2-103

2-103

Belgische Senaat

2-103

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 22 MAART 2001 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Inoverwegingneming van voorstellen

Mondelinge vragen

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over «de naleving van het koninklijk besluit van 27 december 1993 met betrekking tot de reclame voor zuigelingenvoeding en het uitdelen van gratis stalen» (nr. 2-368)

Mondelinge vragen

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 74 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (Stuk 2-663) (Evocatieprocedure)

Wetsvoorstel tot aanvulling van artikel 317 van de nieuwe gemeentewet (van mevrouw Anne-Marie Lizin, Stuk 2-25)

Voordracht van de tweede kandidaat voor een ambt van Franstalig rechter in het Arbitragehof (Stuk 2-677)

Benoeming van een plaatsvervanger voor een extern lid niet-notaris van de Nederlandstalige benoemingscommissie voor het notariaat (Stuk 2-676)

Verzending van wetsvoorstellen naar een andere commissie

Vraag om advies aan de Raad van State

Herziening van artikel 184 van de Grondwet (Stuk 2-657)

Benoeming van een plaatsvervanger voor een extern lid niet-notaris van de Nederlandstalige benoemingscommissie voor het notariaat (Stuk 2-676)

Herziening van artikel 184 van de Grondwet (Stuk 2-657)

Evaluatie van het preventie- en veiligheidsbeleid van de regering (Stuk 2-669)

Stemmingen

Regeling van de werkzaamheden

Stemmingen

Regeling van de werkzaamheden

Vraag om uitleg van mevrouw Anne-Marie Lizin aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over «de bescherming van vertrouwelijke gegevens over Amerikaanse firma's op 1 juli 2001» (nr. 2-402)

Vraag om uitleg van de heer Georges Dallemagne aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over «het standpunt van België en van de Europese Unie over het regime in Birma» (nr. 2-408)

Vraag om uitleg van de heer Johan Malcorps aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over «het verder onderzoek naar de gevolgen van de dioxinecrisis voor de volksgezondheid» (nr. 2-384)

Vraag om uitleg van mevrouw Anne-Marie Lizin aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de financiering van de hervorming van de hulpdiensten» (nr. 2-404)

Vraag om uitleg van mevrouw Clotilde Nyssens aan de minister van Sociale Zaken en Pensioenen over «de deelname van de federale overheid aan het internationaal jaar van de vrijwilliger» (nr. 2-405)

Berichten van verhindering

Bijlage


Voorzitter: de heer Jean-Marie Happart, ondervoorzitter

(De vergadering wordt geopend om 15.10 uur.)

Inoverwegingneming van voorstellen

De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)

(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van de heer Michiel Maertens aan de minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek over «het Belgisch noodplan rond de terugkeer van MIR in de dampkring» (nr. 2-550)

De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Om 13.40 uur vloog het ruimtestation MIR voor een laatste keer over ons land. Als het station tegen morgenmiddag niet wordt vernietigd, zal het misschien nog een paar keer om de aarde wentelen.

Op 26 oktober van vorig jaar stelde ik minister Picqué een vraag om uitleg over de terugkeer van MIR in de dampkring. Toen antwoordde de minister dat hij mij op de hoogte zou brengen van de resultaten van de DWTC-werkgroep terzake. Dit is niet gebeurd. Ondertussen vernam ik in de krant dat het crisiscentrum van Binnenlandse Zaken een noodplan heeft uitgewerkt, maar details kennen wij niet. Ook al worden wij op de hoogte gehouden via de pers en zijn de berichten uit Miska eerder geruststellend, toch staan die in tegenstelling tot de berichten van Duitse en Japanse wetenschappers die wijzen op het gevaar van de nucleaire componenten in het ruimtestation. Wij beklemtonen tevens dat er nog veel onzekerheden zijn. Een en ander wordt bevestigd door het Belgisch Instituut voor Ruimte-Aeronomie; om 12.45 uur liet het in een Belga-persmededeling weten dat de omstandigheden van een mislukking helemaal niet te voorspellen zijn.

Kan de minister mij uiteenzetten wat er in het noodplan is voorzien en hoe het in werking zal treden? Werd daarbij rekening gehouden met mogelijke nucleaire besmetting? Mocht die hele kleine kans van een fractie op duizend zich voordoen boven ons land, op welke wijze zal er dan worden gereageerd?

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Het CGCCR volgt de situatie op de voet via het ESA, via andere nationale contactpunten, via de betrokken departementen in België en via de nieuwsagentschappen. Het CGCCR houdt de in eerste instantie betrokken departementen op de hoogte van de evolutie.

Officieel bestaat er geen worst case-scenario voor een nucleair risico bij het neerstorten aangezien naar verluidt er geen nucleair materiaal aan boord is. Dat belet niet dat het CGCCR bij aanwijzingen van het tegendeel in staat is om onmiddellijk het nationaal noodplan voor nucleaire risico's af te kondigen en in werking te laten treden.

Met het oog op het neerstorten van het station op het Belgisch grondgebied worden de hulpdiensten door de gouverneurs in vooralarm gebracht. Als er effectief problemen rijzen, zal het CGCCR de gouverneurs onmiddellijk verwittigen.

Gelukkig is die kans uiterst klein. Indien de "landing" niet gecontroleerd zou verlopen, wat weinig waarschijnlijk is, en er een gevaar zou bestaan voor het Belgische grondgebied, kan een crisisstaf met verantwoordelijken van verschillende departementen op nationaal niveau bijeenkomen. Die staf kan dan de crisis beheren, maar zal in de eerste plaats het lokale klassieke rampenplan respecteren. Dat lokale ingrijpen bevat enerzijds een politioneel en medisch onderdeel en anderzijds de mobilisatie van brandweer en civiele bescherming. Nadien is een overdracht naar provinciaal en in laatste instantie naar nationaal niveau mogelijk. We hebben alle nodige maatregelen genomen op nationaal niveau.

De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Ik dank de minister voor zijn uitleg. Gelet echter op het weliswaar kleine, maar toch reële risico is het eigenaardig dat de zaak pas a posteriori wordt aangepakt. Uit zijn antwoord meen ik te mogen concluderen dat er op het ogenblik geen crisiscentrum actief is. Er zal pas worden gereageerd indien er zich een ongeval voordoet. Dat is onvoorzichtig. Het ogenblik van de crash is gekend, het is dus beter dat nu reeds een aantal verantwoordelijken de situatie op de voet volgen zodat zeer snel kan worden gereageerd. Wanneer dat pas na de feiten gebeurd, kan er veel kostbare tijd verloren gaan.

Officieel is er geen nucleair materiaal aan boord en zou het risico dus onbestaande zijn. Wetenschappers van Engelse, Duitse en Japanse origine trekken die bewering echter in twijfel. Wij weten dat wij niet altijd correct worden voorgelicht over wat er in Rusland gebeurt. Vandaag beweert de overheid wel over correcte informatie te beschikken. Dat is best mogelijk, maar dat neemt niet weg dat het beter is vóór een gebeurlijk ongeval reeds alarm te slaan.

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Er bestaat altijd een risico, maar de geachte senator loopt een groter risico als hij straks de Wetstraat oversteekt dan morgen bij de terugkeer van MIR in de atmosfeer.

Het is niet juist te stellen dat het crisiscentrum niet werkt. Het is per definitie 24 uur op 24 in staat van alarm. Ik heb het "geluk" dat zelf te kunnen vaststellen.

Bij een ramp kunnen alle vereiste middelen en manschappen worden gemobiliseerd volgens strikte en goed gekende procedures. Er is geen reden om nu te mobiliseren buiten hetgeen is voorzien in de rampenplannen. Doet er zich een ongeval voor, dan kan onmiddellijk ingegrepen worden en zal het crisiscentrum de operatie rechtstreeks leiden, eerst op gemeentelijk, dan op provinciaal en ten slotte op nationaal niveau.

De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Ik loop inderdaad meer gevaar bij het oversteken van de Wetstraat. Maar, mijnheer de minister, daaraan kan misschien ook iets worden gedaan.

Mondelinge vraag van mevrouw Erika Thijs aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de politiehervorming en de regeling voor de dotaties aan de gemeenten» (nr. 2-551)

Mevrouw Erika Thijs (CVP). - Onze commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden heeft op 20 maart 2001 in een openbare vergadering de heer Marchal, burgemeester van Gerpinnes, gehoord over de implementatie van de politiehervorming in zijn gemeente. Uit dit verhoor is onder meer gebleken dat vele gemeenten geen enkele zekerheid hebben over de berekening van hun dotatie. Volgens de heer Marchal zou de dotatie van zijn gemeente per telefoon zijn berekend en zou de ambtenaar geweigerd hebben de berekening schriftelijk te bevestigen.

Dat is uiteraard schokkend nieuws en wijst niet op een goede communicatie vanwege een overheidsdienst. Bovendien zou bij de berekening van de dotatie voor de gemeente Gerpinnes uitgegaan zijn van ongeveer 1.800.000 frank per ex-rijkswachter, terwijl de heer Van Reusel, politiecommissaris van de stad Brussel, ons zei dat een rijkswachter meer dan 2.250.000 frank kost. Evenmin werd rekening gehouden met de sociologische en stedelijke typologie van de betrokken politiezone. Een landelijke gemeente die aan een grootstad grenst, heeft immers ook met grootstedelijke criminaliteit te maken. Kortom, op lokaal vlak blijven nog een groot aantal vragen onbeantwoord.

Hoe worden de dotaties met de burgemeesters onderhandeld? Waarom werd de berekening van de dotatie van Gerpinnes telefonisch geregeld? Wat zijn de concrete richtlijnen voor de diensten belast met de onderhandeling van de dotaties? In welke mate wordt daarbij rekening gehouden met de specificiteit van elke politiezone? Wat is de precieze kostprijs van een ex-rijkswachter die naar een lokale politie wordt overgeplaatst? Wordt bij de berekening van de dotatie systematisch van eenzelfde kostprijs uitgegaan?

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - De federale dotatie zal aan de politiezones worden gestort op basis van de normen uit de regressieanalyse van de KUL. Ik heb in de commissie meer dan eens uitleg gegeven over deze normen. Zij houden rekening met alle mogelijke specifieke kenmerken en met de diversiteit van de gemeenten.

Ik kan officieel bevestigen dat de berekeningen van de kost per rijkswachter die wordt overgeheveld, verschillende malen werden onderzocht en dat ze correct zijn. Gisteren kregen wij deze informatie van de rijkswacht, vandaag van de federale politie. Wat men ook moge beweren, een rijkswachter kost gemiddeld 1.750.000 frank en dit bedrag wordt gebruikt in de berekeningen. Op 6 maart jongstleden heeft de ministerraad ingestemd met het globaal te verdelen bedrag en met het verdelingsmechanisme. Nu moet overleg plaatsvinden met de Gewesten met het oog op het sluiten van een protocolakkoord. De ministerraad heeft dit protocolakkoord al goedgekeurd. Wij kunnen de burgemeesters dus officieel op de hoogte brengen van de cijfers. Wij hebben daarvoor wel het einde van de procedure moeten afwachten.

De federale dotatie begint in 2002. Er is dus geen urgentie want de kosten voor het jaar 2001 zullen door provisies worden gedekt. Het is volkomen uitgesloten dat over deze dotatie met wie dan ook telefonisch werd onderhandeld. Als iemand om inlichtingen vraagt, dan tracht de dienst in elk stadium van de procedure de cijfers te geven waarover hij op dat ogenblik beschikt.

Mevrouw Erika Thijs (CVP). - De kostprijs verschilt van dag tot dag. Vandaag spreekt de minister van 1.750.000 frank, in de commissie werd het bedrag van 1.850.000 frank geciteerd en volgens politiecommissaris Van Reusel zou een rijkswachter 2.250.000 frank kosten.

De burgemeester van Gerpinnes heeft uitdrukkelijk verklaard dat een medewerker van zijn gemeente door Binnenlandse Zaken werd opgebeld om de dotatie te kunnen vaststellen, maar niet de garantie kreeg dat die schriftelijk zou worden bevestigd. Een vlotte en correcte communicatie is een essentiële voorwaarde om de politiehervorming te doen slagen en een van de strijdpunten van de regering, maar ik heb de indruk dat die communicatie op alle mogelijke domeinen spaak loopt. Mijn vraag is zeker niet uit de lucht gegrepen, maar gebaseerd op de verklaring van een burgemeester in de commissie.

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Mevrouw Thijs, in andere omstandigheden zou ik kunnen aantonen welke uitzonderlijke inspanning wordt geleverd om niet alleen het personeel maar ook de burgemeesters in te lichten over de politiehervorming.

Om te weten wat een rijkswachter kost, moet u zich niet tot de heer Van Reusel wenden. Die zou zich beter bezighouden met de veiligheid in Brussel. Ik heb nooit een ander bedrag genoemd dan 1.750.000 frank. Dit bedrag werd vastgesteld in overleg met de vakbonden.

Laat aan de heer Van Reusel weten dat ik de wet misschien nog meer respecteer dan hijzelf. Vooraleer de dotatie officieel kan worden meegedeeld, moeten eerst heel wat stappen worden gezet. Nu dit gebeurd is, zullen wij de officiële mededelingen doen.

Mevrouw Erika Thijs (CVP). - Alleszins is duidelijk dat de gemeenten ongerust zijn over de financiële weerslag van de politiehervorming. De minister mag er zeker van zijn dat bij zijn diensten daarover nog heel wat telefoontjes zullen binnenlopen.

Mondelinge vraag van de heer Alain Destexhe aan de eerste minister over «de top van Laken» (nr. 2-549)

De heer Alain Destexhe (PRL-FDF-MCC). - Volgens mij heeft de eerste minister als eerste gesproken over "de top van Laken" om te verwijzen naar de top die het Belgisch voorzitterschap van de EU zal afsluiten.

Waarom wordt over Laken gesproken? Laken is een wijk van Brussel en staat niet op de officiële lijst van de Belgische gemeenten. Collega Roelants du Vivier merkt op dat die naam lachwekkend dreigt te klinken als hij door Fransen, Engelsen of Spanjaarden wordt uitgesproken.

De laatste Europese topontmoetingen hadden plaats in Nice, Feira, Helsinki, Keulen, Wenen en Cardiff. Dat zijn allemaal erkende steden. Waarom spreekt men dan over de top van Laken en niet over de top van Brussel? Is dat omdat Laken een beroemde Belgische inwoner herbergt?

De heer Guy Verhofstadt, eerste minister. - De Europese top van 14 en 15 december van dit jaar zal plaatshebben in het Kasteel van Laken. Als wordt gesproken over de top van Laken wordt dus verwezen naar het kasteel en niet naar een gemeente of een wijk. Ik merk trouwens op dat in de officiële documenten en mededelingen altijd wordt gesproken over Brussel-Laken. Dat is bijvoorbeeld het geval in de nota over de prioriteiten van het Belgisch voorzitterschap die door de Ministerraad van 15 december werd goedgekeurd. Ik vermoed dat u tevreden zult zijn dat de naam "Brussel" wordt gebruikt in alle officiële teksten.

De heer Alain Destexhe (PRL-FDF-MCC). - Het antwoord geeft me volledige voldoening. Ik hoop dus dat het woord "Brussel" zal worden gebruikt. Als ik sprak over een beroemde inwoner, had ik het natuurlijk over de Brusselse burgemeester, de heer Thielemans. (Glimlachjes)

Mondelinge vraag van de heer François Roelants du Vivier aan de staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling over «de jongste ontwikkelingen op het internationale vlak wat betreft de uitvoering van het Protocol van Kyoto» (nr. 2-553)

De heer François Roelants du Vivier (PRL-FDF-MCC). - Vorige week liet president Bush weten dat hij zich inzake de uitvoering van het Protocol van Kyoto niet gebonden achtte door de standpuntbepaling van de Amerikaanse onderhandelaars van de vorige administratie. President Bush onderstreepte meermaals dat hij het Protocol van Kyoto onrechtvaardig en ontoepasbaar vond. De weigering van de Verenigde Staten om de uitstoot van broeikasgassen te beperken, liet de wetenschappelijke wereld niet onberoerd.

President Bush beweerde dat er alleen maar niet bevestigde hypothesen waren en ging daarmee in tegen de consensus binnen het internationale panel van specialisten in klimaatveranderingen, het IPCC. Bovendien vond hij het niet redelijk de fossiele energiesector van de Verenigde Staten te viseren, terwijl volgens hem van China en andere ontwikkelingslanden geen inspanningen worden gevraagd.

Bovendien beschouwt de Amerikaanse wet op de luchtverontreiniging CO2 niet als vervuilend. In een recent interview liet de staatssecretaris verstaan dat de toestand zorgwekkend is en gaf hij uiting aan zijn pessimisme over de voortzetting in juli van de onderhandelingen over de uitvoering van het Protocol van Kyoto. We begrijpen hem. De Verenigde Staten zijn één van de landen die het meest bijdragen aan de uitstoot van broeikasgassen.

Werd de staatssecretaris door de Amerikaanse administratie benaderd? Werd hij officieel ingelicht over het Amerikaanse standpunt? Zullen de in juli geplande onderhandelingen in Bonn plaatsvinden? Zullen de Verenigde Staten eraan deelnemen? Zal België een voluntaristisch beleid inzake de vermindering van de emissie van broeikasgassen binnen de Europese Unie verdedigen, zodat het Protocol van Kyoto, ook zonder de Verenigde Staten, geratificeerd en uitgevoerd kan worden? Ik weet dat de zaak moeilijk ligt, maar als een aantal landen, die een bepaald aandeel van de uitstoot op wereldvlak vertegenwoordigen, het Protocol bekrachtigen, kan het wellicht worden uitgevoerd.

Wanneer zal de agenda van de conferentie van Marrakech die eind dit jaar plaatsvindt, worden bepaald? Tijdens deze conferentie zal België de Raad van de Europese Unie voorzitten en dus een vooraanstaande rol kunnen spelen.

De heer Olivier Deleuze, staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling. - Er is inderdaad geen reden tot optimisme over de verklaringen van de Amerikaanse president over de opwarming van de atmosfeer en zijn intenties in dat verband.

Ik heb de heer Roelants du Vivier zonet de faxberichten gegeven die mijn kabinet en de Amerikaanse ambassade hebben uitgewisseld. Ik ben dus in het bezit van de brief die de president van de Verenigde Staten naar vier republikeinse senatoren heeft gestuurd en waarin hij zich negatief uitliet over de lopende internationale onderhandelingen.

Geen enkel land heeft laten weten niet naar Bonn te zullen komen om politieke redenen. We zullen meer weten op 21 april als, naar aanleiding van de VN-conferentie over de duurzame ontwikkeling in New York, een aantal Europese verantwoordelijken en vertegenwoordigers van de Umbrella Group over de onderhandelingen van Bonn zullen vergaderen.

België zal alleszins een voluntaristisch beleid binnen de Europese Unie verdedigen. Het zou geen goed beleid zijn als we alle rijkdommen voor ons zouden houden en onze kinderen zouden opzadelen met de nadelige gevolgen van de opwarming van de atmosfeer. Betekent dit dat we moeten doorgaan met de ratificatie van het Protocol van Kyoto, zelfs zonder de Verenigde Staten? Het is voorbarig daarover conclusies te trekken. Wiskundig is dat natuurlijk mogelijk, vermits het Protocol geratificeerd moet worden door minstens 55 landen die verantwoordelijk zijn voor 55 procent van de uitstoot. De Verenigde Staten staan in voor 35 procent van de uitstoot, de rest dus voor 65 procent. Maar dit is niet de goede manier. Vanuit milieu- en politiek standpunt bestaat de uitdaging erin de Verenigde Staten ervan te overtuigen dat we met z'n allen baat hebben bij een gecoördineerde bestrijding van het broeikaseffect.

De agenda van de conferentie van Marrakech zal worden bepaald rekening houdend met de resultaten van de conferentie van Bonn. De twee conferenties vinden plaats tijdens het Belgische voorzitterschap van de Europese Unie, vermits de conferentie van Bonn aanvangt op 16 juli.

De heer François Roelants du Vivier (PRL-FDF-MCC). - Ik apprecieer het optimisme van de staatssecretaris over het verloop van de onderhandelingen met de Verenigde Staten. Ook al heb ik enige twijfels daaromtrent, toch is het goed dat de regering en de Europese Unie hun inspanningen voortzetten om de Verenigde Staten ertoe te bewegen aan de onderhandelingen deel te nemen en het Protocol van Kyoto te ratificeren.

Gezien het belang van dit verdrag en de bijhorende protocollen, stel ik voor dat regering tijdens de onderhandelingen wordt bijgestaan door een parlementaire delegatie.

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over «de naleving van het koninklijk besluit van 27 december 1993 met betrekking tot de reclame voor zuigelingenvoeding en het uitdelen van gratis stalen» (nr. 2-368)

Mevrouw Sabine de Bethune (CVP). - Ik heb de minister in de loop van de voorbije twee jaar al verscheidene keren over deze materie ondervraagd.

Het koninklijk besluit van 27 december 1993 betreffende voedingsmiddelen bestemd voor bijzondere voeding verbiedt "fabrikanten en handelaren van volledige zuigelingenvoeding gratis of afgeprijsde producten, monsters of andere reclamegeschenken aan te bieden aan het publiek of aan zwangere vrouwen, moeders of hun gezinsleden, rechtstreeks of onrechtstreeks met inschakeling van het stelsel van de gezondheidszorg of van daarin werkzame personen". Dergelijke stalen worden in de praktijk nog altijd uitgedeeld in de kraamafdelingen van de ziekenhuizen. De Eetwareninspectie is bevoegd voor de controle op de naleving van dit koninklijk besluit, dat het uitdelen van stalen verbiedt.

In mijn vraag om uitleg van oktober 2000 betreffende de oprichting van het Federaal Borstvoedingscomité haalde ik deze problematiek reeds aan. De minister antwoordde toen dat er onderhandelingen aan de gang waren tussen haar kabinet, de ziekenhuizen en de betrokken firma's om tot een strengere naleving van het koninklijk besluit te komen. Ik juich het initiatief van de "babyvriendelijke ziekenhuizen", dat dergelijke publiciteit verbiedt en dat het bevorderen van borstvoeding nastreeft, uiteraard toe.

Tijdens de krokusvakantie was ik met een korte opdracht in Congo-Brazzaville, waar ik de verantwoordelijke van Unicef, een Belg, ontmoette. Mede dankzij hem werd er in dit land, een ontwikkelingsland dat pas een burgeroorlog heeft doorgemaakt, een wet goedgekeurd die het uitdelen van stalen van zuigelingenvoeding in ziekenhuizen verbiedt. De Belgische minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu tracht het beoogde resultaat via onderhandelingen te bereiken in plaats van regelgevend op te treden. Ik kan haar daarin wel volgen, maar er moeten dan toch resultaten zijn.

In een ontwikkelingsland zoals Congo-Brazzaville is het wellicht nog van veel groter belang dat vrouwen borstvoeding geven, omdat de kinderen op die manier antistoffen krijgen en het risico op het gebruik van besmet water uitgesloten is. Maar ook in ons land moet er een efficiënt beleid worden ontwikkeld op het vlak van de gezondheid van de baby's en het bevorderen van de moeder-kindverhouding.

Graag had ik van de minister vernomen of er reeds onderhandelingen hebben plaatsgevonden met de betrokken firma's. Welke afspraken zijn er gemaakt?

Zal het koninklijk besluit betreffende de reclame voor zuigelingenvoeding en het uitdelen van gratis stalen voortaan worden nageleefd? Zal de Eetwareninspectie haar verantwoordelijkheid nakomen inzake de controle op de naleving van het koninklijk besluit?

Is de Eetwareninspectie reeds belast met de controle op de naleving van het koninklijk besluit? Hoe vaak is de Eetwareninspectie al ingezet? Werd er geverbaliseerd? Is er voor de overtreding van het koninklijk besluit in een sanctie voorzien?

Welke middelen zijn er om de actie "babyvriendelijke ziekenhuizen" in 2001 te ondersteunen? In antwoord op mijn vorige vraag om uitleg over dit onderwerp verwees de minister naar de financiering van een interessant initiatief. Op welke manier worden de VZW's die deze problematiek ter harte nemen, aangemoedigd? Ik hoop dat de bestaande projecten worden verlengd en dat we op hun enthousiasme en inzet kunnen blijven rekenen?

Het vermelde koninklijk besluit is een vertaling van de Europese richtlijn 91/321/EEG van 14 mei 1991 betreffende de onderlinge aanpassingen van de wetgevingen van de lidstaten inzake volledige zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding. Deze Europese richtlijn is op haar beurt een vertaling van een internationale gedragscode betreffende het op de markt brengen van vervangingsmiddelen voor moedermelk, opgemaakt door de Wereldgezondheidsorganisatie en UNICEF en aangenomen door de Algemene Vergadering van de WGO in 1981. De Europese richtlijn was in feite al een verenging van de WGO-gedragscode. De Europese norm is dus beperkter dan de tekst die op wereldniveau werd aanvaard. Het Belgisch koninklijk besluit is op zijn beurt een verenging van de Europese Richtlijn. Bovendien heeft de minister enkele maanden geleden toegegeven dat het koninklijk besluit niet wordt nageleefd. De Eetwareninspectie zou te veel werk hebben om de naleving te controleren. Zes maanden geleden voldeed maar één ziekenhuis in het hele land aan de voorwaarden om als babyvriendelijk ziekenhuis te kunnen worden beschouwd.

Zal de minister stappen doen om het koninklijk besluit te verruimen? Acht ze het zinvol de normen voor flessen voor zuigelingenvoeding en spenen in het koninklijk besluit op te nemen? Is ze eventueel bereid om in het kader van het Belgisch voorzitterschap van de Europese Unie een initiatief te nemen teneinde de Europese richtlijn opnieuw ter discussie te stellen en te trachten de eisen van de Wereldgezondheidsorganisatie erin op te nemen?

(Voorzitter: de heer Armand De Decker.)

Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Er vond inderdaad overleg plaats met de producenten van zuigelingenvoeding. Daarin werd gezegd dat ze duidelijke afspraken moesten maken met de ziekenhuizen om te komen tot een wettelijke en aanvaardbare praktijk.

De producenten beweren dat ze sinds de invoering van het koninklijk besluit van 1993 niet langer rechtstreeks stalen aan moeders te geven. Ze beweren de gedragscode te volgen die Kind en Gezin en ONE opstelden. Dat wil zeggen dat ze enkel aan artsen stalen ter beschikking mogen stellen. Het is dan de verantwoordelijkheid van de arts of de instelling om te beslissen of het noodzakelijk is om een staal te geven.

De grootste Belgische producenten zijn bereid een akkoord te sluiten over transparante interne richtlijnen of wettelijke aanpassingen. Ik denk bijvoorbeeld aan artikel 5.1.6.4 van het besluit, dat handelt over schenkingen en waarop sommige firma's zich menen te kunnen beroepen. Ze zijn het ermee eens dat borstvoeding de beste voeding is. Ze zijn bereid om vanuit hun bekommernis voor moeder en kind mee te werken aan adviezen die door het Federaal Borstvoedingscomité zullen worden uitgewerkt.

De Eetwareninspectie heeft in het najaar 2000 een nieuw onderzoek ingesteld in verschillende ziekenhuizen met grote kraamafdelingen. Er is gebleken dat de promotiecampagnes van de fabrikanten van zuigelingenvoeding strijdig zijn met onze wetgeving en dat deze wetgeving onvoldoende wordt nageleefd. De betrokken ziekenhuizen hebben een duidelijk waarschuwing gekregen en werden aangemaand die praktijken te beëindigen. Er werden evenwel geen processen-verbaal opgesteld. De wet van 1977 op de bescherming van de gezondheid inzake voedingsmiddelen voorziet wel in sancties, te weten gevangenisstraffen van één maand tot één jaar en geldboetes van 20.000 tot drie miljoen frank. Zonder proces-verbaal is echter geen sanctie mogelijk. We zullen dus geregeld moeten aankondigen dat die controles af en toe zullen gebeuren. We zullen de ziekenhuizen ook moeten erop wijzen dat ze verplicht zijn de wetgeving na te leven. Indien er geen vooruitgang is, dan moeten er processen-verbaal worden opgesteld. Het koninklijk besluit moet ernstig worden nageleefd, maar dat betekent niet dat we heksenjachten moeten organiseren. Soms zitten vrouwen in moeilijke situaties en stalen kunnen dan een kleine hulp betekenen.

Het departement Volksgezondheid heeft een overeenkomst gesloten met de Vereniging voor de Begeleiding en Bevordering van Borstvoeding over het certificaat "babyvriendelijk ziekenhuis". De VBBB heeft uit acht kandidaten één ziekenhuis geselecteerd, namelijk het AZ Sint-Jan te Brussel. Daar startte de VBBB in februari 2000 met een intensieve assistentie tot het verwerven van het certificaat "babyvriendelijk ziekenhuis". Zowel het borstvoedingsbeleid als de praktijken bij het begeleiden van borstvoeding moeten beantwoorden aan de internationale criteria van de Wereldgezondheidsorganisatie. De Eetwareninspectie heeft dit initiatief gesteund. Tot op heden is het certificaat nog niet toegekend aan het Sint-Jan-Ziekenhuis wegens het niet naleven van de richtlijnen in verband met het gratis verdelen van stalen.

Ik verwacht van het Federaal Borstvoedingscomité dat het in het kader van het project "babyvriendelijke ziekenhuizen" nieuwe initiatieven formuleert. Ik wil het de kans geven een coherent beleid uit te stippelen. De kandidaturen voor het comité moesten ten laatste op 31 januari 2001 binnen zijn. De administratie legt nu de laatste hand aan de samenstelling. Binnenkort zal het comité dus van start kunnen gaan.

Ik betreur dat ik de gevraagde fondsen voor 2001 niet heb gekregen. Ik had gehoopt dit te kunnen bereiken na een herschikking van de budgettaire middelen. Dat is niet gelukt, maar ik geef niet op. Volgend jaar zal ik daar een prioriteit van maken.

De vraag of en in welke mate de NGO's, die borstvoeding promoten, financiële steun zullen krijgen en onder welke voorwaarden, zal ik voorleggen aan het comité.

De Europese Raad Volksgezondheid heeft beperkte bevoegdheden en komt ook niet zo vaak bijeen. De agenda ligt al zeer lang vast. Er zal veel aandacht gaan naar de kwaliteit van het bloed en de kwaliteit van de samenstellende producten van tabak. Het is niet meer mogelijk de Europese richtlijn op de agenda te plaatsen.

Mevrouw Sabine de Bethune (CVP). - Ik dank de minister voor haar gedetailleerd antwoord.

