5-1752/3

5-1752/3

Belgische Senaat

ZITTING 2013-2014

19 NOVEMBER 2013


TOEKENNING EN UITBREIDING VAN DE CONSTITUTIEVE AUTONOMIE


HERZIENING VAN DE GRONDWET

(Verklaring tot herziening van de Grondwet van 7 mei 2010 [Belgisch Staatsblad van 7 mei 2010, Ed. 2])


Voorstel tot herziening van artikel 118, § 2, van de Grondwet (5-1752)

Voorstel tot herziening van artikel 118, § 2, van de Grondwet (5-499)

Voorstel tot herziening van artikel 118, § 2, van de Grondwet (5-1026)

Voorstel tot herziening van artikel 123, § 2, van de Grondwet (5-1753)

Voorstel tot herziening van artikel 123, § 2, van de Grondwet (5-696)

Voorstel tot herziening van artikel 123, § 2, van de Grondwet (5-1027)

Voorstel van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, ter uitvoering van de artikelen 118 en 123 van de Grondwet (5-1754)

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap en van de wet van 6 juli 1990 tot regeling van de wijze waarop het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap wordt verkozen, ter uitvoering van de artikelen 118 en 123 van de Grondwet (5-1755)


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE INSTITUTIONELE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR

MEVROUW TAELMAN EN DE HEER DEPREZ


I. INLEIDING

Op 19 juli en 24 oktober 2012, alsook op 5 maart 2013 hebben senatoren uit de acht partijen van de institutionele meerderheid in totaal veertig voorstellen ingediend met het oog op de uitvoering van het tweede pakket van de staatshervorming, zoals die in het Institutioneel Akkoord voor de zesde staatshervorming van 11 oktober 2011 in het vooruitzicht is gesteld.

Die tweede sequentie valt onder de noemer van de politieke vernieuwing en behelst :

— de hervorming van de Senaat en het tweekamerstelsel;

— de stabiliteit van het kiesrecht en het beginsel van de gelijktijdigheid van de federale, deelstatelijke en Europese verkiezingen;

— de toekenning van de constitutieve autonomie aan het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en de Duitstalige Gemeenschap en de uitbreiding van de constitutieve autonomie van de deelstaten tot de regels betreffende de duur van de zittingsperiode en de datum van de verkiezing van hun Parlementen;

— de verbetering van de samenwerking tussen de deelstaten door middel van gezamenlijke decreten.

De veertig bovenbedoelde voorstellen omvatten :

— negenentwintig voorstellen tot herziening van de Grondwet;

— vijf voorstellen van bijzondere wet;

— zes voorstellen van gewone wet.

Zij kunnen in vijf clusters worden ingedeeld :

— cluster 1 bevat de vierentwintig voorstellen tot herziening van de Grondwet met het oog op de hervorming van de Senaat en het tweekamerstelsel. Het gaat om de voorstellen nrs. 5-1720/1 tot 5-1743/1, ingediend op 19 juli 2012;

— cluster 2 bevat acht voorstellen van gewone en bijzondere wet die uitvoering geven aan de in cluster 1 bedoelde hervorming. Het gaat om de voorstellen nrs. 5-1744/1 tot 5-1748/1 en 5-1989/1 tot 5-1991/1, ingediend op respectievelijk 19 juli 2012 en 5 maart 2013;

— cluster 3 bevat drie voorstellen tot herziening van de Grondwet, in verband met de stabiliteit van het kiesrecht en het beginsel van de gelijktijdigheid van de federale, deelstatelijke en Europese verkiezingen, namelijk de voorstellen nrs. 5-1749/1 tot 5-1751/1, ingediend op 19 juli 2012;

— cluster 4 bevat twee voorstellen tot herziening van de Grondwet en twee voorstellen van gewone en bijzondere wet, houdende (a) toekenning van de constitutieve autonomie aan het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en de Duitstalige Gemeenschap en (b) uitbreiding van de constitutieve autonomie van de deelstaten tot de regels betreffende de duur van de zittingsperiode en de datum van de verkiezing van hun Parlementen, namelijk de voorstellen nrs. 5-1752/1 tot 5-1755/1, ingediend op 19 juli 2012;

— cluster 5 bevat het voorstel van bijzondere wet nr. 5-1815/1 van 24 oktober 2012 in verband met de samenwerking tussen de deelstaten door middel van gezamenlijke decreten.

Over al de in clusters 2 tot 5 opgenomen voorstellen van gewone en bijzondere wet is het advies ingewonnen van de Raad van State.

Voorts heeft het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap, met toepassing van artikel 78 van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap, op 11 december 2012 een gemotiveerd advies uitgebracht over :

— het wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap ten gevolge van de hervorming van de Senaat (stuk Senaat, nr. 5-1747/1; stukken Parlement van de Duitstalige Gemeenschap, 136 (2012-2013), nrs. 1 tot 3 en uitvoerig verslag, 11 december 2012, nr. 45 — zie advies als bijlage bij het verslag nr. 5-1744/5);

— het wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap en van de wet van 6 juli 1990 tot regeling van de wijze waarop het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap wordt verkozen, ter uitvoering van de artikelen 118 en 123 van de Grondwet (stuk Senaat, nr. 5-1755/1; stukken Parlement van de Duitstalige Gemeenschap, 142 (2012-2013), nrs. 1 en 2 en uitvoerig verslag, 11 december 2012, nr. 45 — zie advies als bijlage bij het verslag nr. 5-1752/3).

Overeenkomstig artikel 56-3, tweede lid, van het Reglement van de Senaat werd voor elk van de veertig bovenbedoelde voorstellen nagegaan of er geen andere voorstellen of ontwerpen met hetzelfde onderwerp bij de Senaat aanhangig waren. In voorkomend geval werden zij met het oog op hun gezamenlijk onderzoek mee op de agenda ingeschreven.

Tijdens de inleidende vergadering op 26 maart 2013 heeft de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden in de eerste plaats besloten de voormelde clusterindeling als leidraad te nemen voor de bespreking van al de bovenbedoelde voorstellen. De aanwijzing van de rapporteurs en de verslaglegging weerspiegelen die keuze. Aldus werden de volgende commissieleden als rapporteur aangewezen :

— cluster 1 : de heer Gérard Deprez en mevrouw Martine Taelman (zie stuk Senaat, nr. 5-1720/3);

— cluster 2 : de heren Philippe Moureaux en Wouter Beke (zie stuk Senaat, nr. 5-1744/5);

— cluster 3 : de dames Vanessa Matz en Martine Taelman (zie stuk Senaat, nr. 5-1749/4);

— cluster 4 : mevrouw Martine Taelman en de heer Gérard Deprez (zie stuk Senaat, nr. 5-1752/3);

— cluster 5 : de heren Wouter Beke en Philippe Moureaux (zie stuk Senaat, nr. 5-1815/5).

Tijdens diezelfde vergadering op 26 maart 2013 hebben de indieners van de veertig voormelde voorstellen, alsook de indieners van de eraan toegevoegde voorstellen, voor zover zij dat wensten, tevens een toelichting verstrekt bij de door hen ingediende teksten.

Vervolgens heeft de commissie de in cluster 4 vervatte voorstellen besproken tijdens haar vergadering van 26 september 2013.

Tijdens al die vergaderingen was de regering vertegenwoordigd door de heren Servais Verherstraeten en/of Melchior Wathelet, staatssecretarissen voor Staatshervorming.

Het voorliggende verslag werd op 19 november 2013 ter goedkeuring aan de commissie voorgelegd.

II. UITEENZETTINGEN OVER DE VOORSTELLEN INZAKE DE CONSTITUTIEVE AUTONOMIE

1. a) Voorstel tot herziening van artikel 118, § 2, van de Grondwet (van de heer Francis Delpérée, de dames Christine Defraigne en Freya Piryns en de heren Philippe Moureaux, Bert Anciaux, Bart Tommelein, Dirk Claes en Marcel Cheron); nr. 5-1752/1

Inleidende uiteenzetting van de heer Delpérée

Voorliggend voorstel tot herziening van de Grondwet strekt om de zogenaamde constitutieve autonomie — de heer Delpérée geeft de voorkeur aan de uitdrukking organisatorische autonomie — toe te kennen aan het Brussels Gewest en aan de Duitstalige Gemeenschap. Dit voorstel moet samen worden gelezen met het voorstel tot herziening van artikel 123, § 2, van de Grondwet (Stuk Senaat nr. 5-1753/1), met een voorstel van bijzondere wet (Stuk Senaat nr. 5-1754/1) en met een wetsvoorstel (Stuk Senaat nr. 5-1755/1), die samen bij onze assemblee aanhangig zijn gemaakt.

De bedoeling is eenvoudig. Men wil dat Gewest en die Gemeenschap de autonomie toekennen waarover de andere deelgebieden reeds beschikken en wel in dezelfde aangelegenheden, nl. die welke worden aangewezen in de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen,.

Wat het Brusselse Gewest betreft, strekt het voorstel tot herziening van de Grondwet om de bijzondere wetgever de bevoegdheid te geven om een geheel van aangelegenheden betreffende de samenstelling en de werking van het Parlement van het Brusselse Gewest aan te wijzen, die dan door het Gewest geregeld zullen kunnen worden. Het voorstel van bijzondere wet nr. 5-1754/1 strekt om die aangelegenheden aan te wijzen.

Overeenkomstig het politieke akkoord blijft de bijzondere federale wetgever bevoegd voor de waarborgen die de Franstalige en Nederlandstalige Brusselaars inzake het Parlement en de regering van het Brusselse Gewest genieten (bijvoorbeeld pariteit of gewaarborgde vertegenwoordiging). Die regels vallen dus niet onder de autonomie die het voorstel van bijzondere wet aan het Brusselse Gewest geeft.

Het gaat meer bepaald om :

— het bepalen van het aantal parlementsleden,

— de zetelverdeling onder beide taalgroepen,

— de vervanging van de parlementsleden die lid worden van een deelstaatregering,

— de paritaire samenstelling van de regering,

— de verhouding tussen het aantal staatssecretarissen van het Gewest die tot de ene of de andere taalgroep behoren,

— de alarmbelprocedure,

— het bepalen van de aangelegenheden waarvoor de beslissingen in principe genomen worden met de meerderheid van de stemmen in elke taalgroep,

— de wijze waarop de ministers worden verkozen,

— de collegiale besluitvorming en de besluitvorming bij consensus,

— de verdeling van de bevoegdheden onder de leden van de regering volgens groepen van aangelegenheden,

— de motie van wantrouwen,

— de vertrouwenskwestie, enz.

Voorliggend voorstel tot herziening van de Grondwet geeft de wetgever ook de gelegenheid de aangelegenheden betreffende de samenstelling en de werking van het Duitstalige Parlement aan te wijzen die door de Duitstalige Gemeenschap kunnen worden geregeld. Het wetsvoorstel nr. 5-1755/1 bepaalt die aangelegenheden.

Net zoals bij de organisatorische autonomie waarover de Parlementen van de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en het Waalse Gewest beschikken, zal de autonomie van de Parlementen van het Brusselse Gewest en de Duitstalige Gemeenschap uitgeoefend worden door het aannemen van een decreet of een ordonnantie met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen, op voorwaarde dat de meerderheid van de leden van het betrokken Parlement aanwezig is.

De autonomie in het Brusselse Gewest wordt evenwel uitgeoefend bij twee derden meerderheid in het Parlement en bij volstrekte meerderheid in elke taalgroep. Daartoe schrijft het voorstel tot herziening van de Grondwet voor dat de bijzondere wetgever moet voorzien in bijkomende meerderheidsvoorwaarden wat betreft het Parlement van het Brusselse Gewest. Het voorstel van bijzondere wet (Stuk Senaat nr. 5-1754/1), dat op hetzelfde moment in de Senaat werd ingediend, voorziet in de bijkomende voorwaarden.

Het voorstel tot herziening van de Grondwet kent de gemeenschappen en gewesten ook het recht toe om de duur van hun zittingsperiode en de datum van de verkiezing van hun Vergadering te bepalen. Het vierde lid dat in artikel 118, § 2, wordt ingevoegd, machtigt meer bepaald de bijzondere wetgever de deelcollectiviteiten de bevoegdheid te geven om elk voor zich bij decreet of bij ordonnantie, de duur van hun zittingsperiode alsook de datum van de verkiezing van hun Vergadering vast te stellen. Dat decreet of die ordonnantie dient te worden aangenomen met dezelfde meerderheid als die welke vereist is voor de uitoefening van de autonomie.

In artikel 118 wordt een overgangsbepaling ingevoegd. Die voorziet erin dat de bijzondere wet de datum van inwerkingtreding van artikel 118, § 2, vierde lid, bepaalt, en wel na de verkiezingen voor het Europees Parlement van 2014. Die datum stemt overeen met de datum van inwerkingtreding van artikel 46, zesde lid, en van artikel 65, derde lid.

b) Voorstel tot herziening van artikel 118, § 2, van de Grondwet (van mevrouw Dominique Tilmans en de heren Jacques Brotchi en Gérard Deprez); nr. 5-499/1

Dit voorstel zal worden ingetrokken.

c) Voorstel tot herziening van artikel 118, § 2, van de Grondwet (van de heer Louis Siquet, mevrouw Muriel Targnion, de heren Bert Anciaux en Richard Miller en mevrouw Claudia Niessen); nr. 5-1026/1

Dit voorstel zal worden ingetrokken.

