5-2243/2

5-2243/2

Belgische Senaat

ZITTING 2013-2014

18 NOVEMBER 2013


HERZIENING VAN DE GRONDWET


Voorstel tot herziening van artikel 151,  1, van de Grondwet


AMENDEMENTEN


Nr. 1 VAN DE HEER LAEREMANS

Enig artikel

Het voorgestelde artikel 151,  1, tweede lid, vervangen als volgt :

 Behoudens de in de artikelen 135 en 136 bedoelde overheden, beschikken de regeringen van de gemeenschappen en de gewesten, elk wat hen betreft, via de in het eerste lid bedoelde minister, bovendien over het recht om de vervolging te bevelen, ook voor de aangelegenheden die tot de federale bevoegdheid behoren.

Verantwoording

De indiener van dit amendement beoogt een meer doorgedreven betrokkenheid van de gemeenschappen en gewesten op het vlak van het strafrechtelijk beleid, met uitzondering van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.

Het voorgestelde artikel betreft de grondwettelijke regeling van het positief injunctierecht van de gemeenschappen en gewesten voor de aangelegenheden die tot hun bevoegdheid behoren en regelt de deelname van de gemeenschappen en gewesten aan de uitwerking van de bindende richtlijnen van het strafrechtelijk beleid, inclusief die van het opsporings- en vervolgingsbeleid, en aan de planning van het veiligheidsbeleid, alsook de deelname aan de vergaderingen van het College van procureurs-generaal. Deze wijziging kan misschien wel beschouwd worden als een stap vooruit, maar blijft evenwel nadrukkelijk beperkt tot de aangelegenheden die tot de bevoegdheid behoren van deze gemeenschappen en gewesten.

Dit betekent meteen dat deze overheden ook in de toekomst geen enkele inspraak zullen hebben in onder andere het vervolgingsbeleid van zowat alle misdrijven die in het Strafwetboek worden geformuleerd. Aangezien de opvattingen en de visies tussen de deelstaten over het justitie- en veiligheidsbeleid nogal verschillend zijn, ligt het voor de hand dat de gemeenschappen en gewesten op zijn minst mogen participeren aan het uitwerken van het strafrechtelijk beleid, net zoals aan het uitwerken van de Kadernota Integrale Veiligheid en het Nationaal Veiligheidsplan, dit telkenmale ook voor alle aangelegenheden die buiten hun bevoegdheden vallen. Ook moet het mogelijk worden om het positief injunctierecht aan te wenden, voor aangelegenheden waarvoor de gemeenschappen of gewesten niet rechtstreeks bevoegd zijn en is het veroorloofd dat de deelname van de deelstaatregeringen aan de vergaderingen van het College van procureurs-generaal eveneens wordt opengetrokken tot de materies die niet onder hun bevoegdheid ressorteren. Het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest krijgt deze bevoegdheden niet, omdat wij van oordeel zijn dat deze bevoegdheid beter op federaal niveau geregeld blijft.

Bart LAEREMANS.