenstand en Landbouw bevoegd is voor deze materie?
Ik zei het al, geregeld worden over het onderwerp vragen gesteld. Ook de heer Steverlynck stelde hierover al een vraag in januari 2005. De minister blijft steeds bij haar standpunt dat de bestaande regeling voor de koopjesperiode behouden moet blijven en zegt dat ze overleg pleegt met de beroepsfederaties die, naar ik vandaag verneem, liever vasthouden aan de bestaande regeling. De minister beloofde eveneens een enquête te zullen organiseren om te zien of een wijziging nuttig is.
Wat is de stand van zaken? Blijft de minister bij haar vroegere standpunt? Is er overleg geweest?
Is de aangekondigde enquête georganiseerd? Ligt die aan de basis van de verklaring van de staatssecretaris?
Mevrouw Sabine Laruelle, minister van Middenstand en Landbouw. - Voor temperatuurschommelingen ben ik niet bevoegd! Ik kan wel zeggen dat geen sprake is van een herziening van de wetgeving op de koopjesperiode.
In 2005 heb ik overleg gepleegd met de handelaarsfederaties en de interprofessionele en middenstandsorganisaties om de datum van het begin van de koopjesperiode te wijzigen, niet om ze af te schaffen.
Er werd een consensus bereikt over het behoud van de bestaande regeling. Zowel de middenstandsorganisaties als ikzelf zijn gekant tegen een afschaffing van de bestaande wetgeving.
De heer Wouter Beke (CD&V). - Ik dank de minister voor haar duidelijke standpunt, waarmee wij het volkomen eens kunnen zijn.
Misschien komt het door de verkiezingen die in aantocht zijn, dat sommigen de aandrang voelen zich op bepaalde thema's te profileren. Dat is jammer. Wat heeft het voor zin veranderingen te lanceren, als men weet dat de minister helemaal niet van plan is haar standpunt te veranderen? Dat zorgt alleen maar voor nutteloze commotie. Overigens hoeft die verandering voor ons niet. Verandering heeft alleen maar zin als ze een vooruitgang betekent.
De heer Josy Dubié (ECOLO). - De getuigenissen van gevangenen die veroordeeld zijn op basis van de antiterrorismewet van december 2003 zijn verontrustend. Die getuigenissen werden bevestigd door het Observatoire international des prisons, de Liga voor mensenrechten en de Ligue des droits de l'homme.
Volgens die getuigenissen zouden die gevangenen geïsoleerd worden van de andere gevangenen, zouden ze drieëntwintig uur op vierentwintig opgesloten zijn in hun cel, gedurende het enige uur wandeling alleen zijn op de binnenplaats, enkel bezoek mogen ontvangen van hun advocaat, of in sommige gevallen, van de familiekring die op een heel restrictieve manier wordt gedefinieerd, en zouden sommige praktijken ertoe bijdragen de gevangenen slaap te onthouden. De lampen in hun cellen blijven voortdurend branden waardoor het bijna onmogelijk is om te slapen.
De veroordeling tot een gevangenisstraf, die vaak zeer zwaar is voor daden die als `terroristisch' worden aangemerkt, blijkt in de praktijk een tweede sanctie met zich mee te brengen. De bijzonder zware detentievoorwaarden vormen immers een soort dubbele, paralegale straf, waarbij de individuen aan de willekeur van het gevangenisbestuur of van de bevoegde politieke overheid worden blootgesteld.
Ondergaan de gevangenen die veroordeeld zijn wegens `terrorisme' een speciaal regime? Indien ja, welk? Is dat gegrond?
Is het waar dat het gerecht, nadat klachten over bepaalde aspecten van dat speciale regime waren ingediend door de advocaten van deze veroordeelden, bevolen heeft dat regime op te schorten?
Indien dat zo is, worden die rechterlijke beslissingen toegepast?
Indien niet, waarom werden ze niet toegepast en wie is daarvoor verantwoordelijk?
Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie. - Er bestaan verschillende gevangenisregimes, afhankelijk van het gevaar dat de personen vormen die in onze penitentiaire instellingen verblijven.
Een persoonlijke evaluatie kan een wijziging van het regime op het vlak van bezoek, post of regelmatige controle als gevolg hebben.
Er is evenwel geen regime dat specifiek bestemd is voor een bepaalde categorie van gedetineerden. Het regime kan verschillen naargelang de individuele situatie, die regelmatig moet worden geëvalueerd.
Voor personen die veroordeeld zijn wegens terroristische daden bestaat er in het begin een vermoeden van gevaar. De situatie van de gedetineerden moet echter individueel worden geëvalueerd, zodat ze niet aan een tweede sanctie worden onderworpen ingevolge hun detentievoorwaarden.
Om ervoor te zorgen dat die principes correct worden toegepast, heb ik twee vergaderingen met mijn administratie gepland, één deze week en één volgende week. Ik zal een rapport vragen over de detentievoorwaarden van alle gevangenen, al dan niet veroordeeld wegens terroristische daden.
Iemand die niet veroordeeld is wegens terroristische daden kan om veiligheidsredenen immers aan een zwaarder gevangenisregime worden onderworpen, bijvoorbeeld bij ontsnappingsplannen, of kan worden onderworpen aan bijzondere controlemaatregelen uit vrees voor zelfmoord.
Ik zal de heer Dubié de conclusies van de geplande vergaderingen meedelen.
De heer Josy Dubié (ECOLO). - Ik dank mevrouw de minister voor haar antwoord, maar ze heeft niet geantwoord op een belangrijk onderdeel van mijn vraag, namelijk of er tussenkomsten van advocaten van die gevangenen zijn en of er rechterlijke beslissingen zijn volgens dewelke de bijzonder zware omstandigheden moeten worden gewijzigd of opgeheven.
Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie. - Uiteraard wordt een situatie soms gewijzigd als gevolg van een rechterlijke beslissing. Soms verandert de persoonlijke situatie zelfs vóór die beslissing bekend is.
Ik heb geen weet van situaties die niet zouden zijn gewijzigd na een rechterlijke beslissing.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Uit diverse parketten in het land wordt geregeld gemeld dat bepaalde vacatures voor parketmagistraten niet worden ingevuld. Zo zouden er acht vacatures zijn bij het parket van de rechtbank van eerste aanleg te Gent.
Kan de minister mij een overzicht geven van de actueel openstaande vacatures bij de diverse parketten in het land?
Welke oorzaken liggen daaraan ten grondslag?
Welke maatregelen zal de regering nemen om het kader effectief in te vullen?
Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie. - Momenteel zijn er bij de parketten van eerste aanleg volgende plaatsen vacant:
Antwerpen: 2, Mechelen: 2, Tongeren: 1, Brussel: 19, Leuven: 1, Dendermonde: 4, Gent: 4, Oudenaarde: 1, Eupen: 1, Luik: 1, Verviers: 1, Neufchâteau: 1 en Namen: 1. In totaal dus 39 plaatsen, waarbij nog twee plaatsen voor fiscale substituten komen in Gent en één plaats voor een fiscaal substituut in Bergen.
Ik herinner eraan dat alle vacante plaatsen gepubliceerd worden en dat de plaatsen die op een meer structurele wijze vacant zijn regelmatig worden gepubliceerd.
Sedert ik minister van Justitie ben, worden de gerechtelijke stagiairs uitgenodigd om zich voor zoveel mogelijk plaatsen kandidaat te stellen, teneinde de kaders op te vullen en zodoende verlengingen van de gerechtelijke stage te vermijden.
Bovendien stel ik vast dat het aantal vacante plaatsen redelijk beperkt is, met uitzondering voor het parket van Brussel. Hier situeert het probleem zich vooral in de wettelijke taalvereisten.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Het aantal vacatures blijft toch indrukwekkend. De wijzigingen die ad hoc werden aangebracht voor de structuren van Brussel zijn ruim onvoldoende om de openstaande vacatures op te vangen.
De voorzitter. - Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie, antwoordt.
De heer Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). - In een Belga-bericht van 13 november 2006 lees ik dat de minister zijn Libanese ambtgenoot, Elias Murr, voorgesteld heeft om overtollig militair materiaal van het Belgische leger tegen een voordelige prijs over te nemen. Het gaat bijvoorbeeld om rupsvoertuigen van het type M-113 en houwitsers van het type M-109.
Deze berichten verontrusten me.
De minister weet ongetwijfeld dat de Belgische wapenwet én de EU-gedragscode stipuleren dat geen uitvoer van materieel wordt toegestaan wanneer dat `gewapende conflicten uitlokt of verlengt, of bestaande spanningen of conflicten in het land van eindbestemming verergert.' Ik herinner ook aan de besluiten van de Rwandacommissie, waarin staat dat België geen wapens mag verkopen aan landen waar België deelneemt aan een vredesmacht.
Klopt de informatie uit dit Belga-bericht?
Is het voorstel van de minister aan zijn Libanese ambtgenoot in overeenstemming te brengen met de Belgische wapenwet, de Europese gedragscode en de besluiten van de Rwanda-commissie?
Moet niet eerst de hele UNIFIL-vredesoperatie en de Belgische rol daarbij grondig geëvalueerd worden?
Zijn er al aanwijzingen van een duurzame oplossing van het conflict?
Is Libanon op het voorstel van de minister ingegaan en zijn er al afspraken gemaakt?
Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie. - Ik lees het antwoord van minister Flahaut.
Het antwoord op de eerste vraag is kortweg: ja.
Resolutie 1701 van de Veiligheidsraad herhaalt onder andere dat de Libanese overheid haar volledige soevereine gezag moet laten gelden over het hele Libanese grondgebied. Elke verkoop of levering van wapens is verboden, behalve degene waarvoor de Libanese regering toestemming heeft gegeven. Deze moet immers over de nodige middelen beschikken om haar wettelijke soevereiniteit te laten gelden. Het Belgische voorstel is een antwoord op een specifieke vraag van Libanon.
De evaluatie van UNIFIL is een bevoegdheid van de VN-Veiligheidsraad. De Belgische bijdrage wordt geëvalueerd op het einde van de eerste periode van zes maanden. Als wij deze evaluaties zouden afwachten, dan zouden we de hulp aan de Libanese overheid op een cruciaal moment vertragen.
Het creëren van de voorwaarden voor een politieke dialoog is het specifieke doel van onze aanwezigheid in Libanon.
De gesprekken zijn lopende.
De heer Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). - Ik wil het antwoord van minister Flahaut rustig bestuderen, maar op het eerste gezicht stelt het mij helemaal niet gerust. Ik zal dan ook heel nauw opvolgen wat er verder op het terrein gebeurt.
Mevrouw Nele Jansegers (VL. BELANG). - Voor de zesde maal heeft de algemene directie van de Operationele Ondersteuning en de directie van de Nationale Gegevensbank van de federale politie in opdracht van de minister van Binnenlandse Zaken de veiligheidsmonitor uitgevoerd. De veiligheidsmonitor bestaat uit een anonieme, gestandaardiseerde telefonische enquête bij de bevolking. Het gaat zowel om een federale als lokale enquête over buurtproblemen, het onveiligheidsgevoel, slachtofferschap en andere contacten van burgers met de politiediensten. Ook de werking van de politiediensten wordt beoordeeld.
Het spreekt voor zich dat in tijden waarin het veiligheidsgevoel en garantie op veiligheid centraal staan, zeer veel belangstelling bestaat voor de resultaten van deze tweejaarlijkse enquête, zowel bij wetenschappers als bij politici, lokale besturen, politie en vele anderen. Naar verluidt zou dit belangrijke rapport af zijn. Er wordt enkel nog gewacht op de goedkeuring van de bevoegde minister.
Klopt het dat de resultaten van de veiligheidsmonitor 2006 reeds gebundeld zijn en dat enkel nog gewacht wordt op de goedkeuring van de minister?
Wat houdt deze goedkeuring exact in?
Kan de minister al een aantal tendensen aangeven in de resultaten van de veiligheidsmonitor op het vlak van onveiligheidsgevoel, slachtofferschap, buurtproblemen, contacten met de politie en beoordeling van politiediensten?
Wanneer kunnen wij de volledige resultaten van de veiligheidsmonitor verwachten?
De heer Patrick Dewael, vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken. - Ik moet mevrouw Jansegers teleurstellen. De diensten van de federale politie leggen momenteel inderdaad de laatste hand aan het verslag van de Veiligheidsmonitor 2006. Ik verwacht dat pas tegen het einde van deze maand. Zodra ik het verslag ontvangen heb, zal ik dat door mijn departement laten bestuderen en de resultaten en tendensen ervan kenbaar maken.
De voorzitter. - De heer Hervé Jamar, staatssecretaris voor Modernisering van de Financiën en de Strijd tegen de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van Financiën, antwoordt.
Mevrouw Sfia Bouarfa (PS). - De nieuwe bepalingen met betrekking tot studentenarbeid zouden aanleiding geven tot verschillende probleemsituaties.
Slechts heel weinig werkstudenten kennen immers echt de rechten en voordelen die de wet hen verschaft. Deze zomer zouden misbruiken zijn vastgesteld. Zo zouden sommige uitzendbureaus geneigd zijn geen overuren, feestdagen of vervoerskosten te betalen.
De werkstudent kan zich in bepaalde gevallen nochtans tegen zijn werkgever keren.
Het maximale aantal werkdagen om een vermindering van de sociale bijdragen te kunnen genieten is bovendien van 23 dagen tijdens de zomer op 23 dagen tijdens de zomer en 23 dagen buiten de zomer gebracht. Die dagen mogen niet worden samengevoegd.
Volgens mijn inlichtingen leidt de huidige wetgeving tot misbruiken. Zo zouden sommige werkgevers de werkstudent een clausule laten ondertekenen die hem verbiedt elders te werken na twee of drie weken bij de werkgever te hebben gewerkt, om te vermijden dat hij de volledige sociale bijdrage moet betalen. Het voordeel voor de student wordt bijgevolg aanzienlijk ingeperkt. Andere studenten zouden niet worden aangeworven door bepaalde uitzendbureaus met als reden dat ze tijdens hun studiejaar een stage hebben gedaan. De vrees alle sociale bijdragen te moeten betalen is ook in dit geval de reden van die praktijken.
Besteedt uw departement aandacht aan die `ontsporingen' die op het terrein werden vastgesteld?
Worden er corrigerende maatregelen onderzocht voor 2007?
De heer Hervé Jamar, staatssecretaris voor Modernisering van de Financiën en de Strijd tegen de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van Financiën. - Ik lees het antwoord van de minister.
Mijn inspectiediensten beschikken over alle nodige middelen om controles uit te voeren. Indien inbreuken op de wet worden vastgesteld, zullen ze, zoals altijd, worden bestraft. Het systeem dat sinds midden 2005 van kracht is heeft de bevoegdheden of de mogelijkheden van de inspectiediensten op geen enkel punt gewijzigd.
Situaties waarbij de werkgever de student een clausule laat ondertekenen die hem verbiedt achteraf bij een andere werkgever te werken, zijn onwettig.
Het systeem van studentenarbeid dat van kracht was vóór de zomer van 2005, voorzag reeds in een boete voor de werkgever die een student meer dan het toegestane aantal dagen tewerkstelde.
In eigen naam voeg ik eraan toe dat de huidige wetgeving veel beter is voor de studenten. De vereenvoudiging van hun administratieve en geldelijke toestand zal ervoor zorgen dat misbruiken worden voorkomen.
Mevrouw Sfia Bouarfa (PS). - Studentenjobs vormen voor jongeren het eerste contact met de arbeidswereld. Daarom moeten we ervoor zorgen dat ze in de best mogelijke omstandigheden verlopen en dat de regels worden nageleefd. Ik hoop dat de regering erover zal waken dat onze jongeren verantwoordelijke volwassenen en werknemers worden.
De voorzitter. - De heer Hervé Jamar, staatssecretaris voor Modernisering van de Financiën en de Strijd tegen de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van Financiën, antwoordt.
Mevrouw Olga Zrihen (PS). - Ik heb vernomen dat het departement van minister Vanvelthoven overweegt de reglementering te wijzigen voor mensen die voor de PWA's kunnen werken.
De activiteit van de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen zou sinds de introductie van de dienstencheques in maart 2004 verminderd zijn. Dat is de reden van de hervorming, vooral voor de vijftigplussers. Heel wat mensen van die leeftijd zitten zonder werk en ondervinden grote moeilijkheden om zich in het reguliere arbeidscircuit te herintegreren.
Naar mijn mening moet de impact van de maatregel op de andere leeftijdscategorieën worden geëvalueerd. Heeft de minister hierover bijkomende gegevens? Kan hij me deze inlichtingen bevestigen en eventueel verduidelijken of een ruimere hervorming van het PWA-systeem op zijn kabinet wordt voorbereid? Ik denk namelijk aan dienstverlening in rusthuizen of aan maatregelen in verband met mobiliteitscentrales voor bejaarden.
De heer Hervé Jamar, staatssecretaris voor Modernisering van de Financiën en de Strijd tegen de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van Financiën. - Ik lees het antwoord van de minister.
We gaan uit van de vaststelling dat nog heel wat sociale behoeften door PWA-werknemers kunnen worden ingevuld. Het gaat om taken die momenteel niet of nauwelijks door het reguliere arbeidscircuit of door vrijwilligers worden uitgevoerd. Daarom wil de minister van Werk het PWA-systeem maximaal benutten en waar nodig uitbreiden. Oudere langdurig werklozen komen alleszins in aanmerking voor dit soort taken.
Het voorstel van de minister heeft geen betrekking op de andere leeftijdscategorieën. Het is dus niet nodig om de eventuele invloed op andere leeftijdscategorieën te onderzoeken.
Andere taken kunnen zeker worden overwogen, op voorwaarde dat ze de algemene arbeidsmarkt niet verstoren.
Mevrouw Olga Zrihen (PS). - Het PWA-systeem is nogal complex, in die zin dat elk gewest de betrokken sectoren mag bepalen. Vooral cultuur en buitenschoolse opvang kunnen interessant zijn, maar worden niet vaak vermeld. Kunnen deze ongestructureerde arbeidsniches proactief worden onderzocht? Een voltijdse baan als suppoost of een voltijdse buitenschoolse opvang is bijvoorbeeld niet mogelijk. Aangezien het altijd om dezelfde arbeidsperiodes gaat kan dit soort werk nochtans interessant zijn voor bepaalde sociale categorieën die vaak in onzekerheid leven.
De voorzitter. - Ik stel voor deze wetsontwerpen samen te bespreken. (Instemming)
Mevrouw Laloy verwijst naar haar schriftelijk verslag.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Het wetsontwerp tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen met betrekking tot het sociaal strafrecht, dat onder artikel 77 van de Grondwet valt, en het wetsontwerp houdende diverse bepalingen met betrekking tot het sociaal strafrecht, dat onder artikel 78 van de Grondwet valt, zijn in wezen belangrijke wetsontwerpen. Ze stellen het probleem van de veralgemeende strafrechtelijke aansprakelijkheid bij de niet-naleving van de arbeidsrechtelijke bepalingen aan de orde. Aan de auditeur wordt een bijkomende mogelijkheid gegeven om, buiten het strafrecht, een vordering in te stellen voor de arbeidsrechtbank - een soort burgerlijke vordering sui generis - die tot een declaratoir vonnis leidt, waarbij een bepaalde rechtsvraag met een algemene draagwijdte wordt uitgeklaard met het doel het proces te beperken.
De ontwerpen doen enkele principieel juridische vragen rijzen die aan de aandacht van de Kamercommissie voor Justitie zijn ontsnapt.
Het sociaal strafrecht is een ware omnibus. Het bevat zestien soorten gevangenisstraffen, veertig soorten boetes, veertien verschillende soorten van herhaling, vijftien soorten administratieve boetes en een afwijkend regime van de opdeciemen op de geldboetes. De caleidoscoop van het sociaal strafrecht is dus verzekerd. De regering houdt echter de bestaande Byzantijnse toestand in het arbeidsrecht en de toepassing van het strafrecht in stand. In plaats van voor een zuivering van het materiële recht te kiezen, dus vast te leggen welke bepalingen van het arbeidsrecht strafrechtelijk worden gesanctioneerd, opteert ze voor een bestendiging, zij het voorlopig, van dit onoverzichtelijke kluwen. Ik weet immers dat er een voorontwerp van een nieuw sociaal strafrecht bestaat. Dat zal echter wellicht niet meer tijdens de huidige regeerperiode worden goedgekeurd. De problemen van rechtszekerheid die bij de toepassing van het strafrecht in de arbeidsrechtelijke sector rijzen zijn dus niet echt opgelost.
Ik ben blij dat in de discussie in de commissie voor de Justitie in de Senaat bepaalde misverstanden of verklaringen die tot dubbelzinnige interpretaties aanleiding kunnen geven en die in het verslag van de Kamer stonden, zijn uitgeklaard. Een voorbeeld daarvan is de verklaring dat het openbaar ministerie nu een rechtsvordering kan instellen waardoor de feiten gedepenaliseerd worden. Ik heb er in de commissie op gewezen dat het individuele gedrag van een lid van het openbaar ministerie niet tot gevolg kan hebben dat een strafbaar feit niet meer strafrechtelijk kan worden vervolgd. Dat zou immers betekenen dat het legaliteitsbeginsel niet speelt en dat niet de wet, maar het openbaar ministerie bepaalt of iets al dan niet strafbaar is. Het openbaar ministerie is bovendien nog partijdig, aangezien het een partij, namelijk het openbaar belang, vertegenwoordigt.
Ik ben blij dat die discussie in de commissie werd gevoerd en dat we het erover eens zijn dat het gaat om een vordering sui generis die aanleiding geeft tot seponering van het dossier, dat eventueel strafrechtelijk kan worden gesanctioneerd, en om een typevordering - een collectieve vordering die voor de arbeidsrechtbank wordt ingeleid om bepaalde algemene problemen in een context van collectiviteit te regelen.
De praktijk zal moeten uitwijzen hoe het begrip collectiviteit inhoudelijk moet worden bepaald.
Uit de bespreking is gebleken dat het gemeenrechtelijke procesrecht van toepassing blijft en dat, voor zover men geen partij is in het geding, men vrijwillig kan tussenkomen en, in de mate men geen partij in is het geding dat het openbaar ministerie aanspant tegen een onderneming, individuele werknemers of andere ondernemingen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden, eventueel derdenverzet volgens het gemeenrecht kunnen aantekenen.
Een aantal vragen blijft onbeantwoord. Welke verjaringstermijnen zullen op die specifieke vordering worden toegepast? Blijft de cumulatie van aansprakelijkheid tussen de contractuele en delictuele aansprakelijkheid bestaan wanneer vorderingen sui generis worden ingesteld, gelet op het feit dat het om een misdrijf gaat? Op die vragen heeft de regering geen antwoord gegeven. Ze moeten dus in de praktijk, in het licht van de algemene beginselen worden opgelost.
De gevolgde weg is niet zonder verdienste. Het ware echter ongetwijfeld beter geweest het debat inhoudelijk aan te gaan. CD&V zal zich bij stemming onthouden.
Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie. - Ik kom niet terug op wat de commissievoorzitter, de heer Vandenberghe, heeft gezegd. De besprekingen in de commissie waren zeer verrijkend en hebben de onzekerheden weggenomen.
Ik zal een aantal elementen in herinnering brengen en vervolgens over de toekomst praten. Ik wil het in de eerste plaats hebben over het principe van de depenalisering van het sociaal strafrecht in het algemeen.
Het wetsontwerp werd inderdaad voorgesteld als een ontwerp dat ertoe strekt bepaalde feiten uit het strafrecht te halen. Het gaat evenwel niet om een depenalisering in de strikte zin van het sociaal strafrecht, maar om een burgerrechtelijke vordering sui generis. In de toekomst zal de arbeidsauditeur dus een burgerrechtelijke vordering kunnen instellen in een strafrechtelijke zaak wanneer de sociale inspectie een proces-verbaal heeft opgesteld.
Het uitgangspunt is de vaststelling van een inbreuk op een wet die onder de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank valt. Naast de vervolging, de minnelijke schikking of de seponering wordt een andere mogelijkheid gecreëerd waarbij de arbeidsauditeur een vordering kan instellen voor een burgerrechter van de arbeidsrechtbank.
De regering heeft in eerste lezing een wetsontwerp aangenomen voor het instellen van een Wetboek van Sociaal Strafrecht voor de concretisering van een zekere depenalisering. Het wetsontwerp zal binnenkort, voor het einde van het jaar, aan een tweede lectuur worden onderworpen en zal in de loop van de maand januari in het parlement worden ingediend.
Het advies van de Nationale Arbeidsraad over de twee wetsontwerpen was positief en wijst op de noodzaak van een depenalisering.
Het project zit dus op de sporen, maar de concretisering vereist nog wat tijd. De huidige meerderheid heeft die noodzakelijke stap in elk geval gezet.
De arbeidsauditeur vertegenwoordigt noch de partijen, noch de werknemers, noch de werkgevers. Hij vertegenwoordigt een hoger belang. We mogen niet uit het oog verliezen dat het uitgangspunt een vaststelling van een inbreuk is door de sociale inspectie. Als de auditeur vindt dat er een vervolging voor de arbeidsrechtbank moet komen, dan behoudt hij zijn functie van openbaar ministerie, als eisende partij. De werknemers kunnen vrijblijvend de toepassing van het Gerechtelijk Wetboek vragen. Als eisende partij moet de arbeidsauditeur de elementen die hij naar voren brengt, staven. De positie van eiser van het openbaar ministerie is niet nieuw. Er zijn heel wat voorbeelden in het hedendaagse recht: de dagvaarding in faillissement voor de handelsrechtbank, het beroep van de arbeidsauditeur inzake sociale zekerheid, het familierecht, de geesteszieken.
In samenwerking met het college van de procureurs zal binnenkort een ministeriële omzendbrief worden opgesteld. Deze omzendbrief zal verwijzen naar de vijf situaties waaraan de regering voorrang wil geven en die op de Ministerraden van 30 en 31 maart 2004 vastgelegd zijn: tewerkstelling van minstens vijf werknemers die niet zijn ingeschreven in de sociale documenten; tewerkstelling van drie buitenlandse werknemers die geen verblijfs- of arbeidsvergunning hebben; tewerkstelling van een of meerdere werknemers in mensonwaardige omstandigheden - mensenhandel -; tewerkstelling van werknemers in strijd met de regelgeving inzake welzijn op het werk, gevallen waarin een of meerdere werknemers zware gezondheidsproblemen krijgen, het slachtoffer worden van een dodelijk ongeval of een ongeval met zware lichamelijke verwondingen tot gevolg; hinderen van het toezicht met bedreigingen of geweld ten aanzien van een sociaal inspecteur.
In deze vijf gevallen moet de arbeidsauditeur een vervolging instellen voor de correctionele rechtbank.
Het Gerechtelijk Wetboek is van toepassing op deze burgerlijke procedure.
-De algemene bespreking is gesloten.
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Justitie is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 51-1610/10.)
-De artikelen 1 tot 14 worden zonder opmerking aangenomen.
-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Justitie is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 51-2554/1.)
De voorzitter. - Artikel 3 luidt:
In artikel 5 van de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten, gewijzigd bij de wet van 13 februari 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1º in §1, worden de woorden "of de in artikel 138bis, §2, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde rechtsvordering" ingevoegd tussen het woord "strafvordering" en de woorden "moet ingesteld worden";
2º in §2, worden de woorden "er geen strafvervolging" vervangen door de woorden "geen strafvervolging of geen in artikel 138bis, §2, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde rechtsvordering";
3º in §3, worden de woorden "of de uitoefening van de in artikel 138bis, §2, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde rechtsvordering" ingevoegd tussen het woord "Strafvervolging" en de woorden "sluit administratieve geldboete uit";
4º in §3, worden de woorden "of de rechtsvordering ongegrond wordt verklaard" toegevoegd aan de woorden "ook wanneer de vervolging tot vrijspraak heeft geleid".
Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 1 ingediend (zie stuk 3-1756/2) dat luidt:
In de Nederlandse tekst van het 1º van dit artikel het woord "strafvordering" vervangen door het woord "strafvervolging".
Artikel 5 luidt:
De werkgever in hoofde van wie, ingevolge de uitoefening van de in het in artikel 138bis, §2, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde rechtsvordering, een inbreuk wordt vastgesteld, is gehouden het vonnis, op zijn kosten, ter kennis te brengen van de betrokken werknemers.
Het toezicht op de uitvoering van deze verplichting zal gebeuren door de inspectiediensten die bevoegd zijn voor het toezicht van de wetgeving ten aanzien van dewelke de inbreuk werd vastgesteld. De ambtenaren oefenen dit toezicht uit overeenkomstig de bepalingen van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie.
Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 2 ingediend (zie stuk 3-1756/2) dat luidt:
In het eerste lid van dit artikel, het woord "vonnis" vervangen door de woorden "vonnis of arrest"
Artikel 6 luidt:
Met gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en met geldboete van 500 euro tot 5.000 euro of met één van die straffen alleen worden gestraft, de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers die bewust de verplichting voorgeschreven door artikel 5, eerste lid niet nakomen.
De geldboete wordt zoveel maal toegepast als er werknemers zijn voor wie die bepalingen zijn overtreden zonder dat de geldboete meer dan 500.000 euro mag bedragen.
De werkgever is burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboeten waartoe zijn aangestelden of lasthebbers werden veroordeeld.
Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 3 ingediend (zie stuk 3-1756/2) dat luidt:
In het eerste lid van de Nederlandse tekst van dit artikel het woord "bewust" vervangen door het woord "wetens".
-De stemming over de amendementen wordt aangehouden.
-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.
De heer Christian Brotcorne (CDH). - De Voie Rapide Urbaine van Rijsel werd ingericht als verbindingsweg tussen de Franse steden Rijsel, Roubaix en Tourcoing en als verbinding tussen de snelwegen A1 en A22. Vanaf begin november verbiedt de prefect van het departement Nord op deze snelweg evenwel zwaar doorgaand verkeer van het zuiden naar het noorden.
Er is al bewegwijzering aangebracht en de nodige aanpassingen zijn reeds uitgevoerd om vrachtverkeer naar de A27 in Frankrijk en vervolgens naar de A17 in België te leiden. In Rekkem zal bovendien een controlepost worden opgezet. Door deze beslissing komen per dag 3.100 vrachtwagens extra op de Belgische snelwegen terecht.
Aangezien de A17 deel uitmaakt van het Europese wegennet, kan geen enkele staat een unilaterale beslissing nemen waardoor de aard of het verkeersvolume van deze pan-Europese corridor verandert. Dat is nochtans wel het geval met de beslissing van de Franse prefect.
Die beslissing vertoont gelijkenis met het advies dat dezelfde prefect van het departement Nord bij de regering moest uitbrengen over het tracé van de toekomstige autoweg A24 in de omgeving van Rijsel. De prefect heeft toen aangeraden deze infrastructuur aan te sluiten op de expresweg naar Komen-Waasten in België. Die weg is nochtans niet aangepast aan dat soort verkeer.
Men wil vanaf Rijsel een Eurometropool, zelfs een Euregio creëren, die zich uitstrekt over Vlaanderen en Wallonië. Daartoe worden beheersinstrumenten ontworpen, maar de Franse unilaterale beslissingen zijn choquerend en stemmen tot nadenken. De Fransen lijken immers hun problemen ten koste van de buurlanden te willen oplossen.
De minister van Mobiliteit zal ongetwijfeld zeggen dat deze aangelegenheid zowel onder de bevoegdheid van de Gewesten en de Gemeenschappen als onder die van de federale overheid valt. Het zou alleszins interessant zijn te weten of in beide gevallen de Franse overheid het advies van de Belgische - federale of gewestelijke - autoriteiten heeft gevraagd.
Zo ja, wat was het advies? Zo neen, welke maatregelen of initiatieven zal de minister nemen om, zo nodig in overleg met het Vlaamse en het Waalse gewest, een antwoord op deze provocatie te bieden?
Zal de minister zich beroepen op het Europese statuut van de A17 om zich te mengen in de procedure die door de prefect van het departement Nord werd opgestart?
Vindt hij dat de autosnelweg aan Belgische zijde geschikt is om dit extra verkeer te absorberen of vindt hij daarentegen dat werkzaamheden nodig zijn? Om welk budget zal het hier eventueel gaan?
De heer Renaat Landuyt, minister van Mobiliteit. - De prefect van het departement Nord heeft de Belgische autoriteiten op 8 september 2006 bij zich geroepen om hun te spreken over het verbod dat hij wou uitvaardigen. De Franse overheid heeft de gewesten op 5 oktober in Rijsel uitgenodigd voor officieel overleg. Op dit overleg hebben de gewesten hun bezwaren meegedeeld.
De gewesten zijn uiteraard bevoegd, want het gaat om het gebruik van de weginfrastructuur. Ik vertegenwoordig enkel de gewesten in de Europese Raad van de ministers van vervoer.
Als we ons in de discussie op het Europese statuut van de betrokken weg beroepen, kan ik contact opnemen met mijn Franse collega's om me ervan te vergewissen dat wij de reglementering op dezelfde manier interpreteren.
Het antwoord op uw laatste vraag valt onder de bevoegdheid van het beheer van de gewestwegen.
De heer Christian Brotcorne (CDH). - Het antwoord van minister Landuyt schenkt me maar gedeeltelijk voldoening, vooral wat de derde vraag betreft.
Aangezien de A17 een Europees statuut heeft, kan de minister initiatieven nemen. Wanneer de minister over bijkomende informatie beschikt, zal ik niet nalaten hem hierover vragen te stellen.
De heer Stefaan Noreilde (VLD). - Het Gentse stadsbestuur heeft deze week aan de minister gevraagd om na te gaan of het niet beter zou zijn om de zones 30 aan de scholen langs de Gentse stadsring af te schaffen. Gent is een minnaar van de zone 30 want de stad heeft ze in meer dan 1.400 straten ingevoerd, maar volgens het stadsbestuur heeft een zone 30 langs de stadsring in de praktijk weinig zin. Dergelijke zones zouden juist gevaarlijke situaties creëren voor autobestuurders die in glijdend verkeer plots op de rem moeten staan. Vaak liggen de oversteekplaatsen ook niet in die zones. Het zou veel nuttiger zijn om gewoon de oversteekplaatsen veiliger te maken.
Wat denkt de minister over de stelling dat het veiliger zou zijn om op bepaalde plaatsen de zones 30 aan de scholen af te schaffen en de oversteekplaatsen veiliger te maken? Overweegt hij om in te gaan op de concrete en terechte vraag van het Gentse stadsbestuur? Zo ja, welke concrete stappen zal hij ter zake doen? Zijn er ook andere lokale overheden die hierop aandringen? Zo niet, waarom is meer autonomie voor lokale besturen in deze materie onmogelijk?
De heer Renaat Landuyt, minister van Mobiliteit. - Ik heb aan de vrienden van het Gentse stadbestuur hetzelfde gezegd als wat ik altijd zeg over het verkeersreglement: in de reglementering is voldoende ruimte voor inschatting door de wegbeheerder. Het komt mij niet toe om daaromtrent een mening te hebben. De reglementering is zo dat men in een schoolomgeving dient te voorzien in een zone 30, tenzij men vanuit de plaatselijke kennis vindt dat dit niet hoeft. Dit impliceert een bepaalde verantwoordelijkheid. Daarom wordt er meestal gekozen voor een zone 30. We houden een pleidooi om die zones zoveel mogelijk te ondersteunen met ingrepen in de infrastructuur.
De heer Stefaan Noreilde (VLD). - Als ik de minister goed begrijp, valt dit volledig onder de autonomie van het stadsbestuur. Ze hoefden u zelfs geen brief te schrijven, maar kunnen gewoon beslissen om de zone 30 niet in te voeren op die plaats.
De heer Renaat Landuyt, minister van Mobiliteit. - Als ik me niet vergis betreft het hier ook een gewestweg, en dan valt dit ook voor een stuk onder de verantwoordelijkheid van het Gewest.
De heer Berni Collas (MR). - Ik wil het hebben over twee sterk verwante elementen van een problematiek, namelijk de verkeersopstoppingen ten gevolge van verkeersongevallen die door vrachtwagens worden veroorzaakt en het inhalen door vrachtwagens bij regen.
Ik heb dinsdagavond de uitzending van Terzake gezien waarin de minister hierover werd geïnterviewd door Siegfried Bracke.
Dinsdag 14 november ontstond er op de ring rond Brussel een enorme verkeersopstopping na een ongeluk waarbij een vrachtwagen zijn lading vlees verloor op het wegdek. Die opstopping had kilometers file tot gevolg, alsook duizenden verloren uren voor de geblokkeerde personen en voor de betrokken ondernemingen.
Im Übrigen möchte ich Sie darauf hinweisen, dass, wenn die deutschsprachige Gemeinschaft auch nur 40-45 Kilometer Autobahn hat, die ihr Gebiet durchquert, es doch Probleme gibt. Am vorigen Freitag war der Zufahrt von Eupen Richtung Aachen gesperrt, weil am Grenzübergang infolge eines schweren Unfalls ein Riesenstau entstanden war.
In de Duitstalige Gemeenschap zijn er maar 40 tot 45 kilometer snelwegen, maar toch zijn er ook daar problemen. Vorige vrijdag was de snelweg van Eupen naar Aken geblokkeerd omdat aan de grens een monsterfile was ontstaan ten gevolge van een ernstig ongeluk.
Die omstandigheden verergeren de opstoppingen.
U hebt gezegd dat u een draaiboek hebt uitgewerkt om de hinder te beperken. Volgens u zou de termijn voor de tussenkomst van de verschillende diensten tot twee uur kunnen worden beperkt, wat geleid heeft tot talrijke reacties van de actoren die betrokken zijn bij deze noodsituaties. Wanneer een vrachtwagen betrokken is bij een ongeluk, moeten de politiediensten, de hulpdiensten en de takelbedrijven de rijweg vrijmaken. Hun acties moeten goed worden gecoördineerd.
Bestaat het bewuste draaiboek al, of moet het nog worden uitgewerkt? Heeft de minister al overleg gepleegd met de minister van Binnenlandse Zaken of met de minister van Justitie?
Sedert 21 januari 2003 mogen vrachtwagens op de Belgische snelwegen met 4 of 6 rijstroken overigens niet meer inhalen bij regen. Tal van Belgische en buitenlandse vrachtwagenchauffeurs leven die nieuwe bepaling echter niet na.
Wat zal de minister doen om de buitenlandse chauffeurs beter te informeren? Ik zal de minister van Binnenlandse Zaken vragen hoe hij de wetgeving wil doen naleven.
De heer Renaat Landuyt, minister van Mobiliteit. - Vooreerst moet alles in het werk worden gesteld om ongelukken te voorkomen. Met de federale politie werd een akkoord gesloten om de controle op de naleving van het inhaalverbod voor vrachtwagens bij regen op te voeren.
Om de rijweg zo spoedig mogelijk vrij te maken na een ongeluk kunnen twee scenario's worden toegepast, die verschillen naargelang van de verantwoordelijkheden. Na het ongeluk van vorige dinsdag gingen vele uren verloren omdat niemand de financiële eindverantwoordelijkheid op zich wou nemen. Men zou de verantwoordelijkheden beter kunnen omschrijven in de wet, maar er moet ook een definitieve beslissing worden genomen over scenario's die al werden uitgewerkt en die in het buitenland worden toegepast. Daartoe zal ik volgende week mijn collega van Binnenlandse Zaken ontmoeten, alsook de instanties waarop een beroep wordt gedaan bij verkeersongelukken.
De heer Berni Collas (MR). - Ik ben het eens met het standpunt van de minister van Mobiliteit. Er zijn meer controles nodig want de vrachtwagenchauffeurs lappen het inhaalverbod dikwijls aan hun laars. De ongelukken die ze veroorzaken leiden tot opstoppingen die zeer nadelig zijn voor onze economie. Er moeten maatregelen worden genomen.
De voorzitter. - Ik stel voor deze wetsontwerpen samen te bespreken. (Instemming)
Mevrouw Zrihen verwijst naar haar schriftelijk verslag.
De heer Wouter Beke (CD&V), corapporteur. - Ik verwijs eveneens naar het schriftelijk verslag.
In de eerste jaren van mijn beroepsleven heb ik aan de KUL studenten in de politieke en sociale wetenschappen les gegeven over besluitvorming. Ik legde hen uit op welke wijze de besluitvorming normaal tot stand komt. Eerst is er de maatschappelijke behoefte, gevolgd door het overleg. Vervolgens tracht men het punt op de politieke agenda te plaatsen en gaat men na of wetgevende maatregelen nodig zijn. Nadat de uitvoeringsbesluiten zijn getroffen, wordt nagegaan of de wet het gestelde maatschappelijke probleem al dan niet heeft opgelost.
In het voorliggende wetsontwerp zien we een omkering van dit besluitvormingsproces op verschillende punten. We moeten een wetsontwerp goedkeuren waarover geen overleg werd gepleegd met de sector of de gemeenschappen.
In de zomer werd ons door verschillende organisaties gevraagd het hoofdstuk over de vroedvrouwen nog eens nader te onderzoeken. Zij betreurden het gebrek aan overleg. Ik heb het meer in het bijzonder over de uitbreiding van de bevoegdheden die de minister met dit wetsontwerp aan de vroedvrouwen en -mannen wil toekennen. Zij zullen geneesmiddelen kunnen voorschrijven, functionele echografieën kunnen uitvoeren en bekkenbodemre-educatie mogen toepassen.
Wij vinden dat over deze bijzonder verregaande bepalingen toch wat meer overleg met de sector en de gemeenschappen had mogen plaatsvinden. De minister en zijn vertegenwoordigers hebben in de commissie toegegeven dat dit overleg niet heeft plaatsgevonden.
In de bepalingen van het voorliggende ontwerp die betrekking hebben op opleiding, wordt overleg gevraagd met de gemeenschappen. Dat overleg vond nog niet plaats. Wellicht zullen we dus een aantal zinledige artikelen goedkeuren.
Evenmin was er overleg met de kinesitherapeuten over de bekkenbodemre-educatie die ook door vroedvrouwen zal mogen worden toegepast. De vertegenwoordiger van de minister heeft verklaard dat overleg zal worden gepleegd voordat de uitvoeringsbesluiten worden genomen.
Dat kan, maar normaal gezien wordt eerst overleg gepleegd en wordt pas nadien een wetgevend initiatief genomen. Hier gebeurt het tegenovergestelde.
Een ander punt betreft de rol van de huisarts wanneer de bevoegdheden van de vroedvrouwen worden uitgebreid. Zo mogen huisartsen, die een studie van negen jaar achter de rug hebben, geen functionele echografie uitvoeren. Vroedvrouwen mogen dat wel doen.
Niet alleen in de Senaat, maar ook in de Kamer zijn heel wat stemmen opgegaan om de rol van de huisartsen uit te breiden. Dat geldt zeker voor de bevallingen. Nog niet zo heel lang geleden werden de meeste kinderen door de huisarts op de wereld gezet. Vandaag gebeurt dat slechts bij uitzondering. Waarom?
De minister heeft reeds heel wat maatregelen genomen om de rol van de huisarts in de eerstelijnsgezondheidszorg te vergroten. Ook op het vlak van de bevallingen zou dat mogelijk zijn, maar jammer genoeg is dat nog niet gebeurd. Om die reden vragen we dat dit hoofdstuk uit het wetsontwerp wordt gelicht en in een afzonderlijk wetsvoorstel of wetsontwerp wordt behandeld. Zo kan enerzijds het draagvlak worden vergroot en wordt anderzijds meer tegemoet gekomen aan de bestaande maatschappelijke noden.
Samen met heel wat andere actoren van het gezondheidsbeleid hebben we heel wat vragen over de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Ik verwijs in dat verband naar Hoofdstuk III met betrekking tot de wijzigingen van de wet van 5 juli 1994 betreffende bloed en bloedderivaten van menselijke oorsprong. Tot nog toe konden die persoonsgegevens enkel worden verwerkt door personen die over medische bekwaamheid beschikken en bijgevolg door het beroepsgeheim zijn gebonden. Met de voorgestelde uitbreiding vervalt die vereiste.
Hetzelfde probleem rijst bij Hoofdstuk VI met betrekking tot het kankerregister. De personeelsleden die in de Stichting tewerkgesteld zijn hebben onbeperkt toegang tot de persoonsgegevens van het kankerregister. Kan dat niet tot misbruiken met betrekking tot de persoonlijke levenssfeer leiden?
De minister wil de opleiding van de vroedvrouwen onder handen nemen. Hij komt hierbij op het terrein van de gemeenschappen en overleg is dan ook nodig. Werd al met de gemeenschappen overleg gepleegd? Zo ja, wat zijn de resultaten? Het zou handig zijn dat vóór de stemming te weten.
In het voorliggende wetsontwerp houdende diverse bepalingen betreffende gezondheid worden enkele praktische zaken geregeld. Het ontwerp heeft echter ook budgettaire gevolgen.
In het tweede gedeelte van mijn bespreking wil ik, naar aanleiding van wellicht het laatste grote wapenfeit van de minister in deze legislatuur, even terugblikken.
De ziekteverzekering kost ons 19,3 miljard euro. Met dit bedrag blijft de minister met ongeveer 300 miljoen euro binnen de vooropgestelde groeinormen, namelijk 4,5% plus inflatie. Dit lijkt allicht geen grote som, maar de minister van Begroting heeft al herhaaldelijk gepleit voor het uitdrukken van dergelijke bedragen in Belgische frank: 300 miljoen euro is 12 miljard Belgische frank en de 19 miljard euro die we in 2007 in de ziekteverzekering zullen pompen vertegenwoordigt 780 miljard Belgische frank.
