5-1673/3

5-1673/3

Belgische Senaat

ZITTING 2011-2012

9 JULI 2012


Ontwerp tot invoeging van een artikel 157bis in de Grondwet

Wetsontwerp betreffende de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt en de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, ten gevolge van de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel


Evocatieprocedure


Wetsvoorstel tot oprichting van een gerechtelijk arrondissement Halle-Vilvoorde, van Nederlandstalige en Franstalige rechtbanken in het arrondissement Brussel en van het hof van beroep te Leuven


VERSLAG NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE INSTITUTIONELE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR MEVROUW TARGNION EN DE HEER ANCIAUX


I. INLEIDING

Op 21 juni 2012 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers de drie volgende ontwerpen aangenomen :

— het ontwerp tot invoeging van een artikel 157bis in de Grondwet, met 106 tegen 40 stemmen (stukken Kamer, nrs. 53-2141/1-5);

— het verplicht bicameraal wetsontwerp betreffende de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel, met 106 stemmen, bij 40 onthoudingen (stukken Kamer, nrs. 53-2140/1-9);

— het optioneel bicameraal wetsontwerp tot wijziging van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt en de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, ten gevolge van de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel, met 106 tegen 40 stemmen (stuk Kamer, nr. 53-2280/1). De Kamer heeft dit ontwerp afgesplitst van het wetsontwerp nr. 53-2140/1 omdat dit laatste verplicht bicameraal ontwerp bepalingen bevatte die onder de door artikel 78 van de Grondwet bepaalde wetgevingsprocedure vallen.

Deze drie ontwerpen vloeien voort uit twee voorstellen die op 4 april 2012 werden ingediend door vertegenwoordigers van de acht partijen die op 11 oktober 2011 het Institutioneel akkoord voor de Zesde Staatshervorming hebben gesloten.

De drie ontwerpen werd op 22 juni 2012 overgezonden aan de Senaat, waarbij het optioneel bicameraal ontwerp onmiddellijk werd geëvoceerd. Dezelfde dag werden de drie teksten naar de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden verzonden.

De commissie heeft de drie ontwerpen samen met het wetsvoorstel nr. 5-755/1 van de heren Laeremans en Ceder besproken tijdens haar vergaderingen van 26, 27 en 29 juni en 3 juli 2012, in aanwezigheid van de heer Servais Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming.

Het voorliggende verslag werd op 9 juli 2012 ter goedkeuring aan de commissie voorgelegd.

II. PROCEDURE

A. Aanwijzing van de rapporteurs

De heer Cheron draagt mevrouw Targnion en de heer Anciaux voor als rapporteur.

De heer Pieters stelt voor om ook de heer Vanlouwe als rapporteur aan te stellen.

Het eerste voorstel wordt aangenomen met 8 stemmen bij 3 onthoudingen.

Het voorstel om de heer Vanlouwe als derde rapporteur aan te wijzen, wordt verworpen met 8 tegen 3 stemmen.

B. Aanwezigheid van de minister van Justitie

De heer Vanlouwe eist dat de minister van Justitie de bespreking van de vier voorliggende teksten bijwoont. Het wetsontwerp betreffende de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel staat immers in nauw verband met de plannen van de regering om het gerechtelijk landschap volledig te hertekenen. Een van de sleutelelementen daarin betreft de schaalvergroting van de gerechtelijke arrondissementen die zouden samenvallen met de tien provincies, Eupen en Brussel, waardoor hun aantal zou worden verminderd van 27 naar 12.

Terecht rijst dan ook de vraag in welke mate die twee hervomingsplannen met elkaar in overeenstemming zijn. Het is bijgevolg de evidentie zelf dat de minister van Justitie de bespreking van de voorliggende ontwerpen bijwoont.

De heer Moureaux vestigt de aandacht op een andere evidentie, namelijk dat de regering één en ondeelbaar is. De standpunten die de staatssecretaris voor Staatshervorming in deze commissie inneemt, binden de volledige regering. De regering is dus vertegenwoordigd. Daarbij komt dat de voorliggende ontwerpen voortvloeien uit in de Kamer ingediende voorstellen en dus geen regeringsinitiatieven zijn.

De heer Cheron schaart zich achter die zienswijze.

De heer Vanlouwe kan geen vrede nemen met een dergelijk nietszeggend antwoord. Hij wenst van de minister van Justitie zelf te vernemen of de twee wetsontwerpen in overeenstemming zijn met de door de regering geplande hervorming van het gerechtelijk landschap. Een ander onderwerp waarover hij van haar een antwoord verwacht, betreft de voorgestelde werklastmeting (art. 57 van het wetsontwerp nr. 5-1674/1).

