3-145 | Belgische Senaat | 3-145 |
Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.
Inoverwegingneming van voorstellen
In overweging genomen voorstellen
Arbitragehof - Prejudiciële vragen
Voorzitter: mevrouw Anne-Marie Lizin
(De vergadering wordt geopend om 15.05 uur.)
De voorzitter. - Bij brief van 27 december 2005 heeft de heer Paul Franssen aan de Senaat overgezonden een verzoekschrift tegen het wetsontwerp dat adoptie door personen van hetzelfde geslacht mogelijk maakt.
-Verzonden aan de commissie voor de Justitie en aan de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.
De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.
Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.
Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)
De heer Stefaan Noreilde (VLD). - Een richtlijn uit april 2004 van het College van procureurs-generaal aan de parketmagistraten bepaalt dat bij snelheidscontroles met een handradar best een foutenmarge van zes kilometer per uur wordt gehanteerd. Eergisteren besliste een rechter in Gent echter dat er geen reden bestaat om snelheidsovertredingen vastgesteld door een mobiele radar te corrigeren. De rechter werd gesteund door een expert van Economische Zaken. Bovendien toont een onderzoek van de KULeuven aan dat een foutmarge van zes kilometer per uur te ruim is.
De automobilistenvereniging Touring Wegenhulp eist daarentegen dat de rechter wel rekening blijft houden met de foutenmarge. Touring Wegenhulp argumenteert dat bij de ijking van de toestellen een foutenmarge van 3 procent wordt ingecalculeerd en dat het dus ongehoord is dat de rechtbank daar geen rekening mee houdt.
Blijft de richtlijn van het College van procureurs-generaal van april 2004 onverkort gelden, ook na de uitspraak van de rechter?
Zal de minister het College van procureurs-generaal samenroepen teneinde duidelijkheid te scheppen over hun richtlijn? Zo ja, wanneer? Zo niet, waarom niet? Heeft ze de voorbije dagen reeds contact gehad met één of meerdere leden van het college?
Welk standpunt zal de minister in voorkomend geval bij het college verdedigen?
Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - De richtlijn van het College van procureurs-generaal blijft inderdaad onverminderd gelden zelfs na de uitspraak van de rechter in Gent. De meeste rechtbanken van het land volgen immers vooralsnog deze uitspraak niet.
Vanmiddag vergadert het expertisenetwerk Verkeerveiligheid van het College van procureurs-generaal over de problematiek. Op deze vergadering zal de dienst Metrologie van de FOD Economie worden gehoord. Deze dienst is bevoegd voor het ijken van toestellen, waaronder ook verkeerscamera's. Het college heeft immers op advies van deze dienst de technische tolerantiemarge ingevoerd. Deze marge is gebaseerd op de maximumfoutmarge die is opgenomen in een koninklijk besluit betreffende de technische specificaties van verkeerscamera's.
Wanneer de dienst Metrologie zegt dat er inderdaad geen reden meer is om een tolerantiemarge te behouden of eventueel een kleinere marge te hanteren, dan zal het college zijn omzendbrief aanpassen.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De inhoud van een vonnis of arrest wordt zeer zelden ter zitting voorgelezen, hoewel de Grondwet dat uitdrukkelijk bepaalt. Bovendien wordt de uitspraak in vele zaken herhaalde malen uitgesteld.
De partijen en hun raadslieden doen dan ook niet altijd de moeite om op de dag van de vastgestelde uitspraak ter zitting of ter griffie kennis te nemen van de inhoud van een uitspraak. Om te weten of een uitspraak is geveld en om kennis te nemen van de inhoud van de uitspraak wordt dan telefonisch contact opgenomen met de griffie, aangezien dat eventueel tijdverlies bespaart.
In een aantal rechtbanken en hoven van beroep hebben de hoofdgriffiers aan de griffiers de instructie gegeven om de inhoud van het beschikkende gedeelte van de uitspraak niet telefonisch mee te delen, zelfs niet aan de advocaten van de betrokken partijen. Er wordt enkel meegedeeld of er al dan niet een uitspraak is geveld. In dringende zaken, zoals zaken in kort geding, of in zaken met een bijzonder - financieel - belang is dit erg hinderlijk. De partijen moeten zich dan zelf bij de griffie aanmelden om kennis te nemen van de uitspraak of ze moeten een lokale advocaat verzoeken dat te doen. Dat maakt de zaken nodeloos gecompliceerd.
Heeft de hoofdgriffier de bevoegdheid om dergelijke instructies uit te vaardigen?
Om welke redenen weigeren bepaalde hoofdgriffiers om het beschikkende gedeelte van een uitspraak telefonisch mee te delen?
Vanwaar het onderscheid in beleidslijn tussen verschillende rechtbanken en hoven?
Wat is het standpunt van de minister?
Zal de minister instructies geven aan de hoofdgriffiers om het beschikkende gedeelte van uitspraken ook telefonisch of per fax mee te delen?
Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Dat de inhoud van een vonnis of een arrest zelden ter zitting wordt voorgelezen, komt alleen bij burgerlijke zaken voor. In strafzaken worden de vonnissen altijd ter zitting uitgesproken.
Bij rechterlijke beslissingen geldt het algemene principe dat de inhoud van een burgerlijk vonnis of arrest buiten de openbare terechtzitting alleen ter kennis van de partijen zelf mag worden gebracht. Dat principe geldt dus ook voor de telefonische mededeling. Een griffier is gebonden aan het beroepsgeheim en mag de inhoud van de rechterlijke beslissingen niet zomaar aan derden meedelen.
Als een griffier telefonisch wordt verzocht om de inhoud van een rechterlijke beslissing mee te delen, kan hij niet met zekerheid controleren wie er aan de andere kant van de lijn is. Om volstrekt zeker te zijn moet hij de persoon de visu zien. Om die reden weigeren sommige rechtbanken en hoven om telefonisch de inhoud van rechterlijke beslissingen mee te delen. Dat probleem rijst natuurlijk niet als de griffier de stem van de advocaat herkent.
Bij rechtbanken die de inhoud van rechterlijke beslissingen wel telefonisch meedelen worden in principe wel het rolnummer van de zaak of enkele persoonlijke gegevens van de partijen gevraagd. Zo heeft de griffier toch bijna volstrekte zekerheid over de identiteit van de partijen.
De griffies kunnen wat mij betreft hierover autonoom blijven beslissen.
Bij zeer dringende zaken is het trouwens aan te bevelen dat de advocaat op de terechtzitting aanwezig is, zodat hij met het oog op de betekening van het vonnis meteen na de uitspraak een grosse kan vragen.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Er bestaat dus geen regeling die de griffiers verbiedt de inhoud van een vonnis of arrest buiten de openbare terechtzitting mee te delen. Dat is een goede zaak. Want aangezien een uitspraak, bijvoorbeeld in de hoven van beroep, vaak wordt uitgesteld, zou men zich anders meermaals naar de rechtbank moeten begeven.
Ik ben het ermee eens dat bij telefoongesprekken zekerheid moet bestaan over de identiteit van de raadsman. Ik stel dan ook voor dat een modus vivendi wordt gezocht, bijvoorbeeld door het verstrekken van een codenummer aan de advocaten. In dit computertijdperk kan het toch niet dat een advocaat te Brussel een advocaat in Antwerpen moet belasten met de opdracht informatie in te winnen bij de griffie te Antwerpen en die dan naar het kantoor te Brussel te faxen.
Mevrouw Joëlle Kapompolé (PS). - Door een wijziging van de wet van 10 april 1990 kregen de erkende beveiligingsondernemingen opnieuw de mogelijkheid als onderaannemer te werken voor bepaalde bewakingsdiensten die verband houden met hun beroepsactiviteit.
De aanvankelijke regelgeving had als belangrijkste nadelige effect dat de meeste installateurs niet langer een globale veiligheidsoplossing, namelijk de installatie en het dienstencontract, konden aanbieden.
Dat euvel speelde in het voordeel van de bewakingsondernemingen die over een eigen alarmcentrale beschikken en dus ook over het monopolie om aan de klant een globaal veiligheidscontract aan te bieden. Het resultaat hiervan was concurrentievervalsing.
De minister was zich bewust van dit probleem en heeft de wet gewijzigd zodat erkende beveiligingsbedrijven als onderaannemer voor bewakingsdiensten kunnen blijven werken.
Vandaag blijkt echter dat volgens de Europese Commissie de Belgische erkenning van een beveiligingsonderneming het vrije verkeer van goederen en diensten in de Europese Unie zou belemmeren.
Zonder erkenning zou het recht op onderaannemerschap nietig zijn. Bovendien zouden bepaalde beroepsverenigingen artikel 17bis kunnen aangrijpen om de wet bij hoogdringendheid te laten toepassen en zodoende hun commerciële strategie op te leggen.
Vandaag heerst grote ongerustheid bij 700 beveiligingsondernemingen.
Wat is de minister van plan om de rechten van de installateurs van veiligheidssystemen te vrijwaren? Ze hebben die immers nauwelijks een jaar geleden teruggewonnen.
De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - Ik zou wat nadere uitleg willen geven bij de ingebrekestelling aan het adres van de Belgische overheid. Het met redenen omkleed advies van de Europese Commissie van 13 december 2005 zet noch de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid op de helling, noch het erkenningssysteem voor de beveiligingsbedrijven. De Commissie betwist alleen bepaalde artikelen van een uitvoeringsbesluit, met name het koninklijk besluit van 19 juni 2002 tot vaststelling van de voorwaarden voor installatie, onderhoud en gebruik van alarmsystemen en beheer van alarmcentrales. Bijgevolg zet de procedure van de Europese Commissie noch het erkenningssysteem voor beveiligingsbedrijven, noch de mogelijkheid voor die bedrijven om bepaalde bewakingsopdrachten in onderaanneming uit te voeren op losse schroeven. Het wettelijke recht om als onderaannemer te werken komt dus niet in het gedrang.
Momenteel onderzoeken wij hoe we het koninklijk besluit van 19 juni 2002 kunnen wijzigen, opdat het voldoet aan de eisen van de Commissie. De sector zal hierover worden gehoord.
Mevrouw Joëlle Kapompolé (PS). - Ik dank de minister voor zijn antwoorden. Ze klinken geruststellend voor de bedrijven in de sector.
De heer Jean Cornil (PS). - Tijdens de kerstvakantie verklaarde de vice-eerste minister in een interview met de Gazet van Antwerpen dat al wie illegalen helpt of onderdak verleent, zal worden gestraft. De vice-eerste minister verwees terecht naar de artikelen 77 en 77bis van de wet van 15 december 1980 betreffende het administratief statuut van de vreemdelingen.
De socialistische fractie verheugt zich over de vastberadenheid waarmee de vice-eerste minister de strijd wil aanbinden tegen de netwerken die kwetsbare personen en meer in het bijzonder illegalen, uitbuiten. Zij maken zich daarbij schuldig aan mensenhandel of aan andere vormen van moderne slavernij.
We kunnen echter niet aanvaarden dat iemand gestraft kan worden omdat hij om humanitaire redenen andere personen helpt of er solidair mee is, ook al gaat het om illegalen. Artikel 77 van de wet van 1980 bepaalt overigens dat iemand die hoofdzakelijk om humanitaire redenen hulp verleent, niet strafbaar is.
De verklaringen van de vice-eerste minister hebben uiteraard voor een zekere beroering gezorgd bij de verenigingen en personen die vinden dat het hun plicht is illegalen om strikt humanitaire redenen te helpen.
Kan de vice-premier zijn verklaringen toelichten, meer bepaald wat de voorgenomen straffen betreft? Wat denkt hij over bepaalde concrete situaties? Hebben zijn verklaringen bijvoorbeeld ook betrekking op personen die illegalen onderdak verlenen?
De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - Op grond van de wet van 1980 moet het illegale verblijf als een inbreuk worden beschouwd. Iemand die hier willens en wetens illegaal verblijft, kan dus geen aanspraak maken op welk verblijfsrecht ook.
Overeenkomstig artikel 77 van de wet van 1980 betreffende het verblijf van vreemdelingen kan een persoon die een illegaal in ons land verblijvende vreemdeling helpt, worden gestraft. In 1996 werd een uitzondering ingevoerd om de strafrechtelijke sanctie ingeval van hulpverlening `om voornamelijk humanitaire reden' op te heffen. Dit artikel werd meermaals gewijzigd. De jongste wijziging bij de wet van 10 augustus 2005 brengt de maximum gevangenisstraf van drie maanden op één jaar ingeval van een inbreuk op de bepalingen van artikel 77. Het artikel werd dus helemaal niet versoepeld, zoals sommigen wilden doen geloven.
In een democratische rechtsstaat is de strafvordering een bevoegdheid van de parketten. De interpretatie van een strafwet gebeurt via de rechtspraak en dus door de strafrechter. In eerste instantie is het de taak van het parket en de procureur des Konings en in tweede instantie die van de strafrechter om te oordelen of er sprake is van de uitzondering in artikel 77 dan wel of het om een inbreuk gaat.
We stellen vast dat de gerechtelijke autoriteiten deze uitzondering tot nog toe ruim hebben geïnterpreteerd. Uit de memorie van toelichting van de wijzigingswet van augustus 2005 blijkt eveneens dat de uitzondering om humanitaire redenen in feite betrekking heeft op alle niet-economische en niet-criminele redenen.
Naast artikel 77 maken nog andere artikelen van de vreemdelingenwet en van strafwetten de bestraffing mogelijk van mensenhandel en van de seksuele of economische uitbuiting van personen, al dan niet met misbruik van hun precaire administratieve toestand.
Overeenkomstig artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering moeten ambtenaren inbreuken aan het parket melden.
Ook particulieren kunnen het parket op de hoogte brengen. Soms is het gewoon een kwestie van burgerzin.
Ik herhaal dat ik niet kan aanvaarden dat uitgeprocedeerde asielzoekers weigeren het grondgebied te verlaten en zo lang mogelijk aan uitzetting trachten te ontsnappen. De asielzoekers en hun gezinnen komen daardoor in de illegaliteit terecht.
We mogen ook niet vergeten dat criminele netwerken misbruik maken van de precaire administratieve toestand van vele mensen die met valse beloften naar het Westen worden gelokt en er alle mogelijke vormen van economische en seksuele uitbuiting moeten ondergaan. Een aangifte kan bijgevolg ook in het belang zijn van de vreemdeling.
De wet van 10 augustus 2005 versterkt en verruimt ook het strafrechtelijk optreden tegen elke vorm van mensenhandel en van economische en seksuele uitbuiting.
Er bestaat dus geen enkele twijfel over dat het illegale verblijf en de hulp die aan deze vreemdelingen wordt geboden, een inbreuk betekenen op de wet. In geval van humanitaire hulp is er geen inbreuk, hoewel die hulp niet overeenstemt met de algemene beleidslijn dat vreemdelingen die hier illegaal verblijven, het grondgebied moeten verlaten. Ik hoop dat hierover geen discussie bestaat. Als dit principe op de helling wordt gezet, wordt België het land van belofte voor alle illegale vreemdelingen in Europa, waardoor de stellingen van extreem rechts alleen maar aan kracht zullen winnen.
Samen met mijn collega Christian Dupont, die bevoegd is voor sociale integratie en die over een budget beschikt voor de vrijwillige terugkeer, wil ik een campagne op touw zetten om de vrijwillige terugkeer aan te moedigen. Terugkeer onder dwang moet altijd het ultieme middel blijven, zoals ook in het rapport Vermeersch wordt bevestigd.
Ik zal dus blijven doen wat van de minister van Binnenlandse Zaken wordt verwacht, namelijk de wet toepassen. Persoonlijk heb ik begrip en sympathie voor de wijkcomités en de verenigingen die opkomen voor `hun' illegalen. Ik moet echter mijn politieke verantwoordelijkheid opnemen. Vóór alles wil ik een doeltreffend beleid voeren dat rekening houdt met de toestand van de echte vluchtelingen in de zin van de Conventie van Genève. Ik heb daartoe overigens een aantal initiatieven genomen, zoals de hervorming van de asielprocedure en de bilaterale contacten voor het afsluiten van terugkeerakkoorden.
De heer Jean Cornil (PS). - Het antwoord van de minister is tegelijk humaan, volledig en genuanceerd. Ik wilde hem vooral duidelijk horen zeggen dat hulp om niet-economische en niet-criminele redenen geen aanleiding geven tot strafrechtelijke vervolging. Ik zal die boodschap doorgeven aan diegenen die vinden dat het hun plicht is solidair te zijn met deze bijzonder kwetsbare mensen.
Mevrouw Nele Jansegers (VL. BELANG). - Artikel 14, tweede lid, van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid, de zogenaamde `wet-Tobback', verplicht de minister van Binnenlandse Zaken jaarlijks, vóór 30 oktober, schriftelijk verslag uit te brengen over de toepassing van deze wet. Meer in het bijzonder moet de minister de Kamer op de hoogte brengen van `de evolutie van de technische middelen die het veiligheidsrisico voor de bewakingsagenten bij de uitvoering van hun opdrachten beperken, alsook de maatregelen die werden genomen teneinde het gebruik van deze middelen te bevorderen'.
Er kan weliswaar worden verwezen naar het jaarlijks activiteitenverslag van de Algemene Directie Veiligheids- en Preventiebeleid, waarin een hoofdstuk aan de `regelgeving en controle op de private veiligheidssector' is gewijd, maar daarin is niets terug te vinden over de evolutie van de technische middelen, noch over de maatregelen die in dit kader zouden zijn genomen. Het laatste verslag, zoals bedoeld in de `wet-Tobback' en ingediend bij de Kamer, heeft betrekking op de jaren 1999-2000.
Klopt het dat de minister deze verslagen al vijf jaar niet meer aan de Kamer heeft bezorgd ondanks de wettelijke verplichting? Wat zijn daarvoor de redenen?
Worden de ontbrekende verslagen van de voorbije jaren alsnog ingediend, en zo ja, wanneer? Hoe ver staat het met het verslag dat vóór 30 oktober 2005 moest worden ingediend en wanneer mogen we het verwachten?
De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - De wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid bepaalt effectief dat de minister van Binnenlandse Zaken jaarlijks schriftelijk verslag uitbrengt aan de Kamer over de toepassing van deze wet. Een dergelijk verslag wordt wel degelijk elk jaar aan het Parlement bezorgd. Sinds een aantal jaren maakt het deel uit van het Activiteitenverslag van de Algemene Directie Veiligheids- en Preventiebeleid. Het laatste Activiteitenverslag betreft het jaar 2004 en werd op 14 december 2005 bezorgd aan de leden van de commissies voor de Binnenlandse Zaken zowel van Kamer als Senaat.
De verplichting om de Kamer jaarlijks op de hoogte te brengen van de evolutie van de technische middelen die het veiligheidsrisico van de bewakingsagenten kunnen beperken en de maatregelen die worden genomen om het gebruik van deze middelen te bevorderen, werd naar aanleiding van de wetswijziging van 7 mei 2004 opgenomen in de wet. In het Activiteitenverslag van de Algemene Directie wordt aandacht besteed aan de evolutie van de middelen. Zo staat er bijvoorbeeld vermeld dat het beleid erop gericht is om het gebruik van neutralisatiesystemen bij het detailtransport van geldbiljetten te veralgemenen. In mijn algemene beleidsnota van november vorig jaar heb ik bovendien aan de Kamer ook een overzicht gegeven van die fenomenen waarmee we in 2005 werden geconfronteerd en de maatregelen die we ter zake moeten nemen.
Uit dit alles blijkt dat dus wel degelijk is voldaan aan de wettelijke bepalingen. Een schriftelijk verslag voor het jaar 2005 zal dus, net zoals in de voorgaande jaren, in het najaar worden bezorgd.
Mevrouw Nele Jansegers (VL. BELANG). - Volgens de Griffie van de Kamer, die we hierover hebben gecontacteerd, is er sinds het Activiteitenverslag van 1999-2000 geen verslag meer ingediend dat aan de criteria voldoet.
De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - Ten overvloede herhaal ik dat het deel uitmaakt van het Activiteitenverslag van de Algemene Directie. Dat is al sinds jaren de praktijk.
Mevrouw Stéphanie Anseeuw (VLD). - Op 30 januari 2004 stelde de minister in een kranteninterview omtrent de zondagsrust het volgende: `'s Zondags shoppen moet kunnen, maar in beperkte mate. Ik begrijp dat mensen uit zijn op funshopping. Vooral in de grensstreken moeten we daar rekening mee houden. Als wij in Doornik of Kortrijk alles verbieden, verjagen we de klanten naar Rijsel.'. Dit is klare taal. In september 2004 ging ze echter overstag. Eensklaps stelde ze dat het systeem van de wekelijkse rustdag de regel wordt. Uitzonderingen zouden worden toegestaan indien de gemeenten hun toeristisch karakter kunnen aantonen. Ook aangaande de discotheken geeft ze blijk van een originele invulling van het begrip `liberaliseren'. In september 2004 stelt de minister dat ze verplicht zullen moeten sluiten tussen 8 uur en 15 uur, behalve als de gemeente anders beslist. Deze week luidde het dat ze verplicht moeten sluiten tussen 05.00 u en 12.00 u, behoudens als de gemeente anders beslist. Wederom is er sprake van een omgekeerde liberalisering. Inzake de buurtwinkels had de minister goed nieuws, aldus een interview dat ze in september 2005, drie maanden geleden dus, gaf en waarin ze haar nieuwe wetsontwerp toelichtte: `Voor kleinere voedingswinkels tot 150 m² geldt geen sluitingstijd meer. Ze mogen zelfs 24 uur op 24 open blijven, maar zonder sterke drank te verkopen.' Duidelijker kon het niet. Ze gaf expliciet aan dat deze maatregel werd getroffen om de kleine zelfstandige te kunnen laten concurreren met de supermarkten. Deze week vernamen we via de pers dat ze ook hier overstag gaat. De gemeenten zullen de onbeperkte openingsuren van de kleine voedingswinkels kunnen inkorten. Meer nog, ze zullen zelfs de sluiting van de winkels kunnen bevelen.
Kan de minister aangeven waarom zij plots de regelgeving aangaande de wekelijkse rustdag omkeert, waarbij de verplichte rustdag de regel wordt en kan zij aangeven waarom zij geen rekening meer houdt met de winkeliers in de grensstreek?