Volgens het rapport van de vergrijzingscommissie zal de vooropgestelde groeidoelstelling van 4,5% en inflatie op lange termijn niet kunnen worden gehandhaafd. Tussen 1994 en 1999 bedroeg de groeinorm 1,5%, tussen 2000 en 2003 bedroeg die 2,5% en de voorbije jaren reeds 4,5%. Volgens de vergrijzingscommissie moet vanaf 2008 een groeinorm van 3,2% worden gehanteerd, wat betekent dat in 2007 werk zal moeten worden gemaakt van een grondige herziening van de financiering van onze ziekteverzekering en van de organisatie van onze gezondheidszorg.
Op tal van vlakken stellen we trouwens al een sluipende privatisering vast. Denk maar aan de hospitalisatie- en pensioenverzekeringen die alsmaar meer mensen om financiële redenen aangaan.
Dit maatschappelijk belangrijke debat werd nog niet gevoerd, wat ik betreur. Het is nochtans onafwendbaar, gelet op de toenemende vergrijzing.
De handelswijze van de minister bracht me herhaaldelijk het beeld voor ogen van iemand die plaatsneemt op een waterbed. Wie aan de ene kant plaatsneemt, doet het bed aan de andere kant oprijzen. De minister probeert een ontsporing doelgericht weg te werken en vergeet de gevolgen daarvan op andere terreinen.
Dat dit nadelen heeft, hebben we de voorbije jaren gemerkt. Er is veel te veel gewerkt met eenmalige maatregelen om bepaalde aspecten en deelgebieden van het budget onder controle te houden, zonder dat het hele plaatje in het oog werd gehouden. Dat laatste moeten we de komende jaren dan ook op een meer structurele manier doen. Willen we dat waarmaken, dan moeten we een keuzedebat voeren. Wat willen we wel en niet in onze gezondheidszorg?
De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Misschien moet de heer Beke dit eens bespreken met de Vlaamse minister-president. Twee weken geleden verklaarde hij immers op een conferentie in Doornik dat ik de beste minister van Volksgezondheid ben sedert vijftien jaar. Kunt u het daarover niet eens worden?
De heer Wouter Beke (CD&V). - Interessante suggestie.
Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Is de minister niet een beetje te jong om de beste te kunnen zijn?
De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Het zijn de woorden van minister Leterme. De minister van Volksgezondheid is nederiger dan u denkt.
De heer Wouter Beke (CD&V). - Het siert de minister dat hij gezaghebbende bronnen citeert om zijn betoog te schragen!
Met mijn betoog viseer ik de minister niet persoonlijk. Ik probeer gewoon vooruit te kijken. Mijns inziens kunnen we de komende jaren niet om een keuzedebat heen. Ik heb daarnet het voorbeeld van de hospitalisatieverzekering gegeven. Ik kan ook verwijzen naar de pensioenverzekering. Dat behoort niet tot het domein van de minister, maar zit wel in dezelfde sfeer. Vandaag worden heel veel keuzes impliciet gemaakt en het zou goed zijn ze ook te expliciteren. Is men bang voor het debat? Ik weet het niet. Ik lees in de krant dat ideologieën opnieuw in zijn. Misschien is dit wel het ogenblik om het debat niet in het ijle te voeren, maar ideologisch duidelijk te kleuren en dan de keuze aan de mensen over te laten.
In de voorbije jaren zijn nogal veel eenzijdige en eenmalige maatregelen genomen om specifieke problemen in een deelsector op te lossen zonder de hele problematiek in het oog te houden. Zo heeft de minister in de sector van de geneesmiddelen vooral een prijzenpolitiek gevoerd. Die heeft haar vruchten afgeworpen. Ik zal het tegendeel niet beweren, maar de vraag is echter of we niet ook een volumepolitiek moeten voeren. Een minister van Volksgezondheid moet natuurlijk bekommerd zijn om het budget en de betaalbaarheid van de gezondheidszorg, maar moet ook bezorgd zijn over de hoeveelheid, de te grote hoeveelheid geneesmiddelen die in verschillende sectoren worden geconsumeerd. Ik kan een hele lijst geneesmiddelen geven waarvoor België internationaal gezien qua consumptie ver uitschiet boven de buurlanden. Het lijkt me legitiem ons af te vragen hoe dat komt en aan de oorzaken ook iets te doen. Dat soort debat lijkt me meer dan nodig. Op een bepaald ogenblik zal ook het volume moeten worden aangepast, willen we de uitgaven onder controle houden.
Ik kijk dan ook uit naar het boeiende debat dat we daarover met de minister in het parlement zullen moeten voeren.
Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Het is lang geleden dat we eindelijk eens met de minister zelf van gedachten kunnen wisselen, al moet ik zeggen dat zijn medewerkers hem in de commissie goed vertegenwoordigen.
Het voorliggende wetsontwerp werd door de Senaat geëvoceerd, maar niet fundamenteel gewijzigd, wat collega Beke in de medische pers heeft betreurd. Volgens hem heeft de meerderheid niet durven amenderen. Zelf heb ik een aantal amendementen ingediend om op bepaalde punten een verduidelijking te krijgen, maar ik heb die amendementen ingetrokken omdat de uitleg volstond.
Ik ben dan ook van oordeel dat voorliggende tekst een aantal verbeteringen waarborgt voor onze gezondheidszorg in de toekomst. In de commissie werden heel wat punten uitgeklaard nadat de Kamer net voor het reces het ontwerp snel had afgehandeld. De kwaliteit van de tekst is er ook op vooruitgegaan. De Franstalige en de Nederlandstalige tekst stemmen nu beter overeen dank zij de uitstekende nota van onze dienst Wetsevaluatie die ik hiervoor wens te danken.
De uitbreiding van de bevoegdheden van de vroedvrouwen domineerde de bespreking. Na de inwerkingtreding van de wet zullen de vroedvrouwen immers geneesmiddelen kunnen voorschrijven, echografieën kunnen nemen en misschien ook bekkenbodemre-educatie kunnen geven, zij het onder al dan niet strikte voorwaarden. Het voorschrijven van geneesmiddelen blijft terecht beperkt tot maximum drie maanden na de bevalling, en voor een beperkt aantal geneesmiddelen waarover nog zal worden overlegd met Koninklijke Academie voor Geneeskunde en de Vereniging van de Vroedvrouwen. De artsen kunnen dus mee beslissen. Ook over het nemen van echografieën werd fel gediscussieerd. Vroedvrouwen zullen enkel functionele echografieën mogen nemen. Dat zal trouwens wellicht slechts mogelijk zijn in ziekenhuizen of in het kader van multidisciplinaire samenwerkingsinitiatieven. Het meest omstreden onderwerp blijft de mogelijkheid om bekkenbodemre-educatie uit te voeren. Zo waren er veel vragen over het nut om kort na een bevalling zo'n reeducatie te doen en over de opleidingsvereisten. Kinesitherapeuten moeten een bijzondere opleiding volgen voor die prestatie. Het gaat niet op om die zo maar over te dragen aan vroedvrouwen. De vertegenwoordiger van de minister heeft in de commissie trouwens overleg beloofd met de vertegenwoordigers van de kinesitherapeuten en de vereniging voor functionele revalidatie BAPRA. We zijn intussen drie weken verder, ik zou graag van de minister vernemen hoever het daarmee staat.
Binnen de beroepsgroep van de vroedvrouwen was er aanvankelijk wat weerstand en vrees voor de verantwoordelijkheid en de aansprakelijkheid die met de bevoegdheidsuitbreiding gepaard gaat. We gaan ervan uit dat intussen ook iedereen op dezelfde golflengte zit.
In het boek Meneer doktoor staat dat vijftig jaar geleden bevallingen hoofdzakelijk een zaak waren voor vroedvrouwen. Artsen traden alleen op in noodsituaties. Misschien hebben we in de voorbije jaren de bevalling iets te veel gemedicaliseerd. Maar dat betekent niet dat we moet overdrijven in de andere richting, want in risicogevallen lijkt het me echt verantwoord een bevalling door een arts of door een gynaecoloog te laten begeleiden.
Ook inzake implantaten bevat het ontwerp verschillende verbeteringen. Er komt een verplichte notificatie en voor de terugbetaling komt er een Commissie Tegemoetkoming Implantaten (CTI) naast de Commissie voor de Terugbetaling van de Geneesmiddelen (CTG). De CTI zal voor de toekenning van een terugbetaling, met dezelfde termijnen werken als de CTG, met die nuance dat, als de CTI over een dossier binnen de gestelde termijn geen positief of negatief antwoord uitwerkt, het dossier automatisch wordt afgewezen. Op een vraag van mij hierover antwoordde de minister dat hij de werking van de CTI in de eerste jaren zeker niet wil laten blokkeren. Dat gevaar is reëel, gezien het grote aantal referenties dat voor terugbetaling in aanmerking komt.
Volgens mij is het nodig om de werking van de CTI na een jaar te evalueren en dan ook na te gaan of er problemen zijn en of de termijnen eventueel kunnen worden ingekort.
Alles staat of valt uiteraard met de vraag of de CTI voldoende competent personeel krijgt om al de dossiers op te volgen.
Als ik het goed begrijp, valt de CTI onder de FOD Volksgezondheid en niet onder de vleugels van het Geneesmiddelenagentschap. In andere landen vallen de CTI en de CTG onder dezelfde koepel, zodat hun werking beter op elkaar kan worden afgestemd. Implantaten worden steeds meer met geneesmiddelen gecombineerd. Zo kreeg onze eerste minister een speciale stent. De vraag is welk comité de terugbetaling van dergelijke gecombineerde behandelingen moet regelen. Lopen we niet achter op de snelle evolutie in deze sector?
Ook de bepalingen inzake supplementen hebben heel wat deining veroorzaakt, vooral op het moment dat de Kamer deze kwestie behandelde. De VLD-fractie verheugt zich dat ouders bij hun kinderen kunnen blijven zonder dat ze daarvoor extra moeten betalen en dat de pediaters, die nu in veel ziekenhuizen tot de slechtst betaalde specialisten behoren, een opwaardering krijgen. Veel ziekenhuizen kennen nu al een tekort aan pediaters. De VLD-fractie is dan ook blij met de afspraken die voor hen zijn gemaakt.
De gezondheidswet bevat ook een belangrijk hoofdstuk over het kankerregister. Om een goed gezondheidsbeleid te kunnen voeren, is het nuttig en nodig om zeer veel gegevens te verzamelen. Daarom is het een goede zaak dat er bij de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer een sectoraal comité voor gezondheidsgegevens komt. Meer en meer zal de bescherming van de privacy immers botsen op wat men allemaal van een patiënt via alle mogelijke kanalen aan gegevens verzamelt.
De responsabilisering van de geneesheren is eveneens een belangrijk aspect van het ontwerp. Ik heb de recente heisa over geneeskundige controles aangegrepen om te argumenteren dat het goed zou zijn dat er een grotere transparantie en rechtszekerheid komt bij de artsen en zorgverstrekkers die moeten worden gecontroleerd, net zoals er voor de controleurs een deontologische code moet komen. Men heeft me in de commissie voor de Sociale Aangelegenheden verzekerd dat ervoor gezorgd wordt dat er een interne code wordt opgelegd.
Als we de directeur-generaal van de dienst Geneeskundige Controle mogen geloven zal deze wet een voorbeeldfunctie hebben in Europa.
Het was inderdaad nodig om terug te keren naar een tweekamersysteem. Dat gebeurt met dit ontwerp. Toch durf ik vragen te stellen bij de onafhankelijkheid van sommige rechters als het over ziekenfondsen gaat. We hebben al vaak opgemerkt dat ziekenfondsen in veel gevallen rechter en partij kunnen zijn. Zal de controle op een objectieve manier gebeuren indien het bijvoorbeeld een arts betreft die in een instelling van een mutualiteit werkt?
Ook inzake de rechten van de patiënt bevat het ontwerp verbeteringen, onder meer voor de rechten ten opzichte van ziekenhuizen en de inschakeling van een vertrouwenspersoon. Sommige leden van de commissie hebben wel opgemerkt dat er nog andere aanpassingen aan de wet op de rechten van de patiënt nodig zijn. Ik heb zelf een wetsvoorstel ingediend om de onafhankelijkheid van de ombudspersonen beter te garanderen door in een financiering door het federale niveau te voorzien en door een aantal wettelijke onverenigbaarheden op te leggen. Een aantal euvels in verband met de werking van de ombudsfunctie kunnen aldus in de toekomst worden vermeden.
De VLD zal dit wetsontwerp dat belangrijke aanpassingen bevat, steunen.
De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik zal de algemene bespreking niet helemaal opnieuw aangaan. Iedereen kent de draagwijdte van dit ontwerp dat al gedurende vele maanden uitvoerig is besproken.
Ik betwist ten stelligste de visie die vertolkt werd door de CD&V-senator. De structurele hervormingen van de voorbije maanden lijken aan hem te zijn voorbijgegaan. Een winterslaap lijkt mij op dit ogenblik noch intellectueel, noch fysiek erg raadzaam.
De hervormingen zijn niet enkel one shot-operaties. De actualiteit toont aan dat er een aantal moeilijke keuzes werden gemaakt inzake volksgezondheid en op het vlak van de sociale zekerheid in het algemeen. Ik kan niet aanvaarden dat een parlementslid er een karikatuur van maakt. Persoonlijk vind ik dit onterecht. Ook in vergelijking met de perscommentaren, blijken dergelijke uitlatingen overdreven. Ik zou er eigenlijk best niet te veel tijd meer aan verspillen.
Wat me veel meer bezighoudt, is de grond van de zaak. Het was noodzakelijk om de evolutie van de uitgaven om te buigen, wat zeer moeilijk was vanwege de inherente hypocrisie van de wet. De toegezegde uitgaven voor de gezondheidszorg waarvoor normen waren voorgeschreven, werden systematisch overschreden.
Bezuinigingsmaatregelen hebben altijd een structurele weerslag. De trendbreuk is er wel degelijk gekomen. In vergelijking met de laatste jaren hebben we de groei kunnen halveren, doch met inachtneming van drie fundamentele principes: de toegankelijkheid van de zorg, het behoud van de zorgkwaliteit en de duurzaamheid van het systeem.
Ik kom thans tot de specifieke vragen.
Het overleg met de verschillende beroepsgroepen wordt voortgezet. Er zijn verschillende contacten geweest met de vroedvrouwen. We wachten nog op elementen van de Raad voor de Vroedvrouwen die aan de kinesisten zullen worden voorgelegd in verband met post-partumre-educatie. Met de gemeenschappen plegen we ook overleg over de duur van de studies, voorlopig nog zonder een definitief resultaat. Zolang we nog geen eindoverleg hebben gepleegd met de kinesisten, kunnen we geen uitvoeringsbesluit uitvaardigen.
Ik ben graag bereid om op eventuele verdere vragen te antwoorden.
-De algemene bespreking is gesloten.
(Voor de tekst verbeterd door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden, zie stuk 3-1812/6.)
De voorzitter. - De artikelen 2 tot 29 luiden:
Art. 2
In artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gewijzigd bij de wetten van 10 augustus 2001 en 2 augustus 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1º in §1, vervallen de woorden "§1 of §2";
2º §2 wordt vervangen als volgt:
"§2. In afwijking van §1, zijn de houders van de beroepstitel van vroedvrouw erkend overeenkomstig artikel 21noviesdecies, ertoe gemachtigd de praktijk van de normale bevallingen te doen, onder voorbehoud te voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 7.
Zonder afbreuk te doen aan de uitoefening van de geneeskunde, wordt eveneens als onwettige uitoefening van de geneeskunde beschouwd, het gewoonlijk verrichten door een persoon die geen houder of houdster is van de beroepstitel van vroedvrouw van elke handeling die tot doel heeft, of wordt voorgesteld tot doel te hebben, het toezicht uit te oefenen op de zwangerschap, op de bevalling of op het postpartum, alsmede elk ingrijpen dat erop betrekking heeft.".
Art. 3
In hetzelfde besluit wordt een hoofdstuk Iquater ingevoegd met als opschrift: "De uitoefening van het beroep van vroedvrouw", dat de artikelen 21octiesdecies en 21noviesdecies omvat, luidende:
"Art. 21octiesdecies. - §1. Zonder afbreuk te doen aan de uitoefening van de geneeskunde zoals bepaald in artikel 2 wordt onder de uitoefening van het beroep van vroedvrouw verstaan:
1º het autonoom uitvoeren van de volgende activiteiten:
a) diagnosticeren van de zwangerschap;
b) toezicht uitoefenen, zorg verstrekken en advies verlenen aan de vrouw tijdens de zwangerschap, de bevalling en de periode na de bevalling;
c) normale zwangerschappen opvolgen, normale bevallingen verrichten en de eerste zorg aan pasgeborenen en gezonde zuigelingen verlenen;
d) preventieve maatregelen, het opsporen van risico's bij moeder en kind;
e) in dringende gevallen de noodzakelijke handelingen verrichten in afwachting van deskundige medische hulp;
f) gezondheidsvoorlichting en -opvoeding van de vrouw, de familie en de maatschappij;
g) prenatale opvoeding en voorbereiding op het ouderschap;
2º het meewerken, samen met de arts, en onder diens verantwoordelijkheid, aan de opvang en de behandeling van vruchtbaarheidsproblemen, van zwangerschappen en bevallingen met verhoogd risico en van pasgeborenen die in levensbedreigende of bijzondere ziektecondities verkeren, alsook aan de zorg die in die gevallen moet worden verleend.
§2. De Koning bepaalt, na advies van de Federale Raad voor de Vroedvrouwen, de handelingen die, overeenkomstig §1, mogen worden verricht door de personen die erkend zijn als houder van de beroepstitel van vroedvrouw en bepaalt, op advies van de Federale Raad voor de vroedvrouwen, de nadere regels en de erkenningscriteria voor de verkrijging van de beroepstitel van vroedvrouw.
§3. De Koning bepaalt, op advies van de Federale Raad voor de vroedvrouwen, de nadere regels en de bijzondere kwalificatiecriteria die de houder van de beroepstitel van vroedvrouw de mogelijkheid geven geneesmiddelen voor te schrijven.
De Koning bepaalt, na advies van de Federale Raad voor de Vroedvrouwen en de Koninklijke Academie voor Geneeskunde, de voorschriften van geneesmiddelen die autonoom mogen worden opgesteld in het kader van de opvolging van normale zwangerschappen, de praktijk van normale bevallingen en de zorg aan gezonde pasgeborenen in en buiten het ziekenhuis. Het voorschrijven van contraceptiva is beperkt tot de drie maanden volgend op de bevalling.
§4. De Koning stelt op advies van de Federale Raad voor de Vroedvrouwen, de bijzondere kwalificatiemodaliteiten en -criteria vast waaraan houders van de beroepstitel van vroedvrouw moeten voldoen om bekkenbodemre-educatie te mogen uitvoeren.
§5. De Koning stelt op advies van de Federale Raad voor de Vroedvrouwen, de bijzondere kwalificatiemodaliteiten en -criteria vast waaraan houders van de beroepstitel van vroedvrouw moeten voldoen om functionele, en geen morfologische, echografieën uit te voeren.
De Koning bepaalt, na advies van de Federale Raad voor de Vroedvrouwen en de Koninklijke Academie voor Geneeskunde, de lijst met motieven en situaties waarin de houder van de beroepstitel van vroedvrouw een echografie kan uitvoeren.
Art. 21noviesdecies. - §1. De erkenning als houder of houdster van de beroepstitel van vroedvrouw wordt van rechtswege toegekend aan de houder van een diploma van hoger onderwijs, afgeleverd door een door de bevoegde overheid erkende onderwijsinstelling, in het kader van specifiek onderwijs dat ten minste 240 studiepunten omvat.
Tot 1 oktober 2009 wordt de erkenning als houder of houdster van de beroepstitel van vroedvrouw van rechtswege toegekend aan de houder van een diploma van hoger onderwijs, afgeleverd door een door de bevoegde overheid erkende onderwijsinstelling, in het kader van specifiek onderwijs dat ten minste 180 studiepunten omvat.
De personen die op de datum van inwerkingtreding van de wet van 10 augustus 2001 houdende maatregelen inzake gezondheidszorg in het bezit zijn van een geviseerd diploma of titel van vroedvrouw, worden van rechtswege erkend als houder of houdster van de beroepstitel van vroedvrouw.
§2. De erkenning als houder of houdster van de beroepstitel van vroedvrouw wordt toegekend door de minister bevoegd voor de Volksgezondheid. Om de erkenning als houder of houdster van de beroepstitel van vroedvrouw te behouden, is de vroedvrouw verplicht zich door middel van permanente opleiding op de hoogte te houden van de evoluties in de verloskunde. De minimumduur en de regels van de permanente opleiding worden, op advies van de Federale Raad voor Vroedvrouwen, door de Koning vastgesteld.
§3. De erkenning als houder of houdster van de beroepstitel van vroedvrouw kan worden ingetrokken indien de betrokkene, na een waarschuwing te hebben ontvangen, geen permanente opleiding volgt. De regels inzake intrekking van de erkenning worden, op advies van de Federale Raad voor Vroedvrouwen, door de Koning vastgesteld.
§4. Bij de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de voedselketen en Leefmilieu wordt een Federale Raad voor de Vroedvrouwen opgericht die tot taak heeft advies uit te brengen omtrent alle problemen van de vroedvrouwen die tot de federale bevoegdheid behoren.".
Art. 4
In artikel 3, eerste lid, van hetzelfde besluit, vervallen de woorden "§1 of §2".
Art. 5
In artikel 4, §1, eerste lid, van hetzelfde besluit, vervallen de woorden "§1 of §2".
Art. 6
In artikel 5, §1, vierde lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de wet van 9 juli 2004, worden de woorden "en na advies van de Koninklijke Academiën voor Geneeskunde" vervangen door de woorden "na advies van de Academiën voor Geneeskunde en na advies, elk wat hen betreft, van de Federale Raad voor de Vroedvrouwen, de Nationale Raad voor Verpleegkunde, de Nationale Raad voor de Kinesitherapie en de Nationale Raad van Paramedische Beroepen".
Art. 7
In artikel 7, §1, eerste lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de wet van 6 april 1995, worden de woorden "de artikelen 2, 3, 4 en 21bis" vervangen door de woorden "de artikelen 2, §1, 3, 4, 21bis en 21noviesdecies".
Art. 8
In artikel 8, §1, eerste lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de wet van 6 april 1995, worden de woorden "de artikelen 2, 3 en 21bis" vervangen door de woorden "de artikelen 2, §1, 3, 21bis en 21noviesdecies".
Art. 9
In artikel 9, §1, eerste lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de wetten van 6 april 1995 en 25 januari 1999, worden de woorden "de artikelen 2, 3, 4 en 21bis" telkens vervangen door de woorden "de artikelen 2, §1, 3, 4, 21bis en 21noviesdecies".
Art. 10
In artikel 12 van hetzelfde besluit, worden de woorden "bij de artikelen 2, 3 en 4" vervangen door de woorden "bij de artikelen 2, §1, 3, 4 en 21noviesdecies".