De heren Anciaux en Delpérée hameren nog eens op het principe dat de regering één en ondeelbaar is. Alle standpunten die de staatssecretaris voor Staatshervorming bij de bespreking van de voorliggende ontwerpen inneemt, vertolken vanzelfsprekend de mening van de regering en binden dus ook de minister van Justitie.

De heer Delpérée voegt daaraan toe dat de oppositie bij de bespreking van het wetsontwerp tot wijziging van het Kieswetboek, wat betreft het stemrecht van de Belgen in het buitenland (stuk Senaat, nr. 5-1672/1), niet heeft geëist dat de minister van Buitenlandse Zaken aanwezig zou zijn.

De heer Laeremans steunt het verzoek van de heer Vanlouwe. Voor een ontwerp van een dergelijke omvang met een dergelijke budgettaire impact is het niet verantwoord dat de regering wordt vertegenwoordigd door een staatssecretaris. Daarvoor is een minister vereist. Die heeft, in tegenstelling tot de staatssecretaris, zitting in de Ministerraad waardoor zijn of haar stem zwaarder weegt.

De heer Tommelein spreekt zijn volste vertrouwen uit in de staatssecretaris die met betrekking tot dit ontwerp ook namens de liberale fractie spreekt. In tegenstelling tot andere bevoegdheidsniveaus, spreken de federale regering en haar leden met één stem. Voorts mag men niet uit het oog verliezen dat de drie ontwerpen voortvloeien uit een parlementair initiatief.

De heer De Decker verklaart dat hij zou kunnen meegaan met het verzoek van de heer Vanlouwe indien deze ontwerpen zouden zijn uitgegaan van de regering, in casu van de minister van Justitie, en naar de commissie voor de Justitie zouden zijn verwezen. Quod non. Het gaat hier om een institutionele hervorming die logischerwijs naar de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden is verwezen.

De heer Vanlouwe herinnert eraan dat zijn fractie had voorgesteld deze ontwerpen in de commissie voor de Justitie te bespreken, maar dat het Bureau van de Senaat dat heeft verworpen. Ten gronde blijft de vraag hoe de voorgestelde hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel te rijmen valt met de door de minister van Justitie aangekondigde hertekening van het gerechtelijk landschap, waarbij het aantal gerechtelijke arrondissementen zal worden verminderd van 27 naar 12. Aangezien alleen de minister van Justitie daarop het antwoord heeft, dient zij daarover in de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden uitsluitsel te geven.

De heer Tommelein begrijpt de achterdocht van de N-VA die op een ander bevoegdheidsniveau wordt geconfronteerd met een regering die in verspreide slagorde aantreedt. De federale regering eerbiedigt echter de principes van loyauteit en eenheid, hetgeen betekent dat wanneer het ene regeringslid iets zegt, de andere ook heeft gesproken. Dus wat staatssecretaris Verherstraeten verklaart, bindt minister van Justitie Turtelboom.

De heer Beke merkt op dat er de laatste decennia geregeld sprake is geweest van een grootscheepse gerechtelijke hervorming. Daarbij werd de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel, met de splitsing van het parket en de opdeling van de zetel, telkens voorgesteld als het sluitstuk van die globale hervorming. De beide kwesties staan dus nauw met elkaar in verband. Maar het Institutioneel akkoord voor de Zesde Staatshervorming maakt deel uit van het regeerakkoord en bindt dus ook de minister van Justitie die dat deel van het akkoord zal moeten uitvoeren. De inkanteling van de ene hervorming in de andere, met onder andere de werklastmeting, behoort derhalve tot haar bevoegdheid. De hervorming van Justitie is niet mogelijk zonder de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel. In die zin is er een verband. Maat het eerste is een regeringsverantwoordelijkheid, terwijl het tweede zijn oorsprong vindt in een parlementair initiatief en noodzakelijk is om die eerste grootscheepse hervorming te realiseren.

De heer Anciaux heeft twee opmerkingen. Hij vindt het vreemd dat een wetsontwerp, aangenomen door de Kamer en in behandeling in de Senaat, door sommige leden als ondergeschikt aan de eventuele plannen van de minister van Justitie wordt beschouwd. Een wetsontwerp dat al door de Kamer is goedgekeurd, is echter belangrijker.