2. a) Voorstel tot herziening van artikel 123, § 2, van de Grondwet (van de heer Francis Delpérée, de dames Christine Defraigne en Freya Piryns en de heren Philippe Moureaux, Bert Anciaux, Bart Tommelein, Dirk Claes en Marcel Cheron); nr. 5-1753/1

De heer Delpérée verwijst naar zijn uiteenzetting over het voorstel tot herziening van artikel 118, § 2, van de Grondwet (zie stuk Senaat nr. 5-1752/1), waarbij het woord « Parlement » moet worden vervangen door het woord « Regering ».

b) Voorstel tot herziening van artikel 123, § 2, van de Grondwet (van mevrouw Dominique Tilmans en de heren Gérard Deprez en Jacques Brotchi); nr. 5-696/1

Dit voorstel zal worden ingetrokken.

c) Voorstel tot herziening van artikel 123, § 2, van de Grondwet (van de heer Louis Siquet, mevrouw Muriel Targnion, de heren Bert Anciaux en Richard Miller en mevrouw Claudia Niessen); nr. 5-1027/1

De heer Mahoux verklaart dat dit voorstel zal worden ingetrokken.

3. Voorstel van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, ter uitvoering van de artikelen 118 en 123 van de Grondwet (van de dames Christine Defraigne en Freya Piryns en de heren Philippe Moureaux, Bert Anciaux, Bart Tommelein, Dirk Claes, Marcel Cheron en Francis Delpérée); nr. 5-1754/1

Inleidende uiteenzetting door mevrouw Defraigne

Dit voorstel van bijzondere wet moet samen gelezen worden met de voorstellen tot herziening van de artikelen 118, § 2, en 123, § 2, van de Grondwet, samen ingediend bij het Parlement (Stukken Senaat nrs. 5-1752/1; 5-1753/1) die de constitutieve autonomie aan het Parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest toekennen, de bijzondere wetgever toestaan om de aangelegenheden aan te wijzen waarop deze constitutieve autonomie betrekking heeft en de bijzondere wetgever verplichten om bijkomende meerderheidsvereisten in te voeren.

Het wijst bijgevolg de aangelegenheden aan betreffende de verkiezing, de samenstelling en de werking van het Parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en betreffende de samenstelling en de werking van de regering van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, die het Parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest kan regelen bij bijzondere ordonnantie. Het Parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest beschikt in beginsel over constitutieve autonomie in dezelfde aangelegenheden — aangewezen bij de bijzondere wet tot hervorming der instellingen van 8 augustus 1980 — als de Parlementen van de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en het Waalse Gewest.

Overeenkomstig het institutioneel akkoord zullen de waarborgen die de personen die behoren tot de Nederlandse en de Franse taalgroep genieten in Brussel met betrekking tot het Parlement en de regering van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (pariteit, gewaarborgde vertegenwoordiging, enz.) onder de bevoegdheid van de bijzondere federale wetgever blijven vallen. Deze regels behoren dus niet tot de constitutieve autonomie die deze bijzondere wet toekent aan het Parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Het gaat om het aantal parlementsleden, de verdeling van de zetels over de taalgroepen, de vervanging van parlementsleden die tot de regering van een deelstaat toetreden door een volwaardig parlementslid, de paritaire samenstelling van de regering en de verhouding tussen het aantal gewestelijke staatssecretarissen behorende tot de ene of de andere taalgroep, de alarmbelprocedure, de aangelegenheden waarover beslist moet worden met (in beginsel) een meerderheid van de stemmen in elke taalgroep, de wijze van verkiezing van de ministers, de collegiale besluitvorming en de besluitvorming bij consensus, de verdeling van de bevoegdheden onder de leden van de regering volgens groepen van aangelegenheden, de motie van wantrouwen, de vertrouwenskwestie enz.

Net zoals bij de constitutieve autonomie waarover het Parlement van de Vlaamse Gemeenschap, het Parlement van de Franse Gemeenschap en het Parlement van het Waalse Gewest beschikken, impliceert de uitoefening van de constitutieve autonomie door het Parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest het aannemen van een ordonnantie met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen, op voorwaarde dat de meerderheid van de leden van het Parlement aanwezig is. Dit voorstel van bijzondere wet voorziet er evenwel in dat het aannemen van ordonnanties in deze aangelegenheid ook een volstrekte meerderheid van stemmen in elke taalgroep vereist.

4. Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap en van de wet van 6 juli 1990 tot regeling van de wijze waarop het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap wordt verkozen, ter uitvoering van de artikelen 118 en 123 van de Grondwet (van de dames Christine Defraigne en Freya Piryns en de heren Philippe Moureaux, Bert Anciaux, Bart Tommelein, Dirk Claes, Marcel Cheron en Francis Delpérée); nr. 5-1755/1

Inleidende uiteenzetting door mevrouw Defraigne

Dit voorstel moet samen gelezen worden met de voorstellen tot herziening van de artikelen 118, § 2, en 123, § 2, van de Grondwet, samen ingediend bij het Parlement (Stukken Senaat, nrs. 5-1752/1; 5-1753/1), die de constitutieve autonomie aan het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap toekennen en de wetgever machtigen om de aangelegenheden aan te wijzen waarop deze constitutieve autonomie betrekking heeft.

Het wijst bijgevolg de aangelegenheden aan betreffende de verkiezing, de samenstelling en de werking van het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap en betreffende de samenstelling en de werking van de regering van de Duitstalige Gemeenschap die het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap kan regelen bij decreet.

Het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap beschikt over constitutieve autonomie in dezelfde aangelegenheden — aangewezen bij de bijzondere wet tot hervorming der instellingen van 8 augustus 1980 — als de Parlementen van de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en het Waalse Gewest.

Zoals nu het geval is voor het Parlement van de Vlaamse Gemeenschap, het Parlement van de Franse Gemeenschap en het Parlement van het Waalse Gewest, veronderstelt de uitoefening van de constitutieve autonomie door het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap de goedkeuring van een decreet met een meerderheid van twee derde van de uitgebrachte stemmen, op voorwaarde dat de meerderheid van de leden van het Parlement aanwezig is.

III. ALGEMENE BESPREKING

1.Vragen en replieken van de leden

De heer Laeremans is van mening dat de constitutieve autonomie, zoals zij thans wordt voorgesteld, wat Vlaanderen betreft, niet ver genoeg gaat en, wat het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreft, problematisch is. Dit laatste gewest is immers niet te vergelijken met de beide andere deelstaten, zoals ook de Vlaamse regering stelt, en vereist een statuut sui generis. Gelet op de specificiteit van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest moet men zich voor de organisatie van de verkiezing en de samenstelling van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement, alsook voor de werking van de regering kunnen baseren op de Grondwet en de bijzondere wetten. Die worden immers in het Federale Parlement goedgekeurd door zowel Nederlandstaligen als Franstaligen.

De constitutieve autonomie voor Brussel, die hier wordt voorgesteld, grenst aan het karikaturale. Waarom geeft men de mogelijkheid aan het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest om, bijvoorbeeld, aparte kieskringen in het leven te roepen, gespreid over de negentien gemeenten ? Is dat noodzakelijk ? Ook de Raad van State heeft hier grote bedenkingen bij : men kan in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest niet zomaar raken aan de verhouding tussen de zeventien zetels die voorbehouden zijn aan Nederlandstalige verkozenen en de tweeënzeventig zetels die voorbehouden zijn aan Franstalige verkozenen, vermits men dan de gewaarborgde vertegenwoordiging van de Vlamingen in Brussel op de helling zet. Ex absurdo wordt hier de overbodigheid aangetoond van de constitutieve autonomie voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, hoewel ze tijdens de formatiebesprekingen in 2010 zowel in de nota-Di Rupo als in de nota-De Wever voorkwam.

Een en ander moet bovendien samen worden gelezen met de voorstellen inzake de samenvallende federale, Europese en deelstatelijke verkiezingen. De mogelijkheid voor het Vlaams Parlement om zelf te beslissen om aparte verkiezingen te organiseren is evenwel slechts theoretisch vermits hiervoor in het Vlaams Parlement een meerderheid van twee derden vereist is. De Belgicistische partijen hebben daar samen immers 39 % van de zetels en, hoewel dat aantal gestaag afneemt, zullen zij steeds een twee derde meerderheid kunnen afblokken. Daarenboven is er een bijzondere wet vereist op het federale niveau, als gevolg waarvan hierover zal moeten worden onderhandeld met de Franstalige partijen en er dus ongetwijfeld een prijs zal moeten worden betaald.

De hele regeling die hier wordt voorgesteld, legt dus enerzijds de Vlaamse autonomie aan banden en zorgt er anderzijds voor dat Brussel steeds verder weg drijft van Vlaanderen. Daardoor is opnieuw conflictstof in de kiem aanwezig.

De vraag rijst bovendien wat er zal gebeuren wanneer het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest wil verhinderen dat er op dezelfde dag verkiezingen zouden worden gehouden voor het Vlaams Parlement en het Brussels Hoofdstedelijk Parlement. De zes Brusselse leden van het Vlaams Parlement worden immers sedert 2004 niet langer aangeduid door de Nederlandse taalgroep in het Brussels Hoofdstedelijk Parlement, maar worden tegelijk met de verkiezing van het Vlaams Parlement rechtstreeks verkozen middels een afzonderlijke verkiezing. Volgens eminente grondwetsspecialisten kunnen enkel de kiezers die bij de verkiezing van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement hetzij hun stem uitbrengen op Nederlandstalige lijsten, hetzij zich onthouden, ook hun stem uitbrengen voor de verkiezing van de zes Brusselse leden van het Vlaams Parlement. Dat mechanisme zal echter niet langer kunnen worden gebruikt wanneer de verkiezingen van het Vlaams Parlement en het Brussels Hoofdstedelijk Parlement op verschillende data worden gehouden. Het wordt dan bijzonder moeilijk om te bepalen wie aan de verkiezing van de zes Brusselse leden van het Vlaams Parlement zal mogen deelnemen. Het zou onaanvaardbaar zijn om hiervoor alle Brusselse kiezers te laten stemmen, vermits dat ertoe zou leiden dat alle Brusselse verkozenen in het Vlaams Parlement Franstalig zouden zijn. Een oplossing zou kunnen zijn om de verkiezing van het Vlaams Parlement in verschillende fases te laten gebeuren. Maar dat staat haaks op artikel 117, eerste lid, van de Grondwet, dat bepaalt :

« De leden van de Gemeenschaps- en Gewestparlementen worden gekozen voor vijf jaar. De Gemeenschaps- en Gewestparlementen worden om de vijf jaar geheel vernieuwd. »

De Parlementen worden dus in hun geheel vernieuwd; een gedeeltelijke vernieuwing wordt uitdrukkelijk uitgesloten. Deze grondwetsbepaling zal ongewijzigd blijven, ook in de plannen van de institutionele meerderheid. De vraag is dus hoe zij dit probleem wilt oplossen. Is het de bedoeling om artikel 117 van de Grondwet, waarvan het tweede lid zal worden vervangen ingevolge de goedkeuring van het voorstel nr. 5-1751/1, andermaal te herzien ? Welke andere oplossing wordt eventueel overwogen ?

De heer Vanlouwe deelt de bezorgdheid van de vorige spreker over de positie van de Vlaamse Brusselaars wanneer de voorgestelde constitutieve autonomie aan het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest wordt toegekend.

Tevens plaatst hij enkele kanttekeningen bij het begrip « constitutieve autonomie ». De Grondwet noch de bijzondere wet van 8 augustus 1980 vermelden dit begrip, dat vanuit een parlementaire praktijk is ontstaan naar aanleiding van de staatshervorming die in 1993 werd doorgevoerd. De termen « constitutieve autonomie » en « constitutionele autonomie » worden door mekaar gebruikt, maar hebben een verschillende draagwijdte. Omdat staten de samenstelling en de verhouding tussen hun organen op verschillende manieren kunnen regelen, moet er een onderscheid worden gemaakt tussen de constitutieve autonomie, enerzijds, en de grondwetgevende — of constitutionele — autonomie, anderzijds.

In de thans besproken voorstellen wordt, in de Belgische context, onder « constitutieve autonomie » verstaan, de autonome bevoegdheid, onafhankelijk van wat de federale wetgever daaromtrent voorziet, voor de deelstaten om de inrichting en de werking van hun eigen organen te reguleren in de ruime zin van het woord. De draagwijdte van de « constitutieve autonomie » kan evenwel variëren van land tot land. Het kan bijvoorbeeld gaan om de keuze tussen een bicameraal of een monocameraal parlementair stelsel. Dat is evenwel niet mogelijk binnen de Belgische context, hoewel de Brusselse instellingen door hun complexiteit wel die richting opgaan : men denke aan het Brussels Hoofdstedelijk Parlement, de Vlaamse Gemeenschapscommissie, de Franse Gemeenschapscommissie, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie. « Constitutieve autonomie » kan ook betrekking hebben op het vastleggen van de periodiciteit van vergaderingen, de organisatie van de parlementaire controle, de procedures inzake volksraadplegingen, de wijziging van de kieswetgeving, enz.

Wat dat laatste betreft, verwijst de heer Vanlouwe naar de idee, die in bepaalde Franstalige kringen de ronde doet, om het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest in kiesdistricten in te delen. Wat is het standpunt van de Vlamingen daarover ?

Nog steeds in de ruime definitie kan « constitutieve autonomie » ook betrekking hebben op de regeling van de onverenigbaarheden, het stelsel van de politieke onschendbaarheid en onverantwoordelijkheid en de invoering van een deelstatelijk gerechtelijk systeem.