Het verheugt me dat het Borstvoedingscomité binnenkort wordt opgericht. Het is alleszins een lastige bevalling geweest, omdat er geen fondsen waren. Dat het comité zelf zal beslissen over de subsidiëring van de VZW's, vind ik een redelijke beslissing. Alleen betekent dit dat de VZW's tot volgend jaar zullen moeten wachten om te kunnen functioneren. Diegenen die actief zijn in het middenveld, weten dat dit niet kan. Als organisaties een jaar lang niet kunnen functioneren, overleven ze niet. Ik dring erop aan dat de minister, in afwachting dat het Borstvoedingscomité functioneert, voor een tussenoplossing zorgt.

Ik ben tevreden dat in het najaar gestart werd met een controle in de ziekenhuizen. Het volstaat niet dat bedrijven verbintenissen aangaan. Controle is noodzakelijk. De minister zegt dat iedereen bereid is het akkoord na te leven, maar uit controles blijkt dat de wet wordt overtreden. Onderhandelen volstaat dus niet, er moet ook streng worden opgetreden.

-Het incident is gesloten.

Mondelinge vragen

De voorzitter. - Ik herinner eraan dat de tekst van de mondelinge vraag gelezen moet worden zoals hij is opgesteld en dat het antwoord van de minister niet langer dan vijf minuten mag duren.

Mondelinge vraag van mevrouw Anne-Marie Lizin aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over «het lot van 700 Albanese gevangenen in Servië» (nr. 2-548)

De voorzitter. - De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie, antwoordt namens de heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken.

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Sedert juli 1999 worden zevenhonderd Albanese gevangenen in Servië vastgehouden. Niet alleen hun naasten maar ook alle bevoegde mensenrechtenorganisaties maken zich ernstige zorgen over hun lot.

Met de spectaculaire aankondiging van haar ontslag heeft mevrouw Robinson aangetoond hoe slecht deze en vele andere kwesties vaak worden aangepakt. Hoewel de president van ex-Joegoslavië, de heer Kostunica, al meermaals gedeeltelijke amnestie heeft beloofd, is de situatie van die gevangenen nog altijd niet veranderd.

Tijdens het diplomatieke offensief van de Europese Gemeenschap ten aanzien van Belgrado op de Top van Nice werd aan de heer Kostunica gevraagd duidelijke standpunten in te nemen over het lot van deze gevangenen. Er zijn evenwel nog geen tekenen van goede wil die een echte koerswijziging laten vermoeden ten opzichte van het beleid van Milosevic.

Als men weet dat binnen de Albanese gemeenschap van de hele regio de helft van de jongemannen door het Servische leger is meegenomen, denk ik dat de onmiddellijke vrijlating van de gevangenen die door de regering van Belgrado worden vastgehouden, een gunstig effect kan hebben op de situatie in Macedonië, in het noorden van Servië en in alle betwiste gebieden van Kosovo.

Overweegt België in het kader van de voorbereiding van het EU-voozitterschap een beslissende diplomatieke actie met betrekking tot deze gevangenen?

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Ik lees het antwoord voor dat door mijn collega van Buitenlandse Zaken werd voorbereid.

De follow-up van de mensenrechtensituatie in Servië en in Kosovo is een essentieel element van de Belgische politiek ten aanzien van de regio. Zowel op internationale fora als in bilaterale contacten heeft de minister van Buitenlandse Zaken daar altijd de nadruk op gelegd en heeft hij steeds gepleit voor de volledige uitvoering van de internationale normen terzake.

Meteen na de aankondiging dat het regime van Milosevic tegen de Kosovaren die door het Joegoslavische leger tijdens de terugtrekking uit Kosovo werden meegenomen, processen zou voeren, werd aan onze ambassade in Belgrado opgedragen de toestand van de Kosovaarse en Albanese gevangenen nauwgezet te volgen en daarover te rapporteren.

Samen met de EU-partners volgt ons land de activiteiten van de heer Amneus, de speciale gezant bij de Hoge Commissaris voor de vluchtelingen van de VN, die zich bezighoudt met de problematiek van de mensen die als gevolg van de crisis in Kosovo van hun vrijheid werden beroofd.

De Europese Unie blijft bij de Joegoslavische overheid aandringen op de spoedige vrijlating van gevangenen die al dan niet om politieke redenen werden aangehouden. Deze vraag werd reeds verschillende keren ten aanzien van Belgrado herhaald, omdat de nieuwe regering met een dergelijke constructieve maatregel tegenover de bevolking in Kosovo meer vertrouwen zou kunnen genieten.

Er werd beslist in Belgrado een kantoor van het Internationaal Tribunaal voor ex-Joegoslavië te openen en op 20 maart jongstleden is een delegatie van de Joegoslavische regering naar Den Haag gereisd om afspraken te maken over de samenwerking met dit Tribunaal. De nieuwe machthebbers hebben altijd het standpunt verdedigd dat hun voorgangers hun daden ten aanzien van de justitie moeten verantwoorden. Voor de Belgische regering betekent dit dat de bevoegdheid van het Internationaal Tribunaal voor ex-Joegoslavië wordt erkend. België en zijn partners zijn van mening dat de regering in Belgrado gebonden is door een resultaatsverbintenis, maar dat een redelijke termijn aanvaardbaar is, zodat de nieuwe regering de kans krijgt om de zaak intern te regelen.

De minister zal aan deze zaak de nodige aandacht blijven besteden en de Joegoslavische en Servische overheid op het belang ervan wijzen.

Mondelinge vraag van de heer Jan Steverlynck aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over «de ratificering van het Europees Verdrag voor het stimuleren van langlopende transnationale vrijwilligersdienst voor jongeren» (nr. 2-552)

De voorzitter. - De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie, antwoordt namens de heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken.

De heer Jan Steverlynck (CVP). - Op 5 december 2000 werd op de VN Plaza te New York de start gegeven voor het internationaal jaar van de vrijwilliger. Dit is er in eerste instantie gekomen uit erkentelijkheid voor het werk van de vele vrijwilligers en hun bijdrage aan de samenleving. Meer nog, heel wat vrijwilligerswerk gaat onopgemerkt aan ons voorbij omdat hun bijdrage moeilijk in economische cijfers en termen kan worden uitgedrukt en omdat het vrijwillig karakter niet kan rekenen op een formele erkenning of betaling.

Op 3 maart 2000 heeft het comité van de ministers van de Raad van Europa een verdrag voor het stimuleren van langlopende transnationale vrijwilligersdienst voor jongeren goedgekeurd. Dit verdrag opent de toegang tot een juridisch statuut voor de jonge vrijwilliger in Europa. Tot op heden zouden enkel Frankrijk, Luxemburg, Roemenië, San Marino en het Verenigd Koninkrijk dit verdrag hebben ondertekend. België zou dit nog niet hebben gedaan.

Ik heb dan ook de volgende vragen voor de vice- eerste minister.

Om welke reden heeft ons land dit verdrag nog niet ondertekend? Zal de regering dit zo spoedig mogelijk doen in het kader van het Internationaal Jaar van de Vrijwilliger in 2001?

Werd dit verdrag reeds op de Ministerraad besproken? Zo ja, wat is de stand van zaken? Heeft de regering de intentie dit verdrag nog tijdens het Internationaal Jaar van de Vrijwilliger ter ratificatie aan het parlement voor te leggen?

Moet de interne wetgeving aan de bepalingen van dit verdrag worden aangepast? Zo ja, welke initiatieven heeft de regering daartoe reeds genomen?

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Ziehier het antwoord van de vice-eerste minister.

België heeft het verdrag van de Raad van Europa voor het stimuleren van langlopende transnationale vrijwilligersdienst voor jongeren inderdaad nog niet ondertekend. Het ligt sinds 11 mei 2000 ter ondertekening bij de bevoegde ministers en wordt door sommigen onder hen nog altijd onderzocht. De minister van Binnenlandse Zaken heeft voorbehoud gemaakt en wil nader onderzoeken of het verdrag overeenstemt met het nieuwe Belgische beleid inzake asiel- en immigratierecht. Zodra dit onderzoek beëindigd zal zijn, zal het dossier worden afgerond en zal het Parlement op de hoogte worden gebracht.

De heer Jan Steverlynck (CVP). - Het zou een mooi signaal zijn mocht de regering dit verdrag nog in het internationaal jaar voor de vrijwilliger goedkeuren. Ik hoop dat dit alsnog mogelijk zal zijn.

Mondelinge vraag van mevrouw Clotilde Nyssens aan de minister van Justitie over «de Brusselse rechtbanken» (nr. 2-546)

Mevrouw Clotilde Nyssens (PSC). - Mijn vraag is het gevolg van de acties van de Brusselse advocaten die al enkele weken onderzoeken hoe de achterstand bij de Brusselse rechtbanken kan worden weggewerkt.

Ik ben diep onder de indruk van de goede wil van de nieuwe Stafhouder, die ideeën poogt te lanceren om het probleem op te lossen waarmee wij allemaal worden geconfronteerd.

Wegens de lange duur van een aantal processen heeft de Franstalige Orde van Advocaten van Brussel een proces ingespannen tegen de Belgische Staat.

Wij moeten eensgezind op zoek gaan naar maatregelen die op korte of middellange termijn een oplossing kunnen bieden.

De vragen blijven dezelfde. Wat kan gedaan worden om dit probleem op te lossen, in de Senaatscommissie voor de Justitie, in de Kamer of via maatregelen die door de Minister van justitie kunnen worden genomen?

Hoe kunnen de vacante betrekkingen worden ingevuld bij de zittende magistratuur en bij het parket, zowel voor de eerste aanleg als voor het hoger beroep?

Hoe kunnen de magistraten voor de administratieve taken de nodige logistieke ondersteuning krijgen?

Hoe kunnen de procedures, in het bijzonder voor het in staat stellen van een dossier, worden versneld?

Hoe kunnen de taalkwesties, die de toestand verzuren, worden opgelost?

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Mevrouw Nyssens verwijst naar de acties van de Brusselse balie, maar ik betwijfel dat dit de beste manier is om de gerechtelijke achterstand weg te werken. Wellicht is de bedoeling ervan de alarmbel te luiden.

Het is altijd al mijn bedoeling geweest een oplossing te vinden voor de achterstand in het gerechtelijke arrondissement Brussel.

Wegens de bijzondere situatie van dat arrondissement kan alleen een oplossing gevonden worden als over de te nemen maatregelen een politiek akkoord kan worden bereikt.

Bij de zittende magistratuur zijn inderdaad 25 betrekkingen vacant: 23 voor tweetalige Franstaligen en 2 voor tweetalige Nederlandstaligen. Voor het rechtsgebied van het Brusselse hof van beroep werd het maximumaantal toegevoegde rechters toegekend. Momenteel zijn 21 functies van toegevoegd rechter aan de rechtbank van eerste aanleg toegekend, die volledig bezet zijn.

Nergens anders dan in Brussel werden zoveel toegevoegde rechters ingezet, precies om tegemoet te komen aan de taalproblemen. Die toegevoegde rechters moeten immers wettelijk niet tweetalig zijn en van de 21 toegevoegde rechters behoren er 18 tot de Franse taalrol.

Bovendien werden te Brussel zeven plaatsvervangende rechters aangewezen die voltijds de functie van magistraat vervullen en daar ook voor vergoed worden.

Bij de parketten zijn 28 betrekkingen vacant: 17 voor tweetalige Franstaligen en 11 voor tweetalige Nederlandstaligen. Voor het rechtsgebied van het hof van beroep werden 17 toegevoegde substituten aangewezen, waarvan twee derde Franstalig en één derde Nederlandstalig is.

Overigens werden twee plaatsvervangende rechters voltijds als substituut aangewezen, die daarvoor vergoed worden.

Om mensen te kunnen benoemen moeten er kandidaten zijn. Zolang zich geen kandidaten aandienen, kan de minister van Justitie niemand benoemen. Dat wil niet zeggen dat wij geen openingen trachten te vinden. Zoals ik gisteren tijdens de vergadering met de magistratuur al zei, is het regeringsontwerp nu geblokkeerd.

Als antwoord op de tweede vraag kan ik zeggen dat de magistraten die een kantoor hebben in een gerechtsgebouw waar een netwerkaansluiting voorhanden is, over een e-mailadres beschikken en toegang hebben tot het Internet. De andere magistraten, meestal in de vredegerechten, beschikken daar niet over.

Momenteel wordt een contract voorbereid om ook voor die magistraten de nodige netwerkaansluitingen tot stand te brengen. Onmiddellijk daarna zullen ook zij over elektronische post kunnen beschikken. Zoals u weet, werd de desbetreffende wetgeving onlangs aangenomen en zal ze binnenkort worden uitgevoerd.

De derde vraag ging over de mogelijkheid om het in staat stellen van dossiers te versnellen. Ik heb gisteren het regeringsontwerp over de actieve rol van de rechter uitgebreid toegelicht. Wij zijn ervan overtuigd dat, dankzij een wijziging van de gerechtelijke procedure, de rechter meer armslag zal krijgen om de procedures sneller te laten verlopen.

Het antwoord op uw vierde vraag is dat de wetgeving op het taalgebruik in gerechtszaken niet gewijzigd is. In verband met de aanpassing van het taalexamen werd een ontwerp uitgewerkt dat een grondige kennis vereist van de korpsoversten en een voldoende kennis van de andere magistraten. Dit ontwerp moet nog aan de Raad van State worden voorgelegd, wat pas kan gebeuren als de richtlijn over de organisatie van het parket van Brussel aangenomen zal zijn. De procureur des Konings werd al meermaals uitgenodigd om dit document op te stellen. De laatste versie die ik heb gekregen, bevat ongetwijfeld interessante denkpistes, maar is nog geen echte richtlijn voor de organisatie van de dienst. De taak die ik onlangs aan de procureur-generaal van Brussel en aan de Hoge Raad voor de Justitie heb toevertrouwd met betrekking tot het beheer van het parket van Brussel, zal zeker interessante elementen opleveren. Zo zal een document kunnen worden opgesteld dat een echte vooruitgang in deze materie mogelijk maakt.

Daarnaast moet de mogelijke toekenning van een taalpremie door mijn departement worden onderzocht. Een dergelijk project moet door de regering worden goedgekeurd en rekening houden met het initiatief tot aanpassing van de taalexamens. Wij proberen echt een uitweg te vinden voor een probleem dat al lang bestaat en zo vlug mogelijk moet worden opgelost.

Mevrouw Clotilde Nyssens (PSC). - Ik dank de minister voor zijn beoordeling van alle maatregelen die worden voorbereid. Ik blijf wel sceptisch over één aspect.

Het feit dat het Vlaamse Parlement zich heeft beroepen op de procedure van het belangenconflict heeft geleid tot de intrekking van het wetsontwerp over de toegevoegde rechters. Kan dit belangenconflict niet worden opgelost? Met betrekking tot de gerechtelijke arrondissementen en de taal die door bepaalde griffiers in bepaalde arrondissementen moet worden gebruikt, werd een belangenconflict opgelost. Waarom kan dit in dit geval niet? Ik nodig de regering dus uit om het ontwerp opnieuw in te dienen en op de agenda te plaatsen van de bevoegde kamer.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Ik zou kunnen antwoorden dat het een probleem is dat al minstens vijftien jaar aansleept. Ik geef toe dat er een oplossing moet gevonden worden, maar ik vraag mij af waarom dit voorheen nooit is gelukt.

Zoals de ministers die belast zijn met de institutionele hervorming, ben ik ervan overtuigd dat een nieuw ontwerp moet worden ingediend. Ik dacht dat het grote voordeel van het ingediende ontwerp was dat het zeer praktisch was, maar ik heb vastgesteld dat die eigenschap in de politiek niet zoveel te betekenen heeft.

De voorzitter. - Mijnheer de minister, ik ben ervan overtuigd dat deze meerderheid een oplossing zal vinden. Ik hoop het in elk geval.

Mondelinge vraag van mevrouw Marie-José Laloy aan de minister van Justitie over «de minderjarige prostituees die te Brussel door de politie zijn opgebracht» (nr. 2-547)

Mevrouw Marie-José Laloy (PS). - Volgens sommige persberichten voerde de politie in de nacht van 8 maart 2001 in bepaalde Brusselse wijken een actie uit, waarbij een dertigtal jonge prostituees werden opgebracht.

Hoeveel minderjarigen werden uiteindelijk ook gearresteerd en hoeveel van hen werden voor de jeugdrechter gebracht?

Welke maatregelen werden door de jeugdrechter bevolen voor de opvang van die minderjarige meisjes in het kader van de wet van 8 april 1965 op de jeugdbescherming en van het decreet van 4 maart 1991 inzake de hulpverlening aan de jeugd?

Is de actie van de politie de aanleiding geweest tot enig voorafgaand overleg tussen de gerechtelijke instanties en de Franse Gemeenschap met het oog op een gepaste opvang van de minderjarige prostituees?

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Het parket van Brussel heeft mij over deze actie een aantal inlichtingen verstrekt. Een honderdtal agenten van de gemeentepolitie van Sint-Joost en van de federale politie hebben eraan deelgenomen.

De actie werd gevoerd aan de Louizalaan en in de wijk van het Noordstation. Aan de Louizalaan werden twintig Oost-Europese prostituees administratief aangehouden. Onder hen bevond zich een minderjarige, die door de jeugdrechter werd geplaatst. De andere vrouwen werden ter beschikking gesteld van de Dienst Vreemdelingenzaken.

In de Noordwijk werden tien prostituees uit West-Afrika administratief aangehouden. Onder hen bevonden zich twee minderjarigen, die ter beschikking van de jeugdrechter werden gesteld. De andere vrouwen werden ter beschikking gesteld van de Dienst Vreemdelingenzaken.

Uit deze positieve operatie is gebleken dat er een goede samenwerking is tussen het parket en de politiediensten. De actie paste in het kader van de strijd tegen de mensenhandel.

Het parket heeft mij meegedeeld dat er over deze actie voorafgaand overleg is geweest tussen het parket en de Franse Gemeenschap over de opvang van de minderjarigen. Alle maatregelen werden dus genomen opdat deze actie de best mogelijke resultaten zou opleveren.

Mondelinge vraag van de heer Didier Ramoudt aan de minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek over «de uitzonderingsmaatregelen voor de reissector voor wat de elektronische handel betreft» (nr. 2-545)

De heer Didier Ramoudt (VLD). - Afdeling IX van hoofdstuk VI van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en de bescherming van de consument regelde de verkoop op afstand. Deze bepalingen werden vervangen door de wet van 25 mei 1999, die in werking trad op 1 oktober 1999 en voortaan de overeenkomsten op afstand regelt, met inbegrip van de elektronische handel.

Voor de reissector veroorzaken de bepalingen van deze wet grote problemen, in de vorm van de gevolgen van het recht van de consument om binnen de zeven werkdagen volledig kosteloos en zonder motivatie aan de overeenkomst te verzaken.

De reisagent neemt bij de boeking van de cliënt echter onmiddellijk acties en wordt daarvoor door touroperators, hotels en vliegtuigmaatschappijen direct gedebiteerd, vooral wanneer het gaat om een boeking via internet waar vaak gewerkt wordt met on the spot-betalingen, dus met kredietkaarten.

In de meeste ons omringende landen werd conform de Europese richtlijn 97/7/EG een uitzonderingsmaatregel op de zeven dagen bedenktijd voor de reissector ingevoerd. In antwoord op de schriftelijke vraag 107 van 22 november 2000 van de heer Eerdekens aangaande deze materie stelde de minister dat een koninklijk besluit voorbereid werd om aan dit probleem te verhelpen en dat hij er alles zou aan doen om een einde te maken aan de juridische onzekerheid door publicatie op korte termijn van voornoemd besluit.

Intussen zijn we een toeristisch seizoen verder en bij mijn weten is er voor de reissector nog steeds niet in een afwijking voorzien, terwijl elektronische boekingen steeds meer ingang vinden bij een steeds groter wordende groep consumenten.

Wat is de stand van zaken in dit dossier en tegen welke termijn kan een voor de reissector en de consument juridisch aanvaardbare en op de Europese richtlijn afgestemde oplossing worden verwacht?

De heer Charles Picqué, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek. - Er is inderdaad een koninklijk besluit in voorbereiding dat tot doel heeft de betalingen van de verkoop op afstand op een bijzondere wijze toe te passen voor de verkoop van reizen, vervoersbewijzen, shows, concerten en dergelijke.

Het ontwerp werd aan de Raad van State voorgelegd. De Raad van State is van oordeel dat voor de verkoop op afstand, de reissector als dusdanig niet kan worden uitgesloten. De Richtlijn laat toe de overeenkomsten betreffende het verrichten van diensten voor vervoer, het restaurantbedrijf en vrijetijdsbesteding uit te sluiten. Volgens de Raad van State behoren reizen als zodanig niet tot het toepassingsgebied van de Richtlijn.

Hierover werden talrijke besprekingen gevoerd. Tijdens de vergadering van 12 januari met vertegenwoordigers van de sector werden ze verzocht een concreet voorstel te formuleren, waarmee ze instemden. In februari vertelden ze mij echter dat ze er zich nog steeds over beraden.

Enkele dagen geleden vernam ik dat ze me begin april opnieuw wensen te ontmoeten, samen met de andere betrokken kabinetten, zoals dit van de ministers Aelvoet en Gabriëls.

Ik besef dat de sector zich door het ontbreken van dit koninklijk besluit in een delicate situatie bevindt. Ik meen te weten dat de Economische Inspectie de huidige reglementering, gezien de omstandigheden, soepel toepast, maar dat is natuurlijk geen oplossing. Ik hoop dan ook dat we het dossier na de vergadering van begin april volledig kunnen deblokkeren. We moeten de nodige verbeeldingskracht hebben om de klip te kunnen omzeilen, maar natuurlijk moeten we ook het voorstel van de sector afwachten en rekening houden met de bezwaren van de Raad van State.

De heer Didier Ramoudt (VLD). - Hoop doet leven, zou ik zeggen, maar de voorganger van de minister heeft diezelfde hoop gewekt toen hij zei dat er snel een koninklijk besluit zou verschijnen. Daarom heb ik destijds overigens een wetsvoorstel van mijn hand ingetrokken. De vorige minister was het met de inhoud ervan wel eens, maar vond het beter het probleem te regelen met een koninklijk besluit, omdat dat dit sneller zou gaan. Nu, anderhalf jaar later, stel ik vast dat er niets geregeld is en moet ik er misschien aan denken mijn wetsvoorstel opnieuw in te dienen. Ik dring er in elk geval op aan deze zaak niet te lang te laten aanslepen want vroeg of laat worden we toch geconfronteerd met een gerechtelijke procedure van een ontevreden consument.

De heer Charles Picqué, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek. - Kent u het advies van de Raad van State?

De heer Didier Ramoudt (VLD). - Jazeker.

De heer Charles Picqué, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek. - Ik ben uiteraard bereid andere denksporen te verkennen, maar denk ook dat we er goed aan doen het voorstel van de sector af te wachten. Begin april is inderdaad een beetje laat en de tijd dringt, maar toch moeten we nog even geduld hebben.

De heer Didier Ramoudt (VLD). - Het is niet erg logisch de mensen in een grijze zone te laten werken. De controles zijn minder streng, maar als wetgevende macht moeten we toch duidelijke regels opstellen die dan ook worden gerespecteerd.

De heer Charles Picqué, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek. - In elk geval moeten we ervoor zorgen dat de bedenktermijn wordt gerespecteerd en dat de consument adequate informatie krijgt. Dat zijn de twee doelen die we moeten nastreven.

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 74 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (Stuk 2-663) (Evocatieprocedure)

Algemene bespreking

De heer Olivier de Clippele (PRL-FDF-MCC), rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Het beperkt ontwerp is nogmaals een reparatiewet voor de organisatie van de nieuwe federale politie. De wijzigende bepalingen van de diverse wetten op het nieuwe politiestatuut zijn voor de hand liggend. Het zou vanuit wetgevend oogpunt dan ook aangewezen geweest zijn alle reparaties in één wet onder te brengen. Uit de commissiebespreking blijkt trouwens dat dit de bedoeling was van de regering.

Het probleem is de draagwijdte van artikel 74 van de wet van 13 mei 1999, die bepaalt dat de inwerkingtreding van de wet door de koning wordt bepaald, maar dat ze niet later zal gebeuren dan op 1 januari 2001. Deze wet is derhalve reeds van kracht, maar de wet van 13 mei 1999 heeft het oude tuchtstatuut van de politiediensten opgeheven. De tuchtprocedure zou slechts op basis van de nieuwe wet kunnen worden ingesteld. Het probleem is nu precies dat de uitvoeringsbesluiten en ook het zogenaamd mammoetbesluit nog niet van kracht zijn, zodat de procedure omschreven in de wet van 13 mei 1999 onbruikbaar is en er tussen 1 januari en 1 april van dit jaar een juridisch vacuüm is. Met het voorstel wil men dit probleem oplossen door de inwerkingtreding van de wet retroactief uit te stellen tot 1 april 2001, in de hoop dat de wet via een mammoetbesluit intussen is uitgevoerd.

Gaat het hier niet om een ondeugdelijke poging? Is het probleem überhaupt nog op te lossen?

Er waren twee mogelijke oplossingen; hetzij door het oude statuut opnieuw met terugwerkende kracht van kracht te laten worden, ofwel door het nieuwe statuut dat op 1 april van kracht wordt, met terugwerkende kracht van kracht te laten worden vanaf 1 januari 2001.

De twee benaderingen kunnen juridisch aangevochten worden als personeelsleden van politiediensten moeten worden vervolgd voor feiten tussen 1 januari 2001 en 31 maart 2001.

Het legaliteitsbeginsel dat ook in tuchtzaken van toepassing is, impliceert dat de ingeroepen inbreuk op de tuchtregel bestaat op het ogenblik van de feiten. Dat is the rule of law. Men kan niet vervolgd worden voor een inbreuk op een tuchtregel die niet bestaat op het ogenblik van de feiten omdat de regel toegankelijk moet zijn op het ogenblik van de feiten. Men moet zijn gedrag immers kunnen afstemmen op de regel die van toepassing is.

Het juridisch probleem is dat tussen 1 januari en 31 maart van dit jaar de politieambtenaren zich niet kunnen afstemmen op regels, vermits de oude regelgeving niet meer van toepassing is en de nieuwe nog niet van toepassing is.

Ik wil wel een onderscheid maken tussen de procedurele en de inhoudelijke regelingen. Dat procedurele bepalingen niet uitvoerbaar zijn vanaf 1 januari 2001 of niet geconcretiseerd zijn op 31 maart 2001, heeft niet tot gevolg dat een later besluit of wet op de nieuwe procedure vanaf 1 januari 2001 van kracht wordt.

De procedurele regeling kan op een latere datum operationeel worden.

Iets anders is het natuurlijk als het gaat om de inhoudelijke omschrijving van de inbreuken. Men doet een lovenswaardige poging om daar een oplossing aan te geven en om de doelstelling van de regering om in tuchtzaken een maximale rechtszekerheid na te streven, zoveel mogelijk te realiseren. De vraag blijft of die omschrijving van de tuchtrechtelijke vergrijpen wel met terugwerkende kracht kan worden geregeld.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 50-1048/3.)

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Wetsvoorstel tot aanvulling van artikel 317 van de nieuwe gemeentewet (van mevrouw Anne-Marie Lizin, Stuk 2-25)

Algemene bespreking

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD), rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Het voorstel strekt tot aanvulling van artikel 317 van de nieuwe gemeentewet. Het werd tijdens de vorige plenaire vergadering naar de commissie teruggezonden. De indiener stelt voor de nieuwe gemeentewet aan te vullen met de bepaling: "Wanneer het besluit van de tuchtoverheid wordt vernietigd door de Raad van State, dan wel wordt vernietigd of niet wordt goedgekeurd door de toezichthoudende overheid, kan de tuchtoverheid vanaf de kennisgeving van het arrest van de Raad van State of van het besluit van de toezichthoudende overheid de tuchtrechtelijke vervolging hernemen gedurende het gedeelte van de in het eerste lid bedoelde termijn dat overbleef bij het instellen van de vervolging."

Het is inderdaad zo dat volgens de vaste rechtspraak van de Raad van State, wanneer een besluit wordt vernietigd of de goedkeuring van de toezichthoudende overheid wordt vernietigd, men de procedure moet hernemen vanaf het ogenblik dat de onregelmatigheid die tot nietigheid aanleiding gaf, werd begaan. Men moet derhalve onderzoeken waarin de nietigheidsinbreuk precies bestond. Gaat het om een inbreuk inzake de kwalificatie van de norm of gaat het bijvoorbeeld om een procedurefout. Bij een fout in de loop van de procedure moet men die hernemen vanaf het ogenblik dat de vergissing werd begaan.

Terzake is er een probleem van de kwalificatie van de feiten en de toepassing van de regels. Deze bepaling kan alleszins niet als draagwijdte hebben dat, indien ondertussen de toepassingsregels zouden zijn gewijzigd, men het nieuwe onderzoek zou moeten verrichten op basis van de nieuwe regels. Dan zou men immers terugwerkende kracht geven aan de nieuwe omschrijving van het tuchtrechtelijk vergrijp. Men moet zich derhalve steunen op wat we juridisch technisch `de oude kwalificatie' kunnen noemen.

Van de regering wil ik graag vernemen wat er gebeurt indien er een nieuwe tuchtrechtelijke regel wordt uitgevaardigd die de vroegere kwalificatie wijzigt en die tot gevolg heeft dat het tuchtvergrijp vervalt. Zijn in dat geval de voorzieningen van de tuchtsancties minder zwaarwegend dan die van de vroegere en intussen gewijzigde tekst? Mag men aannemen dat het nieuwe nog goed te keuren artikel 317 niet tot doel kan hebben dat we terugkomen op het beginsel dat de meest gunstige tekst op het ogenblik van de beoordeling van de feiten, moet worden toegepast? Indien de gewijzigde tekst gunstiger is voor de vervolgde moet men voor dit aspect van de zaak daarmee rekening houden.

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Het antwoord op de vraag van de heer Vandenberghe is dat men in dit soort van overgangsrecht het principe huldigt dat de gunstigste bepaling moet worden toegepast op de persoon tegen wie een tuchtrechtelijke procedure loopt.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden, zie stuk 2-25/7.)

-De artikelen 1 tot 3 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsvoorstel in zijn geheel wordt later gestemd.

Voordracht van de tweede kandidaat voor een ambt van Franstalig rechter in het Arbitragehof (Stuk 2-677)

De heer René Thissen (PSC). - Bij het begin van de vergadering heb ik gevraagd de geheime stemming over de voordracht van de tweede kandidaat voor een ambt van Franstalig rechter in het Arbitragehof om wettelijke en politieke redenen van de agenda af te voeren.