Het spreekt bijgevolg vanzelf dat de minister van Justitie rekening zal moeten houden met de wet die door het federale Parlement zal worden aangenomen. De plannen van de minister van Justitie zullen bijgevolg moeten overeenstemmen met de wetten die in de huidige legislatuur worden goedgekeurd. Spreker gaat er niet van uit dat de minister plots plannen gaat uitvoeren die in strijd zouden zijn met de wet betreffende de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde.

Ten tweede merkt spreker op dat iedereen vragende partij is voor een hervorming van de gerechtelijke arrondissementen die een betere samenwerking mogelijk maakt. Dit mag echter geen afbreuk doen aan de wens van de institutionele meerderheid om voor Brussel-Halle-Vilvoorde te opteren voor een ontdubbeling van de zetel en een splitsing van het parket. De minister van Justitie zal die bezorgdheid moeten naleven.

Met betrekking tot het probleem van de eventuele interferentie van de voorliggende wetsontwerpen met de toekomstige hertekening van het gerechtelijk landschap, verwijst de heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, naar het regeerakkoord. De in de onderhavige wetsontwerpen vervatte principes, die trouwens op de kern werden besproken, interfereren op geen enkele manier met die grootscheepse hervorming. Het is niet de bedoeling van de regering om, na de goedkeuring van deze wetsontwerpen, nog te raken aan de grenzen van het parket Brussel en het parket Halle-Vilvoorde.

Het is de ambitie van de minister van Justitie om andere gerechtelijke arrondissementen samen te voegen, maar dat geldt niet voor het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde en het administratief arrondissement Brussel.

De heer Laeremans is van oordeel dat er wel degelijk een samenhang bestaat tussen de wetsontwerpen en de geplande hertekening van het gerechtelijk landschap. Het is immers de bedoeling om de gerechtelijke arrondissementen per provincie te groeperen. Met deze hervorming saboteert men die mogelijkheid omdat men Halle-Vilvoorde grondwettelijk vastklinkt aan Brussel. Op die manier mist Vlaams-Brabant de trein van de modernisering naar één provinciale structuur van haar rechtbanken en parketten.

Hoe gaat de minister van Justitie de hergroepering van de arrondissementen op provinciale leest verzoenen met de voorliggende wetsontwerpen ?

Spreker meldt eveneens dat hij een aantal vragen heeft voorbereid over de budgettaire impact van deze hervorming op de rechtbanken en de parketten, evenals op de magistraten. Hij heeft begrip voor het feit dat de staatssecretaris daar niet onmiddellijk op kan antwoorden. Hij wenst echter wel dat de staatssecretaris zich engageert om, na beraadslaging met de minister van Justitie, deze informatie op de volgende vergadering aan de commissie te bezorgen.

De heer Vanlouwe noteert dat de meerderheidspartijen de garantie geven dat tijdens deze legislatuur niet meer zal worden geraakt aan de wijzigingen die via deze hervorming zullen worden goedgekeurd.

Verder stelt hij vast dat de heer Laeremans gelijk heeft wanneer hij stelt dat de hervorming van het gerechtelijk landschap tot doel heeft de gerechtelijke arrondissementen op provinciale leest te schoeien. 27 gerechtelijke arrondissementen is inderdaad te veel en op zich is de hervorming dus een goede zaak.

Spreker herinnert er echter aan dat de paarse regering in 2002 had beslist om de kiesarrondissementen ook op provinciale leest te schoeien, met uitzondering van Brussel-Halle-Vilvoorde. Die beslissing heeft aanleiding gegeven tot het arrest nr. 73/2003 van het Grondwettelijk Hof met alle gevolgen van dien. Hij kan zich niet ontdoen van de indruk dat de huidige regering dezelfde stap zet en opnieuw een halfslachtige oplossing creëert die een verschillende situatie creëert in Halle-Vilvoorde dan in de andere gerechtelijke arrondissementen.

Aangezien de minister van Justitie niet aanwezig kan zijn, vraagt hij de staatsecretaris te bevestigen dat men effectief naar 11 arrondissementen gaat. Of gaan we naar 12 arrondissementen, gelet op de specifieke situatie van Halle-Vilvoorde ?

De staatssecretaris antwoordt dat het niet de bedoeling kan zijn om vandaag het debat te voeren over de hertekening van het gerechtelijk landschap. Daarover zal later worden gedebatteerd in Kamer en Senaat.

Het verzoek om de minister van Justitie uit te nodigen om meer uitleg te geven bij de toekomstige hervorming van de gerechtelijke arrondissementen wordt verworpen met 10 tegen 3 stemmen.