Is de minister bereid om het aantal koopzondagen uit te breiden tot bijvoorbeeld een twaalftal koopzondagen en kan zij dit uitvoerig toelichten?
Kan de minister toelichten waarom zij een sluitingsuur voor discotheken wil invoeren en waarom zij is afgeweken van haar oorspronkelijke voornemen om deze te sluiten van 8.00 u tot 15.00 u?
Kan de minister uitleggen waarom zij niet achter haar voornemen blijft staan om de kleine buurtwinkels geen sluitingstijd meer op te leggen?
Vreest de minister niet dat de sluitingsuren voor de kleine buurtwinkels enorm gaan variëren, al naar gelang de gemeente waar ze gevestigd zijn? Kan zij verduidelijken hoe dit hun concurrentiekracht ten opzichte van de supermarkten zal verhogen?
Mevrouw Sabine Laruelle, minister van Middenstand en Landbouw. - De wekelijkse rust wordt nu toegekend aan de sectoren die het via hun beroepsfederatie aanvragen. Niet alle sectoren hebben evenwel een beroepsfederatie. Voor de grenshandel is er geen verandering.
Met mijn wetsontwerp, dat in vijftien zondagafwijkingen per jaar voorziet, wil ik de gemeenten een wettelijke basis geven. Als ze het nodig achten kunnen ze via een gemeentelijk reglement de dancings sluitingsuren opleggen. De verplichte sluiting zou pas aanvullend zijn bij afwezigheid van een gemeentelijk reglement.
Zowel de Hoge Raad voor Zelfstandigen en KMO als de Raad voor het Verbruik hebben een advies uitgebracht tegen elke uitbreiding van de openingsuren. Ik zal deze adviezen volgen want ze zijn afkomstig van de vertegenwoordigers van de handelaars en de verbruikers.
Er zal ten slotte geen verschil zijn in de openingsuren tussen de verschillende gemeenten, behalve in de toeristische centra. Dat is overigens momenteel al het geval.
De voorzitter. - De heer Bruno Tuybens, staatssecretaris voor Overheidsbedrijven, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken, antwoordt namens de heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken.
De heer Alain Destexhe (MR). - Verschillende senatoren, waaronder ikzelf, hebben de minister van Justitie op 20 oktober reeds gevraagd wat het standpunt van de Belgische regering was over de vraag om uitwijzing van de heer Hissène Habré. Sedertdien heeft de kamer van inbeschuldigingstelling van Dakar zich onbevoegd verklaard om een uitspraak te doen over de vraag om uitwijzing van Hissène Habré, die opnieuw huisarrest kreeg tot januari 2006.
Het laatste middel om de uitwijzing van Hissène Habré te bekomen zou dus zijn dat president Wade een uitwijzingsbevel afkondigt. Ondanks zijn verklaringen in de zin van een uitwijzing, wenst president Wade eerst zijn ambtgenoten van de Afrikaanse Unie, die op 23 en 24 januari samenkomt, te raadplegen.
Mogen we aannemen dat het dossier over de uitwijzing van Hissène Habré naar België in een uitsluitend diplomatieke fase is beland of bestaan er nog juridische middelen, inzonderheid via het VN-Verdrag tegen foltering, waarvan België en Senegal partij zijn? Welke procedure zou in dat geval worden aangewend? Ik heb de indruk dat we ons eerder in een diplomatieke fase bevinden.
Welke initiatieven heeft de minister genomen via de contacten van België met een aantal Afrikaanse landen om de aandacht van de leiders van de Afrikaanse Unie op deze zaak te vestigen? Mevrouw Onkelinx heeft ons geantwoord dat het Belgische gerecht volkomen bereid was het nodige te doen om de uitwijzing van Hissène Habré te bekomen. De diplomatie moet dan wel iets doen om die wens te concretiseren. In vroegere gevallen, zoals de zaak-Pinochet en de zaak van majoor Ntuyahaga, die verdacht wordt van de moord op onze para's in Rwanda, die uitgeweken is naar Tanzania en lange tijd onder uitwijzingsbevel stond, was het zonder de mobilisatie van de voltallige Belgische diplomatie niet mogelijk de vraag om uitwijzing te concretiseren. Volgens verschillende bronnen is de Belgische diplomatie zeer voorzichtig en werden onze Europese partners niet echt gecontacteerd, hoewel ze ons kunnen helpen. Als niet alleen België, maar de Europese Unie in haar geheel druk zou uitoefenen op Senegal, zouden de kansen op slagen groter zijn. Welke initiatieven zal de regering nemen om de hoofdsteden van de Afrikaanse Unie en de Europese Unie te sensibiliseren en te mobiliseren om ons te helpen de uitwijzing van Hissène Habré naar België te bekomen?
Kan de minister de politieke wil van de Belgische regering bevestigen om de zaak aanhangig te maken bij het Internationale Hof van Justitie als president Wade weigert het uitwijzingsbevel af te kondigen?
Heeft de Belgische regering al contact gehad met haar partners van de Europese Unie en de Hoge Vertegenwoordiger voor het GBVB om ervoor te zorgen dat president Wade de uitwijzing van Hissène Habré naar België toestaat?
De heer Bruno Tuybens, staatssecretaris voor Overheidsbedrijven, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. - Ik geef het antwoord van de heer De Gucht, die in het buitenland is.
De minister van Buitenlandse Zaken zegt dat al verschillende pogingen werden ondernomen om van de Senegalese regering te weten te komen welk gevolg ze zal geven aan de vraag om uitwijzing van Hissène Habré. De Senegalese autoriteiten hebben eind december via officiële weg bevestigd dat de kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep in Dakar zich onbevoegd heeft verklaard en beslist heeft het dossier van Hissène Habré over te zenden naar de Afrikaanse Unie. Die zou het moeten behandelen op de Top van Khartoem eind deze maand en beslissen welk gevolg eraan moet worden gegeven.
De Belgische regering heeft bij die pogingen gewezen op het verdrag dat aan de basis ligt van de Belgische vraag, de interpretatie van het beginsel `uitwijzen of berechten', alsook op de procedure bepaald in artikel 30 van het Verdrag tegen foltering van 10 december 1984.
De Afrikaanse Unie werd ingelicht over het standpunt van de Belgische regering en over het kader waarin ze de vraag om uitwijzing aanhangig heeft gemaakt bij de Senegalese regering.
Gelijkaardige pogingen werden ondernomen bij de partnerlanden van de Europese Unie. Er wordt ook overleg gevoerd met het Oostenrijkse voorzitterschap om de mogelijkheid te onderzoeken van een specifieke actie van de Europese Unie bij de Afrikaanse Unie.
De Belgische regering blijft deze zaak van nabij volgen. Ze zal zorgvuldig de beslissingen van de Afrikaanse Unie onderzoeken, alsook de beslissing die vervolgens aan de regering van Senegal zal worden medegedeeld.
De heer Alain Destexhe (MR). - Met betrekking tot de Europese contacten is het antwoord onvolledig. Is een actie of een gemeenschappelijke verklaring mogelijk? Zijn er naast België nog andere landen bereid om diplomatieke stappen te ondernemen? De inzet is belangrijk, want het gaat over de mogelijkheid om iemand te berechten die afschuwelijke misdaden heeft begaan en dus over de mogelijkheid om geen straffeloosheid te garanderen voor criminelen en dictators op wie het Internationaal Strafhof geen vat heeft. Het mandaat van dat Hof heeft een aanvang genomen in juli 2002. Het Hof kan alleen optreden voor de staten die het hebben erkend en voor de door de Veiligheidsraad gewenste situaties. Daardoor blijven heel wat dictators en misdadigers buiten het toepassingsgebied van het internationaal gerecht. De zaak van Hissène Habré is belangrijk, want ze kan een precedent vormen om de straffeloosheid voor die misdaden te bestrijden.
De heer Christian Brotcorne (CDH). - De stopzetting van het goederenverkeer op lijn 86 tussen Leuze en Frasnes leidt tot ongerustheid bij vele medeburgers. Dat blijkt uit het advies van het Raadgevend comité van de Gebruikers van de NMBS-groep. De beslissing zou ingegeven zijn door redenen van rentabiliteit. De reconversie van de lijn, mogelijk tot een fietspad, zou worden overwogen.
Op welke manier gaat de NMBS tewerk in dergelijke gevallen? Gebeurt er een objectieve analyse? Wordt rekening gehouden met de industrie? Wordt alleen rekening gehouden met de rentabiliteit in termen van exploitatiekosten en potentiële gebruikers of denkt men ook aan de algemene strategie om het vervoer per spoor hoe dan ook voorrang te geven op het wegvervoer?
Telkens een goederenlijn wordt afgeschaft, neemt het aantal vrachtwagens op onze wegen toe. In mobiliteitsdiscussies horen we nochtans voortdurend pleiten voor intermodaal vervoer via de weg, het spoor en het water.
In dit geval gaat het om een volledige lijn. Ze loopt niet dood en kan eventueel opnieuw worden gebruikt voor reizigersvervoer als de energiekosten sterk zouden stijgen. Een dergelijke lijn kan ook de economische reconversie van dat deel van Henegouwen ten goede komen.
Heeft men er alles aan gedaan om de exploitatiecapaciteit van die spoorlijn te kunnen behouden? Heeft men eraan herinnerd dat het beheerscontract Infrabel oplegt de capaciteit van het spoorwegnet minstens te behouden op het niveau dat bestond op de datum van ondertekening van het beheerscontract met de NMBS?
Als de beslissing onherroepelijk is, kunnen we dan de garantie krijgen dat de infrastructuur door Infrabel wordt behouden en onderhouden met het oog op nieuwe uitdagingen die zich in de toekomst kunnen aandienen?
De heer Bruno Tuybens, staatssecretaris voor Overheidsbedrijven, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. - Advies 05/40 van het Raadgevend comité van de Gebruikers van de NMBS-groep wordt door de betrokken diensten bestudeerd. Het comité zou binnenkort een gedetailleerd antwoord moeten krijgen.
De directie Netwerk heeft bij brief van 19 september inderdaad een einde gemaakt aan het contract van de enige gebruiker van die lijn, maar heeft geen enkele officiële beslissing genomen over de buitengebruikstelling en dus ook niet over de demontage van dat lijngedeelte.
De heer Christian Brotcorne (CDH). - Er is dus nog geen definitieve beslissing genomen. Ik kijk met belangstelling uit naar de antwoorden op de vragen van het Raadgevend comité van de Gebruikers.
De voorzitter. - De heer Brotcorne verwijst naar zijn schriftelijk verslag.
-De algemene bespreking is gesloten.
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 3-1442/1.)
-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.
-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.
De voorzitter. - De heer Galand verwijst naar zijn schriftelijk verslag.
De heer Luc Willems (VLD). - Het verheugt me dat de Senaat zich eindelijk over dit wetsvoorstel kan uitspreken, want het heeft al een lange weg afgelegd.
Het voorstel heeft tot doel de markt van de distributie van de bancaire producten, die tot dusver een vrij gesloten markt was, vrij te maken. De richtlijn 93/5 van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen bepaalt tot dusver dat een zelfstandige in de banksector exclusief voor één instelling moet werken. Een aantal jaren geleden is er een eerste aanpassing gekomen door een initiatief in de Kamer, waaraan de hier aanwezige minister Landuyt nog hard heeft mee gewerkt. Die verbetering bestond erin dat de bestaande wet op de handelsagentuur, die merkwaardig genoeg niet gold voor zelfstandige tussenpersonen in de bank- en verzekeringssector, ook voor deze tussenpersonen van toepassing werd. Daardoor kregen ook zij een zekere sociale bescherming tegenover vooral de grootbanken.
Een groot probleem bleef evenwel dat er in de bancaire sector geen enkele wettelijke regeling bestaat inzake de vereisten waarover mensen moeten beschikken om in die sector werkzaam te zijn. Nochtans is het voor de consument belangrijk te weten dat deze mensen over voldoende talenten en beroepsbekwaamheid en over voldoende financiële draagkracht beschikken. De sector is immers zeer fraudegevoelig. Het is in ons land bij manier van spreken gemakkelijker om in de banksector te beginnen werken dan om haarkapper te worden. Het is dus goed dat we met dit voorstel eindelijk een volwaardig wettelijk statuut uitwerken voor de bankagent en de bankmakelaar.
De richtlijn 93/5 van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen die de basis was voor de exclusiviteit, had in feite geen wettelijke basis. Pas met het arrest-Petercam heeft de Raad van State geoordeeld dat de Commissie wel bevoegd is om richtlijnen op te stellen in het kader van haar toezichtrol, maar niet om wetgevende regels te maken. Ze kan niet tegelijk wetgever, controleur en rechter zijn. De Commissie heeft daarop haar conclusies getrokken en samen met de Controledienst voor de Verzekeringen een studie laten maken om de exclusiviteit te laten schrappen, de zelfstandige distributie vrij te maken en de concurrentie te laten spelen. Dit is zowel in het voordeel van de zelfstandigen in de sector als van de consumenten, omdat ze de producten dan beter kunnen vergelijken.
In de verzekeringssector is het statuut van de agenten en makelaars wel wettelijk geregeld. De voorzitter van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen heeft op een bepaald ogenblik voorgesteld een groot statuut voor de twee sectoren uit te werken. De toenmalige minister van Economie Moerman vond het echter beter de bancaire en de verzekeringssector volledig uit elkaar te houden, omdat ze totaal andere producten verhandelen. Ze wilde een apart statuut voor de bankagenten en bankmakelaars.
Steeds meer verzekeringsproducten lijken op beleggingsproducten. Voor de consument is het niet altijd duidelijk of het om een bank- of een verzekeringsproduct gaat. Daarom is een opsplitsing in de distributie van die producten nodig. De exclusiviteit van de bankagenten is onder druk komen te staan. De minister van Financiën was het er daarom mee eens dat er een initiatief moest worden genomen om het statuut van de banktussenpersoon uit te werken binnen de Senaat. Hij is daarop een overleg gestart met de sector, zowel met de tussenpersonen als de producenten - de banken - en de betrokken overheidsdiensten binnen het kader van de raad van toezicht die ingevolge de wet van 2 augustus 2002 is opgericht. In december 2004 heeft dat overleg tot een standpunt geleid. Dat houdt in dat er zowel agenten - dat zijn zelfstandige tussenpersonen die exclusief voor één bankinstelling werken - als makelaars moeten kunnen optreden binnen de financiële sector. De makelaar vergelijkt voor de klant producten van meerdere instellingen. Hij kan voor meerdere instellingen werken.
De CBFA waarschuwde voor het ontstaan van nieuwe fraudemechanismen. Zij stuurde erop aan enkel met girale geldmiddelen te werken. Dat standpunt wordt ook ondersteund door de richtlijn van de Europese Commissie betreffende de markten voor financiële instrumenten die ondertussen in werking is getreden binnen de Europese Unie. In artikel 3 van die richtlijn wordt opgelegd dat nationale staten die een eigen statuut voor makelaars willen instellen, de verplichting moeten invoeren op girale wijze te werken in plaats van met cash.
Er bleef nog de vraag over de beperkingen die aan de makelaar kunnen worden opgelegd in het aanbod van producten. De makelaar mag zich nu immers tot de consument richten met bancaire producten. Hij treedt niet meer op onder het logo van één bepaalde bank, maar kan de consument verschillende producten van verschillende banken aanbieden. Er is gekozen voor een ruime mogelijkheid in het aanbod van financiële producten. Dat kunnen zelfs spaarrekeningen zijn.
In de commissie voor de Financiën in de Senaat is er uiteindelijk een consensus over het wetsvoorstel tot stand gekomen. Indien deze tekst wet wordt, zal deze in Europa aan de spits staan op het vlak van de vrije bankmarkt. In alle Europese landen zitten de productie en de distributie van bankproducten in één hand. Er is een verticale integratie. Met dit wetsvoorstel worden productie en distributie gesplitst, zoals dat ook in andere economische sectoren het geval is. Deze tekst kan misschien een model worden voor een toekomstige Europese richtlijn omtrent bankbemiddeling.
Het voorstel is voldragen. De intentie van de commissie bestond erin deze wetgeving op 1 juli 2006 in werking te laten treden. Ik hoop dat de Kamer het voorstel vrij vlug zal behandelen en dat de CBFA nog tijdig de nodige richtlijnen opstelt.
Er zijn nog opmerkingen gemaakt, onder meer over de beperking inzake het werken met cash geld. Het gebruik van cash geld is echter niet meer echt van deze tijd. Er wordt gezocht naar transparantie in de financiële stromen, ook om de consument te beschermen. Die discussie is dus enigszins achterhaald.
Er werd ook een aantal opmerkingen gemaakt over de mogelijke verwarring tussen beleggingsdiensten en verzekeringsproducten. In het antwoord op een vraag van collega Steverlynck in de commissie is dat onderscheid duidelijk gemaakt.
Deze wettekst is dus voldragen.
Ik dank iedereen die aan dit initiatief heeft meegewerkt. Meestal worden financiële wetgeving of wetten uit de sociaal-economische sfeer ons door de uitvoerende macht opgelegd of zelfs door de strot geduwd. Het verheugt me dat we dit parlementair initiatief tot een goed einde hebben gebracht.
Dankzij de hoorzittingen kwam het tot overleg en gemeenschappelijk denkwerk met de betrokken partijen. Ik denk onder andere aan de hoorzitting met Paul Van Welden, de grondlegger van de beroepsorganisaties van financiële tussenpersonen, die op dit vlak baanbrekend werk heeft verricht.
Ik hoop dat de plenaire Senaat dit wetsvoorstel zal goedkeuren en dat het over enkele maanden wet kan worden.
De voorzitter. - Ik wil u samen met de collega's feliciteren voor dit wetgevend initiatief. Het is het eerste van het jaar.
Mevrouw Joëlle Kapompolé (PS). - De PS steunt het wetsvoorstel van collega Willems.
Het ligt in onze bedoeling om beter rekening te houden met de belangen van de consumenten.
Daartoe moeten we absoluut zorgen voor een grotere mobiliteit op de markt van de financiële diensten en producten en voor een betere bescherming van de consument.
Met dit voorstel wordt de handel in financiële diensten en producten vrijgemaakt en dat kan voor de consument alleen maar voordelen hebben.
Volgens een studie van Test-Aankoop van februari 2005 verklaart één ondervraagde consument op twee al meer dan twintig jaar klant te zijn bij dezelfde bank. Zevenenzeventig procent van de ondervraagden bevestigt de jongste tien jaar nooit van bank te zijn veranderd.
Met dit wetsvoorstel wordt de verplichting van de makelaar in spaar- en beleggingsproducten om exclusief voor één bankinstelling te werken, geschrapt.
Volgens de voorstanders van de tekst is die exclusieve band noch uit economisch, noch uit regelgevend oogpunt verdedigbaar.
De consument van financiële diensten heeft alles te winnen bij een meer doorgedreven concurrentie en een betere vergelijkbaarheid van de producten.
De commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden heeft ook een amendement aangenomen dat ertoe strekt de bevoegdheden uit te breiden van het onafhankelijke orgaan dat werd opgericht bij wet van 24 maart 2003 tot instelling van een basisbankdienst.
Dat onafhankelijke orgaan is voortaan bevoegd voor de geschillenregeling tussen consumenten en makelaars in bankdiensten en -producten. Dit systeem garandeert niet alleen een objectieve en onafhankelijke, maar ook een soepele, doeltreffende en snelle behandeling van de klachten van de consumenten.
Onderhavige tekst komt dus tegemoet aan de twee vermelde dwingende vereisten, met name meer concurrentie en een betere bescherming.
Ik zou willen eindigen met een toekomstgerichte noot en twee teksten aanhalen die precies betrekking hebben op de financiële mobiliteit.
De eerste tekst is een wetsvoorstel dat ik samen met Senator Olga Zrihen heb ingediend en waarmee we willen waarborgen dat zichtrekeningen bij alle bankinstellingen kosteloos kunnen worden gesloten. Dat moet bijdragen aan een grotere mobiliteit van de consument in de banksector. Die mobiliteit is sinds eind vorig jaar realiteit, maar voor bepaalde klanten bestaan er nog remmen. Misschien kan de commissie dat denkspoor volgen.
De tweede tekst is een wetsvoorstel van de senatoren Francis Poty en Christiane Vienne, waarop senator Mimount Bousakla en ikzelf amendementen hebben ingediend.
Ik zal de tekst niet in detail behandelen, maar ik wil wel volgende feiten in herinnering brengen.
Door de complexe interestberekening ligt de interest die de banken uitkeren op spaarboekjes, bijna altijd lager dan aangekondigd. Door de complexe berekening verliest de spaarder dus een deel van de interesten die hij verwacht, en kan hij onmogelijk het reële spaarrendement kennen. In de kranten van 1 januari wordt daarop vrijwel elk jaar gereageerd.
Dat wetsvoorstel is bijna twee jaar geleden ingediend. Na een hele reeks discussies in de Senaatscommissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden, de oprichting van informele werkgroepen en het over en weer sturen van een koninklijk besluit in de ministerraad, is het inmiddels 2006 en komt er geen schot in de zaak.
De socialistische fractie zal het daarbij niet laten. De discussie moet opnieuw worden geopend waar ze is begonnen en het verst was opgeschoten: in de Senaatscommissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.
De commissie heeft blijk gegeven van haar expertise terzake, maar ook van haar open geest. Ze heeft aangetoond dat tussen mensen van goede wil altijd een compromis kan worden gevonden. Vandaag moeten we even vastberaden als bij de behandeling van het wetsvoorstel Willems ijveren voor een grotere transparantie van een zo populair product als de spaarrekening en voor een gezonde concurrentie tussen de financiële instellingen.
-De algemene bespreking is gesloten.
(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden, zie stuk 3-377/6.)
De voorzitter. - Ik herinner eraan dat de commissie een nieuw opschrift voorstelt: Wetsvoorstel betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiële instrumenten.
-De artikelen 1 tot 26 worden zonder opmerking aangenomen.
-Over het wetsvoorstel in zijn geheel wordt later gestemd.
De voorzitter. - De heer Wille verwijst naar zijn schriftelijk verslag.