Volgens spreker wordt in de Belgische rechtsleer en ook in de voorliggende voorstellen tot herziening van de Grondwet afgeweken van de ruime, algemene definitie van « constitutieve autonomie ». Dat begrip wordt gehanteerd om aan de deelstaten — « entités fédérées » in het Frans — de bevoegdheid te verlenen om hun instellingen te regelen overeenkomstig de artikelen 118, § 2, en 123, § 2, van de Grondwet. Het gaat dan ook om een « constitutieve autonomie » sensu stricto. In de rechtsleer komt deze strikte definitie onder meer tot uiting in de bijdrage van professor Tulkens, die de « constitutieve autonomie » — zelf spreekt hij over « institutionele autonomie » — definieert als volgt :

« la faculté d'établir des règles concernant la composition, le recrutement, les pouvoirs respectifs et les rapports mutuels des différents organes propres à une entité fédérée, dans le respect de la Constitution fédérale. »

Professor Vande Lanotte, tevens vice-premier, omschrijft het begrip als « de bevoegdheid van de deelstaten om de inrichting en de werking van hun eigen organen te bepalen ».

Men doelt dus op de verkiezing en de samenstelling van de organen. De heer Vanlouwe stelt dan ook voor om het begrip « institutionele autonomie » te onderscheiden van het begrip « constitutieve autonomie » in de zin van de artikelen 118, § 2, en 123, § 2, van de Grondwet. Sommigen pleiten ervoor om de « constitutieve autonomie » sensu stricto in de Belgische context eerder te benoemen als « constitutieve bevoegdheden ». Zij menen — terecht, volgens spreker — dat het begrip « constitutieve autonomie » wordt misbruikt, vermits het Vlaams Parlement met handen en voeten gebonden is aan wat op federaal niveau werd beslist en in de Grondwet en de ter uitvoering daarvan aangenomen bijzondere wetten is verankerd. Nog anderen spreken over « pouvoirs constitutifs ».

De heer Vanlouwe wijst erop dat hier geen sprake is van een foutieve vertaling. Het gevaar bestaat dat de Franse en Nederlandse begrippen verkeerd worden gebruikt en geïnterpreteerd, net zoals dat thans het geval is met de begrippen « deelstaten » en « entités fédérées », die ook een andere draagwijdte hebben. Men zou de indruk kunnen krijgen dat de deelstaten een volledig autonome regeling kunnen uitwerken voor hun instellingen. Zelf zou de heer Vanlouwe niets liever willen voor Vlaanderen, maar evenwel niet voor Brussel.

De huidige constitutieve autonomie in België is een gelimiteerde vorm van institutionele autonomie vermits ze beperkt wordt door wat in de Grondwet en de bijzondere wet tot hervorming der instellingen van 8 augustus 1980 is bepaald. Daarom wordt beter gesproken over « het toekennen van institutionele bevoegdheden » in plaats van « constitutieve autonomie ». De Franstalige rechtsleer gebruikte oorspronkelijk het begrip « le pouvoir d'auto-organisation », een vorm van zelfregeling. Zelfs de Raad van State gebruikte tamelijk recent nog de term « constitutieve bevoegdheden ». Jammer genoeg voor Vlaanderen is het echter geen autonomie, het gaat om constitutieve bevoegdheden die in beperkte vorm aan deelstaten worden toegekend.

De heer Deprez merkt op dat « Vlaanderen » grondwettelijk niet bestaat. Dat is enkel het geval voor de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest.

De heer Vanlouwe wijst op een taalkundig probleem met betrekking tot het gebruik van de woorden die de meerderheid in de Grondwet wil inschrijven. De constitutionele autonomie die nu in de Grondwet staat, bestaat ook niet, het is een constitutionele bevoegdheid. De constitutionele autonomie, niet te verwarren met constitutieve autonomie, is de autonome bevoegdheid van de deelstaat om, onafhankelijk van de federale wetgever, een eigen Grondwet uit te vaardigen, waarbij onder andere een regeling kan worden getroffen inzake de inrichting en werking van eigen organen. België kent geen dergelijke grondwetgevende autonomie. De parlementaire voorbereiding van de Staatshervorming in 1992-1993 spreekt van « un embryon de pouvoir constitutionnel ». In haar handboek « Een Grondwet voor de Belgische deelstaten ? Lessen uit het buitenland en de Europese Unie » schrijft Cathy Bercx, voormalig CD&V-parlementslid en huidig provinciegouverneur van Antwerpen, dat in andere federale staten zoals de Verenigde Staten, Canada, Zwitserland of Duitsland, de deelstaten wel een grondwetgevende autonomie hebben. Op dit ogenblik komt de zogenaamde constitutieve autonomie enkel toe aan het Vlaams Parlement, het Parlement van de Franse Gemeenschap en het Parlement van het Waals Gewest.

De heer Delperée preciseert dat het vandaag niet de Parlementen zijn die over de constitutieve autonomie beschikken, maar de Parlementen én de regeringen. Het is een binair systeem, een Parlement heeft die bevoegdheid niet op zijn eentje.

De heer Vanlouwe verklaart dat er een ongelijke regeling voor de verschillende deelstaten bestaat, ondanks een bepaalde trend om naar gelijkheid tussen de deelstaten te streven. Zowel de Duitstalige Gemeenschap als het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest worden in de huidige regeling, om verschillende redenen, uitgesloten van deze vorm van constitutieve autonomie. De voorliggende voorstellen willen daar een einde aan maken. Spreker herinnert aan de redenen die twintig jaar geleden werden aangehaald om de constitutieve autonomie niet aan de Duitstalige Gemeenschap en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest toe te kennen. Tijdens de bespreking van de grondwetsherziening in 1992-1993 stelden de politieke partijen, dezelfde partijen die nu de wijziging voorstellen, dat de uitbreiding van de constitutieve autonomie tot alle gemeenschappen en gewesten werd verworpen om de communautaire pacificatie die heel de grondwetsherziening schraagde, niet in het gedrang te brengen. In het licht van die situatie werd gesteld dat de Vlaamse partijen het er moeilijk mee hadden om van Brussel een volwaardig Gewest te maken dat ook over een beperkte vorm van constitutieve autonomie zou beschikken.

Ook in de rechtsleer was er begrip voor de verschillende behandeling van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest op dit punt. Het statuut van Brussel als federale hoofdstad, en dus ook als bicommunautair gebied waar twee gemeenschappen actief zijn die elk hun verantwoordelijkheid nemen op het gebied van welzijn, onderwijs en cultuur, kan volgens verschillende professoren de niet-toekenning van een vorm van constitutieve autonomie verantwoorden omdat dergelijke constitutieve autonomie sensu stricto het evenwicht tussen de Nederlandstalige en de Franstalige groepen in het gedrang kan brengen. De bescherming van de Nederlandstaligen in Brussel is absoluut noodzakelijk en de zogezegde uitstekende bescherming van de Vlaamse minderheid stopt in elk geval de stadsvlucht niet.

Wat de Duitstalige Gemeenschap betreft is de situatie anders. Het gebied bestrijkt een kleiner territorium en een kleiner gedeelte van de bevolking. Dat lijkt echter geen verantwoording te zijn voor de ongelijke behandeling.

De al dan niet gerechtvaardigde discriminatie kan niet door het Grondwettelijk Hof worden getoetst aangezien ze in de Grondwet verankerd ligt. Bepaalde hoogleraren stellen dat de bijzondere wet tot hervorming der instellingen van 8 augustus 1980 wel door het Grondwettelijk Hof kan worden getoetst aan het principe van de gelijke behandeling van de deelstaten. Volgens dat principe is het natuurlijk wel toegestaan om gemeenschappen of gewesten verschillend te behandelen wegens hun specifiek karakter, zoals dat het geval is voor het Brussel Hoofdstedelijk Gewest.

De heer Vanlouwe blijft erbij dat het geheel van voorstellen met betrekking tot de constitutieve autonomie opnieuw de deur openzet voor een gelijkschakeling van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest met het Vlaams en het Waals Gewest. Dat blijkt al uit de terminologie, waar het hoofdstedelijk aspect van Brussel telkens afneemt en het aspect van een volwaardig derde Gewest aan belang wint wanneer het erop aankomt gelijk behandeld te worden met het Vlaams en het Waals Gewest. Het hoofdstedelijk karakter wordt enkel benadrukt wanneer bijkomende financiering nodig is. De herfinanciering van Brussel heeft ervoor gezorgd dat de begroting nu plots in evenwicht is en de Franse Gemeenschap bij Brussel aanklopt om financiële steun.

De heer Vanlouwe zou vooral graag zien dat zijn stad op een goede manier bestuurd wordt, dat de stadsvlucht stopt en dat er wederzijds respect is tussen de Nederlandstaligen, de Franstaligen en de vele nieuwkomers. Deze voorstellen zullen dat niet oplossen, maar zullen ervoor zorgen dat de situatie van de Nederlandstaligen er opnieuw op zal achteruitgaan.

De heer Moureaux waagt zich niet aan grote juridische discussies maar wil graag even ingaan op de situatie van Brussel. Spreker weet niet of de heer Vanlouwe de demografische evolutie en de problematiek van de wijzigende bevolking in Brussel volgt, maar als dat het geval is, dan zal hij er zich ongetwijfeld bewust van zijn dat een deel van de Brusselaars, namelijk zij die over voldoende middelen beschikken, de stad verlaten omdat het zeer moeilijk is in Brussel geschikte huisvesting te vinden. Dat heeft niets met taal te maken. De evolutie van de periferie en de aanwezigheid van een groot aantal Franstaligen aldaar, heeft met hetzelfde probleem te maken. Deze uittocht beperkt zich overigens niet enkel tot Vlaams-Brabant, ook Waals-Brabant heeft een grote sociologische wijziging doorgemaakt door het vertrek van Franstalige Brusselaars naar deze provincie.

Het fenomeen overstijgt dus duidelijk de taalkundige obsessie van de heer Vanlouwe. Het is een sociologisch probleem dat inderdaad moeilijkheden meebrengt, zoals een verpaupering van de Brusselse bevolking vermits het meestal de eerder kapitaalkrachtigen zijn die de stad verlaten.

De heer Moureaux vindt het belangrijk dat er een dynamische Nederlandstalige bevolking in Brussel aanwezig blijft. Als burgemeester heeft hij getracht dit te bevorderen. Zo wonen in grote woonprojecten, bijvoorbeeld langs de kanaalzone, veel mensen die ervoor gekozen hebben terug in Brussel te wonen. Dat moet worden aangemoedigd.

Spreker stelt vast dat er ook een evolutie is waarbij immigranten voor hun kinderen bewust kiezen voor het Nederlandstalig onderwijs, waardoor bij deze bevolkingsgroepen het gebruik van het Nederlands toch ook ingang vindt. Spreker juicht dat toe want hij heeft het altijd belangrijk gevonden dat de Vlaamse aanwezigheid in Brussel significant zou zijn.

De voorliggende tekst behelst, aldus senator Moureaux, twee belangrijke punten :

— er wordt een belangrijke stap voorwaarts gezet naar meer autonomie voor de gemeenschappen en de gewesten : de voorgestelde aanzienlijke bevoegdheidsoverdracht is daarvan het beste bewijs;

— voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest wordt ook een beperkte constitutieve autonomie ingevoerd; maar die autonomie wordt volledig ingebed in het bestaande evenwicht tussen de twee gemeenschappen, aanwezig op het Brusselse grondgebied. Dat betekent concreet dat de bijzondere wetgever wordt gemachtigd om de aangelegenheden aan te duiden betreffende de verkiezing, samenstelling en werking van het Parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, welke door dit Parlement geregeld kunnen worden (zie het voorstel van bijzondere wet nr. 5-1754/1). De bijzondere wet zal met andere woorden de regels aanduiden waarop de constitutieve autonomie van het Parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betrekking heeft, met uitzondering van de regels die betrekking hebben op de waarborgen die de personen van de Nederlandse en de Franse taalaanhorigheid genieten. Deze waarborgen zullen onder de bevoegdheid van de bijzondere wetgever blijven vallen. Het uitoefenen van de constitutieve autonomie door het Brussels Hoofdstedelijk Parlement zal daarenboven gebeuren middels een bijzondere ordonnantie die bij twee derde meerderheid en bij meerderheid in elke taalgroep wordt aangenomen.

Die, zij het beperkte stap naar meer constitutieve autonomie voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, is logisch in een proces naar meer federalisme, aldus spreker.

De heer Delpérée formuleert drie bedenkingen.

1. Eenzelfde woord kan in de Grondwet verscheidene betekenissen hebben. Het woord « autonomie » is daarvan een duidelijk voorbeeld. In 1831 werd daarmee in de eerste plaats de lokale autonomie van de steden en de gemeenten bedoeld; voorts waren er de gedecentraliseerde besturen die onderworpen waren aan een voogdij-overheid, die waakte over de wettelijkheid en het algemeen belang. Vanaf de jaren 1970 en 1980 heeft het woord « autonomie » een andere invulling gekregen, met de oprichting van de gemeenschappen en de gewesten die over wetgevende bevoegdheid beschikken bij middel van decreten en ordonnanties. Ook aan het begrip « constitutieve » wordt naar gelang van het geval een verschillende invulling gegeven.

2. De constitutieve autonomie wordt voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest anders ingevuld dan voor de andere gemeenschappen en gewesten, maar dat verschil wordt verklaard door het feit dat de bestaande garanties voor de Vlaamse Gemeenschap moesten worden gevrijwaard. Vandaar het instrument van de bijzondere ordonnantie, aan te nemen bij twee derde meerderheid en bij meerderheid in elke taalgroep.

3. Het begrip « deelstaat » (in het Frans État fédéré), dat door verscheidene sprekers wordt gebezigd, bestaat niet : het is een contradictio in terminis.