Wat het wettelijke aspect betreft, herinner ik eraan dat de Senaat vorige week de hem voorgelegde dubbele lijst heeft verworpen in een stemming die volgens ons niet anders dan definitief kan zijn, tenzij de Senaat met de wind meedraait en over dezelfde kwestie nu eens zo en dan weer anders stemt. Onze fractie heeft een hogere opvatting van onze opdracht. Die wordt trouwens bevestigd door ons reglement, dat niet toestaat dat we over hetzelfde onderwerp een nieuwe stemming houden. De wettelijkheid moet altijd gerespecteerd worden. Dat geldt des te meer als het om de benoeming voor het leven gaat van de hoogste magistraten van het land, die er juist moeten over waken dat de wetgever de grondwet en de bijzondere wetten eerbiedigt. Doet men dat niet, dan staat de deur open om de arresten te betwisten die het Arbitragehof morgen zal vellen. Daarom is het onontbeerlijk een nieuwe oproep tot de kandidaten te doen, zodat de Senaat zich met een tweederde meerderheid kan uitspreken over een nieuwe dubbele lijst.

Op politiek vlak speelt het Arbitragehof een essentiële rol in onze ingewikkelde constitutionele constructie. Het Hof moet waken over de eerbiediging van de door de grondwet en de bijzondere wetten vastgestelde bevoegdheidsverdeling. Het is dus de bewaker van de federale structuur van onze Staat.

Het Hof moet ook waken over de eerbiediging van de grondwettelijke regels inzake gelijkheid, verbod van discriminatie en vrijheid van onderwijs. Het is ook de behoeder van de rechten van ideologische minderheden tegenover mogelijke misbruiken van de parlementaire meerderheid.

Door haar weigering de voordracht door de PSC van een kandidaat voor het ambt van lid van het Arbitragehof te steunen, sluit de parlementaire meerderheid voor het eerst in de geschiedenis van dat Hof de Franstalige oppositie uit dat hoge rechtscollege uit.

De heer Marcel Cheron (ECOLO). - Voor de eerste maal?

De heer René Thissen (PSC). - Er is geen enkele vertegenwoordiger meer van de Franstalige minderheid. Dat bewijst dat de meerderheid alle middelen wil aanwenden om te beletten dat de Franstalige minderheid haar stem laat horen in instellingen waarin ze haar rechten zou kunnen verdedigen. Dat is onaanvaardbaar. Dit is bijzonder erg op een ogenblik dat het Arbitragehof wellicht moet oordelen over conflicten die van kapitaal belang zijn voor de toekomst van het land. Ik verwijs naar de grondwettelijkheid van Lambermont bis en de gelijkheid in het onderwijs, met name de grondwettelijkheid van het toekomstige decreet over de sociale voordelen.

Bij wijze van protest tegen de manier waarop de meerderheid de oppositie behandelt, hebben wij de heer Nothomb gevraagd zijn kandidatuur, die hij op ons verzoek had ingediend, in te trekken. U zult verplicht zijn een nieuwe oproep tot de kandidaten te doen en volgende maand opnieuw te stemmen.

De voorzitter. - De heer Charles-Ferdinand Nothomb deelt bij brief mee dat hij zijn kandidatuur voor het ambt van Franstalig rechter in het Arbitragehof wenst in te trekken.

Aangezien de Senaat tijdens zijn vorige vergadering de heer Jean-Paul Snappe als eerste kandidaat voor dit ambt heeft voorgedragen en de heer Charles-Ferdinand Nothomb de enige overblijvende kandidaat voor de tweede voordracht was, stel ik voor dat de Senaat overgaat tot een nieuwe oproep tot de kandidaten voor de tweede voordracht.

Benoeming van een plaatsvervanger voor een extern lid niet-notaris van de Nederlandstalige benoemingscommissie voor het notariaat (Stuk 2-676)

De voorzitter. - Aan de orde is de benoeming van een plaatsvervanger voor een extern lid niet-notaris van de Nederlandstalige benoemingscommissie voor het notariaat.

Ik breng in herinnering dat de Senaat reeds twee stemmingen gehouden heeft. Bij de eerste stemming is gebleken dat geen van beide kandidaten de vereiste twee derden van de uitgebrachte stemmen heeft behaald en dat een herstemming noodzakelijk was tussen de heer Bernard Buyse en de heer Karel Van Oostveldt.

Aangezien ook deze herstemming geen resultaat heeft opgeleverd, stel ik voor opnieuw over te gaan tot de herstemming tussen de twee voormelde kandidaten.

Het lot wijst mevrouw Nyssens en de heer Wille aan om de functie van stemopnemer te vervullen.

De stemming begint met de naam van mevrouw Kestelijn-Sierens.

(Tot de geheime stemming wordt overgegaan.)

Verzending van wetsvoorstellen naar een andere commissie

De voorzitter. - De volgende wetsvoorstellen die eerder werden verzonden naar de verenigde commissies voor de Justitie en voor de Sociale Aangelegenheden, zijn verzonden naar de bijzondere commissie voor bio-ethische problemen:

De volgende wetsvoorstellen die eerder werden verzonden naar de verenigde commissies voor de Justitie en voor de Sociale Aangelegenheden, zijn verzonden naar de commissie voor de Justitie:

Vraag om advies aan de Raad van State

De voorzitter. - Bij brief van 21 maart 2001 heb ik, met toepassing van artikel 66-1 van het Reglement, het beredeneerd advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State gevraagd over het wetsvoorstel betreffende de euthanasie (2-244) en het wetsvoorstel betreffende de palliatieve zorg (Doc. 2-246).

-Voor kennisgeving aangenomen.

Herziening van artikel 184 van de Grondwet (Stuk 2-657)

Bespreking

Mevrouw Clotilde Nyssens (PSC), corapporteur. - Het huidige artikel 184 van de Grondwet bepaalt dat de organisatie en de bevoegdheid van de rijkswacht door een wet worden geregeld.

Op 14 februari jongstleden heeft de regering een voorstel tot herziening van dit artikel van de Grondwet ingediend, teneinde het aan te passen aan de nieuwe politiestructuur.

De tekst voorgesteld door de regering luidde: "De organisatie en de bevoegdheid van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus worden door een wet geregeld. De rechtspositieregeling van de personeelsleden van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus wordt door of krachtens een wet geregeld."

De commissie heeft die tekst vervangen door volgende bepaling: "(...) De essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, worden bij de wet geregeld." Zij heeft een overgangsbepaling toegevoegd die luidt als volgt: "De Koning kan echter de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, vaststellen en uitvoeren, voor zover het besluit, met betrekking tot die elementen, bekrachtigd wordt bij de wet vóór 30 april 2002."

Ik veronderstel dat u onder de indruk bent van deze formulering die het resultaat is van drie vergaderingen van de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden.

In welke context moet deze discussie worden geplaatst? De preconstituante had artikel 184 voor herziening vatbaar verklaard teneinde het woord "rijkswacht" te wijzigen omdat de rijkswacht verdwijnt, maar hij had geen blijk gegeven van enige bijzondere bedoeling om de geest van het artikel te wijzigen waar het stelde dat de organisatie en de bevoegdheden van de politie alleen door de wet mogen worden geregeld.

Iedereen wil dat de aan de gang zijnde politiehervorming vordert en dat de einddata niet worden opgeschoven; vooral 1 april is een belangrijke datum voor het statuut van de politie. Iedereen weet ook dat op dit ogenblik een ministerieel besluit wordt voorbereid dat talrijke elementen van het juridisch statuut en van de rechtspositieregeling van het politiepersoneel regelt. Dit zogenaamde mammoetbesluit werd aan de Raad van State voorgelegd. Iedereen - of toch minstens de regering - wachtte op het advies van de Raad om te weten of de essentiële elementen van het politiestatuut bij koninklijk besluit konden worden geregeld en niet bij wet.

De rechtspraak van de Raad van State is veel restrictiever dan de bedoelingen van de regering. De Raad van State had vrij kritische adviezen uitgebracht over de overdracht van bevoegdheden aan de Koning in de wet van december 1998 en in het wetsontwerp houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten dat hier in december werd aangenomen. Op dit punt trad de rechtsspraak van de Raad van State die van het Arbitragehof bij; beide rechtscolleges blijven bijzonder streng over de overdracht van bevoegdheden aan de Koning.

In het licht hiervan heeft de regering ons een tekst voorgesteld die bepaalt dat het juridisch statuut of de rechtspositieregeling van het politiepersoneel niet alleen door de wet, maar ook krachtens de wet kan worden geregeld. Zowel het Arbitragehof als de Raad van State hadden nochtans gemeend dat de essentiële elementen van het politiestatuut moesten worden voorbehouden aan de wet.

In de commissie kwamen in de algemene bespreking eerst de context en de methode van de hervorming aan bod. De regering beroept zich op de urgentie. De einddatum van 1 april is immers belangrijk voor de geldigheid van het besluit dat wordt voorbereid. Sommigen hebben de urgentie betwist en van de hand gewezen. Toen de commissie vergaderde, had de Raad van State het advies over het mammoetbesluit nog niet uitgebracht. Verder zijn reeds enkele wetten op de politie goedgekeurd, in het bijzonder de basiswet van december 1998 waarin de wetgever heeft bepaald welke essentiële elementen aan de wet worden voorbehouden. De commissie heeft dan ook de vraag gesteld of de wet van 1998 werd opgesteld binnen de context van het huidige artikel 184 van de Grondwet. Waarom zou aan dat artikel moeten worden toegevoegd dat het politiestatuut niet alleen bij wet maar ook krachtens de wet kan worden geregeld, als de wetgever van 1998 heeft gehandeld binnen de context van het huidige artikel 184? De minister heeft hierop geantwoord dat hij een tekst heeft voorgesteld die bepaalt dat het statuut krachtens de wet kan worden geregeld, om aldus om elke dubbelzinnigheid uit te sluiten en de rechtszekerheid te waarborgen.

Inhoudelijk heeft de commissie volgende twee thema's besproken. Veroorzaakt het door de regering voorgestelde artikel 184 een aanzienlijke verschuiving in het evenwicht tussen de wetgevende en de uitvoerende macht voor wat betreft de politie, inzonderheid wat het statuut van de politie aangaat? Sommige commissieleden hebben de geschiedenis geschetst van artikel 184 vanaf 1830. Anderen hebben beklemtoond dat men de bevoegdheden met betrekking tot de politie en vooral met betrekking tot het statuut van de politie beter niet overdraagt aan de Koning omdat de materie zeer gevoelig is.

Men raakt beter niet aan materies die zijn voorbehouden aan de wet omdat zij de fundamentele vrijheden, de openbare vrijheden en de fundamentele garanties voor de politie kunnen betreffen. De geschiedenis staat bol van ontsporingen en misbruiken op dat vlak. De wetgever van 1831 is bijzonder strikt geweest voor wat betreft de bevoegdheden die op dit punt aan de wet worden voorbehouden.

De heer Lozie zal het tweede gedeelte van het rapport toelichten. Toch wil ik nog een punt aanhalen dat tijdens de commissiebespreking naar voor is gekomen: slaat het woord "wet" hier uitsluitend op de federale wet en mag het decreet zaken van politie en bestuurlijke politie regelen? In een amendement werd voorgesteld om aan de tekst van de regering een alinea toe te voegen waardoor de regionale overheid via een bijzondere wet bepaalde bevoegdheden kon krijgen inzake politie en meer bepaald inzake bestuurlijke politie. Naar aanleiding van dit amendement is er een hele discussie geweest over de problematiek van de bijzondere wet en over de interpretatie van het woord "wet".

De eerste amendementen die werden ingediend door de CVP en de PSC waren vrij radicaal. Zij stelden voor om de woorden "krachtens de wet" te schrappen en de woorden "de rechtspositieregeling van de personeelsleden ..." te vervangen door "het statuut". Het statuut is duidelijker dan de rechtspositieregeling, een term die misschien "moderner" klinkt, maar eerder ongebruikelijk is in ons recht. De amendementen die ertoe strekten de woorden "krachtens de wet" te doen vervallen werden vervolgens ingetrokken door hun indieners, omdat de minister heeft voorgesteld om in de Grondwet de essentiële elementen van het politiestatuut aan de wet voor te behouden. Zodoende beschikken we over de zo belangrijke waarborg dat de essentiële elementen van het politiestatuut niet "krachtens de wet" zullen kunnen worden geregeld.

Nu vraagt u zich zeker af wat die essentiële elementen inzake politie dan wel zijn. De minister heeft er handig aan herinnerd dat de wet van 1998 op het politieambt een hele reeks bevoegdheden opsomt die aan de wetgever zijn voorbehouden. Ik zal ze opsommen: de tuchtregeling; het syndicaal statuut; de rechten en plichten van het personeel; de beperkingen van rechten en vrijheden die voortvloeien uit de functie; de onverenigbaarheden; de uitoefening van het stakingsrecht; de aanwijzing voor bepaalde leidinggevende functies; de eed; de toekenning van de titel van officier van gerechtelijke politie; de uitoefening van het gezag; de gelijke kansen voor mannen en vrouwen; het beroepsgeheim; de mobiliteit.

De minister zegt geruststellend dat deze lijst niet exhaustief is en kan worden uitgebreid. Volgende materies zouden eveneens essentiële bestanddelen van het politiestatuut kunnen zijn: een moraliteitsonderzoek voor kandidaat-recruten voor gevechtseenheden; de andere toelatingsvoorwaarden voor de politie; de aanwijzing van de andere benoemende overheden, dan degene die al in de wet op de geïntegreerde politie zijn opgenomen; de graden en principes voor de schalen die eraan gekoppeld zijn; de voorwaarden gekoppeld aan de baremische loopbaan, aan de bevordering naar een hogere graad en aan de bevordering door overgang naar een hoger kader; de voorwaarden voor vrije meningsuiting door de personeelsleden; de verplichting voor het personeel om een deontologische code na te leven; de basisregels voor de beoordeling van het personeel; de basisregels voor de definitieve ambtsontheffing of ambtsneerlegging; het principe van medische bescherming; de principes voor het recht op wedde en het gewaarborgd loon.

Tot daar een serie elementen die als essentieel voor het politiestatuut moeten worden beschouwd.

We bevinden ons in een bijzondere context. Eigenlijk is het voor de regering onmogelijk om heel deze materie vóór 1 april bij wet te regelen.

De commissieleden stellen vast dat de regering vraagt de Grondwet te herzien om een koninklijk besluit dat wordt voorbereid rechtsgeldig te maken.

De oppositie speelt haar constructieve rol en de heer Vandenberghe dient amendementen in om een overgangsbepaling in de Grondwet op te nemen. De regering moet de mogelijkheid krijgen om alle vereiste maatregelen met betrekking tot het politiestatuut te nemen en wij wensen allemaal dat deze maatregelen resultaten opleveren.

Sommige commissarissen spreken zich dan uit voor een overgangsbepaling in de Grondwet op grond waarvan de Koning voor dit jaar en tot april 2002 de vereiste maatregelen zou kunnen nemen om de essentiële elementen van het politiestatuut vast te leggen.

In de voorgestelde tekst krijgt deze bevoegdheidsoverdracht aan de Koning het karakter van een bijzondere macht, maar de minister moet wel opnieuw naar het parlement komen om de wet vóór april 2002 te laten bekrachtigen.

Over deze overgangsbepaling zijn heel wat vragen gesteld. Wat moet er staan in de wet of in de wetten die de besluiten bekrachtigen? Moet de minister de hele materie voorleggen of enkel de essentiële elementen? De minister heeft geantwoord dat alle essentiële elementen in één enkele wet kunnen worden opgenomen en dat de wetgever het recht zal hebben om deze voor de toekomst bindende lijst te herzien of te verlengen.

Een amendement dat voorzag in waarborgen voor een minimale aanwezigheid van Nederlandstaligen in de politieraden van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest werd ingetrokken.

Het amendement dat ertoe strekte om het via een bijzondere wet mogelijk te maken dat bepaalde maatregelen inzake politie bij decreet zouden worden genomen, werd verworpen door alle leden van de commissie met uitzondering van de indiener.

Verschillende commissieleden hebben bij de minister nog aangedrongen op een aantal waarborgen met betrekking tot de politiehervorming. Voor de tien punten die in dit verband door een lid werden opgesomd, verwijs ik naar bladzijde 15 van het verslag.

Over het communautaire aspect van dit dossier zal ik het niet hebben. Moeten in deze materie bevoegdheden aan de decreetgever worden overgedragen? Hiervoor geef ik het woord aan de heer Lozie.

In het deel van de werkzaamheden waarvoor ik corapporteur ben, heeft de regering alleszins meermaals herhaald dat onder de wet de federale wet dient te worden verstaan.

De heer Frans Lozie (AGALEV), corapporteur. - Mijnheer de voorzitter, op 13 maart 2001 heeft de commissie een bijzondere vergadering gewijd aan de nota van de regering met betrekking tot amendement nr. 7 bij het voorgestelde artikel 184 van de Grondwet, ingediend door de heren Vandenberghe, Caluwé en Vankrunkelsven.

Het amendement strekt ertoe om aan artikel 184 van de gecoördineerde Grondwet een nieuw lid toe te voegen dat bepaalt dat de bestuurlijke of administratieve politie, ter uitvoering van een bijzondere wet, geheel of gedeeltelijk geregeld kan worden door een decreet of door een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regeling. Die regeling is de ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Overeenkomstig artikel 184 van de Grondwet wordt de organisatie en de bevoegdheid van de rijkswacht immers door een wet geregeld. De indieners van het amendement wensen te vermijden dat de woorden "door een wet" zo geïnterpreteerd zouden worden dat daarmee enkel de federale wet bedoeld wordt.

Het is evenwel de mening van de regering dat een amendement, zoals het amendement nr. 7, dat met die bedoeling ingediend wordt, overbodig is. De verwijzing naar de wet in de huidige formulering van artikel 184 van de Grondwet heeft immers als functie de rijkswacht onder de hoede van de wetgevende macht te stellen. Daaruit wordt ondermeer afgeleid dat de essentiële kenmerken van het statuut van het personeel van de rijkswacht en, bij afleiding, ook van de federale politie bij wet geregeld moeten worden.

De huidige formulering van artikel 184 van de Grondwet verhindert niet dat de bijzondere wetgever de bevoegdheid om welbepaalde aspecten van bestuurlijke politie te regelen nu reeds aan de gemeenschappen of gewesten kan toevertrouwen.

Aangezien van een bijzondere wet afgeweken kan worden door een andere bijzondere wet moet het voorzien van de mogelijkheid voor de gemeenschappen en gewesten om bepaalde aspecten van de bestuurlijke politie te regelen niet het voorwerp uitmaken van een grondwetsherziening. Integendeel volstaat het dat de bijzondere wetgever machtiging verleent aan de gemeenschappen en gewesten om deze bevoegdheid te regelen.

De regering wenst in dit verband wel op te merken dat de afdeling Wetgeving van de Raad van State in zijn advies bij het voorontwerp van bijzondere wet "houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en gemeenschappen" dit standpunt slechts ten dele gevolgd heeft. De Raad heeft in zijn advies immers een onderscheid gemaakt tussen materiële en instrumentele bevoegdheden. Wat betreft materiële bevoegdheden hanteert de afdeling Wetgeving van de Raad van State evenwel een restrictievere visie.

De redenering van de Raad kan evenwel niet bijgetreden worden. Uiteraard kan de grondwetgever, indien hij dat wenst, aan de gemeenschappen en gewesten uitdrukkelijk de machtiging verlenen om bepaalde bevoegdheden te regelen. De mogelijkheid voor de grondwetgever om een dergelijke machtiging uitdrukkelijk in de Grondwet vast te leggen doet evenwel in geen enkel opzicht afbreuk aan de mogelijkheid om, zoals hierboven uiteengezet is en zoals door het Arbitragehof erkend werd, deze machtiging ook bij bijzondere wet te verlenen. Het is niet omdat de Grondwet voorziet in de mogelijkheid om dit te regelen, dat het ook niet via de bijzondere wet kan worden geregeld. Het amendement strekt, integendeel, ertoe mogelijk te maken wat reeds mogelijk is.

De vice-eerste minister en minister van Begroting, Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie verduidelijkt dat de wijziging aan het huidige artikel 184 van de Grondwet erin bestaat de organisatie en de bevoegdheden van de geïntegreerde politie te regelen bij wet. Het amendement nr. 7 van de heer Vandenberghe c.s. heeft echter betrekking op de bestuurlijke politie.

Door het voorstel tot herziening van artikel 184 van de Grondwet, worden de organisatie en de bevoegdheden van de geïntegreerde politie toevertrouwd aan de federale wetgever. Het overige, dat niet uitdrukkelijk voor de federale wetgever wordt gereserveerd, kan bij bijzondere wet worden overgedragen aan de decreetgever met dien verstande dat men een onderscheid moet maken tussen de politiedienst in organieke zin - gereserveerd voor de federale wetgever - en politiedienst in bestuurlijke zin - gedeelde bevoegdheid.

Het lid is van oordeel dat men de gevolgen van deze interpretatie goed voor ogen moet houden: op basis van de tekst van de eerste zin van het voorstel tot herziening van artikel 184 van de Grondwet, wordt ook de organisatie van de lokale politie exclusief toevertrouwd aan de federale wetgever. Alles wat betrekking heeft op de structuur, de organisatie en de bevoegdheden van de lokale politie wordt exclusief voorbehouden aan de federale wetgever.

De vice-eerste minister en minister van Begroting, Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie beaamt de interpretatie die door het lid wordt gegeven.

Na deze gedachtewisseling volgde nog een discussie over een aantal technische punten.

De vice-eerste minister wenst in de eerste plaats de regeringsnota en zijn toelichting daarbij enigszins te corrigeren. Wanneer de grondwetgever na de hervorming der instellingen in 1980 heeft bepaald dat een materie bij de wet moet worden geregeld, dan behoort die kwestie tot de bevoegdheid van de federale Staat. Wanneer recent in de Grondwet het woord "wet" werd geschreven, moet dat gelezen worden als federale wet. Het lijdt dus geen enkele twijfel dat de organisatie en de bevoegdheden van de geïntegreerde politiedienst het voorbehouden domein zijn van zowel de federale wetgever als de federale overheid.

Met betrekking tot artikel 135, §2, van de nieuwe gemeentewet rijst de vraag of bij bijzondere wet aan de gemeenschappen, bijvoorbeeld inzake monumenten en landschappen, en aan de gewesten, bijvoorbeeld inzake leefmilieu, de bevoegdheid kan worden toegewezen om de in het voormelde artikel bepaalde bevoegdheden van de gemeenten uit te breiden. Het antwoord is ondubbelzinnig ja, voor zover daar natuurlijk een politiek akkoord over bestaat en de bijzondere wet deze bevoegdheid duidelijk definieert. Wat echter niet kan worden overgeheveld, is de aan de federale wetgever voorbehouden bevoegdheid, vervat in de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, met betrekking tot bijvoorbeeld de voorwaarden waaronder handboeien mogen worden gebruikt of iemand mag worden aangehouden. De decreetgever mag zich dus niet op deze bevoegdheid baseren om inzake overtredingen van de regelgeving inzake monumenten en landschappen zelf het gebruik van handboeien door de politie te regelen.

Een spreker wenst te weten of bij een regionalisering van de nieuwe gemeentewet de decreetgever het statuut van de burgemeester zal kunnen regelen alsook de invulling van artikel 135, §2. De vice-eerste minister antwoordt dat het aan de bijzondere wetgever staat dat te bepalen.

Een ander lid wenst nadere uitleg over de eventuele gevolgen van artikel 184 op de uitoefening van het toezicht op de politiediensten. De vice-eerste minister antwoordt dat de wet van 7 december 1998 deze bevoegdheid reeds aan de gewesten heeft ontnomen. Zij heeft een specifiek toezicht ingesteld op alles wat de politie betreft. De Raad van State heeft dienaangaande verklaard dat, aangezien de geïntegreerde politiedienst, volgens de regering, in haar totaliteit en eenheid een federale materie is en geen gemeentelijke, er een specifiek toezicht kon worden ingesteld.

De minister van Binnenlandse Zaken beaamt de stelling van de vice-eerste minister dat de organisatie en de bevoegdheden van de geïntegreerde politiedienst, alsook de essentiële elementen van het statuut van zijn personeelsleden door de federale wetgever moeten worden vastgesteld. Met de organisatie wordt bedoeld de structuur, het toezicht op de politiedienst waarbij de lokale overheden nauw betrokken zijn, zijn werking en zijn financiering. Met de herziening van artikel 184 wordt de bestaande bevoegdheidsverdeling tussen de federale Staat en de deelgebieden niet gewijzigd. Dat sluit evenwel niet uit dat zich hierin later verschuivingen kunnen voordoen.

Een lid wenst te weten of de gewesten nog een decreet of een ordonnantie kunnen aannemen houdende de organisatie van het gewestelijk toezicht op de politiezones. Verschillende ontwerpen zijn daartoe opgesteld. De minister van Binnenlandse Zaken antwoordt negatief. Een advies van de Raad van State in die zin is onderweg.

Een lid verklaarde zich bij de eindstemming te zullen onthouden omdat er nog over bepaalde punten van de politiehervorming gesprekken aan de gang zijn. Collega Nyssens heeft er in haar gedeelte van het verslag ook op gewezen dat er nog een tiental punten ter bespreking voorliggen. Inhoudelijk had de spreker echter geen bezwaar tegen het geamendeerde artikel 184, maar wilde de voorwaarden toch even beklemtonen.

Amendement nr. 7 wordt verworpen met 10 tegen 2 stemmen. Amendement nr. 8 wordt ingetrokken. Het enig artikel, zoals geamendeerd en gewijzigd, wordt aangenomen met 9 stemmen bij 3 onthoudingen.

Benoeming van een plaatsvervanger voor een extern lid niet-notaris van de Nederlandstalige benoemingscommissie voor het notariaat (Stuk 2-676)

Uitslag van de herstemming

De voorzitter. - Hier volgt de uitslag van de herstemming voor de benoeming van een plaatsvervanger voor een extern lid niet-notaris van de Nederlandstalige benoemingscommissie voor het notariaat:

Aantal stemmenden: 60.

Blanco of ongeldige stembriefjes: 2.

Geldige stemmen: 58.

Tweederde meerderheid: 39.

De heer Buyse behaalt 45 stemmen.

De heer Van Oostveldt behaalt 13 stemmen.

Bijgevolg wordt de heer Buyse tot plaatsvervanger voor de heer Dirk Meulemans, extern lid niet-notaris van de Nederlandstalige benoemingscommissie voor het notariaat, uitgeroepen.

Van deze benoeming zal kennis worden gegeven aan de voorzitters van de benoemingscommissies voor het notariaat.

Herziening van artikel 184 van de Grondwet (Stuk 2-657)

Voortzetting van de bespreking

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - De twee rapporteurs hebben de wijziging van artikel 184 van de Grondwet duidelijk toegelicht.

Het is zeker niet onverantwoord een openbaar debat te houden over een wijziging van de Grondwet waarbij daarenboven de vice-eerste minister bevoegd voor institutionele zaken, zoals de heer Lozie heeft toegelicht, commentaar heeft gegeven, die belangrijk is bij de verdere discussie over de regionalisering van de gemeente- en provinciewet.

Sommigen kregen de indruk dat de discussie over artikel 184 van de Grondwet waarbij bepaalde elementen van het statuut van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, krachtens de wet zouden worden geregeld, niet belangrijk was. Dat is nochtans niet het geval. Het verheugt mij dan ook dat in er in de commissie een meerderheid is gevonden om het amendement van mevrouw Nyssens en mijzelf goed te keuren, met als gevolg dat de regering een eigen amendement heeft ingediend, dat een vergelijk tussen beide visies inhoudt. Om het woord "rijkswacht" te vervangen door een verwijzing naar de nieuw opgerichte politiestructuur was er geen probleem. Er was wel een belangrijk voorbehoud om in artikel 184 van de Grondwet te vermelden dat het politiestatuut bij wet zou worden geregeld.

Ik heb er in de commissie op gewezen dat volgens de vroegere artikelen 122 als 123 van de Grondwet het statuut van de garde civique, duidelijk een wettelijke materie was. Dat was een politieke optie, zoals uit de werken van het Nationaal Congres van 1830 blijkt. Onder het Ancien Régime werd de politie immers door de uitvoerende macht georganiseerd. De Franse Revolutie heeft ervoor gezorgd dat de politie niet langer ter beschikking stond van de uitvoerende macht, met name de Koning, maar wel van de Natie waarbij de wetgevende macht, niet de uitvoerende macht, de emanatie is van de Natie.

Dat moest in de Grondwet worden vastgelegd.

Toen de Nederlanders in 1815 aan het bewind kwamen, werd die regel opnieuw gewijzigd en kwam de politie opnieuw ter beschikking van de Koning te staan. In 1830 werd terecht weer voor de andere opvatting geopteerd en diende de wet het juridisch kader en het statuut te regelen.

Uit de verklaring tot herziening van artikel 184 blijkt duidelijk dat de herziening tot doel had de term "rijkswacht" te vervangen door "geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus". Het was niet de bedoeling de bevoegdheden op een andere wijze dan door een wet te laten toewijzen.

Overigens blijkt uit een aantal arresten van het Arbitragehof dat met "de wet" enkel de regelgeving van de wetgever kan worden bedoeld. Met betrekking tot artikel 184 van de Grondwet heeft het Arbitragehof in zijn arrest 134/99 het volgende beklemtoond. Ten eerste, zo stelt het Hof, "garandeert artikel 184 van de Grondwet door aan de wetgevende macht de bevoegdheid te verlenen om de organisatie en de bevoegdheid van de rijkswacht te regelen, dat die aangelegenheid het voorwerp zal uitmaken van beslissingen die door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering zijn genomen". En het Hof vervolgt: "Ofschoon die bepaling aldus, in die aangelegenheid de normatieve bevoegdheid voorbehoudt aan de federale wetgever - die zelf de essentiële elementen ervan moet regelen -, sluit zij evenwel niet uit dat aan de Koning een beperkte uitvoeringsbevoegdheid wordt gelaten".

In die commissie zaten we in feite op dezelfde golflengte als het Arbitragehof en zagen we in dat een mammoetbesluit zonder wijziging van de Grondwet geen oplossing was, omdat dat aanleiding zou geven tot een verhaal bij de Raad van State wegens een al te ruime interpretatie. De Raad van State had trouwens al zelf op zo een gevaar gewezen, onder meer naar aanleiding van de reparatiewet voor de politie van december 2000 en waarbij ik een amendement had ingediend met dezelfde waarschuwing voor een te ruime interpretatie van artikel 184 van de Grondwet. De regering heeft mijn redenering toen gevolgd en heeft het mammoetbesluit gecorrigeerd. Maar ze heeft toen spijtig genoeg het kind met het badwater weggegooid. Ze heeft toen een essentiële democratische waarborg namelijk dat het statuut bepaald wordt door de wet, opgeofferd om een incidenteel probleem - het mammoetbesluit - op te lossen.