De heer Bruno Tuybens, staatssecretaris voor Overheidsbedrijven, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. - Namens de heer De Gucht zou ik een kleine toelichting willen geven bij de tekst en daarmee meteen antwoorden op een vraag die in de commissie werd gesteld.
Kyoto heeft betrekking op koolstofdioxide en de invloed ervan op de opwarming van de aarde en dus van het klimaat, terwijl het Göteborg-protocol betrekking heeft op zwaveldioxine, stikstofoxiden, ammoniak en vluchtige organische stoffen, en de relatie ervan tot verzuring, eutrofiëring en ozonvorming.
-De algemene bespreking is gesloten.
(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 3-1375/1.)
-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.
-Over het wetsvoorstel in zijn geheel wordt later gestemd.
De voorzitter. - De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt namens de heer André Flahaut, minister van Landsverdediging.
Mevrouw Christine Defraigne (MR). - Het gaat hier geenszins om een subregionale kwestie. Dat zou ik nutteloos vinden. Het betreft veeleer een aantal transversale problemen inzake Defensie.
De luchthaven van Bierset komt veel meer ter sprake in burger- dan in legerzaken, hoewel het aanvankelijk een militaire luchthaven was. Er worden F16's ontmanteld, de oudste jachtvliegtuigen van onze luchtvloot. Die operatie moest aflopen tegen eind 2005 en verschaft werk aan een veertigtal personen. Hoever staat het met dat programma? Welke toekomst is voor dat personeel weggelegd?
Er was gepland om na de sluiting van het vliegveld van Brasschaat de gehele Agustavloot samen te brengen in Bierset en bepaalde ermee verbonden activiteiten te verplaatsen naar een trainingsbasis in Frankrijk. Welke timing is opgesteld voor de groepering van al die activiteiten? Welke plannen heeft Landsverdediging voor de aanvullende infrastructuur?
Men heeft het vaak over de uitbreiding van de burgerluchthaven van Bierset en over de verlenging van de landingsbaan. Er werden verschillende beroepen ingesteld bij de Raad van State en die brengen vertraging met zich mee. Wordt de start van de werkzaamheden voor de inrichting van de nieuwe legerbasis nog altijd gepland voor de eerstkomende dagen? Welke timing werd opgesteld? Welk budget werd uitgetrokken?
De herleving van legeractiviteiten werkt de opwaardering van het terrein in de hand. Welk lot is de nutteloze terreinen beschoren? Hoeveel oppervlakte beslaan ze en waar zijn ze gelegen? Welke financiële tegenprestatie verwacht de minister?
De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - De ontmanteling van F16's vindt plaats in het Competentiecentrum Rollend Materieel en Bewapening te Rocourt en niet op het terrein van de luchthaven van Bierset. In de loop van het eerste semester 2006 worden de laatste onderdelen verpakt en kunnen ze worden verkocht. Het personeel dat dan beschikbaar wordt, zal voor andere taken en lopende projecten in Rocourt worden ingezet.
De Agustavloot wordt sinds midden 2005 verzameld op Bierset. De oefeningen zullen tot einde juni 2006 plaatsvinden op het vliegveld van Brasschaat. Vanaf september 2006 zullen de piloten oefenen vanop Dax in Frankrijk. Op die datum zullen de laatste Alouettes zich bij de vloot op Bierset vervoegen. Er is geen enkele aanvullende infrastructuur vereist.
Het voorontwerp voor de heruitbouw van de legerbasis te Bierset werd opgesteld door een studiebureau en afgeleverd in mei 2005. De ontwerpfase zal volgens de planning afgerond zijn tegen midden 2006. Daarvoor werd een bedrag van 1,2 miljoen euro uitgetrokken. Voor de uitvoeringsfase zal Landsverdediging een bedrag van 31,5 miljoen euro moeten uittrekken. De precieze planning van de werkzaamheden kan dus pas op het einde van de ontwerpfase worden opgesteld. Een oppervlakte van 94,3 hectare verliest elk nut voor Landsverdediging. Die terreinen zijn gelegen tussen de Velrouxstraat en de huidige landingsbaan. De nummers van de kadastrale percelen zijn opgenomen in het samenwerkingsakkoord van 22 mei 2003. Het globale overleg over de geschatte waarde heeft geleid tot het genoemde raamakkoord voor samenwerking.
Mevrouw Christine Defraigne (MR). - Rocourt ligt niet ver van Bierset. Ik denk dat toch een deel van de ontmanteling op het grondgebied van Bierset plaatsvindt.
Ik dank de minister voor zijn nadere toelichting. Ik zal er nuttig gebruik van maken, misschien zelfs voor lokale doeleinden.
De voorzitter. - Wat nooit verboden is. Zoveel is duidelijk.
De voorzitter. - De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt namens de heer André Flahaut, minister van Landsverdediging.
De heer Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). - Op 3 februari 2003 stelde ik de minister van Landsverdediging een schriftelijke vraag over de herziening, als gevolg van de gewijzigde internationale situatie, van de akkoorden die tijdens de koude oorlog in NAVO-verband werden gesloten. De herziening van die geheime NAVO- akkoorden staat immers in het regeerakkoord. In zijn antwoord op mijn vraag verwees de minister naar de oprichting van een werkgroep die zich zou buigen over de herziening van de akkoorden. Zoals bekend worden problemen vaak doorgeschoven naar werkgroepen om ze daar te begraven. In zijn antwoord zei de minister onder meer het volgende: `Er werd een gezamenlijke werkgroep van Defensie en Buitenlandse Zaken opgericht. Hij onderzoekt de technische aspecten van de kwestie om de regering vervolgens toe te laten de kwestie met de internationale partners aan te kaarten.'
Op 14 december 2005 vroeg ik de minister van Buitenlandse Zaken naar aanleiding van de beruchte CIA-vluchten, hoe ver België gevorderd is met de heronderhandeling van de NAVO-akkoorden die de doorgang en het verblijf van troepen en militair materiaal van NAVO-partnerlanden regelen. Meer specifiek vroeg ik naar de werkzaamheden en conclusies van de werkgroep die daartoe werd opgericht. In zijn antwoord op mijn vragen over de werkgroep speelde de minister de bal door naar zijn collega van Landsverdediging.
Daarom voel ik mij verplicht om de minister van Landsverdediging volgende vragen te stellen over de werkzaamheden van de opgerichte werkgroep.
Heeft de werkgroep zijn werkzaamheden al aangevat?
Hoe groot is de werkgroep en hoe is hij samengesteld?
Komt de werkgroep geregeld bijeen?
Welke resultaten heeft de werkgroep al geboekt?
Wat is de concrete planning van de regering met betrekking tot de heronderhandeling van de NAVO-akkoorden?
Welke initiatieven zal de minister nemen om de in het regeerakkoord ingeschreven heronderhandeling van de akkoorden uit te voeren?
De huidige regering heeft maar anderhalf jaar meer voor de boeg en ik sta erop dat ook dat punt van het regeerakkoord wordt uitgevoerd.
De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Het akkoord van 1971 waarnaar wordt verwezen, is een akkoord tussen België en de Verenigde Staten. Het verwijst naar de Overeenkomst van 19 juni 1951 tussen de bij het Noord-Atlantisch Verdrag aangesloten staten met betrekking tot de rechtspositie van hun krijgsmachten, de zogenaamde NAVO-SOFA, en naar de Belgische wet van 11 april 1962 die de doortocht en het verblijf in België toestaat van de troepen van de NAVO-geallieerde landen.
De onderhandelingshouding van België met betrekking tot de herziening van dit en andere transitakkoorden, gesloten in het kader van de NAVO, is op het ogenblik nog niet in al zijn details gedefinieerd. Het betreft een complexe kwestie waarbij Buitenlandse Zaken en Landsverdediging betrokken zijn.
De werkgroep die in 2004 werd samengesteld brengt, al naargelang het onderwerp, het kabinet en de administratie van Buitenlandse Zaken en Landsverdediging bijeen.
Er werd een lijst opgesteld van de bestaande bilaterale akkoorden. De tientallen akkoorden worden aan een grondige analyse onderworpen. Na de nauwkeurige definiëring van de Belgische houding zullen de partners worden gecontacteerd.
De heer Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). -. Het is interessant te vernemen dat de werkgroep al samenkomt. De materie is inderdaad heel complex. Toch hoop ik dat er binnen een redelijke termijn, een oplossing komt, liefst nog tijdens deze regeerperiode.
De heer Patrik Vankrunkelsven (VLD). - In het kader van de contingentering werden in 2005 selectieproeven georganiseerd voor kinesitherapeuten. Op basis van die proeven kunnen 104 kinesitherapeuten vanaf 1 januari hun beroep niet effectief uitoefenen.
Die kinesitherapeuten zijn eigenlijk tweemaal slachtoffer, een eerste keer omdat ze niet geselecteerd werden en een tweede keer omdat ze door de verplichte inactiviteit slecht voorbereid aan de volgende selectieproeven zullen deelnemen.
Welke initiatieven zal de minister nemen opdat die kinesitherapeuten toch enige activiteit kunnen uitoefenen en dus niet tot inactiviteit worden gedoemd?
Acht de minister het nuttig voor hen een pool te organiseren zodat ze tijdelijke opdrachten krijgen in zelfstandige praktijken?
Waarschijnlijk zullen een aantal geselecteerde kinesitherapeuten hun RIZIV-nummer niet opnemen, waardoor een aantal plaatsen vacant blijven. Kunnen die nummers worden toegekend aan niet-geselecteerde kinesitherapeuten? Zo ja, volgens welke criteria?
Ik ben niet tegen een contingentering en ik begrijp best dat de minister een initiatief moest nemen omdat de universiteiten hun verantwoordelijkheid niet opnamen. Toch vraag ik een aantal verzachtende maatregelen voor de studenten.
De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Het is niet omdat een kinesitherapeut geen RIZIV-nummer heeft gekregen voor het uitoefenen van de kinesitherapie in een privé-kabinet dat hij of zij het vak niet kan uitoefenen.
Kinesitherapeuten die geen RIZIV-nummer behaalden, kunnen immers werken in rusthuizen en ziekenhuizen onder de M-nomenclatuur van de kinesitherapie, alsook in ziekenhuizen en revalidatiecentra onder de K-nomenclatuur van de fysiotherapie.
Bovendien worden ze niet beperkt in de praktijken die ze uitoefenen, want er bestaan ook nog niet-conventionele praktijken, zoals de osteopathie en de chiropraxie. Ik heb zelf voor die versoepeling gepleit in de regering.
Het nut van een pool zie ik niet in, aangezien het totaal aantal nummers, die in de quota werden vastgesteld, werden toegekend. In het huidig stadium wijst niets erop dat het aanbod van kinesitherapie ontoereikend zal zijn.
Het koninklijk besluit van 20 juni 2005 tot vaststelling van de criteria en de regels voor de selectie van de erkende kinesitherapeuten die het recht bekomen om verstrekkingen te verrichten die voorwerp kunnen zijn van een tussenkomst van de verplichte verzekering geneeskundige verzorging en uitkeringen, bevat geen enkele bepaling die toestaat bepaalde geselecteerde kandidaten niet mee te tellen bij het bepalen van het maximumaantal kinesitherapeuten die toegang hebben tot dat recht. Met andere woorden, het recht van bepaalde geselecteerde kandidaten mag niet worden ingetrokken om het toe te kennen aan andere, niet-geselecteerde kinesitherapeuten.
De heer Patrik Vankrunkelsven (VLD). - Voor de twee eerste punten is het antwoord van de minister duidelijk, voor het laatste punt heel wat minder. Als een geselecteerd kinesitherapeut beslist af te zien van zijn RIVIZ-nummer, is het contingent uiteindelijk kleiner dan vooropgesteld. Kan de minister geen maatregel nemen, al dan niet bij koninklijk besluit, om een niet-gebruikt nummer toe te kennen aan de eerste in de rij niet-geselecteerden?
In de veronderstelling dat het contingent 220 kinesitherapeuten is, is het altijd mogelijk dat 30 of zoiets naar het buitenland vertrekken of een ander beroep wensen uit te oefenen. Het kan toch niet de bedoeling zijn dat het contingent wordt ingekrompen.
Indien de betrokkenen dat op uitdrukkelijke wijze kenbaar maken, kan u dan geen maatregel nemen om die plaatsen opnieuw vacant te stellen?
De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik zal dat bekijken.
De heer Frank Creyelman (VL. BELANG). - De burgemeester van Luik wil ten laatste tegen 2007 op een gecontroleerde manier heroïne verstrekken aan zware drugsverslaafden en wil ook gebruikersruimtes ter beschikking stellen om de overlast te beperken. Volgens de burgemeester vertrouwde premier Verhofstadt in 2004 de stad Luik een proefproject toe. Aangezien het verstrekken van heroïne volgens het strafrecht een strafbare daad is, moet het project in een medisch-wetenschappelijk kader worden geplaatst. Nochtans is uit de reactie van de burgemeester duidelijk op te maken dat het hem niet zozeer te doen is om de gezondheidstoestand van de vaak hopeloos verslaafde heroïnegebruikers, maar wel om de openbare orde in een van de onveiligste steden van Europa, waar de drugsgerelateerde criminaliteit welig tiert. Dat de burgemeester dreigt om desnoods zonder federale goedkeuring met het initiatief van start te gaan, maakt duidelijk dat het gaat om een noodkreet en een ultieme poging om de gevolgen van het lakse drugsbeleid de wereld uit te helpen.
De discussie omtrent het verstrekken van heroïne met therapeutische doeleinden wordt al jarenlang gevoerd. In 1997 was er al sprake van een proefproject in Luik, dat eind 1998 van start zou gaan. Zowel binnen de regering als binnen het departement justitie was er toen onenigheid. Af en toe werd het voorstel tevergeefs opgerakeld, maar zonder gevolg.
Daarin zou nu verandering komen, want als we de burgemeester van Luik mogen geloven, is het initiatief nu wel bespreekbaar binnen de regering. Indien een wetenschappelijk onderzoek, dat momenteel zowel het proefproject als buitenlandse experimenten bestudeert, gunstige resultaten oplevert, dan zou de minister naar verluidt `zonder taboes' groen licht geven. De resultaten van het onderzoek worden binnenkort verwacht. Ook minister Onkelinx is van plan haar fiat te geven, tenminste wanneer het College van procureurs-generaal haar hierin volgt. Brice De Ruyver, de veiligheidsadviseur van de eerste minister, gaf enkele dagen geleden eveneens te kennen geen been te zien in het onder strikte voorwaarden gratis verstrekken van heroïne aan hopeloos verslaafden.
Nochtans krijgt dit initiatief ook erg negatieve kritiek, zowel vanuit medische, hulpverlenende als gerechtelijke middens.
Klopt het dat, wanneer de resultaten van het onderzoek positief worden bevonden, de minister groen licht geeft aan dit initiatief? Is hij niet van mening dat met dit proefproject verkeerde signalen de wereld worden ingestuurd, in de eerste plaats aan het adres van gebruikers en verslaafden?
Hoever staat het gevoerde onderzoek? Wie voert het? Zijn de resultaten al bekend? Welke meerwaarde heeft het onderzoek, gezien de reeds uitvoerig bestudeerde buitenlandse projecten. Bovendien heeft een in 2003 bijgewerkt medisch protocol, waarbij het Ethisch Comité van de faculteit, alsook de provinciale raad van de Orde van geneesheren en de Provinciale Geneeskundige Commissie betrokken waren, reeds formeel ingestemd met het project?
In hoeverre werd al overleg gepleegd in de Ministerraad? Is er eensgezindheid binnen de regering? Werd het International Narcotics Control Board, INCB, reeds betrokken?
Welke kredieten worden uitgetrokken voor het uitvoeren van dit betreurenswaardig programma?
De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik wil eerst het project situeren. Het gaat om een wetenschappelijk experiment waarbij onder medische controle heroïne zou worden verstrekt aan individuen die tijdens hun verslaving geen enkele toegang hebben gehad tot een behandeling, bij wie de methadonbehandeling mislukt is of die door een referentiecentrum als ongevoelig voor behandeling worden beschouwd.
De studie waarvan sprake kwam er in uitvoering van de federale beleidsnota inzake drugs van 2001. Ze werd ondersteund door de POD Wetenschapsbeleid en is uitgevoerd door de Universiteit van Luik onder leiding van professor Marc Ansseau.
Ze onderzoekt de haalbaarheid van het project vanuit wetenschappelijk, economisch, administratief en wettelijk standpunt en evalueert de gevolgen op therapeutisch, sociaal en crimineel vlak.
De studie concludeert dat het experiment in Luik haalbaar is en dat de voordelen voor de samenleving het verstrekken van heroïne rechtvaardigt. Ik heb de resultaten aan mijn diensten voorgelegd, zodat ze deze kritisch kunnen analyseren en toetsen aan gelijkaardige experimenten in Nederland of Zwitserland.
De studie, die momenteel nog niet officieel is, zou benadrukken dat experimenten in Nederland en in Zwitserland doeltreffend zijn, omdat ze de fysieke en mentale gezondheid van de drugsverslaafde verbeteren. Bovendien wordt hun maatschappelijke integratie bevorderd en dalen de criminele activiteiten die verbonden zijn aan het illegale gebruik.
Op basis van deze analyse zal ik in overleg met mijn collega van Justitie een beslissing voorstellen.
De Ministerraad heeft het project nog niet besproken. Bij het INCB werd nog geen vraag tot toestemming ingediend. Er is niets beslist over de kredieten.
De heer Jacques Germeaux (VLD). - De heer Brice De Ruyver heeft zijn uitspraak gedaan als wetenschapper en niet als woordvoerder van de regering.
Bovendien gaat het om een wetenschappelijke studie die in het buitenland eerst aan alle mogelijke internationale wetgevingen zal moeten beantwoorden alvorens ze uitzonderlijk toepasbaar kan zijn in Luik.
De heer Frank Creyelman (VL. BELANG). - Uit het antwoord van de minister leren we dat de regering wil voortgaan in de richting van gratis drugverstrekking. De reden hiervoor moet vooral gezocht worden in de overlast die het heroïnegebruik meebrengt voor de samenleving.
Gratis heroïneverstrekking doet de misdaad afnemen en is dus goedkoper. Nederlandse studies hebben aangetoond dat een junkie die gratis heroïne krijgt, bijna 13.000 euro goedkoper is dan een gebruiker die dat niet krijgt. Junkies hebben immers geld nodig voor hun verslaving en zijn dus verplicht te stelen. Als ze het geld van de overheid krijgen, hoeven ze niet meer in te breken en voelen de bewoners zich veiliger. Deze redenering is gevaarlijk en simplistisch. Als we gratis fietsen uitdelen, zullen ook de fietsdiefstallen verminderen! Hetzelfde geldt voor auto's, laptops, en zo meer. We kunnen dan ook de politie en het gerecht afschaffen. Gratis geld verstrekken, leidt dus tot een ideale maatschappij zonder misdaad!
Heroïne is de meest gevaarlijke en meest verslavende drug. Als iemand gebruikt, is dat zijn eigen verantwoordelijkheid en moet hij de gevolgen ervan dragen. Dat geldt ook voor de gewone burger die zonder te kijken een drukke straat oversteekt en wordt aangereden. Een junkie die steelt, pleegt een inbreuk op het eigendomsrecht. Hij moet worden aangehouden en alle schade vergoeden.
Men zou zich in Luik en in andere grote steden beter bezig houden met de bestrijding van de criminaliteit en de drugshandel. Men zou de junkies tot een ontwenningskuur kunnen verplichten in de plaats van het hele waarden- en normenstelsel overhoop te gooien.
Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Ons land beschikt niet over voldoende normen inzake de beveiliging van lading. Eergisteren werd eens te meer bewezen dat een dom verlies van lading heel wat fileleed en zelfs verkeersonveiligheid met zich kan meebrengen. Bovendien gaat het om een groeiend fenomeen. In Oost-Vlaanderen werden er in 2004, op de autosnelwegen alleen al, een duizendtal incidenten met verlies van lading geteld. In de provincie Antwerpen ging het om ongeveer 1.200 gevallen.
De Belgische wetgeving kent momenteel geen specifieke normen voor ladingbeveiliging. Op Europees vlak bestaan er genormaliseerde standaarden inzake ladingbeveiliging, die in sommige Europese lidstaten worden toegepast. Die normen hebben betrekking op de verdeling van de fysische krachten op het platform van de vrachtwagen, de kwaliteit van de gespen enzovoort. Het Belgisch Instituut voor Normalisatie heeft die normen overgenomen. In Duitsland houden de transportfirma's en de laders zich aan specifieke normen en er is ook politiecontrole. De Belgische politie kan zich enkel beroepen op de wegcode waarin staat dat een lading niet mag vallen of slepen. Die bepaling is natuurlijk ietwat voorbijgestreefd.
De minister heeft reeds erkend dat de wetgeving tekortschiet. Binnen welke termijn zullen er in België controleerbare normen worden ingevoerd? Hoe gaat de minister hierbij tewerk? Zal er overleg worden georganiseerd?
De heer Renaat Landuyt, minister van Mobiliteit. - De ministerraad heeft op 23 december 2005 beslist een werkgroep op te richten die alle aspecten inzake de veiligheid van het transportverkeer zal coördineren.
Er wordt momenteel op Europees niveau overleg gepleegd om de regels inzake ladingbeveiliging op elkaar af te stemmen. Het Duitse systeem is ongetwijfeld het strengste en het meest specifieke.
Het is onze bedoeling om in België de zeer algemene regels door zeer specifieke regels te vervangen. Zo moeten de politiediensten alle ladingen preventief kunnen controleren.
Als ik me niet vergis heeft de bovenvermelde werkgroep vandaag voor de eerste maal met de transportsector overlegd.
Het is onze bedoeling een allesomvattende regeling uit te werken. Ik hoop dan ook om in maart of april een stappenplan te kunnen voorleggen aan de federale regering met het oog op de goedkeuring van een koninklijk besluit.
Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Ik wens de minister veel succes toe, niet alleen wat de timing betreft, maar ook voor het stappenplan.
Er is inderdaad dringend overleg nodig. Het vastleggen van normen moet evenwel in samenwerking met de transportsector gebeuren, die waarschijnlijk nog deskundigheid moet opbouwen.