De heer Deprez onthoudt uit de uiteenzetting van senator Vanlouwe twee verschillende stellingen waarop hij wenst te repliceren :

— senator Vanlouwe kan zijn ontgoocheling niet verbergen over het feit dat doorheen de verschillende fases in de Staatshervorming stappen werden gedaan naar een grotere autonomie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest : die stappen zijn steeds het gevolg geweest van de zoektocht naar een compromis tussen meer autonomie voor de gemeenschappen enerzijds en de gewesten anderzijds. Ook de toekenning van de weliswaar beperkte constitutieve autonomie aan het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en de Duitstalige Gemeenschap is het resultaat van een compromis, respectievelijk tussen de Vlamingen en de Franstaligen voor Brussel en tussen de Walen en de Duitstaligen voor de Duitstalige Gemeenschap;

— waar senator Vanlouwe laat verstaan dat de verruiming van de constitutieve autonomie voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest tot gevolg kan hebben dat de Brusselse Vlamingen uit Brussel zouden kunnen worden verjaagd, maakt hij zich schuldig aan een sofisme. De volgende principes blijven onverkort gelden : het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest blijft gevestigd op het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, er wordt niet geraakt aan de beslissingen die met dubbele meerderheid moeten worden genomen en de bestaande gegarandeerde vertegenwoordiging (17 Nederlandstaligen — 72 Franstaligen) in het Brussels Hoofdstedelijk Parlement wordt niet gewijzigd. Via de constitutieve autonomie kan aan die waarborgen geen afbreuk worden gedaan. Er is geen enkele juridische, wettelijke, sociologische of andere reden ter staving van de door senator Vanlouwe geponeerde stelling.

Senator Laeremans erkent dat de sociologische evolutie in Brussel inderdaad niet meteen samenhangt met het Brussels stedelijk beleid, maar wel met het federaal asiel- en migratiebeleid. Spreker blijft er echter van overtuigd dat de verruiming van de constitutieve autonomie voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest wel degelijk negatieve gevolgen kan hebben voor de Vlaamse aanwezigheid in Brussel. Zo zou men bijvoorbeeld de datum van de verkiezingen voor het Brussels Hoofdstedelijk Parlement kunnen loskoppelen van de datum van de verkiezingen voor het Vlaams Parlement, wat tot bepaalde manipulaties zou kunnen leiden die tot een verwijdering tussen Brussel en Vlaanderen zouden kunnen leiden. Ook de eventuele opdeling van de Brusselse kieskring in kleinere entiteiten zou nadelige gevolgen kunnen hebben voor de Brusselse Vlamingen. Immers, de electorale impact van lokale populaire Franstalige gemeentelijke mandatarissen zal groter zijn in kleinere kieskringen.

Senator Moureaux repliceert dat beslissingen ter zake in de schoot van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement bij bijzondere ordonnantie moeten worden genomen, wat betekent dat de Nederlandstaligen steeds hun veto kunnen stellen (meerderheid vereist in elke taalgroep).

Senator Laeremans verklaart bij zijn standpunt te blijven en wijst er nog op dat heel het verhaal van de Fédération Wallonie-Bruxelles gebaseerd is op de uitdrukkelijke politieke wil om de band tussen die twee gewesten verder aan te halen en hen samen op het internationale plan als één geheel in de kijker te plaatsen. Dat is, aldus de heer Laeremans, een evolutie die tegen de Grondwet ingaat. Dat wordt ook met zoveel woorden gesteld door de Raad van State in zijn advies over het voorstel van bijzondere wet nr. 5-1815 betreffende de gezamenlijke decreten (stuk Senaat, nr. 5-1815/2).

De heer Anciaux vraagt begrip voor de angst die bij een aantal Vlamingen bestaat voor de constitutieve autonomie van Brussel. Er bestaat immers een merkbare evolutie op dat vlak en dat is een toetssteen voor het groeiend vertrouwen dat tussen de gemeenschappen moet ontstaan. Indien de institutionele stappen die in het kader van de zesde Staatshervorming worden gedaan, niet tot wederzijds respect leiden en tot een groeiend wederzijds vertrouwen, dan zou dat wel eens ernstige problemen kunnen veroorzaken. Dit aspect van de hervorming is een kans om te bewijzen dat er wederzijds vertrouwen kan ontstaan tussen de gemeenschappen.

De heer Moureaux heeft volgens spreker gelijk wanneer hij stelt dat het niet opgaat dat men vanuit Vlaamse kant altijd doet alsof Brussel, op politiek vlak, een Franstalige stad is. In Brussel leven Franstaligen en Nederlandstaligen. Uit de opbouw van de verschillende staatshervormingen in de laatste decennia blijkt dat de Vlamingen in Brussel een zeer belangrijke machtspositie hebben verworven. Zonder hen kan men Brussel niet besturen of zomaar veranderen. Dat geldt ook voor de herziening van de Grondwet. Spreker kan dus niet aanvaarden dat men doet alsof alles mogelijk is zonder de goedkeuring van de Vlamingen.

De heer Anciaux merkt in de eerste plaats op dat een aantal aspecten niet onder de constitutieve autonomie vallen. De huidige waarborgen die zowel voor de Nederlandstalige als voor de Franstalige taalgroep bestaan, worden door deze zesde staatshervorming verankerd. Daar wordt op geen enkele manier afbreuk aan gedaan. Het is zelfs niet eens zo dat de constitutieve autonomie daarop slaat.

Voorts komt hij terug op de hypothese dat er plots zou worden voorgesteld om in Brussel zes kieskringen te organiseren. Hij betwijfelt niet dat de Vlaamse Gemeenschap in Brussel op dat moment zal nadenken en zien of dat in haar voor- of nadeel is. De hervorming maakt alleen maar kans als er geen enkel addertje onder het gras zit.

Een aspect waar spreker aandacht voor vraagt, is de problematiek van de rechtstreekse verkiezing van de zes Brusselse Vlamingen in het Vlaams Parlement. Drie opties zijn mogelijk. Ofwel worden deze zes personen door alle Brusselaars verkozen, maar hij betwijfelt of die optie bij iedereen in goede aarde zal vallen. Ofwel gebeurt dat in functie van een taalkeuze die men bij de verkiezing maakt, zoals dat nu al het geval is. Een derde optie is een vorm van subnationaliteit, maar ook hier is de kans van slagen gering. Hij ziet geen meerderheid voor de eerste en de derde optie, wat bijgevolg betekent dat het huidige systeem eigenlijk het beste is.

De keuze om in Brussel op een ander moment regionale parlementsverkiezingen te houden dan in Vlaanderen is volgens de heer Anciaux niet zo evident, niettegenstaande de beweringen van meneer Laeremans. De Vlamingen in Brussel hebben de mogelijkheid om dat te beletten aangezien, naast de drempel van de twee derde meerderheid, een dubbele meerderheid in elke taalgroep vereist is. De constitutieve autonomie geldt immers niet alleen voor het Parlement maar ook voor de regering. Een decreet of ordonnantie in die zin zou sowieso door deze dubbele filter moeten passeren. Enerzijds heeft spreker begrip voor de terughoudendheid van sommige Vlaamse collega's, maar anderzijds kan men niet beweren dat alles ten nadele van de Vlamingen kan worden geregeld.

De heer Mahoux stelt vast dat sommigen geneigd zijn hun persoonlijke mening in dit debat te temperen. Spreker zegt een groot voorstander te zijn van de solidariteit Wallonië-Brussel. De staatshervorming lijkt hem, in alle objectiviteit, voldoende waarborgen te bieden voor de Vlamingen in Brussel. Zo is de Vlaamse Gemeenschap in Brussel op politiek vlak ruim vertegenwoordigd zowel in het Brussels Parlement als in de Brusselse regering.

Wanneer spreker de vertegenwoordigers van het Vlaams Belang en de N-VA hoort verkondigen dat de Vlamingen in Brussel niet de nodige waarborgen hebben gekregen, dan kan hij enkel vaststellen dat die waarborgen groot zijn en heel reëel. Spreker heeft het maar zelden meegemaakt dat een minderheid zoveel waarborgen en bescherming krijgt als de gemeenschap van de Vlamingen in Brussel.

Een tweede punt betreft de zogenoemde bedreiging die uitgaat van de Fédération Wallonie-Bruxelles. Spreker herinnert eraan dat er op internet herhaaldelijk kaarten van België werden gepubliceerd waarop Brussel systematisch bij het Vlaams Gewest werd gevoegd. Die kaarten, die internationaal werden verspreid, geven moedwillig een misleidend beeld van de organisatie van onze Belgische Staat. Spreker kan enkel vaststellen dat die kaarten niet door Franstaligen werden verspreid.

De heer Cheron herinnert eraan dat zijn fractie het voorgestelde beginsel van constitutieve autonomie steunt. Die constitutieve autonomie, zoals omschreven in de zesde Staatshervorming en zoals die zal bestaan voor degenen die ze nu nog niet hebben, namelijk het Brussels Gewest en de Duitstalige Gemeenschap, vormt een belangrijke stap vooruit. Hiermee wordt een onrechtvaardigheid rechtgezet tegenover de Duitstaligen en de Brusselaars.

De voorwaarden waaronder de constitutieve autonomie zal worden uitgeoefend, worden duidelijk afgebakend in de artikelen 118 en 123 van de Grondwet. Spreker begrijpt bijgevolg de ongerustheid niet van sommige Vlaamse collega's over de waarborgen voor de Vlaamse minderheid in Brussel. Betekent dit in werkelijkheid dat zij geen vertrouwen hebben in die minderheid en in hoe zij die autonomie zullen invullen ? Spreker begrijpt de redenen van die aarzelende houding niet.

Volgens spreker is het noodzakelijk vertrouwen te hebben in de verkozenen van het Brussels Gewest, ongeacht of het Franstaligen, Vlamingen of verkozenen zijn die van elders komen. Zij hebben er immers voor gekozen in dat gewest te gaan wonen om er vooruitgang te brengen.

De heer Laeremans merkt op dat sommige collega's zich druk maken over enkele kaarten op internet, maar anderzijds de betekenis van de Fédération Wallonie-Bruxelles volledig banaliseren.

Spreker herinnert eraan dat Brussel op grondwettelijk vlak uitgeroepen werd tot de hoofdstad van Vlaanderen en dit, met de goedkeuring van de Franstaligen. Het Vlaams Parlement en de Vlaamse regering bevinden zich trouwens in Brussel. Het Waalse Gewest heeft daarentegen gekozen voor Namen, terwijl de Franstalige Gemeenschap ook voor Brussel heeft geopteerd. De Vlamingen hebben volgens spreker dus het volste recht om op een kaart hun hoofdstad in Vlaanderen te tekenen, te meer daar Brussel geografisch in Vlaanderen ligt. Hij heeft er geen bezwaar tegen als de Franstalige gemeenschap een kaart maakt van Wallonië en Brussel.

De Vlamingen hebben zich altijd afgezet tegen de drieledigheid van de gewestvorming omdat die problematiek bijzonder gevoelig ligt. De Vlaamse bevolking, meerderheid in ons land, vreesde dat er een soort wettelijke en institutionele minorisering zou ontstaan als twee gewesten zouden samenwerken en samenspannen tegen één.

Dit scenario doet zich meer en meer voor in de praktijk. De Fédération Wallonie-Bruxelles is niet zo onschuldig als wordt voorgesteld. Er werd trouwens nooit een akkoord over gesloten met de Vlamingen en het principe van deze Fédération werd nooit in de Grondwet ingeschreven. Het werd eenzijdig beslist door de Franstaligen, zelfs zonder het advies van de Vlamingen in Brussel te vragen.

Ook al is de Fédération Wallonie-Bruxelles ongrondwettelijk, op internationaal vlak geeft ze wel de indruk dat het Gewest Wallonië en het Gewest Brussel eenzelfde entiteit vormen.

Voorts betwist spreker de stelling dat de Vlamingen in Brussel goed beschermd zijn. De Duitstaligen genieten een veel betere bescherming aangezien zij een eigen Parlement hebben en alles autonoom kunnen beslissen. Daarenboven zijn de Vlamingen in Brussel helemaal geen minoriteit op institutioneel vlak. In Brussel geldt immers het principe van de institutionele pariteit tussen Vlamingen en Franstaligen, ook al wordt dit in de praktijk niet nageleefd en als dusdanig erkend. Met de Fédération Wallonie-Bruxelles ondermijnt men het tweetalig karakter van Brussel.

De heer Laeremans wijst erop dat zijn partij er reeds in 1988 voor waarschuwde dat de drieledigheid van de staatsstructuur zou worden misbruikt in een coalitie van twee tegen één. Zijn partij heeft op dat vlak over de hele lijn gelijk gekregen. Brussel wordt volledig opgeslorpt in een Franstalige sfeer. Dat wordt ten overvloede geïllustreerd door de bevoegdheidsverdeling en de werkwijze binnen de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie. Voor de kinderbijslag hebben de Franstalige Brusselaars en het Waals Gewest reeds een akkoord gesloten, zonder de Vlamingen daarbij te betrekken. Men « vergewestelijkt » dus de gemeenschapsbevoegdheden. Het is die kwade trouw van de Franstaligen en de ongrondwettelijke creatie van een Fédération Wallonie-Bruxelles die ervoor zorgen dat zijn partij geen vertrouwen heeft in de constitutieve autonomie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.

De heer Delpérée meent dat men moet letten op het woordgebruik in de teksten. Zoals het woord « minderheid » dat door verschillende sprekers wordt gebruikt om de Vlamingen in Brussel aan te wijzen. Voor spreker zijn de Vlamingen in Brussel geen minderheid, net zo min als de Franstaligen een minderheid zouden zijn in België. De Grondwet vermeldt in het opschrift van Titel I :« Het federale België, zijn samenstelling en zijn grondgebied ».

De heer Moureaux merkt op dat de Franstaligen onbetwistbaar een minderheid zijn in België.

De heer Delpérée antwoordt dat het om een numerieke, maar geen politieke minderheid gaat. De Staat bestaat uit componenten. De Duitstalige minderheid is, ondanks het kleine aantal inwoners, één van de componenten van de Belgische federale Staat.