Voor deze grondwetswijziging bestaat de oplossing erin voor essentiële elementen een delegatie aan de Koning te geven, die tegen eind april van volgend jaar wettelijk zal worden bekrachtigd. Er is dus een vergelijk gevonden. Enerzijds blijft de organisatie van de politie een door de wet te regelen materie, anderzijds kan de regering de mammoetregeling zonder al te veel moeite effectief uitwerken, want ze heeft daarvoor een voldoende ruime juridische basis.

Het is verheugend dat na de discussie in de commissie, een ruim vergelijk tot stand is gekomen over een tekst waarin de essentiële uitgangspunten van de verschillende partijen tot uitdrukking konden komen. Ik heb bij deze tekst een technisch amendement ingediend waarop ik zal terugkomen bij de bespreking ervan.

Een ander belangrijk politiek punt betreft de discussie over de draagwijdte van de term "wet" in artikel 184. Juristen zien een onderscheid waar niemand anders nog een onderscheid ziet. Volgens hen moet een wettelijke bepaling niet altijd letterlijk worden gelezen. Zij kijken naar het recht als naar een schilderij. Niet-juristen kijken naar het recht als naar een foto. Schilderijen vertonen meerdere dimensies en bovendien bestaan er verschillende schildersscholen. Er is dan ook een interessante discussie ontstaan, waarin het antwoord naar voren komt dat de vice-eerste minister, bevoegd voor institutionele zaken, heeft voorbereid op de kritiek van de Raad van State op het voorontwerp van bijzondere wet over de regionalisering van de gemeente- en provinciewet. Vice-eerste minister Vande Lanotte gebruikt daarbij bijzonder elastische argumenten, wat kenmerkend is voor een minister van Binnenlandse Zaken omdat die zich aan het terrein moet aanpassen indien hij de orde wil handhaven. Zijn verschillende verklaringen zijn niet a priori zinledig, maar zij hebben mij niet overtuigd.

De vice-eerste minister vond mijn amendement om erin te voorzien dat de decreet- en ordonnantiegever bepaalde materies bedoeld in artikel 184 zou kunnen defederaliseren, overbodig.

De eerste redenering in de regeringsnota is een raccourci. De minister zegt dat de term "wet" in de Grondwet moet worden geïnterpreteerd in het licht van artikel 19 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen. Dit artikel bepaalt dat de bevoegdheden van de decreetgever dienen te worden uitgeoefend, onverminderd de bevoegdheden die door de Grondwet aan de wet zijn voorbehouden. De regering redeneert dus als volgt: in de Grondwet staat het woord wet. Artikel 19 van de bijzondere wet staat met een bijzondere meerderheid de defederalisering van wettelijke materies toe. Als we defederaliseren moet de Grondwet dus niet worden herzien aangezien artikel 19 een ruime bevoegdheid geeft aan de bijzondere wetgever om hoe dan ook de bepalingen van de Grondwet waar het legaliteitsbeginsel is in opgenomen, te wijzigen.

De regering verwijst in dit verband naar het advies van de Raad van State volgens hetwelk bij de instrumentele bevoegdheden die samenhangen met de hoofdbevoegdheid en die naar de decreetgever zijn overgeheveld, zoals ruimtelijke ordening en stedenbouw, de gewesten en gemeenschappen op bevoegdheidsterreinen kunnen komen die formeel aan de federale overheid zijn voorbehouden. Volgens de Raad van State kunnen materiële bevoegdheidsoverdrachten, met name de objectieve verruiming van de bevoegdheden van de deelgebieden, niet zonder een wijziging van de Grondwet. Volgens de minister kan dit daarentegen wel.

De heer Moureaux wierp de vraag op of een bijzondere wet iedere bevoegdheid van om het even welk grondwetsartikel kan defederaliseren zonder herziening van het artikel in kwestie. In die visie wordt de voorafgaande verklaring van de herziening van een grondwetsartikel bij bevoegdheidsoverdracht, volledig overbodig.

De vice-eerste minister gaf dan een toelichting waarbij hij zei zijn opvattingen enigszins te corrigeren. Wanneer de grondwetgever na de hervorming der instellingen in 1980 heeft bepaald dat de materie bij de wet moet worden geregeld, behoort volgens de vice-eerste minister die bevoegdheid tot de federale staat. Als dus in het gewijzigde artikel 184 dus de term "wet" wordt gebruikt, betekent dit dat de organisatie en bevoegdheden van de geïntegreerde politie niet bij decreet kunnen worden geregeld. Dat geldt ook voor het statuut, dat nu door de koning wordt bepaald, maar dat achteraf door de wet moet worden bevestigd. De vice-eerste minister verklaarde dat alleen de federale wetgever daartoe bevoegd is. Het lijdt dus geen enkele twijfel dat de organisatie en de bevoegdheden van de geïntegreerde politiedienst het voorbehouden domein zijn zowel van de federale wetgever als van de federale overheid.

Waar de Grondwet vóór 1980 het woord "wet" gebruikt, is de discussie open en bepaalt de bijzondere wetgever of de materie vatbaar is voor defederalisering. Als de grondwetsbepaling is ingevoegd of gewijzigd na 1980, wordt met het woord "wet" een federale materie bedoelt en moet de overdracht van de bevoegdheid het voorwerp uitmaken van een grondwetswijziging, tenzij het gaat om de uitoefening van instrumentele of impliciete bevoegdheden, waarvoor de gewesten en de gemeenschappen bevoegd zijn, onverminderd de vraag of de wet al dan niet als een voorbehouden materie wordt aanzien in het grondwetsartikel in kwestie.

Vice-eerste minister Vande Lanotte heeft in zijn antwoord op mijn vraag om uitleg van 8 maart 2001 reeds een eerste standpunt hieromtrent ingenomen waarin hij het tweede, gecorrigeerde advies naar voren bracht. Deze interpretaties zijn zeer belangrijk met het oog op de aangekondigde herzieningen van de bijzondere wet. De eerste lezing van de vice-eerste minister is zeer duidelijk: door de bijzondere wet kan met "wet" overal waar het staat "decreetgever" worden bedoeld. Men kan deze stelling verdedigen of bestrijden. De Grondwetgever zal hierover oordelen, want ofschoon de CVP nu in de oppositie zit, houdt ze vast aan het principe dat de Grondwetgever de Grondwet interpreteert.

We moeten echter beseffen wat de gevolgen van een dergelijke houding zijn. Alle bevoegdheden kunnen zonder herziening van de Grondwet worden geregionaliseerd. Dit standpunt werd tijdens de vorige regeerperiode onder andere door de heren Michel, Reynders en Dewael tegengesproken. Anderen zullen opmerken dat de heer Dehaene iets anders heeft beweerd vóór en na de verkiezingen. Deze discussie is niet echt relevant.

Ik ben wel van mening dat de tweede lezing van de regering om technische redenen niet kan worden aanvaard. Een eerste probleem is de begindatum. De vice-eerste minister stelt dat de lezing begint vanaf de Grondwetsherzieningen van 1980. Welnu, de decreetgever is bij de herziening van de Grondwet in 1970 in het leven geroepen. De bevoegdheidsverdelende bepalingen dateren van dat jaar en werden later, bij de herzieningen van 1980 en 1988, uitgebreid. Er kan dus niet worden beweerd dat de Grondwet vóór 1980 geen keuze heeft gemaakt over wat ze met "wet" bedoelde aangezien vanaf 1970 bepaalde culturele materies aan de decreetgever werden voorbehouden. De keuze van de Grondwetgever was vanaf 1970, onverminderd wijzigingen van de Grondwet van 1980 en 1988, duidelijk: met "wet" werd "wet" bedoeld tenzij uitdrukkelijk werd verwezen naar de decreetgever. De bijzondere wetgever zou in geval van een herziening van de Grondwet de nodige gevolgtrekkingen hebben gedaan.

Ik kan weinig begrip opbrengen voor het argument van de vice-eerste minister omdat het volgens mij als een boemerang kan terugkomen. Wie een argument wil vinden voor de stelling dat de gemeente- en de provinciewet niet zonder een herziening van de Grondwet kunnen worden geregionaliseerd, moet de tweede lezing volgen. Artikel 162 van de Grondwet bepaalt dat de provinciale en gemeentelijke instellingen bij wet worden geregeld en somt zes punten op die tot de bevoegdheid van de wetgever behoren. Het artikel vervolgt met de bepaling: "Ter uitvoering van een wet, aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, bepaalde meerderheid, kunnen de organisatie en de uitoefening van het administratief toezicht geregeld worden door de Gemeenschaps- of de Gewestraden". Hetzelfde geldt voor de interprovinciale of intercommunale verenigingen.

Met andere woorden, artikel 162 van de Grondwet werd gewijzigd met het doel wettelijke materies te bepalen en andere voor te behouden aan de decreetgever.

Hoe kunnen we bepalen dat het woord "wet" in een artikel van de Grondwet dat twee delen omvat, het ene met een bevoegdheidsbeschrijving van de wetgever en het andere met een bevoegdheidsbeschrijving van de decreetgever - een wijziging die werd goedgekeurd in 1980 -, ook "decreet" kan betekenen zonder wijziging van de Grondwet? Deze redenering staat haaks op het tweede standpunt. Indien dat tweede standpunt juist is, waarom moesten we dan in artikel 162 vermelden dat die materies door de decreetgever kunnen worden geregeld als de materies bij bijzondere wet kunnen worden overgedragen, zonder wijziging van artikel 162 van de Grondwet?

Artikel 162 van de Grondwet werd gewijzigd om de materies over te dragen. Nu wenst de regering meerdere materies over te dragen, terwijl ze wil dat het woord "wetgever" in artikel 162 ook "decreetgever" betekent. Deze redenering is betwistbaar en niet overtuigend. Vanzelfsprekend wordt ze niet gedeeld door de Raad van State.

Sta me toe nu de laatste opmerking die ik wilde formuleren, te behandelen en aldus het politiek en juridisch belang van de aan de orde zijnde discussie te onderstrepen.

Op 17 februari 2001 hebben we in de pers kennis genomen van een communautair akkoord tussen de heer De Gucht en de heer Bourgeois. De Financieel Economische Tijd schreef zelfs dat het zou gaan om een akkoord tussen de Volksunie en de regering, waarbij bijkomende bevoegdheden zouden worden overgedragen aan de gewesten, desgevallend de gemeenschappen. Volgens Le Soir van 21 februari 2001 voelden de francofone tenoren van de meerderheid de hemel op hun hoofd toen ze dat lazen. Le Soir schreef dat de francofone meerderheidspartijen niet op de hoogte waren, dat over dit akkoord geen afspraak was in de regering, dat het niet mogelijk of alleszins niet in die termen mogelijk was. Op mijn vraag om uitleg heeft vice-eerste minister Vande Lanotte geantwoord dat dit akkoord wel degelijk bestaat en genotificeerd werd aan het kernkabinet en dus door de meerderheid, die achter de hervorming staat, werd aanvaard.

Ik heb de diverse aspecten die in de kranten werden behandeld, nader bestudeerd. De verkeersveiligheid - het verkeersrecht - wordt geregionaliseerd. Ik kan aanvaarden dat bepaalde "instrumentele" bevoegdheden worden overgedragen in het kader van de regionalisering van de gemeentewet, zoals artikel 135 van de gemeentewet, dat de bevoegdheid van de burgemeester regelt inzake de ordehandhaving en alles wat daarbij hoort, zoals verkeersveiligheid en volksgezondheid. Kan de regering evenwel beweren dat door de wijziging van de bijzondere wet met betrekking tot de provinciewet en de gemeentewet de bepalingen inzake verkeersveiligheid en het verkeersreglement zullen worden geregionaliseerd, terwijl in artikel 184 wordt bepaald dat, wat de politie betreft, de wet een federale materie is? Volgens mij is dit niet aanvaardbaar. Hiervoor verwijs ik trouwens ook naar de algemene bepalingen in verband met het strafrecht, die een federale materie vormen, met uitzondering van de toepassing van de impliciete bevoegdheden.

Het standpunt terzake van de regering is alleszins vatbaar voor verdere precisering. Het zal moeten worden onderzocht in het licht van de concrete teksten van het ontwerp van bijzondere wet met betrekking tot de gemeentewet die aan de Senaat zullen worden bezorgd.

Het standpunt van de CVP met betrekking tot de juridische implicaties van artikel 184 van de Grondwet is het volgende.

Aan de ene kant zijn we zeer verheugd over de goede sfeer die er in de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden heerste bij het verbeteren van de ontwerpen van de regering. Ik heb nog een amendement met een louter technisch karakter ingediend om de overgangsbepaling te herschrijven. De Senaat zal oordelen of dat amendement nuttig is of niet. We vinden dat de tekst duidelijk verbeterd is en we zullen er dan ook niet tegen stemmen. Dat zou immers niet correct zijn.

Aan de andere kant kunnen we niet akkoord gaan met de betekenis die de minister in de huidige stand van zaken geeft aan artikel 162 van de Grondwet, meer bepaald in zijn nota en commentaar die hij naar aanleiding van de vragen van senator Moureaux heeft opgesteld.

Ten slotte willen we de herziening van artikel 184 van de Grondwet ook kaderen in de voorgestelde politiehervorming, waarvan een aantal problemen nog niet is opgelost. We wijzen hierop omdat we, wanneer we de voorgestelde tekst goedkeuren of ons onthouden, de regering een volmacht geven om het mammoetbesluit rechtskracht te geven. Daarover zullen echter andere leden van de CVP-fractie het woord nemen.

Tot zover mijn opmerkingen in het kader van de mijns inziens belangrijke bespreking van artikel 184 van de Grondwet.

De heer Philippe Moureaux (PS). - Ik zal kort zijn want ik ben het voor de grond van de zaak eens met de interpretatie die de regering geeft aan artikel 184, maar ook met de argumenten die ons ertoe moeten aanzetten deze herziening goed te keuren en die hun belang hebben voor het heden en voor de toekomst.

De heer Vandenberghe heeft gewezen op het verschil in benadering van niet-juristen, die foto's zien en juristen die schilderijen zien. Dit is een treffende vergelijking. Het leven daarentegen is als een film; het beeld staat niet stil. Juristen mogen zich niet blindstaren op één beeld. Ze mogen niet vergeten dat alles evolueert. Vice-eerste minister Vande Lanotte vraagt ons niet stil te blijven staan bij een foto uit het verleden, maar de film te laten draaien.

In de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden werd aanvankelijk te veel belang gehecht aan het oude artikel 184. We moeten vernieuwend werken. Het gaat hier om een volkomen nieuw artikel.

De oude tekst had betrekking op de rijkswacht, de nieuwe betreft de geïntegreerde politiedienst gestructureerd op twee niveaus. De grondwetgever moet duidelijk maken dat het nieuwe artikel niet in het licht van de oude, maar van de nieuwe tekst moet worden bekeken.

De wet handelt over de organisatie en de bevoegdheden van de geïntegreerde politiedienst gestructureerd op twee niveaus en niet over de administratieve politie. Daarover is een interessant debat gevoerd en er werden amendementen ingediend. De administratieve politie is een heel andere materie die niet in artikel 184 is verankerd. Een amendement terzake werd bijgevolg ingetrokken. Nochtans was het amendement niet oninteressant; het maakte duidelijk waarom het begrip administratieve politie niet thuishoort in artikel 184.

Sommige leden vroegen zich af of men bepaalde materies met betrekking tot de administratieve politie niet opnieuw zou federaliseren. Dat is niet het geval. We mogen zeker niet de indruk wekken dat artikel 184 alles wat met het woord "politie" te maken heeft, voorbehoudt voor de wet.

De regering is terecht van oordeel dat de organisatie en de bevoegdheden van de politiediensten een federale bevoegdheid is, wat echter niet belet dat sommige aangelegenheid moeten worden geregeld in samenwerking met de gewesten. Het verheugt mij dat de federale regering en de gewesten een samenwerkingsakkoord hebben gesloten met het oog op een samenwerking op het budgettaire vlak wat de politiezones betreft. De financiële middelen voor de veiligheid komen van de federale staat, maar het is normaal dat de gewesten daarin hun zeg hebben. Als het budgettair evenwicht in gevaar dreigt te komen, moet er overleg worden gepleegd teneinde tegenstrijdigheden te voorkomen.

Artikel 184 belet niet hetzelfde te doen als voor het Overlegcomité, noch hetgeen door de federale regering werd goedgekeurd en perfect in dit artikel kan worden ingeschreven.

De heer Vandenberghe heeft in verband met onze werkzaamheden als grondwetgever op een essentieel element gewezen. In zijn bezwaar tegen de regionalisering van de gemeentewet, merkt de Raad van State op dat de grondwetgever nooit duidelijk heeft gezegd welke betekenis aan het woord "wet" moet worden gegeven. We hebben vandaag de gelegenheid daar dieper op in te gaan. Als we vandaag het nieuwe artikel 184 goedkeuren zoals het in de commissie is geconcipieerd, zullen we een dubbelzinnigheid hebben weggenomen en komen we tegemoet aan de opmerkingen van de Raad van State.

Mijnheer Vandenberghe, u hebt gelijk wanneer u zegt dat het begrip "decreet" vóór 1980 al bestond, maar dat neemt niet weg dat 1980 een belangrijke datum is. In 1980 hebben de grondwetgever en de bijzondere wetgever de gelijke rechtskracht van de normen aanvaard. Dat en decreet gelijkwaardig zou zijn aan een wet, was erg revolutionair. Het werd overigens fel bekritiseerd. Wij creëerden daarmee een situatie die we in weinig landen terugvinden. Ik verwijs naar het debat dat in Frankrijk wordt gevoerd over de toekomst van Corsica. Alles draait rond het al dan niet verlenen van enige gelijkwaardigheid aan de normen opgelegd door het Corsicaans parlement. Heel die discussie roept dramatische beelden op. Sommigen vrezen zelfs dat het voortbestaan van de republiek wordt bedreigd.

Wij zijn daarin zeer ver gegaan in 1980. Op dat ogenblik is alles in een stroomversnelling geraakt. Wanneer onze eerbiedwaardige voorgangers in 1831 het over "de wet" hadden, dachten ze natuurlijk niet aan decreten en ordonnanties. Voor hen was een wet, een norm die door een representatieve assemblee wordt opgelegd. Het decreet en de ordonnantie, die wij nú kennen, zijn dat ook. Dat is logisch en juridisch perfect verdedigbaar.

Daar staat tegenover dat wij nu uitdrukkelijk naar het federale niveau verwijzen wanneer wij in artikel 184 het woord "wet" inschrijven. Wanneer wij het decreet voor ogen hebben, moeten wij dat uitdrukkelijk zeggen. Dat is het antwoord dat van ons werd verwacht en ik meen dat wij daarmee een dubbelzinnigheid hebben weggenomen.

Het betoog van vice-eerste minister Vande Lanotte was niet soepel, maar erg strikt, mijnheer Tobbock. Hij verwijst naar de betekenis van het begrip "wet" in 1831 en onderstreept dat wij daarmee vandaag wel degelijk, een norm opgelegd door het federale niveau, bedoelen. Ik sta hier vandaag op de tribune om dat duidelijk te maken en in het verslag van de vergadering te laten opnemen.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BLOK). - De Vlaams Blok fractie zal de voorgestelde herziening van artikel 184 van de Grondwet niet goedkeuren.

Het is uiteraard niet het moment om een debat te voeren over de politiehervorming, maar het is ook moeilijk om er helemaal over te zwijgen.

De regering heeft dit ontwerp halsoverkop ingediend. Het is de zoveelste episode in de knoeiboel die de politiehervorming is geworden.

Het personeelsstatuut van de eengemaakte politie moet voor 1 april 2001 van kracht worden. Het is opgenomen in een mammoetbesluit dat voor advies aan de Raad State is voorgelegd.

Als het personeelsstatuut via een koninklijk besluit wordt ingevoerd, dan zou dit wel eens ongrondwettelijk kunnen zijn. Men wist dit op voorhand want tijdens de vorige legislatuur werd artikel 184 voor herziening vatbaar verklaard, precies om de Grondwet of de terminologie conform te maken met de politiehervorming die toen al op stapel stond. De eerste vraag is dus waarom men na de jongste verkiezingen zo lang gewacht heeft om artikel 184 aan te passen aan de realiteit. Hier is sprake van een meer dan onbehoorlijk bestuur.

Het is alleszins ongehoord dat de uitvoerende macht de essentiële elementen van de regeling van de rechtspositie van het politiepersoneel op eigen houtje voor haar rekening neemt. Dit leidt, zoals collega Vandenberghe het in de commissie heeft gezegd, effectief tot een onevenwicht tussen de wetgevende en de uitvoerende macht.

Bij amendement werd een overgangsbepaling ingevoerd. Die bepaalt dat de Koning de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, kan vaststellen en uitvoeren voor zover het besluit, met betrekking tot die elementen, bekrachtigd wordt bij de wet vóór 30 april 2002. Maar dit lost het probleem niet op. Op het eventueel niet uitvoeren van de overgangsbepalingen staat geen sanctie. Wat indien de minister het besluit vóór 30 april 2002 opnieuw zou wijzigen en wat indien er vóór 30 april 2002 geen wet komt die het mammoetbesluit bekrachtigt? Het gaat hier in feite om een soort "volmachtengrondwetsartikel".

De heer Vankrunkelsven probeerde in de commissie een aantal garanties te verkrijgen met betrekking tot de politiehervorming. Het ging onder meer om de gewaarborgde vertegenwoordiging van de Vlamingen in de politieraden van de Brusselse interpolitiezones en om een volwaardige directeur coördinatie en een volwaardig juridisch directeur voor het arrondissement Halle-Vilvoorde. Men heeft die garanties niet gegeven.

Hoe men het ook draait of keert, met deze tekst verankert de federale overheid een aantal bevoegdheden in de Grondwet als bevoegdheden die exclusief tot de federale overheid behoren, waar dit vroeger niet het geval was.

Sinds de Bijzondere wet van 8 augustus 1980 wordt met de term "wet", een federale wet bedoeld. Als het voorliggend voorstel tot wijziging van artikel 184 van de Grondwet bepaalt dat de organisatie en de bevoegdheden van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, bij wet wordt geregeld, dan gaat het wel degelijk over een federale wet en over niets anders.

Er wordt dus voorgesteld om via de grondwet exclusief aan de federale overheid nieuwe bevoegdheden toe te kennen. Met andere woorden, als men ooit de lokale politie zou willen defederaliseren dan kan dat nog alleen gebeuren via een grondwetswijziging.

Het amendement van de heren Vandenberghe en Vankrunkelsven waar we ons straks over moeten uitspreken, strekt ertoe om de bestuurlijke politie geheel of gedeeltelijk door een decreet of ordonnantie te laten regelen. Dat is niet onbelangrijk. De nota van vice-eerste minister Vande Lanotte daarover zal zonder twijfel de verdere discussie over de staatshervorming en over de wijziging van de bijzondere wet op de overdracht van een aantal bevoegdheden, in grote mate bepalen.

In die nota wordt gezegd dat het amendement niet noodzakelijk is: elementen van bestuurlijke politie kunnen we eventueel, zonder dat we dat als zodanig in de Grondwet vastleggen, ook met een bijzondere wet aan de decreet- of ordonnantiegever toewijzen. Het amendement is dus overbodig.

Waarom zegt minister Vande Lanotte dat? Met zijn nota bereidt hij al een politiek pleidooi voor een heel andere discussie voor, namelijk die over artikel 162 van de Grondwet met betrekking tot de gemeente- en de provinciewet. Hij wil het advies van de Raad van State counteren door nu al te verklaren dat het amendement overbodig is, wat niet wil zeggen dat de bepaling niet in de grondwet mág worden opgenomen. Als het amendement wordt goedgekeurd, zou dat de facto geen enkel gevolg hebben voor de politiehervorming, maar dan gaat de redenering van minister Vande Lanotte dat wat artikel 162 betreft dat amendement overbodig is, niet meer op. Het probleem is dat artikel 162 niet voor herziening vatbaar is verklaard. Door te verklaren dat het amendement op artikel 184 overbodig is, tracht de regering op een handige manier de kritiek van de Raad van State op de herziening van een ander artikel van de grondwet, namelijk artikel 162, te omzeilen. Als het amendement wordt aanvaard, dan gaat immers de redenering van de regering dat er via artikel 19 van de Bijzondere wet heel wat mogelijk is wat artikel 162 betreft, volkomen de mist in.

Om die redenen zal de Vlaams Blokfractie dit voorstel tot herziening van artikel 184 van de Grondwet niet goedkeuren.

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Ik wil het probleem van de herziening van de Grondwet in een breder kader plaatsen. Vandaag wordt een belangrijke stap gezet in de realisatie van de Octopusonderhandelingen die enkele jaren geleden zijn gestart op initiatief van de toenmalige oppositiepartijen en waar destijds uiteindelijk alle democratische partijen, uitgezonderd Agalev, aan hebben deelgenomen. Wij willen onze verantwoordelijkheid inzake deze evolutie ook vandaag niet ontlopen.

Heel de operatie is redelijk moeizaam en traag verlopen. Er zijn nogal wat fouten gemaakt tijdens de politiehervorming. Die fouten zijn zo groot dat het doel van de politiehervorming, namelijk een efficiënte, slagvaardige politiemacht vormen, onder druk komt te staan. De fouten hebben onder meer betrekking op het toch wel heel ruim toegemeten statuut van de politie, met hoge lonen, en lagere inzetbaarheid als gevolg. Bovendien zijn al te veel manschappen toevertrouwd aan de federale politie.

Om al die redenen heeft onze fractie, samen met de CVP, een aantal toelichtingen aan de minister van Binnenlandse zaken gevraagd. De minister heeft onze vragen grotendeels beantwoord.

Een ander element waarop ik wil wijzen is de Grondwetswijziging die noodzakelijk is om de politie te kunnen organiseren op twee niveaus, namelijk het lokale en het federale. De verandering van het begrip "rijkswacht" was nogal evident. De manier waarop de regering gepoogd heeft om haar oplossing voor het tijdsgebrek, dat haar niet toeliet om de nodige statuutwijzigingen bij wet te veranderen, door de strot van de Senaat en de Kamer te duwen, heeft mij verontrust. De regering heeft getracht op een definitieve manier een tijdelijk probleem op te lossen en de Senaat en de Kamer definitief het recht te ontnemen om toezicht te houden of initiatief te nemen op het vlak van de organisatie van de politie.

De oppositie heeft verhinderd dat de Senaat zou worden ontluisterd, dat de weinige bevoegdheden van de Senaat verder zouden worden ondergraven.

Mevrouw Sabine de Bethune (CVP). - Welke oppositie? De echte of de andere?

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Dat is niet belangrijk. Een aantal partijen die niet tot de meerderheid behoren hebben het initiatief van de regering gecorrigeerd en hebben verhinderd dat het Parlement zich zou laten ringeloren.

Een ander probleem in het raam van deze hervorming gaat over de financiering van de lokale politie. Ook daarover hebben we een aantal vragen gesteld aan de minister van Binnenlandse Zaken en aan de eerste minister. De jongste weken zijn heel wat inspanningen geleverd: de financiering is verhoogd; er is duidelijkheid gekomen over de financiering van de gebouwen. Zo is op de ministerraad van vandaag een besluit genomen om de gebouwen van de rijkswacht toe te vertrouwen aan de verschillende politiezones en een correctie door te voeren voor de zones die oude of geen gebouwen hebben. Ook wat de pensioenlast betreft heeft de regering haar verantwoordelijkheid genomen. De pensioenlast van de ex-rijkswachters zal worden gefinancierd door de regering, eerst op basis van het aantal toegewezen rijkswachters en in een definitieve fase op basis van de KUL- norm, zoals door ons werd gevraagd.

Om al die redenen zijn wij bereid op een positieve manier deze grondwetsherziening te bekijken.

Wij waren erover bezorgd dat de herziening afbreuk zou doen aan de administratieve of bestuurlijke politie en aan de regelgeving door de ondergeschikte besturen. Het oorspronkelijke grondwetsartikel handelde over de rijkswacht en wordt nu uitgebreid tot de lokale politie. Daarom heb ik samen met de heer Vandenberghe een amendement ingediend.

De uitgebreide toelichtingen van de ministers van Institutionele Hervorming en van Binnenlandse Zaken hebben er mij van overtuigd dat we hier te maken hebben met een grondwetsartikel dat het politiekorps organiseert en de bevoegdheden regelt, - dit artikel is trouwens bij de gewapende machten ondergebracht - en dat het hier helemaal niet gaat om een inperking van de bevoegdheden van de andere besturen om politioneel op te treden.

Een tweede opmerking is dat we als grondwetgever nu de kans hebben om duidelijk te maken wat we met "bij wet" bedoelen. Dat kan meteen een toelichting zijn bij de impasse waarin we in het raam van de herziening van artikel 162 van de Grondwet met betrekking tot de overdracht van de materies inzake provincies en gemeenten verzeild zijn geraakt. Wij zeggen duidelijk dat na 1980 met het begrip "wet" in de grondwet wel degelijk naar de federale wetgever wordt verwezen.

Ik haak even in op de kritiek van de heer Vandenberghe, waarop ook de heer Moureaux heeft gerepliceerd, in verband met de tijdslimiet, 1970 of 1980. Ook in artikel 19, paragraaf 1 van de bijzondere wet stond uitdrukkelijk dat de draagwijdte van het decreet ingeperkt werd door de wet indien ze in de grondwetsartikelen in die materies tot uitdrukking kwam.

We zullen ons in de komende weken bij de besprekingen van de bijzondere wetten bijgevolg ook buigen over dat bewuste artikel 19, paragraaf 1. Ik vind het bijgevolg goed dat wij duidelijk maken dat de uitzondering die voor de wet wordt gemaakt, eigenlijk maar geldt voor de grondwetsartikelen die na 1980 werden herzien.

Om al die redenen kan mijn fractie het wetsontwerp goedkeuren.

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CVP). - Pas begin februari 2001 is deze regering op grond van een advies van de Raad van State tot de vaststelling gekomen dat het mammoetbesluit over het nieuwe statuut van de politiediensten ongrondwettelijk is. De Grondwet schrijft immers voor dat dit statuut bij wet moet worden geregeld. De Raad van State maakte dezelfde opmerking naar aanleiding van de reparatiewet van de oorspronkelijke Octopuswet die einde 2000 door het Parlement werd goedgekeurd. De CVP-amendementen terzake werden op dat moment echter verworpen.

De CVP vindt het voor een democratische rechtsstaat essentieel dat ten minste de basisprincipes voor het personeelsstatuut van de gewapende macht, politiediensten inbegrepen, door de wetgever, met andere woorden door een democratisch verkozen orgaan, worden bepaald.