Zoals nu kan het alleszins niet langer. Bijna dagelijks gebeuren er domme ongevallen ingevolge ladingverlies, met te veel fileleed en te veel ergernis tot gevolg.
De heer Flor Koninckx (SP.A-SPIRIT). - Deze vraag is ingegeven door het in het Vlaams Parlement ingediend voorstel van decreet met betrekking tot verkeersongevallenanalyse.
In november 2004 heb ik de minister het rapport `De verkeerswet herbekeken' overhandigd. Het bevatte de resultaten van de besprekingen binnen een werkgroep van vertegenwoordigers van de onderscheiden categorieën verkeersdeelnemers, waaronder automobilistenclubs, de Fietsersbond en de voetgangersbeweging. Een van de zes erbijgevoegde aanbevelingen luidt als volgt: `Er moet dringend werk gemaakt worden van een Instituut voor Ongevallenanalyse, dat diepgaand wetenschappelijk onderzoek uitvoert naar de oorzaken van ongevallen.'
Op 7 juli 2005 werd in de commissie voor Infrastructuur, Verkeer en Overheidsbedrijven van de Kamer een voorstel van resolutie in overweging genomen betreffende de oprichting van een Instituut voor Verkeersongevallenanalyse, ondertekend door volksvertegenwoordigers van VLD, PS en MR.
In de Algemene Beleidsnota van de minister van 21 november 2005 lees ik: `Bovendien is het belangrijk te preciseren dat het BIVV de oprichting voorziet van een permanent orgaan dat de diepe analyse van verkeersongevallen op de openbare weg tot taak heeft. Het gaat om het BART-project (Belgian Accident Research Team), waarvan de uitvoering in 2006 zal beginnen. Het gaat om de opstelling van een onderzoeksteam dat een multidisciplinaire en geïntegreerde analyse van het ongeval zal verrichten om de echte oorzaken van het ongeval te ontdekken, rekening houdend met het begrip van verdeelde verantwoordelijkheid.' Dat is een verheugende mededeling.
In het Vlaams Parlement dienden de Vlaamse volksvertegenwoordigers Decaluwe en Peumans op 25 mei 2005 een bijna identiek voorstel van decreet in houdende de invoering van een verkeersongevallenanalyse. De bespreking ervan in de commissie Mobiliteit op 10 januari jongstleden werd gesloten met de beslissing om over deze materie een hoorzitting te organiseren.
Mijn vraag is ingegeven door mijn bezorgdheid om de belastingbetaler niet tweemaal te laten opdraaien voor soortgelijke initiatieven op twee verschillende beleidsniveaus.
Wordt er in verband met deze problematiek structureel overlegd gepleegd tussen de Vlaamse en de federale regering? Zo ja, welke zijn de resultaten of vooruitzichten? Zo neen, is overleg gepland?
Is de minister het met mij eens dat een dubbel initiatief een verspilling betekent van mensen en middelen? Welke oplossing stelt hij voor om dit te voorkomen? Werd hieraan op federaal niveau al een begin van uitvoering gegeven?
De heer Renaat Landuyt, minister van Mobiliteit. - De Vlaamse regering is structureel vertegenwoordigd in de raad van bestuur van het Belgisch Instituut voor Verkeersveiligheid, in casu door de adjunct-kabinetschef van de minister van Mobiliteit. Bovendien vertegenwoordigt de heer Armand Rouffaert de administratie van het Vlaams Gewest in de werkgroep Belgian Accident Research Team (BART). De aanwezigheid van deze personen op het discussieniveau - de werkgroep - en het beslissingsniveau - de raad van bestuur - is een uiting van structureel overleg.
Ik ben het met de heer Koninckx eens dat we niet gebaat zijn bij concurrerende initiatieven, maar op zoek moeten gaan naar communicerende initiatieven. Daarom ook is het Belgisch Instituut voor de Verkeersveiligheid bereid om de start van zijn initiatief uit te stellen en te wachten op de resultaten van de hoorzitting en de bespreking in het Vlaams Parlement. Misschien is het interessant om op deze hoorzitting ook een vertegenwoordiger van het BIVV uit te nodigen. In elk geval heeft de heer Koninckx bewezen dat het nuttig is dat er gemeenschapssenatoren zijn.
De heer Flor Koninckx (SP.A-SPIRIT). - Het is prettig dat de minister het nut van gemeenschapssenatoren nog eens bevestigt.
Ik waardeer het ook dat er overleg komt en dat het BIVV nog even wacht. Ik zou het inderdaad bijzonder op prijs stellen dat er geen dubbele initiatieven worden genomen en ik merk dat de minister die mening deelt.
(De vergadering wordt geschorst om 16.55 uur. Ze wordt hervat om 17.05 uur.)
De voorzitter. - De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt namens mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie.
De heer Wouter Beke (CD&V). - Sinds het Arbitragehof in zijn arrest van 6 oktober 2004 de zogenaamde antidiscriminatiewet gedeeltelijk heeft vernietigd, is ze op vele punten niet meer toepasbaar of zou de toepassing ongewenste gevolgen kunnen hebben, bijvoorbeeld op het vlak van het communautair evenwicht en de arbeidsverhoudingen. We hebben daarover gisteren in de commissie voor de Sociale Aangelegenheden nog van gedachten kunnen wisselen.
Andere delen van de wet zijn nu nog enkel begrijpelijk en/of grondwetsconform wanneer men het arrest ernaast houdt. Het arrest diende immers over meerdere bestreden bepalingen een grondwetsconforme interpretatie te geven.
Het is overduidelijk dat dit de rechtszekerheid niet ten goede komt. Het is eveneens de vraag of de wet in haar huidige vorm nog tegemoet kan komen aan de internationaalrechtelijke verplichtingen inzake het verbod op discriminatie.
Samen met collega De Schamphelaere heb ik een wetsvoorstel ingediend dat deze problemen kan oplossen. Dit werd evenwel nog niet op de agenda van de commissie voor de Justitie geplaatst.
Erkent de vice-eerste minister dat de antidiscriminatiewet in de huidige vorm voor toepassingsproblemen kan zorgen?
Zo ja, welke oplossingen stelt zij voor?
Zo neen, waarom gebeurt dat niet?
Kan de vice-eerste minister akkoord gaan met een `reparatiewet', zoals ons voorstel er één is, die opnieuw rechtszekerheid kan brengen?
De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - Sinds het vermelde arrest van het Arbitragehof is de wet voor de rechtzoekende minder leesbaar en minder voorspelbaar geworden.
Bovendien heeft dit arrest de strijdigheid van deze wet met de Europese richtlijnen 2000/43 en 2000/78 vergroot. Deze richtlijnen leggen de verplichting op om de in deze richtlijnen opgenomen discriminatiegronden uitdrukkelijk in de wet te vermelden. De Europese Commissie heeft dat in een officiële brief aan België meegedeeld.
Bovendien heeft de Europese Commissie, sinds deze brief waarin aan België vragen worden gesteld over het uitblijven van de omzetting, ons land in deze zaak in gebreke gesteld.
Opdat België zou beschikken over een duidelijke en leesbare wet die conform is met de Europese richtlijnen en met onze internationale verplichtingen, heeft de minister aan een tweetalige groep van experts, samengesteld uit specialisten constitutioneel recht, arbeidsrecht en antidiscriminatierecht, gevraagd de wet aan te passen. De verbeterde wet zal dus zowel moeten beantwoorden aan de conclusies van het arrest van het Arbitragehof als aan onze Europese verplichtingen.
De groep van experts zou zijn werk tegen eind februari moeten beëindigen. Vervolgens zal de minister het verslag overmaken aan de regering. Daarna kan erover worden gedebatteerd in het parlement en kunnen de correctievoorstellen, waaronder dat van de heer Beke, worden behandeld.
De voorzitter. - De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt namens mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie..
De heer Berni Collas (MR). - Die vorliegende Interpellation schiebt sich nahtlos ein in eine Reihe von Interpellationen, die ich schon über den Gerichtsbezirk Eupen hier vorgetragen habe.
Deze vraag om uitleg sluit naadloos aan bij een reeks vragen die ik hier reeds over het gerechtelijk arrondissement Eupen heb gesteld.
Artikel 603 van het Wetboek van strafvordering bepaalt: `... zal er in ieder arrondissement bij de Rechtbank van eerste aanleg een Huis van arrest zijn om er de verdachten in op te nemen.'
Tot op vandaag beschikt het gerechtelijk arrondissement Eupen nog niet over een huis van arrest. Het is dus verplicht een beroep doen op de gevangenissen van Lantin of Verviers voor de verdachten die gearresteerd worden op het grondgebied van het Duitstalige gebied.
Die twee gevangenissen hebben geen Duitstalig personeel, waardoor de contacten met de gevangenen die geen Frans spreken moeilijker verlopen.
Verder is er ook tijdverlies op de zittingen van de correctionele rechtbank van Eupen. De procespartijen moeten immers uren wachten op de gevangenen die van de gevangenis van Lantin worden overgebracht om de zitting bij te wonen.
Bevinden andere arrondissementen zich in een gelijkaardige situatie?
Hoeveel gevangenen spreken alleen Duits in de twee genoemde gevangenissen?
Kan op middellange of lange termijn een huis van arrest worden opgericht in het arrondissement Eupen?
Is men van plan er een te integreren in het justitiepaleis dat in Eupen zal worden gebouwd?
De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - In het meerjarenplan 2005-2008 Justitie, dat de grote projecten bevat die de Regie der Gebouwen op middellange termijn moet uitwerken, is niet voorzien in een huis van arrest voor het arrondissement Eupen.
Toch meent de minister dat een dergelijke bepaling eventueel in overweging kan worden genomen in een toekomstig meerjarenplan, gelet op de taalproblemen en het aanzienlijke tijdverlies als gevolg van het overbrengen van gevangenen naar de gevangenissen van Lantin of Verviers.
De vastlegging van de investeringskredieten voor de bouw van een nieuw justitiepaleis in Eupen werd niet opgenomen in het meerjarenplan 2005-2008 Justitie van de Regie der Gebouwen, met uitzondering van de geplande aankoop van een terrein in 2006. Het gedetailleerde behoefteprogramma, dat aan de basis zal liggen van de architectuurstudie, werd dan ook nog niet uitgewerkt door de FOD Justitie.
De minister zal dus haar collega Didier Reynders, toezichthoudend minister van de Regie der Gebouwen, vragen een haalbaarheidsstudie te maken over de mogelijke integratie van een huis van arrest in het project voor een nieuw justitiepaleis in Eupen.
De heer Berni Collas (MR). - Ik dank de staatssecretaris voor zijn toelichting bij de actuele stand van het dossier. Ik heb begrepen dat het niet uitgesloten is dat een huis van arrest wordt geïntegreerd in het justitiepaleis dat in Eupen zal worden gebouwd.
De voorzitter. - De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt namens mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Nog voor ik de kans kreeg deze vraag in de Senaat te stellen werd ze overgenomen door een CD&V-collega van de Kamer die een antwoord kreeg van minister Onkelinx, maar met het gevolg dat ik me vandaag tevreden moet stellen met het antwoord van een staatssecretaris. Als dat zo doorgaat, zullen we de oprichting van onderzoekscommissies moeten voorstellen.
Na het antwoord van de minister in de Kamer ben ik nog meer benieuwd naar de juridische constructie die voor het Antwerpse gerechtsgebouw is uitgewerkt en naar de manier waarop die is gefinancierd.
Zoals bekend werd op 12 december 2005 het nieuwe justitiepaleis te Antwerpen onder grote belangstelling aan de pers voorgesteld. De berichtgeving was nagenoeg uitsluitend positief. De pers sprak zich lovend uit. De Salle des Pas Perdus maakte een stijlvolle indruk. De schaaldaken of omgekeerde frietzakken, zoals men die in Antwerpen noemt, springen in het oog. De wereldvermaarde architect Richard Rogers overkoepelde de zes grote zittingszalen met 25 meter hoge schaaldaken. Op de 26 kleinere zittingszalen werden evenveel kleinere, zeven meter hoge vleugels gemonteerd.
Ook rechtbankvoorzitter Ivo Moyersoen is zeer opgetogen over het nieuwe paleis. De zittingszalen baden in het daglicht en bieden een indrukwekkend uitzicht op de leien en de hele stad. Het paleis straalt transparantie uit.
Toch is er ook een andere zijde. Dit prachtige paleis moest worden verkocht om de begroting in evenwicht te krijgen. Met de nieuwe eigenaar zou daarenboven een bijzondere contractuele regeling worden uitgewerkt. Ik denk hierbij aan de verdeling van de onderhoudskosten, de herstellingswerken enzovoort.
Tevens rijst de vraag of in de nieuwe zalen de nodige apparatuur aanwezig is, in het bijzonder microfoons, opdat het publiek en de media het debat kunnen volgen.
Het antwoord van minister Onkelinx in de Kamer heeft de draagwijdte van mijn vraag nog verhoogd. Ze verklaarde dat het gebouw als dusdanig niet werd verkocht, maar wel de zakelijke rechten en plichten van de Regie der gebouwen ten opzichte van de promotor en preciseerde dat onder meer het erfpachtrecht op de gronden werd overgedragen. Ik heb die verklaring zes keer moeten lezen om zeker te zijn dat ik alles goed heb begrepen en wel mee was met de nieuwe ontwikkeling.
In het zakenrecht geldt het numerus clausus-beginsel. De rechtsonderhorigen, dus ook de minister van Financiën of de Regie der gebouwen, kunnen geen nieuwe soorten zakelijke rechten in het leven roepen. Enkel de wetgever kan dat doen. De minister antwoordde in de Kamer dat ze een erfpachtrecht vestigt. Erfpachtrecht houdt in dat de eigenaar van de grond een ander is dan de eigenaar van de gebouwen. Daarenboven vermeldde de minister in haar antwoord `de overdracht van andere zakelijke rechten'. Welke andere zakelijke rechten zijn in deze operatie betrokken? Andere zakelijke rechten zijn het eigendomsrecht, het mede-eigendomsrecht, het vruchtgebruik en de erfdienstbaarheden. Hoe meer ik me in het antwoord van de minister verdiepte, hoe onduidelijker de zaak me werd. De minister antwoordde in de Kamer dat Cofinimmo door natrekking na 27 jaar eigenaar wordt van het gebouw, terwijl ze eerder al had gezegd dat het erfpachtrecht aan Cofinimmo werd overgedragen. Natrekking, volgens artikel 522 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, veronderstelt dat de eigenaar van de grond een andere is dan de eigenaar van het gebouw. Kan de minister uitleggen dat Cofinimmo na 27 jaar eigenaar wordt van het gebouw? Kan de regering me meedelen of ze niet alleen het justitiepaleis heeft verkocht, maar ook de grond? Een erfpachtrecht is een onroerend zakelijk recht dat aan de erfpachter het volle genot toekent van een onroerend goed dat aan iemand anders toebehoort, voor een duur van minstens 27 en hoogstens 99 jaar en dit op last aan de grondeigenaar een jaarlijkse vergoeding - de canon - te betalen, hetzij in geld, hetzij in natura. In het recht van erfpacht is het opstalrecht ingebed. Na afloop van het erfpachtrecht komen de constructies toe aan de erfverpachter die al dan niet een vergoeding verschuldigd is, al naargelang de overeenkomst tot vestiging van het erfpachtrecht.
De onduidelijkheid in het antwoord van de minister is dus ten top gedreven. Al die wettelijke elementen komen niet aan bod in het verhaal, wat me tot de conclusie leidt dat de Senaat als reflectiekamer noodzakelijk is om de duistere, mistspuiende antwoorden van de minister te onderzoeken. Ik herhaal dus de vragen die reeds in de Kamer zijn gesteld:
Hoeveel partijen hebben een bod uitgebracht en tegen welke prijs?
Tegen welke prijs werd het gebouw uiteindelijk verkocht?
Voor welke termijn werden de overeenkomsten afgesloten?
Kan de overeenkomst vervroegd worden beëindigd en aan welke voorwaarden?
Welke bepalingen bevatten de verschillende overeenkomsten inzake de onderhouds- en herstellingswerken? Hoe wordt de last voor de onderhoudswerken en de grove herstellingen tussen de partijen verdeeld? Worden de bepalingen van het erfpachtrecht dan wel van het huurrecht toegepast?
Hoeveel bedraagt de jaarlijkse kostprijs inzake onderhoud van het gebouw?
Werd dit bedrag in de begroting opgenomen en werden er in aanvullende personeelsleden voorzien?
Tegen welke prijs wordt het gebouw op het einde van de huurtermijn door de overheid terug ingekocht? De regering antwoordde al eerder dat door natrekking de erfpachter eigenaar wordt. Dat is volstrekt onbegrijpelijk.
Is in de nieuwe zalen de nodige apparatuur aanwezig, in het bijzonder microfoons, opdat het publiek en de media het debat kunnen volgen?
De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - Eerste vraag. Bij de aanvang van de verkoopprocedure hebben zich elf kandidaten aangediend. Op het einde van de eerste verkoopronde, namelijk op 17 oktober 2005, bleken nog zeven kandidaten geïnteresseerd om deel te nemen aan een tweede verkoopronde.
Op 19 december 2005 kon niet geoordeeld worden hoeveel bieders zich effectief zouden aandienen, aangezien de zitting reeds bij de opening ervan verdaagd werd naar 22 december 2005 omdat nog verduidelijkingen moesten worden gegeven bij in laatste instantie ingediende schriftelijke vragen van bepaalde kandidaten.
Uiteindelijk heeft slechts één bieder op 22 december 2005 een positief bod gedaan.
Tweede vraag. Voor alle duidelijkheid, het gebouw als dusdanig werd niet verkocht, wel werden de zakelijke rechten en plichten van de Regie der Gebouwen tegenover de promotor Justinvest, waaronder ook het erfpachtrecht op de gronden, overgedragen. Bijgevolg neemt de NV Cofinimmo als nieuwe investeerder de terugbetaling van de financiering van de investeringssom voor een bedrag van 250 miljoen euro van de Regie over. Als resultaat hiervan wordt Cofinimmo dus na 27 jaar door natrekking ook eigenaar van het gebouw, maar moet in ruil hiervoor alle verplichtingen van de Regie gedurende 27 jaar op zich nemen, waaronder de eigenaarslasten en de financiering van de opfrissingswerken na 9, 18 en 27 jaar. Die zakelijke rechten en plichten werden overgedragen voor de som van 112.000 euro.
Derde vraag. De nieuwe huurovereenkomst tussen de NV Cofinimmo en de Regie der Gebouwen loopt voor een periode van 36 jaar.
Vierde vraag. De overeenkomst kan niet voortijdig worden beëindigd.
Vijfde vraag. De diverse eigenaarslasten dienden door de inschrijvers zelf te worden geëvalueerd en te worden verwerkt in hun uiteindelijk bod.
De FOD Justitie zal, zoals ook oorspronkelijk voorzien, dienen in te staan voor de onderhouds- en exploitatiekosten van het nieuwe gebouw.
Die bepalingen wijken niet af van het gemeen huurrecht.
Zesde vraag. Momenteel worden de ramingen voor het onderhoud nog opgemaakt en worden voor verschillende onderhouds- en exploitatiekosten prijsoffertes gevraagd.
Zevende vraag. Het onderhoudsprobleem van de technische installaties zal slechts rijzen vanaf de definitieve oplevering, in dit geval twee jaar na de voorlopige oplevering. Recentelijk heeft de FOD Justitie 11 veiligheidsbeambten in dienst genomen, die de permanentie in het gebouw zullen verzekeren. Met de huidige personeelsleden van de FOD Justitie en de Regie der Gebouwen werd een beheersteam samengesteld. De dagelijkse praktijk zal uitwijzen of hieraan nog nieuwe medewerkers dienen te worden toegevoegd.
Achtste vraag. De terugkoopprijs dient te worden bepaald op het ogenblik van het lichten van de aankoopoptie. Momenteel is het onmogelijk een prijs te noemen, daar een aantal parameters die nog niet kunnen worden ingeschat een rol spelen.
Negende vraag. Alle nodige audio- en videoapparatuur is voorhanden in de zittingszalen van het nieuwe gerechtsgebouw. De audioapparatuur werd onderworpen aan verschillende akoestische testen in situ teneinde telkens een optimale verstaanbaarheid te waarborgen op alle plaatsen in de zaal.
Tot daar de antwoorden van de ministers van Justitie en Financiën.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik stel vast dat de regering niet antwoordt op mijn vragen. Ze weigert aan te geven onder welke precieze juridische voorwaarden de vervreemding van het Justitiepaleis te Antwerpen is gebeurd.
Ik heb aangetoond dat het antwoord van de regering in de Kamer juridisch geen steek houdt. Ik zie me dus verplicht om verder onderzoek te doen en zal later op de zaak terugkomen. In voorkomend geval zal ik de oprichting vragen van een parlementaire onderzoekscommissie om de diverse vastgoedoperaties van de regering te laten onderzoeken.
De voorzitter. - De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt namens mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Het nieuwe justitiepaleis van Antwerpen werd op 12 december 2005, onder grote belangstelling, aan de pers voorgesteld. Het is een goede zaak dat het er eindelijk gekomen is, maar ik hoop dat er niet te veel burgers van de hoge trap zullen vallen, want dat geeft aanleiding tot enorm veel rechtszaken.
De berichtgeving was nagenoeg uitsluitend positief, het prijskaartje van 250 miljoen euro buiten beschouwing gelaten. Zo vind ik het zeer positief dat de magistraten voor het eerst een eigen kantoor krijgen. Dat bevordert de werksfeer en stelt hen in staat optimaal gebruik te maken van de faciliteiten van het gebouw, onder meer de bibliotheek.
De aannemer zou nog twee jaar aanwezig blijven om de nodige aanpassingen uit te voeren. Een aantal fouten zouden al zijn rechtgezet. De inrijsluizen waardoor de gevangenen veilig het paleis kunnen worden binnengereden, waren bijvoorbeeld te klein voor de nieuwe celwagens. Voor andere problemen is een oplossing nog veraf. Dat geldt onder meer voor het dramatische gebrek aan parkeerplaatsen.