Volgens de heer Vanlouwe toont het debat aan dat de constitutieve autonomie een delicaat onderwerp is waar Nederlands- en Franstaligen diametraal tegenover elkaar staan. De heer Anciaux heeft verklaard begrip te hebben voor de vrees die er langs Nederlandstalige kant bestaat voor de Brusselse constitutieve autonomie. Zowel zijn partij als de CD&V hebben die autonomie in het verleden altijd afgeremd. Hij verklaarde eveneens dat het vertrouwen tussen de Franstaligen en de Nederlandstaligen in Brussel moet groeien.

Maar hoe kan dat vertrouwen groeien als wij moeten vaststellen dat de herfinanciering van het Brussels Gewest plots een doorgeefluik wordt voor de Franstalige Gemeenschap ? De minister van de Franse Gemeenschap heeft immers al financiële hulp gevraagd.

Hoe kan dat vertrouwen groeien als er eenzijdig beslist wordt om een Brussels-Waalse Federatie op te richten ? Als Brusselse Vlaming behoort hij blijkbaar tot een federatie waarover zijn mening nooit is gevraagd. Men doet alsof er twee gewesten plots beslist hebben om samen een federatie te vormen. Een dergelijke beslissing vergroot de complexiteit van dit land.

Hoe kan dat vertrouwen groeien als in de discussie over de kinderbijslag waarvoor in Brussel de GGC bevoegd zal worden, er nu al plannen zijn om het beleid af te stemmen op dat van Wallonië ?

Hoe kan het vertrouwen groeien als de wetgeving op de tweetaligheid wordt weggelachen ? Vele burgemeesters of schepenen kennen geen Nederlands of doen zelfs de moeite niet om het te leren terwijl dat gewoon een kwestie van elementair respect is.

Hoe kan dat vertrouwen groeien als blijkt dat in het Brussels Gewest één op de drie agenten niet over een tweetaligheidsattest beschikt, hoewel dat wettelijk verplicht is ? We hebben een goede taalwetgeving, maar er wordt niets gedaan om de afdwingbaarheid ervan te verbeteren. Uit een recent verslag van de vicegouverneur blijkt dat deze problemen zich in alle negentien gemeenten voordoen. Men doet er echter niets aan. De schorsing van benoemingen wordt niet gevolgd door een vernietiging door het Brussels hoofdstedelijk Gewest.

Bij het debat over de herfinanciering van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest heeft men vaak de nadruk gelegd op het hoofdstedelijk karakter van Brussel. Men vergeet echter dat dit hoofdstedelijk karakter gevolgen heeft voor de constitutieve autonomie : Brussel is de hoofdstad van meerdere gemeenschappen. Dan blijkt het hoofdstedelijk karakter niet meer benadrukt te worden.

Hoe gaat de constitutieve autonomie bijdragen tot een verbetering van de leefbaarheid, tot het stoppen van de stadsvlucht ?

Hoe gaat de constitutieve autonomie bijdragen tot een afdwingbare tweetaligheid ?

Hoe gaat de constitutieve autonomie bijdragen tot meer en betere democratie waarbij de kieswetgeving niet meer gewijzigd wordt op grond van partijbelangen ?

2. Standpunt van de staatssecretaris voor Staatshervorming en replieken

De staatssecretaris voor Staatshervorming, de heer Verherstraeten, beperkt zich in zijn repliek tot de teksten die voorliggen.

Hij gaat daarbij nader in op de opmerkingen die de Raad van State heeft geformuleerd :

« 1. Opmerking van de Raad van State

De Raad van State is van mening dat uit de toelichting bij de voorstellen tot herziening van de artikelen 118, § 2, en 123, § 2, van de Grondwet moet worden geconcludeerd dat « de Grondwetgever zelf met zekerheid heeft ingestemd met een lijst aangelegenheden betreffende de verkiezing, de samenstelling en de werking van het Parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en betreffende de samenstelling en werking van de Brusselse Hoofdstedelijke regering, die de bijzondere wet niet aan de constitutieve autonomie van het Parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest kan overlaten. Ook heeft de Grondwetgever, blijkens de voornoemde toelichting, ermee ingestemd dat de ordonnanties tot regeling van deze aangelegenheden niet alleen een tweederdemeerderheid vergen, vereist door de artikelen 118, § 2, eerste lid, en 123, § 2, eerste lid, van de Grondwet, maar tevens een absolute meerderheid van de uitgebrachte stemmen in elk van de twee taalgroepen van het voornoemde Parlement » (advies 52.273/AV, nr. 3).

Verantwoording

Het voorstel van bijzondere wet samen neergelegd met deze voorstellen tot herziening van de Grondwet voorziet erin dat de waarborgen die de personen van de Nederlandse en Franse taalaanhorigheid genieten in Brussel met betrekking tot het Parlement en de regering van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (pariteit, gewaarborgde vertegenwoordiging, enz.) onder de bevoegdheid van de bijzondere wetgever zullen blijven vallen.

In dat verband spreekt het voor zich dat de bijzondere wetgever in de toekomst soeverein zal zijn voor de uitvoering van de artikelen 118, §§ 1 en 2, en 123, §§ 1 en 2, van de Grondwet. Hetzelfde geldt voor de bijzondere meerderheidsvoorwaarden die de bijzondere wetgever moet voorzien.

De constitutieve autonomie, zo betoogt de staatssecretaris, waarvan de rechtsgrond sinds geruime tijd vastligt in de artikelen 118 en 123 van de Grondwet, verleent machtiging om hieraan invulling te geven, hetzij bij wet, hetzij bij bijzondere wet. Dat is gebeurd in de jaren 1980. Dat heeft geleid tot de huidige wetgeving. Vorig jaar zijn er bij de wet van 19 juli 2012 enkele aanpassingen gebeurd. De voorliggende voorstellen liggen in het verlengde van wat nu reeds in de artikelen 118 en 123 van de Grondwet besloten ligt. Aan de geest en de formulering van die artikelen wordt niet geraakt, er wordt enkel voorzien in een uitbreiding.

De voorliggende teksten houden rekening met de gevoeligheden uit het verleden, zoals die door de heren Vanlouwe en Deprez zijn geschetst. De voorstellen zijn immers niet identiek voor de Duitstalige Gemeenschap en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. De Duitstalige Gemeenschap krijgt een quasi volledige autonomie, terwijl die van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest wordt begrensd. Zo worden de taalwaarborgen niet overgeheveld. De toelichting bij het voorstel van bijzondere wet verklaart hieromtrent het volgende : « De waarborgen die de personen van de Nederlandse en Franse taalaanhorigheid in Brussel genieten, zullen dus onder de bevoegdheid van de bijzondere wetgever blijven vallen. Het gaat om het aantal parlementsleden, de verdeling van de zetels tussen de taalgroepen, de vervanging van parlementsleden die tot de regering van een deelentiteit toetreden door een volwaardig parlementslid, de paritaire samenstelling van de regering en de verhouding tussen het aantal gewestelijke staatssecretarissen behorende tot de ene of de andere taalgroep, de alarmbelprocedure, de aangelegenheden waarover beslist moet worden met (in beginsel) een meerderheid van de stemmen in elke taalgroep, de wijze van verkiezing van de ministers, de collegiale besluitvorming en de besluitvorming bij consensus, de verdeling van de bevoegdheden onder de leden van de regering volgens groepen van aangelegenheden, de motie van wantrouwen, de vertrouwenskwestie, enz. » (stuk Senaat, nr. 5-1754/1, blz. 2).

Aan de bestaande evenwichten en beschermingsmechanismen wordt dus niet geraakt. Dat moge uit het volgende blijken :

— wat het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreft, dient het Brussels Hoofdstedelijk Parlement bij de uitoefening van de constitutieve autonomie de pre-Lombardmeerderheden te respecteren, zijnde een twee derde meerderheid en een meerderheid in elke taalgroep. « Daartoe schrijft het voorstel tot herziening van de Grondwet voor dat de bijzondere wetgever moet voorzien in bijkomende meerderheidsvoorwaarden wat betreft het Parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Het voorstel van bijzondere wet (stuk Senaat, nr. 5-1754/1) dat op hetzelfde moment ingediend wordt in het Parlement voorziet dan ook in deze bijkomende voorwaarden. » (stuk Senaat, nr. 5-1752/1, blz. 4);

— inzake taalwaarborgen blijft de federale bijzondere wetgever bevoegd;

— de standstillverplichting is van toepassing. »

« 2. Opmerking van de Raad van State

Na opgemerkt te hebben dat « geen van de bepalingen van het voorliggende voorstel van bijzondere wet ertoe strekt een soortgelijk prerogatief als dat waarover het Vlaams Parlement, het Waals Parlement en het Parlement van de Franse Gemeenschap beschikken krachtens artikel 37bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, op te nemen als onderdeel van de constitutieve autonomie die het toekent aan het Parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest » benadrukt de Raad van State : « In de toelichting bij de voorstellen tot herziening van de artikelen 118, § 2, en 123, § 2, van de Grondwet wordt er over het niet opnemen van dat voorrecht en het ontbreken van een verantwoording daarvoor niets uitdrukkelijk bepaald, zodat het niet opnemen van dat voorrecht en het ontbreken van een verantwoording dienaangaande niet met zekerheid geacht kunnen worden overeen te stemmen met de wil van de Grondwetgever. » (advies 52.273/AV, nr. 4).

Inzake artikel 37bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, vestigt de Raad van State in zijn advies 52.270 toch de aandacht op het volgende : « Aangezien er na de hervorming van de Senaat geen rechtstreeks verkozen senatoren meer zullen zetelen in de Senaat, dienen deze bepalingen te worden opgeheven of aangepast » (advies 52.270, nr. 26). Ingeval de tekst van artikel 37bis zou worden aangepast en niet afgeschaft, is er, volgens de Raad van State, reden om te overwegen de voorrechten die in dat artikel zijn bepaald ook op te nemen als onderdeel van de constitutieve autonomie die aan dat Parlement wordt toegekend, tenzij een aanvaarbare verantwoording wordt gegeven om dat niet te doen (advies 52.273/AV, nr. 4).

Verantwoording

De indieners van dit voorstel van bijzondere wet verduidelijken dat het niet opnemen van een soortgelijk voorrecht in de constitutieve autonomie van het Parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest als dat waarover het Vlaams Parlement, het Waals Parlement en het Parlement van de Franse Gemeenschap beschikken krachtens artikel 37bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, voortvloeit uit het feit dat de betrekking die zij regelt haar nut verliest door de hervorming van de samenstelling van de Senaat. Die bepaling moet dus afgeschaft worden. Een amendement bij het voorstel van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen ten gevolge van de hervorming van de Senaat is daartoe dus ingediend (zie amendement nr. 2, stuk Senaat nr. 5-1746/3).

De heer Laeremans meent dat er op het vlak van de kieswetgeving geen sprake is van een evenwicht tussen de rechten van de Vlamingen in Brussel en die van de Franstaligen in de Vlaamse rand.

Op twee bedenkingen heeft spreker geen antwoord gekregen behalve dat de Brusselse Vlamingen aan bepaalde regelgeving hun goedkeuring moeten hechten.

1. Gelet op de praktische onmacht van de Brusselse Vlamingen om zelfs maar de taalwetgeving te doen handhaven, gelooft hij niet dat zij in staat zullen zijn om een aantal zaken tegen te houden. Er zijn te weinig waarborgen dat, bijvoorbeeld, de Brusselse Vlamingen verkozen zullen blijven geraken in het Vlaams Parlement, zowel in geval van samenvallende als van afzonderlijke verkiezingen. Indien het Brussels Hoofdstedelijk Parlement zou beslissen om zijn verkiezingen niet langer te laten samenvallen met die voor het Vlaams Parlement, rijst de vraag hoe dat te rijmen valt met artikel 117 van de Grondwet krachtens hetwelk het Vlaams Parlement in zijn geheel moet worden verkozen. Ook grondwetsspecialist Koen Muylle wijst erop dat dit een zeer ernstig probleem is (K. Muylle, « De hervorming van de Senaat en de samenvallende verkiezingen, of hoe de ene hervorming de andere dreigt ongedaan te maken », TBP, 2013, 473-491).

Blijkbaar gaat de staatssecretaris er van uit dat het probleem nooit zal rijzen of dat het moet worden opgelost op het moment dat het zich voordoet.

2. Wat is de ratio legis van het door artikel 6 voorgestelde artikel 14, derde tot vijfde lid, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, volgens hetwelk het Parlement, bij ordonnantie, de kieskringen kan instellen op het grondgebied bedoeld in artikel 2, § 1, overeenkomstig artikel 26 van de bijzondere wet (stuk Senaat, nr. 5-1754/1, blz. 11-12) ?

Wat de twee vragen van de heer Laeremans betreft, antwoordt de staatssecretaris vooreerst dat hij uiteraard geen initiatieven kan nemen om de rechten van Nederlandstaligen in Brussel af te dwingen. Spreker deelt overigens de vrees niet dat de Vlaamse verkozenen in Brussel de belangen niet zullen verdedigen van de taalgroep die ze verondersteld worden te vertegenwoordigen.

Bovendien wijst de staatssecretaris erop dat de federale wetgever bevoegd blijft voor de waarborgen zoals het aan de bijzondere wetgever toekomt hier wijzigingen aan aan te brengen. De staatssecretaris herinnert eraan dat de bijzondere federale wetgever, zowel in de Kamer als in de Senaat, zal blijven beschikken over een meerderheid van Nederlandstalige verkozenen. Bovendien is er voor de goedkeuring van een bijzondere wet een tweederdemeerderheid nodig en een meerderheid van stemmen in elke taalgroep. Er zijn dus verschillende beschermingsmechanismen.

De heer Laeremans betwist het bestaan van dergelijke meerderheden.