Art. 11
In artikel 13, §1, eerste lid van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de wet van 6 april 1995, worden de woorden "de artikelen 2, 3 of 4" vervangen door de woorden "de artikelen 2, §1, 3, 4 of 21noviesdecies".
Art. 12
In artikel 15, eerste lid van hetzelfde besluit worden de woorden "de artikelen 2, 3 en 4" vervangen door de woorden "de artikelen 2, §1, 3, 4 en 21noviesdecies".
Art. 13
In artikel 17, eerste lid, van hetzelfde besluit worden de woorden "de artikelen 2, 3 of 4" vervangen door de woorden "de artikelen 2, §1, 3, 4 of 21noviesdecies".
Art. 14
In artikel 18, §2, eerste lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de wet van 6 april 1995, worden de woorden "de artikelen 2, 3, 4 en 21bis" vervangen door de woorden "de artikelen 2, §1, 3, 4, 21bis en 21noviesdecies".
Art. 15
In artikel 19 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de wet van 6 april 1995, worden de woorden "de artikelen 2, 3, 4 of 21bis" vervangen door de woorden "de artikelen 2, §1, 3, 4, 21bis of 21noviesdecies".
Art. 16
In artikel 35ter van hetzelfde besluit, ingevoegd bij de wet van 19 december 1990, worden de woorden "de artikelen 2, 3, 4, 5, §2 eerste lid, 21bis, 21quater en 22" vervangen door de woorden "de artikelen 2, §1, 3, 4, 5, §2 eerste lid, 21bis, 21quater, 21noviesdecies en 22".
Art. 17
In artikel 35terdecies van hetzelfde besluit, ingevoegd bij de wet van 10 december 1997 en gewijzigd bij de wet van 2 augustus 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1º in punt 1º worden de woorden "artikelen 2, 3, 4, 5 §2, 21bis, 21quater en 22" vervangen door de woorden "artikelen 2, §1, 3, 4, 5 §2, 21bis, 21quater, 21noviesdecies en 22";
2º in punt 3º, b), worden de woorden "in artikelen 2, §2, 3, 4, 5, §2, 21bis, 21quater en 22" vervangen door de woorden "in artikelen 3, 4, 5, §2, 21bis, 21quater, 21noviesdecies en 22".
Art. 18
In artikel 36, §2, punt 7, van hetzelfde besluit, worden de woorden "twee houdsters van het diploma van vroedvrouw" vervangen door de woorden "twee houders van de beroepstitel van vroedvrouw".
Art. 19
In artikel 37, §1, 2º, b), van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de wetten van 20 december 1974 en 6 april 1995, worden de woorden "de artikelen 2, 3, 4 of 21bis" vervangen door de woorden "de artikelen 2, §1, 3, 4, 21bis of 21noviesdecies".
Art. 20
In artikel 38 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de wetten van 20 december 1974, 13 december 1976, 22 februari 1994, 6 april 1995, 17 maart 1997, 10 augustus 2001 en 9 juli 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1º in §1, 1º, eerste en vierde lid, worden de woorden "artikelen 2, 3, 4, 21bis of 51" vervangen door de woorden "artikelen 2, §1, 3, 4, 21bis, 21noviesdecies of 51";
2º in §1, 3º, worden de woorden "de artikelen 2, 3, 4 of 21bis" vervangen door de woorden "de artikelen 2, §1, 3, 4, 21bis of 21noviesdecies";
3º in §2, 2º, worden de woorden "artikelen 2, 3, 4, 5, 6 en 21bis" vervangen door de woorden "artikelen 2, §1, 3, 4, 5, 6, 21bis en 21noviesdecies";
4º in §3, a), worden de woorden "artikelen 2 of 3" vervangen door de woorden "artikelen 2, §1, 3 of 21noviesdecies";
5º in §3, c) en d), worden de woorden "de artikelen 2, 3 of 4" telkens vervangen door de woorden "de artikelen 2, §1, 3, 4 of 21noviesdecies".
Art. 21
In de Franse versie van het artikel 44bis, punt 7, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij de wet van 14 juni 1999 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 februari 2003, worden de woorden "Directives Accoucheuses" vervangen door de woorden "Directives Sages-femmes".
Art. 22
Artikel 44sexies van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 14 juni 1999, wordt vervangen als volgt:
"Art. 44sexies. - Wat betreft de uitoefening van het beroep van vroedvrouw wordt gelijkgesteld met de houder van de Belgische titel van vroedvrouw, de Europese onderdaan die houder is van een diploma, certificaat of andere titel van verloskundige die beantwoordt aan de bepalingen vastgesteld door de minister, conform de bepalingen van de Richtlijnen `Vroedvrouwen', en die werd erkend door de minister conform artikel 44octies, §1.".
Art. 23
In artikel 45, §2, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de wetten van 6 augustus 1993 en 6 april 1995, vervallen de woorden "§1,".
Art. 24
In artikel 45ter, §1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij de wet van 25 januari 1999, worden de woorden "artikelen 2, 3, 4, 5 §2, 21bis, 21quater en 22" vervangen door de woorden "artikelen 2, §1, 3, 4, 5, §2, 21bis, 21quater, 21noviesdecies en 22".
Art. 25
In artikel 46, §1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de wetten van 19 december 1990 en 17 maart 1997, worden de woorden "artikel 2, artikel 3, derde lid, artikel 4, §1, en artikel 5, §2 eerste lid" vervangen door de woorden "artikel 2, §1, artikel 3, derde lid, artikel 4, §1, artikel 5, §2 eerste lid en artikel 21octiesdecies, §2".
Art. 26
In artikel 49bis, §1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij de wet van 22 februari 1998, worden de woorden "artikelen 2, 3, 4, 5, §2, 21bis of 21quater" vervangen door de woorden "artikelen 2, §1, 3, 4, 5, §2, 21bis, 21quater of 21noviesdecies".
Art. 27
In artikel 49quater van hetzelfde besluit, ingevoegd bij de wet van 22 februari 1998, worden de woorden "artikelen 2, 3, 4, 5 §2, 21bis, 21quater en 22" vervangen door de woorden "artikelen 2, §1, 3, 4, 5, §2, 21bis, 21quater, 21noviesdecies en 22".
Art. 28
Artikel 50, §2, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de wet van 22 februari 1994, wordt opgeheven.
Art. 29
Artikel 21noviesdecies, §1, eerste lid, van hetzelfde besluit, zoals ingevoegd bij artikel 3, treedt in werking op een door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, te bepalen datum.
Op deze artikelen hebben mevrouw de Schamphelaere en de heer Beke amendement 7 ingediend (zie stuk 3-1812/3) dat luidt:
Hoofdstuk 1 van Titel II, dat de artikelen 2 tot en met 29 bevat, doen vervallen.
Op artikel 3 hebben mevrouw De Schamphelaere en de heer Beke amendement 8 ingediend (zie stuk 3-1812/3) dat luidt:
Het voorgestelde artikel 21octiesdecies, §2, vervangen als volgt:
"De Koning bepaalt, na advies van de Federale Raad voor de Vroedvrouwen en van de Koninklijke Academie voor Geneeskunde, de handelingen die, overeenkomstig §1, mogen worden verricht door de personen die erkend zijn als houder van de beroepstitel van vroedvrouw en bepaalt op advies van de Federale Raad voor de vroedvrouwen en de Koninklijke Academie voor Geneeskunde de nadere regels en de erkenningscriteria voor de verkrijging van de beroepstitel van vroedvrouw."
Op hetzelfde artikel hebben mevrouw De Schamphelaere en de heer Beke amendement 9 ingediend (zie stuk 3-1812/3) dat luidt:
§3 van het voorgestelde artikel 21octiesdecies, doen vervallen.
Op hetzelfde artikel hebben mevrouw De Schamphelaere en de heer Beke amendement 10 ingediend (zie stuk 3-1812/3) dat luidt:
§4 van het voorgestelde artikel 21octiesdecies, aanvullen als volgt:
"De Koning stelt op advies van de Federale Raad voor de Vroedvrouwen, de bijzondere kwalificatiemodaliteiten en -criteria vast waaraan houders van de beroepstitel van vroedvrouw moeten voldoen om bekkenbodemre-educatie te mogen uitvoeren. Bekkenbodemre-educatie zal geen deel uitmaken van de basisopleiding, maar het voorwerp uitmaken van een specialisatie."
Op hetzelfde artikel hebben mevrouw De Schamphelaere en de heer Beke amendement 11 ingediend (zie stuk 3-1812/3) dat luidt:
Het eerste lid van §5 van het voorgestelde artikel 21octiesdecies, aanvullen als volgt:
"De Koning stelt op advies van de Federale Raad voor de Vroedvrouwen, de bijzondere kwalificatiemodaliteiten en -criteria vast waaraan houders van de beroepstitel van vroedvrouw moeten voldoen om functionele, en geen morfologische, echografieën uit te voeren. Functionele echografieën zullen geen deel uitmaken van de basisopleiding, maar het voorwerp uitmaken van een specialisatie."
Op hetzelfde artikel hebben mevrouw De Schamphelaere en de heer Beke amendement 23 ingediend (zie stuk 3-1812/3) dat luidt:
Het voorgestelde artikel 21noviesdecies, §1, eerste lid, vervangen als volgt:
"Art. 21noviesdecies. - §1. De erkenning als houder of houdster van de beroepstitel van vroedvrouw wordt van rechtswege toegekend aan de houder van een diploma van hoger onderwijs, afgeleverd door een door de bevoegde overheid erkende onderwijsinstelling, in het kader van specifiek onderwijs Vroedkunde dat ten minste 240 studiepunten omvat."
Mevrouw De Schamphelaere en de heer Beke hebben amendement 24 ingediend (zie stuk 3-1812/4) dat luidt:
Een nieuw art. 9bis (nieuw) invoegen, dat luidt als volgt:
"In artikel 11 van hetzelfde besluit worden de woorden `bij de artikelen 2, 3 en 4' vervangen door de woorden `bij de artikelen 2, §1, 3, 4 en 21noviesdecies'."
Artikel 39 luidt:
In het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, wordt een artikel 45quinquies ingevoegd, luidende:
"Art. 45quinquies. - §1. De Staat kan met de verzekeringsinstellingen bedoeld in de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, en voor de pathologieën met betrekking tot kanker, een stichting van openbaar nut, zoals bedoeld in de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, oprichten met het oog op de volgende doelstellingen:
1º het opmaken van verslagen betreffende de incidentie van de verschillende vormen van kanker, evenals de prevalentie ervan en de overleving van de patiënten;
2º het verrichten van studies (case-controle en cohortstudie) over de oorzaken van kanker;
3º een analyse van de geografische spreiding van de verschillende vormen van kanker, de incidentie, de trends en de gevolgen ervan, zodat de mogelijke oorzaken kunnen worden onderzocht en de risicofactoren kunnen worden vergeleken;
4º het rapporteren aan de bevoegde internationale instanties, met inbegrip van de Wereldgezondheidsorganisatie.
De Koning kan nadere regelen bepalen met betrekking tot de bevoegdheden van deze Stichting, evenals de wijze waarop deze worden uitgevoerd.
§2. De Stichting verzamelt en registreert de volgende gegevens:
1º het identificatienummer van de sociale zekerheid (INSZ) van de patiënt;
2º de klinische gegevens, verzameld in het kader van de verplichte deelname aan de kankerregistratie zoals voorzien in artikel 11, §1, van het koninklijk besluit van 21 maart 2003 houdende vaststelling van de normen waaraan het zorgprogramma voor oncologische basiszorg en het zorgprogramma voor oncologie moeten voldoen om erkend te worden:
a) wanneer het gevallen van kanker betreft die in aanmerking komen voor de terugbetaling van een multidisciplinair oncologisch consult, moeten de gegevens door de oncologisch coördinator van het multidisciplinair consult op het standaard kankerregistratieformulier worden ingevuld en worden overgezonden aan de adviserend geneesheer van de verzekeringsinstelling van de patiënt.
De adviserend geneesheer van de verzekeringsinstelling bezorgt de gegevens daarna aan de Stichting;
b) wanneer het klinische gegevens betreft omtrent kankers die niet in aanmerking komen voor de vergoeding van een multidisciplinair oncologisch consult moeten deze gegevens samen met het identificatienummer van de patiënt op het standaard kankerregistratieformulier door de verantwoordelijke geneesheren aan de adviserend geneesheer van de verzekeringsinstelling van de patiënt worden overgezonden, die de gegevens daarna bezorgt aan de Stichting;
3º de gegevens van de diensten voor pathologische anatomie en klinische biologie/hematologie.
De artsen van elk laboratorium voor pathologische anatomie, klinische biologie of hematologie moeten de resultaten registreren van de onderzoeken die overeenkomen met een diagnose van kanker.
Voor de registratie gebruiken zij de classificaties voor pathologische anatomie, respectievelijk hematologie, goedgekeurd door het College voor Oncologie in overleg met het Consilium Pathologicum Belgicum, de Belgische Vereniging voor Hematologie en de Belgische Vereniging voor Klinische Biologie.
Zij bezorgen deze geregistreerde gegevens met het identificatienummer, het verslag en de erin vervatte conclusies rechtstreeks aan de verantwoordelijke arts van de stichting;
4º de gegevens van de overleving, van de geografische lokalisatie.
De verzekeringsinstellingen vullen de klinische, de patholooganatomische en de hematologische gegevens aan met:
5º wanneer de adviserend geneesheer van de verzekeringsinstellingen op basis van terugbetaalde prestaties in het kader van de verplichte verzekering voor geneeskunde verzorging geïnformeerd zijn over een diagnose van kanker bij een patiënt of indien de patiënt een onderzoek heeft ondergaan in het kader van een screeningsprogramma voor kanker, mogen zij contact opnemen met de verantwoordelijke arts met als doel om de vereiste gegevens aan de Stichting over te zenden;
6º de oncologisch coördinator van een erkend zorgprogramma voor oncologische basiszorg en/of zorgprogramma voor oncologie kan een aanvraag doen bij de Stichting en de Verzekeringsinstellingen voor het rechtstreeks sturen van een reeks van gegevens aan de stichting. De Stichting bepaalt de frequentie en de formaten waarin deze gegevens moeten worden overgezonden;
7º een erkend zorgprogramma voor oncologie kan, op aanvraag, bij de Stichting een verbeterd of vervolledigd elektronische kopie bekomen van de gegevens die door deze aan de Stichting overgemaakt worden.
§3. De Stichting wordt onder meer belast met:
1º de conversie van de klinische informatie op de gestandaardiseerde kankerregistratieformulieren naar internationaal erkende classificaties in samenwerking met de medische adviseurs of hun medewerkers van de verzekeringsinstellingen die hiervoor zijn opgeleid;
2º de koppeling van de gegevens op basis van het identificatienummer van de sociale zekerheid (INSZ) van de patiënt;
3º alle analyses van niet gecodeerde persoonsgegevens;
4º de codering van het identificatienummer van de sociale zekerheid (INSZ) van de patiënt;
5º de kwaliteitscontrole van de verzamelde gegevens. Onder kwaliteitscontrole wordt verstaan het nagaan van de exhaustiviteit en de volledigheid van de registratie, de precisie en de onderlinge samenhang van de aangeleverde gegevens.
In het kader van deze kwaliteitscontrole staat de Stichting in voor de rechtstreekse of onrechtstreekse contacten, via de adviserende geneesheren van de verzekeringsinstellingen, met de leveranciers van de gegevens en zij kan aan al deze instanties informatie, aanpassingen en bijkomende gegevens vragen om een kwaliteitsvolle kankerregistratie te garanderen;
6º het afsluiten van conventies die de modaliteiten bepalen van de overdracht van de gegevens, de kwaliteitscriteria, de veiligheidsvereisten, de frequentie van de overdracht van de gegevens;
7º na machtiging van de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke levenssfeer het verzamelen van persoonsgegevens, meer bepaald door middel van enquêtes, bij patiënten met kanker voor zover deze gegevens bestemd zijn om gekoppeld te worden met gegevens van de Stichting;
8º na machtiging van de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke levenssfeer, het overmaken van gecodeerde kopie van gegevens inzake kankerregistratie aan het federaal Kenniscentrum voor de gezondheidszorg, het Rijksinstituut voor Ziekte- en invaliditeitsverzekering en het Intermutualistisch Agentschap;
9º na de machtiging van de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke levenssfeer, het overmaken van in 8º bedoelde gegevens aan andere instanties voor onderzoeksdoeleinden en op basis van een onderzoeksprotocol dat aan de door de Koning bepaalde regelen voldoet;
10º het actualiseren en het opslaan van deze gegevens volgens de fysieke en logische veiligheidsvoorschriften;
11º het ter beschikking stellen van rapporten en resultaten onder vorm van geaggregeerde gegevens aan de minister bevoegd voor de Volksgezondheid, aan de minister bevoegd voor de Sociale Zaken, de gemeenschappen en het college van oncologie;
12º het opstellen van rapporten voor het gezondheidsbeleid, het algemeen publiek en de internationale organisaties.
§4. Voor wat de toepassing van dit artikel betreft, is de Stichting de beheersinstelling zoals bedoeld in artikel 31bis van de Wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
De Stichting dient strikte organisatorische en technische veiligheidsmaatregelen te nemen om de bescherming van de gegevens te garanderen en meer bepaald:
1º het opstellen van een veiligheidsplan dat overgezonden wordt aan het sectoraal comité voor de gezondheidsgegevens;
2º een veiligheidsconsulent aan te wijzen die in het bijzonder belast is met:
3º een geneesheer-directeur aan te wijzen die als opdracht heeft te waken over de vertrouwelijkheid van de gegevens en er voor te zorgen dat zijn medewerkers slechts toegang hebben tot die gegevens die ze werkelijk nodig hebben bij het uitoefenen van hun taak;
4º het voorzien van een clausule met betrekking tot de vertrouwelijkheid in de arbeidsovereenkomst met elk personeelslid van de Stichting dat toegang heeft tot de gegevens.
§5. De Koning kan nadere regelen bepalen voor de toepassing van dit artikel."
Op dit artikel hebben mevrouw De Schamphelaere en de heer Beke amendement 12 ingediend (zie stuk 3-1812/3) dat luidt:
In het voorgestelde artikel 45quinquies, het 1º schrappen.
Artikel 45 luidt:
In artikel 138 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 14 januari 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1º §1, derde lid, wordt aangevuld als volgt:
"De Koning bepaalt eveneens de categorieën van patiënten in daghospitalisatie die zijn opgenomen in tweepatiëntenkamers of gemeenschappelijke kamers ten aanzien van dewelke het eerste en tweede lid voor alle verstrekkingen van toepassing zijn.";
2º in §2, tweede lid, worden de woorden "met uitzondering van de patiënten bedoeld in artikel 90, §2, c)," ingevoegd tussen de woorden "de in §1, eerste en tweede lid, bedoelde patiënten" en het woord "tarieven";
3º in §2, tweede lid, worden de woorden "en d)" ingevoegd tussen de woorden "bedoeld in artikel 90, §2, c)" en de woorden "tarieven";
4º §2, derde lid, wordt aangevuld als volgt:
"De Koning bepaalt eveneens de categorieën van patiënten in daghospitalisatie die zijn opgenomen in tweepatiëntenkamers of gemeenschappelijke kamers ten aanzien van dewelke het tweede lid voor alle verstrekkingen van toepassing is.";
5º in §4, eerste lid, worden de woorden "met uitzondering van de patiënten bedoeld in artikel 90, §2, c) en d)," ingevoegd tussen de woorden "de in §1, eerste en tweede lid, bedoelde patiënten" en het woord "tarieven";
6º §4, tweede lid, wordt aangevuld als volgt:
"De Koning bepaalt eveneens de categorieën van patiënten in daghospitalisatie die zijn opgenomen in tweepatiëntenkamers of gemeenschappelijke kamers ten aanzien van dewelke het eerste lid voor alle verstrekkingen van toepassing is.";
7º het artikel wordt aangevuld met een §6, luidende:
"§6. De in §§1, 2 en 4, bedoelde geneesheren, kunnen, onverminderd §1, tweede lid, ten aanzien van de patiënten opgenomen in individuele kamers tarieven aanrekenen die afwijken van de verbintenistarieven, voor zover terzake in de algemene regeling, bedoeld in artikel 130, maximumtarieven zijn vastgesteld, en deze door de betrokken geneesheren worden nageleefd. Dit onderdeel van de algemene regeling dient voor de toepassing ervan, door de beheerder aan de Paritaire Commissie Geneesheren-Ziekenhuizen en, via het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering, aan de verzekeringsinstellingen te worden medegedeeld.";
8º het artikel wordt aangevuld met een §7, luidende:
"§7. De artsen bedoeld in §§1, 2 en 4, mogen geen supplementen toepassen voor de forfaitaire honoraria per opname en/of per verpleegdag te betalen betreffende de verstrekkingen inzake klinische biologie of medische beeldvorming.".
Op dit artikel hebben mevrouw De Schamphelaere en de heer Beke amendement 13 ingediend (zie stuk 3-1812/3) dat luidt:
Het 1º van dit artikel vervangen als volgt:
"1º §2, tweede lid, wordt vervangen als volgt:
De in het eerste lid bedoelde geneesheren, kunnen ten aanzien van de in §1, eerste en tweede lid, bedoelde patiënten geen tarieven aanrekenen die afwijken van de verbintenistarieven."
Op hetzelfde artikel hebben mevrouw De Schamphelaere en de heer Beke amendement 14 ingediend (zie stuk 3-1812/3) dat luidt:
Het 2º van dit artikel vervangen als volgt:
"2º §4, eerste lid, wordt vervangen als volgt:
Indien er geen akkoord, zoals bedoeld in artikel 50 van voornoemde wet van 14 juli 1994, van kracht is, kunnen de geneesheren ten aanzien van de in §1, eerste en tweede lid, bedoelde patiënten geen tarieven aanrekenen die afwijken van de tarieven die als grondslag dienen voor de berekening van de verzekeringstegemoetkoming."
Op hetzelfde artikel hebben mevrouw De Schamphelaere en de heer Beke amendement 15 ingediend (zie stuk 3-1812/3) dat luidt:
In dit artikel:
A. Het 3º vervangen als volgt:
"3º §5 wordt vervangen als volgt:
De in §1 en §2 bedoelde geneesheren, kunnen ten aanzien van de patiënten die worden opgenomen in een individuele kamer, onverminderd §1, tweede lid, een honorariumsupplement aanrekenen voor zover terzake in de algemene regeling, bedoeld in artikel 130, maximum honorariumsupplementen zijn vastgesteld met vermelding van maximum bedrag en maximum percentages, overeenkomstig het tweede, derde en vierde lid, welke worden gehanteerd in het betrokken ziekenhuis.