III. TOELICHTING BIJ DE ONTWERPEN EN HET WETSVOORSTEL

A. Ontwerp tot invoeging van een artikel 157bis in de Grondwet (stuk Senaat, nr. 5-1673/1)

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, verklaart dat het Institutioneel akkoord van 11 oktober 2011 in een belangrijke hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel voorziet.

Met deze hervorming wordt voorzien in een functionele en efficiënte benadering van de justitie in het gerechtelijk arrondissement Brussel, zowel in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad als in het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde, met specifieke waarborgen voor de rechten van zowel Nederlandstaligen als Franstaligen in dit arrondissement.

Bepaalde elementen van deze hervorming werden door de indieners van het oorspronkelijke wetsvoorstel als dermate essentieel geacht, dat zij in de toekomst slechts met een bijzondere meerderheid zullen kunnen worden aangepast.

Het ontwerp tot invoering van een artikel 157bis in de Grondwet, dat vorige week door de Kamer van volksvertegenwoordigers werd goedgekeurd, wil hieraan vorm geven.

Het Institutioneel akkoord van 11 oktober 2011 bepaalde reeds uitdrukkelijk dat de essentiële elementen van de hervorming met betrekking tot het gebruik der talen in gerechtszaken in het gerechtelijk arrondissement van Brussel (Halle-Vilvoorde), alsook de ermee overeenstemmende aspecten inzake parket, zetel en rechtsgebied slechts door de bijzondere meerderheid bedoeld in artikel 4, laatste lid, van de Grondwet kunnen worden gewijzigd.

Deze grondwettelijke verankering wordt gerechtvaardigd door de vaststelling dat deze hervorming betrekking heeft op de kern van de grote evenwichten die ten grondslag liggen aan de communautaire vrede — naar analogie van wat voorzien is in andere bepalingen van de Grondwet die ook betrekking hebben op die grote evenwichten.

In de toelichting bij het ontwerp worden deze « essentiële elementen » gepreciseerd. Aangezien het huidige ontwerp samen wordt behandeld met de wetsontwerpen tot hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel zijn deze elementen aldus reeds gekend door de Grondwetgever op het moment dat hij zich moet uitspreken over de huidige grondwetsherziening.

De « essentiële elementen » zijn, zoals gezegd, geïdentificeerd in de toelichting bij het voorstel tot herziening van de Grondwet.

Tijdens de besprekingen in de Kamer werd gesteld dat er geen gevolg wordt gegeven aan de suggestie van de Raad van State om « het wetsvoorstel op te splitsen in twee delen, waarbij in het eerste alle bepalingen worden samengebracht die betrekking hebben op de « essentiële elementen » en in het tweede alle andere bepalingen ».

Men mag niet uit het oog verliezen dat het wetsontwerp essentieel betrekking heeft op wijzigingsbepalingen van het Gerechtelijk Wetboek en de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. Het is niet mogelijk a priori te bepalen of elke latere wijziging van de wetsbepalingen die de essentiële elementen wettelijk vertalen, noodzakelijk moet worden beschouwd als een essentieel element van de hervorming. Evenmin betekent een latere wijziging van een andere wetsbepaling die dermate nauw verbonden is met deze elementen, dat zij bij gewone wet zou kunnen worden gewijzigd, indien zij deze essentiële elementen met betrekking tot het gebruik der talen in gerechtszaken in het gerechtelijk arrondissement Brussel, of een van de ermee overeenstemmende aspecten inzake het parket, de zetel en het rechtsgebied op de helling zet. Het is in functie van het voorwerp en de strekking van een latere wijziging dat zal dienen te worden uitgemaakt of deze wijziging al dan niet het voorwerp moet vormen van een bij bijzondere meerderheid aan te nemen wet.

De staatssecretaris verwijst naar de toelichting bij het oorspronkelijke voorstel, waar de zeven essentiële elementen op limitatieve wijze worden opgesomd.

Het huidige ontwerp voorziet aldus in de invoeging van een artikel 157bis in de Grondwet.

Door haar voorwerp dient deze grondwettelijke bepaling in werking te treden op de dag van de inwerkingtreding van de wet betreffende de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel.

Om die reden wordt in het ontwerp dan ook voorzien in een overgangsbepaling.

Artikel 61, eerste lid, van het wetsontwerp tot hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel voorziet deze inwerkingtreding concreet zodra elk van de nieuwe kaders en elk van de taalkaders voor 90 % ingevuld zijn, overeenkomstig de artikelen 57 tot 60 van het voornoemde wetsontwerp. Het vervuld zijn van de 90 %-voorwaarde wordt conform artikel 61, tweede lid, vastgesteld door de Koning; de bepalingen van de wet zijn in hun geheel van toepassing de eerste dag van de tweede maand die volgt op de bekendmaking van dit koninklijk besluit in het Belgisch Staatsblad.