Volgens het oorspronkelijke ontwerp zou voor het gebouw een grote parkeerplaats worden aangelegd, maar de stad weigerde de bouwvergunning. Ze beloofde een alternatief uit te werken, maar dat is er nooit gekomen. De ondergrondse parkeergarage met nauwelijks 300 plaatsen is bijgevolg de enige parkeergelegenheid, terwijl naar schatting dagelijks ongeveer 3.000 mensen het justitiepaleis zullen bezoeken. Ik weet wel dat het gebouw al een fortuin gekost heeft, maar ik begrijp niet waarom men zo nodig moest besparen op de parkeerplaatsen.
Bestaat er een mobiliteitsstudie over de inplanting van het justitiepaleis en de parkeermogelijkheden?
Wat is de huidige stand van dit dossier?
Worden er bijkomende parkeerplaatsen aangelegd? Zo ja, waar?
De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - Alvorens de eigenlijke vragen te beantwoorden, wil de minister enkele correcties en commentaren formuleren op de inleiding tot de vraag.
Het nieuwe gerechtsgebouw werd op 15 december aan de pers voorgesteld en niet op 12 december.
In het contract met de aannemers staat dat ze in de periode van twee jaar tussen de voorlopige en de definitieve oplevering blijven instaan voor het onderhoud van hun werken. Bovendien waren de inrijsluizen niet te klein, maar waren de nieuwe door Justitie aangekochte celwagens te groot voor de inrijopeningen die al uitgevoerd waren op basis van de informatie die Justitie had verstrekt.
De oplossing voor het parkeerprobleem is helemaal niet veraf.
Niet alleen de stad Antwerpen, maar ook de dienst AROHM van het Vlaams Gewest hebben de plannen voor een publieksparkeerplaats in de bouwaanvraag geweigerd.
Er komt wel degelijk een alternatief.
Tot zover de opmerkingen en dan nu het antwoord op de vragen.
Naar aanleiding van de bouwaanvraag heeft de Regie der gebouwen een mobiliteitsonderzoek uitgevoerd over de inplanting van het justitiepaleis en de parkeermogelijkheden. Dat onderzoek resulteerde in het opnemen van een ondergrondse publieksgarage in de oorspronkelijke plannen van de bouwaanvraag. Dat onderdeel van de plannen werd evenwel geweigerd. Die parkeerruimte zou nochtans ook tegemoet komen aan de andere parkeerbehoeften in Antwerpen-Zuid, daar hij niet alleen tijdens de uren van de rechtszittingen toegankelijk zou zijn.
De stad Antwerpen en het Gemeentelijk Autonoom Parkeerbedrijf Antwerpen, GAPA, houden zich verder bezig met het dossier, dat past in de ontwikkeling van de wijk Nieuw Zuid. Aangezien die ontwikkeling achterloopt op het geplande tijdschema, wordt eerstdaags gestart met de aanleg van een bovengrondse parkeerplaats voor ongeveer 430 voertuigen. Die aanleg moet voltooid zijn tegen het einde van het eerste kwartaal van 2006, het tijdstip waarop alle zittingen in het justitiepaleis worden gehouden.
Het GAPA zal de 430 betaalde parkeerplaatsen aanleggen achter de Jan van Gentstraat, op ongeveer 300 meter van de hoofdingang van het nieuwe gerechtsgebouw. De minister wijst erop dat rond het oude justitiepaleis aan de Britselei geen enkele parkeerplaats voor advocaten of bezoekers beschikbaar is. De betrokkenen moeten betaald parkeren in de straten, want er is evenmin een publieke parkeergarage in de onmiddellijke omgeving. De nieuwe situatie zal dus beter zijn.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De regering is duidelijk verveeld met de vragen over het justitiepaleis in Antwerpen.
Op de eerste vraag heb ik immers geen antwoord gekregen. De minister had nochtans perfect kunnen ingaan op de inhoud van het contract en de prijs van de constructie. Dat alles wordt mij echter verborgen gehouden, tegen de openbaarheid van bestuur in. Ik heb het recht om te worden ingelicht. Ik zal dan ook de nodige opzoekingen doen en later op deze zaak terugkomen.
Ik citeerde misschien wel een verkeerde datum, maar over de essentie van de zaak heb ik een spookverklaring gekregen van de regering, overigens ook een spookregering.
Als vandaag een nieuw justitiepaleis wordt gebouwd, moet rekening worden gehouden met parkeermogelijkheden en bereikbaarheidsstudies. Het mobiliteitsbeleid van de ministers Landuyt en dat van minister Van Brempt leggen toch de nadruk op een vlotte circulatie. De overheid krijgt veel gemakkelijker een bouwvergunning dan de burgers. Als ze een gebouw van 250 miljoen euro laat optrekken, moet ze ook voor voldoende infrastructuur zorgen.
De opmerking dat er vandaag aan de Britselei ook geen parkeergelegenheid is, doet mij grimlachen. De advocaten die er pleiten, vinden na hun pleidooi dan ook een proces-verbaal voor overtreding van de parkeerwetgeving, als hun wagen al niet wordt weggesleept. Is dat in het jaar 2006 een goede rechtsbedeling?
De regering mist daadkracht. Ze laat een duur justitiepaleis optrekken, maar ze betrekt de burgers, en de mensen die er dagelijks gebruik van moeten maken, niet voldoende bij dat project. Deze ontsporing van de jongste jaren vind ik zeer jammer. Het nieuwe justitiepaleis in Antwerpen heeft immers een belangrijke signaalfunctie voor de plaats van de justitie. In de buurt van het vroegere hof van beroep, aan de Waalse Kaai, waar de mensen nu moeten parkeren, is het ook overvol. De bereikbaarheid zal dus niet verbeteren voor de rechtzoekende.
De voorzitter. - De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt namens mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - België heeft de naam een draaischijf te zijn van de internationale handel in gestolen kunst. Jaarlijks worden in ons land 12.000 à 14.000 kunstvoorwerpen gestolen uit woningen, kerken en openbare gebouwen. De federale politie bevestigt dat de illegale kunsthandel in ons land aanwezig is en vraagt meer middelen om de strijd tegen de kunstdiefstal te kunnen opvoeren.
In vergelijking met drugshandel, mensenhandel, verkeer en terrorisme krijgt kunstdiefstal in ons land een pak minder aandacht van de federale politie. Dat klinkt misschien redelijk, maar kunstdiefstal neemt toe en manifesteert zich steeds nadrukkelijker als een grensoverschrijdend probleem. Zo duiken in ons land steeds meer malafide kunsthandelaars uit onze buurlanden op.
De federale politie heeft intussen een afdeling Kunst en Antiquiteiten opgericht, maar die dienst telt amper vier ambtenaren. In alle arrondissementen samen is een vijftigtal politiemensen met expertise aan de slag, maar die zijn niet voltijds met kunstdiefstal bezig. Vooral met Frankrijk wordt informatie uitgewisseld. De politie heeft nu een databank met foto's van in België gestolen kunstvoorwerpen, maar die gegevens zijn niet verbonden met de databanken van buitenlandse politiediensten.
Dat België de illegale kunsthandel aantrekt, heeft ook te maken met lacunes in de wetgeving. Heling van kunst verjaart in ons land al na vijf jaar, terwijl dat in Frankrijk wordt beschouwd als een voortdurend misdrijf. België heeft ook nog steeds het UNESCO-verdrag, dat kunstvoorwerpen internationaal beschermt en voorziet in regels van bescherming, nog niet geratificeerd. Daardoor kunnen bijvoorbeeld Afrikaanse beelden die tot het beschermde cultuurpatrimonium behoren, zonder probleem in België verhandeld worden.
Hoe reageren de ministers op de roep van de federale politie om meer middelen in de strijd tegen de georganiseerde kunstdiefstal?
Wanneer gaat de Belgische regering bij onze buurlanden en de Europese Unie aandringen om werk te maken van één Europese databank voor gestolen kunst? Hoe zal die gegevensbank eruit zien?
Kan de regering de idee steunen om de straftermijn in ons land voor heling van kunst op te trekken? Ik verwijs hiervoor ook naar het wetsvoorstel tot wijziging van artikel 505 van het Strafwetboek betreffende de heling, dat in 2003 werd ingediend door de heer François Roelants du Vivier.
Wanneer gaat de regering werk maken van de ratificatie van het UNESCO-verdrag dat cultuurgoederen beschermt en ongeoorloofde handel onmogelijk maakt?
Welke andere maatregelen gaat de regering nemen om de handel in gestolen kunst in en via ons land tegen te gaan en te bedwingen?
De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - De bestrijding van de kunstdiefstal is geen prioriteit in de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit. Men kan immers niet alles als prioritair beschouwen. Dit betekent niet dat de politiediensten geen aandacht zouden hebben voor het fenomeen. Ze houden een goede documentatie bij van gestolen voorwerpen en beschikken onder meer over een databank. Wanneer een gerechtelijk onderzoek wordt gevoerd naar een kunstzwendel hebben de politiediensten uiteraard voldoende capaciteit om dat onderzoek uit te voeren. Ik heb nog geen signalen opgevangen van de directie van de gerechtelijke politie dat er in dit verband meer middelen nodig zijn.
Europol heeft een project gepland voor de creatie van een centrale databank die door de lidstaten kan worden geconsulteerd. Ondertussen kunnen de politiediensten tijdens internationale operaties punctuele consultaties doen in de databanken waarover sommige EU-landen beschikken.
Wat de aanpassing van de aard van het misdrijf heling betreft van een ogenblikkelijk naar een voortdurend misdrijf, gaat de vergelijking met Frankrijk niet echt op. Opdat men in Frankrijk iemand zou kunnen veroordelen voor heling moet men immers ook het onderliggende misdrijf kunnen aantonen. Heling in Frankrijk is een voortdurend misdrijf omdat het zeer moeilijk is om de heling te bewijzen. In België is dit niet het geval: heling is een zelfstandig misdrijf. Het volstaat dat het openbaar ministerie aantoont dat de beklaagde het geheelde goed niet op een regelmatige manier in zijn bezit heeft gekregen en dat de beklaagde de illegale herkomst van het goed kende of moest kennen, opdat de heling bewezen zou zijn.
Daarenboven geldt voor de heling een verjaringstermijn van 5 jaar die, wanneer er een stuiting plaatsvindt op de laatste nuttige dag van deze termijn, nog eens met 5 jaar wordt verlengd. De totale verjaringstermijn bedraagt dus 10 jaar. De minister ziet dan ook niet meteen in waarom deze termijn nog eens moet worden verlengd. Als men na 10 jaar de waarheid niet heeft ontdekt, is de kans groot dan men ze nooit achterhaalt.
Er is echter nog een reden om van heling geen voortdurend misdrijf te maken. Diefstal is namelijk een ogenblikkelijk misdrijf. Het lijkt de minister niet helemaal billijk dat de dief van een kunstvoorwerp zelf niet meer kan worden vervolgd omdat er reeds 5 of 10 jaar is verlopen sinds de diefstal, terwijl de heler nog wel vervolgd kan worden.
Voorts is ingeval van een echte georganiseerde illegale kunsthandel de criminele organisatie die de heling organiseert, slechts heel tijdelijk in het bezit van het geheelde goed omdat ze het kunstvoorwerp zo snel mogelijk zal willen doorverkopen. Het wetsvoorstel zou dus alleen voor gevolg hebben dat de definitieve heler strafbaar blijft zolang hij in het bezit is van het geheelde kunstvoorwerp, terwijl de criminele organisatie slechts gedurende een maximale termijn van 10 jaar kan worden vervolgd.
Ten slotte is het college zeker geen vragende partij om het ogenblikkelijke karakter van het misdrijf heling te veranderen.
De ratificatieprocedure van het UNESCO-verdrag is aan de gang. De gemeenschappen en gewesten zullen hierbij moeten worden betrokken.
De illegale handel in cultuurgoederen is opgenomen in de lijst van misdrijven waarvoor een Europees aanhoudingsbevel kan worden opgelegd. De minister vindt bijgevolg dat niet onmiddellijk nog andere maatregelen in verband met deze problematiek moeten worden genomen.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik wil de discussie over de verjaring van de heling niet voortzetten.
Ik dring er wel op aan het UNESCO-verdrag te ratificeren.
Voorts mag uit het feit dat bepaalde misdrijven geen prioriteit zijn, niet worden afgeleid dat er een gedoogbeleid bestaat tegenover deze misdaden. Die indruk bestaat wel in de pers.
De voorzitter. - De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt namens de heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Uit cijfers die de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu recent bekendmaakte, blijkt dat het verbod op tabaksreclame in ons land niet altijd goed wordt nageleefd. In 2005 werden 8.113 plaatsen gecontroleerd, goed voor meer dan 13.000 vaststellingen.
Volgens de tabakscontroledienst van de federale overheid worden nog nauwelijks overtredingen vastgesteld op het naleven van het rookverbod in openbare plaatsen, maar dus wel op het naleven van het verbod op tabaksreclame. Bij 29% van de controles werd een inbreuk vastgesteld. Vooral op de indirecte reclame - bijvoorbeeld aan de hand van sfeerbeelden die niet rechtstreeks naar het tabaksproduct verwijzen - werden het afgelopen jaar inbreuken vastgesteld. Een ander knelpunt is de tabaksreclame op gebruiksvoorwerpen, zoals op paraplubakken, deurklinken en matten. Te veel tabaksautomaten zijn niet correct opgesteld. Volgens de wet mogen de machines alleen in een lokaal staan waar ook andere goederen reglementair, dit wil zeggen over de toonbank, verkocht worden.
Hoe reageert de minister op de bevindingen van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu? Hoe wil hij de hierboven vermelde overtredingen op het verbod op tabaksreclame ontraden, voorkomen, indijken en bestraffen?
De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - Sinds de inwerkingtreding van de wet van 10 december 1997 houdende verbod op de reclame voor tabaksproducten is maar in zeer beperkte mate reclame in bepaalde verkoopspunten toegestaan. Zo is enkel nog affichering van het tabaksmerk in en aan de voorgevel van krantenwinkels en tabakswinkels toegestaan.
De controledienst van Volksgezondheid stelt vast dat de tabaksfabrikanten in bepaalde gevallen die wetgeving proberen te omzeilen. Dat blijkt uit het aantal processen-verbaal dat jaarlijks wordt opgesteld en de reacties van de tabaksfabrikanten daarop. Sinds het verbod op tabaksreclame op 1 januari 1999 in werking trad werden al ongeveer 90 processen-verbaal opgesteld.
Uit de controles blijkt ook dat bepaalde vertegenwoordigers van tabaksfabrikanten de verkooppunten steeds meer onder druk zetten om illegale tabaksreclame te voeren. Ook zetten ze de winkeliers aan om niet mee te werken bij de controles.
Ook verschuiven de tabaksfabrikanten hun aandacht steeds meer van de klassieke reclamedragers, zoals affiches, naar allerlei nieuwe reclametechnieken, zoals imagoreclame, speciale uitstallingen, gratis cadeaus bij de aankoop van tabaksproducten, productdisplays en fantasieverpakkingen. Het verkoopspunt wordt zo één groot `reclamepunt'.
De controledienst van Volksgezondheid doet voldoende inspanningen om de naleving van de wet af te dwingen. De dienst zal dit jaar de nieuwe reclametechnieken controleren en geprogrammeerde controleacties organiseren. De minister heeft dat in zijn beleidsbrief meegedeeld.
Er moet echter ook worden vastgesteld dat de processen-verbaal niet altijd tot een sanctie leiden. Nochtans staan in de wet hoge boetes van minimum 55.000 euro tot maximum 550.000 euro. De tabaksfabrikanten krijgen altijd eerst de mogelijkheid om een administratieve boete te betalen, die meestal met de minimumboetes overeenstemt. In 6 van de 90 dossiers hebben de tabaksfabrikanten de voorgestelde administratieve boete betaald. Als de administratieve boete niet wordt betaald, wordt het proces-verbaal aan de parketten bezorgd. Tot op heden heeft nog geen enkel proces-verbaal aanleiding gegeven tot een dagvaarding van een tabaksfabrikant, laat staan tot een veroordeling door een rechtbank.
Minister Demotte heeft dit probleem vorig jaar aangekaart bij de minister van Justitie. Die heeft op haar beurt de parketten ertoe aangezet om na te gaan waarom tot op heden nog geen enkel proces-verbaal tot een rechtszaak heeft geleid.
De voorzitter. - De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt namens de heer Renaat Landuyt, minister van Mobiliteit.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten heeft becijferd dat 83% van de opbrengst van verkeersboetes in ons land door Vlaanderen wordt `gerealiseerd', terwijl op een totaal bedrag van ruim 60 miljoen euro slechts iets meer dan de helft naar de Vlaamse politiezones gaat. De verdeelsleutel van het Verkeersveiligheidsfonds is dus onbillijk.
Mocht de verdeling uitsluitend op basis van de opbrengst van de boetes gebeuren, dan zouden de Vlaamse politiezones 26% meer moeten ontvangen. In Wallonië wordt veel minder op verkeersinbreuken gecontroleerd dan in Vlaanderen, waar wekelijks flitspalen bijkomen. Mede daarom heeft de Vlaamse regering in het verleden erop aangedrongen om de verdeelsleutel te herzien, zij het zonder gevolg.
Wat maakt de minister op uit de cijfers van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten? Is hij van plan de verdeelsleutel van het Verkeersveiligheidsfonds te herzien? Ik verwijs hierbij naar het antwoord dat de minister mij gaf op mijn vraag om uitleg van 24 juni 2004 over de herverdeling van de middelen uit het Verkeersboetefonds (nr. 3-313). Toen beloofde de regering de verdeelsleutel te herzien indien uit de evaluatie blijkt dat de huidige verdeelsleutel voor een onrechtvaardige verdeling van de vrijgekomen middelen zorgt. Aangezien Vlaanderen voor 83% van de inkomsten zorgt en slechts 50% terugkrijgt, neem ik aan dat onze consequente regering de verdeelsleutel zal herzien.
De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - Op basis van de besluiten van de werkgroepen belast met de evaluatie van de wet van 7 februari 2003 heeft de federale Commissie aanbevelingen geformuleerd die hebben geresulteerd in de verkeerswet van 20 juli 2005 en in de wet van 6 december 2005 betreffende de opmaak en financiering van actieplannen inzake verkeersveiligheid.
Er werd geen aanzet gegeven tot wijziging van de verdeelsleutel. In artikel 7 van de wet van 6 december 2005 werden dan ook de criteria behouden op basis waarvan de middelen verdeeld worden over de begunstigden. Wel werd in een 197e politiezone voorzien, meer bepaald de federale politie, die aanspraak kan maken op een deel van het Verkeersveiligheidsfonds.
De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Uit het antwoord op mijn vragen over het justitiepaleis te Antwerpen heb ik afgeleid dat de regering blind is. Uit dit antwoord met betrekking tot de boetes maak ik op dat ze ook doof is. Ik ben dan ook verplicht een motie in te dienen om de Vlaamse partijen te verplichten een standpunt in te nemen omtrent de onrechtvaardige verdeling van de verkeersboetes.
De voorzitter. - De heren Steverlynck en Beke hebben een motie ingediend die luidt:
"De Senaat,
Gehoord de vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe over de herverdeling van de middelen uit het Verkeersveiligheidsfonds;
Gegeven het antwoord van de regering;
Verzoekt de regering over te gaan tot een verdeling van de middelen van het Verkeersveiligheidsfonds op basis van de opbrengsten vanuit de gewesten."
De heren Roelants du Vivier, Mahoux, Wille en Lionel Vandenberghe hebben een gewone motie ingediend.
-Over deze moties wordt later gestemd.
De voorzitter. - De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt namens mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie.
Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Bij koninklijk besluit van 25 oktober 2005 werd het kader van de aalmoezeniers en de islamconsulenten van de erkende erediensten en van de moreel consulenten van de Centrale Vrijzinnige Raad der niet confessionele levensbeschouwing bij de Strafinrichtingen vastgesteld, waarbij moslims en protestanten aanzienlijk vooruitgaan, wat tegemoetkomt aan de noden op het terrein.
In het koninklijk besluit wordt niet vermeld of de eenheden van aalmoezeniers opgedeeld kunnen worden in functie-eenheden. Vroeger konden de functies worden opgedeeld in subeenheden van 20%; dit wil zeggen dat voor één eenheid vijf verschillende personen elk één dag in de week de functie van aalmoezenier vervullen in onze 33 strafinrichtingen, wat de praktische werking van de religieuze ondersteuning ten goede kwam.
Sta me toe in dit kader vragen te stellen met betrekking tot de veiligheid en het moslimextremisme. Aangezien er zeventien islamconsulenten zijn, zou de onderverdeling in subeenheden met zich meebrengen dat 85 moslimconsulenten deeltijds werkzaam zouden kunnen zijn.
In de pers van de voorbije weken is gebleken dat rekrutering voor extreem-rechts islamisme ook in onze gevangenissen plaatsvindt.
Aanvaardt de vice-eerste minister dat de eenheden van aalmoezeniers en consulenten zoals voorheen worden opgedeeld in subeenheden van 20%?
Welke zijn, specifiek met betrekking tot de moslimconsulenten, de maatregelen die de vice-eerste minister zal nemen om infiltratie van extreem-rechtse islamisten te voorkomen?
De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - Het is de bedoeling van de minister om in de middelgrote en grote gevangenissen een permanente dienst voor godsdienstige en morele steun te installeren. Daarom zal in deze gevangenissen een deeltijdse regeling van 20% niet meer mogelijk zijn. Voor de kleine gevangenissen zal men zich daarentegen aanpassen aan de vraag naar godsdienstige en morele steun.
De minister onderstreept eveneens dat ze op basis van de nieuwe wetten die de veiligheidsverificatie regelen, kan overgaan tot dergelijke verificaties voor elke aalmoezenier of lekenconsulent die de gedetineerden geestelijke bijstand wenst te geven.
Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Het antwoord was zeer summier en ik heb niet alles begrepen. Het is natuurlijk wel mooi dat we mondeling een antwoord krijgen op onze vraag, maar het moet wel verstaanbaar zijn. Ik zal het antwoord nalezen en de minister indien nodig verder ondervragen.
De voorzitter. - De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt namens de heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken.
De heer Berni Collas (MR). - De minister van Binnenlandse Zaken heeft ons vereerd met een bezoek aan de federale politie van Eupen. Er werden drie belangrijke thema's aangesneden: de aanwerving van Duitstalig personeel, het Centrum voor Informatie en communicatie, (CIC) in Luik en de grensoverschrijdende samenwerking. Mijn vraag om uitleg gaat over het laatste punt.