Bovendien kan dit honorariumsupplement slechts aangerekend worden na neerlegging van een afschrift van de algemene regeling bij de Paritaire Commissie Volksgezondheid en bij de leidend ambtenaar van het RIZIV, die een kopie bezorgt aan de verzekeringsinstellingen.
De vastgestelde honorariumsupplementen voor patiënten opgenomen in een kamer zoals bepaald in het eerste lid, mogen niet meer bedragen dan 200% van de verbintenistarieven indien deze worden gevraagd door de behandelende ziekenhuisgeneesheer. Onder behandelende ziekenhuisgeneesheer dient te worden verstaan: diegene die verantwoordelijk is voor de opname en de ontslagbrief schrijft. Elke andere ziekenhuisgeneesheer mag maximaal 100% van de verbintenistarieven vragen als honorariumsupplement.
Bovendien mag de som van de vastgestelde honorariumsupplementen, per opnameperiode van een maand, het bedrag van 1.000 euro niet overschrijden. Het honorariumsupplement dat wordt gevraagd door de behandelende ziekenhuisgeneesheer primeert op de supplementen die worden gevraagd door elke andere ziekenhuisgeneesheer. Ieder ziekenhuis mag in zijn algemene regeling een lager honorariumsupplement opnemen doch geen hoger."
B. Het 4º tot 8º doen vervallen.
Mevrouw De Schamphelaere en de heer Beke hebben amendement 16 ingediend (zie stuk 3-1812/3) dat luidt:
In het hoofdstuk VII onder het opschrift "Contracten van samenaankoop" een afdeling 1bis (nieuw) invoegen, dat een artikel 47bis (nieuw) omvat, luidend als volgt:
"In de Wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987, wordt in Titel IV een nieuw hoofdstuk Ibis ingevoerd, luidend als volgt:
`Hoofdstuk Ibis: Samenaankoop
Art. 129ter
Het Orgaan voor samenaankoop heeft als opdracht de prospectie, de voorbereiding en de afhandeling van projecten van samenaankoop tussen ziekenhuizen en associaties van ziekenhuizen.
De beheerder wijst de vertegenwoordiger aan die het ziekenhuis zal vertegenwoordigen in dit orgaan en bepaalt zijn gebonden opdracht.
Associaties van ziekenhuizen die beslissen gezamenlijk op te treden kunnen een gemeenschappelijke vertegenwoordiger afvaardigen.
Onder verantwoordelijkheid van de beheerder wordt een gedetailleerde aankoopcyclus opgesteld. Dit bestaat uit een nauwkeurige weergave van alle aangekochte producten, met hun specificaties, de hoeveelheid en het moment en de periodiciteit van aankoop.
Art. 129quater
Het orgaan bepaalt in onderling overleg welke administratieve ondersteuning wordt voorzien en hoe de werkingskosten daarvan onderling worden verdeeld.
Op dezelfde wijze wordt beslist welke elementen van de aankoopcyclus aan haar dienen medegedeeld te worden.
Het orgaan kan verder alle afspraken maken die ze dienstig acht voor haar werking en deze laten opnemen in een intern reglement.
Art. 129quinquies
Op basis van een vergelijking van de aankoopcycli en eventuele concrete voorstellen van één of meerdere ziekenhuizen, stelt het overlegorgaan een lijst op van de potentieel nuttige initiatieven en maakt dit via de vertegenwoordigers over aan de respectievelijke beheerders. Deze laatstgenoemden maken duidelijk waarvoor al dan niet interesse bestaat, waarna het Overlegorgaan voor samenaankoop deze verder in detail kan onderzoeken en voorbereiden.
Het is bevoegd contracten tot samenaankoop af te sluiten eens daartoe overeenstemming bestaat tussen minimum 2 ziekenhuizen, op voorwaarde dat de andere ziekenhuizen een laatste maal uitgenodigd worden mee hierop in te tekenen.
Het overlegorgaan bepaalt de termijn waarbinnen deze laatste antwoorden haar dienen te bereiken.
Art. 129sexies
De rechtsverhouding tussen het overlegorgaan tot samenaankoop en de voor dat contract deelnemende ziekenhuizen, wordt beheerst door een lasthebbersovereenkomst.'"
Artikel 61 luidt:
In artikel 3, §1, van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt worden de woorden "contractuele en buitencontractuele" ingevoegd tussen de woorden "van toepassing op" en "privaatrechtelijke en publiekrechtelijk".
Op dit artikel hebben mevrouw De Schamphelaere en de heer Beke amendement 17 ingediend (zie stuk 3-1812/3) dat luidt:
Dit artikel doen vervallen.
Artikel 62 luidt:
Artikel 7, §2, derde lid, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
"De patiënt heeft het recht zich te laten bijstaan door een vertrouwenspersoon of het recht op de in §1 bedoelde informatie uit te oefenen via deze persoon. De beroepsbeoefenaar noteert in voorkomend geval in het patiëntendossier dat de informatie, met akkoord van de patiënt, werd meegedeeld aan of in aanwezigheid van de vertrouwenspersoon evenals de identiteit van laatstgenoemde. De patiënt kan bovendien uitdrukkelijk verzoeken dat voormelde gegevens in het patiëntendossier worden opgenomen.".
Op dit artikel hebben mevrouw De Schamphelaere en de heer Beke amendement 18 ingediend (zie stuk 3-1812/3) dat luidt:
Dit artikel doen vervallen.
Artikel 64 luidt:
In artikel 14 van dezelfde wet wordt een §4 ingevoegd luidend als volgt:
"§4. Het in artikel 11 bedoelde recht om klacht neer te leggen, kan in afwijking van §§1 en 2, worden uitgeoefend door de in voornoemde paragrafen bedoelde personen die door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad zijn aangewezen, zonder dat de daarin opgenomen volgorde moet worden gerespecteerd.".
De Koning kan, bij in een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, nadere regelen bepalen voor de toepassing van deze §.
Op dit artikel hebben mevrouw De Schamphelaere en de heer Beke amendement 19 ingediend (zie stuk 3-1812/3) dat luidt:
Dit artikel doen vervallen.
Op hetzelfde artikel hebben mevrouw De Schamphelaere en de heer Beke amendement 29 ingediend (zie stuk 3-1812/4) dat luidt:
§4 van het voorgestelde artikel 14 vervangen als volgt:
"§4. Het in artikel 11 bedoelde recht om klacht neer te leggen kan, zonder de volgorde opgelegd in §1 en §2 te respecteren, worden uitgeoefend door de in voornoemde paragrafen bedoelde personen die door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad zijn aangewezen. Het is essentieel dat het recht om klacht neer te leggen in voornoemde gevallen niet systematisch recht mag geven om kennis te nemen van de gehele zaak."
Artikel 68 luidt:
§1. In uitzonderlijke omstandigheden, wanneer het absoluut noodzakelijk is en binnen de perken van artikel 65 en op voorstel van het netwerk bedoeld in artikel 67, kan de minister bevoegd voor de Volksgezondheid:
1º ziekenhuizen verplichten hun patiënten naar een (de) door hem aangewezen verzorginstelling(en) over te brengen;
2º aan derden uit het netwerk vragen om anonieme of anoniem gemaakte gegevens mee te delen.
§2. Er wordt onmiddellijk een einde gemaakt aan de verplichtingen van §1 zodra ze niet langer nodig zijn.
Op dit artikel hebben mevrouw De Schamphelaere en de heer Beke amendement 25 ingediend (zie stuk 3-1812/4) dat luidt:
§1, 2º, van dit artikel wijzigen als volgt:
"aan derden buiten het netwerk vragen om anonieme of anoniem gemaakte gegevens mee te delen."
Artikel 72 luidt:
Worden bestraft met een boete van 100 tot 1.000 euro en een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden of enkel met een van deze straffen, degene die weigert patiënten overeenkomstig artikel 68, §1, 1º over te brengen en een derde persoon uit het Netwerk die weigert de in artikel 68, §1, 2º bedoelde gegevens mee te delen.
Op dit artikel hebben mevrouw De Schamphelaere en de heer Beke amendement 26 ingediend (zie stuk 3-1812/4) dat luidt:
Dit artikel vervangen als volgt:
"Met geldboete van 100 euro tot 1.000 euro en gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden of met één van deze straffen alleen wordt bestraft, hij die weigert patiënten overeenkomstig artikel 68, §1, 1º, over te brengen en de derde persoon die niet tot het netwerk behoort en weigert de in artikel 68, §1, 2º, bedoelde gegevens mee te delen."
Mevrouw De Schamphelaere en de heer Beke hebben amendement 20 ingediend (zie stuk 3-1812/3) dat luidt:
Een artikel 82bis (nieuw) invoegen, luidend als volgt:
"Art. 82bis. - In artikel 29bis van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, wordt tussen het voorlaatste en laatste lid een nieuw lid ingevoegd dat luidt als volgt: `Deze commissie richt binnen haar schoot een werkgroep radio-isotopen op. De samenstelling en de werkingsregels van deze werkgroep wordt door de Koning bepaald.'"
Artikel 104 luidt:
Artikel 151 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 24 december 1999, wordt vervangen als volgt:
"Art. 151. - De geneesheren-inspecteurs, de apothekers-inspecteurs, de verpleegkundigen-controleurs, de sociaal controleurs en het administratief personeel, staan in iedere provincie en in de tweetalige dienst voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest onder de leiding van een geneesheer-inspecteur-directeur.
De geneesheren-inspecteurs-directeurs staan onder de leiding van twee geneesheren-inspecteurs-generaal, die onder de leiding staan van de geneesheer-directeur generaal, Leidend ambtenaar.".
Op dit artikel hebben mevrouw De Schamphelaere en de heer Beke amendement 27 ingediend (zie stuk 3-1812/4) dat luidt:
Dit artikel doen vervallen.
Artikel 108 luidt:
In dezelfde wet wordt artikel 157, opgeheven bij de wet van 24 december 2002 hersteld in de volgende lezing:
"Art. 157. - §1. De uitvoering van de beslissingen die administratieve geldboetes opleggen bedoeld in artikel 142, kan geheel of gedeeltelijk worden opgeschort gedurende een periode van één tot drie jaar wanneer blijkt dat noch een administratieve geldboete, noch enige andere maatregel opgelegd door een administratieve of jurisdictionele instantie ingesteld bij het Instituut, de Leidend ambtenaar of door de door hem aangewezen ambtenaar, de Beperkte Kamers of hun Commissies van beroep, de Controlecommissie of haar Commissie van beroep, het Comité of de Kamer van beroep werd uitgesproken werd binnen de drie jaar voorafgaand aan de uitspraak.
Wanneer een zelfde feit meerdere overtredingen inhoudt, wordt alleen de hoogste geldboete uitgesproken.
Wanneer de zorgverlener binnen de drie jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de beslissing die een maatregel oplegt als bedoeld in artikel 142, definitief werd, een nieuwe inbreuk pleegt, kan de geldboete worden verhoogd tot het dubbele van het voorziene maximum.
Een geldboete uitgesproken wegens inbreuk op artikel 73bis, 7º, of op artikel 141, §5, vierde lid, c, opgeheven bij de wet van (...), brengt geen toepassing van voorgaand lid met zich mee, noch het verlies, noch de opheffing van het uitstel bepaald in het eerst lid.
§2. De stagemeester is verantwoordelijk voor de inbreuken die door de stagiair in het kader van zijn stageplan zijn gepleegd, in die mate dat deze inbreuken hem kunnen ten laste gelegd worden.
De zorgverlener die aan de oorsprong ligt van overbodige of onnodig dure verstrekkingen in de zin van artikel 73, §2, of §4, is hiervoor verantwoordelijk, net zoals de zorgverlener die het voorschrijven of het uitvoeren heeft voortgezet. Hij kan eveneens, al naargelang het geval, de sancties oplopen voorzien in artikel 142.
§3. De beslissingen van de Leidend ambtenaar of van de door hem aangewezen ambtenaar, de Kamers van eerste aanleg en van de Kamers van beroep, behalve in tuchtmaatregelen zoals bedoeld in artikel 155, worden anoniem gepubliceerd via het internet op het adres http://www.riziv.fgov.be.
§4. Het totaal van de geldboetes en de terug te betalen bedragen wordt op de rekening van het Instituut gestort en zijn inkomsten van de verzekering voor geneeskundige verzorging.".
Op dit artikel hebben mevrouw De Schamphelaere en de heer Beke amendement 28 ingediend (zie stuk 3-1812/4) dat luidt:
In het voorgestelde artikel 157, §3, de woorden "op het adres htpp://www.riziv.fgov.be." schrappen.
Artikel 126 luidt:
Artikel 2, 4º, tweede lid, van de wet van 7 mei 2004 inzake experimenten op de menselijke persoon, wordt vervangen als volgt:
"Om gemachtigd te zijn opdrachten uit te voeren, zoals bedoeld door deze wet, met uitzondering van de opdracht om een advies uit te brengen over de punten 4º, 6º en 7º van §4 van artikel 11, toont het ethisch comité bovendien in het rapport bedoeld in artikel 30, §5, aan de minister aan dat het in de loop van het voorgaande jaar hetzij minstens 5 nieuwe protocollen van multicentrische experimenten heeft geanalyseerd in de hoedanigheid van comité dat bevoegd is voor het uitbrengen van het enkel advies, hetzij minstens 20 nieuwe protocollen van multicentrische experimenten in de hoedanigheid van comité dat bevoegd is voor het uitbrengen van het enkel advies of niet.".
Op dit artikel hebben mevrouw De Schamphelaere en de heer Beke amendement 22 ingediend (zie stuk 3-1812/3) dat luidt:
Aan het voorgestelde artikel 2, 4º, tweede lid, de volgende zin toevoegen:
"Voor een ethisch comité van een wetenschappelijke vereniging moet het vereiste aantal geanalyseerde protocollen slechts over een periode van 2 jaar bereikt worden."
-De stemming over de amendementen wordt aangehouden.
-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 51-2594/5.)
-De artikelen 1 tot 4 worden zonder opmerking aangenomen.
-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.
(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)
De voorzitter. - We stemmen over amendement 1 van de heer Hugo Vandenberghe.
Stemming 1
Aanwezig: 43
Voor: 13
Tegen: 30
Onthoudingen: 0
-Het amendement is niet aangenomen.
-Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor de amendementen 2 en 3 van de heer Hugo Vandenberghe. Deze amendementen zijn dus niet aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.
Stemming 2
Aanwezig: 38
Voor: 29
Tegen: 0
Onthoudingen: 9
De heer Christian Brotcorne (CDH). - Ik heb een stemafspraak met de heer Istasse.
-Het wetsontwerp is ongewijzigd aangenomen. Bijgevolg wordt de Senaat geacht te hebben beslist het niet te amenderen.
-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.
De heer Philippe Moureaux (PS). - Ik vraag een schorsing van de vergadering. (Instemming)
(De vergadering wordt geschorst om 17.00 uur. Ze wordt hervat om 17.20 uur.)
De voorzitter. - De heer Hervé Jamar, staatssecretaris voor Modernisering van de Financiën en de Strijd tegen de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van Financiën, antwoordt.
Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - De jongste 2 weken bereikten ons berichten over de strengere regulering van NGO's in Peru en in Rusland. Beide landen hebben een wet goedgekeurd die voorziet in een strengere regulering en registratie van NGO's. In Peru moet de wet nog door president García bekrachtigd worden, in Rusland is de wetswijziging al van kracht.
In Peru wil de regering greep krijgen op de werking van de NGO's. Daarom wil ze de actieplannen van de NGO's kennen en controle uitoefenen op hun financiering. Het laat zich raden dat NGO's met een actieplan dat indruist tegen het beleid van de regering, moeten vrezen voor hun erkenning.
In Rusland is de situatie identiek. NGO's moeten een hoop paperassen invullen en moeten hemel en aarde bewegen om een erkenning te bekomen. Een eerste registratieperiode is net afgelopen en over het verzoek tot erkenning van 96 NGO's wordt nog beraadslaagd. In Rusland komen er meer dan waarschijnlijk projecten in het gedrang, meer bepaald de projecten in de strijd tegen TBC, hulp aan straatkinderen en noodhulp in crisisgebieden. Zo kan Human Rights Watch de deportatie van Georgiërs al niet meer monitoren.
In Peru vrezen landbouw-NGO's voor hun erkenning wegens hun kritiek op de onderhandelingen over het vrijhandelsakkoord met de VS. De mensenrechtenorganisaties vrezen dat hun kritiek op de weigering om oud-president Fujimori te berechten voor corruptie en mensenrechtenschendingen hun erkenning zal kosten. 11.11.11. vreest dat een achttal Belgische organisaties die in Peru werken niet meer erkend zullen worden.
Welke consequenties zal de wetswijziging hebben voor de werking van de Belgische NGO's in Peru en voor de BTC-projecten in Peru? Komt de financiering van Belgische BTC- en NGO-projecten in Peru in het gedrang? Zo ja, welke maatregelen zal de minister dan nemen?
Welke houding neemt België aan ten aanzien van de recente wetswijzigingen? Zal ons land iets ondernemen en diplomatieke druk uitoefenen zodat de Belgische NGO's op Russisch en Peruaans grondgebied kunnen blijven werken?
De heer Hervé Jamar, staatssecretaris voor Modernisering van de Financiën en de Strijd tegen de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van Financiën. - Ik lees het antwoord van minister de Dedecker.
Het wetsvoorstel over de internationale samenwerking beoogt de aanpassing van wet nr. 27692 van 11 april 2002 over de regeling van het mandaat van het Agencia Peruana de Cooperación Internacional (APCI). Met dit agentschap zal de staatscontrole op de werking van de NGO's voortaan strikter zijn.
Hoewel dat tot nu toe nog niet verplicht was, heeft België zijn NGO's steeds aangemoedigd om zich bij het APCI in te schrijven, enerzijds ter wille van de transparantie en, anderzijds, om praktische redenen in verband met de accreditatie van het NGO-personeel. Vanwege de zware administratieve procedure hebben sommige NGO's ervoor gekozen dat niet te doen. Ze worden onder meer verplicht om een door een beëdigd vertaler gemaakte Spaanse vertaling van hun statuten in te dienen.
Door de nieuwe wet wordt de administratieve procedure nog zwaarder: om de inschrijving te bevestigen is er nog veel meer informatie vereist, onder andere een jaarlijks actieplan en het budget. Desondanks begrijpt België dat het gastland niet alleen geïnformeerd wil zijn over de aanwezigheid van privéorganisaties op zijn grondgebied, maar ook over hun activiteiten.
In de context van de Verklaringen van Parijs, ondertekend door zowel België als Peru, is het volgens ons gerechtvaardigd dat de inspanningen van het APCI, met het oog op een werkelijke coördinatie en harmonisatie van de activiteiten van alle spelers op het vlak van ontwikkelingshulp, eveneens de niet-gouvernementele organisaties omvat. België dringt echter aan op de specifieke rol die de NGO's kunnen en moeten spelen in de ontwikkeling, naast die van andere spelers zoals de bilaterale samenwerking, en is eveneens van mening dat elke inspanning voor harmonisatie moet steunen op dialoog en niet mag worden afgedwongen.
Als de rol die aan het APCI gegeven werd een unilaterale sanctiemacht inhoudt, is het voorspelbaar dat de NGO's het risico lopen te worden gecensureerd op basis van de politieke keuzes van de plaatselijke macht. Die keuzes zouden eventueel ingaan tegen de principes van bepaalde NGO's, die zich vooral actief bezig houden met de mensenrechten, de rechten van kwetsbare groepen en het milieu. Het werk van deze NGO's en hun lokale partnerorganisaties, zou sterk beïnvloed kunnen worden. Het is niet erg waarschijnlijk dat Peru een Belgische NGO zou verbieden door haar inschrijving bij het APCI te schrappen, maar dat kan wel gemakkelijk gebeuren met een lokale partner van de NGO, wat in dezelfde mate een Belgische organisatie kan verhinderen te functioneren.
België is dus geen voorstander van de toekenning van een dergelijke controlerol aan het APCI. We worden hierbij gesteund door andere verenigingen en Europese landen die in Peru worden vertegenwoordigd. We hebben dit meegedeeld via informele contacten met invloedrijke nationale medespelers, onder meer de Defensoría del Pueblo, die resultaten kunnen voorleggen. De Defensoría pleit bijvoorbeeld voor een nieuwe analyse van het voorstel.
Verder steunt België ten volle de initiatieven die worden genomen door de Europese landen onder leiding van de Delegatie van de Europese Commissie. Dat mag concreet blijken uit de overhandiging op 8 november door de Europese trojka van een officiële demarche aan de eerste minister Jorge Del Castillo. Die demarche heeft zonder twijfel een belangrijke invloed gehad op de houding van het Congres: de amendementen werden niet besproken en er wordt gewacht op een meer diepgaande herziening. Er wordt ook druk uitgeoefend door de Verenigde Staten, via de Inter-Amerikaanse Commissie voor de Mensenrechten en uiteraard door de NGO's.
De impact op de activiteiten en de aanwezigheid van de NGO's in Peru zal dus afhangen van de keuzes die gemaakt worden bij nieuwe besprekingen van de wet, maar we kunnen ervan uitgaan dat de internationale en nationale druk reeds zijn vruchten heeft afgeworpen. België zal samen met zijn Europese partners deze kwestie van dichtbij blijven volgen.
De nieuwe wetgeving aangaande NGO's in Rusland werd door president Poetin ondertekend op 10 januari 2006 en is nu in werking getreden.
Naar aanleiding van de protesten die volgden op het oorspronkelijke wetsontwerp vroeg de Russische regering het advies van de Raad van Europa betreffende de aan te brengen wijzigingen. De Raad van Europa gaf haar aanbevelingen. De tekst werd nadien herwerkt en 62 amendementen die het Kremlin wenste aan te brengen werden geïntegreerd.
Men kan de Russische wens begrijpen om de NGO's tot meer transparantie te verplichten en om buitenlandse financiering van groeperingen met twijfelachtige doelstellingen te vermijden. De overwogen maatregelen waren echter niet voldoende doelgericht en zouden een ernstige slag kunnen toebrengen aan de Russische civiele maatschappij. Ik kon dit wetsontwerp in zijn oorspronkelijke vorm dus alleen maar betreuren.
De civiele maatschappij heeft een voorname rol te vervullen in de bevordering van de democratie. De rol van de NGO's is niet overal vanzelfsprekend. Vanuit dit perspectief is de nieuwe Russische wetgeving nog zorgwekkend. Van belang is vooral hoe de nieuwe wet wordt toegepast.
Vandaag zijn alle NGO's die in Rusland actief zijn, geregistreerd. De administratieve procedure verloopt niet zonder problemen, maar dat heeft eerder te maken met de alomtegenwoordige bureaucratie dan met de slechte wil van de autoriteiten.
België blijft in deze zeer gevoelige aangelegenheid waakzaam. Ik heb dit onderwerp uiteraard aangekaart tijdens mijn bilaterale gesprekken met mijn Russische gesprekspartners. Het probleem van de toepassing van de nieuwe NGO-wetgeving maakt deel uit van de kwesties die regelmatig besproken worden door de Europese Unie en Rusland tijdens hun consultaties inzake de mensenrechten. Deze thematiek kwam overigens aan bod op de laatste consultaties op 8 november 2006.
Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Ik dank de minister voor het antwoord. Ik denk dat dit voor Peru goed nieuws is en ik ben blij dat België waakzaam blijft wat Rusland betreft.
(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)
Stemming 3
Aanwezig: 37
Voor: 35
Tegen: 0
Onthoudingen: 2
-Het wetsontwerp is aangenomen.
-Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.
De voorzitter. - We stemmen over amendement 7 van mevrouw De Schamphelaere en de heer Beke.
Stemming 4
Aanwezig: 37
Voor: 0
Tegen: 35
Onthoudingen: 2
-Het amendement is niet aangenomen.
-Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor de overige amendementen van mevrouw De Schamphelaere en de heer Beke. Deze amendementen zijn dus niet aangenomen.
De voorzitter. - We stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.
Stemming 5
Aanwezig: 37
Voor: 35
Tegen: 0
Onthoudingen: 2
-Het wetsontwerp is ongewijzigd aangenomen. Bijgevolg wordt de Senaat geacht te hebben beslist het niet te amenderen.
-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.
Stemming 6
Aanwezig: 37
Voor: 35
Tegen: 0
Onthoudingen: 2
-Het wetsontwerp is aangenomen.
-Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.
De voorzitter. - Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:
Donderdag 23 november 2006
's ochtends om 10 uur
Debat over het huiselijk geweld.
Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet wat betreft de aankoop van een gezelschapsdier (van mevrouw Christine Defraigne); Stuk 3-1147/1 tot 5.
Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 319 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 teneinde de onderzoeksbevoegdheden inzake de inkomstenbelastingen af te stemmen op de onderzoeksbevoegdheden inzake de BTW (van de heer Christian Brotcorne); Stuk 3-1392/1 en 2.
Vragen om uitleg.
's namiddags om 15 uur
Inoverwegingneming van voorstellen.
Actualiteitendebat en mondelinge vragen.
Voorstel van resolutie betreffende de preventie van borstkanker (van de heer François Roelants du Vivier); Stuk 3-792/1 tot 5.
Vanaf 17 uur: Naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten in hun geheel.
Vragen om uitleg:
-De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.
De voorzitter. - De heer Hervé Jamar, staatssecretaris voor Modernisering van de Financiën en de Strijd tegen de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van Financiën, antwoordt.
De heer Berni Collas (MR). - Sedert 1 oktober van dit jaar ontvangen bouwvakkers die een zelfstandig bijberoep uitoefenen geen vergoeding meer in geval van technische werkloosheid bij slechte weersomstandigheden of onvoldoende werk. Die vergoeding bedraagt zowat 10 euro per dag, zes dagen per week.
Die beslissing zou voortvloeien uit een overeenkomst tussen patroons en vakbonden. De betrokkenen zouden daarvan tot op heden nog niet op de hoogte zijn gesteld.
Het betreft 15 tot 20.000 personen in België. Hun koopkracht daalt met 650 euro. De patroons betalen evenwel een bijdrage voor de uitkering van dergelijke vergoedingen. In geval van werkloosheid verliezen de betrokkenen al 450 euro per maand.
Dat is zorgwekkend, vooral als men weet dat vele aannemers met hun activiteit beginnen in bijberoep om daarna, wanneer hun orderboekje dat mogelijk maakte, voltijds zelfstandig te worden.
1. Kan de minister deze informatie en het bestaan van dit akkoord bevestigen?
2. Zo ja, klopt de hierboven vermelde impact van de maatregel?
3. Dreigt men op deze manier de overstap van arbeiders naar het statuut van zelfstandig aannemer niet te ontmoedigen?
De heer Hervé Jamar, staatssecretaris voor Modernisering van de Financiën en de Strijd tegen de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van Financiën. - Ik lees het antwoord van de minister van werk.
Artikel 11 van de collectieve arbeidsovereenkomst die op 24 juni 2005 gesloten werd in de paritaire commissie voor de bouw, tot wijziging en verlenging van verschillende stelsels voor de bestaanszekerheid voegt in de in de CAO van 13 september 2001 een artikel 15bis in.
Dit nieuwe artikel bepaalt dat arbeiders uit de bouwsector die een zelfstandige activiteit uitoefenen in bijberoep geen bijkomende vergoeding ontvangen in geval van werkloosheid, ongeacht de reden van de werkloosheid.
Sedert 1 oktober 2006 ontvangen arbeiders die een zelfstandige activiteit uitoefenen in bijberoep een legitimatiekaart als rechthebbende, waarop uitdrukkelijk wordt vermeld dat het document geen recht geeft op bijkomende werkloosheidsvergoedingen vanwege het bijberoep van de arbeider.
Het aantal arbeiders dat geen bijkomende werkloosheidsvergoeding ontvangt vanwege hun zelfstandige activiteit in bijberoep is 5.208 op een totaal van 169.917 arbeiders die in 2005 actief waren in de bouwsector.
Het is onmogelijk om de financiële impact voor de individuele arbeider te berekenen omdat die afhankelijk is van verschillende elementen. In de eerste plaats is dat het recht op werkloosheidsuitkeringen van de RVA, waaraan het recht op bijkomende werkloosheidsvergoedingen van het Fonds voor de bestaanszekerheid van de arbeiders in de bouwsector ondergeschikt is. Ten tweede, is het aantal werkloosheidsdagen van belang. Ten derde speelt ook de beroepsbekwaamheid van de arbeider een rol in de vaststelling van de bijkomende werkloosheidsvergoeding.
De sociale partners hebben deze maatregel genomen om zwartwerk in de bouwsector, en met name van het fenomeen van de schijnzelfstandigen, te bestrijden.
Ze hebben eenparig beslist om een onderscheid te maken tussen de arbeiders die in geval van werkloosheid volledig terugvallen op een vervangingsinkomen en die welke daarnaast nog een inkomen als zelfstandige hebben. De sociale partners vonden dit een voldoende reden voor een verschillende behandeling.
Het is onmogelijk om de gevolgen van deze maatregel te evalueren met betrekking tot de wil van de arbeider om over te stappen van het arbeidersstatuut naar het statuut van zelfstandige.
De heer Berni Collas (MR). - Ik dank de staatsecretaris voor het antwoord. Ik zal deze gegevens aan de betrokkenen bezorgen.
De voorzitter. - De heer Hervé Jamar, staatssecretaris voor Modernisering van de Financiën en de Strijd tegen de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van Financiën, antwoordt.
Mevrouw Fauzaya Talhaoui (SP.A-SPIRIT). - In Antwerpen is een beweging actief die zich inzet voor mensen zonder papieren. Ze stelde vast dat Antwerpenaren die wensen te trouwen met partners zonder papieren, niet correct behandeld worden door de Antwerpse cel Schijnhuwelijken. Hoewel zij, zoals u en ik, tegen schijnhuwelijken zijn gekant, vinden zij dat elke kandidaat-trouwer recht heeft op een respectvolle en menselijke benadering.
De beweging vraagt een externe doorlichting van de Antwerpse cel Schijnhuwelijken. De wijze waarop de Antwerpse trouwers vandaag worden ondervraagd, ook over intieme zaken, betekent een inbreuk op hun privacy. De Antwerpse cel zou ook vaak een foutief verslag opstellen op basis waarvan kandidaat-trouwers worden geweigerd. Het verslag is volgens de beweging niet gebaseerd op te controleren feiten.
Bovendien vertonen de cijfers in Gent en Antwerpen belangrijke verschillen. In Antwerpen werden er door de cel in 2005 256, van de 555 huwelijksaanvragen, ongeveer de helft, in twijfel getrokken. Zo'n 149 koppels werden geweigerd en de 107 andere verdachte schijnhuwelijken zitten nu in een beroepsprocedure. In Gent werden in 2004 nauwelijks 30 dossiers geweigerd op een totaal van 277 onderzochte dossiers. Kortom, in Gent werd 20 procent en in Antwerpen 50 procent geweigerd. Voor schijnhuwelijken is Antwerpen bepaald streng.
De onderzoeken naar eventuele schijnhuwelijken moeten objectief, transparant en volgens duidelijke, welbepaalde regels gebeuren. Die zouden er nu niet zijn, ondanks de rondzendbrief van 26 september 2005 en het draaiboek schijnhuwelijken dat eind 2003 in samenwerking met de dienst Vreemdelingenzaken tot stand kwam. De ambtenaar van de Burgerlijke Stand kiest nog steeds zelf zijn vragen en pent zelf de antwoorden neer, maakt nadien een verslag op basis van zijn eigen interpretatie en geeft dat door aan de cel Schijnhuwelijken.
De kandidaat-trouwers mogen zijn notities niet lezen en hoeven hun verklaring niet te ondertekenen, zoals dat bij een proces-verbaal het geval is. Er mag ook geen advocaat of getuige bij de ondervraging zijn. Dat zet de deur open naar pure willekeur. Zo beweren mijn bronnen dat in Antwerpen elke dag kandidaat-trouwers incorrect geweigerd worden. Zelf heb ik dat ook uit contacten met betrokkenen vernomen.
De diensten moet natuurlijk nagaan of mensen met eerbare bedoelingen huwen of alleen uit zijn op een verblijfsvergunning. Een schijnhuwelijk bewijzen is natuurlijk niet gemakkelijk. De diensten moeten echter niet alleen hard en streng optreden tegen misbruiken, maar ook rechtvaardig en correct voor de koppels die uit liefde willen trouwen.
Is de minister bereid een externe doorlichting te doen van de cel Schijnhuwelijken in Antwerpen en eventueel in Gent? Is hij bereid om te komen tot een meer geïntegreerde, gemeenschappelijke en uniforme aanpak, zowel bij het parket als in de verschillende gemeenten en steden? Is er een duidelijkere reglementering op komst inzake de werking van de cellen Schijnhuwelijken?
Is het nu de regel dat schriftelijke uitnodigingen worden verstuurd om zich te melden voor een interview bij de cel Schijnhuwelijken? Waarom is tijdens het verhoor de bijstand van een advocaat niet toegestaan? Waarom worden geen verslagen gemaakt met de verklaringen van de toekomstige echtgenoten en van de betrokken ambtenaar?
Is het geen voorbeeld van behoorlijk bestuur dat er een hoorplicht of informatieplicht voorafgaat aan een beslissing tot weigering, inclusief een afschrift van het interview bij de cel Schijnhuwelijken en de mogelijkheid tot inzage van het gehele dossier?
De heer Hervé Jamar, staatssecretaris voor Modernisering van de Financiën en de Strijd tegen de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van Financiën. - Ik lees het antwoord van vice-eersteminister Dewael.
Ik merk in de eerste plaats op dat de aanpak van de strijd tegen de schijnhuwelijken door de parketten en de diensten van de Burgerlijke Stand een bevoegdheid van de minister van Justitie is.
De werkwijze van de cel Schijnhuwelijken van de stad Antwerpen is tot stand gekomen in samenspraak van de verschillende betrokken diensten. De politiediensten, de het parket, de FOD Buitenlandse Zaken en de dienst Vreemdelingenzaken hebben samen een draaiboek opgesteld. Tijdens de voorafgaande consultaties heeft het parket geen opmerkingen gemaakt over de wettelijkheid van de gehanteerde werkwijze.
De taak van de ambtenaar van de Burgerlijke Stand bestaat erin gegevens te verzamelen. Voorafgaandelijk aan het interview deelt hij de kandidaat-trouwers mee dat ze niet verplicht zijn op de vragen te antwoorden. Het verslag van het interview wordt aan de betrokkenen voorgelezen en ze moeten het vervolgens ondertekenen. Aangezien het om een interview en niet om een verhoor gaat, is de aanwezigheid van een advocaat niet vereist.
Dat in Antwerpen een hoog percentage van huwelijksaanvragen wordt geweigerd, kan uiteraard het resultaat zijn van de ernstige inspanningen die de afgelopen jaren in de strijd tegen de schijnhuwelijken werden gedaan. Ook het aantal behandelde dossiers is sterk toegenomen. Zo werden in 2004, 2005 en 2006 - tot vandaag - respectievelijk 1.343, 2.247 en 4.600 dossiers behandeld.
Mevrouw Fauzaya Talhaoui (SP.A-SPIRIT). - Heel wat mensen hebben het gevoel dat ze niet objectief worden beoordeeld en dat de administratie ervan uitgaat dat het om schijnhuwelijk gaat. Volgens mij is de minister van Binnenlandse Zaken de meest geschikte persoon om hierover te debatteren. Daarom zal ik vandaag niet verder op dit probleem ingaan.
De voorzitter. - De heer Hervé Jamar, staatssecretaris voor Modernisering van de Financiën en de Strijd tegen de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van Financiën, antwoordt.
De heer Christian Brotcorne (CDH). - Ik herneem in deze vraag om uitleg mijn schriftelijke vraag nr. 3-3505 van 13 oktober 2005 over de oprichting van een Bureau voor ethiek en administratieve deontologie, waarop ik nog geen antwoord heb gekregen.
In het regeerakkoord `Een creatief en solidair België' van juli 2003 staat onder meer dat een nieuw bureau voor ethiek en administratieve deontologie zal worden opgezet.
De regering `zal naar de ambtenaren toe een sensibiliserings- en informatiebeleid ontwikkelen over het belang van de bepalingen van het statuut van openbaar ambt, in het bijzonder over hun rechten en plichten tegenover het gezag.
Deze dienst, opgericht bij de FOD Begroting verleent advies en operationele steun aan alle federale overheidsdiensten. Hij zal preventieve audits doorvoeren, organisatorische adviezen geven, helpen bij het uitwerken van gedragscodes, opleiding en bijscholing verzorgen en corruptiegevoelige afdelingen inventariseren en begeleiden die beslissingen moeten nemen met een belangrijke financiële weerslag'.
Werd een dergelijk bureau opgezet binnen de FOD Begroting en Beheerscontrole? Zo neen, waarom niet? Zo ja, op welke datum gebeurde dat en hoeveel ambtenaren werken er in het bureau?
Heeft het bureau voor ethiek en administratieve deontologie reeds preventieve audits uitgevoerd? Zo ja, in welke diensten? Heeft het bureau al organisatorische adviezen gegeven aan een of andere FOD of POD? Werden reeds opleidingen en bijscholingen verzorgd? Zo ja, over welke thema's?
De heer Hervé Jamar, staatssecretaris voor Modernisering van de Financiën en de Strijd tegen de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van Financiën. - Ik lees het antwoord van de vice-eersteminister en minister van Begroting en Consumentenzaken.
Op 30 juni 2006 keurde de Ministerraad een algemene nota voor een federaal preventief integriteitsbeleid goed dat van toepassing zal zijn op alle federale ambtenaren.
Die nota is gebaseerd op internationale verplichtingen en aanbevelingen van de Raad van Europa, de OESO, de VN-conventie tegen corruptie en de Europese Unie inzake ethiek en deontologie in de overheidssector.
Er werd eveneens beslist om de dienst integriteitsbewaking van de FOD Budget en Beheerscontrole die werd opgericht bij koninklijk besluit van 15 mei 2001, met ingang van 1 juli 2006 te vervangen door het Bureau Ambtelijke Ethiek en Deontologie. Dat bureau bestaat momenteel uit drie ambtenaren van niveau A.
Er werd een adviesgroep voor ambtelijke ethiek en deontologie opgericht die het preventief integriteitsbeleid moet coördineren. Deze adviesgroep is samengesteld vanuit de verschillende de Federale overheidsdiensten en moet adviezen uitbrengen en voorstellen doen aan de bevoegde ministers en aan de Ministerraad.
De Ministerraad gaf de adviesgroep de opdracht om tegen begin januari 2007 voorstellen uit te werken voor:
Vanaf 2007 en uiterlijk tegen 31 maart zal de adviesgroep hierover voor de minister van Begroting een jaarrapport opstellen.
Vanaf 2007 zal de adviesgroep tweemaal per jaar, namelijk op 31 maart en op 30 november, bij het college van voorzitters verslag uitbrengen over de stand van zaken.
Vanaf 1 januari 2008 zullen alle directiecomités van de FOD en de POD aan het Bureau Ambtelijke ethiek en deontologie de bestaande reglementering en de nieuwe initiatieven inzake preventief integriteitsbeleid meedelen.
De minister van Begroting zal vanaf 2007 elk jaar en uiterlijk tegen 25 december aan de Ministerraad, op voorstel van de adviesgroep ambtelijke ethiek en deontologie, een werkschema voorzien van een toelichting voorleggen.
De voorzitter. - De heer Hervé Jamar, staatssecretaris voor Modernisering van de Financiën en de Strijd tegen de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van Financiën, antwoordt.
De heer Christian Brotcorne (CDH). - Sinds enkele jaren worden benoemingen van onderwijzers in Franstalige gemeentescholen in faciliteitengemeenten systematisch door de Vlaamse minister van Binnenlandse zaken vernietigd als ze geen bewijs leveren van grondige kennis van het Nederlands aan de hand van een attest uitgereikt door SELOR.
In zijn arrest nr. 65/2006 van 3 mei 2006 achtte het Arbitragehof jammer genoeg dat het niet disproportioneel was om het onderwijzend personeel in Franstalige gemeentescholen een taalkennis op te leggen die hen in staat moet stellen hun verplichtingen na te komen op het vlak van het gebruik van de talen in hun betrekkingen met de diensten waarvan ze afhangen.
Dat neemt niet weg dat het Arbitragehof oordeelt dat artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken het grondwettelijk gelijkheidsprincipe schendt omdat het niet toestaat dat kandidaten voor een ambt van lid van het onderwijzend personeel die voor de examencommissie van de Vlaamse gemeenschap het bewijs hebben geleverd van `grondige kennis verplichte tweede taal Nederlands in het lager onderwijs' worden vrijgesteld van het door SELOR georganiseerde examen.
Het Arbitragehof oordeelt eveneens dat artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel schendt omdat het geen bepaling bevat die de Koning machtigt om SELOR toe te staan het niveau van de taalkennis aan te passen aan de aard van de functies die worden uitgeoefend door een lid van het onderwijzend personeel in een Franstalige gemeentelijke basisschool van een faciliteitengemeente.
In antwoord op mijn vraag om uitleg van 11 mei 2005 heeft de minister van Binnenlandse Zaken zijn wens geuit om artikel 53 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken te wijzigen zodat de Koning gemachtigd wordt aan SELOR toe te staan het niveau van de taalkennis dat vereist is in hoofde van kandidaat onderwijzers aan te passen aan de aard van hun functie. Dat zou tegemoet komen aan de wens van het Arbitragehof.
Is er al een initiatief genomen voor een wijziging van artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken zodat de Koning gemachtigd wordt aan SELOR toe te staan het niveau van de taalkennis aan te passen aan de aard van de functies die worden uitgeoefend door een onderwijzend personeelslid in een Franstalige gemeentelijke basisschool in een faciliteitengemeente?
Indien niet, waarom niet? Indien wel, binnen welke termijn zal dat dan gebeuren? Is de minister niet van mening dat een wijziging dringend moet worden overwogen als de Vlaamse minister van Binnenlandse Zaken verdergaat met het systematisch vernietigen van de benoemingen op basis van een wetgeving die werd bekritiseerd door het Arbitragehof. Bij mijn weten gelden uitspraken van het Arbitragehof tot bewijs van het tegendeel erga omnes.
De heer Hervé Jamar, staatssecretaris voor Modernisering van de Financiën en de Strijd tegen de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van Financiën. - Ik lees het antwoord van minister Dewael.
Op mijn vraag heeft mijn administratie een voorontwerp van wet opgesteld met het oog op de voorkoming van de grondwetsschendingen die aan de kaak werden gesteld door het Arbitragehof in het arrest waarnaar u verwijst. Het voorontwerp wijzigt artikel 53 van de gecoördineerde taalwetten.
De wijziging bestaat in het verlenen van een vrijstelling van het door SELOR georganiseerde examen aan de kandidaten voor een functie van lid van het onderwijzend personeel van een Franstalige gemeentelijke basisschool in een randgemeente als de personen voor de bevoegde examencommissie het bewijs van een `grondige kennis verplichte tweede taal Nederlands in het lager onderwijs' hebben geleverd.
Ten behoeve van degenen die deze proef niet hebben volbracht bepaalt het voorontwerp dat de Koning gemachtigd wordt aan SELOR toe te staan het niveau van de vereiste taalkennis aan te passen voor de kandidaten die een functie van onderwijzend personeelslid uitoefenen, voor zover ze hun onderwijs in het Frans zullen geven en als de kennis van het Nederlands waarover ze moeten beschikken in hoofdzaak gemotiveerd wordt door de betrekkingen die ze in die taal zullen hebben met de hiërarchische overheden waarvan ze afhangen.
De tekst van het voorontwerp werd op 25 september jongstleden onderzocht door een interkabinettenwerkgroep die samengesteld is uit vertegenwoordigers van de eerste minister en van de vice-eersteministers. Die werkgroep heeft zijn akkoord over het voorontwerp nog niet verleend. Voor dit ontwerp is overigens een bijzondere meerderheid in het parlement vereist.
De voorzitter. - De heer Hervé Jamar, staatssecretaris voor Modernisering van de Financiën en de Strijd tegen de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van Financiën, antwoordt.
De heer Frank Creyelman (VL. BELANG). - Sinds de vrijmaking van de energiemarkt stapelden de klachten omtrent de bedenkelijke en vaak agressieve verkooppraktijken zich op. Door de concurrentie op de energiemarkt organiseerden energieleveranciers grote acties, waarbij ze het vaak niet al te nauw namen met de wet betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument.
Om dergelijke misbruiken te voorkomen werd met de leveranciers van gas en elektriciteit op 16 september 2004 een akkoord gesloten, waardoor de consument in de vrijgemaakte elektriciteits- en gasmarkt beter moet worden beschermd. Het tot stand gekomen akkoord trad op 1 maart 2005 in werking.
Omdat dit akkoord na verloop van tijd geen afdoende garanties bleek te bieden en de bepalingen ervan nauwelijks werden nageleefd, werd in een aanvullende bescherming uitgewerkt, die inging op 1 juli van dit jaar.
Dit akkoord werd bovendien begeleid door een gedragscode die de verkoop buiten de onderneming en verkoop op afstand beter moest reguleren. Vooral dit laatste was gericht op het voorkomen van bedenkelijke verkoopstechnieken.
Een bedenkelijke verkoopstechniek bestond erin dat klanten werden geronseld aan de uitgang van supermarkten. Voor ze het goed en wel beseften, stonden hun gegevens op papier en ondertekenden ze onwetend een contract voor de levering van elektriciteit bij een andere stroomleverancier. Meestal ging het om gespecialiseerde verkopers die in opdracht van een leverancier contracten trachten te slijten. Uiteindelijk moest de strengere gedragscode hieraan paal en perk stellen.