Dat de regering pas vorige maand, meer dan 18 maanden na haar aantreden, een voorstel tot wijziging van de Grondwet goedkeurde om artikel 184 van de Grondwet gewoon af te schaffen, wijst nogmaals op de improvisatie die de regering met betrekking tot de politiehervorming aan de dag legt. Er was de personeelsleden een termijn van drie maanden beloofd zodat ze zouden kunnen nadenken over hun keuze voor het oude dan wel het nieuwe statuut. Deze keuzemogelijkheid was ook met de vakbonden afgesproken. Het is op dit ogenblik in ieder geval duidelijk dat die bezinningsperiode van drie maanden niet meer mogelijk is, ten minste als men politiek vasthoudt aan de ingangsdatum van 1 april, dus over tien dagen. De CVP heeft de wet op de geïntegreerde politie als resultaat van het Octopusakkoord mee gerealiseerd. Wij klagen reeds maanden de uitvoering van de politiehervorming aan. Voor de CVP zijn de veiligheid van de bevolking en een gemotiveerd politiekorps prioritair. Ze wenst dan ook geen obstructiepolitiek te voeren.

Wij zijn bereid dit voorstel goed te keuren in ruil voor garanties dat de verdere uitvoering van de politiehervorming met bekwame spoed en volgens de beginselen van behoorlijk bestuur wordt aangepakt.

We hebben onze verwachtingen voor een degelijke politiehervorming herhaaldelijk en zeer concreet uiteengezet. Vorige week hebben wij samen met de Volksunie onze voorstellen tot verbetering aan de eerste minister en aan de minister van Binnenlandse Zaken voorgelegd. Er werd veel gepraat, de delegaties van CVP en Volksunie werden telkens vriendelijk ontvangen, maar het resultaat was pover. De heer Vankrunkelsven en ik waren aldus genoodzaakt onze concrete vragen gisteren nogmaals te formuleren in een brief aan de eerste minister en aan de minister van Justitie. In deze brief, die aansluit bij onze gezamenlijke eisenbundel van 8 maart 2001, dringen wij aan op een antwoord op de resterende open vragen.

De CVP en de Volksunie hebben gisteren hun eis herhaald dat de politiehervorming voor de gemeenten een budgettair neutrale operatie moet zijn en dat de financieringsmechanismen geen communautaire scheeftrekkingen tot gevolg mogen hebben. De regering heeft geen bevredigend antwoord gegeven op onze vragen. Deze week nog heeft de burgemeester van Antwerpen in dit verband een aantal vragen geformuleerd.

De federale rijkswachtmiddelen moeten volgens de gewestelijke verdeelsleutels worden verdeeld. Vlaanderen mag niet worden benadeeld. Het heeft in het verleden immers meer in veiligheid geïnvesteerd.

Gisteren hebben we onze eis herhaald voor een gewaarborgde vertegenwoordiging van de Vlamingen in de politieraden van de gemeenten van het Brussels Gewest. Van de directeurs verwachten we minstens een functionele tweetaligheid. De taalwetgeving moet worden gerespecteerd.

Het antwoord van de regering op onze vraag over het onmiddellijk vastleggen van de minimale norm en van de capaciteit voor gerechtelijke opdrachten, voldoet ons niet.

We vragen uitdrukkelijk dat voor de lokale recherchecapaciteit niet wordt afgeweken van de omzendbrief van 22 december 2000 van de minister van Binnenlandse Zaken, waarin de lokale recherchecapaciteit op 10 à 15% wordt vastgelegd. Wat de federale recherche betreft, is de concrete uitvoering van de taakverdeling tussen de lokale en de federale politie, vervat in de omzendbrief van juni 1999, een van de meest determinerende factoren voor de effectieve inzet van de capaciteit van de federale recherche. De personeelsformatie van de algemene directie van de Gerechtelijke Politie moet precies worden omschreven en het aantal personeelsleden dat in de ministerraad van 16 november 2000 werd bepaald, moet effectief beschikbaar zijn voor gerechtelijke opdrachten. Het wetsontwerp dat vóór het zomerreces zal worden ingediend, dient de personeelsformatie per prioriteit uit het Nationaal Veiligheidsplan te bevatten. Ten slotte moeten er garanties komen voor de uitbreiding van de capaciteit van het SIE en het POSA, die thans ontoereikend is.

Om blokkeringen tussen de federale staat en de deelstaten te voorkomen, moet de mogelijkheid bestaan om de bevoegdheid inzake bestuurlijke politie geheel of gedeeltelijk over te dragen aan de gewesten. We vragen een duidelijke bevoegdheidsregeling voor het toezicht op de meergemeentezones.

Voorts vragen we uitdrukkelijk dat de basispolitiezorg in alle gemeenten zou worden gewaarborgd, met inbegrip van de grote steden en de centrumsteden, die ingevolge de voorliggende wetgeving en reglementering feitelijk niet meer in staat zijn de politiepermanentie te verzekeren, onder meer tijdens de nacht en in de weekends. We dringen aan op de onmiddellijke oprichting van de federale politieraad, zoals wettelijk bepaald. Iedereen moet een eerlijke kans krijgen bij de assessmentproeven: er dienen passende conclusies te worden getrokken uit het controleverslag met betrekking tot het overhaast georganiseerde assessment voor de directeurs. De opleiding en de vorming moeten behoorlijk worden georganiseerd. De rekruteringsmogelijkheden van de politie komen in het gedrang omdat de vernieuwde opleiding en vorming nog niet klaar zijn. De beschikbare plaatsen, in het bijzonder in Vlaanderen en Brussel, zullen niet kunnen worden ingevuld, wat dramatische gevolgen zal hebben op het vlak van de veiligheid. De burgemeesters moeten voldoende, tijdig en ondubbelzinnig worden geïnformeerd.

Dit impliceert onder meer het behoorlijk functioneren van de adviesraad van burgemeesters. Het is inderdaad onaanvaardbaar dat deze raad de voorbije twee en een halve maand niet werd bijeen geroepen en dat inmiddels verschillende teksten bij gebreke aan een advies geacht worden gunstig te zijn geadviseerd. De hervorming moet in nauwe samenwerking met de gemeenten kunnen gebeuren. Er dient prioriteit te gaan naar het bijwerken van het informatiebeheer en -uitwisseling. Dit was het cruciale punt gelet op de vaststellingen en de aanbevelingen van de commissie-Dutroux.

Ten slotte is er het behoud van de bevoegdheden van de minister van Justitie met betrekking tot de aanwending van de begroting en de federale politie. Dit waren de concrete eisen na de gesprekken die de regering had met de CVP en de Volksunie, zoals gisteren uiteen werd gezet in de brief. Misschien is daar vannacht voldoende politieke aandacht aan besteed. Deze morgen werden we immers gewekt met het bericht dat er tussen de regeringen onder meer een samenwerkingsakkoord was gesloten over de financiële verdeling van de federale dotatie voor de politiehervorming. Misschien kan de minister van Binnenlandse zaken of de VU-onderhandelaar ons overtuigen op welke wijze en op welke punten dit samenwerkingsakkoord tegemoetkomt aan het eisenplatform van CVP en VU.

In elk geval blijven niet alleen voor ons, maar ook voor vele lokale overheden, voor vele politiemensen en vooral voor de bevolking heel wat problemen onopgelost. De politiehervorming zou over tien dagen officieel ingang moeten vinden. Die ingangsdatum van 1 april 2001 is reeds een uitstel. Politiek bleek het onmogelijk om deze datum nogmaals op te schuiven. Zo zou het immers al te duidelijk worden dat deze regering, die startte met ronkende verklaringen over de modelstaat België, keer op keer vervalt in bestuurlijke onbekwaamheid. Imagopolitiek is belangrijker dan doortastendheid op bestuurlijk vlak. In feite wordt ook de ingangsdatum van 1 april niet gehaald. Dat weten de lokale overheden en politiemensen. Politiek mag dit echter niet meer geweten zijn. Dit heeft als concreet gevolg dat alle betrokkenen niet met een ingangsdatum zullen worden geconfronteerd, maar met een aantal "ingangsmaanden". We houden ons hart vast voor wat dit zou kunnen betekenen voor de veiligheid van de bevolking.

Mevrouw Clotilde Nyssens (PSC). - Ik spreek nu namens onze fractie. Het tactloze aanpassen van de Grondwet aan een koninklijk besluit heeft ons weliswaar geschokt, maar uiteindelijk kunnen we het resultaat, namelijk de bevoegdheidsverdeling tussen de wetgevende en de uitvoerende macht wel verdedigen.

Het dringende karakter van deze grondwetswijziging is te wijten aan de aanzienlijke vertraging die de regering heeft opgelopen in de uitwerking van de politiehervorming. Ze heeft laattijdig ingezien dat het mammoetbesluit over het statuut van de personeelsleden van de politie de bevoegdheden overschrijden die krachtens de Grondwet aan de Koning bij wet kunnen worden gegeven.

In plaats van sommige bepalingen uit dit mammoetbesluit in een wet te gieten, wil de regering nu de Grondwet wijzigen om de bevoegdheden van de Koning uit te breiden. De enige reden daarvoor is tijdsgebrek. Het nieuwe statuut moet immers vóór 1 april eerstkomend worden aangenomen. Dat is op zijn zachtst uitgedrukt onelegant. In het verslag over de wet tot wijziging van de wet van 7 december 1998, waarover de Kamer zich op dit ogenblik moet uitspreken, lees ik nochtans dat de voorziene datum voor de bepaling van het personeelsstatuut en de functie van sommige politieagenten drie maanden kan worden uitgesteld. Waarom moet enerzijds de deadline van 1 april absoluut worden behouden en kan er anderzijds voor sommige punten van de hervorming nog drie maanden worden gewacht?

Door deze spoedbehandeling hebben we een "juridische curiositeit" gecreëerd, namelijk verschillende soorten constitutionele bevoegdheden. De overgangsbepaling die we moeten goedkeuren, creëert immers bijzondere constitutionele bevoegdheden. De Grondwet geeft de Koning bevoegdheden die normaal de wetgever toekomen, voor een bepaalde duur en voor zover het besluit bij wet wordt bekrachtigd. Dat zijn toch wel speciale bevoegdheden.

De commissiewerkzaamheden, het constructieve werk van de democratische oppositie en een zekere openheid van de regering hebben de delegatie van bevoegdheden gelukkig beperkt. De bevoegdheidsdelegatie betreft alleen de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden en is beperkt in de tijd, en het statuut moet door het Parlement worden bekrachtigd.

Daardoor behoudt het parlement toch nog een democratische controle op de essentiële elementen van het statuut van de politiemensen. De grondwetgever stemt zich hiermee af op de Grondwetten van het merendeel van de democratische Europese staten, wat mij verheugt.

De uiteenzettingen van de vorige sprekers hebben mij anderzijds een gevoel van onbehagen gegeven met betrekking tot de nota die de regering heeft ingediend in antwoord op een amendement van de Vlaamse oppositie tot invoeging van een paragraaf in artikel 184 waardoor de bijzondere wetgever de volledige of gedeeltelijke regeling van de administratieve politie aan de gewesten of gemeenschappen kan toevertrouwen. Uit de nota blijkt dat dit amendement overbodig is aangezien de bijzondere wetgever deze bevoegdheid nu al aan de gemeenschappen en de gewesten kan toekennen.

Deze nota, die overkomt als een antwoord op het advies van de Raad van State over het voorontwerp van bijzondere wet tot regionalisering van de gemeentewet, heeft ons niet echt overtuigd, aangezien ze gebaseerd is op de tendentieuse interpretatie van de rechtspraak van het Arbitragehof en van artikel 19 van de wet van 8 augustus 1980. Blijkbaar volgt ook de commissie de redenering van de regering op dat vlak niet helemaal.

Bevendien wijken de verduidelijkingen die vice-eerste minister Vande Lanotte heeft gegeven, sterk af van wat in de regeringsnota wordt gezegd. Dit sterkt ons in onze overtuiging. De vice-eerste minister verklaart, dat in het nieuwe artikel 184 van de Grondwet, met de term "wet" effectief de federale wet wordt bedoeld en niet het decreet of de ordonnantie. Hij bevestigt aldus dat de Grondwet deze materie aan de federale wetgever heeft toegekend en dat ze bijgevolg niet door een bijzondere wet aan de gemeenschappen en gewesten kan worden overgedragen. De regering is van oordeel dat het amendement van de Vlaamse oppositie overbodig is, niet vanwege de - volgens ons erg beperkte - mogelijkheid van de bijzondere wetgever om voorbehouden materies aan de gemeenschappen en de gewesten over te dragen, maar omdat artikel 184 geen betrekking heeft op de administratieve politie. Dat is een juridisch correcte interpretatie.

Onze fractie is van oordeel dat de nota van de regering de regels inzake bevoegdheidsverdeling uit de Grondwet haalt. Materies zoals justitie, politie, territorium of nationaliteit zouden bijgevolg ook door een bijzondere wet kunnen worden geregionaliseerd. De nota kan in geen geval worden gebruikt bij de discussie over de regionalisering van de gemeentewet, op straffe van de impliciete herziening van artikel 162. Ik weet dat de heer Moureaux een andere kijk heeft op artikel 19 van de Bijzondere wet, maar ik wens onze interpretatie van de regeringsnota en van de verklaringen van de vice-eerste minister duidelijk te maken.

Ik kom dan bij de techniek van de bevoegdheidsverdeling. Uit de discussie bleek duidelijk de wil van sommigen om de bevoegdheid inzake politie te regionaliseren teneinde homogene bevoegdheidspakketten te creëren. De lokale administratieve politie is een eerste etappe. De tweede etappe is het geheel van de politie. De volgende etappe zal misschien de justitie zijn teneinde de coherentie te zekeren tussen justitie en politie. De regering laat de regionalisering van de administratieve politie open om stemmen te winnen van de Volksunie en eventueel van de CVP. Dit zou trouwens het voorwerp uitmaken van het akkoord De Gucht-Bourgeois. In het licht van deze interpretatie van de tekst stellen wij ons vragen bij het stemgedrag inzake de Lambermontakkoorden.

Ik kom nog even terug op de overgangsbepaling die volgens mij enigszins zou moeten worden geamendeerd. Deze bepaling geeft de koning de bevoegdheid om de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de geïntegreerde politiedienst vast te stellen en uit te voeren tot 30 april 2002. Op het eerste gezicht is die bepaling verantwoord. Na bezinning rezen er daarover echter vragen en heb ik een amendement van de CVP mee ondertekend. Als men het woord "uitvoeren" behoudt, onttrekt men de Koning zijn bevoegdheid om wettelijke bepalingen uit te voeren.

(Voorzitter: mevrouw Sabine de Bethune, eerste ondervoorzitter.)

Ik vind dit jammer omdat de minister daardoor het risico loopt zijn algemene rol van uitvoerder van wetten niet ten volle te kunnen spelen. Ik nodig mijn collega's derhalve uit het technisch amendement dat wij daarover samen met de CVP terzake hebben ingediend, aandachtig te lezen.

Met betrekking tot de bevoegdheden die in artikel 184 aan de wet worden toegewezen, zijn we gerustgesteld We luisteren aandachtig naar wat verschillende partijen zeggen over het verband tussen artikel 184, artikel 162 en artikel 19 van de Bijzondere wet en over de conclusies die daaruit voor de regionalisering van de gemeentewet kunnen worden getrokken.

De heer Ludwig Caluwé (CVP). - De herziening van artikel 184 van de Grondwet vloeit voort uit het Octopus-akkoord, dat indertijd met acht partijen werd afgesloten. De toenmalige oppositie werd op volwaardige wijze bij deze belangrijke hervorming betrokken.

Het Octopus-akkoord legde de basis voor de noodzakelijke eenmaking van de politiediensten, zorgde ervoor dat de lokale en de federale politie beter op elkaar werden afgestemd en maakte een einde aan de concurrentie tussen de politiediensten zowel op het federale als op het lokale niveau. In onderzoekscommissies is gebleken hoe rijkswacht en politie elkaar beconcurreerden en daardoor de bestrijding van de misdaad verwaarloosden. Op het lokale vlak merkten we dat zowel rijkswacht als politie instonden voor de basispolitiezorg en vaak dubbel werk verrichten, terwijl andere belangrijke opdrachten bleven liggen.

We hebben dat destijds gezamenlijk gedaan, maar hebben nadien moeten vaststellen dat met het aantreden van de nieuwe regering, de samenwerking tussen meerderheid en oppositie ophield te bestaan. Men had de oppositie niet meer nodig. Ze werd nog nauwelijks bij de uitvoering van de hervorming van de politiediensten betrokken.

Tot men plots vaststelde dat deze hervorming niet kon worden doorgevoerd tenzij men het overgrote gedeelte ervan bij wet regelde, ofwel artikel 184 van de Grondwet werd gewijzigd. Daarvoor had men de oppositie wel nodig, zodat men opnieuw wilde praten. Tenminste, die indruk hadden wij. We hebben gesprekken gevoerd. Maar ik moet vaststellen dat we nog geen ernstig antwoord hebben gekregen en men een richting uitgaat die we niet wensen en die niet strookt met het Octopus-akkoord.

Ik wil onze belangrijkste desiderata nogmaals naar voren brengen. Daarvan maken wij onze positieve stem afhankelijk. Allereerst willen we dat deze politiehervorming voor de gemeenten, die destijds voldoende in hun politiediensten investeerden, niet tot extra uitgaven leidt.

De regering is zeer gul geweest in de onderhandelingen over het statuut. Ze heeft veel zaken afgekocht waardoor de kostprijs te hoog is opgelopen. De gemeenten moeten hier nu voor opdraaien, vooral de Vlaamse gemeenten. Er komt immers een nieuw solidariteitssysteem. We hebben reeds interpersoonlijke en intergewestelijke solidariteit via de sociale zekerheid en de financieringswet. Nu komt er ook intergemeentelijke solidariteit omdat de federale overheid de kosten niet op zich wil nemen. De gemeenten, die reeds vroeger hun plicht en soms meer hebben gedaan zodat de federale overheid en de rijkswacht niets moesten investeren, moeten nu solidair zijn zodat gemeenten die in het verleden te weinig hebben gedaan hun achterstand kunnen inhalen.

Hierbij vloeit de solidariteitsstroom overwegend van het noorden naar het zuiden. Uit een herberekening van de federale dotatie blijkt dat het voor Vlaanderen gaat om 49%, voor Brussel 16% en voor Wallonië 35%. We kunnen dit niet aanvaarden en wensen een verdeling op basis van de gewestelijke verdeelsleutel zodat de middelen binnen de gewesten evenwichtig kunnen worden verdeeld.

De regering wil haar solidariteitssysteem behouden. Ik hoop niet dat ze er bij het opstellen van de norm vanuit is gegaan dat de politiebehoeften in Vlaanderen kleiner zijn. Dit zou een zeer kortzichtig standpunt zijn. In vele landelijke gemeenten, zoals in de Kempen, rijst de vraag naar een verhoogde politie-inzet. Er is een verschuiving in de misdaad en vele Kempense gemeenten worden met een inbraakgolf geconfronteerd. Vroeger kon één rijkswachtcombi alle nachtelijke oproepen beantwoorden. Nu zijn twee tot drie interventieteams nodig om preventief op te treden en om deze plaag aan te pakken. Al deze gemeenten zullen bovenop de inspanningen die ze reeds hebben gedaan om de norm te halen, bijkomende inspanningen moeten doen. Ze zullen bijkomende politiemensen moeten aanwerven. Hiervoor krijgen ze een onvoldoende groot aandeel vanwege de federale overheid.

Een tweede probleem is de afwezigheid van voldoende Nederlandstaligen in de Brusselse politieraden. Toen het Octopus-akkoord werd afgesloten, waren de plannen voor de eenmaking van de Brusselse politiediensten nog niet gekend. Er was sprake van één grote politiezone, waarvoor veel te zeggen is. Uiteindelijk werd voor zeven zones gekozen met elk een gekozen politieraad. Die raden zijn ondertussen verkozen en nu blijkt dat het aantal Nederlandstalige leden telkenmale lager is dan het al geringe aantal Nederlandstaligen in de gemeenteraden.

Men zou kunnen zeggen dat dit alles niet geregeld moet worden, omdat er wel voor zal worden gezorgd dat de twee gemeenschappen in de politieraden in Brussel op zijn minst in evenredige mate vertegenwoordigd zijn. Dat is echter niet het geval. Systematisch komt men immers steeds op een lager cijfer uit, hoewel 16% van de federale dotatie naar Brussel-hoofdstad gaat.

Er zijn argumenten te over die ervoor pleiten dat de hoofdstad extra gefinancierd wordt omwille van een aantal veiligheidsproblemen, maar dan moet het karakter van de hoofdstad ook in de politieraden van de negentien gemeenten worden gerespecteerd. Brussel is immers de hoofdstad van Nederlandstaligen en Franstaligen, waardoor beide gemeenschappen vertegenwoordigd moeten worden in de politieraden. Jammer genoeg is dit nog steeds onvoldoende het geval. Als dit niet spontaan gebeurt of via overleg kan worden bereikt, moeten hiervoor wettelijke garanties worden ingebouwd.

Een derde relatief communautair element is vervat in het amendement dat ertoe strekt veiligheidsbepalingen in te bouwen in dit Grondwetsartikel. Artikel 184 van de Grondwet luidt als volgt: "De organisatie en de bevoegdheid van de rijkswacht worden door een wet geregeld". Dit artikel dateert uit de negentiende eeuw, toen er nog geen sprake was van gewesten en gemeenschappen, wat betekent dat de Grondwetgever de wetgever bedoelde, zonder onderscheid tussen federale overheid en gewesten.

De nieuwe bepalingen van dit artikel houden rekening met de gewesten en de gemeenschappen, vermits daarin wordt bepaald dat de wetgever de politie in het algemeen regelt, dus zowel de federale als de lokale politie.

Ik ben voorstander van een flexibele interpretatie van de Grondwet, omdat die nu eenmaal moeilijk te wijzigen is. Ik stel evenwel vast dat anderen - denk maar aan het recent advies van de Raad van State bij artikel 162 - de Grondwet stringent interpreteren. In dat geval moeten voldoende veiligheidsgaranties worden ingebouwd om negatieve interpretaties in de toekomst te vermijden.

Het gevaar is groot dat door het bepalen dat de federale wetgever de lokale politie in haar geheel regelt, wordt ingewerkt op materies en bevoegdheden die inmiddels aan de gewesten werden toevertrouwd. Door de goedkeuring van de herziening van artikel 184 van de Grondwet worden ze in de feiten geherfederaliseerd. Het gevaar is dan ook groot dat er terzake heel wat arresten en adviezen zullen komen.

Mijnheer Vankrunkelsven, had u hetzelfde gezegd als ik, dan zou ik dat niet zo uitdrukkelijk moeten zeggen.

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Ik zal voor u applaudisseren.

De heer Ludwig Caluwé (CVP). - Dat is heel vriendelijk.

De heer Luc Van den Brande (CVP). - Het verschil is dat de heer Caluwé argumenten heeft.

De heer Ludwig Caluwé (CVP). - Zoals ik zei, bestaat het gevaar dat we bevoegdheden die we met de bijzondere wetten naar de gewesten hebben overgeheveld, nu de facto met één stemming herfederaliseren.

Ten tweede heb ik gelezen dat er een akkoord was tussen de heer De Gucht en de heer Bourgeois om belangrijke onderdelen van de bestuurlijke politie over te dragen aan de gewesten. Als dat de bedoeling is, moet daarvoor in dit grondwetsartikel ruimte worden gecreëerd. In het akkoord was er bijvoorbeeld sprake van de regionalisering van de bevoegdheden in verband met verkeersveiligheid. Lokale politiemensen vervullen op dit terrein belangrijke taken. Wordt dit nu in dit grondwetsartikel geregeld of wordt het grondwetsartikel in de loop van de legislatuur nog eens gewijzigd? Persoonlijk ben ik van oordeel dat het mogelijk moet zijn een artikel dat voor herziening vatbaar is verklaard, meermaals in eenzelfde legislatuur te wijzigen. Ik stel echter vast dat alle handboeken van publiek recht - of het nu het handboek van André Alen of van Vande Lanotte is - verklaren dat een grondwetsartikel in een bepaalde legislatuur slechts één keer kan worden herzien. Indien we vandaag artikel 184 van de Grondwet wijzigen, dan zal het tot na de volgende verkiezingen duren vóór nieuwe wijzigingen mogelijk zijn, op voorwaarde uiteraard dat het opnieuw voor herziening vatbaar wordt verklaard. Dat moeten we zeer goed beseffen.

Derde en laatste reden waarom ons amendement nog steeds belangrijk is: onze Grondwet is bijzonder moeilijk te wijzigen. Volgens mij zijn we nog niet toe aan de laatste stap in de staatshervorming, ook al wordt het met het akkoord dat nu is gesloten, bijzonder moeilijk onderhandelen over eventuele verdere stappen. Laten we echter de deur niet helemaal sluiten en nu al de mogelijkheid inbouwen om de bestuurlijke politie geheel of gedeeltelijk te regionaliseren, zodat dat gemakkelijk kan worden verwezenlijkt op het ogenblik dat er een meerderheid voor is.

Ik vond het essentieel even op deze enkele bedenkingen in te gaan, omdat we op deze punten tot nog toe onvoldoende antwoorden hebben gekregen, net zoals op de punten die mevrouw De Schamphelaere heeft aangekaart. We hopen nog altijd dat we vóór de stemming een voldoende antwoord zullen krijgen en het staat de Senaat nog altijd vrij ons amendement goed te keuren. Het ontwerp dat nu ter stemming ligt, is voor de CVP echter onvoldoende.

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Zoals de heer Vandenberghe zegde, is een herziening van de grondwet altijd een belangrijk moment. Ik kan echter kort zijn. In de commissie voerden we immers een diepgaand debat waardoor de oorspronkelijke regeringstekst werd verbeterd.

Het verslag is uitstekend, volledig en precies. De heren Moureaux, Vandenberghe en Vankrunkelsven hebben belangrijke elementen aangebracht.

Ik ga akkoord met de heer Moureaux dat een herziening van de grondwet noch een foto, noch een schilderij is, maar veeleer een filmopname die een leven in evolutie consacreert.

Een eerste element betreft de wijziging van de terminologie. De verdwijning van de rijkswacht uit ons politielandschap en onze grondwet, waarmee ze sinds de oprichting van België was verbonden, is een belangrijke gebeurtenis. Ik begrijp dat dit een droevig moment is voor hen die verknocht waren aan haar manier van werken.

Maar de wijziging in de terminologie reikt verder. Ze bekrachtigt het bestaan van een geïntegreerde politie op twee niveaus. Dat moet hen, waaronder ikzelf, die de oprichting van een eenheidspolitie vreesden, geruststellen. De tekst van de grondwet verankert de garanties terzake, terwijl de gehanteerde formule een aantal evoluties en aanpassingen mogelijk maakt.

Deze grondwetsherziening is ook belangrijk omdat sommigen sinds de wet van 1998 een grondwettelijk probleem opwierpen. Dat betreft vooral die wet zelf, meer dan het zogenaamde mammoetbesluit dat slechts de uitvoering is van de wet van 1998.

Ik ben het niet eens met het advies van de Raad van State, maar het was nuttig een einde te maken aan die juridische controverse om latere betwistingen te voorkomen.

Het verheugt me dat het debat over de grenzen van meerderheid en oppositie heen verliep. Als het gaat om zo belangrijke problemen, mogen er geen kunstmatige en voorlopige grenzen worden getrokken. De dialoog die begon met de Octopusakkoorden en die nooit onderbroken had mogen worden, is opnieuw geopend.

Ik wil de polemiek met de Raad van State niet opnieuw beginnen, maar we zijn bereid om de reeds uitgebreide lijst van statutaire bepalingen in de wet van 7 december 1998 aan te vullen, steunend op de rechtspraak van het Arbitragehof. Daarom bepaalt de tweede zin van het voorgestelde artikel 184 dat de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de geïntegreerde politiedienst bij de wet worden geregeld. De uitdrukking "essentiële elementen van het statuut" wordt door het Arbitragehof gebruikt in het arrest nr. 134/99 van 22 december 1999 in de overweging B. 6.1.

Om het intense werk van de laatste maanden niet verloren te laten gaan, mag de Koning bij wijze van overgangsmaatregel en zonder de rechten van het personeel in gevaar te brengen, die essentiële elementen vaststellen en uitvoeren, op voorwaarde dat het koninklijk besluit bij de wet wordt bekrachtigd vóór 30 april 2002.

Op deze wijze wordt rekening gehouden met de bezorgdheid van de regering en van de Raad van State. De bepaling geeft een grondslag aan de wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende de geïntegreerde politiedienst. Zoals de heer Moureaux in de commissie zegde, garandeert de wet een aantal principes - dat is essentieel omdat de politie niet met gewone ambtenaren werkt - maar ook een zekere soepelheid omdat sommige statutaire bepalingen bij besluit zullen kunnen worden geregeld. Dat is wenselijk in een snel veranderende wereld.

Deze grondwetsherziening maakt het de grondwetgever ook mogelijk te antwoorden op vragen aangaande de interpretatie die men moet geven aan het begrip "wet" in de grondwet.

Dit debat maakt duidelijk wat tot de bevoegdheid van respectievelijk de grondwetgever, de bijzondere wetgever, de federale wetgever en de decreet- en ordonnantiegever behoort. De federale wetgever bepaalt de organisatie, de bevoegdheden en de essentiële statutaire bepalingen van de politiediensten.

Niet enkel de politieambtenaren maar ook de burgers wachten op het einde van deze fase van structurele hervormingen.

De datum van 1 april is zeer belangrijk. Aan mevrouw Nyssens kan ik antwoorden dat de periode van drie maanden om het statuut te kiezen door de wet zal worden verlengd. De vertraging is te wijten aan het laattijdig advies van de Raad van State. Die was reeds in oktober vorig jaar om advies gevraagd. Die verlenging is belangrijk want volgens de huidige wettelijke bepalingen verliezen de agenten het voordeel van bepaalde maatregelen als de keuze niet vóór 1 april is gemaakt.

Het nieuwe statuut zal op 1 april van kracht worden, maar de agenten behouden gedurende drie maanden de mogelijkheid om tussen het oude en het nieuwe statuut te kiezen.

De invoering van het statuut toont aan dat de hervorming niet meer kan worden teruggedraaid. De federale politie is opgericht. De statuten worden van kracht en op het einde van dit jaar zullen de lokale politiediensten worden opgericht. Vanaf 1 januari van volgend jaar kunnen we ons dan bij voorrang bezighouden met de veiligheidsproblemen.

Deze ochtend heeft het overlegcomité tussen de federale regering en de gewesten nog een groot aantal samenwerkingsakkoorden goedgekeurd, waarvan ik er twee noem. Het ene gaat over de financiering en neemt integraal over wat werd overeengekomen met de Verenigingen van Steden en Gemeenten en goedgekeurd door de regering. Het andere heeft tot doel conflicten inzake het administratief toezicht te voorkomen. De prerogatieven van de gewesten inzake het algemeen administratief toezicht en die van de minister van Binnenlandse Zaken inzake het bijzonder administratief toezicht over de politiediensten worden behouden.