Op 27 mei 2005 heeft minister Dewael in Prüm met zijn Spaanse, Duitse, Franse, Luxemburgse, Nederlandse en Oostenrijkse collega's een multilateraal verdrag ondertekend tot uitbreiding van de grensoverschrijdende samenwerking, onder meer met het oog op de strijd tegen het terrorisme, de grensoverschrijdende criminaliteit en de illegale migratie. Dat verdrag - ook Schengen III genoemd -, beoogt vooral een meer intensieve uitwisseling van informatie. Elke lidstaat van de Europese Unie kan toetreden.
In artikel 1 wordt bepaald dat uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van het verdrag, een initiatief zal worden voorgelegd met het oog op de inschrijving van de bepalingen van het verdrag in het juridische kader van de Europese Unie, op basis van een evaluatie van de ervaring die is opgedaan in het kader van de werking van het verdrag.
Dat verdrag zal later dus hoogst waarschijnlijk deel uitmaken van het Europees recht dat de gehele Unie bindt.
Het verdrag voorziet vooral in de oprichting van gegevensbanken van DNA en van vingerafdrukken die toegankelijk zijn voor de verdragspartijen.
De minister weet dat in mijn streek, het grensgebied van België met Duitsland, Nederland en Luxemburg, de grensoverschrijdende criminaliteit zeer hoog scoort.
De politiediensten hebben nood aan rechtszekerheid op het gebied van grensoverschrijdende samenwerking. Het verdrag van Prüm kan de politiële en gerechtelijke samenwerking in de Euregio Maas-Rijn ondersteunen en bijdragen aan een meer efficiënte aanpak van de grensoverschrijdende criminaliteit en van de mensenhandel. De gerechtelijke politie van de Duitstalige regio moet immers steeds meer afrekenen met illegale migratie.
In welke fase bevindt zich de ratificatie van het verdrag?
Wie zal optreden als `nationaal contactpunt voor de overmaking van gegevens', waarin is voorzien in de artikelen 6, 9, 10, 15, 16 en 18 van het verdrag? Is dat de federale procureur? Of wordt in verschillende contactpunten voorzien?
De technische details van de procedure worden uitgewerkt in uitvoeringsakkoorden in de zin van artikel 44 van het verdrag. Wie zal in het Belgisch recht gemachtigd worden zo een akkoord te sluiten?
In het verdrag is geen definitie opgenomen van `niet-persoonlijke gegevens'. Moeten we er niet voor beducht zijn dat de verdragspartijen dat begrip verschillend interpreteren of dat toekomstige contactpunten dat begrip fout interpreteren?
De werkgroep die in artikel 43 van het verdrag wordt vermeld en die als opdracht heeft het Comité van ministers te ondersteunen werd opgericht. Wie vertegenwoordigt ons land in die werkgroep en wat zijn de bevoegdheden op het gebied van de controle van de omzetting en de interpretatie van het verdrag van Prüm?
Waarom staat in artikel 48 van het verdrag dat er een verklaring kan worden afgelegd over het geografische toepassingsgebied, terwijl in artikel 45 uitdrukkelijk het territoriale toepassingsgebied wordt bepaald in die zin dat het beperkt is tot het grondgebied van de verdragspartijen en de overzeese gebieden worden uitgesloten?
De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - De nodige inspanningen werden geleverd opdat de ratificatie van het verdrag van Prüm vlug tot een goed einde kan worden gebracht. De minister is zinnens het ratificatiedossier op de agenda van de ministerraad te plaatsen en het bij het Parlement in te dienen in maart 2006, zodat de ratificatie nog kan plaatsvinden voor de zomer van 2006.
Wat de uitwisseling van gegevens over DNA-profielen betreft, zal het Nationaal Instituut voor criminalistiek en criminologie, dat afhangt van de FOD Justitie als nationaal contactpunt dienstdoen. De federale politie zal die taak opnemen voor de uitwisseling van vingerafdrukgegevens en de uitwisseling van gegevens met het oog op de preventie van terroristische daden en aanslagen op de openbare orde en veiligheid tijdens grote manifestaties met een internationale dimensie.
Het Bureau voor de coördinatie en uitwisseling van gegevens over de interventie van gewapende machten zal worden ondergebracht bij de luchtvaartinspectie. Die inspectie valt onder de Algemene Directie Luchtvaart van de FOD Mobiliteit.
De uitwisseling van gegevens met het buitenland zal volgens de nationale regels verlopen. Zo zal voor sommige gevoelige gegevens de uitwisseling van gegevens verlopen onder controle van de gerechtelijke autoriteiten.
Een aantal technische procedures moeten inderdaad nog in de uitvoeringsakkoorden worden uitgewerkt. Voor België kunnen de bevoegde ministers of zelfs hun onmiddellijke ondergeschikten akkoorden sluiten, afhankelijk van de materie die moet worden geregeld.
Het begrip `niet-persoonlijke gegevens' wordt gebruikt in de artikelen over de gegevensuitwisseling, om aanslagen op de openbare orde en veiligheid tijdens grote manifestaties met een internationale dimensie te vermijden. Tijdens de onderhandelingen hanteerden de verschillende landen een zeer duidelijke en precieze interpretatie van de betekenis van die begrippen. In een aantal instrumenten van de Europese Unie worden op dat gebied reeds gedetailleerde definities gegeven.
Met `niet-persoonlijke gegevens' wordt strategische, operationele en tactische informatie bedoeld die het mogelijk maakt een beeld te vormen van de risico's op het gebied van de veiligheid die gepaard gaan met een evenement. Dat kunnen bijvoorbeeld gegevens over de route, het aantal personen, de vervoermiddelen of de aard van de groepen zijn.
De gemeenschappelijke werkgroep, waarin is voorzien in artikel 43 van het verdrag, moet nu in de eerste plaats de verschillende uitvoeringsakkoorden uitwerken. De Belgische delegatie van de gemeenschappelijke werkgroep wordt voorgezeten door de internationale cel van het departement van de minister van Binnenlandse Zaken.
Artikel 48 betreft in de eerste plaats het grondgebied van de contracterende partijen in Europa. Zo een artikel is gebruikelijk in dergelijke internationale verdragen. Die bepaling maakt het de verdragspartijen in principe mogelijk het toepassingsgebied van een aantal artikelen te beperken tot bepaalde grensgebieden. Voor zover de minister weet, heeft geen enkele verdragspartij blijk gegeven van die bedoeling.
De voorzitter. - Aan de orde is de voordracht van een lijst met drie namen voor het vacante ambt van Nederlandstalig staatsraad, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 14 september 2005.
Bij brief van 14 december 2005 heeft de eerste voorzitter van de Raad van State de lijst met drie namen meegedeeld die door de Raad voor dit vacante ambt wordt voorgedragen.
De voordracht van de Raad was niet eenparig. Bijgevolg kan de Senaat, binnen een termijn van ten hoogste dertig dagen vanaf de ontvangst van de mededeling van de voordracht van de Raad, hetzij de door de Raad van State voorgedragen lijst bevestigen, hetzij een tweede lijst met drie namen, die uitdrukkelijk wordt gemotiveerd, voordragen.
De lijst van de kandidaten werd rondgedeeld. Bij brief van 27 december 2005 heeft de heer Francis Van Nuffel, advocaat aan de balie te Brussel, zijn kandidatuur ingetrokken.
Alle senatoren hebben kennis kunnen nemen van het curriculum vitae van de kandidaten, die allen voldoen aan de wettelijke benoemingsvoorwaarden.
De Commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden heeft de kandidaten gehoord op 10 januari jongstleden en is, met gesloten deuren, overgegaan tot een vergelijking van hun titels en verdiensten.
Alle senatoren waren uitgenodigd om die hoorzitting bij te wonen.
De voorzitter. - Ik verzoek de heer Delpérée, rapporteur, kennis te geven van de conclusies van de commissie.
De heer Francis Delpérée (CDH), rapporteur. - Overeenkomstig artikel 70 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is een ambt van staatsraad te vervullen in het Nederlandstalig kader van de Raad van State.
Aangezien de algemene vergadering van de Raad van State geen eenparigheid van stemmen heeft bereikt bij de voordracht van kandidaten, moet de Senaat krachtens artikel 70, §1, lid 2 tot 12, van de genoemde gecoördineerde wetten hetzij een tweede kandidatenlijst met drie namen die uitdrukkelijk wordt gemotiveerd, voordragen, hetzij de door de Raad van State voorgedragen lijst bevestigen.
Artikel 70, §1, bepaalt in dit verband dat de Senaat de kandidaten kan horen.
Tijdens zijn vergadering van 22 december 2005 heeft het Bureau de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden verzocht deze hoorzittingen te organiseren.
De zeven kandidaten voor een ambt van staatsraad werden dan ook door de voorzitter van die commissie uitgenodigd om gehoord te worden op 10 januari 2006. De commissie heeft gehoord: Mevrouw Chantal Bamps, auditeur in de Raad van State; de heer Pierre Lefranc, rechter in de rechtbank van eerste aanleg te Gent; de heer Peter Sourbron, auditeur in de Raad van State; de heer Bert Thys, eerste auditeur in de Raad van State; de heer Jeroen Van Nieuwenhove, auditeur in de Raad van State; de heer Stephan Wyckaert, advocaat aan de balie te Antwerpen.
Een van de kandidaten, de heer Francis Van Nuffel, advocaat aan de balie te Brussel, heeft meegedeeld dat hij zijn kandidatuur intrekt en heeft zich niet aangemeld voor de hoorzitting.
Overwegende dat:
Is de commissie tot een eigen beoordeling gekomen van de respectieve aanspraken en verdiensten van de kandidaten en heeft beslist de door de Raad van State voorgedragen lijst niet te volgen. De commissie meent onder meer dat het belangrijk is dat er meer kansen worden gegeven aan kandidaten die niet uit de Raad van State zelf komen, evenals als aan vrouwelijke kandidaten.
De commissie is echter niet tot overeenstemming gekomen over een tweede lijst met drie namen die aan de minister van Binnenlandse Zaken dient te worden voorgelegd.
Dit verslag werd goedgekeurd met 12 stemmen bij 2 onthoudingen.
De voorzitter. - Wij gaan nu over tot de afzonderlijke geheime stemmingen voor de voordracht van een eerste, een tweede en een derde kandidaat voor het vacante ambt van staatsraad.
De curricula vitae van de kandidaten die door de Senaat zullen worden aangewezen, zullen aan de beslissing van de Senaat worden gehecht.
Het lot wijst mevrouw Kapompolé en de heer Verreycken aan om de functie van stemopnemers te vervullen.
U hebt een omslag ontvangen met de nodige stembriefjes voor de drie stembeurten.
Wij stemmen nu over de voordracht van de eerste kandidaat. U kunt hiervoor gebruik maken van het blauwe stembiljet.
De stemming is geopend. Ze begint met de naam van de heer Galand.
(Tot de geheime stemming wordt overgegaan.)
De stemming is gesloten.
De Senaat zal waarschijnlijk zijn agenda willen voortzetten, terwijl de stemopnemers de stembiljetten nazien. (Instemming)
(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)
Stemming 1
Aanwezig: 62
Voor: 62
Tegen: 0
Onthoudingen: 0
-Het wetsontwerp is aangenomen.
-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
Stemming 2
Aanwezig: 62
Voor: 62
Tegen: 0
Onthoudingen: 0
-Het wetsontwerp is aangenomen.
-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
Stemming 3
Aanwezig: 62
Voor: 62
Tegen: 0
Onthoudingen: 0
-Het wetsvoorstel is aangenomen.
-Het wetsontwerp zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.
De voorzitter. - De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.
De heer Stefaan Noreilde (VLD). - Ondergronds bankieren werkt als volgt. Een migrant levert een som geld bij een lokale ondergrondse bankier. Die bankier - die normaal een commissie van enkele procenten vraagt, maar voor crimineel geld vaak veel meer aanrekent - neemt contact op met zijn vennoot in het land waar het geld naartoe moet. De klant ontvangt een bewijsstuk, bijvoorbeeld een doormidden gescheurd bankbiljet of treinticket, of een code waarmee de ontvangende partij in het buitenland het geld kan ophalen.
Er zijn diverse redenen voor het bestaan van ondergrondse banken: ze zijn relatief goedkoop, laagdrempelig omdat de diensten worden aangeboden binnen de eigen bevolkingsgroep en identificatieverplichtingen ontbreken. Ondergrondse banken zijn niet per definitie `crimineel'. `Gewone' migranten maken van deze vorm van bankieren gebruik omdat er bijvoorbeeld in hun land van herkomst geen banken bestaan en omdat ze meer vertrouwen hebben in de diensten van de eigen bevolkingsgroep. Ook het taalprobleem valt daarbij weg. Anderzijds geeft ondergronds bankieren criminelen en terroristen de mogelijkheid om, vaak zonder nalaten van een papieren spoor, buiten het zicht van de autoriteiten geld van het ene naar het andere land te verplaatsen. Vooral het ontbreken van de identificatieplicht is een stimulans.
Het IMF schat dat er op dit moment jaarlijks wereldwijd voor ongeveer 100 miljard dollar via ondergrondse banken naar het buitenland wordt overgemaakt. Het gaat daarbij zowel over crimineel geld, als over inkomensoverdrachten van migranten naar het land van herkomst. Toch is sinds de terreuraanslagen van 11 september 2001 wereldwijd al 147 miljoen dollar aan terreurgeld geblokkeerd. Een regulering, wereldwijd, dringt zich op.
Op 19 juli 2005 stuurden de Nederlandse minister van Financiën Zalm en zijn collega minister van Justitie Donner een brief naar de Tweede Kamer met uitleg over `ondergronds bankieren' of `hawala' en de maatregelen die de overheid neemt om dit verschijnsel tegen te gaan in het kader van de strijd tegen het terrorisme. In Nederland vallen geldtransfers onder de wet inzake de Geldtransactiekantoren. Die wet gaat misbruik van geldtransacties voor het witwassen van criminele gelden en financiering van terrorisme tegen. Aanbieders van geldtransactiediensten moeten geregistreerd zijn en aan verschillende voorwaarden voldoen. De Nederlandse overheid plant een reeks maatregelen waaronder een internationaal onderzoek onder leiding van de Wereldbank naar de toegankelijkheid en het aanbod van financiële producten voor migranten, een evaluatie van de wet inzake de Geldtransactiekantoren en het efficiënter maken van opsporing en vervolging van ondergrondse banken.
Het fenomeen ondergronds bankieren stopt echter zeker niet bij de grens.
Daarom volgende vragen:
1. Zijn de ministers op de hoogte van het fenomeen `ondergronds bankieren'?
2. Is er zicht op het bedrag dat in België jaarlijks via ondergrondse banken naar het buitenland wordt overgemaakt?
3. Hoeveel terreurgeld is sinds de terreuraanslagen van 11 september 2001 al geblokkeerd in België?
4. Worden er -naar analogie met Nederland- reeds maatregelen genomen of gepland tegen ondergrondse banken? Neemt ons land deel aan het internationaal onderzoek onder leiding van de Wereldbank naar bilaterale geldstromen als gevolg van inkomensoverdrachten van migranten naar het land van herkomst? Welke sancties bestaan in ons land tegen inbreuken op de anti-witwaswet van 11 januari 1993, gewijzigd door de wet van 12 januari 2004, met onder meer de identificatieplicht?
De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - Hawala is een informeel systeem voor de overdracht van fondsen waarvan de benaming verschilt naargelang van de regio waar het wordt toegepast. In India noemt men het ook hundi.
Hawala wordt vaak gebruikt in de diaspora en door etnische minderheden over de hele wereld.
Er wordt inderdaad vaak gezegd dat hawala een belangrijke rol zou kunnen spelen in het witwassen van geld, aangezien het systeem duidelijk buiten elk regelgevend kader en controlekader valt.
Op internationaal vlak werd de praktijk van de door middel van een informeel systeem of netwerk verwezenlijkte geldoverdrachten, zoals bijvoorbeeld de hawala's, door de Financial Action Task Force aangepakt sinds oktober 2001 op het ogenblik van de bekendmaking van de acht speciale aanbevelingen over de financiering van het terrorisme, in het bijzonder de speciale aanbeveling VI.
In België, overeenkomstig speciale aanbeveling VI, beperkt artikel 139bis van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs de dienstverlening van die geldoverdrachten tot de Nationale Bank van België, de Post, de kredietinstellingen, de beleggingsondernemingen en de wisselkantoren.
Degenen die, ondanks het wettelijke kader, deze activiteit zouden uitoefenen zonder over het vereiste statuut te beschikken, zijn strafbaar op basis van artikel 148, §4, van de wet van 6 april 1995.
De acties van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen hebben geleid tot twee aangiftes bij de procureur des Konings, tot de sluiting van een wisselkantoor, en in de andere gevallen werd de toestand in orde gebracht door het stopzetten van de activiteit, door de overname van de activiteit door een geregistreerd wisselkantoor, door de registratie van de vennootschap als wisselkantoor bij de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen of door de ontvangst van overtuigende informatie die aantoont dat er geen uitoefening van de activiteit van geldoverdracht is.
Anderzijds, op basis van de anti-witwaswet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, heeft de Cel voor financiële informatieverwerking reeds dossiers aan het parket doorgemeld die verband houden met ondergronds bankieren.
Ten tijde van de onderlinge evaluatie van het Belgische systeem ter voorkoming van het witwassen van geld en van financiering van het terrorisme die in 2005 verwezenlijkt werd, heeft de Financial Action Task Force geacht dat België volledig in overeenstemming is met aanbeveling VI.
De Nationale Bank van België beschikt niet over statistische gegevens over de geldoverdrachten via ondergronds bankieren.
Naast de verplichtingen verbonden aan de strijd tegen de financiering van het terrorisme vervat in de anti-witwaswet van 11 januari 1993, werden 11 rekeningen geblokkeerd op naam van 9 personen of entiteiten voor een totaal bedrag van 6.314 euro, op basis van Europese verordeningen op de bevriezing van de tegoeden van terroristengroepen en -entiteiten (2580/2001) en van personen en entiteiten die banden hebben met Osama bin Laden, het Al-Qaedanetwerk en de Taliban (881/2002).
Heel wat officiële instanties verrichten onderzoek naar de omvang en de kosten van de inkomensoverdrachten van migranten naar hun land van herkomst en naar de impact die deze overdrachten hebben op de ontwikkeling van die landen.
De Belgische reglementering inzake geldoverdrachten zal worden versterkt door de verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende bij geldoverdrachten te voegen informatie over de betaler. De werkzaamheden rond deze tekst worden binnenkort afgerond.
Ook de Wereldbank verricht onderzoek naar dit verschijnsel en heeft reeds een aantal resultaten van die studies gepubliceerd, zoals in de Global Economic Prospects 2006.
Het internationaal onderzoek naar ondergronds bankieren dat door de Nederlandse Overheid wordt aangehaald, betreft een initiatief van de Wereldbank dat een aantal bilaterale geldstromen tussen landen uit verschillende werelddelen in kaart wil brengen.
In 2005 publiceerde de Wereldbank een rapport over de fondsen die zowel door arbeiders als bedienden naar ontwikkelingslanden worden gestuurd. Hierbij werd volgens een specifieke methodologie samengewerkt met de centrale banken van veertig minder ontwikkelde landen.
Bijzondere aandacht werd besteed aan statistieken over dergelijke geldoverdrachten, de kosten verbonden aan het uitvoeren van dergelijke verrichtingen, reglementerende mechanismen voor dergelijke transacties en de inspanningen die in die landen werden geleverd om de overdrachten via gereglementeerde financiële instellingen te doen verlopen.
België werkt mee aan de onderzoeken van de Wereldbank door het leveren van de in het kader van die onderzoeken gevraagde informatie. In België verzamelt de Nationale Bank van België informatie over de inkomensoverdrachten van migranten, die wordt verstrekt door erkende instellingen.
De wet van 11 januari 1993 stelt een bijzonder detectiemechanisme in om geldstromen op te sporen die kunnen wijzen op witwasverrichtingen in verband met ernstige vormen van criminaliteit of op financiering van terrorisme. Hiervoor wordt aan de opgesomde ondernemingen en personen, waaronder de financiële sector, een aantal verplichtingen opgelegd, zoals de verplichting cliënten te identificeren en vermoedens van witwassen en van financiering van terrorisme te melden aan de Cel voor financiële informatieverwerking.
Overeenkomstig artikel 4 moet steeds tot identificatie worden overgegaan wanneer de cliënt wenst over te gaan tot het uitvoeren van een geldoverdracht waarvan sprake in artikel 139bis van de wet van 6 april 1995.
De CBFA kan sanctionerend optreden indien een instelling die onder haar bevoegdheid valt, haar verplichtingen ter zake niet nakomt.
Onverminderd de algemene sancties waarover de CBFA beschikt, voorziet de wet van 11 januari 1993 in twee bijzondere sancties.
De CBFA kan, volgens de regels die ze bepaalt, de beslissingen en maatregelen die ze neemt, openbaar maken en een administratieve geldboete opleggen die niet minder dan 250 euro en niet meer dan 1.250.000 euro mag bedragen. De geldboete wordt geïnd in het voordeel van de Schatkist door de Administratie van de BTW, registratie en domeinen.
De voorzitter. - Hier volgt de uitslag van de stemming over de voordracht van de eerste kandidaat voor het ambt van staatsraad:
Aantal stemmenden: 63.
Blanco of ongeldige stembriefjes: 0.
Geldige stemmen: 63.
Volstrekte meerderheid: 32.
Mevrouw Chantal Bamps behaalt 29 stemmen.
De heer Pierre Lefranc behaalt 23 stemmen.
De heer Peter Sourbron behaalt 0 stemmen.
De heer Bert Thys behaalt 9 stemmen.
De heer Jeroen Van Nieuwenhove behaalt 1 stem.
De heer Stephan Wyckaert behaalt 1 stem.
Daar geen der kandidaten de volstrekte meerderheid der stemmen heeft behaald, wordt overgegaan tot een herstemming tussen mevrouw Bamps en de heer Lefranc die het grootste aantal stemmen hebben behaald. U kunt hiervoor gebruik maken van het gele stembiljet.