Jammer genoeg blijkt dat deze praktijken zich nog steeds voordoen. Enkele weken geleden nog werden klanten aan de deuren van een supermarkt in Kortrijk benaderd door een verkoopteam in opdracht van Essent. Naar verluidt stemden vele klanten in met een vraag om informatie, terwijl ze nadien tot hun verbazing vaststelden dat ze contractueel waren verbonden. Essent zou vervolgens het contract met de andere leverancier opzeggen. Zowel de verkopers als Essent beweerden nadien dat de klant enkel via een aangetekend schrijven kon afzien van het contract, dit binnen veertien dagen. Over een eventuele bevestiging van het contract via een persoonlijk gericht schrijven aan de consument, zoals nochtans voorgeschreven in de gedragscode, werd met geen woord gerept.
Is de minister ervan op de hoogte dat op de energiemarkt nog steeds bedenkelijke verkooppraktijken worden toegepast en potentiële klanten om de tuin worden geleid?
Hoeveel klachten werden tot op heden bij de algemene directie Controle en Bemiddeling van de FOD Economie, Middenstand, KMO en Energie sinds de aanvullende bescherming in werking trad, ingediend? Over welke stroomleveranciers gaat het vooral en wat leidt de minister hieruit af? Welke sancties worden hiertegen genomen?
Is de minister van mening dat de gedragscode en de daaraan gekoppelde sancties afdoende zijn, zeker met betrekking tot de algemene bepalingen van de code voor verkoop buiten de onderneming, en wat kan eventueel worden ondernomen om deze gedragscode beter te doen naleven?
Overweegt de minister om gegronde klachten tegen energieleveranciers openbaar te maken, teneinde de klanten te beschermen?
De heer Hervé Jamar, staatssecretaris voor Modernisering van de Financiën en de Strijd tegen de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van Financiën. - Ik lees het antwoord van de minister.
De verkoopactie waarvan sprake is bij mijn diensten niet bekend. De algemene directie Controle en Bemiddeling, noch de algemene directie Regulering en Organisatie van de Markt van de FOD Economie, hebben vragen of klachten van consumenten ontvangen.
De vrijmaking van de energiemarkt ging gepaard met tal van praktijken die de consument benadeelden. Vandaar de totstandkoming van het akkoord `De consument in de vrijgemaakte elektriciteits- en gasmarkt'. De toepassing ervan sinds 1 maart van vorig jaar werd onderworpen aan een diepgaande evaluatie. Daaruit is gebleken dat er hiaten waren, zodat bijsturing noodzakelijk was.
Op 1 juli en op 1 september van dit jaar werden de noodzakelijke aanpassingen aangebracht. Zo werden onder meer de regels verfijnd voor bepaalde vormen van verkoop, zoals de telefonische verkoop en de verkoop buiten de onderneming, waaronder voortaan ook de verkoop aan de ingang van warenhuizen valt.
Er waren er inderdaad talrijke klachten over misleidende praktijken. Sinds de nieuwe, aanvullende regels van toepassing zijn, is het aantal klachten werkelijk marginaal. Ik kan geen exact cijfer geven, maar ik stel vast dat de aanpassingen die in het akkoord en aan de bijbehorende gedragscode zijn aangebracht de vroegere misstanden efficiënt aanpakken. Ik ben van mening dat het akkoord en de gedragscode, en vooral de recente aanpassingen, een krachtig en afdoend instrument vormen en de consument een reële bijkomende bescherming bieden.
Niet-naleving van het akkoord en de gedragscode wordt gelijkgesteld met een overtreding van de wet op de handelspraktijken en kan als dusdanig worden bestraft. Bovendien bevat de aangepaste versie van het akkoord verregaande burgerlijke sancties. Wanneer de algemene directie Controle en Bemiddeling, die toeziet op de naleving van het akkoord, een inbreuk op de gedragscode vaststelt, geeft dit aanleiding tot terugbetaling aan de consument van alle door hem betaalde facturen en wordt hem, in afwachting dat hij wordt hersteld in zijn oude contractuele relatie, geen enkel verder verbruik gefactureerd.
Gelet op wat voorafgaat, heb ik geen plannen om bijkomende maatregelen te nemen.
De heer Frank Creyelman (VL. BELANG). - Ik dank de staatssecretaris voor het antwoord van mevrouw Van den Bossche.
Het is eigenaardig dat het over een onbekende actie gaat. Een betere controle is toch op zijn minst wenselijk. Indien de regering morgen een regelgeving invoert, dan is het de bedoeling dat deze wordt toegepast en moet de toepassing ook worden gecontroleerd. Natuurlijk zijn er aanzetten gegeven om die controle ook effectief uit te oefenen en daar staan wij voor honderd procent achter. Dat wij erop moeten wijzen dat er toch nog andere dingen aan de hand zijn, is echter ook tekenend.
De voorzitter. - De heer Hervé Jamar, staatssecretaris voor Modernisering van de Financiën en de Strijd tegen de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van Financiën, antwoordt.
De heer Christian Brotcorne (CDH). - Na de overwinning van Hamas bij de Palestijnse verkiezingen zijn een reeks `sancties' genomen tegen het Palestijnse volk. Zo heeft de Israëlische regering vanaf februari 2006 de teruggave geschorst van de douanerechten en de belastingen die voor de Palestijnse Autoriteit worden geheven, wat neerkomt op 50% van de maandelijkse begroting van de Autoriteit. In april heeft de Raad van de Europese Unie beslist zijn steun aan de Palestijnen te herzien, de Europese Unie heeft vervolgens alle hulp geschorst die bestemd is voor de Palestijnse regering of haar ministers, of die door hun bemiddeling wordt verleend.
Professor J. Dugard, speciale rapporteur voor de mensenrechten in de Palestijnse bezette gebieden (PBG), heeft op 21 juni 2006 verklaard: ongeveer een miljoen van de 3,5 miljoen Palestijnen wordt rechtstreeks getroffen door het niet-betalen van de lonen, en de volledige bevolking ondervindt er de economische gevolgen van.
Aangezien de Palestijnse Autoriteit verantwoordelijk is voor 70% van de scholen en 60% van de zorgdiensten in de PBG, hebben het onderwijs en de gezondheidszorg ernstige schade ondervonden. Tegelijkertijd nemen de werkloosheidscijfers en de armoede toe.
De Wereldbank, het VN-Coördinatiebureau voor humanitaire aangelegenheden (OCHA) en bepaalde leden van de Euromediterrane Parlementaire Assemblee menen dat de beslissing om de steun te schorsen voorbarig werd genomen.
Op 4 oktober hebben 135 internationale prominenten, gewezen presidenten of ministers over de hele wereld, de oproep van de International Crisis Group ondertekend voor een dringende internationale actie met het oog op de definitieve oplossing van het Israëlisch-Arabisch conflict. Hun eerste vraag is een Palestijnse regering van nationale eenheid te steunen en een einde te maken aan de politieke en financiële boycot van de Palestijnse Autoriteit.
Het VN-Comité voor economische, sociale en culturele rechten heeft erop gewezen dat de partijen die verantwoordelijk zijn voor het opleggen, handhaven en toepassen van de sancties, volgens het Internationaal Pact voor de economische, sociale en culturele rechten verplicht zijn bij de keuze van de sancties rekening te houden met de garantie van de rechten waarin het Pact voorziet. Werd met die verplichting rekening gehouden toen beslist werd de steun te schorsen?
Zou België kunnen voorstellen de beslissing tot schorsing van de steun aan de Palestijnen te herzien zodat de lonen van de ambtenaren onmiddellijk worden betaald?
Heeft België in de Raad van ministers van de Europese Unie en ten opzichte van de Israëlische regering een standpunt ingenomen ten gunste van de onmiddellijke vrijlating van de Palestijnse parlementsleden en ministers die in Israël zijn opgesloten?
De heer Hervé Jamar, staatssecretaris voor Modernisering van de Financiën en de Strijd tegen de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van Financiën. - Ik lees het antwoord van minister De Gucht.
Na de overwinning van Hamas bij de Palestijnse parlementsverkiezingen begin 2006 hebben de Europese Unie en de Wereldbank een tijdelijk internationaal mechanisme (TIM) in het leven geroepen om de steun van de internationale gemeenschap aan het Palestijnse volk te verzekeren. In feite zijn alleen de Europese Unie en haar lidstaten steun blijven geven dankzij dit mechanisme. In tegenstelling tot wat wijdverspreid wordt verkondigd, hebben de EU en haar lidstaten in 2006 meer steun verleend dan in 2005. De EU heeft in 2006 655 miljoen euro steun gegeven aan het Palestijnse volk, tegen 540 miljoen euro in 2005.
België behoort, samen met Denemarken, Zweden, Frankrijk, het Verenigd Koningrijk, Nederland en de Europese Commissie, tot de belangrijkste donoren. Ons land heeft in 2006 14 miljoen euro steun gegeven aan de Palestijnen, tegen iets meer dan elf miljoen in 2005, wat neerkomt op een stijging met 35% in één jaar tijd.
Eigenlijk is het de wijze waarop de steun werd toegekend die gewijzigd werd, en niet de hoeveelheid, en dit om de instellingen te ontwijken die gecontroleerd worden door Hamas, een beweging die weigert de criteria te respecteren die het Kwartet (EU, Verenigde Staten, Rusland, Verenigde Naties) essentieel acht voor een vredesregeling. Die principes, die het Kwartet namens de internationale gemeenschap heeft opgesomd zijn: erkenning van het recht op een veilig bestaan voor de Israëlische Staat; erkenning van de akkoorden en de verdragen die werden ondertekend tussen Israël en de PLO of de Palestijnse Autoriteit; afzien van geweld als middel om een politieke doelstelling te bereiken.
Die principes zijn vanzelfsprekend en ik zie niet in hoe België en de Europese Unie een regering zouden kunnen steunen die deze principes niet erkent. Als morgen een regering van nationale eenheid een politiek programma aanneemt dat deze principes weerspiegelt, kunnen België en zijn Europese partners overwegen om de rechtstreekse steun aan de Palestijnse Autoriteit te hervatten en de steun via het Temporary International Mechanism terug te schroeven. We mogen ons echter niet van problematiek vergissen. Dat de Europese steun rechtstreeks via de Palestijnse Autoriteit gegeven wordt eerder dan via het TIM zal fundamenteel niets veranderen aan de sociaal-economische situatie van de Palestijnen. 60% van de begroting van de Palestijnse Autoriteit komt immers voort uit haar eigen fiscale middelen, die sedert juni 2006, meer bepaald sedert de gevangenneming van soldaat Shalit, door de Israëlische Staat worden achtergehouden. Die int normaal gezien de belastingen en maakt ze over aan de Palestijnse Autoriteit. De niet-betaling van de lonen van de Palestijnse ambtenaren is de verantwoordelijkheid van Israël. We hebben zowel op Belgisch als op Europees niveau op betaling van die lonen aangedrongen. België en de Europese Unie hebben hun steun aan de Palestijnse bevolking verhoogd en houden dus rekening met de rechten waarin het Internationaal Pact voor de economische, sociale en culturele rechten voorziet.
Bij elke ontmoeting met Israëlische autoriteiten veroordeel ik de gevangenneming van Palestijnse parlementsleden en ministers. De Staat Israël beweert dat die personen verdacht worden van terrorisme en dus om veiligheidsredenen werden aangehouden. Ik heb mijn Israëlische gesprekspartners er altijd op gewezen dat die arrestaties plaats hadden de dag na de ontvoering van korporaal Shalit, op 25 juni 2006, en ik mij dus niet van de gedachte kan ontdoen dat de gevangenneming van parlementsleden en ministers van Hamas een vergeldingsmaatregel is. Als de Staat Israël die mensen als terroristen beschouwt, waarom heeft hij dan ingestemd met hun kandidatuur voor de Palestijnse parlementsverkiezingen in januari 2006? Ik heb dat standpunt ook op de Raad van ministers van de Europese Unie verdedigd.
De voorzitter. - De heer Hervé Jamar, staatssecretaris voor Modernisering van de Financiën en de Strijd tegen de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van Financiën, antwoordt.
De heer Wouter Beke (CD&V). - Een studie van het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg toont aan dat er grote regionale verschillen bestaan bij electieve chirurgie, ingrepen die voorkomen of zelfs uitgesteld en dus perfect gepland kunnen worden zonder de gezondheid van de patiënt in gevaar te brengen. Voor dergelijke ingrepen kan de indicatiestelling weloverwogen en met professionele kennis van zaken geschieden en verwacht men weinig praktijkverschillen. Nochtans stelt men in de internationale literatuur vast dat louter de verblijfplaats van de patiënt al een enorme invloed kan hebben op de kans om bepaalde ingrepen te ondergaan. Ook tussen de Belgische ziekenhuizen bestaan er aanzienlijke praktijkverschillen.
Afhankelijk van de pathologie of aandoening kunnen de regionale verschillen groot zijn, zelfs binnen dezelfde medische discipline. De verschillen binnen eenzelfde regio zijn vaak even groot als de verschillen tussen de regio's. Demografische en socio-economische indicatoren en het zorgaanbod verklaren maar voor een klein deel deze verschillen. De vraag rijst of al die ingrepen wel nodig zijn. Bij hysterectomie en knieartroscopie stelt de studie alleszins een verband vast tussen `veel ingrepen' en `te veel onverantwoorde ingrepen'. Als er een groot aantal van die ingrepen gebeuren, dan zijn ze vaak onnodig.
De verschillen tussen de regio's kunnen wijzen op een ondergebruik van medische zorg in bepaalde regio's als gevolg van een probleem van zorgtoegankelijkheid of van ondergediagnosticeerde aandoeningen. Maar er is nog een andere verklaring, namelijk het verkeerd gebruiken van medische zorg: overconsumptie gebonden aan het medisch aanbod, of niet verantwoorde, inopportune zorg. In beide gevallen is een reactie vereist. Het Kenniscentrum doet tien aanbevelingen om de praktijkverschillen en zorgopportuniteit te kunnen stoelen op nauwkeurige epidemiologische gegevens.
Zal de minister gehoor geven aan de aanbeveling om epidemiologische gegevens te verfijnen in regio's die een bijzonder hoog of laag beroep doen op electieve chirurgie?
Is de minister bereid om de behoeften van de bevolking inzake chirurgische zorg gedetailleerd te bepalen?
Wat denkt de minister van de aanbeveling dat er praktijkrichtlijnen op basis van de internationale wetenschappelijke literatuur moeten worden opgesteld om de indicaties te standaardiseren?
Zal de minister de nomenclatuur herzien om de verschillende behandelingsregels evenwichtiger te financieren? Kan hij daarbij de waarborg geven dat hij de nomenclatuur permanent zal aanpassen volgens de meest recente richtlijnen van de goede medische praktijk?
Zal de minister maatregelen nemen om de actoren in elk specifiek domein intensief te laten samenwerken?
(Voorzitter: de heer Staf Nimmegeers, eerste ondervoorzitter.)
De heer Hervé Jamar, staatssecretaris voor Modernisering van de Financiën en de Strijd tegen de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van Financiën. - Ik lees het antwoord van minister Demotte.
In de studie van het Federaal Kenniscentrum waarnaar de vraag verwijst, wordt vastgesteld dat voor de acht bestudeerde interventies er een gemiddelde jaarlijkse groei van ongeveer 5% bestaat. In vergelijking met OESO-gegevens worden in België relatief veel ingrepen verricht, meer dan wat rekening houdend met de vergrijzing van de bevolking zou kunnen worden verwacht. Er worden geografische verschillen vastgesteld.
Wat de zorgvraag betreft, toont de studie aan dat de waargenomen verscheidenheid slechts ten dele door de incidentie van de pathologie verklaard wordt en dat er zelden een formeel oorzakelijk verband wordt gevonden tussen socio-economische factoren zoals inkomenspeil, het feit alleenstaande te zijn of werkloosheid en het aantal ingrepen.
Wat het zorgaanbod betreft, wordt de hypothese dat het aanbod de vraag doet stijgen niet bevestigd.
Algemeen stelt het rapport dat het verklarend vermogen van de modellen zwak is, waarschijnlijk omdat men met geaggregeerde of met indirecte gegevens moest werken.
Tenslotte is het niet steeds mogelijk om vanuit statistische gegevens een causaal verband af te leiden: het is niet omdat er een correlatie gevonden wordt dat dit het oorzakelijk verband aantoont.
De studie bewijst dat er belangrijke verschillen tussen de regio's bestaan, die maar ten dele door demografische of socio-economische factoren of door het zorgaanbod verklaard worden.
In verband met de eerste twee vragen van de heer Beke kan ik hem bevestigen dat een meer specifieke analyse van de regio's met hoge of lage profielen nodig is en dit op basis van een analyse van de behoeften.
Op zijn derde en vijfde vraag kan ik het volgende antwoorden. Praktijkrichtlijnen zijn inderdaad een methode om de verschillen te beperken. Richtlijnen die op wetenschappelijk onderzoek gebaseerd zijn, zijn echter steeds een combinatie van wetenschappelijk verwerkte praktijkervaring en patiëntgebonden elementen. De ondersteuning van wetenschappelijk handelen is zeker een element in dit proces. Dit dient in overleg te gebeuren. Een samenwerking tussen de wetenschappelijke wereld en de beroepsgroepen is in deze belangrijk.
Het is inderdaad mijn wil om de nomenclatuur der geneeskundige verstrekkingen mee te laten evolueren met de evoluties en de wetenschappelijke bevindingen in de geneeskunde. Dit is één van de taken van het Comité voor de permanente doorlichting van de nomenclatuur van geneeskundige verstrekkingen dat door artikel 68 van de wet houdende diverse bepalingen van 23 december 2005 werd toegevoegd aan de Technisch Geneeskundige Raad van het RIZIV. Dit comité wordt op het ogenblik opgericht.
De heer Wouter Beke (CD&V). - Uiteraard verheugt het me dat er een comité wordt opgericht om de nomenclatuur te herzien. De CD&V-fractie heeft daartoe namelijk zelf een amendement ingediend. Het is alleen jammer dat dit zo lang heeft moeten duren. Ook dit rapport geeft aan dat dit comité een belangrijke hefboom kan zijn.
Het verheugt me eveneens dat de minister nu wel oren heeft naar onze opmerking dat er in de sociale zekerheid en in de ziekteverzekering onderliggende stromingen bestaan. De minister verweet me daarstraks, toen ik tijdens de bespreking van de gezondheidswet een soortgelijke opmerking maakte, dat ik een karikatuur schetste. Ik stel vast dat hij op basis van de studie van het Federaal Kenniscentrum moet erkennen dat er diepe verschillen tussen de regio's zijn en dat die moeten worden aangepakt. Een van de uitdagingen van de komende jaren bestaat er precies in de dieper liggende stromingen te analyseren en erop in te grijpen, in plaats van te blijven denken dat er ons niets kan gebeuren zolang de zee aan haar oppervlak kalm blijft.
De voorzitter. - De heer Hervé Jamar, staatssecretaris voor Modernisering van de Financiën en de Strijd tegen de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van Financiën, antwoordt.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Interne fraudeonderzoeken bij bedrijven hebben vaak kwalijke gevolgen. Wanneer bedrijven op fraude van de eigen werknemers stoten, besluit het merendeel van hen deze informatie binnenshuis te houden om imagoschade te voorkomen. In de meeste gevallen wordt een intern onderzoek gevoerd en een minnelijke schikking getroffen, waarbij de fraudeur wordt ontslagen en het verduisterde geld wordt gerecupereerd.
In bepaalde gevallen besluiten bedrijven, wanneer het intern onderzoek afgerond is, alsnog naar het gerecht te stappen. Het bewijsmateriaal is op dat ogenblik echter vaak onbruikbaar geworden: er worden sporen bijgemaakt, enkel bezwarende gegevens worden bijgehouden, een deel van het bewijsmateriaal wordt vernietigd, en dergelijke meer.
De nationale computereenheid van de federale politie wijst op de consequenties van dit gedrag. Wanneer bedrijven bijvoorbeeld illegaal het e-mailverkeer van een verdachte werknemer onder de loep nemen, kan de werknemer een schadevergoeding eisen.
Om de hierboven beschreven wantoestanden te vermijden, roept de federale politie de bedrijfswereld op om bij fraude een klacht in te dienen bij de computereenheid van de federale politie of om tenminste een professionele forensische auditeur aan te stellen. Is de minister van plan om gevolg te geven aan deze oproep? Kunnen bedrijven verplicht worden om externe controle toe te laten in deze gevallen?
Omdat na interne fraudeonderzoeken dikwijls een minnelijke schikking volgt, blijft het strafblad van werknemers meestal blanco. Hoe denkt de minister dit probleem uit de wereld te kunnen helpen?
Bedrijven opteren soms voor een tussenoplossing, alvorens naar het gerecht te stappen. Er wordt met name een professioneel forensisch auditeur aangesteld, die de zaak onderzoekt. De auditoren klagen echter over de gebrekkige samenwerking met het gerecht. Ondanks het bestaan van een samenwerkingsprotocol met de federale politie, voert ieder zijn eigen onderzoek en is er van samenwerking weinig sprake. Hoe wil de minister de samenwerking tussen privéauditoren en het gerecht bevorderen?
De heer Hervé Jamar, staatssecretaris voor Modernisering van de Financiën en de Strijd tegen de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van Financiën. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.
Indien een gerechtelijk onderzoek wordt opgestart als gevolg van een klacht die is neergelegd door de vertegenwoordiger van een onderneming, spreekt het voor zich dat de eventuele schade aan het werkmateriaal, bijvoorbeeld inbeslagname en bestudering van de harde schijven, niet ten laste van het gerecht kan worden gelegd.
Het is niet mijn gewoonte, noch is het mijn bedoeling, richtlijnen te geven aan de magistraten. Ik wil evenmin een beleid van systematische verklikking aan de ondernemingen opdringen. De bedrijven beschikken over een algemeen huishoudelijk reglement dat van toepassing is op hun personeel en dat de twee contractanten dus in principe kennen.
Indien bij een intern onderzoek een `kleinere' overtreding wordt vastgesteld die intern kan worden geregeld, is het evident dat, indien er geen gerechtelijke vervolging, noch een veroordeling was, niets op het strafblad zal verschijnen.
Er bestaan precieze bepalingen voor bepaalde privéondernemingen, in het bijzonder voor de privébewakings- en beveiligingsfirma's.
Voor het overige verwijs ik naar mijn collega van Binnenlandse Zaken en eventueel naar mijn collega van Werk.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik kan uiteraard nu niet met de staatssecretaris, die een zeer beknopt antwoord heeft voorgelezen, in discussie treden.
Het zal van de meerderheidspartijen afhangen of ze verder toestaan dat de regering een democratische assemblee verder blijft behandelen op dergelijke manier en staatssecretarissen stuurt om antwoorden voor te lezen.
Over zeven maanden zijn er verkiezingen. We zullen de kiezer duidelijk maken hoe de regering de Senaat heeft vernederd. Na de verkiezingen zullen we zien of degenen die ons systematisch hebben vernederd er de rekening voor betalen.