Deze ochtend werden ook nog het sociale onderdeel en het pensioenstelsel verduidelijkt. Wij wensten een systeem dat perfect past bij de realiteit.

Alle dagen stelt men me belangrijke vragen. Ook in de Senaat is dat gebeurd. Ik heb op de vragen van de VU en de CVP geantwoord, zoals ik op de vragen van alle andere fracties heb geantwoord.

Inzake de financiering zitten we met de erfenis van de structuur van de gemeentepolitie en de rijkswacht. De laatste was meer aanwezig in landelijke dan in stedelijke gebieden. We hanteren voor de verdeling van de financiële middelen een objectief systeem dat steunt op een studie van de KUL. Die studie houdt rekening met objectieve parameters zoals de bevolking, de socio-economische situatie van de gemeente en de criminaliteit. Deze hervorming brengt voor de eerste maal enige orde in de federale financiering op basis van objectieve criteria.

Men heeft het probleem van de gerechtelijke bevoegdheden aangehaald. We willen niet zuiver theoretisch beslissen over Brussel. We hebben beslist om op lokaal vlak een overlegstructuur op te zetten waarbij de gerechtelijke instanties, de politie en de burgemeesters worden betrokken om duidelijk af te lijnen wat moet en wat kan worden gedaan en om misbruiken vanwege de gerechtelijke instanties te voorkomen.

Voor de opleiding is alles klaar. Een wervingsprocedure wordt voorbereid. Ze zal in september van dit jaar concrete vormen aannemen.

Voor de informatie van alle betrokkenen werden zeer belangrijke inspanningen geleverd. Zij zullen nog worden versterkt. We zullen de adviesraad van burgemeesters alle middelen geven zodat die zijn rol kan spelen. Dat gebeurt niet enkel in de vorm van personeel van Binnenlandse Zaken, maar ook via contracten met de Verenigingen van Steden en Gemeenten.

De stap die we nu zetten, is zeer belangrijk. Ik dank al degenen die de grondwetsbepaling zullen goedkeuren en daardoor niet alleen zeer belangrijke verduidelijkingen mogelijk maken, maar ook bijdragen aan de inwerkingtreding van de politiehervorming in rechtszekere omstandigheden.

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - De heer Moureaux zegt dat ik de grondwet lees als een foto of een schilderij en dat hij het liever heeft over een filmbeeld. Als we spreken over de foto of de schilderij, dan gaat het over de interpretatie van de Grondwet. De Grondwet wijzigen heeft evenwel een totaal andere draagwijdte. Ik neem aan dat de meerderheid een wijziging van de Grondwet als een film, als een cinema beschouwt. We kennen natuurlijk niet de kwaliteit van de cinema die wordt opgevoerd.

Ik wens één essentiële opmerking te maken. Als we voor het oplossen van een probleem de keuze hebben tussen een bepaling toe te voegen in de Grondwet en een bepaling te regelen in een bijzondere wet, waarom kiezen we dan niet voor de meest zekere oplossing? Indien we de grondwettelijke weg volgen, dan is de bepaling niet aanvechtbaar voor het Arbitragehof. Ze is grondwettelijk verankerd, niet vatbaar voor toetsing en er is geen enkel juridisch risico. Wanneer we de andere weg volgen, dan nemen we wel een juridisch risico. Op de eerste plaats omdat constitutionele bezwaren zullen kunnen worden aangehaald, zeker voor artikel 162 van de Grondwet. Daarenboven zullen we bij de lezing van de bijzondere wet moeten onderzoeken wat de werkelijke draagwijdte is van de overgedragen bevoegdheden. Het kan zijn dat we tijdens de discussie vaststellen dat er bevoegdheden worden overgedragen die betrekking hebben op artikelen van de Grondwet die we niet gewijzigd hebben of waarvoor we de gelegenheid hebben laten voorbijgaan om die mogelijkheid te openen.

De Senaat, de reflectiekamer, zal moeten kiezen tussen risicovol en risicoloos gedrag. Ik pleit voor risicoloos gedrag. Het amendement dat ik heb ingediend, biedt een uitweg voor de problemen, die artikel 162 van de Grondwet naar mijn oordeel niet biedt.

-De bespreking is gesloten.

Bespreking van het enig artikel

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden, zie stuk 2-657/4.)

De voorzitter. - Het enig artikel luidt:

De heren Vandenberghe en Caluwé hebben amendement nr. 7 ingediend (zie stuk 2-657/5) dat luidt:

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Dit amendement is reeds uitvoerig toegelicht; hopelijk zijn de leden van de Senaat van de juistheid ervan voldoende overtuigd.

De voorzitter. - De heer Vandenberghe, mevrouw Nyssens en de heer Caluwé hebben amendement nr. 14 ingediend (zie stuk 2-657/6) dat luidt:

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Ik wil met alle plezier de competentie van de CVP-fractie ter beschikking stellen van de regering en erop wijzen dat de opdrachten van de Koning juridisch onnauwkeurig geformuleerd zijn. Het amendement brengt in feite een zuiver technische verbetering aan. Aangezien de regering snel en vooral efficiënt wil werken, leveren wij met dit amendement een bescheiden bijdrage aan die doelstelling. Dat kan namelijk verhinderen dat we achteraf worden geconfronteerd met procedures bij de Raad van State tegen besluiten van de Koning.

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Ik dank de heer Vandenberghe voor zijn bijdrage, maar dit is reeds besproken in de commissie en we hebben de formule gekozen die hijzelf in de commissie heeft voorgesteld. Ik denk dat ze alle garanties biedt.

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - De minister heeft volkomen gelijk, maar de auteur van de tekst is toch de eerste die zijn vergissing inziet. Daarom heb ik het amendement ingediend.

-De stemming over de amendementen wordt aangehouden.

-De aangehouden stemmingen en de stemming over het enig artikel hebben later plaats.

Evaluatie van het preventie- en veiligheidsbeleid van de regering (Stuk 2-669)

Bespreking

De heer Mohamed Daif (PS), rapporteur. - De politiehervorming bevat een belangrijk onderdeel dat gewijd is aan de veiligheids- en preventiecontracten, waarvoor respectievelijk 2 miljard 280 miljoen frank en 212 miljoen frank worden vrijgemaakt.

Om te weten wat met deze contracten zal gebeuren, heeft de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden op 20 februari 2001 de vast secretaris voor het Preventiebeleid, de heer Van de Vloedt, gehoord.

Die heeft de historiek van het preventiebeleid geschetst, sinds het ontstaan in het begin van de jaren tachtig. In 1992 werd het contractueel beleid ingevoerd waarbij de Staat, de gewesten en de gemeenten zijn betrokken. Een instelling overkoepelt dit preventiebeleid: het Vast Secretariaat voor het Preventiebeleid dat afhangt van het ministerie van Binnenlandse Zaken.

Veiligheidscontracten omvatten een gedeelte "politie", een gedeelte "preventie", een gedeelte "drugs" en soms ook een gedeelte "justitie", terwijl preventiecontracten tot het gedeelte "preventie" zijn beperkt.

De minister van Binnenlandse Zaken heeft op 20 februari 2000 een evaluatie van de 29 veiligheidscontracten en de 46 preventiecontracten gevraagd. Hieruit bleek hoe belangrijk de rol is van de lokale overheden, die op het kruispunt staan van de repressieve en preventieve aanpak. De evaluatie toonde ook aan dat een cultuur van partnership moet worden opgebouwd tussen de lokale overheden, de diensten van de steden en de verschillende verenigingen. Ook de slechte werking van de Adviesraad voor de preventie werd onderstreept.

Op één vlak zijn de contracten wel een succes: ze hebben de politie en de preventiediensten doen samenwerken.

Na de uiteenzetting van de heer Van de Vloedt was er een gedachtewisseling waarin meerdere commissieleden het belang en het nut van de veiligheids- en preventiecontracten onderstreepten. Ze waren bezorgd over de toekomst van de contracten, in het bijzonder de preventiecontracten, binnen het kader van de politiehervorming op twee niveaus. Ze wensen een snel en duidelijk antwoord van de minister.

Eén lid wees op het belang van de contracten en van het behoud van de samenwerking in de preventie met respect voor de deontologie. Hij meende dat de bevoegdheid voor het preventiebeleid niet van de gemeenten naar de politiezones mag worden overgeheveld.

Een andere senator onderstreepte dat aan de personen die binnen het kader van de contracten zijn tewerkgesteld uitzicht moet worden geboden op interessante en duurzame tewerkstelling zodat de opgebouwde kwaliteit kan worden bewaard.

Een senator wil weten op basis van welke criteria de veiligheids- en preventiecontracten worden toegewezen.

De leden van de commissie waren van oordeel dat het preventiebeleid een gemeentelijke bevoegdheid moet blijven en in sommige gevallen zonaal of zelfs interzonaal kan zijn.

Sommige senatoren hebben vragen gesteld over de medefinanciering door de gewesten en over de kwantitatieve en kwalitatieve evaluatie van de contracten.

De heer Van de Vloedt antwoordde dat de veiligheids- en samenlevingscontracten, althans wat het hoofdstuk "preventie" betreft, alsnog continuïteit nastreven met de bedoeling dat de plaatselijke besturen ze beheren. Hij wijst erop dat de preventiecontracten slechts preventief zijn.

De uitwerking van de preventiecontracten hangt af van de plaatselijke overheden en gebeurt op hun vraag aangezien de gemeentebesturen een geïntegreerd preventieproject hebben voorgedragen. Toen sommige gemeenten in 1992 wegens de lokale situatie hiertoe werden aangespoord, hebben sommige niet gereageerd of hebben ze voorstellen gedaan die het tegenovergestelde van de veiligheidscontracten beoogden.

Wat de medefinanciering betreft, wijst de heer Van de Vloedt erop dat het Brussels en het Waals Gewest bijna 300 miljoen bijdragen. Vlaanderen wil niet zonder meer bijdragen.

Hij erkent dat er een oplossing moet komen voor de toekomst van de contracten. Sommige gemeentelijke verantwoordelijken hebben preventiepersoneel dat reeds meer dan vijf jaar in dienst is; hun arbeidsovereenkomst had eigenlijk al moeten opgezegd zijn. De heer Van de Vloedt wordt hierover dagelijks door de preventiewerkers aangesproken.

Tot besluit van dit debat doet de commissie de regering vier aanbevelingen.

Ten eerste moet het preventiebeleid een van de regeringsprioriteiten blijven op het vlak van veiligheid en preventie. Sinds bijna tien jaar zijn er dankzij de veiligheids-, samenlevings- en preventiecontracten acties tot stand gekomen die bijgedragen hebben tot het afremmen van de criminaliteit.

Ten tweede moet het Vast Secretariaat voor het Preventiebeleid onder de bevoegdheid van de minister van Binnenlandse Zaken blijven. Er dient aan herinnerd te worden dat de veiligheids- en samenlevingscontracten van het begin af aan zowel een preventief als een repressief aspect inhielden. De minister van Binnenlandse Zaken heeft altijd toezicht gehouden op het preventieve aspect teneinde de samenhang te bevorderen tussen de acties van de nieuwe geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, en de acties die voortvloeien uit de nieuwe preventiecontracten. Dit sluit coördinatie niet uit met andere ministers, zoals die van Volksgezondheid en die van Maatschappelijke Integratie.

Ten derde moeten de middelen voor het preventiebeleid in de toekomst worden opgetrokken. Hierdoor zou men nieuwe preventieprojecten kunnen opzetten, die onmisbaar zijn nu er nieuwe soorten criminaliteit opduiken. Het burgerlijk personeel van het politieaspect van de veiligheids- en samenlevingscontracten kan bogen op een opmerkelijke deskundigheid en verdient hierom een stabiel en duurzaam statuut. Er dient snel een beslissing te komen voor de personeelsleden van wie de arbeidsovereenkomst ten einde loopt.

Ten vierde moet er op gezette tijden een kwantitatieve en kwalitatieve evaluatie plaatshebben.

De aanbevelingen werden eenparig aangenomen door de acht aanwezige leden.

Ik spreek nu in eigen naam. De veiligheidsheid-, samenlevings- en preventiecontracten zijn zeer belangrijk voor het sociaal beleid.

Ze hebben ongetwijfeld bijgedragen tot meer veiligheid in de betrokken gemeenten.

De preventiecontracten hebben een uiterst belangrijke preventieve rol: straatwerkers, sportanimatie, culturele bezoeken... Zowel de plaatselijke verantwoordelijken als de medewerkers zijn bezorgd over de toekomst van de contracten. Dit beleid moet een gemeentelijke bevoegdheid blijven.

De minister heeft de voorzitter van de commissie schriftelijk gemeld dat de contracten tot 31 december 2001 zullen worden verlengd. Wat zal er na die datum gebeuren?

De minister schreef ook dat de gemeenten een handleiding ontvangen. Ik zou de inhoud van dit document graag kennen.

De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Tot enkele jaren geleden werd in de Senaat en elders luidkeels verkondigd dat er enkel een subjectief gevoel van onveiligheid was, dat schandelijk werd opgeklopt door één politieke partij. Vandaag wordt aan de bezorgdheid van het Vlaams Blok tegemoet gekomen door grote veiligheidscampagnes op te zetten, met miljardenbudgetten voor lokale en federale politie-eenheden, veiligheidscontracten, preventiecontracten en zelfs met een Nationaal Veiligheidsplan 2001.

Wie niet van gedacht kan veranderen is dom, dus verwelkom ik graag al de collegae die vandaag de onveiligheid ontdekken die de burger al jaren geleden aan den lijve heeft vastgesteld.

Vermits er teveel aandacht naar de politie zou kunnen gaan en die extra aandacht zou kunnen tegemoet komen aan de vraag van het Vlaams Blok, de partij die het probleem als eerste aankaartte, werden wollige statuten gecreëerd in het raam van de preventie- en veiligheidscontracten. Ik heb mij de moeite getroost - alle senatoren die gemeenteraadsleden zijn kunnen hetzelfde doen - om de invulling van die contracten onder de loep te nemen en een lijstje te maken van de verschillende statuten die in de projectomschrijvingen in het raam van de preventie- en veiligheidscontracten voorkomen. Er zijn niet meer agenten, maar wel meer preventiewerkers, veiligheidsambtenaren, buurtwerkers, straathoekwerkers, pleintoezichters, parkwachters, hulpagenten, projectleiders, multiculturele coördinatoren, participatieorganisatoren, basiswerkers, netwerkers, multidisciplinaire terreinwerkers, wrevelagenten, interculturele teamwerkers, wijktoezichters, flatwatchers, fancoachers, schoolpoortgespreksleiders en ecostraathoekwerkers. Er zijn ook mobiele straathoekwerkers die zich onderscheiden van de standplaatsstraathoekwerkers door zich van straathoek naar straathoek te begeven. Tot slot zijn er straathoekassistenten die, mits ze de juiste partijkaart hebben, een fantastische carrière kunnen afronden en eindigen als volwaardig straathoekwerker. Al deze nepagenten zorgen enkel voor totale ondoorzichtigheid.

De burger heeft geen enkele boodschap aan de politiek correcte visie die het inzetten van meer agenten verwerpt. De burger wil enkel meer veiligheid en wil een agent kunnen herkennen en vooral ter hulp kunnen roepen.

Het is meer aangewezen al de middelen die nu voor de nepstatuten worden uitgetrokken, structureel toe te wijzen aan de gemeenten om aan te wenden voor hun eigen veiligheidsbeleid. Ik pleit niet voor een vermindering van de middelen. Vandaag hebben de aanvragers van de middelen voor de nepagenten - als voormalig gemeenteraadslid weet ik waarover ik spreek - vooral oog hebben voor de normen van de toekenning van die middelen, in plaats van voor de besteding ervan. Hun aanvragen zijn pareltjes van de juiste invulling van de juiste kolommetjes, de juiste cijfertjes, de juiste projectomschrijvingen. Voor het opstellen van die aanvragen - niet om ze uit te voeren - worden personeelsleden voltijds ingezet, ten koste van het operationele kader.

Dat de projectomschrijvingen volkomen onleesbaar zijn, zal de indieners en de ontvangers een zorg zijn: als het maar politiek correct is, en vooral niet toegeeft aan de roep van de burger naar meer politie. Ik beperk mij tot één citaat uit een omschrijving van een project dat voor miljoenen werd gesubsidieerd: "De multiculturele participatieorganisatoren van SAM streven naar samenwerking met CHABAB teneinde het al te verkokerende denken van enkele interculturele basisschakelaars om te buigen naar een anticipatorische en anti-racistische aanpak zoals we die zien groeien bij CHARABANG, waarbij we wel aanstippen dat deze laatsten beschikken over twee multiculturele, para-professionelen die tevens multidisciplinair werken". De indieners van dit project hebben onmiddellijk preventiegelden gekregen. Het belang van de burger is manifest totaal ondergeschikt aan het belang van de bedienden die betaald worden voor het indienen van projectvoorstellen en subsidieaanvragen.

Ik wil nu even heel concreet worden. Toen ik gisteravond in Borgerhout mijn wagen parkeerde om twintig meter verder om de hoek een brief in de bus te steken, hoorde ik mijn autoalarm afgaan. Ik had mijn auto nauwelijks twee minuten verlaten en er was een ruit uitgeslagen om mijn aktentas en al mijn papieren weg te grissen.

Op dat ogenblik was er van de honderden nepagenten, waarvan ik het statuut hier heb beschreven, geen enkele in de omgeving aanwezig. Geen enkele paraprofessioneel was ter plaatse om multidisciplinair tussen te komen. Er waren alleen maar burgers die de daders hadden gezien en die mij afraadden om naar de politie te gaan: "Als u aan de politie gaat verklaren wat wij u nu vertellen, namelijk dat de daders jonge Noord-Afrikanen waren, dan komt er morgen een buurtwerker bij u aankloppen om u diets te maken dat u zich te racistisch opstelt."

Dat is het gevolg van het inzetten van talloze nepagenten, buurt- en straathoekwerkers: de burgers zijn aangifte-moe. Ze doen niet langer aangifte omdat ze vrezen geconfronteerd te worden met nepstatuten. Zo lang de ondoorzichtige contractenpolitiek die houding van de burger blijft aanmoedigen, zal er niets veranderen.

In tegenstelling tot wat in de eerste aanbeveling van deze evaluatienota wordt vermeld, blijven de criminaliteitscijfers stijgen. Die stijging is niet te wijten aan het beter bijhouden van de statistieken en evenmin aan een toename van de aangiftebereidheid.

De criminaliteitscijfers stijgen, omdat de criminaliteit toeneemt. Vooral de steden worden onveiliger, maar ook de buitensteedse gebieden delen voortaan in de klappen. Denk maar eens aan de car- en homejackings.

Wat doen de parlementsleden? Wij maken evaluaties, organiseren hoorzittingen en voeren politieke nummertjes op, vooral als er een camera in de omgeving is. Wat doet de regering? De regering zit evenmin stil: zij schrijft krachtlijnen, zet krijtlijnen uit, stelt prioriteitenlijsten op, en werkt doelstellingen uit. Wat ziet de burger? De burger ziet niets.

Eén van de doelstellingen van het nationale veiligheidsplan betreft de strijd tegen drugs. De u wel bekende "minister" De Ruyver bevalt van een drugstolerantienota. De burger hoort de minister van Justitie verklaren dat hij voortaan hard zal optreden tegen drugswinkels, terwijl de burgemeester, het hoofd van de politie, verklaart dat hij drugswinkels zal gedogen.

De burgers weten dat er wordt ingebroken, dat er autoruiten worden ingeslagen om aan geld voor drugs te geraken, maar de overheid stuurt verwarde signalen uit en laat alles bij het oude.

Ik heb niet het minste vertrouwen in de nepagenten. De ervaring in de betrokken buurten leert mij dat de burger mijn wantrouwen deelt. Ik heb het wel degelijk over de ervaring in de buurten, want in ministeriële studiebureaus worden de ministers alleen maar naar de mond gepraat en is het bijgevolg onmogelijk om terreinervaring op te doen.

Is het dan niet aangewezen om de politiebegroting structureel aan te passen en in de vereiste middelen te voorzien?

Er zouden nationale initiatieven kunnen worden genomen, voor zover preventie gemeentegrensoverschrijdend zou kunnen worden aangepakt, en dat is meer dan nodig want de criminaliteit trekt zich geen barst aan van gemeentegrenzen. Op dit ogenblik zijn er preventiefolders ter beschikking op de politiekantoren; de burger vindt die folders wanneer hij aangifte komt doen van de feiten. Die folders zouden toch beter preventief aan de burgers worden uitgedeeld, zodat zij vooraf kunnen leren hoe een diefstal kan worden voorkomen.

Aan criminelen van vreemde origine zou de nationaliteit moeten worden ontnomen, zodat ze kunnen worden teruggezonden naar hun land van herkomst. Dat zou pas een preventieve aanpak zijn, die recidive kan bemoeilijken.

Ik heb echter de professor gehoord die in de commissie voor de georganiseerde misdaad is komen betreuren dat een dergelijke maatregel weliswaar is aangewezen, maar wettelijk onmogelijk.

We zouden er beter aan doen met evalueren en vergaderen te stoppen. Doe er iets aan. Onze samenleving wordt van dag tot dag onveiliger en struisvogelpolitiek zal daaraan mijns inziens niets veranderen. Moeten wij de agenten die wij betalen om hun politiewerk te doen, nu eindelijk eens niet de vereiste middelen geven om dat ook echt te kunnen doen? Is dat niet de meest aangewezen manier om deze agenten die dagelijks hun fysieke integriteit riskeren om de burgers te beschermen, naar behoren te honoreren?

Ik denk dat meer politie op straat aan het einde van de rit de enige uitweg blijkt te zijn. De andere fracties hebben ons jarenlang verketterd omdat wij het woord onveiligheid in de mond durfden te nemen. Vandaag geeft iedereen toe dat er wel degelijk onveiligheid heerst en dat de criminaliteit toeneemt. Op dezelfde manier zullen de andere fracties ons binnen enkele jaren achterna hinken in onze visie om de politie te steunen.

Mijn fractie zal de aanbevelingen alleszins niet goedkeuren.

(Voorzitter: de heer Armand De Decker.)

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - De minister wenst dat meer steden en gemeenten een preventie- en veiligheidscontract hebben. De middelen daarvoor moeten dan ook worden verhoogd. Hij kan hiervoor op onze steun rekenen. Een formule die op enigerlei wijze de huidige contracten zou beknotten, zou evenwel een slechte zaak zijn.

Er bestaat grote ongerustheid over de "drugsplannen". Voor ons moeten die plannen van de minister van Binnenlandse Zaken blijven afhangen. Het zou gevaarlijk zijn de daarvoor bestemde middelen over te hevelen naar andere ministeries. Wij zijn niet tegen overleg, zeker niet met de minister van Volksgezondheid. De filosofie achter de drugsplannen is evenwel niet dat de middelen worden overgeheveld naar verenigingen, maar dat binnen de steden, onder de verantwoordelijkheid van de administratieve overheden, zowel politie als sociale diensten op een gecoördineerde manier werken. Dit belangrijk gedeelte van de veiligheidscontracten moet nog worden verduidelijkt. Zij die verantwoordelijk zijn voor deze preventiecontracten willen op dat punt worden gerustgesteld.

Er kunnen verschillen zijn in het belang dat de twee gemeenschappen hechten aan het medische aspect van de bestrijding van drugsverslaving. De evaluatie daarover is alleen door de Universiteit van Gent gemaakt, niet die van Luik, zoals het de vorige jaren wel het geval was. Ik betreur dat.

Ik zou ook graag het tijdschema van de minister kennen. In een brief aan de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden heeft hij geantwoord dat de contracten zeker doorlopen tot het einde van het jaar. Dat is echter niet voldoende. In zijn brief heeft de minister trouwens gesteld dat hij die contracten duurzaam wil maken. Duurzaamheid veronderstelt meerjarenprogramma's en daarom zouden wij graag vandaag, indien mogelijk, verduidelijkingen krijgen over zijn tijdschema. Denk hij klaar te zijn tegen oktober? Of zal het debat binnen de regering in juni al zijn afgerond? Dat zou heel belangrijk zijn en ons enige verduidelijking geven.

(Voorzitter: de heer Jean-Marie Happart, ondervoorzitter.)

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Onderwerp van dit debat is de evaluatie van het preventie- en veiligheidsbeleid van de regering. Dat klinkt heel ambitieus, maar zonder bovenmatige verwachtingen, hoop ik toch dat de regering haar beleid niet zal beperken tot datgene wat we hierover kunnen lezen in de teksten en wat hierover is gezegd. Er wordt hoofdzakelijk verwezen naar de veiligheidscontracten, maar het probleem van de preventie en veiligheid heeft wel meer dimensies.

Het preventie- en veiligheidsbeleid van de regering zal maar slagen als het geloofwaardig is. Om geloofwaardig te zijn, moeten er duidelijke en heldere regels worden opgesteld. De burger moet weten wat toegelaten is; wat verboden is. Door het gedoogbeleid uit te breiden wordt het moeilijker om mensen te overtuigen van houding te veranderen.

De drugsnota van de regering heeft in de voorbije weken grote beroering veroorzaakt. Van het Nieuwe Testament zijn er maar vier lezingen want er waren maar vier evangelisten. Van de regeringsteksten bestaan helaas meer lezingen, want de regeringsleden zijn nu eenmaal met meer dan vier. Zo verschilt volgens mij de lezing van de drugsnota door de minister van Justitie nogal sterk van die van de minister van Volksgezondheid, met het gevolg dat de burger niet meer weet wat te denken. Mag het, of mag het niet. Dat is de enige vraag die de publieke opinie interesseert. Alle nuances daartussen zijn van generlei belang.

Een tijdje geleden werd een grote opiniepeiling georganiseerd om te weten wat de burger de belangrijkste verwezenlijk van de regering-Verhofstadt vond. Het meest voorkomende antwoord was de afschaffing van het kijk- en luistergeld. Welnu het kijk- en luistergeld is niet afgeschaft. De uitslag illustreert alleszins wat voor diffuus beeld de regering van zichzelf geeft. Wat het drugsbeleid betreft, weet de bevolking niet waaraan zich te houden, terwijl de eerste regel van preventie een duidelijke en begrensde gedragsregel is.

De wijze waarop zowel de huidige als de vorige regeringen de werkelijkheid tot nu toe hebben benaderd, is te mechanisch. Zij meenden dat de samenleving volgens het Pavlovprincipe werkt en dat de gedragingen van de bevolking door het uitlokken van een bepaalde reactie kunnen worden gestuurd. Op die manier wordt er een overgewicht toegekend aan de betekenis van de strafwet en het strafrechtelijk beleid.

Gisteren hadden we in de commissie voor de Justitie een interessante ontmoeting met de hoge magistratuur. In de loop van het gesprek rees de vraag wanneer het parlement er eindelijk mee zal ophouden elke week een nieuwe strafbepaling goed te keuren. Onze strafwet telt 15 000 strafbepalingen. De minister, die de Franse politiek zeer goed kent, herinnert zich wellicht de uitspraak van De Gaulle die zei dat iedereen gaullist is, of het althans ooit is geweest of zal worden. Deze redenering kan in België als volgt worden vertaald: Iedereen is een misdadiger, is ooit een misdadiger geweest of zal het onvermijdelijk worden. Het is onmogelijk in ons land te leven zonder de strafwet te overtreden. Een efficiënt preventie- en veiligheidsbeleid veronderstelt een duidelijk maatschappijbeeld. Het is meer dan het uitwerken van een politie- en justitieel beleid.

De cijfers wijzen uit dat de criminaliteit ongeveer gelijk blijft. De mogelijkheden om de criminaliteit in kaart te brengen, zijn vandaag veel meer verfijnd. We kunnen hierover evenwel pas een relevante uitspraak doen als we de sociale schade die vandaag door de criminaliteit wordt veroorzaakt, vergelijken met die van de jaren `60 en `70. Worden de problemen veroorzaakt door de toestand bij de politie en de magistratuur of zijn ze het gevolg van de gewijzigde maatschappelijke omstandigheden? Aangezien het blijkbaar onmogelijk is vat te krijgen op deze toestand, moet er een maatschappelijk debat worden gevoerd over de samenleving die we wensen en over de minimale garanties die moeten worden in acht genomen.

(Voorzitter: de heer Armand De Decker.)

In de Verenigde Staten zijn cijfers bekend over de invloed van de nultolerantie en van de doodstraf. De CVP pleit uiteraard niet voor de invoering van deze maatregelen. Met een louter mechanische reactie, namelijk het voortdurend goedkeuren van nieuwe wetsbepalingen, wil de regering de indruk wekken dat ze het probleem onder controle heeft. Ik verwijs in dit verband naar het snelrecht, een nutteloze maatregel die irrelevant is bij de bestrijding van de criminaliteit. Het probleem zit veel dieper en hangt samen met omstandigheden die worden veroorzaakt door de internationalisering van onze samenleving. Bepaalde ontwikkelingen in de maatschappij overstijgen ons. Ten slotte hebben veel van onze burgers af te rekenen met het probleem van zingeving.

Ik pleit voor een ruimere aanpak van het preventie- en veiligheidsbeleid, waarbij de nadruk op de preventie moet liggen. Hoe is het mogelijk dat de criminaliteit stijgt naarmate de samenleving meer ontwikkeld is en er meer universitair geschoolden zijn? De vroegere Nederlandse eerste minister den Uyl zei ooit: "Hoe meer scholen, hoe minder gevangenissen." Volgens hem heeft de kwaliteit van het onderwijs een rechtstreekse invloed op de criminaliteitscijfers.

Er is vandaag veel meer criminaliteit dan twintig of dertig jaar geleden, ondanks onze grote inspanningen voor het onderwijs. De vraag is dus: wat is onderwijs? Wat is opvoeding en in welke context moet onderwijs en opvoeding worden gegeven? Gaat het om een kennisoverdracht of over meer, namelijk het aanvoelen van het functioneren in de samenleving? Over die vragen gaan de echte politieke debatten, debatten die de waan van de dag overstijgen en die het mogelijk maken, ieder vanuit zijn opvatting, een bijdrage te leveren om op middellange en lange termijn tot een grotere kwaliteit van onze samenleving te komen. Het politionele en het justitiële beleid zijn zeer belangrijk voor de preventie en de veiligheid, maar volstaan niet. We moeten onze horizon verruimen zodat we het juiste perspectief van deze problematiek kunnen benaderen.

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Ik zou heel graag een groot maatschappelijk debat aangaan over de diepere oorzaken van de misdaad en de middelen om ze terug te dringen. Het is nu echter niet het gepaste ogenblik. Criminaliteit kan niet alleen worden teruggedrongen met maatregelen, hoe belangrijk die ook zijn, inzake preventie, repressie indien nodig en herstel indien het kwaad is geschied. Het is een kwestie van algemeen beleid. Daarbij komen aan bod: het familiaal gedrag, het maatschappelijk gedrag, het belang van de opvoeding, ons vermogen om de jongeren een ideaal en een job te bieden, harmonieus samengestelde gezinnen, huisvesting die een evenwichtig leven mogelijk maakt, culturele, sociale en sportieve activiteiten.