De stemming is geopend. Ze begint met de naam van de heer Galand.
(Tot de geheime stemming wordt overgegaan)
De stemming is gesloten.
De Senaat zal waarschijnlijk zijn agenda willen voortzetten, terwijl de stemopnemers de stembiljetten nazien. (Instemming)
De voorzitter. - De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt namens de heer Didier Reynders, vice-eerste minister en minister van Financiën.
Mevrouw Anke Van dermeersch (VL. BELANG). - Volgens een arrest van 15 juli 2004 van het Europees Hof van Justitie is de heffing van de beurs- en de leveringstaks op de primaire marktverrichtingen onverenigbaar met de Europese regelgeving.
Ten gevolge van dit arrest werd in de programmawet van 27 december 2004 een artikel 358 opgenomen en werd ook het koninklijk besluit van 17 januari 2005 uitgevaardigd waardoor de benadeelden de teruggave van de onterecht geïnde taks konden vorderen.
Op 13 oktober van vorig jaar stelde ik de minister reeds een vraag omtrent de stand van zaken inzake de terugbetaling van deze onterecht geïnde taks. Toen bleek dat deze terugbetaling tergend langzaam gebeurde. De minister bleef mij het antwoord op een aantal vragen schuldig. Ik ben derhalve zo vrij opnieuw naar een stand van zaken in dit dossier te vragen.
Weet de minister inmiddels hoeveel aanvragen tot terugvordering in totaal werden ingediend en wat het totaalbedrag is dat werd teruggevorderd?
Hoeveel van deze aanvragen werden intussen afgehandeld? Hoeveel mensen kregen dus inmiddels een terugbetaling? Welk totaalbedrag werd tot op heden teruggestort?
Kan al worden ingeschat wanneer deze operatie volledig zal zijn afgerond? Wanneer zal dus de laatste belegger de hem verschuldigde sommen terugkrijgen?
Op grond van welke criteria worden de dossiers behandeld? Worden de dossiers die eerst zijn binnengekomen, eerst behandeld, of worden er andere criteria gebruikt en zo ja, welke?
De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - Er werden bij benadering 800.000 aanvragen tot teruggave ingediend. Het totaal teruggevorderde bedrag kan pas worden vastgesteld na de verificatie van alle aanvragen. De aanvragen tot teruggave worden behandeld volgens het tijdstip van indiening. Een einddatum voor de afhandeling van de dossiers kan niet worden vooropgesteld.
De stand van zaken is de volgende: op 6 januari 2006 waren 182.158 dossiers geregistreerd. Voor 144.643 aanvragen was op datum van 13 december 2005 de terugbetaling gebeurd voor een totaal bedrag van 41.104.034,24 euro. De volgende betaling vindt plaats op 31 januari 2006.
Mevrouw Anke Van dermeersch (VL. BELANG). - De beslissing om terug te betalen is genomen in december 2004. Twee jaar later is nog niet alles terugbetaald. Ondertussen strijkt de staat de rente op die bedragen op, hoewel ze toekomen aan de mensen die nog moeten worden terugbetaald. Dat is niet correct.
De voorzitter. - de heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt namens de heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken.
Mevrouw Anke Van dermeersch (VL. BELANG). - Onlangs kreeg ik een e-mail van een student, die op de webstek van de Senaat mijn schriftelijke vraag over de beschikbaarheid van criminaliteitsstatistieken had gelezen. Die student was voor zijn eindwerk wanhopig op zoek naar criminaliteitscijfers op gemeentelijk niveau.
Ik stelde de minister inderdaad begin vorig jaar een schriftelijke vraag omtrent het feit dat de criminaliteitsstatistieken op gemeentelijke niveau en op het niveau van de politiezone van de webstek van de federale politie waren gehaald, hoewel die daarop al verschillende jaren konden worden geraadpleegd.
De minister antwoordde toen op mijn schriftelijke vraag dat hij bewust deze gegevens van de federale webstek had weggehaald, met de flauwe drogreden dat deze statistieken eigendom zijn van de lokale politieoverheden. Het resultaat hiervan is dat er chaos heerst op het vlak van de beschikbaarheid van deze gegevens en dat voor vele politiezones en gemeenten er gewoon geen criminaliteitscijfers voorhanden zijn. Dat was wellicht ook de bedoeling van deze maatregel, nu de gemeenteraadsverkiezingen in zicht zijn.
Bovendien rijst de vraag naar de volledigheid en bijgevolg de vergelijkbaarheid van de criminaliteitscijfers die enkel door de politiezone of de gemeente ter beschikking worden gesteld. Een aantal misdrijven die in een specifieke politiezone of gemeente plaatsgrijpen kunnen immers in een andere politiezone of gemeente worden aangegeven. De beslissing van de minister is dus in alle opzichten onverantwoord.
Hoeveel politiezones en gemeenten maken momenteel de statistieken over de criminaliteit op hun grondgebied bekend, zij het via hun webstek, een jaarverslag of enige andere publicatie? In hoeverre zijn de criminaliteitsgegevens die door gemeenten en politiezones worden bekendgemaakt volledig, gelet op het feit dat een aantal criminele feiten die op hun grondgebied kunnen plaatsgrijpen ook elders kunnen worden aangegeven? Erkent de minister dat de huidige situatie allesbehalve open, doorzichtig en efficiënt is en zo ja, overweegt hij terug te keren naar het oude systeem waarbij deze gegevens federaal werden bekendgemaakt?
De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - De Directie van de Nationale Gegevensbank beschikt niet over de stand van zaken van de publicatie van de politiële criminaliteitsstatistieken door de politiezones of gemeentes. Het vrijgeven van de lokale cijfers en de beschrijving van de context van de feiten waarop ze betrekking hebben, zijn immers een lokale verantwoordelijkheid en beslissing. Alle politiezones werken momenteel met een geïntegreerd registratiesysteem, waarin zij over volledige criminaliteitsstatistieken beschikken. Men kan die statistische gegevens opvragen bij de betrokken politiezones. Voor het ogenblik legt geen enkele regelgeving het opstellen van een jaarverslag, noch de publicatie van de criminaliteitsgegevens op. Een wetsvoorstel terzake werd ingediend door collega Ludwig Vandenhove en wordt momenteel besproken in de Kamercommissie voor de Binnenlandse Zaken.
De politiële criminaliteitsstatistieken worden opgesteld op basis van de pleegplaats, ongeacht de registrerende eenheid. Ook feiten die worden aangegeven in andere zones worden dus in die statistieken openomen.
Als gevolg van de informatie-uitwisseling tussen twee politieniveaus zijn de politiële criminaliteitsstatistieken nog nooit zo volledig en betrouwbaar geweest als nu. Die manier van werken is effectief en efficiënt. Wat het vrijgeven van de gegevens betreft, blijf ik erbij dat op lokaal vlak het initiatief in eerste instantie aan de lokale overheid toebehoort. Ik kan er echter wel mee instemmen dat de federale politie in de toekomst de gegevens na een bepaalde termijn, die nog dient te worden bepaald op grond van voornoemd wetsvoorstel, kan vrijgeven.
De voorzitter. - Hier volgt de uitslag van de herstemming over de voordracht van de eerste kandidaat voor het ambt van staatsraad:
Aantal stemmenden: 61.
Blanco of ongeldige stembriefjes: 3.
Geldige stemmen: 58.
Volstrekte meerderheid: 30.
Mevrouw Chantal Bamps behaalt 32 stemmen.
De heer Pierre Lefranc behaalt 26 stemmen.
Bijgevolg wordt mevrouw Chantal Bamps, die de volstrekte meerderheid der stemmen behaald heeft, tot eerste kandidaat uitgeroepen.
We stemmen nu over de voordracht van de tweede kandidaat. U kunt hiervoor gebruik maken van het roze stembiljet.
Ik herinner er u aan dat u niet geldig meer kan stemmen voor mevrouw Chantal Bamps die tot eerste kandidaat werd uitgeroepen.
De stemming is geopend. Ze begint met de naam van de heer Galand
(Tot de geheime stemming wordt overgegaan.)
De stemming is gesloten.
De Senaat zal waarschijnlijk zijn agenda willen voortzetten, terwijl de stemopnemers de stembiljetten nazien. (Instemming)
De voorzitter. - De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt namens de heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken.
Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Het conflict in het Noorden van Uganda sleept nu al negentien jaar aan en is daarmee het langst durende conflict in Afrika. De humanitaire situatie voor de bijna 2 miljoen mensen die nog steeds in kampen voor intern ontheemden wonen, is ernstig. Een recente toename van de gewelddadige aanvallen in Noord-Uganda heeft ertoe geleid dat de VN-missies ter plaatse zijn gestaakt. Dat is een zeer verontrustende zaak. Sedert het begin van het conflict werden in de VN-Veiligheidsraad meer dan duizend resoluties goedgekeurd. Geen enkele daarvan heeft de situatie in Uganda aangekaart.
Het Internationale Strafhof heeft op 13 oktober 2005 een eerste aanhoudingsbevel uitgevaardigd tegen vijf bevelhebbers van de Lord's Resistance Army, LRA. Volgens sommigen riskeren die arrestaties de broze vredesonderhandelingen in het gedrang te brengen.
In november 2005 trok een delegatie van de VN-Veiligheidsraad naar Uganda voor een ontmoeting met president Museveni. De delegatie zou het onder andere hebben gehad over de inspanningen van de Ugandese overheid voor toegang van humanitaire hulpverleners tot de kampen en over de implementatie van de arrestatiebevelen van het Internationaal Strafhof. Speciaal VN-adviseur van het Hoog Commissariaat voor de vluchtelingen, Dennis McNamara, verklaarde onlangs dat internationale druk essentieel is om de oorlog in Noord-Uganda te beëindigen. Het conflict is een van de belangrijkste vergeten conflicten ter wereld. De VN is van plan de aanwezigheid van VN-missies te verhogen en het aantal humanitaire programma's te vermeerderen.
De EU-Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen van 7 november 2005 roept alle partijen op hun inspanningen ter bevordering van regionale samenwerking, veiligheid en stabiliteit in Noord-Uganda op te voeren.
Graag had ik van de minister vernomen tot welke conclusies de delegatie van de VN-Veiligheidsraad is gekomen. Deelt hij de mening dat het, gezien de humanitaire crisis in Uganda, nodig is om de situatie in dat land op de agenda van de Veiligheidsraad te krijgen? Uganda is een partnerland van de Belgische ontwikkelingssamenwerking. Welke concrete initiatieven zal de minister op de begrotingen voor conflictpreventie en maatschappijopbouw inschrijven?
De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - De minister deelt de bezorgdheid van mevrouw de Bethune voor het conflict in het Noorden van Uganda dat nu al bijna 20 jaar aansleept. De dramatische humanitaire situatie is het resultaat van de burgeroorlog die wordt gevoerd door het Lord's Resistance Army, LRA.
De minister gaat er evenwel niet mee akkoord om het conflict als een vergeten conflict te bestempelen. Bewijzen daarvan zijn de zending van de VN-Veiligheidsraad van 4 tot 11 november en de arrestatiebevelen van het Internationaal Strafhof tegen de LRA-bevelhebbers.
De minister verheugt zich over het bezoek van mevrouw Louise Arbour, de Hoog Commissaris voor de mensenrechten, die van 7 tot 14 januari de situatie ter plaatse evalueert. Dit eerste bezoek van een Hoog Commissaris voor de mensenrechten toont tevens aan dat de internationale gemeenschap bezorgd blijft voor de humanitaire situatie in die zone.
Het departement van Buitenlandse Zaken en de Belgische ambassade in Kampala blijven de ontwikkelingen in het Noorden van Uganda aandachtig volgen. Het Afrikabeleid van België is immers prioritair gericht op de terugkeer van vrede en veiligheid in heel de regio van de Grote Meren. Met het oog hierop ondersteunt ons land elk initiatief om de negative forces in de regio te counteren. Tot die krachten behoort ook het gewapende LRA.
De delegatie van de VN-Veiligheidsraad had op 9 november een ontmoeting met president Museveni in Entebbe. Bij die gelegenheid kwamen verscheidene dossiers ter sprake, met name de aanwezigheid van gewapende groeperingen in het oosten van de Democratische Republiek Congo, de naleving van het VN-wapenembargo tegen de DRC en het verkiezingsproces in dat land. De delegatie heeft zich tevens gebogen over de interne situatie in Uganda, zoals blijkt uit de punten 56 en 57 van het rapport en de aanbevelingen 25 en 27. Ze heeft het Ugandese staatshoofd met klem gewezen op de bezorgdheid van de VN voor de humanitaire situatie in het Noorden van het land en de recente aanvallen tegen humanitaire hulpverleners.
Voorts heeft ze de Ugandese regering ertoe aangespoord snel gevolg te geven aan de aanhoudingsbevelen van het Internationaal Strafhof tegen de voornaamste bevelhebbers van het LRA. Ze sluit echter de mogelijkheid niet uit dat een vreedzame oplossing kan worden gevonden voor de overige elementen van deze groepering door het uitbreiden van de amnestie voor de gewone soldaten van het LRA en door mee te helpen aan hun reïntegratie in de gemeenschap. President Museveni heeft bevestigd dat het LRA overmeesterd werd en dat er nog maar kleine gewapende groeperingen overblijven die het Noorden van Uganda onveilig maken. Hij bevestigde ook dat de Ugandese regering vastberaden is om maatregelen te nemen om de veiligheid van de humanitaire hulpverleners te verzekeren.
Zoals reeds vermeld, kijkt de Veiligheidsraad in het kader van de algemene situatie in de regio van de Grote Meren nauwlettend toe op de situatie in het Noorden van Uganda. Getuige hiervan is het rapport van de delegatie over haar verblijf in Entebbe van 9 november en haar aanbevelingen voor de Ugandese autoriteiten.
Uganda is een van de landen waarop de Belgische ontwikkelingshulp zich toespitst en is dus een belangrijke partner. Er werden al een reeks initiatieven genomen. Op de budgetlijn Conflictpreventie werd de financiering van de NGO Sponsoring Kinderen Oeganda opgenomen voor een bedrag van 2.142.153 euro voor de periode 2003-2005. Dat geld is bestemd voor een project gericht op de rehabilitatie en de reïntegratie van kinderen die het slachtoffer werden van de oorlog in het Noorden van Uganda, in hoofdzaak kindsoldaten. Op de budgetlijn Rehabilitatie en noodhulp 2005 werd 400.000 euro opgenomen voor een Watsanproject van UNICEF in de vluchtelingenkampen en 300.000 euro voor de werking van het Hoog Commissariaat van de vluchtelingen ten voordele van Congolese vluchtelingen in Uganda.
De minister is uiteraard bereid om elke andere vraag tot financiering voor projecten van dit type in het Noorden van Uganda te bestuderen. Zo onderzoeken de diensten van de minister momenteel, in samenwerking met Ierland, of het mogelijk is steun te geven aan de Ugandese amnestiecommissie voor de repatriëring van rebellen van de Allied Democratic Forces.
De voorzitter. - Hier volgt de uitslag van de stemming over de voordracht van de tweede kandidaat voor het ambt van staatsraad:
Aantal stemmenden: 47.
Blanco of ongeldige stembriefjes: 3.
Geldige stemmen: 44.
Volstrekte meerderheid: 23.
De heer Pierre Lefranc behaalt 20 stemmen.
De heer Peter Sourbron behaalt 0 stemmen.
De heer Bert Thys behaalt 7 stemmen.
De heer Jeroen Van Nieuwenhove behaalt 1 stem.
De heer Stephan Wyckaert behaalt 16 stemmen
Daar geen der kandidaten de volstrekte meerderheid der stemmen heeft behaald, wordt overgegaan tot een herstemming tussen de heer Lefranc en de heer Wyckaert die het grootste aantal stemmen hebben behaald. U kunt hiervoor gebruik maken van het witte stembiljet.
De stemming is geopend. Ze begint met de naam van mevrouw Geerts.
(Tot de geheime stemming wordt overgegaan))
De stemming is gesloten.
De Senaat zal waarschijnlijk zijn agenda willen voortzetten, terwijl de stemopnemers de stembiljetten nazien. (Instemming)
De voorzitter. - De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt namens de heer Marc Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid.
De heer Bart Martens (SP.A-SPIRIT). - Op 20 mei 2005 hebben de drie gewestelijke ministers van Leefmilieu, samen met de federale minister van Energie, een protocol gesloten over een fonds voor tegemoetkomingen voor stookoliegebruikers voor de financiering van de sanering van een bodemverontreiniging veroorzaakt door stookolietanks voor verwarming.
Met dit protocol is de uitwerking van het stookoliefonds weer een stapje dichterbij gekomen, maar het is nog altijd wachten op de uiteindelijke tekst van de samenwerkingsovereenkomst waarin de juridische en praktische voorwaarden zullen worden bepaald. In artikel 4 van het protocol staat nochtans duidelijk dat uiterlijk op 30 juni 2005 een samenwerkingsovereenkomst moest worden voorgelegd aan de bevoegde ministers, waarna de goedkeuringsprocedure kon worden opgestart. Het fonds kon dan op 1 januari 2006 in werking treden.
Als ik goed ingelicht ben, werd nog geen samenwerkingsovereenkomst voorgelegd aan de gewestelijke ministers.
Nochtans is het lekken van tanks een ernstig probleem. Een studie van Premaz, uitgevoerd in 2001 in zes gemeenten, toonde aan dat 3,5% van de stookolietanks lek is en dat 0,85% effectief schade veroorzaakt. Hoewel er al preventieve maatregelen genomen zijn, blijft het aantal schadegevallen hoog, wat niet zelden leidt tot dramatische situaties in gezinnen die bodem en grondwater moeten saneren. De gemiddelde kostprijs daarvan bedraagt 15.000 euro en loopt in sommige gevallen op tot meer dan 100.000 euro. Een oplossing is hier dus dringend aan de orde.
Hoe ver staat het met de juridische uitwerking van het bovengenoemde protocol? Tegen wanneer mogen wij een samenwerkingsovereenkomst verwachten?
In het protocol zou zijn overeengekomen dat het stookoliefonds enkel een tussenkomst geeft als het gebouw verder met stookolie wordt verwarmd. Klopt dat? Zijn er plannen om - bijvoorbeeld via een fonds gestijfd door een bijdrage op aardgas - ook een tegemoetkoming te geven voor de financiering van de sanering van de bodem verontreinigd door lekkende stookolietanks als de betrokkenen voor hun verwarmingssysteem overschakelen op aardgas?
De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - De diensten van de minister stellen momenteel alles in het werk om vooruitgang te boeken in dit belangrijke dossier. De toepassingsmaatregelen zouden op korte termijn in werking moeten treden. Hiertoe worden deze maand verschillende vergaderingen gehouden met de verschillende betrokken kabinetten.
De maatregelen van het samenwerkingsakkoord en de protocollen die tot uitvoering van dat akkoord werden genomen, hebben weliswaar enkel betrekking op personen die zich met stookolie verwarmen.
Het protocol dat hieromtrent op 20 mei 2005 samen met de gewestelijke ministers van Milieu werd ondertekend, wordt nu betwist door de minister van Leefmilieu van het Brussels Gewest.
De inkomsten van dit fonds zijn gebaseerd op een mutualiseringsprincipe van de gebruikers die zich met stookolie blijven verwarmen. Juridisch kunnen in dit geval deze consumenten de tegemoetkoming uit het fonds maximaal inroepen.
Na ondertekening van het protocol kwam aan het licht dat mevrouw Huytebroeck het saneringsdossier in het Brussels Gewest wenst te gebruiken als promotie om consumenten aan te zetten over te schakelen op gas.
Dit is natuurlijk totaal onaanvaardbaar voor de stookoliedistributiesector, wat ons in een totale impasse heeft gebracht.
De heer Bart Martens (SP.A-SPIRIT). - Ik ben niet veel wijzer geworden van het antwoord. Ik begrijp alleen dat er een impasse bestaat. Ik verwacht dan ook een initiatief van minister Verwilghen om uit de impasse te geraken en snel duidelijkheid te verschaffen aan de vele mensen die in Vlaanderen, Wallonië en Brussel worden geconfronteerd met bodemverontreiniging door lekkende stookolietanks en met peperdure facturen voor de sanering, die ze nu moeten prefinancieren.
De voorzitter. - De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt namens de heer Marc Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid.
De heer Bart Martens (SP.A-SPIRIT). - Electrabel bouwt tegen 2010 een nieuwe elektriciteitscentrale op de terreinen van de Gentse staalproducent Sidmar. Dat is goed nieuws. Gisteren verscheen in het weekblad Knack het heuglijke nieuws dat de bouw van deze centrale en andere centrales door industriereuzen als Tessenderlo Chemie en Exxon en de daarmee gepaard gaande extra productie samen met de extra productie die verwacht wordt uit hernieuwbare bronnen en warmtekrachtkoppeling voldoende is om het verlies aan capaciteit door de kernuitstap in Vlaanderen op te vangen. De centrale die Electrabel bouwt op de terreinen van Sidmar zal hoofdzakelijk energie leveren aan Sidmar zelf. Ook andere bedrijven, zoals het Franse Électricité de France en de tandem Gaz de France-SPE hadden meegedongen voor de bouw van de centrale.
De bouw van een nieuwe centrale bij Sidmar was nochtans een unieke kans voor EDF en Gaz de France-SPE om hun productiepark in België uit te breiden. Sidmar verbruikt zelf 250 MW per jaar en is goed voor bijna 2% van het Belgische elektriciteitsverbruik. Door een grote centrale van 800 MW te bouwen, zouden de nieuwkomers op de Belgische markt ook voor andere klanten grootschalig en goedkoop kunnen produceren. Electrabel, dat de binnenlandse stroomproductie domineert, sleepte echter de aanbesteding in de wacht, onder andere door de aanwezigheid van de afgeschreven naburige Centrale van Rodenhuize 4 `gratis' als back-up unit aan te bieden voor de nieuwe centrale op het terrein van Sidmar. Electrabel kan belangrijke concurrenten en projecten buiten België houden door het hergebruiken van afgeschreven installaties. Concurrenten hebben dus geen mogelijkheid om op deze markt, die theoretisch competitief zou moeten zijn, een competitief project aan te bieden voor dergelijke aanbestedingen, wat een neerwaartse druk op de prijzen met zich zou meebrengen.