De heer Anciaux is het eens met de analyse van de staatssecretaris. Spreker benadrukt ook dat het probleem van het taalgebruik niet moet worden verward met de problematiek van het besluitvormingsproces in de Brusselse instellingen. Het is ondenkbaar dat een ordonnantie over de uitoefening van de constitutieve autonomie wordt aangenomen tegen de zin van de Nederlandstaligen.

IV. BESPREKING VAN DE VOORSTELLEN EN STEMMINGEN

1. Voorstel tot herziening van artikel 118, § 2, van de Grondwet, nr. 5-1752/1

Amendement nr. 1 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 1 in (stuk Senaat, nr. 5-1752/2) dat ertoe strekt artikel 118, § 2, van de Grondwet te vervangen door wat volgt :

« § 2. In afwijking van het bepaalde in paragraaf 1 worden de verkiezing, met inbegrip van de duur van zijn legislatuur en de datum van zijn verkiezing, de samenstelling en de werking van het Parlement van de Vlaamse Gemeenschap door dit Parlement bij decreet geregeld. Dat decreet wordt aangenomen volgens de meerderheidsregels die door dit Parlement bij decreet worden bepaald.

Een wet, aangenomen met de meerderheid bepaald in artikel 4, laatste lid, duidt de aangelegenheden aan betreffende de verkiezing, de samenstelling en de werking van het Parlement van de Franse Gemeenschap en het Parlement van het Waalse Gewest, welke door de Parlementen, ieder wat hem betreft, bij decreet of bij een in artikel 134 bedoelde regel worden geregeld, naargelang van het geval. Dat decreet en die in artikel 134 bedoelde regel moeten worden aangenomen met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen, op voorwaarde dat de meerderheid van de leden van het betrokken Parlement aanwezig is.

Een wet duidt de aangelegenheden aan betreffende de verkiezing, de samenstelling en de werking van het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap, welke door dit Parlement bij decreet worden geregeld. Dat decreet moet worden aangenomen met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen, op voorwaarde dat de meerderheid van de leden van het Parlement aanwezig is.

De in het tweede of in het derde lid bedoelde wet, naargelang van het geval, kan de Gemeenschaps- en Gewestparlementen de bevoegdheid toevertrouwen om elk voor zich, bij decreet of bij een in artikel 134 bedoelde regel, naargelang van het geval, de duur van hun legislatuur en de datum van de verkiezing van hun Parlement te regelen. Dat decreet en die in artikel 134 bedoelde regel moeten worden aangenomen met de meerderheden bedoeld in het eerste tot en met derde lid. »

De indiener verwijst naar de schriftelijke verantwoording van zijn amendement.

De heer Laeremans dient vervolgens vijf subsidiaire amendementen in (nrs. 2 tot 6).

Amendement nr. 2 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 2 in (stuk Senaat, nr. 5-1752/2) dat ertoe strekt in het enig artikel de volgende wijzigingen aan te brengen :

a) het 1º doen vervallen;

b) het door het 2º voorgestelde artikel 118, § 2, tweede lid, doen vervallen;

c) in het door het 2º voorgestelde artikel 118, § 2, vierde lid, het woord « derde » telkens vervangen door het woord « tweede ».

De indiener verwijst naar de schriftelijke verantwoording van zijn amendement.

Amendement nr. 3 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 3 in (stuk Senaat, nr. 5-1752/2) dat ertoe strekt het, door het 2º van het enig artikel, voorgestelde artikel 118, § 2, tweede lid, te vervangen door wat volgt : « Onverminderd de bepalingen van het voorgaande lid, moet de in artikel 134 bedoelde regel, voor wat het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreft, worden aangenomen met een meerderheid in elke taalgroep. »

De indiener verwijst naar de schriftelijke verantwoording van zijn amendement.

Amendement nr. 4 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 4 in (stuk Senaat, nr. 5-1752/2) dat ertoe strekt in het, door het 2º van het enig artikel, voorgestelde artikel 118, § 2, vierde lid, de laatste zin te doen vervallen.

De heer Laeremans verwijst naar de schriftelijke verantwoording van zijn amendement.

Amendement nr. 5 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 5 in (stuk Senaat, nr. 5-1752/2) dat ertoe strekt in het enig artikel het 3º te doen vervallen.

Amendement nr. 6 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 6 in (stuk Senaat, nr. 5-1752/2) dat ertoe strekt in de, door het 3º van het enig artikel voorgestelde, overgangsbepaling de eerste zin te vervangen door wat volgt : « Een wet, aangenomen met de meerderheid bepaald in artikel 4, laatste lid, bepaalt, na de verkiezingen voor het Europese Parlement van 2014, de dag waarop de bepalingen van paragraaf 2, eerste lid, voor wat het Parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreft, alsook paragraaf 2, vierde lid, in werking treden. »

De indiener verwijst naar de schriftelijke verantwoording van zijn amendement.

Stemmingen

De amendementen nrs. 1 tot 6 van de heer Laeremans worden achtereenvolgens verworpen met 9 tegen 4 stemmen.

Het enig artikel wordt aangenomen met 9 tegen 4 stemmen.

De herzieningsvoorstellen nrs. 5-499/1 en 5-1026/1 zullen worden ingetrokken.

2. Voorstel tot herziening van artikel 123, § 2, van de Grondwet, nr. 5-1753/1

Amendement nr. 1 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 1 in (stuk Senaat, nr. 5-1753/2) dat ertoe strekt artikel 123, § 2, van de Grondwet te vervangen als volgt :

« § 2. In afwijking van paragraaf 1 worden de samenstelling en de werking van de Regering van de Vlaamse Gemeenschap door het Parlement van de Vlaamse Gemeenschap bij decreet geregeld. Dat decreet wordt aangenomen volgens de meerderheidsregels die door dit Parlement bij decreet worden bepaald.

Een wet, aangenomen met de meerderheid bepaald in artikel 4, laatste lid, duidt de aangelegenheden aan betreffende de samenstelling en de werking van de Regering van de Franse Gemeenschap en de Regering van het Waalse Gewest, welke door hun Parlementen, elk voor zich, bij decreet of bij een in artikel 134 bedoelde regel worden geregeld, naargelang van het geval. Dat decreet en die in artikel 134 bedoelde regel moeten worden aangenomen met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen, op voorwaarde dat de meerderheid van de leden van het betrokken Parlement aanwezig is.

Een wet duidt de aangelegenheden aan betreffende de samenstelling en de werking van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap, welke door haar Parlement bij decreet worden geregeld. Dat decreet moet worden aangenomen met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen, op voorwaarde dat de meerderheid van de leden van het Parlement aanwezig is. »

De indiener verwijst naar zijn amendement nr. 1 op het voorstel nr. 5-1752/1.

De heer Laeremans dient vervolgens twee subsidiaire amendementen in (nrs. 2 en 3).

Amendement nr. 2 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 2 in (stuk Senaat, nr. 5-1753/2) dat ertoe strekt in het enig artikel de volgende wijzigingen aan te brengen :

a) het 1º doen vervallen;

b) in het 2º de zinsnede « de paragraaf wordt aangevuld met twee leden » vervangen door de zinsnede « de paragraaf wordt aangevuld met een nieuw lid »;

c) het in het 2º voorgestelde artikel 123, § 2, tweede lid, doen vervallen.

De indiener verwijst naar de schriftelijke verantwoording van zijn amendement.

Amendement nr. 3 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 3 in (stuk Senaat, nr. 5-1753/2) dat ertoe strekt in het 2º van het enig artikel het voorgestelde artikel 123, § 2, tweede lid, te vervangen door wat volgt : « Onverminderd de bepalingen uit het voorgaande lid, moet de in artikel 134 bedoelde regel, voor wat het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreft, worden aangenomen met een meerderheid in elke taalgroep. »

De indiener verwijst naar de schriftelijke verantwoording van zijn amendement.

Stemmingen

De amendementen nrs. 1, 2 en 3 van de heer Laeremans worden achtereenvolgens verworpen met 9 tegen 4 stemmen.

Het enig artikel wordt aangenomen met 9 tegen 4 stemmen.

De herzieningsvoorstellen nrs. 5-696/1 en 5-1027/1 zullen worden ingetrokken.

3. Voorstel van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, ter uitvoering van de artikelen 118 en 123 van de Grondwet, nr. 5-1754/1

a) Bespreking van de artikelen en stemmingen

Artikel 1

Over dit artikel worden geen opmerkingen gemaakt. Het wordt aangenomen met 9 tegen 4 stemmen.

Artikel 2

Amendement nr. 8 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 8 in (stuk Senaat, nr. 5-1754/4) dat ertoe strekt artikel 2 van het voorstel van bijzondere wet te doen vervallen. Dit artikel verleent constitutieve autonomie aan het Parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. De heer Laeremans is volstrekt gekant tegen die wijziging en stelt bijgevolg voor de bepaling te doen vervallen.

Amendement nr. 9 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 9 in (stuk Senaat, nr. 5-1754/4), subsidiair op amendement nr. 8 aanvult. Amendement nr. 9 geeft gevolg aan een opmerking van de Raad van State en beoogt in het door het voorgestelde lid, de verwijzing naar de artikelen 5bis en 5ter te doen vervallen. De Raad van State meent dat de verwijzing naar die artikelen overbodig is en tot een interpretatieprobleem zou kunnen leiden (zie stuk Senaat, nr. 5-1754/2, p. 9).

Met betrekking tot dit punt in het advies van de Raad van State legt de heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, de volgende verklaring af :

II. Opmerking van de Raad van State

Het voorgestelde tweede lid van artikel 4 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 voorziet erin dat de bevoegdheden die door het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest worden geregeld in toepassing van de artikelen 118, § 2, en 123, § 2, van de Grondwet, aangewezen worden in de bijzondere wet van 12 januari 1989 en dit onverminderd de toepassing van de artikelen 5bis en 5ter. Volgens de Raad van State zijn de woorden « , en dit onverminderd de toepassing van de artikelen 5bis en 5ter » overbodig (advies 52.273/AV, nr. 6). De Raad benadrukt dat het niet nodig is om in artikel 4, de artikelen 5bis en 5ter in herinnering te brengen opdat ze van rechtswege van toepassing zouden zijn. Bovendien houdt de Raad van State er rekening mee dat hun vermelding twijfel zou kunnen doen ontstaan aangaande hun toepasselijkheid op andere bepalingen van de bijzondere wet, waarin die artikelen niet in herinnering worden gebracht. De Raad van State meent bijgevolg dat de betreffende zinsnede dient te worden geschrapt.

Verantwoording

De indieners geven geen gevolg aan de suggestie van de Raad van State op dat punt. Door in artikel 4 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen uitdrukkelijk te bevestigen dat de artikelen 5bis en 5ter van dezelfde bijzondere wet van toepassing zijn op de ordonnanties die aangenomen worden door het Parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest in toepassing van de artikelen 118, § 2, en 123, § 2, van de Grondwet, willen de indieners van het voorstel van bijzondere wet elke discussie vermijden omtrent de toepasselijkheid van deze artikelen specifiek op de bijzondere ordonnanties die door het Parlement van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest aangenomen worden in uitvoering van de artikelen 118, § 2, en 123, § 2, van de Grondwet.

Het voorstel wijzigt de tekst van de artikelen 5bis en 5ter van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen overigens niet, zodat de verwijzing naar deze artikelen in artikel 4 van dezelfde bijzondere wet aldus — noch expliciet, noch impliciet — kan leiden tot een a contrario redenering. De stellers bevestigen hierbij nogmaals uitdrukkelijk dat dit ook geenszins de bedoeling is. »

De heer Verherstraeten bevestigt met deze reactie ook zijn eerdere verklaring over de standstillregeling.

Stemmingen

De amendementen nrs. 8 en 9 van de heer Laeremans worden achtereenvolgens verworpen met 9 tegen 4 stemmen.

Artikel 2 wordt aangenomen met 9 tegen 4 stemmen.

Artikel 3

Amendement nr. 10 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 10 in (stuk Senaat, nr. 5-1754/4) dat ertoe strekt artikel 3 te doen vervallen. De indiener verwijst naar zijn amendement nr. 8 op artikel 2.

Stemmingen

Amendement nr. 10 wordt verworpen met 9 tegen 4 stemmen.

Artikel 3 wordt aangenomen met 9 tegen 4 stemmen.

Artikel 4

Amendement nr. 11 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 11 in (stuk Senaat, nr. 5-1754/4), dat ertoe strekt artikel 4 te doen vervallen. De indiener verwijst naar zijn amendement nr. 8 op artikel 2.

Stemmingen

Amendement nr. 11 wordt verworpen met 9 tegen 4 stemmen.

Artikel 4 wordt aangenomen met 9 tegen 4 stemmen.

Artikel 5

Amendement nr. 1 van mevrouw Defraigne c.s.

Mevrouw Defraigne c.s. dient amendement nr. 1 in (stuk Senaat, nr. 5-1754/3), dat ertoe strekt om de nummering te vervangen van het nieuw in te voegen artikel in boek I, titel III, hoofdstuk 2, afdeling 1, van de bijzondere wet van 12 januari 1989.

De heer Deprez verklaart dat het amendement louter wetgevingstechnisch is en gevolg geeft aan een opmerking van de Raad van State.

Amendement nr. 12 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 12 in (stuk Senaat, nr. 5-1754/4), dat ertoe strekt artikel 5 te doen vervallen. De indiener verwijst naar zijn amendement nr. 8 op artikel 2.

Stemmingen

Amendement nr. 1 van mevrouw Defraigne c.s. wordt aangenomen met 9 tegen 4 stemmen.

Amendement nr. 12 van de heer Laeremans wordt verworpen met 9 tegen 4 stemmen.

Het aldus geamendeerde artikel 5 wordt aangenomen met 9 tegen 4 stemmen.

Artikel 6

Amendement nr. 2 van mevrouw Defraigne c.s.