De voorzitter. - De heer Hervé Jamar, staatssecretaris voor Modernisering van de Financiën en de Strijd tegen de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van Financiën, antwoordt.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De jongste jaren wordt de voedselmaffia in Europa hard bestreden. Om te voorkomen dat de consument voedsel van inferieure kwaliteit krijgt voorgeschoteld, worden de grote middelen ingezet. Een van de voornaamste bekommernissen is te voorkomen dat producten van lage kwaliteit worden verkocht als topproducten. Na controle van de genetische vingerafdruk kunnen aangelengde of met minder kwaliteit aangevulde producten uit de winkelrekken worden gehaald.
Het door de EU gesponsorde onderzoeksprogramma TRACE biedt een alternatieve methode om na te gaan hoe authentiek voedsel is. Aan de hand van water-, stikstof-, zuurstof- en luchtisotopen wordt bepaald in welke weersomstandigheden en in welk milieu een product geteeld, geoogst of gefokt is.
Ook in België wordt de strijd tegen de voedselfraude gevoerd met financiële steun van de Europese Unie. Zo wordt bijvoorbeeld gebruik gemaakt gebruik van satellietbeelden om oogsten te controleren.
Graag vernam ik van de minister, ten eerste, hoe ernstig het gesteld is met de voedselfraude in België in vergelijking met de toestand in andere lidstaten van de Europese Unie.
Ten tweede, langs welke wegen men de voedselfraude op federaal niveau tracht te bestrijden. Hoe verloopt de samenwerking met Europa op dit vlak?
Ten derde, of de federale overheid projecten die satellietbeelden gebruiken om landbouwoogsten te controleren, ondersteunt. Worden met die projecten landbouwers in het hele land op die manier gecontroleerd of blijft de controle regionaal beperkt? Indien de controle regionaal beperkt is, wenst de minister die controle uit te breiden?
Bewuste consumenten kiezen steeds meer voor voedsel met een `ethisch' of `organisch' label. Wanneer voedselkwaliteit in het geding is, blijft de controle op die labels een heikel punt. Kan de minister, ten vierde, garanderen dat die labels met de realiteit van het productieproces overeenstemmen? In welke mate worden in die sector misbruiken vastgesteld en hoe denkt men dergelijke misbruiken in de toekomst voorkomen?
De heer Hervé Jamar, staatssecretaris voor Modernisering van de Financiën en de Strijd tegen de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van Financiën. - Ik lees het antwoord van minister Laruelle.
Ik ben niet bevoegd om te antwoorden op de vraag om uitleg van de heer Vandenberghe.
Voor de thema's in het derde en het vierde onderdeel van zijn vraag zijn de gewesten bevoegd. Het eerste onderdeel betreft aspecten van volksgezondheid, waarvoor minister Demotte bevoegd is, en het tweede onderdeel betreft de etikettering, waarvoor minister Verwilghen bevoegd is.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Nu neemt de regering de overtreffende trap. Hoe later op de avond, hoe zinlediger de antwoorden. Ik ben verwonderd en kijk afwachtend uit naar de antwoorden op mijn volgende vragen.
Deze vraag had ik gesteld aan de vice-eersteminister en minister van Begroting en Consumentenzaken, aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en aan de minister van Middenstand en Landbouw. Die laatste minister antwoordt me nu dat de andere ministers bevoegd zijn.
Eigenlijk komt de vertegenwoordiger van de regering hier gewoon wat lachen met de democratisch verkozen vertegenwoordigers van het volk zoals gebruikelijk in assemblees in de sovjettijd of onder het Francoregime.
Ik neem akte van dit schandelijke gebrek aan loyaliteit ten aanzien van de democratische oppositie.
De heer Hervé Jamar, staatssecretaris voor Modernisering van de Financiën en de Strijd tegen de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van Financiën. - Ik wil terzake geen polemiek aangaan.
Als de heer Vandenberghe het daarmee eens is, zal ik bij de betrokken ministers aandringen op de noodzaak om overleg te plegen. Klaarblijkelijk werd beslist het antwoord bij één persoon te concentreren. Het is dan ook verbazingwekkend dat de ministers de verantwoordelijkheid op elkaar afschuiven. Men had er beter aan gedaan hier een totaalantwoord te geven.
Wat de gewesten betreft, is enige nuancering op zijn plaats. Aangezien dit een ander beleidsniveau is, zijn we vaak niet bevoegd en hebben we niet altijd een antwoord op de vragen die rijzen. Als de heer Vandenberghe het daarmee eens is, zal ik persoonlijk tussenbeide komen opdat in een volgende vergadering een gedetailleerder antwoord wordt gegeven.
De voorzitter. - De heer Hervé Jamar, staatssecretaris voor Modernisering van de Financiën en de Strijd tegen de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van Financiën, antwoordt.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De media hadden de voorbije weken veel belangstelling voor de onverklaarbare botbreuken vastgesteld bij baby's in twee Amsterdamse ziekenhuizen. Drie zuigelingen liepen breuken aan benen, armen en ribben op. Er raakte eveneens bekend dat de babybeul op de kraamafdeling van het Tilburgse ziekenhuis toegeslagen had. Daar stelde een kinderarts bij een baby een gebroken bovenbeen vast.
De Nederlandse ziekenhuizen nemen de bedreigingen bijzonder ernstig. Zo hebben verschillende instellingen draconische veiligheidsmaatregelen genomen. In een ziekenhuis werden bijvoorbeeld bewakingscamera's op de kinderafdeling geplaatst. In een ander ziekenhuis patrouilleert een bewakingsagent op de kraamafdeling.
Op welke manier worden in ons land patiënten tegen dergelijke gruwelijke daden beschermd?
Acht de minister het nodig om naar aanleiding van de gebeurtenissen in Nederland het toezicht in de ziekenhuizen te verscherpen? Welke maatregelen zullen daartoe zo nodig worden genomen?
De heer Hervé Jamar, staatssecretaris voor Modernisering van de Financiën en de Strijd tegen de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van Financiën. - Ik lees het antwoord van de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.
Er zijn mij geen gelijkaardige voorvallen bekend in de Belgische ziekenhuizen. Het is dan ook niet nodig specifieke maatregelen te nemen naar aanleiding van de gebeurtenissen in Nederland.
Dat betekent evenwel niet dat de algemene problematiek van geweld in ziekenhuizen aan mijn aandacht ontsnapt. Ik heb samen met mijn collega van Binnenlandse Zaken een enquête georganiseerd omtrent geweld in de ziekenhuizen. Vervolgens hebben we een gezamenlijke werkgroep opgericht. Het is de bedoeling een actieplan inzake geweld in de ziekenhuizen, met onder meer een bewustmakingscampagne, te starten. Bij het uitwerken van dit plan kan uiteraard rekening worden gehouden met geweld op baby's die in het ziekenhuis verblijven.
De veralgemeende invoering van bewakingscamera's en -agenten in ziekenhuizen vind ik echter onwenselijk. Het genezingsproces van de patiënt wordt naar mijn mening niet gunstig beïnvloed als hij zich in een zwaar beveiligde instelling waant. Patiënten moeten in een rustige omgeving opnieuw op krachten kunnen komen.
Minder ingrijpende maatregelen zijn naar mijn mening meer gepast. Ik denk bijvoorbeeld aan de stewards die in het kader van het generatiepact bijkomend in de ziekenhuizen worden ingezet. Zij kunnen een oogje in het zeil houden.
Ik vind het zelfs niet nodig die maatregelen in het algemeen te verplichten. Het is veeleer de verantwoordelijkheid van de beheerder ervoor te zorgen dat zijn instelling op een veilige manier functioneert. Hij moet daarbij rekening houden met de concrete situatie van het ziekenhuis, zoals de architectonische structuur. Natuurlijk kan hij, indien hij dat nodig acht, bij dergelijke gebeurtenissen bijkomende maatregelen treffen.
De voorzitter. - De heer Hervé Jamar, staatssecretaris voor Modernisering van de Financiën en de Strijd tegen de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van Financiën, antwoordt.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Volgens de Algemene Pharmaceutische Bond zijn sommige medicijnen soms dagen- of wekenlang niet te vinden in de apotheek. Apothekers kunnen ze niet bijbestellen omdat de voorraad reeds is uitverkocht.
Volgens de Algemene Pharmaceutische Bond is de wildgroei van vooral generische geneesmiddelen de oorzaak van het tekort. Vijf jaar geleden waren er ongeveer 24.000 soorten generische geneesmiddelen op de markt, nu zijn er dat al 40.000. Bijgevolg kunnen vele apothekers al deze medicijnen onmogelijk in voorraad hebben.
Een ander probleem is dat de ene producent doosjes maakt van bijvoorbeeld 30 pillen terwijl de andere producent doosjes heeft van 28 pillen. Ook al gaat het dan om dezelfde stof in de pillen toch mogen de apothekers als een dokter een doosje van 30 pillen van merk X voorschrijft de patiënt niet zomaar een doosje van 28 pillen van merk Y meegeven. De apothekers dringen dan ook sterk aan om standaardverpakkingen op te leggen.
Bovendien zouden groothandelaars liever leveren aan het buitenland, waar ze meer winst kunnen maken. In vergelijking met de meeste buurlanden zijn de medicijnen in België vrij goedkoop. Daardoor gebeurt het wel eens dat een groothandelaar uitvoert naar een land waar de winstmarge veel hoger is. De schaarste neemt daardoor steeds toe.
Welke conclusies trekt de minister uit de hierboven geformuleerde opmerkingen van de Algemene Pharmaceutische Bond?
Acht de minister het raadzaam standaardverpakkingen op te leggen voor de geneesmiddelen?
Welke maatregelen zal de minister nemen om de schaarste van sommige geneesmiddelen tegen te gaan?
Acht de minister het wenselijk om over de handel in geneesmiddelen overleg te plegen op Europees niveau?
De heer Hervé Jamar, staatssecretaris voor Modernisering van de Financiën en de Strijd tegen de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van Financiën. - Minister Demotte wil eerst enkele van uw stellingen rechtzetten.
Als een arts op stofnaam voorschrijft en 30 eenheden aangeeft, dan kan de apotheker zonder probleem een verpakking van 28 eenheden afleveren. De apotheker kan dus kiezen tussen alle verpakkingen van 28 of 30 eenheden naargelang van wat het meest in het belang van de patiënt is.
Ook het cijfer van 40.000 verpakkingen van generische geneesmiddelen verbaast me ten zeerste. Onder de terugbetaalde geneesmiddelen, waar ze het talrijkst zijn, zijn er immers minder dan 2.000 verpakkingen van generische geneesmiddelen.
Niettemin betwist ik niet dat er moeilijkheden bestaan in verband met het aantal verschillende verpakkingen. Dit zorgt voor problemen, zowel voor het voorraadbeheer als voor de transparantie, wanneer het erop aankomt om verpakkingen onderling te vergelijken op basis van hun prijs. Daarom is een koninklijk besluit in voorbereiding dat het mogelijk maakt het aantal verschillende verpakkingen te beperken in functie van de aandoening.
Wat het tekort aan geneesmiddelen betreft, bestaan er reeds wettelijke normen. Richtlijn 2001/83, die een communautaire code voor geneesmiddelen voor humaan gebruik instelt, werd in onze nationale wetgeving omgezet in de wet van 1 mei 2006 tot herziening van de farmaceutische wetgeving (nieuw artikel 12quinquies van de geneesmiddelenwet van 25 maart 1964).
Dit artikel bepaalt dat de registratiehouders die een geneesmiddel op de markt brengen en de groothandelaars-verdelers van dit geneesmiddel, elk voor hun eigen domein verplicht zijn om steeds voor de gepaste en regelmatige bevoorrading te zorgen. Op die manier kunnen de apothekers voldoen aan de noden van de patiënten.
Bovendien zijn de fabrikanten verplicht de geneesmiddelen aan de groothandelaars-verdelers, die verplichtingen van openbare dienst hebben, te leveren. De groothandelaars-verdelers moeten op hun beurt aan de apothekers leveren.
Een ander aspect van de beschikbaarheid is het in de handel brengen van geneesmiddelen die geregistreerd zijn. Sinds de recente herziening van de farmaceutische wetgeving zijn de firma's verplicht hun product op de markt te brengen binnen de drie jaar na het verwerven van de vergunning, zo niet wordt de vergunning ingetrokken. Deze bepaling moet er eveneens toe leiden dat de bestaande geneesmiddelen beter ter beschikking worden gesteld.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De cijfers komen niet van mij. Ik heb ze overgenomen van de Algemene Farmaceutische Bond.
De voorzitter. - De heer Hervé Jamar, staatssecretaris voor Modernisering van de Financiën en de Strijd tegen de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van Financiën, antwoordt.
Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - In de psychiatrie is een van de beleidsopties van minister Demotte de rehabilitatie van patiënten. Die beleidsoptie wordt helemaal door de sector ondersteund, maar veronderstelt uiteraard dat hiervoor een gunstig klimaat gecreëerd wordt met voldoende professionele ondersteuning.
Een van de belangrijke actoren in de ondersteuning zijn de patiëntenverenigingen. In het antwoord op mijn schriftelijke vraag 3-4724 van 24 maart 2006 voegt de minister er nog een belangrijke opdracht voor de patiëntenverenigingen aan toe, namelijk de inbreng in het beleid. Hij zegt daarover het volgende: `Tevens kan ik nog vermelden dat tot op heden het beleid een deel van de basiswerking van drie patiëntenverenigingen ondersteunt, namelijk Uilenspiegel in Vlaanderen, Passifou in Brussel en Psytoyens in Wallonië, en dit teneinde patiëntenparticipatie aan het beleid te verhogen'.
Hoeveel bedraagt die financiële ondersteuning tot op heden? Wordt voor het volgende begrotingsjaar in dezelfde ondersteuning voorzien? Zo neen, waarom niet?
De heer Hervé Jamar, staatssecretaris voor Modernisering van de Financiën en de Strijd tegen de fiscale fraude, toegevoegd aan de minister van Financiën. - Ik lees het antwoord van minister Rudy Demotte.
Drie patiëntenorganisaties, namelijk Uilenspiegel in Vlaanderen, Passifou in Brussel en Psytoyens in Wallonië, krijgen momenteel financiële ondersteuning voor een deel van hun basiswerking teneinde de patiëntenparticipatie aan het beleid te verhogen. Een bedrag van 24.789,35 euro wordt in het kader van het `Pilootproject Patiëntenorganisaties' aan elk van de deelnemers toegekend op basis van een contract met een duurtijd van twaalf maanden.
Voor het volgende begrotingsjaar zal hetzelfde budget worden uitgetrokken ter ondersteuning van de patiëntenorganisaties. De patiëntenorganisaties kunnen nog bijkomende financiering ontvangen, afhankelijk van hun rol en actieve inzet binnen het transversaal overleg.
Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - De patiëntenverenigingen zullen dus dezelfde bedragen ontvangen als vorig jaar. Bovendien kunnen ze extra middelen krijgen als ze aan bepaalde voorwaarden voldoen. Misschien kan het Nederlandse systeem van de Stichting Patiëntenzorg worden overgenomen. Daar gebeurt de financiering niet jaar per jaar of projectmatig, maar wel structureel over meerdere jaren. Hierdoor neemt de zekerheid bij de verenigingen toe. Ik weet dat de minister vaak met de patiëntenverenigingen en de familieverenigingen overlegt en hun inbreng op prijs stelt.
De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.
De volgende vergadering vindt plaats donderdag 23 november om 10.00 uur.
(De vergadering wordt gesloten om 18.50 uur.)
Afwezig met bericht van verhindering: mevrouw Anseeuw en de heer Delacroix, om gezondheidsredenen, de heer Detraux, om familiale redenen, de dames De Schamphelaere, Durant en Laloy, de heren Istasse, Mahoux, Roelants du Vivier, Van den Brande en Willems, in het buitenland, de dames Defraigne en Pehlivan, de heren Delpérée en Wilmots, wegens andere plichten.
-Voor kennisgeving aangenomen.
Stemming 1
Aanwezig: 43
Voor: 13
Tegen: 30
Onthoudingen: 0
Voor
Wouter Beke, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Nele Jansegers, Clotilde Nyssens, Etienne Schouppe, Hugo Vandenberghe, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem.
Tegen
Jihane Annane, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jean-Marie Cheffert, Berni Collas, Jean Cornil, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Paul Wille, Olga Zrihen.
Stemming 2
Aanwezig: 38
Voor: 29
Tegen: 0
Onthoudingen: 9
Voor
Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jean-Marie Cheffert, Berni Collas, Jean Cornil, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Paul Wille, Olga Zrihen.
Onthoudingen
Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Jean-Marie Dedecker, Nele Jansegers, Hugo Vandenberghe, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem.
Stemming 3
Aanwezig: 37
Voor: 35
Tegen: 0
Onthoudingen: 2
Voor
Jihane Annane, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jean-Marie Cheffert, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Paul Wille, Olga Zrihen.
Onthoudingen
Christian Brotcorne, Josy Dubié.
Stemming 4
Aanwezig: 37
Voor: 0
Tegen: 35
Onthoudingen: 2
Tegen
Jihane Annane, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jean-Marie Cheffert, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Paul Wille, Olga Zrihen.
Onthoudingen
Christian Brotcorne, Josy Dubié.
Stemming 5
Aanwezig: 37
Voor: 35
Tegen: 0
Onthoudingen: 2
Voor
Jihane Annane, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jean-Marie Cheffert, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Paul Wille, Olga Zrihen.
Onthoudingen
Christian Brotcorne, Josy Dubié.
Stemming 6
Aanwezig: 37
Voor: 35
Tegen: 0
Onthoudingen: 2
Voor
Jihane Annane, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jean-Marie Cheffert, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Paul Wille, Olga Zrihen.
Onthoudingen
Christian Brotcorne, Josy Dubié.
Artikel 81 van de Grondwet
Wetsvoorstel tot wijziging van de artikelen 1408 en 1526bis van het Gerechtelijk Wetboek, inzake het beslag op roerende goederen (van de heer Jan Steverlynck; Stuk 3-1890/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.
Wetsvoorstel houdende verplichte en kosteloze registratie van de huurovereenkomst (van mevrouw Mia De Schamphelaere en de heer Wouter Beke; Stuk 3-1906/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.
Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 3bis, §2, van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen (van de heer Jan Steverlynck; Stuk 3-1908/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.
Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:
-Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.
Bij boodschappen van 16 november 2006 heeft de Senaat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers terugbezorgd, met het oog op de bekrachtiging door de Koning, de volgende niet geëvoceerde wetsontwerpen:
Wetsontwerp houdende wijziging van artikel 51 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (Stuk 3-1900/1).
Wetsontwerp houdende een begeleidingsmaatregel voor de voorraadactualisering door de erkende diamanthandelaars (Stuk 3-1901/1).
Wetsontwerp houdende wijziging van de wet van 3 april 1997 betreffende het fiscaal stelsel van gefabriceerde tabak (Stuk 3-1902/1).
-Voor kennisgeving aangenomen.
Bij boodschappen van 9 november 2006 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergadering van dezelfde dag werden aangenomen:
Artikel 78 van de Grondwet
Wetsontwerp betreffende de investeringsaftrek ten gunste van de horecasector (Stuk 3-1895/1).
-Het wetsontwerp werd ontvangen op 10 november 2006; de uiterste datum voor evocatie is maandag 27 november 2006.
Wetsontwerp tot vervanging van artikel 230, eerste lid, 3º, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (Stuk 3-1896/1).
-Het wetsontwerp werd ontvangen op 10 november 2006; de uiterste datum voor evocatie is maandag 27 november 2006.
Wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (Stuk 3-1897/1).
-Het wetsontwerp werd ontvangen op 10 november 2006; de uiterste datum voor evocatie is maandag 27 november 2006.
Wetsontwerp betreffende het statuut van de bedienden der hypotheekbewaarders (Stuk 3-1898/1).
-Het wetsontwerp werd ontvangen op 10 november 2006; de uiterste datum voor evocatie is maandag 27 november 2006.
Wetsontwerp houdende wijziging van de accijnstarieven van bepaalde energieproducten (Stuk 3-1899/1).
-Het wetsontwerp werd ontvangen op 10 november 2006; de uiterste datum voor evocatie is maandag 27 november 2006.
Wetsontwerp tot wijziging van artikel 249 van Titel 1, Hoofdstuk XVIII, Afdeling II van het Wetboek van registratie-, hypotheek- en griffierechten (Stuk 3-1903/1).
-Het wetsontwerp werd ontvangen op 10 november 2006; de uiterste datum voor evocatie is maandag 27 november 2006.
Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus (Stuk 3-1904/1).
-Het ontwerp werd ontvangen op 10 november 2006; de uiterste datum voor evocatie is maandag 27 november 2006.
Kennisgeving
Wetsontwerp tot wijziging van artikel 194ter van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 betreffende de tax shelter-regeling ten gunste van de audiovisuele productie (van mevrouw Margriet Hermans en mevrouw Stéphanie Anseeuw; Stuk 3-1284/1).
-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 9 november 2006 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.
Wetsontwerp tot aanvulling van artikel 149 van het Wetboek der successierechten, wat betreft de vrijstelling van de taks tot vergoeding van successierechten voor verenigingen zonder winstoogmerk die natuurterreinen openstellen voor algemeen gebruik (van mevrouw Mia De Schamphelaere c.s.; Stuk 3-1606/1).
-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 9 november 2006 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.
Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst voor samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar Lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, ter bestrijding van fraude en andere illegale activiteiten die hun financiële belangen schaden, en met de Slotakte, gedaan te Luxemburg op 26 oktober 2004 (Stuk 3-1731/1).
-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 9 november 2006 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.
Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag tussen het Koninkrijk België, de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk Spanje, de Republiek Frankrijk, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Oostenrijk inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van het terrorisme, de grensoverschrijdende criminaliteit en de illegale migratie, en met de Bijlagen, gedaan te Prüm op 27 mei 2005 (Stuk 3-1746/1).
-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 9 november 2006 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.
De Regering heeft volgend wetsontwerp ingediend:
Wetsontwerp houdende instemming met de Akte van herziening van het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien (Verdrag inzake het Europees octrooi) van 5 oktober 1973, laatst gewijzigd op 17 december 1991, gedaan te München op 29 november 2000 (Stuk 3-1909/1).
-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.
Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:
-Voor kennisgeving aangenomen.
Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:
-Voor kennisgeving aangenomen.
Met toepassing van artikel 76 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:
-Voor kennisgeving aangenomen.
Bij brief van 30 oktober 2006 heeft de Auditeur-generaal van financiën, overeenkomstig artikel 36 van het koninklijk besluit nr. 150 van 18 maart 1935 tot samenschakeling van de wetten betreffende de inrichting en de werking van de Deposito- en consignatiekas en tot aanbrenging van wijzigingen daarin krachtens de wet van 31 juli 1934 aan de Senaat overgezonden, het verslag over de verrichtingen van de Deposito- en consignatiekas van het jaar 2005.
-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.