Ik wil het beperkter aanpakken. De veiligheidscontracten moeten steun geven aan het beleid dat de onveiligheid wil verminderen op plaatsen waar die meer aanwezig is dan op andere.

De veiligheids- en samenlevingscontracten, zowel wat het gedeelte politie als preventie betreft, en de preventiecontracten worden verlengd tot 31 december 2001. Dat is een geruststelling voor de 3.000 contractuelen die daarbij betrokken zijn. Ik ben het trouwens volledig eens met de door de Senaat geformuleerde aanbevelingen.

Ten eerste moet het preventiebeleid één van de regeringsprioriteiten zijn inzake veiligheid en preventie. Aan de heer Vandenberghe zou ik willen zeggen dat er naast de vooral repressieve teksten en richtlijnen die de gerechtelijke overheid kan geven, een werkelijkheid bestaat die veel begrip, menselijkheid en begeleiding vergt. Wat in Brussel inzake veiligheidscontracten is gedaan, is opmerkelijk en gaat verder dan wat men zou kunnen bereiken met een loutere tekstverbetering.

In deze aangelegenheid komt het aan op continuïteit. Deze contracten zijn in 1992 van start gegaan en ze moeten worden verlengd. Er moet wel een evaluatie worden gemaakt, en dat is gebeurd. Soms zijn correcties nodig, maar het beleid moet worden gehandhaafd.

Ten tweede moet het preventiebeleid, om geloofwaardig en efficiënt te blijven, passen in een totaal veiligheidsbeleid en moeten er synergieën mogelijk blijven tussen deze structuren en die van de nieuwe politie. Daarom moeten die contracten tot de exclusieve bevoegdheid van de minister van Binnenlandse Zaken behoren, wat het geval is.

Ik ben overigens voorstander van overleg met alle betrokken ministers. Daarom roep ik over enkele weken de Hoge Raad voor het voorkomen van misdadigheid samen. Deze instantie is de ideale plaats om een echt gecoördineerd en coherent beleid uit te stippelen met alle partners die betrokken zijn bij preventie.

Ten derde ben ik er voorstander van om de middelen te verhogen, zodat een preventiebeleid kan worden gevoerd. Nu kan ik, als gevolg van een stagnerende begroting, niet ingaan op de rechtmatige vragen van sommige gemeenten die een preventiecontract willen omdat ze geconfronteerd worden met het onrustwekkend verschijnsel van de stadscriminaliteit. Ik kan ook niet ingaan op de vragen van gemeenten die al zo'n contract hebben, maar nieuwe projecten willen op het getouw zetten. Sommige preventie-initiatieven die door mijn diensten worden ontwikkeld op basis van overtuigende experimenten in het buitenland, kunnen evenmin worden uitgevoerd bij gebrek aan nieuwe middelen.

Ik zal extra middelen blijven vragen. Ik ben ook bereid de preventiemedewerkers een duurzaam statuut te geven. Het gaat echter om gemeentepersoneel en elke beslissing terzake hangt dus af van de lokale overheid.

Ik heb de regering al voorgesteld dat de contracten vanaf 1 januari 2002 worden gesloten een duurtijd van twee jaar zouden hebben. Talrijke gemeenten vragen immers al lang contracten van een langere duur, omdat veel projecten maar gevolgen hebben op middellange termijn.

Ik wil de gemeenten ook steunen bij het opstellen en uitwerken van hun contracten.

Ik kom niet terug op de evaluatie die is gemaakt en die de heer Van de Vloedt heeft voorgesteld. Ik zal het eerder hebben over de nieuwe instrumenten die ik de gemeenten ter beschikking wil stellen: enerzijds, een handboek inzake methodologie en uitvoering van de contracten dat ik hen eerlang zal bezorgen en, anderzijds, de hulp van twee universiteiten voor de evaluatie van hun projecten.

Tot besluit bevestig ik dat ik van de veiligheids- en preventiecontracten echte instrumenten wil maken voor de misdaadpreventie. Ik hoop dat de regering zeer binnenkort de nodige beslissingen terzake kan nemen. Ik zal mij daarvoor ten volle inzetten.

Stemmingen

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Herziening van artikel 184 van de Grondwet (Stuk 2-657)

De voorzitter. - We stemmen eerst over het amendement nr. 7 van de heren Vandenberghe en Caluwé.

Stemming nr. 1

Aanwezig: 63

Voor: 12

Tegen: 49

Onthoudingen: 2

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen nu over het amendement nr. 14 van de heer Vandenberghe, mevrouw Nyssens en de heer Caluwé.

Stemming nr. 2

Aanwezig: 63

Voor: 15

Tegen: 46

Onthoudingen: 2

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen nu over het enig artikel.

Stemming nr. 3

Aanwezig: 63

Voor: 48

Tegen: 5

Onthoudingen: 10

-Het quorum en de meerderheid, zoals artikel 195, laatste lid, van de Grondwet vereist, zijn bereikt.

-De bepaling is aangenomen.

-Ze zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:

Donderdag 29 maart 2001

's ochtends om 9.30 uur

Vragen om uitleg:

Evocatieprocedure

Artikel 79, eerste lid, van de Grondwet

Wetsontwerp tot wijziging van verscheidene wetsbepalingen inzake de voogdij over minderjarigen; Stuk 2-509/12 en 13.

Wetsontwerp tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de gerechtelijke kantons; Stuk 2-604/1 tot 4. (Pro memorie)

Vragen om uitleg:

's namiddags om 15 uur

Inoverwegingneming van voorstellen.

Mondelinge vragen.

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus en tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Stuk 50-1125/1. (Over te zenden door de Kamer) (Pro memorie)

Vanaf 18 uur: Naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten in hun geheel.

Vragen om uitleg:

's avonds om 19 uur

Hervatting van de agenda van de namiddagvergadering.

-De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.

Stemmingen

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 74 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (Stuk 2-663) (Evocatieprocedure)

Stemming nr. 4

Aanwezig: 63

Voor: 51

Tegen: 5

Onthoudingen: 7

-Het wetsontwerp is ongewijzigd aangenomen. Bijgevolg wordt de Senaat geacht te hebben beslist het niet te amenderen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.

Wetsvoorstel tot aanvulling van artikel 317 van de nieuwe gemeentewet (van mevrouw Anne-Marie Lizin, Stuk 2-25)

Stemming nr. 5

Aanwezig: 63

Voor: 55

Tegen: 0

Onthoudingen: 8

-Het wetsvoorstel is aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Evaluatie van het preventie- en veiligheidsbeleid van de regering (Stuk 2-669)

De voorzitter. - We stemmen over de aanbevelingen van de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Stemming nr. 6

Aanwezig: 62

Voor: 57

Tegen: 5

Onthoudingen: 0

-De aanbevelingen zijn aangenomen.

-Ze zullen worden meegedeeld aan de eerste minister, de minister van Binnenlandse Zaken en de minister van Justitie.

Regeling van de werkzaamheden

De heer Philippe Mahoux (PS). - Er gaan geruchten dat de minister van Landbouw vanavond niet aanwezig zal zijn. Is dat waar?

De voorzitter. - Dat is inderdaad zo, mijnheer Mahoux. In verband daarmee geef ik het woord aan minister Aelvoet.

Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Minister Gabriëls is inderdaad vertrokken. Men had hem gezegd dat het debat rond 18.30 zou aanvangen. Hij is opgeroepen voor een crisisvergadering over het mond- en klauwzeer. Hij heeft mij gevraagd in zijn plaats te antwoorden en verontschuldigt zich tegenover de Senaat.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Mevrouw, met alle respect, als de minister van Landbouw niet aanwezig is, kunnen we geen debat aangaan over een probleem dat ernstig wordt en zeer grote risico's inhoudt. Ik wilde hem juist enige verduidelijking vragen over de communicatie van de regering met de verantwoordelijke gemeenteambtenaren en de landbouwers. Ik wou hem ook vragen stellen over de resultaten van de opeenvolgende Europese raden, over het beleid dat zou worden gevoerd en over de mogelijkheid om de vaccinatie opnieuw in te voeren.

U begrijpt dat ik u zulk debat niet kan opleggen, dat zou niet eerlijk zijn van mijnentwege. Tezelfdertijd betreur ik de afwezigheid van de minister van Landbouw, ook al moet hij het hoofd bieden aan een ernstige crisis. In heel België heerst echter ongerustheid, sommige landbouwers zijn bang en klagen over het gebrek aan informatie. Ik vind dat ik die gevoelens moet overbrengen. Wij hadden onze werkzaamheden misschien anders kunnen organiseren zodat onze eis om antwoorden te krijgen kon worden verzoend met de plicht van de regering om de toestand van uur tot uur en van dag tot dag te volgen.

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - We wachten met spanning op het antwoord van de minister van Landbouw. De Senaat heeft nog niet kunnen debatteren over de mond- en klauwzeercrisis. Spijtig genoeg was het niet mogelijk vanmorgen de herziening van de Grondwet te bespreken, zodat we vanmiddag op tijd met het debat konden beginnen. Ik stel voor het debat uit te stellen, omdat de minister van Volksgezondheid niet echt op de vragen zal kunnen ingaan. De toestand evolueert iedere dag. De publieke opinie en vooral de betrokken sectoren zijn zeer bezorgd. Kan er begin volgende week, dinsdag bijvoorbeeld, geen debat plaatsvinden?

De voorzitter. - Het lijkt mij erg delicaat een zo belangrijk debat te voeren terwijl de betrokken minister afwezig is. Op onze agenda voor de plenaire vergadering van volgende week staan echter al talrijke vragen om uitleg. Ik vraag de voorzitter van de betrokken commissie dan ook of het niet mogelijk is volgende week een openbare vergadering te houden met vragen om uitleg over deze aangelegenheid. Dat zou het de pers en het publiek mogelijk maken dit bijzonder debat te volgen. De commissievoorzitter kan met de minister een datum afspreken.

Ik geloof dat we onvoldoende gebruik maken van de mogelijkheid om vragen om uitleg te stellen in openbare commissievergaderingen, waar het debat soms interessanter kan zijn.

De heer Frans Lozie (AGALEV). - Ik vind dat een verstandig voorstel. Ik betreur alleen dat we bij het begin van de vergadering niet wisten dat de minister vanavond een crisisvergadering had belegd. We hadden onze agenda kunnen aanpassen. Ik steun uw voorstel om, liefst dinsdag, een openbare commissievergadering te beleggen.

De heer Jean-Marie Happart (PS). - Ik ben heel ongerust en pessimistisch. Ik vrees dat het te laat is als we dat debat volgende week houden.

De voorzitter. - Ofwel houden we het debat volgende donderdag in de plenaire vergadering van, ofwel houden we het vroeger in de commissie. We moeten kiezen. Volgens de heer Happart zou het beter zijn het debat dinsdag of woensdag te houden.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Wij kunnen dat debat in de commissie houden, voor ons komt het erop aan informatie te krijgen, zelfs al is de vergadering niet openbaar. Wij moeten kunnen antwoorden op de vragen van de bevolking en van de kwekers. Er is duidelijk een communicatieprobleem. Het is hoogtijd. Misschien is het al te laat.

Vooraleer een dag en uur vast te leggen voor deze vergadering moeten contact worden opgenomen met de betrokken senatoren, want er zijn al heel wat commissievergaderingen gepland voor volgende week.

De voorzitter. - Als u het ermee eens bent, zal ik deze zaak regelen met de commissievoorzitter, de bevoegde minister en de verschillende interpellanten. (Instemming)

Vraag om uitleg van mevrouw Anne-Marie Lizin aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over «de bescherming van vertrouwelijke gegevens over Amerikaanse firma's op 1 juli 2001» (nr. 2-402)

De voorzitter. - Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, antwoordt namens de heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken.

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Ik vrees dat de minister van Buitenlandse Zaken in de toekomst dikwijls afwezig zal zijn tijdens onze debatten, vooral tijdens het Belgische voorzitterschap van de Europese Unie.

De minister is er zich ongetwijfeld van bewust dat 1 juli 2001, aanvangsdatum van het Belgische voorzitterschap, samenvalt met de datum waarop de Europese richtlijn wordt aangenomen over de bescherming van particuliere gegevens die door bedrijven worden verzameld. Vanaf die dag mogen Europese bedrijven niet langer werken met bedrijven buiten de Europese Unie die niet hebben ingestemd met de regels inzake bescherming van particuliere gegevens. Geen enkel Amerikaans bedrijf verkeert in dat geval. De Amerikaanse overheid beschouwt deze verplichting overigens als een belemmering die onaanvaardbaar is in het internationale recht.

Is de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en van de gegevens die daarmee verband houden, zoals het nummer van de bankkaart of van de sociale zekerheid, te strikt geformuleerd? Wat zal het Belgische voorzitterschap doen om deze essentiële richtlijn te doen naleven, waarvan de toepassing stricto sensu evenwel een enorme belemmering kan vormen voor de ontwikkeling van de elektronische handel? Er blijft niet veel tijd meer over vóór de maand juli. Denkt de regering aan maatregelen terzake?

Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Ik lees het antwoord voor dat minister Michel heeft voorbereid.

De Europese richtlijn is in de Europese Unie rechtstreeks toepasselijk geworden drie jaar na de inwerkingtreding ervan, namelijk in 1998. Ze betreft ook de overdracht van gegevens naar operatoren in derde landen.

Vorig jaar heeft de Commissie toegegeven dat de Amerikaanse bedrijven die ingestemd hebben met de zogenaamde Safe Harbourprincipes voldeden aan de vereisten van deze richtlijn. Die beslissing is genomen op basis van het eenparig advies van de lidstaten, verenigd in het door artikel 31 ingestelde bevoegde comité.

Thans hebben bijna 30 Amerikaanse bedrijven aanvaard de Safe Harbourprinipes na te leven. In het begin waren er minder, omdat de bedrijven nog moesten wennen aan het nieuwe voorschrift. Verwacht wordt dat dit aantal almaar sneller zal toenemen, zoals de laatste maanden het geval was. Ik wijs erop dat de instemming met de Safe Harbourprincipes niet de enige wijze is om zich te voegen naar de Europese richtlijn.

Daartoe kunnen de exporteurs van gegevens hun buitenlandse partners ook contractuele clausules opleggen. Thans werkt de Europese Unie een modelcontract uit dat een vermoeden van overeenstemming met de richtlijn zou invoeren ten gunste van de operatoren die dat contract naleven. De richtlijn bevat ook de mogelijkheid om afwijkingen te vragen bij de besturen van de lidstaten, uiteraard indien de basisvoorwaarden van het Europees recht worden nageleefd.

Bijgevolg is het voorbarig te concluderen dat op 1 juli 2001 geen particuliere gegevens meer worden doorgestuurd naar het buitenland, meer bepaald naar de Verenigde Staten. Ik zie ook niet in hoe deze regeling, die tegemoet wil komen aan de noden van de bedrijven maar ook een maximale bescherming van gegevens met betrekking tot de persoonlijke levenssfeer wil garanderen, te strikt zou zijn.

De Commissie, die de eerste verantwoordelijke is voor de toepassing en de naleving van de richtlijn, heeft zich ertoe verbonden het Europees Parlement behoorlijk in te lichten over de doeltreffendheid en de evolutie van de beschermingsregeling. Er is geen reden om eraan te twijfelen of ze dat wel zal doen of om te vermoeden dat een grondige herziening op korte termijn raadzaam zou zijn. Ik wijs er ten slotte op dat de beslissing betreffende de Safe Harbourprincipes tegen 2003 moet worden herzien.

Ik ben net als u gevoelig voor het respect van particuliere gegevens en ik kan u verzekeren dat wij dit dossier met de grootste belangstelling zullen volgen.

-Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van de heer Georges Dallemagne aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over «het standpunt van België en van de Europese Unie over het regime in Birma» (nr. 2-408)

De voorzitter. - Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, antwoordt namens de heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken.

De heer Georges Dallemagne (PSC). - Sinds eind vorig jaar zijn besprekingen aan de gang tussen Nobelprijswinnaar Aung San Suu Kyi en de Birmaanse junta. Deze bijzonder discrete onderhandelingen lieten verhopen dat er een einde zou komen aan de repressie en de dictatuur.

Het bezoek dat de Europese trojka eind januari aan Rangoon bracht, werd door de Birmaanse oppositie gunstig onthaald. De Europese Unie gaf daar immers blijk van haar inzet voor de zaak van de democratie in Birma en van haar vastberadenheid om de druk op de junta en de sancties niet te laten verzwakken.

Men wachtte op concrete signalen. Sinds begin dit jaar is er, afgezien van de vrijlating van 80 politieke gevangenen, echter weinig positiefs te melden.

Het gemeenschappelijke standpunt van de Vijftien over Birma moet op 28 april voor zes maanden opnieuw worden vastgesteld. Welke houding zal België aannemen als er inmiddels niets verandert?

Sinds 30 november laatstleden zouden de Staten en organisaties van de IAO alle handelsactiviteiten staken die de dwangarbeid in Birma aanmoedigen of ertoe bijdragen.

Aan de top van de Birmaanse Staat heeft een zeer kleine groep de economische macht in handen. Er bestaat geen twijfel over dat diezelfde mensen ook behoren tot de legertop en dus rechtstreeks verantwoordelijk zijn voor de repressie en de dictatuur. Zij zijn het die dwangarbeid opleggen. Zij zijn ook betrokken bij andere criminele activiteiten, zoals de drugshandel en de plundering van de natuurlijke rijkdommen, waaronder de wouden. Economische activiteit, dwangarbeid, allerhande illegale handel, milieuverwoesting en militaire dictatuur zijn op een perverse manier met elkaar verweven. Elke buitenlandse economische activiteit in Birma draagt bij tot de instandhouding van de dwangarbeid in dat land.

Is het bijgevolg niet wenselijk dat België, net als de Britse regering, alle Belgische ondernemingen afraadt in Birma zaken te doen? Ik denk meer bepaald aan de sectoren petroleum, confectie en edelstenen. Sommigen schakelen tussenpersonen in om hun handelsrelaties met Birma te verdoezelen. De IAO heeft zijn lidstaten, waaronder ook België, gevraagd op welke manier ze de aanbevelingen uitvoeren. Wat heeft België aan de IAO geantwoord?

Op basis van welke elementen zal België een gemeenschappelijk standpunt van de Vijftien voorstellen als op 28 oktober het Europese standpunt van de volgende zes maanden afloopt?

De economische en sociale toestand in Birma is erg verslechterd. Ik heb dat zelf kunnen vaststellen toen ik in Rangoon de hulporganisaties en de VN- verantwoordelijken heb ontmoet. Enkele tientallen mensen aan de top zijn onmetelijk rijk, maar de rest van de bevolking leeft in de grootste armoede. Eén miljoen personen zou aids hebben. De ondervoeding bij kinderen is nog toegenomen. De junta tracht het lijden van de bevolking te verbergen en te minimaliseren. Minder dan 2% van de begroting gaat naar volksgezondheid, maar driekwart gaat naar militaire uitgaven.

Welke houding zal de vice-eerste minister aannemen tegenover de humanitaire problemen in Birma? Meer rechtstreekse hulp aan onafhankelijke NGO's kan het lijden van de meest kwetsbare groepen verlichten, zonder daarbij het regime te steunen.

Daarnaast moeten de inspanningen van de Birmaanse oppositie en de burgermaatschappij voor het herstel van de democratie worden ondersteund. Ik heb hulpoproepen gekregen van Birmaanse opposanten uit Rangoon, Bankok en uit de grensstreek tussen Thailand en Birma. Belgische NGO's wachten op steun om zich in te zetten voor de democratie en de burgermaatschappij. Wat is het standpunt van het departement Buitenlandse Zaken terzake?

De vice-eerste minister weet dat Belgische parlementsleden steun verlenen aan Birmaanse collega's van de democratische oppositie, van wie de meesten in gevangenissen zitten. We ijveren voor de vrijlating van deze parlementsleden en helpen hun families. Is de Belgische regering eventueel bereid dit initiatief te ondersteunen?

Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Vermits verschillende ministers bij het dossier betrokken zijn, is binnen de regering overleg gepleegd over de aanbevelingen van de IAO. Mevrouw Onkelinx, die terzake bevoegd is, zal eerstdaags antwoorden op de brief van de directeur-generaal van de IAO.

De dwangarbeid in Birma is ontoelaatbaar. Ik ondersteun de IAO-demarche. Ons handelsbeleid wordt grotendeels bepaald door de Europese Unie. Onze bilaterale handel met Birma is bijzonder gering en onze manoeuvreerruimte bijgevolg beperkt. België kan dus moeilijk de sancties toepassen die uit de IAO-resolutie zouden voortvloeien. Ik heb me al uitgesproken over het geval TotalFinaElf. Ik heb de directeur-generaal van dit bedrijf op 6 juli 2000 persoonlijk geschreven om hem mijn grote bezorgdheid en bedenkingen mee te delen in verband met de activiteiten van de petroleummaatschappij in Birma.

De regering heeft uit ethische overwegingen overigens beslist het contract met TotalFina voor de levering van brandstof te verbreken. Om juridische redenen kan dit contract pas op 31 augustus 2001 worden beëindigd.

Nauwelijks twee weken geleden heeft de ministerraad alle juridische aspecten afgehandeld. Verschillende regeringspartijen ondersteunden het initiatief. Om in de internationale handel rekening te kunnen houden met ethische en andere clausules heeft de regering aan de Universiteit Gent een juridische analyse gevraagd. We hebben het dossier aan de Europese Commissie voorgelegd en wachten op het antwoord. Zonder toestemming van de Commissie kunnen we immers niets ondernemen.

Wat het gemeenschappelijke standpunt van de Europese Unie ten overstaan van Birma betreft, hebben de Vijftien in april laatstleden beslist de sancties te verzwaren. België heeft deze beslissing gesteund. Deze sancties zijn rechtstreeks gericht tegen de militairen van het regime. Het gemeenschappelijk standpunt zal binnenkort opnieuw worden onderzocht rekening houdend met de ontwikkelingen ter plaatse. Indien nodig zal het standpunt bevestigd of zelfs verscherpt worden.

De bijzonder delicate besprekingen tussen de junta en Aung San Suu Kyi zijn nog niet ver gevorderd. Het is dus nog te vroeg om te bepalen welke strategie de Europese Unie moet voeren.

Er moet wel een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen de actie van de IAO, die de dwangarbeid viseert, en mogelijke schuchtere verbeteringen van het politieke klimaat ter plaatse. We moeten dwangarbeid blijven veroordelen en bestrijden en tegelijk de toenadering tussen de militairen en de winnares van de Nobelprijs voor de Vrede aanmoedigen.

De inspanningen van de burgermaatschappij voor het herstel van de democratie verlopen geweldloos en met eerbied voor de regels van de democratie. Zij verdienen daarom al onze steun.

De heer Georges Dallemagne (PSC). - De inzet van de regering voor de democratie in Birma verheugt me. De regering nam initiatieven inzake handelsbeleid evenals op juridisch vlak. Weinigen weten of de aan de gang zijnde dialoog zal slagen. Men ging ervan uit dat als op 30 maart geen resultaten werden geboekt, er redenen tot ongerustheid zouden zijn.

Als er op 28 april niets veranderd is, moet nagegaan worden of geen bijkomend signaal naar de junta moet worden gezonden. Als er op 28 oktober geen vooruitgang is geboekt, moeten er zwaardere sancties komen.

Dat de omvang van de handel tussen België en Birma zeer gering is, hoeft de regering niet te beletten de Belgische ondernemingen te vragen geen handelsbetrekkingen met Birma te onderhouden. Ook al heeft dit weinig impact op de Birmaanse economie, toch is dit een belangrijk politiek signaal.

-Het incident is gesloten.

(Voorzitter: de heer Jean-Marie Happart, ondervoorzitter.)

Vraag om uitleg van de heer Johan Malcorps aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over «het verder onderzoek naar de gevolgen van de dioxinecrisis voor de volksgezondheid» (nr. 2-384)

De heer Johan Malcorps (AGALEV). - Onlangs verscheen in het toonaangevend Amerikaans tijdschrift Environmental Health Perspectives een artikel met de bevindingen van een reeks van Vlaamse wetenschappers van alle Vlaamse universiteiten over de dioxinecrisis van het voorjaar 1999 en de geschatte effecten daarvan op de volksgezondheid. Met dit artikel wordt in feite een punt gezet achter de controverse die in het najaar van 1999 in de dioxinecommissie in de Kamer was ontstaan tussen onder meer de professoren Bernard en Hens. De eerste, die intussen ook bekend is door zijn uitspraken over chloor in zwembaden, beweerde dat er helemaal geen gezondheidseffecten waren, terwijl professor Hens beweerde dat de komende tientallen jaren wel degelijk gezondheidsschade te verwachten was.

Na een grondige herevaluatie van de analyses op PCB's en dioxines van meer dan 20.000 stalen van veevoeder, runderen, varkens, pluimvee, eieren en melk komen de onderzoekers tot het besluit dat tien miljoen Belgen als gevolg van de dioxinecrisis 10 tot 15 kilogram PCB's en 200 tot 300 milligram dioxines hebben ingenomen. Op basis van deze onderzoeksresultaten komen de wetenschappers tot een voorspelling van 40 bijkomende kankerdoden in de meest gunstige interpretatie, tot enkele duizenden en zelfs tot 8000 bijkomende kankerdoden. Daarnaast verwachten ze ook andere belangrijke gezondheidseffecten, bijvoorbeeld op de hormonenhuishouding in de vorm van de verstoring van de schildklierwerking bij kinderen.

De PCB- en dioxine-crisis van het voorjaar 1999 was dus een echte crisis met reële gezondheidseffecten. Ze mag niet worden vergeten; zo'n incident mag nooit meer plaatsvinden.

De onderzoekers dringen er dan ook op aan dat de concrete gezondheidseffecten van deze éénmalige PCB- en dioxine-crisis verder in kaart zouden worden gebracht. Dat gebeurde ook bij vergelijkbare crises in het buitenland. De herkomst van de besmette stalen is bekend. Verder onderzoek van mensen die in belangrijke mate werden blootgesteld, is niet enkel vanuit een strikt wetenschappelijke belangstelling, maar vooral ook wegens de maatschappelijke relevantie mogelijk en verantwoord. Dat is in het belang van de huidige en toekomstige consument.

Daarnaast moet, ook los van acute crisissituaties, een permanente monitoring worden uitgebouwd, zowel van voedsel via het Voedselagentschap, van grondstoffen voor voedsel, als van effecten op gezondheid en milieu.

In Vlaanderen loopt een grootschalig milieu- en gezondheidsonderzoek. De bovenvermelde wetenschappers hebben mede op basis van resultaten van dit Vlaams onderzoek nationale conclusies kunnen trekken. In feite is een dergelijk milieu- en gezondheidsonderzoek voor heel België een must. Biomonitoring - het uitbouwen van een meetnet van vervuilende stoffen en gezondheidseffecten in het menselijk lichaam zelf - is een waardevol instrument gebleken, naast de bestaande externe milieumeetnetten. Deze inspanningen moeten nu onverkort structureel worden uitgebouwd. In het Vlaams Gewest zal dat de komende jaren gebeuren door analyses van urine en navelstrengbloed. Er is ook specifieke monitoring in risicogebieden of clusters van risicogebieden nodig.

Op federaal vlak zouden de inspanningen van gewesten en gemeenschappen kunnen worden gecoördineerd. De overheid zou ook zelf een specifieke bijdrage kunnen leveren door een meer continue opvolging van concentraties aan polluenten in moedermelk. Zo coördineert het WIV op het ogenblik de analyses op dioxines en PCB's in het kader van de derde fase van een studie van de Wereldgezondheidsorganisatie terzake. Dit onderzoek vindt om de vijf jaar plaats, maar niet steeds in elk gewest. De minister antwoordde mij vroeger al dat hiervoor niet met de gewesten wordt samengewerkt. Voor een permanente biomonitoring in de drie gewesten is enige afstemming nochtans wenselijk.

Uiteraard moet een dergelijk onderzoek goed worden gekaderd. Internationaal onderzoek toont aan dat borstvoeding ten allen tijde de voorkeur verdient boven flessenvoeding. We mogen echter de ogen niet sluiten voor de polluenten die zich in moedermelk bevinden. Het is een schending van een elementair kinderrecht dat deze stoffen in moedermelk voorkomen.

Er is niet alleen nood aan monitoring, maar ook en vooral aan preventie door een radicaal milieubeleid op gewestelijk vlak en een productbeleid gebaseerd op fysico-chemische hygiëne op federaal vlak. Alle gevaarlijke stoffen die onze gezondheid bedreigen, moeten maximaal uit onze directe leefomgeving, en zeker uit onze voeding, worden geweerd.

Een andere conclusie van de onderzoekers was immers dat de éénmalige PCB- en dioxine-crisis van voorjaar 1999 maar het topje van de ijsberg was. Naast de éne grote "Verkest-crisis", was er allicht sprake van een aaneenrijging van vele kleinere PCB-crisissen, die tot het voorjaar van 1999 grotendeels onopgemerkt bleven. In wezen gaat het om de illegale verwerking van schadelijke afvalproducten in veevoeder zoals transformatorolie, maar ook andere stoffen. Om de herhaling een dergelijk onheil te voorkomen is nauwgezette actie nodig waarbij niet enkel het voedsel en het veevoer zelf aan de outputzijde worden gecontroleerd, maar ook de mogelijke toevoerstromen aan de inputzijde.

Het allergrootste probleem is de permanent zeer hoge achtergrondvervuiling in België door PCB's en dioxines. Dat probleem is nog niet onder controle. De aangehaalde studie is dan ook een niet mis te verstaan signaal aan de beleidsmakers.

Dit brengt me bij mijn concrete vragen.

Ten eerste, heeft de minister initiatieven genomen om verder onderzoek naar de gezondheidseffecten van de PCB- en dioxine-crisis mogelijk te maken? Ik denk hierbij aan onderzoek op populaties waar de kans op blootstelling zeer groot was? Acht zij dit wenselijk en zullen de betrokkenen en de bevolking in het algemeen van de resultaten op de hoogte worden gesteld?

Ten tweede, is de minister voorstander van een meer continue bemonstering van moedermelkstalen in de drie gewesten, op meerdere polluenten, en dit in overleg met de gewesten en gemeenschappen?