Mevrouw Defraigne c.s. dient amendement nr. 2 in (stuk Senaat, nr. 5-1754/3), dat ertoe strekt om artikel 6 van het voorstel van bijzondere wet te vervangen.

De heer Deprez preciseert dat het voorgestelde artikel de bijzondere ordonnantiegever niet de mogelijkheid biedt om het totaal aantal zetels in het Brussels Parlement te wijzigen of om het aantal zetels te wijzigen dat wordt toegekend aan de kandidaten van de Franse taalgroep en aan de kandidaten van de Nederlandse taalgroep in het Brussels Parlement. Ook wanneer de bijzondere ordonnantiegever gebruik maakt van de mogelijkheid die het voorgestelde artikel hem biedt, om kieskringen in te stellen op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, blijft het totaal aantal zetels ongewijzigd, te weten negenentachtig, waarbij tweeënzeventig zetels worden toegekend aan de lijstengroepen van kandidaten van de Franse taalgroep en zeventien zetels aan de lijstengroepen van kandidaten van de Nederlandse taalgroep. Spreker meent dat het voorgestelde artikel bijgevolg verenigbaar is met artikel 20, § 2, van de bijzondere wet van 12 januari 1989.

De heer Laeremans vraagt nadere informatie over het voorgestelde artikel 14, zesde lid. Dat lid betreft het geval waarin een kieskring wordt ingesteld voor het hele grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Het amendement voorziet erin dat het aantal zetels wordt verdeeld tussen de Franse taalgroep en de Nederlandse taalgroep, met inachtneming van de verhoudingen tweeënzeventig op negenentachtig en zeventien op negenentachtig. Dat komt overeen met de huidige toestand. Vervolgens bepaalt het lid : « Indien het bij die verdeling verkregen aantal geen geheel getal is, wordt de overblijvende fractie afgerond (...). Het overschot van de zetels van elke taalgroep wordt vervolgens verdeeld tussen de overige kieskringen (...). »

De heer Laeremans denkt dat het einde van het lid geen doel dient. Aangezien er slechts één kieskring is, hoeft het overschot van de zetels niet te worden verdeeld tussen de overige kieskringen.

De heer Verherstraeten maakt de vergelijking met de toestand in het Vlaams Gewest, waar het mogelijk is één enkele kieskring tot stand te brengen voor het hele gewest, of een onderverdeling te maken in verscheidene kieskringen. In Vlaanderen heeft men een onderverdeling op basis van de provincies gemaakt.

Dezelfde logica wordt voorgesteld voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, waarbij ervoor wordt gezorgd dat de proportionele vertegenwoordiging in acht wordt genomen. Spreker verwijst in dat verband naar de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof.

De heer Laeremans begrijpt niet waarom moet worden voorzien in een regeling van verdeling van het overschot van de zetels tussen de andere arrondissementen, aangezien het zesde lid het geval betreft van één enkele kieskring voor het hele grondgebied van het gewest.

De heer Anciaux antwoordt dat de voorgestelde leden aanvullingen zijn bij artikel 14 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 zoals gewijzigd bij de bijzondere wetten van 13 juli 2001 en 27 maart 2006. Om de in het amendement voorgestelde wijzigingen goed te interpreteren, moet men de tekst van het amendement in de tekst van de basisbepaling voegen.

De heer Verherstraeten preciseert dat de constitutieve autonomie die in het eerste deel van de institutionele hervorming aan het Vlaams en het Waals Parlement werd toegekend, hun de mogelijkheid biedt naast de bestaande kieskringen, een kieskring tot stand te brengen die overeenkomt met het hele grondgebied van het gewest. Het amendement stelt voor om een identieke regeling in te stellen voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. In dat geval zal het mogelijk zijn die verschillende kieskringen naast elkaar te laten bestaan. Het amendement strekt om in dit geval te waarborgen dat de verdeelsleutel van tweeënzeventig zetels voor de Franse taalgroep en zeventien zetels voor de Nederlandse taalgroep geëerbiedigd wordt. Om die reden wordt een afrondingssysteem en een verdeling van het overschot van de zetels voorgesteld.

Amendement nr. 13 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 13 in (stuk Senaat, nr. 5-1754/4), dat ertoe strekt artikel 6 te doen vervallen.

De indiener denkt dat het idee om het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest in verscheidene kieskringen op te splitsen aan geen enkele objectieve noodzaak beantwoordt. Waarom dan die mogelijkheid scheppen ? Zijn er concrete plannen om verscheidene kieskringen tot stand te brengen ?

Spreker meent dat het niet opportuun is om het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest constitutieve autonomie te geven en verwijst voor het overige naar de opmerkingen van de Raad van State en naar de schriftelijke verantwoording van zijn amendement.

De heer Anciaux preciseert dat amendement nr. 2 van mevrouw Defraigne c.s. ertoe strekt om artikel 6 van het voorstel van bijzondere wet te vervangen, zodat rekening wordt gehouden met de opmerkingen van de Raad van State.

De heer Laeremans blijft ervan overtuigd dat het voorgestelde systeem complex en ontoepasbaar is.

Stemmingen

Amendement nr. 2 van mevrouw Defraigne c.s. wordt aangenomen met 9 tegen 4 stemmen.

Amendement nr. 13 van de heer Laeremans wordt verworpen met 9 tegen 4 stemmen.

Het aldus geamendeerde artikel 6 wordt aangenomen met 9 tegen 4 stemmen.

Artikel 7

Amendement nr. 3 van mevrouw Defraigne c.s.

Mevrouw Defraigne c.s. dient amendement nr. 3 in (stuk Senaat, nr. 5-1754/3), dat ertoe strekt artikel 7 van het voorstel van bijzondere wet te vervangen.

De heer Deprez verklaart dat het amendement van technische aard is. Het strekt ertoe om rekening te houden met de aanpassingen die in het Gerechtelijk Wetboek zijn aangebracht door de wet van 19 juli 2012 betreffende de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel

Amendement nr. 14 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 14 in (stuk Senaat, nr. 5-1754/4) dat ertoe strekt artikel 7 te doen vervallen.

De indiener verwijst naar de schriftelijke verantwoording van zijn amendement.

Stemmingen

Amendement nr. 3 van mevrouw Defraigne c.s. wordt aangenomen met 9 stemmen tegen 4.

Amendement nr. 14 van de heer Laeremans wordt verworpen met 9 stemmen tegen 4.

Het aldus geamendeerde artikel 7 wordt aangenomen met 9 stemmen tegen 4.

Artikel 8

Amendement nr. 15 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 15 in (stuk Senaat, nr. 5-1754/4) dat ertoe strekt artikel 8 te doen vervallen.

De indiener verwijst naar de schriftelijke verantwoording van zijn amendement.

Amendement nr. 15 wordt verworpen met 9 tegen 4 stemmen.

Artikel 8 wordt aangenomen met 9 tegen 4 stemmen.

Artikel 9

Amendement nr. 4 van mevrouw Defraigne c.s.

Mevrouw Defraigne c.s. dient amendement nr. 4 in (stuk Senaat, nr. 5-1754/3) dat ertoe strekt artikel 9 van het voorstel van bijzondere wet te vervangen.

De heer Deprez verklaart dat het amendement van technische aard is.

Amendement nr. 16 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 16 in (stuk Senaat, nr. 5-1754/4) dat ertoe strekt artikel 9 te doen vervallen.

De indiener verwijst naar de schriftelijke verantwoording van zijn amendement.

Stemmingen

Amendement nr. 4 van mevrouw Defraigne c.s. wordt aangenomen met 9 tegen 4 stemmen.

Amendement nr. 16 van de heer Laeremans wordt verworpen met 9 tegen 4 stemmen.

Het aldus geamendeerde artikel 9 wordt aangenomen met 9 tegen 4 stemmen.

Artikel 10

Amendement nr. 5 van mevrouw Defraigne c.s.

Mevrouw Defraigne c.s. dient amendement nr. 5 in (stuk Senaat, nr. 5-1754/3) dat ertoe strekt om in het voorgestelde artikel 28, laatste lid, de cijfers « 12/1 » en « 31/1 » respectievelijk te vervangen door de cijfers « 12ter » en « 31bis ».

De heer Deprez verklaart dat het amendement van technische aard is.

Amendement nr. 17 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 17 in (stuk Senaat, nr. 5-1754/4) dat ertoe strekt artikel 10 te doen vervallen.

De indiener verwijst naar de schriftelijke verantwoording van zijn amendement.

Stemmingen

Amendement nr. 5 van mevrouw Defraigne c.s. wordt aangenomen met 9 tegen 4 stemmen.

Amendement nr. 17 van de heer Laeremans wordt verworpen met 9 tegen 4 stemmen.

Het aldus geamendeerde artikel 10 wordt aangenomen met 9 tegen 4 stemmen.

Artikel 11

Amendement nr. 6 van mevrouw Defraigne c.s.

Mevrouw Defraigne c.s. dient amendement nr. 6 in (stuk Senaat, nr. 5-1754/3) dat ertoe strekt artikel 11 van het voorstel van bijzondere wet te vervangen.

De heer Deprez verklaart dat het amendement van technische aard is.

Amendement nr. 18 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 18 in (stuk Senaat, nr. 5-1754/4) dat ertoe strekt artikel 11 te doen vervallen.

De indiener verwijst naar de schriftelijke verantwoording van zijn amendement.

Stemmingen

Amendement nr. 6 van mevrouw Defraigne c.s. wordt aangenomen met 9 tegen 4 stemmen.

Amendement nr. 18 van de heer Laeremans wordt verworpen met 9 tegen 4 stemmen.

Het aldus geamendeerde artikel 11 wordt aangenomen met 9 tegen 4 stemmen.

Artikel 12

Amendement nr. 19 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 19 in (stuk Senaat, nr. 5-1754/4) dat ertoe strekt artikel 12 te doen vervallen.

De indiener verwijst naar de schriftelijke verantwoording van zijn amendement.

Stemmingen

Amendement nr. 19 wordt verworpen met 9 tegen 4 stemmen.

Artikel 12 wordt aangenomen met 9 tegen 4 stemmen.

Artikel 13

Amendement nr. 20 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 20 in (stuk Senaat, nr. 5-1754/4) dat ertoe strekt artikel 13 te doen vervallen.

De indiener verwijst naar de schriftelijke verantwoording van zijn amendement.

Stemmingen

Amendement nr. 20 wordt verworpen met 9 tegen 4 stemmen.

Artikel 13 wordt aangenomen met 9 tegen 4 stemmen.

Artikel 14

Amendement nr. 21 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient amendement nr. 21 in (stuk Senaat, nr. 5-1754/4) dat ertoe strekt artikel 14 te doen vervallen.

De indiener verwijst naar de schriftelijke verantwoording van zijn amendement.

Stemmingen

Amendement nr. 21 wordt verworpen met 9 tegen 4 stemmen.

Artikel 14 wordt aangenomen met 9 tegen 4 stemmen.

Artikel 15 (nieuw)

Amendement nr. 7 van mevrouw Defraigne c.s.

Mevrouw Defraigne c.s. dient amendement nr. 7 in (stuk Senaat, nr. 5-1754/3) dat ertoe strekt een artikel 15 in te voegen, luidende : « Art. 15. De punten 1 en 2 van artikel 7 treden op dezelfde dag in werking als artikel 638bis van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij artikel 41 van de wet van 19 juli 2012 betreffende de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel. »

De heer Deprez legt uit dat dit amendement in samenhang moet worden gelezen met amendement nr. 3, aangezien het ertoe strekt de tekst aan te passen aan de wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek zoals ingevoegd bij de wet van 19 juli 2012 betreffende de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel.

Amendement nr. 22 van de heer Laeremans

De heer Laeremans dient op amendement nr. 7 subamendement nr. 22 in (stuk Senaat, nr. 5-1754/4) dat ertoe strekt het voorgestelde artikel 15 (nieuw) te doen vervallen.

De indiener verwijst naar de schriftelijke verantwoording van zijn amendement.

Stemmingen

Amendement nr. 22 van de heer Laeremans wordt verworpen met 9 tegen 4 stemmen.

Amendement nr. 7 van mevrouw Defraigne c.s., dat een artikel 15 invoegt, wordt aangenomen met 9 tegen 4 stemmen.

b) Stemming over het geheel

Het aldus geamendeerde wetsvoorstel wordt in zijn geheel aangenomen met 9 tegen 4 stemmen.

4. Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap en van de wet van 6 juli 1990 tot regeling van de wijze waarop het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap wordt verkozen, ter uitvoering van de artikelen 118 en 123 van de Grondwet, nr. 5-1755/1

Het gemotiveerd advies dat het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap op 11 december 2012 met betrekking tot dit voorstel heeft uitgebracht, is opgenomen als bijlage bij dit verslag.

a) Artikelsgewijze bespreking en stemmingen

Artikelen 1 en 2

Deze artikelen, waarover geen verdere opmerkingen worden gemaakt, worden achtereenvolgens aangenomen met 9 tegen 4 stemmen.

Artikel 3

Amendement nr. 1 van mevrouw Defraigne c.s.

Mevrouw Defraigne c.s. dient amendement nr. 1 in (stuk Senaat, nr. 5-1755/3) dat ertoe strekt om, na advies van het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap, artikel 3 te vervangen.

Dit amendement wordt aangenomen met 9 tegen 4 stemmen.

Het aldus geamendeerde artikel 3 wordt aangenomen met 9 tegen 4 stemmen.

Artikel 4

Amendement nr. 2 van mevrouw Defraigne c.s.

Mevrouw Defraigne c.s. dient amendement nr. 2 in (stuk Senaat, nr. 5-1755/3) dat ertoe strekt in het voorgestelde artikel 10ter, § 5, de tweede zin te vervangen als volgt : « In dat geval voorziet het decreet in de bepalingen voor de vervanging van het lid van het Parlement. »

Dit amendement geeft gevolg aan het advies van het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap.