Electrabel haalt ook andere projecten binnen: bij Lanxess (ex-Bayer, Antwerpen Linkeroever) zal Electrabel een nieuwe warmtekrachtkoppelingsinstallatie bouwen van 40 MW, opnieuw ten koste van een potentiële concurrent.
Bovendien heeft Electrabel de bouw van een centrale van 400 MW in Amercoeur (bij Charleroi) aangekondigd en overweegt het bedrijf de bouw van 1.200 MW door nieuwe investeringen in de Benelux, hetgeen de overduidelijke dominantie in België, maar ook in de Benelux nog zal versterken. Inderdaad: in de Benelux heeft Electrabel ook meer dan de 37% van de totale productiecapaciteit, een aandeel waarboven een marktspeler in het algemeen als `dominante partij' wordt aangemerkt die in staat is om de marktprijzen te manipuleren. Het marktaandeel van Electrabel in de Benelux ligt waarschijnlijk zelfs boven 50%, in België nog hoger. In de oliewereld kennen we allemaal het `kartel' van de OPEC, dat er met ongeveer 33% van de wereldmarkt in slaagt om de wereldprijs in belangrijke mate te sturen. Het is overduidelijk dat één privé-bedrijf met 50% marktaandeel dit ook kan en zal doen.
De duidelijkheid en quasi-zekerheid van de aankondigingen van Electrabel staan in schril contrast tot de meestal vage intenties van de concurrenten van Electrabel om in de Benelux te investeren. Electrabel heeft immers onbeperkte financiële middelen ter beschikking om zijn monopolie te behouden, zelfs te verstevigen: in België worden jaarlijks minstens 1 miljard euro windfall profits gegenereerd door het inzetten van afgeschreven nucleaire en steenkoolinstallaties. Electrabel heeft dan ook een veel hogere rentabiliteit op eigen vermogen dan de meeste Europese concurrenten. Die extra winst, die vooral in België gegenereerd wordt, vloeit door de overname van Electrabel door het Franse SUEZ, grotendeels naar het buitenland.
Het is spijtig te moeten vaststellen dat eens te meer een buitenlandse overname van een zeer belangrijk en van het meest winstgevende Belgische bedrijf dient om deze belangrijke cashflows naar het buitenland te draineren. Dit gebeurde ook reeds bij Fina-Total, Sidmar-Arcelor en andere overnames.
In de recente beleidsbrief Energie onderstreept de minister de bezorgdheid die aan de oorsprong van deze vraag ligt, namelijk het feit dat Electrabel een ongezonde dominante positie bekleedt binnen het Belgische productiesegment. Aan deze situatie dient dringend iets te veranderen. Een eenvoudige oplossing voor dit probleem is er niet; de oplossing moet liggen in een combinatie van maatregelen. Een aantal maatregelen werd reeds beslist, zoals het versterken van de grensoverschrijdende invoer van elektriciteit, het operationeel maken van een Belgische stroombeurs Belpex en de invoering van een heffing op ongebruikte productiesites opdat deze aan de concurrenten ter beschikking zouden worden gesteld. Maar al deze maatregelen dreigen een maat voor niets te worden, als Electrabel vandaag van haar monopoliepositie en historisch verworven voordelen misbruik kan maken om systematisch het merendeel van de nieuwe contracten binnen te rijven, waardoor haar dominante marktpositie nog versterkt wordt.
Heeft de minister van Energie reeds een vergunning verleend aan Electrabel voor de productie-installaties van Amercoeur, Sidmar, Lanxess? Heeft hij reeds advies gevraagd aan de CREG over de impact van deze investeringen onder meer op vlak van marktwerking en prijsvorming?
Moet voor monopoliespelers zoals Electrabel de vergunning voor een bijkomende installatie op basis van fossiele brandstoffen niet worden geweigerd, zoals ook bepaald is in het wetsvoorstel dat ik samen met collega Willems heb ingediend?
Moet Electrabel voor de bouw van nieuwe elektriciteitscentrales toelating vragen aan de Raad voor Mededinging aangezien het gaat over een versterking van een dominante positie? Heeft een dergelijke aanmelding reeds plaatsgehad? Is de minister van plan om eventueel zelf het dossier aan de Raad voor Mededinging door te zenden voor verder onderzoek?
Wat is de stand van zaken van de `verkoop' door Electrabel van niet-gebruikte sites? Klopt het dat de CREG dit dossier onderzoekt? Klopt het dat vele van de ongebruikte sites met een enorme bodemverontreiniging kampen en niet zonder bodemsanering kunnen worden overgedragen of aangewend?
De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - Zodra de vergunningaanvragen voor de bouw zijn ingediend, worden de criteria afgetoetst met de reglementering. Net als in de andere gevallen die de heer Martens vermeldt, gaat het hier om een privé-bedrijf dat kiest voor de partner waarmee het wenst te werken. Elke onderneming is vrij om zelf haar partners te kiezen en de criteria hiervoor - zoals prijs en kwaliteit van de dienstverlening - te bepalen. Het zou ongepast zijn de onderhandelingsmogelijkheden van privé-bedrijven te beperken. De stijging van de contractprijs die hieruit mogelijk kan voortvloeien, zou onze bedrijven benadelen.
Als men een marktspeler verbiedt deel te nemen aan contractonderhandelingen, dan heeft dat ongetwijfeld negatieve gevolgen voor de eindprijs. Daarenboven hebben we een betrouwbare stroomproductie nodig.
Het is niet de bedoeling om de toelating van de Raad voor Mededinging te vragen. Voorts gaat het in de meeste dossiers die de heer Martens vermeldt, niet om een versterking. De minister gaat niet akkoord met zijn argument dat de in België gegenereerde cashflow naar het buitenland gedraineerd wordt. Het voorwerp van zijn vraag toont precies aan dat Electrabel België verschillende aanbestedingen in de wacht heeft gesleept. Door haar investeringen schept Electrabel banen in België. Bovendien heeft de markt door de interconnecties met Frankrijk en Nederland een regionale en internationale dimensie verworven, in het bijzonder in de Benelux, Duitsland en Frankrijk.
In dat opzicht heeft de minister met zijn collega's, in het raam van de MoU's, succesvolle contacten kunnen leggen. Deze betreffen onder meer de versterking van de interconnecties, de verbetering van het gebruik ervan alsook een koppeling tussen de Belgische, de Franse en de Nederlandse stroombeurs.
In deze context wordt het aandeel van Electrabel aanzienlijk kleiner: de onderneming wordt de vijfde Europese producent.
De wetteksten worden momenteel uitgewerkt en de besprekingen over de precieze belastbare grondslagen lopen. De CREG heeft opdracht gekregen mij de nodige informatie te verschaffen. Dat alles vergt uiteraard tijd. Voor sommige sites zal een bodemsanering waarschijnlijk noodzakelijk zijn. In de modaliteiten wordt daarmee rekening gehouden.
De heer Bart Martens (SP.A-SPIRIT). - Ik ben het grotendeels oneens met het antwoord van de minister.
Het is juist dat een privé-bedrijf zijn energieleverancier moet kunnen kiezen en over zijn investeringen moet kunnen beslissen. Het gaat hier echter om een investering in een energiecentrale die slechts deels energie zal leveren voor het eigen bedrijf. Het merendeel van de geproduceerde energie zal echter terechtkomen op het net waarop één stroomproducent een dominante positie bekleedt. Een liberale minister van Energie moet ervoor zorgen dat dominante posities niet worden misbruikt en dat concurrentie de prijzen kan doen dalen.
Omwille van de concurrentieaspecten moet dit dossier aan de Raad voor Mededinging worden voorgelegd. De positie van Electrabel in België wordt hierdoor ook op de markt van kleinverbruikers aanzienlijk versterkt. Ik betreur dat de minister vindt dat dit dossier niet aan de Raad hoeft te worden voorgelegd.
De voorzitter. - Hier volgt de uitslag van de herstemming over de voordracht van de tweede kandidaat voor het ambt van staatsraad:
Aantal stemmenden: 43.
Blanco of ongeldige stembriefjes: 6.
Geldige stemmen: 37.
Volstrekte meerderheid: 19.
De heer Pierre Lefranc behaalt 20 stemmen.
De heer Stephan Wyckaert behaalt 17 stemmen.
Bijgevolg wordt de heer Pierre Lefranc die de volstrekte meerderheid der stemmen behaald heeft, tot tweede kandidaat uitgeroepen.
Wij stemmen nu over de voordracht van de derde kandidaat. U kunt hiervoor gebruik maken van het groene stembiljet.
Ik herinner er u aan dat u niet geldig meer kan stemmen voor mevrouw Chantal Bamps en de heer Lefranc.
De stemming is geopend. Ze begint met de naam van mevrouw Geerts.
(Tot de geheime stemming wordt overgegaan.)
De stemming is gesloten.
De Senaat zal waarschijnlijk zijn agenda willen voortzetten, terwijl de stemopnemers de stembiljetten nazien.
De voorzitter. - De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt namens de heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.
De heer Berni Collas (MR). - Meine Interpellation schneidet ein Thema an, das sehr hohe Wellen geschlagen hat und noch für sehr viel Gesprächsstoff in meiner Gegend im südlichen Raum der deutschsprachigen Gemeinschaft sorgt, nämlich den Notarztdienst, aber die Problematik dürfte in ländlichem Gebiet genereller Art sein.
Mijn vraag om uitleg snijdt een thema aan dat zeer veel deining heeft veroorzaakt en waarover in mijn streek in het zuiden van de Duitstalige Gemeenschap nog veel wordt gesproken, namelijk de mobiele urgentiegroepen. Deze problematiek doet zich echter in alle landelijke gebieden voor.
Inderdaad, het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 houdende vaststelling van de normen waaraan een functie `mobiele urgentiegroep' (MUG) moet voldoen om te worden erkend, gewijzigd door het koninklijk besluit van 11 juli 2003, voldoet volledig aan de behoeften in een stedelijke omgeving, maar doet blijkbaar problemen rijzen in een landelijke regio.
Volgens artikel 6, §2 wordt de medische permanentie waargenomen door minstens één, minstens halftijds aan het ziekenhuis verbonden, geneesheer met bepaalde kwalificaties. Voor het detail van de vereiste kwalificaties verwijs ik naar artikel 6.
Volgens artikel 8 moet de MUG-functie 24 uur op 24 voorzien in eigen verpleegkundige permanentie, van ten minste één persoon die houder is van de bijzondere beroepstitel van gegradueerde verpleger of gegradueerde verpleegster in intensieve zorg en spoedgevallenzorg tenzij hij of zij kan bewijzen dat hij of zij op het ogenblik van de bekendmaking van dit besluit, minstens 5 jaar ervaring heeft opgedaan in één der in artikel 7, tweede lid, bedoelde diensten.
Artikel 10 bepaalt dat voor iedere interventie het medisch interventieteam van de MUG-functie ten minste een geneesheer en een verpleegkundige omvat.
Artikel 13 bepaalt dat de MUG-functie over tenminste een voertuig moet beschikken dat gestationeerd is in het ziekenhuis waar het medisch interventieteam zich bevindt.
Volgens artikel 1, §1 van het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 tot vaststelling van de programmatiecriteria die van toepassing zijn op de functie `mobiele urgentiegroep' zijn de programmatiecriteria voor de oprichting van een functie `mobiele urgentiegroep' de volgende:
In elk bestuurlijk arrondissement mag een `mobiele urgentiegroep' worden opgericht, met dien verstande dat iedere Gemeenschap over ten minste één `mobiele urgentiegroep' mag beschikken.
Wanneer de functie `mobiele urgentiegroep' van een bestuurlijk arrondissement niet kan worden opgericht omwille van het feit dat er zich op het grondgebied van bedoeld arrondissement geen enkel ziekenhuis bevindt, mag de desbetreffende functie worden opgericht in een ziekenhuis van een aan het desbetreffend arrondissement aanpalende gemeente.
In de Duitstalige gemeenschap konden aldus twee MUG-functies worden opgericht, wat gerechtvaardigd is gezien de bijzondere geografische ligging.
De Duitstalige gemeenschap beslaat een oppervlakte van 853,6 km², waarvan 224,8 binnen het kanton Eupen, dat 43.300 inwoners telt, wat dus neerkomt op een bevolkingsdichtheid van 192 inwoners per km², en 628,8 km² met 29.250 inwoners, wat neerkomt op een bevolkingsdichtheid van 46,5 inwoners per km².
De MUG van het zuidelijk deel, in de streek van Sankt Vith, doet slechts één interventie per dag, hoewel hij ook wordt gevraagd door de aangrenzende Franstalige regio (de gemeenten Gouvy, Vielsalm, Waimes en Malmedy). De criteria van de koninklijke besluiten in kwestie worden uiteraard nageleefd.
Dat heeft als gevolg dat de werkingsmiddelen een belangrijk tekort vertonen, waarvan de last door de vijf gemeenten wordt gedeeld volgens een verdeelsleutel die is bepaald op basis van de respectieve bevolking, na aftrek van de interventie van de Gemeenschap en die van het ziekenhuis.
Beschikt de minister over cijfers van de rekeningen van de MUG in landelijke gebieden?
Heeft hij cijfers voor de MUG uit een zone met een vergelijkbare omvang en bevolking?
Deelt de minister de analyse dat de criteria eerder geschikt zijn voor stedelijke gebieden en te strikt zijn voor landelijke gebieden?
De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - Het probleem van de toestand van de MUG in landelijke gebieden wordt goed samengevat in de vraag om uitleg: de kwalificatiecriteria van de permanentie zijn ingegeven door de bezorgdheid voor een optimale kwaliteit, maar door de lage bevolkingsdichtheid is het aantal interventies gering. Daardoor rijzen twee problemen. Ten eerste is het aantal ritten per dienstverlener niet steeds voldoende om de ervaring en bijgevolg de expertise op peil te houden. Ten tweede zijn de financiële middelen, waarvan het variabele gedeelte afhankelijk is van het aantal interventies, beperkter.
De minister van Volksgezondheid is zich bewust van die twee problemen, die ook blijken uit de registratie van de MUG-gegevens. Uit die registratie blijkt bovendien dat voor vele opdrachten van de MUG- functie niet steeds de aanwezigheid van een arts nodig is. Zo oordeelt het uitgezonden medische team in 38% van de gevallen dat een intraveneus infuus niet nodig is. Dat toont het probleem aan van de beoordeling van de oproepen en van de noodzaak van een diversificatie van de hulpverleners. In die zin wil de regering het beheer van de noodoproepen hervormen. De regering voorziet in de mogelijkheid om in twijfelgevallen een beroep te doen op een medische dispatching waarvan de functionarissen een grondigere medische opleiding en begeleiding hebben genoten. De proefprojecten met paramedische interventieteams die uit een verpleger en een ambulancier bestaan, passen ook in die optiek. Door een verpleger en een ambulancier te sturen, hoeft niet systematisch een ploeg met een arts te worden gemobiliseerd.
Als die ervaringen de internationale, meer bepaald de Noord-Amerikaanse literatuurgegevens bevestigen, zullen we de programmatiegegevens over de MUG in ons land, en in het bijzonder in landelijke gebieden, grondig herzien.
Tot slot moet de interpretatie van de permanentienormen in de spoedgevallendiensten worden vastgesteld. Er moet immers gepreciseerd worden dat de verplegers van wie in die normen sprake is, indien nodig kunnen deelnemen aan andere zorgactiviteiten dan die van de gespecialiseerde spoedgevallendienst, met dien verstande dat ze zo nodig onmiddellijk beschikbaar zijn voor de spoedgevallendienst. Een rondzendbrief voor de ziekenhuizen zal dit punt binnenkort nader toelichten.
De heer Berni Collas (MR). - Ik zal de antwoorden nader onderzoeken en er eventueel later op terugkomen.
De voorzitter. - Hier volgt de uitslag van de stemming over de voordracht van de derde kandidaat voor het ambt van staatsraad:
Aantal stemmenden: 39.
Blanco of ongeldige stembriefjes: 1.
Geldige stemmen: 38.
Volstrekte meerderheid: 20.
De heer Peter Sourbron behaalt 13 stemmen.
De heer Bert Thys behaalt 16 stemmen.
De heer Jeroen Van Nieuwenhove behaalt 9 stemmen.
Daar geen der kandidaten de volstrekte meerderheid der stemmen heeft behaald, wordt overgegaan tot een herstemming tussen de heer Sourbron en de heer Thys die het grootste aantal stemmen hebben behaald. U kunt hiervoor gebruik maken van het rode stembiljet.
De stemming is geopend. Ze begint met de naam van mevrouw Geerts.
(Tot de geheime stemming wordt overgegaan))
De stemming is gesloten.
De Senaat zal waarschijnlijk zijn agenda willen voortzetten, terwijl de stemopnemers de stembiljetten nazien. (Instemming)
De voorzitter. - Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:
Donderdag 19 januari 2006 om 15 uur
Inoverwegingneming van voorstellen.
Actualiteitendebat en mondelinge vragen.
Vragen om uitleg:
-De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.
De voorzitter. - Hier volgt de uitslag van de herstemming over de voordracht van de derde kandidaat voor het ambt van staatsraad:
Aantal stemmenden: 36.
Blanco of ongeldige stembriefjes: 3.
Geldige stemmen: 33.
Volstrekte meerderheid: 17.
De heer Peter Sourbron behaalt 14 stemmen.
De heer Bert Thys behaalt 19 stemmen.
Bijgevolg wordt de heer Bert Thys die de volstrekte meerderheid der stemmen behaald heeft, tot derde kandidaat uitgeroepen.
Van deze voordrachten zal kennis worden gegeven aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken en aan de eerste voorzitter van de Raad van State
De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.
De volgende vergadering vindt plaats donderdag 19 januari om 15.00 uur.
(De vergadering wordt gesloten om 19.25 uur.)
Afwezig met bericht van verhindering: Mevrouw Annane, om familiale redenen, mevrouw Thijs en de heer Wilmots, wegens andere plichten, de heren Chevalier en Cheffert, in het buitenland
-Voor kennisgeving aangenomen.
Stemming 1
Aanwezig: 62
Voor: 62
Tegen: 0
Onthoudingen: 0
Voor
Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Jurgen Ceder, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Josy Dubié, Isabelle Durant, Pierre Galand, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.
Stemming 2
Aanwezig: 62
Voor: 62
Tegen: 0
Onthoudingen: 0
Voor
Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Jurgen Ceder, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Josy Dubié, Isabelle Durant, Pierre Galand, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.
Stemming 3
Aanwezig: 62
Voor: 62
Tegen: 0
Onthoudingen: 0
Voor
Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Jurgen Ceder, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Josy Dubié, Isabelle Durant, Pierre Galand, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.
Wetsvoorstellen
Artikel 81 van de Grondwet
Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten en tot aanvulling van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument teneinde de toegang tot de beschermde werken te verruimen (van de heer Christian Brotcorne; Stuk 3-1500/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.
Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet, om de kredietopeningen wettelijk beter te regelen, teneinde de overmatige schuldenlast efficiënt te bestrijden (van mevrouw Olga Zrihen en mevrouw Joëlle Kapompolé; Stuk 3-1501/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.
Voorstel van resolutie
Voorstel van resolutie betreffende de bescherming van het stedenbouwkundig erfgoed van Leopold II en in het bijzonder de serres van Laken als werelderfgoed van de mensheid (van de heer Alain Destexhe; Stuk 3-1490/1).
-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.
Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:
-Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.
Bij boodschappen van 24 december 2005 en 10 januari 2006 heeft de Senaat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers terugbezorgd, met het oog op de bekrachtiging door de Koning, de volgende niet geëvoceerde wetsontwerpen:
Wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van vennootschappen (Stuk 3-1464/1).
Wetsontwerp betreffende de bijdrage van België aan de achtste wedersamenstelling van de werkmiddelen van het Aziatische Ontwikkelingsfonds (Stuk 3-1475/1).
Wetsontwerp betreffende de bijdrage van België aan de tiende wedersamenstelling van de werkmiddelen van het Afrikaanse Ontwikkelingsfonds (Stuk 3-1476/1).
-Voor kennisgeving aangenomen.
Bij boodschappen van 22 december 2005 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergadering van dezelfde dag werden aangenomen:
Artikel 78 van de Grondwet
Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 inzake gelijkstelling van winstbewijzen met gestort kapitaal (Stuk 3-1499/1).
-Het ontwerp werd ontvangen op 23 december 2005; de uiterste datum voor evocatie is maandag 23 januari 2006.
Kennisgeving
Wetsontwerp tot omzetting van de richtlijn 2004/80/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de schadeloosstelling van slachtoffers van misdrijven (Stuk 3-1420/1).
-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 22 december 2005 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.
De Regering heeft volgende wetsontwerpen ingediend:
Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst inzake politieke dialoog en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar Lidstaten, enerzijds, en de Republieken Costa Rica, El Salvador, Guatemala, Honduras, Nicaragua en Panama, anderzijds, en met de Bijlage, gedaan te Rome op 15 december 2003 (Stuk 3-1503/1).
-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.
Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst inzake politieke dialoog en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar Lidstaten, enerzijds, en de Andesgemeenschap en haar Lidstaten (Bolivia, Colombia, Ecuador, Peru en Venezuela), anderzijds, en met de Bijlage, gedaan te Rome op 15 december 2003 (Stuk 3-1504/1).
-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.
Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:
-Voor kennisgeving aangenomen.
Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:
-Voor kennisgeving aangenomen.
Met toepassing van artikel 76 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:
-Voor kennisgeving aangenomen.
Bij brief van 4 januari 2006 heeft de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, overeenkomstig artikel 1 van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven aan de Senaat overgezonden:
goedgekeurd tijdens zijn plenaire vergadering van 21 december 2005.
-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.
Bij brief van 30 december 2005 heeft de minister van Leefmilieu en minister van Pensioenen aan de Senaat overgezonden, voor de publicatie in het Belgisch Staatsblad, overeenkomstig artikel 3bis, §1, 2de en 3de lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, het koninklijk besluit, het verslag aan de Koning, het advies van de Raad van State en het ontwerp van besluit voor advies voorgelegd aan de Raad van State van volgende koninklijke besluiten:
-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.