Ten derde, is er voldoende coördinatie met de drie gewesten over de verwerking van afvalstromen en de verwijdering van PCB-houdend afval in het bijzonder? Is de minister er zeker van dat alle PCB-afvalstromen momenteel worden geregistreerd en gecontroleerd? Geldt hetzelfde voor vergelijkbare afvalstromen als afvalolie en slib? Werken de federale diensten die onder de bevoegdheid van de minister vallen, samen met de gewestelijke diensten bevoegd voor de milieu-inspectie of het toezicht op de afvalstromen?

Ten vierde, doen de drie gewesten vergelijkbare inspanningen in het algemeen beleid inzake de uitstoot van dioxines en PCB's in de lucht? Heeft de minister zicht op de totale emissie op jaarbasis van dioxines, furanen en PCB's voor heel België? Wat is de situatie in elk gewest? Welke sectoren zijn in België en in elk gewest het meest verantwoordelijk voor de uitstoot van dioxines en PCB's en hoe evolueert de uitstoot per sector en per gewest?

Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Uiteraard ben ik op de hoogte van de studie waarnaar de heer Malcorps verwijst. Zoals met menige studie het geval is, wordt ook deze studie vanuit bepaalde hoeken gecontesteerd. De betwisting wordt onder meer ingegeven door de brede marge die de auteurs aangeven met betrekking tot het aantal personen dat ten gevolge van de dioxinecrisis een verhoogd gezondheidsrisico zou hebben opgelopen. Een marge van 40.000 tot 80.000 toont aan dat er weinig zekerheid is over het reële effect.

Uiteraard is het belangrijk over de nodige gegevens te kunnen beschikken. In september 1999 heb ik het WIV dan ook de opdracht gegeven een studie te maken. Jammer genoeg heeft het uitwerken van het mathematisch model veel tijd in beslag genomen. De resultaten ervan zullen evenwel op een symposium in mei eerstkomend worden voorgesteld.

Bovendien hebben we het nodige gedaan om een aantal bloedzakjes op te kopen die het hele jaar 1999 in kaart kunnen brengen. Op basis hiervan zullen we kunnen nagaan of er in het bloed al dan niet sporen terug te vinden waren. Met dat onderzoek, dat bijzonder duur is, wordt pas begonnen als het mathematisch model redenen daartoe aantoont. Alleszins is al het nodige gedaan opdat het materiaal ter beschikking is.

Ingevolge de problemen in 1999 beschikken we over het monitoringplan Consum, dat vrijwel uniek is en zich uitstrekt over zowel veevoeders als menselijke voeding. Daardoor beschikken we nu over een uitstekend instrument waarmee we zoveel mogelijke bronnen van ontoelaatbare contaminatie kunnen opsporen en kunnen voorkomen dat deze werkelijk doordringen in de menselijke consumptie. Dat we reeds meermaals op problemen zijn gestuit en hebben kunnen ingrijpen, vormt hiervan een concrete illustratie.

Het verheugt me dat ook de Europese Commissie zich onder meer onder impuls van België voorstander heeft betoond van deze geïntegreerde feed and food approach. We worden echter geconfronteerd met een zware erfenis uit het verleden veroorzaakt door de ongecontroleerde verspreiding van diverse contaminanten, die duidelijk invloed hebben op de gezondheidskwaliteit in de voedselproductie.

Een reactieve aanpak, zoals Consum, zal ongetwijfeld in stand moeten worden gehouden.

Momenteel hebben 209 bloeddonoren, van wie we een plasmastaal hadden van vóór de dioxinecrisis, aanvaard een tweede bloedafname toe te staan met het oog op de bepaling van PCB/dioxine na deze crisis. Mijn diensten hopen uiteindelijk 300 donoren te vinden die meewerken aan het onderzoek.

Het onderzoek van de plasmastalen zal onder meer gebeuren via de zeven kenmerkende zogenaamde merker PCB's, die als fingerprint fungeerden tijdens de dioxinecrisis, via de verschillende dioxinecongeneren en dankzij de introductie van de Calux-analysemethode. Dergelijke onderzoeken vergen echter lange tijd vooraleer de analyseresultaten bekend zijn.

Terloops wijs ik erop dat professor Bernard onlangs de resultaten bekendmaakte van een onderzoek bij personen die wonen in de omgeving van twee verbrandingsovens, namelijk Pont-de-Loup en Thumaide, en bij een groep referentiepersonen die in de Ardennen wonen. Het onderzoek van de dioxineprofielen - 103 dioxine analyses - heeft geen enkele verhoging aangetoond van de karakteristieke congeneren uit de dioxineperiode, voorjaar 1999. Uiteraard moeten de scheikundige analyses bij bloeddonoren deze vaststelling nog bevestigen of ontkrachten.

In verband met de controle en monitoring van moedermelk heb ik al vaak, en ook vandaag nog, gezegd dat ik voorstander ben van borstvoeding. Als minister van Volksgezondheid hecht ik er dan ook het grootste belang aan dat de moedermelk echt gezond is. In die zin is het bemonsteren van moedermelk op meerdere polluenten echt een goede zaak. Dit is echter wel degelijk een gemeenschapsbevoegdheid, maar ik ben graag bereid hierover contact op te nemen met de bevoegde overheden.

De permanente coördinatie tussen de gewesten en de federale overheidsdiensten met het oog op de opvolging van programma's ter eliminatie van PCB's is verzekerd. Deze coördinatie kadert in het PCB-net van het Coördinatie Comité voor het Internationaal Milieubeleid, waarvan ik de heer Malcorps een organigram zal bezorgen. Dit statistisch werk kadert in de Europese verplichtingen en in de OSPAR, de Conventie van Parijs en Oslo, tot rapportering inzake afvalstromen. De meest recente gegevens zullen binnen zeer korte tijd beschikbaar zijn.

Op de vraag of ik de zekerheid heb dat alle PCB-afvalstromen momenteel geregistreerd en gecontroleerd worden, moet ik natuurlijk ontkennend antwoorden. Het PCB-net heeft in samenwerking met het Brussels Instituut voor Milieubeheer twee workshops rond dit thema georganiseerd, één in oktober en één in november 2000. Tijdens deze workshops hebben de gewesten, en meer in het bijzonder het Brussels Gewest, de moeilijkheden belicht van de opvolging van alle PCB's in afval. Mijn diensten hebben getracht het aandeel te bepalen dat buiten de controles zou vallen. De oefening is uiteraard vrij theoretisch en gaat uit van de veronderstelling dat geen PCB's verdwijnen, die bijgevolg als niet-traceerbaar kunnen worden bestempeld. In elk geval is het duidelijk dat de afgelopen decennia op die manier veel PCB's in het leefmilieu zijn terechtgekomen. Dit verklaart uiteraard waarom in landbouwgrondstoffen en in de menselijke voeding nog steeds meetbare gehaltes kunnen worden aangetoond. Zo is CONSUM bijvoorbeeld een oud vat met maar liefst 200 liter PCB's op het spoor gekomen dat in een weide stond weg te roesten en waarvan de inhoud gewoon in het gras lekte. Dankzij de CONSUM-controle werden de PCB's eerst bij de dieren vastgesteld, waarna het bedrijf kon worden achterhaald en tenslotte het vat kon worden weggehaald. Op het ogenblik hebben alle gewesten, zowel het Vlaamse, Waalse als het Brusselse Gewest, ernstige plannen om PCB's te verwijderen.

Met de gewesten, en meer in het bijzonder met de OVAM, en met de Eetwareninspectie en het IVK is een gids opgesteld die de toekomstige inspecteurs van het Federaal Agentschap voor de Voedselveiligheid tijdens hun inspectiebezoeken in bedrijven kunnen gebruiken. Een van de doelstellingen hiervan is hen te sensibiliseren om de nodige aandacht te schenken aan elektrische installaties die PCB kunnen bevatten en aan verven en oplosmiddelen. Hoewel zij niet formeel bevoegd zijn op te treden bij een dergelijke vaststelling, kunnen zij op die manier wel de aandacht van de exploitant op het potentiële risico vestigen. De gedelegeerd bestuurder van het Federaal Agentschap werd gevraagd bij het opstellen van een deontologische code voor zijn agenten rekening te houden met de noodzaak om dergelijke vaststellingen verplicht te melden aan de bevoegde, in dit geval gewestelijke autoriteiten.

Ik heb inderdaad kunnen vaststellen dat de drie gewesten zich bewust zijn van de ernst van het probleem. De budgettaire gevolgen van de dioxinecrisis zijn hieraan uiteraard niet vreemd. Hoewel de lasten in dit geval nagenoeg uitsluitend door de federale overheid werden gedragen, is overal het bewustzijn aanwezig dat er nog werk moet worden geleverd. Uit de statistische analyse van de gegevens afkomstig uit de drie gewesten kan inderdaad worden afgeleid dat ze gelijkwaardige inspanningen leveren. Ook hier geldt uiteraard: hoe beter je zoekt, hoe meer je vindt. Ik heb echter op het ogenblik geen reden om aan te nemen dat een gewest zou achterblijven ten opzichte van de andere.

Op de overige vragen kan ik op het ogenblik geen gedetailleerd antwoord geven. Nog deze maand of uiterlijk begin volgende maand zal dankzij een samenwerking tussen de Mathematische Beheerseenheid voor de Noordzee en een aantal universitaire instellingen een gedetailleerd overzicht van de emissies kunnen worden gegeven, in het raam van de voorbereiding van de 5de Conferentie voor de Noordzee in mei 2002.

De heer Johan Malcorps (AGALEV). - Ik dank de minister voor haar uitgebreid antwoord. Ik wil nog even reageren op het punt van het onderzoek van moedermelkstalen. Gezondheidspreventie is natuurlijk een gemeenschapsmaterie, maar als ik me niet vergis worden de initiatieven van de Wereldgezondheidsorganisatie nog altijd federaal opgevolgd. In die zin heeft het federale niveau hier toch nog een stuk bevoegdheid

Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Wanneer we de jaarlijkse vergadering van de Wereldgezondheidsorganisatie bijwonen, dan is de Belgische delegatie wel de grootste van Europa.

-Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van mevrouw Anne-Marie Lizin aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de financiering van de hervorming van de hulpdiensten» (nr. 2-404)

De voorzitter. - Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, antwoordt namens de heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken.

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Welke bedragen voor het SEVESO-fonds heeft het ministerie van Binnenlandse Zaken sinds 1995 jaarlijks ingezameld?

Welke bedragen worden buiten het fonds per jaar en per provincie aan de brandweerdiensten en de civiele bescherming toegekend?

Welk materiaal heeft het ministerie met deze middelen aangeschaft?

Welke bestemming krijgt het eventuele verschil tussen het bedrag dat aan de hulpdiensten wordt toegekend en de bedragen die het ministerie heeft ingezameld?

Wat denkt de minister van de medewerking van de verzekeringsmaatschappijen aan de financiering van de toekomstige hervorming van de hulpdiensten, die volgens de minister pas op het einde van het jaar rond zou zijn, maar volgens mij veel dringender is?

Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Voor het SEVESO-fonds werden de volgende bedragen ingezameld: 123 miljoen in 1995, 343 miljoen in 1996, 150,5 miljoen in 1997, 162 miljoen in 1998, 161 miljoen in 1999 en 127 miljoen in 2000.

Met deze bedragen worden personeelskosten, werkingskosten en investeringen betaald.

Het personeel is contractueel en een deel ervan werkt bij de centrale administratie. De anderen werken bij de provinciegouverneurs.

Het personeel bij de algemene directie van de civiele bescherming houdt zich bezig met de aankoop van materiaal met geld uit het SEVESO-fonds, de inning van de Seveso-heffing, het onderzoek van de juridische problemen die uit die inning voortvloeien, de follow-up en de goedkeuring van de Seveso-noodplannen en rampenplannen.

Het personeel bij de gouverneurs staat in voor de uitwerking van de Seveso-plannen. Die mensen centraliseren de verzoeken om materieel vanwege de brandweerdiensten en bereiden de dossiers voor de centrale administratie voor. Onder hen bevinden zich ingenieurs, juristen en administratief personeel.

De investeringen hebben betrekking op materiaal dat specifiek voor de brandweer en de civiele bescherming wordt aangekocht om een interventie van de hulpdiensten bij een chemisch ongeval te vergemakkelijken. Ik denk hierbij aan lichte beschermende kledij voor eenmalig gebruik, zware beschermende kledij tegen gassen en vloeistoffen, integrale gezichtsmaskers, filters en containers voor deze maskers, explosieveilige zenders-ontvangers, enzovoort.

Ook werd een netwerk van elektronische sirenes geïnstalleerd voor de bescherming en verwittiging van de bevolking.

Werkingskosten zijn kosten voor het onderhoud van het materiaal dat met geld uit het SEVESO-fonds wordt gekocht, de organisatie van de Seveso-oefeningen, de communicatiekosten, het drukken van de rampenplannen, de kosten voor het onderhoud van de provinciale crisiscentra...

De verdeling per provincie is terug te vinden in de documentatie die mevrouw Lizin heeft ontvangen.

Het ministerie van Binnenlandse zaken heeft drie bronnen voor de aankoop van materiaal voor de civiele bescherming: het SEVESO-fonds, het nucleaire fonds en de basisallocaties van de begroting van Binnenlandse Zaken. Deze laatste zijn bestemd voor de aankoop van specifiek materiaal voor de operationele diensten van de civiele bescherming en van genormaliseerd standaardmateriaal voor de brandweerdiensten.

Het genormaliseerd materiaal is dat van bijlage 2 van het koninklijk besluit van 8 november 1967 houdende, voor de vredestijd, organisatie van de gemeentelijke en gewestelijke brandweerdiensten en coördinatie van de hulpverlening in geval van brand. Het gaat om verschillende types brandweerauto's, tankwagens, mechanische ladders en liften, ...

Wat het SEVESO-fonds betreft, heb ik al tal van voorbeelden gegeven.

Wat het nucleair fonds betreft, gaat het vooral om de aankoop van detectie- en ontsmettingsmateriaal.

Er werd ook gevraagd naar de bestemming van het geld dat door het ministerie van Binnenlandse Zaken wordt ingezameld.

Welnu, 60 miljoen is bestemd voor het ministerie van Arbeid en Tewerkstelling en dient om de kosten voor administratie, werking, studie en investeringen van de civiele bescherming te dekken.

Mevrouw Lizin wil ook het standpunt van de minister kennen over de medewerking van de verzekeringsmaatschappijen aan de financiering van de hervorming.

Krachtens de wet betreffende de preventie van brand en ontploffing en betreffende de verplichte verzekering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid in dergelijke gevallen werd een veiligheidsfonds voor preventie en bestrijding tegen brand en ontploffing opgericht. Heel wat inrichtingen die voor het publiek toegankelijk zijn moeten een verzekering voor objectieve aansprakelijkheid afsluiten die hen dekt voor de lichamelijke en materiële schade, aan derden veroorzaakt door een brand of een ontploffing, onverminderd het gewone verhaal op de voor het schadegeval aansprakelijke personen.

De verzekeraars die de objectieve aansprakelijkheid waarvan sprake ten laste van de verzekeringnemers op zich nemen, leggen jaarlijks een supplement op dat niet hoger mag zijn dan 10% van het jaarlijks bedrag van de verzekeringspremie. Het fonds wordt met dit supplement gespijsd.

Dit fonds is bestemd voor de financiering van de beroepsopleiding van de leden van de brandweerdiensten, van het onderzoek en van de kosten die voortvloeien uit de toepassing van artikel 12 van de wet van 31 december 1963, namelijk de aankoop van brandweermateriaal.

De laatste mogelijkheid wordt al jaren niet meer gebruikt.

Momenteel vloeit elk jaar 8 miljoen naar dit fonds. Voor de medewerking van de verzekeringsmaatschappijen aan de toekomstige hervorming moet eerst artikel 6bis van voormelde wet worden gewijzigd.

Om de bijdrage voor het fonds te verhogen moeten de verzekeringsmaatschappijen een akkoord sluiten met de minister van Economie, onder wiens bevoegdheid ze vallen.

Dit is geen slecht idee, maar er moet over worden nagedacht en er moet met de betrokken partijen worden onderhandeld.

-Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van mevrouw Clotilde Nyssens aan de minister van Sociale Zaken en Pensioenen over «de deelname van de federale overheid aan het internationaal jaar van de vrijwilliger» (nr. 2-405)

De voorzitter. - Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, antwoordt namens de heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen.

Mevrouw Clotilde Nyssens (PSC). - De Verenigde Naties hebben in 1997 het jaar 2001 uitgeroepen tot het internationaal jaar van de vrijwilliger. We mogen ons verheugen over het feit dat de VN voor hun vertegenwoordiger voor dit jaar in Europa Brussel als standplaats hebben gekozen.

Paradoxaal genoeg is België helemaal niet op dit jaar voorbereid en heeft het tot op heden nog geen officieel deelnemingsprogramma opgesteld.

Op 5 december 2000 werd weliswaar een academische openingszitting gehouden in aanwezigheid van de voorzitters van beide federale kamers en prins Filip, maar een echt programma of te bereiken doelstellingen zijn er niet.

De initiatiefnemers wilden met het internationaal jaar van de vrijwilliger het vrijwilligerswerk meer erkenning geven. Hiervoor schoven ze de volgende maatregelen naar voren: de sector betrekken bij het overleg tussen de overheden, de rechtspositie uitwerken die de verzekering en de sociale bescherming van de vrijwilligers waarborgt, een speciaal verlof instellen voor ambtenaren en werknemers uit de privé-sector zodat ze vrijwilligerswerk kunnen doen, fiscale aftrek bieden aan personen die vrijwilligerswerk financieel ondersteunen, middelen voor vrijwilligersorganisaties vrijmaken zoals mankracht, geneesmiddelen, financiering, bouwmaterialen, enzovoort.

De federale regering lijkt zich enkel te buigen over de rechtspositie van de vrijwilliger.

Deze strikt juridische aanpak komt volgens ons niet tegemoet aan de verwachtingen die door dit internationaal jaar van de vrijwilliger zijn gewekt.

Wat is de bijdrage van de federale overheid aan dit internationaal jaar en hoe zal ze een coördinatie op gang brengen tussen alle actoren?

Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - De Ministerraad heeft op 10 november besloten tot de oprichting van het Nationaal Comité voor de Vrijwilligers, met regeringscommissaris Greet van Gool als voorzitter. Dit comité heeft als belangrijkste taak het verzamelen en uitwisselen van gegevens over de bestaande en toekomstige initiatieven. Het moet een contactpunt zijn voor nationale en internationale partners, beleidsinitiatieven coördineren en eventueel bijkomende voorsteleen uitwerken.

Alle federale, gemeenschaps- en gewestministers waren vertegenwoordigd op de eerste vergadering, die op 24 januari 2001 plaatsvond. Er werd hen gevraagd een overzicht te maken van de projecten die reeds ontwikkeld zijn of zullen worden ontwikkeld. Tevens moet worden aangegeven welke knelpunten nog moeten worden weggewerkt. Hiervan zal een syntheseverslag worden gemaakt. Daarna zal met alle betrokken federale ministers worden overlegd wat op federaal niveau kan worden gerealiseerd om het vrijwilligerswerk te promoten, om het statuut zowel op fiscaal en sociaal vlak als op het vlak van de aansprakelijkheid en de verzekering te verbeteren en om het contact tussen de verschillende vrijwilligers en hun organisaties te verbeteren.

Indien de ministers hierin slagen zal er een mooi evenwicht zijn tussen de belangrijke statutaire elementen en zullen we beschikken over een precieze analyse van de realiteit van het vrijwilligerswerk, de moeilijkheden en de perspectieven.

Mevrouw Clotilde Nyssens (PSC). - Het zou interessant meer ruchtbaarheid te geven aan het bestaan van dit comité, zijn werkzaamheden en zijn conclusies met betrekking tot de lopende initiatieven.

-Het incident is gesloten.

De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De volgende vergaderingen vinden plaats donderdag 29 maart 2001 om 9.30 uur, om 15 uur en om 19 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 21.35 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: mevrouw Van Kessel, wegens andere plichten, de heren Devolder en Van Quickenborne, in het buitenland.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Bijlage

Naamstemmingen

Stemming nr. 1

Aanwezig: 63
Voor: 12
Tegen: 49
Onthoudingen: 2


Voor

Yves Buysse, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jacques D'Hooghe, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Wim Verreycken.


Tegen

Philippe Bodson, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Mohamed Daif, Georges Dallemagne, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Martine Taelman, René Thissen, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille.


Onthoudingen

Chris Vandenbroeke, Patrik Vankrunkelsven.

Stemming nr. 2

Aanwezig: 63
Voor: 15
Tegen: 46
Onthoudingen: 2


Voor

Yves Buysse, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jacques D'Hooghe, Clotilde Nyssens, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Jan Steverlynck, Erika Thijs, René Thissen, Hugo Vandenberghe, Wim Verreycken.


Tegen

Philippe Bodson, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Mohamed Daif, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Martine Taelman, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille.


Onthoudingen

Chris Vandenbroeke, Patrik Vankrunkelsven.

Stemming nr. 3

Aanwezig: 63
Voor: 48
Tegen: 5
Onthoudingen: 10


Voor

Philippe Bodson, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Mohamed Daif, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Martine Taelman, Louis Tobback, Chris Vandenbroeke, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille.


Tegen

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Wim Verreycken.


Onthoudingen

Ludwig Caluwé, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jacques D'Hooghe, Clotilde Nyssens, Jan Steverlynck, Erika Thijs, René Thissen, Hugo Vandenberghe.

Stemming nr. 4

Aanwezig: 63
Voor: 51
Tegen: 5
Onthoudingen: 7


Voor

Philippe Bodson, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Mohamed Daif, Georges Dallemagne, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Martine Taelman, René Thissen, Louis Tobback, Chris Vandenbroeke, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille.


Tegen

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Wim Verreycken.


Onthoudingen

Ludwig Caluwé, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jacques D'Hooghe, Jan Steverlynck, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe.

Stemming nr. 5

Aanwezig: 63
Voor: 55
Tegen: 0
Onthoudingen: 8


Voor

Philippe Bodson, Ludwig Caluwé, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Mohamed Daif, Sabine de Bethune, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques D'Hooghe, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Jan Steverlynck, Martine Taelman, Erika Thijs, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Chris Vandenbroeke, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille.


Tegen

N.


Onthoudingen

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Georges Dallemagne, Clotilde Nyssens, Gerda Staveaux-Van Steenberge, René Thissen, Wim Verreycken.

Stemming nr. 6

Aanwezig: 62
Voor: 57
Tegen: 5
Onthoudingen: 0


Voor

Philippe Bodson, Ludwig Caluwé, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Jean Cornil, Mohamed Daif, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques D'Hooghe, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Fatma Pehlivan, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, François Roelants du Vivier, Louis Siquet, Jan Steverlynck, Martine Taelman, Erika Thijs, René Thissen, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Chris Vandenbroeke, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille.


Tegen

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Wim Verreycken.


Onthoudingen

N.

Indiening van voorstellen

De volgende voorstellen werden ingediend:

Wetsvoorstellen

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 331 van de nieuwe gemeentewet (van de heren Frank Creyelman en Yves Buysse; Stuk 2-690/1).

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 19bis van de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen en de gewoontemisdadigers (van mevrouw Meryem Kaçar; Stuk 2-693/1).

Wetsvoorstel betreffende het onderzoek op embryo's in vitro (van de heren Philippe Monfils en Philippe Mahoux; Stuk 2-695/1).

Voorstel van resolutie

Voorstel van resolutie over de opportuniteit van een defederalisering van de ontwikkelingssamenwerking (van de heer Georges Dallemagne en mevrouw Magdeleine Willame-Boonen; Stuk 2-689/1).

Voorstel tot herziening van de Grondwet

Herziening van artikel 157 van de Grondwet (Stuk 2-697/1).

Voorstel tot oprichting van een onderzoekscommissie

Voorstel tot oprichting van een parlementaire onderzoekscommissie belast met een onderzoek naar de oorzaken en mechanismen van de mensenhandel in bepaalde sectoren (van mevrouw Erika Thijs; Stuk 2-694/1).

In overweging genomen voorstellen

Wetsvoorstel

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel betreffende de begeleiding bij het levenseinde en de mogelijkheid voor de arts om in uitzonderlijke omstandigheden het overlijden van een terminaal zieke patiënt te bespoedigen (van de heer Alain Destexhe; Stuk 2-666/1).

-Verzonden naar de verenigde commissies voor de Justitie en voor de Sociale Aangelegenheden.

Voorstel tot herziening van het reglement

Voorstel tot wijziging van artikel 71 van het reglement van de Senaat (van mevrouw Jeannine Leduc c.s.; Stuk 2-688/1).

-Verzonden naar het Bureau.

Voorstel tot oprichting van een onderzoekscommissie

Voorstel tot oprichting van een parlementaire onderzoekscommissie belast met een onderzoek naar de oorzaken en mechanismen van de mensenhandel in bepaalde sectoren (van mevrouw Erika Thijs; Stuk 2-694/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Vragen om uitleg

Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:

van mevrouw Mia De Schamphelaere aan de minister van Justitie over "de omzetting van de richtlijn ter bestrijding van de betalingsachterstand" (nr. 2-411)

van de heer Johan Malcorps aan de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking en aan de staatssecretaris over "de sociale en ecologische gevolgen van de uitvoer van Belgische tweedehandswagens naar West-Afrika" (nr. 2-412)

van de heer Vincent Van Quickenborne aan de minister van Justitie over "de uitspraken van de minister over de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, ontsmettingsstoffen en antiseptica" (nr. 2-413)

van mevrouw Anne Marie Lizin aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over "het beleid dat ten aanzien van Afghanistan zal worden gevoerd tijdens het Belgisch voorzitterschap van de Europese Unie" (nr. 2-414)

van de heer Frank Creyelman aan de vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid over "de discriminatie van nationalisten door de vakbonden en de dienstverlening door de Hulpkas voor Werklozen" (nr. 2-415)

van de heer Jan Steverlynck aan de minister van Landbouw en Middenstand over "de mond- en klauwzeerepidemie" (nr. 2-416)

van de heer Jan Steverlynck aan de minister van Financiën over "de hervorming van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen en de integratie van de Controledienst voor de verzekeringen" (nr. 2-417)

van mevrouw Erika Thijs aan de vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid over "bepaalde sociaalrechtelijke problemen in het kader van buitenlandse adopties" (nr. 2-418)

van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Sociale Zaken en Pensioenen over "de terugbetaling van behandelingen in een medisch pediatrisch centrum aan zelfstandigen" (nr. 2-419)

van de heer Jan Steverlynck aan de minister van Sociale Zaken en Pensioenen en aan de minister van Landbouw en Middenstand over "de toegelaten arbeid bij arbeidsongeschiktheid voor zelfstandigen" (nr. 2-420)

van mevrouw Erika Thijs aan de minister van Financiën over "de fiscaal vrijgestelde giften aan erkende adoptiediensten" (nr. 2-421)

van mevrouw Erika Thijs aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over "het gebruik van pesticiden in de ontwikkelingslanden en de gezondheidsrisico's" (nr. 2-422)

van mevrouw Erika Thijs aan de minister van Landsverdediging over "de deelname van Belgische F-16's aan een luchtvaartmeeting in Zuid-Afrika" (nr. 2-423)

van mevrouw Erika Thijs aan de minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties over "de telefoontarieven" (nr. 2-424)

van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Financiën over "de fiscale controle van de belastingaangifte" (nr. 2-425)

van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Justitie over "de zoekacties in de gevangenis van Leuven-Centraal en de commentaar van het Leuvense parket daarop" (nr. 2-426)

van mevrouw Magdeleine Willame-Boonen aan de minister van Financiën over "de aanpassing van het forfaitair bedrag inzake beroepskosten voor zelfstandige onthaalmoeders" (nr. 2-427)

-Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.

Evocatie

De Senaat heeft bij boodschap van 19 maart 2001 aan de Kamer van volksvertegenwoordigers ter kennis gebracht dat tot evocatie is overgegaan, op die datum, van:

Wetsontwerp tot wijziging van sommige bepalingen van het Wetboek van strafvordering en tot wijziging van de wet van 19 februari 2001 betreffende de proceduregebonden bemiddeling in familiezaken (Stuk 2-672/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Non-evocaties

Bij boodschappen van 20 en 22 maart 2001 heeft de Senaat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers terugbezorgd, met het oog op de koninklijke bekrachtiging, de volgende niet geëvoceerde wetsontwerpen:

Wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 162 et 164 van het Burgerlijk Wetboek (Stuk 2-671/1).

Wetsontwerp betreffende het pensioen van het personeel van de politiediensten en hun rechthebbenden (Stuk 2-692/1).

-Voor kennisgeving aangenomen.

Boodschappen van de Kamer

Bij boodschappen van 15 maart 2001 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergadering van dezelfde dag werden aangenomen:

Artikel 77 van de Grondwet

Wetsontwerp tot wijziging van verscheidene bepalingen inzake het federaal parket (Stuk 2-691/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Artikel 79 van de Grondwet

Wetsontwerp tot wijziging van verscheidene wetsbepalingen inzake de voogdij over minderjarigen (Stuk 2-509/1).

-Het wetsontwerp werd ontvangen op 16 maart 2001; de onderzoekstermijn, die overeenkomstig artikel 79, eerste lid, van de Grondwet 15 dagen bedraagt, verstrijkt op dinsdag 17 april 2001.

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Artikel 80 van de Grondwet

Wetsontwerp betreffende het pensioen van het personeel van de politiediensten en hun rechthebbenden (Stuk 2-692/1).

-Het wetsontwerp werd ontvangen op 16 maart 2001; de uiterste datum voor evocatie is woensdag 21 maart 2001.

Kennisgeving

Wetsontwerp tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de voogdij over minderjarigen (Stuk 2-510/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 15 maart 2001 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Ontwerp van bijzondere wet tot invoeging van een artikel 60bis in de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof (van de heer Armand De Decker c.s.; Stuk 2-622/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 15 maart 2001 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp tot wijziging van de artikel 4 van de wet van 6 januari 1989 betreffende de wedden en pensioenen van de rechters, de referendarissen en de griffiers van het Arbitragehof (van de heer Armand De Decker c.s.; Stuk 2-623/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 15 maart 2001 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Arbitragehof - Arresten

Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Arbitragehof - Beroepen

Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Arbitragehof - Prejudiciële vragen

Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Centrale Raad voor het Bedrijfsleven

Bij brief van 15 maart 2001, zendt de voorzitter van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven volgende adviezen over, goedgekeurd tijdens zijn plenaire vergadering van 15 maart 2001:

-Neergelegd ter Griffie.

Economische Overheidsbedrijven - NMBS

Bij brief van 15 maart 2001 zendt de Ombudsman bij de NMBS aan de Senaat, overeenkomstig artikel 46 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, het jaarverslag 2000.

-Neergelegd ter Griffie.

Verzoekschrift

Bij verzoekschrift uit Hannuit zendt de burgemeester van deze stad aan de Senaat een motie betreffende de compensatie van de financiële lasten die op de Waalse gemeenten wegen.

-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.