Amendement nr. 2 wordt aangenomen met 9 tegen 4 stemmen.

Het aldus geamendeerde artikel 4 wordt aangenomen met 9 tegen 4 stemmen.

Artikel 5

Amendement nr. 3 van mevrouw Defraigne c.s.

Mevrouw Defraigne c.s. dient amendement nr. 3 in (stuk Senaat, nr. 5-1755/3) dat ertoe strekt artikel 5 te vervangen.

Dit amendement geeft gevolg aan het advies van het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap.

Amendement nr. 3 wordt aangenomen met 9 tegen 4 stemmen.

Het aldus geamendeerde artikel 5 wordt aangenomen met 9 tegen 4 stemmen.

Artikel 6

Amendement nr. 4 van mevrouw Defraigne c.s.

Mevrouw Defraigne c.s. dient amendement nr. 4 in (stuk Senaat, nr. 5-1755/3) dat ertoe strekt artikel 6 te vervangen.

De heer Deprez verwijst naar de schriftelijke verantwoording van het amendement.

Amendement nr. 4 wordt aangenomen met 9 tegen 4 stemmen.

Het aldus geamendeerde artikel 6 wordt aangenomen met 9 tegen 4 stemmen.

Artikelen 7 en 8

Deze artikelen, waarover geen verdere opmerkingen worden gemaakt, worden achtereenvolgens aangenomen met 9 tegen 4 stemmen.

Artikel 8/1 (nieuw)

Amendement nr. 5 van mevrouw Defraigne c.s.

Mevrouw Defraigne c.s. dient amendement nr. 5 in (stuk Senaat, nr. 5-1755/3) dat ertoe strekt een nieuw artikel 8/1 in te voegen.

De heer Deprez verwijst naar de schriftelijke verantwoording van het amendement.

Amendement nr. 5, dat een artikel 8/1 invoegt (nieuw artikel 9), wordt aangenomen met 9 tegen 4 stemmen.

Artikel 8/2 (nieuw)

Amendement nr. 6 van mevrouw Defraigne c.s.

Mevrouw Defraigne c.s. dient amendement nr. 6 in (stuk Senaat, nr. 5-1755/3) dat ertoe strekt een nieuw artikel 8/2 in te voegen.

De heer Deprez verwijst naar de schriftelijke verantwoording van het amendement.

De heer Laeremans merkt op dat het voorliggende wetsvoorstel en de door de institutionele meerderheid ingediende amendementen gebaseerd zijn op het advies van het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap van 11 december 2012. Spreker vraagt waarom in dezen niet het advies van het Vlaams Parlement is gevraagd.

De heer Cheron wijst erop dat artikel 78 van de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap bepaalt dat een met redenen omkleed advies van het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap vereist is voor wijzigingen van de op het Duits taalgebied toepasselijke wetten en reglementaire besluiten.

De heer Laeremans betreurt dat enkel het wettelijk verplicht advies gevraagd werd.

De heer Mahoux merkt op dat de Duitstalige Gemeenschap bijkomende waarborgen gevraagd heeft betreffende de enige vertegenwoordiger die zij heeft in de Senaat.

Stemmingen

Amendement nr. 6, dat een artikel 8/2 (nieuw artikel 10) invoegt, wordt aangenomen met 9 tegen 4 stemmen.

Artikel 9 (nieuw artikel 11)

Met betrekking tot het advies van de Raad van State legt staatssecretaris Verherstraeten de volgende verklaring af :

« De Raad van State stelt vast dat hoewel artikel 9 van het wetsvoorstel het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap de bevoegdheid wil geven de kieskringen vast te stellen op basis waarvan zijn eigen verkiezing zal plaatsvinden, de prerogatieven en bevoegdheden waarover het Vlaams Parlement en het Waals Parlement beschikken op grond van artikel 28quater juncto artikel 29sexies, § 2, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, niet door dit wetsvoorstel worden opgenomen in de constitutieve autonomie van het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap.

De Raad van State begrijpt weliswaar dat het bepaalde in de in samenhang gelezen artikelen 28quater en 29sexies, § 2, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, voor zover het betrekking heeft op het geval dat lijsten zich over verschillende kieskringen van dezelfde provincie verbinden, niet onverkort getransponeerd kan worden naar de Duitstalige Gemeenschap en de verkiezingen voor het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap, die plaatsvinden binnen een kiesgebied — het Duitse taalgebied — dat geen volledige provincie omvat.

Volgens de Raad van State is het evenwel denkbaar dat niet dezelfde, maar in elk geval soortgelijke prerogatieven als die welke de in samenhang gelezen artikelen 28quater en 29sexies, § 2, aan het Waals Parlement en het Vlaams Parlement toekennen, zouden worden opgenomen in de constitutieve autonomie die aan het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap wordt toegekend. Gelet op hetgeen in de toelichting bij het wetsvoorstel en in de toelichtingen bij de voorstellen tot herziening van de artikelen 118, § 2, en 123, § 2, van de Grondwet gesteld wordt over het in principe analoge karakter van de constitutieve autonomie van respectievelijk het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap, het Waals Parlement en het Vlaams Parlement, is de Raad van State van mening dat deze kwestie hoe dan ook tijdens de parlementaire behandeling moet worden onderzocht.

Verantwoording

De opstellers van het wetsvoorstel onderstrepen dat, hoewel de bijzondere wetgever — meer in het bijzonder artikel 26 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen — het Vlaams Parlement en het Waals Parlement toestaat om de kieskringen vast te stellen op basis waarvan hun eigen verkiezingen zullen plaatsvinden, hij deze Parlementen niet in staat stelt de lijstverbinding tussen lijsten ingediend in verschillende kieskringen te regelen. De regel volgens welke de kandidaten op een lijst kunnen aangeven dat ze een lijstverbinding aangaan met de kandidaten op lijsten die in andere kieskringen zijn ingediend, wordt, wat de verkiezingen van het Vlaams Parlement en van het Waals Parlement betreft, voorzien door de bijzondere wetgever zelf — meer in het bijzonder door artikel 28quater van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. De opstellers menen bijgevolg dat het in principe analoge karakter van de constitutieve autonomie van respectievelijk het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap, het Waals Parlement en het Vlaams Parlement ertoe moet leiden dat de bevoegdheid om de lijstverbinding te regelen, en dit zelfs als het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap de bevoegdheid krijgt om, net als het Vlaams Parlement en het Waals Parlement, de kieskringen vast te stellen op basis waarvan zijn eigen verkiezing zal plaatsvinden, niet in de constitutieve autonomie van het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap wordt opgenomen. In de veronderstelling dat het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap zou beslissen om verschillende kieskringen te creëren op het Duitstalig grondgebied, zou de regel in verband met de lijstverbinding, net zoals wat de verkiezingen van het Vlaams Parlement en het Waals Parlement betreft, enkel door de federale wetgever kunnen worden voorzien.

Het Vlaams Parlement en het Waals Parlement kunnen echter, krachtens artikel 29sexies, § 2, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, de hoeveelheid stemmen wijzigen die een lijstverbinding moet behalen voor de aanvullende zetelverdeling wanneer de kandidaten op een lijst hebben gebruikgemaakt van de mogelijkheid waarin artikel 28quater van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen voorziet. Voor zover de toepassing van artikel 29sexies, § 2, die van artikel 28quater echter aanvult en geen enkele wettelijke bepaling momenteel voorziet in de toepassing van de lijstverbinding voor de verkiezingen van het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap, moet het prerogatief dat het Vlaams Parlement en het Waals Parlement genieten krachtens artikel 29sexies, § 2, van de bijzondere wet niet worden opgenomen in de constitutieve autonomie van het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap. »

Artikel 9 wordt zonder verdere commentaar als artikel 11 aangenomen met 9 tegen 4 stemmen.

Artikelen 10 tot 12 (nieuwe artikelen 12 tot 14)

Er worden geen opmerkingen gemaakt over deze artikelen, die achtereenvolgens aangenomen worden met 9 tegen 4 stemmen.

b) Stemming over het geheel

Het geamendeerde wetsvoorstel in zijn geheel wordt aangenomen met 9 tegen 3 stemmen, bij 1 onthouding.

De heer Laeremans verklaart zich bij de stemming over het geheel te hebben onthouden omdat hij niet gekant is tegen een bevoegdheidsuitbreiding voor de Duitstalige Gemeenschap maar wel tegen het geheel van de hervorming waarin de voorgestelde bevoegdheidsuitbreiding wordt ingebed. Die leidt immers tot de creatie van vier deelstaten waarbij Vlaanderen in de minderheid wordt gesteld.


Dit verslag werd eenparig goedgekeurd door de 15 aanwezige leden.

De rapporteurs, De voorzitster,
Martine TAELMAN. Gérard DEPREZ. Sabine de BETHUNE.

BIJLAGE


NEDERLANDSE VERTALING

PARLEMENT VAN DE DUITSTALIGE GEMEENSCHAP

11 DECEMBER 2012 — GEMOTIVEERD ADVIES

OVER HET WETSVOORSTEL TOT WIJZIGING VAN DE WET VAN 31 DECEMBER 1983 TOT HERVORMING DER INSTELLINGEN VOOR DE DUITSTALIGE GEMEENSCHAP EN VAN DE WET VAN 6 JULI 1990 TOT REGELING VAN DE WIJZE WAAROP HET PARLEMENT VAN DE DUITSTALIGE GEMEENSCHAP WORDT VERKOZEN, TER UITVOERING VAN DE ARTIKELEN 118 EN 123 VAN DE GRONDWET

Het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap heeft het volgende aangenomen :

In het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap is met een schrijven van 18 oktober 2012 het verzoek om een advies over de bovengenoemde voorstellen van wet (stuk Senaat, nrs. 5-1747/1 en 5-1755/1) binnengekomen. Aanvullend werd de evaluatie van thematisch verbonden voorstellen van bijzondere wet resp. voorstellen van wet (stuk Senaat, nrs. 5-1744/1, 5-1746/1 en 5-1748/1) aangevraagd, voor zover zij vallen onder artikel 78 van de wet over institutionele hervormingen voor de Duitstalige Gemeenschap. Ter informatie werden ook de andere voorstellen voor de herziening van de Grondwet resp. voor de wijziging van bijzondere wetten en wetten met betrekking tot de hervorming van de Senaat en de toekenning van de constitutieve autonomie voor de Duitstalige Gemeenschap en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest (stuk Senaat, nrs. 5-1720/1-5-1743/1, 5-1745/1 en 5-1749/1-5-1754/1) overgemaakt.

Het Parlement juicht de met het onderhavige wetspakket gezette verdere stap voor de omzetting van de institutionele overeenkomst betreffende de staatshervorming toe. Het Parlement herinnert in dit verband aan zijn beginselverklaring van 27 juni 2011 over de positionering van de Duitstalige Gemeenschap in het proces van de staatshervorming en de daarin vervatte eisen.

Het Parlement heeft besloten het verzoek om advies thematisch gescheiden te beantwoorden : enerzijds met het onderhavig gemotiveerd advies met het oog op de toekenning van de constitutieve autonomie, anderzijds met een advies met het oog op de hervorming van de Senaat.

Met betrekking tot het voorstel van wet tot wijziging van de wet van 31 december 1983 over institutionele hervormingen voor de Duitstalige Gemeenschap en van de wet van 6 juli 1990 ter regeling van de modaliteiten voor de verkiezing van het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap in uitvoering van de artikelen 118 en 123 van de Grondwet (stuk Senaat, nr. 5-1755/1) :

Het Parlement juicht uitdrukkelijk de met onderhavig voorstel tot wet toegekende constitutieve autonomie voor de Duitstalige Gemeenschap toe. Het Parlement ziet daarmee een sinds lang geëist aspect van de gelijkberechtiging met andere gemeenschappen en gewesten vaste vorm krijgen.

Voor de verdere aanpak mist het Parlement in de voorgestelde herzieningen van de artikelen 118 § 2, en 123 § 2 van de Grondwet en in het onderhavige voorstel van wet verwijzingen naar de inwerkingtreding. Het Parlement dringt daarom aan op een snelle inwerkingtreding van de regelingen om de constitutieve autonomie voor de Duitstalige Gemeenschap ook realiteit te laten worden.

Het Parlement zou graag nog verwijzen naar enkele formele aspecten :

— in artikel 4 van het onderhavige voorstel, dat een artikel 10ter § 5 in de wet van 31 december 1983 invoegt, moet de tweede zin duidelijker worden geformuleerd (bijvoorbeeld « In dit geval voorziet het decreet een regeling voor de vervanging van het parlementslid. »);

— artikel 6 van het onderhavige voorstel, dat artikel 45 in de afdeling voor de werking van het Parlement in de wet van 31 december 1983 opnieuw invoert, bevat logisch verwijzingen naar regelingen voor de werking van de Parlementen in de bijzondere wet over institutionele hervormingen van 8 augustus 1980; de in hetzelfde artikel voorziene verwijzingen naar de werking van de Regering mogen hier echter niet staan, want zij zijn al in het huidige artikel 51 van de wet van 31 december 1983 voorhanden. Deze artikel zou evenwel nog met verwijzingen naar artikel 37 lid 1 en artikel 68 lid 2 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 aangevuld kunnen worden.

Het Parlement wijst er daarenboven op dat het het onderhavige advies heeft uitgebracht zonder kennis te hebben van het advies van de Raad van State, waaruit andere opmerkingen zouden kunnen blijken.

DOOR HET PARLEMENT VAN DE DUITSTALIGE GEMEENSCHAP AANGENOMEN

Eupen, 11 december 2012.