B. Wetsontwerp betreffende de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel (stuk Senaat, nr. 5-1674/1)

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt en de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, ten gevolge van de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel (stuk Senaat, nr. 5-1675/1)

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, verklaart dat beide wetsontwerpen door de Kamer van volksvertegenwoordigers werden aangenomen in de plenaire zitting van 21 juni jongstleden.

Er werd al jaren gediscussieerd over de organisatie van het gerechtelijk arrondissement Brussel.

Het akkoord over de zesde staatshervorming wil deze discussie oplossen, door het arrondissement grondig te hervormen. Deze hervorming raakt aan de kern van het grote evenwicht waarop de communautaire vrede steunt. Dat is de reden waarom de essentiële elementen van dit evenwicht krachtens artikel 157bis van de Grondwet, dat samen met de reeds vermelde wetsontwerpen zal worden goedgekeurd, alleen gewijzigd kunnen worden door een wet aangenomen met een bijzondere meerderheid.

De huidige wetsontwerpen hebben tot doel het institutioneel akkoord nauwgezet te vertalen. Daarin staat het volgende :

— de ontdubbeling van de zetel voor alle 54 gemeenten die het huidige arrondissement Brussel vormen;

— de splitsing van het parket van Brussel in twee parketten, een parket bevoegd voor het administratief arrondissement Brussel en een parket bevoegd voor het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde;

— de aanpassing van bepaalde regels in de wet betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken.

Wat de ontdubbeling van de zetel betreft

In het institutioneel akkoord staat :

« De rechtbank van eerste aanleg, de rechtbank van koophandel, de arbeidsrechtbank en de arrondissementsrechtbank zullen ontdubbeld worden in een Franstalige en een Nederlandstalige rechtbank die voor heel het gerechtelijk arrondissement van Brussel, samengesteld uit de 54 gemeenten van Brussel-Halle-Vilvoorde, bevoegd zijn.

Het rechtsgebied van het gerechtelijk arrondissement van Brussel blijft identiek. De verdelingsregels van de zaken onder de Franstalige en Nederlandstalige rechtbanken blijven identiek als die welke voor de huidige verdeling van de Franstalige en Nederlandstalige kamers gelden, uitgezonderd de bijgewerkte regels inzake verandering van taal en verwijzing en onverminderd de bestaande wetgeving op het taalgebruik in gerechtszaken van 15 juni 1935 en de toepassing ervan.

Wat de politierechtbank betreft, zal alleen die van Brussel ontdubbeld worden. ».

Deze ontdubbeling van de gerechten voor het hele arrondissement Brussel gaat gepaard met een wijziging van verschillende bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek en de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken.

De wijzigingen in het Gerechtelijk Wetboek die betrekking hebben op de ontdubbeling van de zetel liggen meer bepaald aan de basis van de artikelen 2 tot 10, 28, 30, 32, 33 en 35 van het wetsontwerp.

Het gaat er eigenlijk om dat de verschillende rechtbanken ontdubbeld worden (zie meer bepaald de artikelen 4, 7, 8, 20 en 39 van het wetsontwerp). Vervolgens dienen de relaties tussen de ontdubbelde rechtbanken en parketten nader gedefinieerd te worden (zie meer bepaald de artikelen 3, 17, 18, 29, ...).

Ten slotte is het de bedoeling om de verbanden vast te leggen tussen de vredegerechten, de politierechtbanken en de deurwaarders en de ontdubbelde rechtbanken, voor de verschillende materies (zie meer bepaald de artikelen 6, 28, 30, 32, 33, 34, 35, 39, 40).

Het institutioneel akkoord herdefinieert tevens de voorwaarden voor tweetaligheid bij de magistraten en het personeel van de griffies. Er wordt gesteld : « Een derde van de magistraten van de Franstalige rechtbanken en een derde van de magistraten van de Nederlandstalige rechtbanken (met inbegrip van de twee politierechtbanken van Brussel) zullen tweetalig zijn (functionele tweetaligheid). De korpschefs van de rechtbanken zullen een grondige kennis van de andere taal moeten hebben ».

Die voorwaarden zijn opgenomen in de artikelen 57 tot 60 van het wetsontwerp, waardoor de wet van 15 juni 1935 in die zin wordt gewijzigd.

Het institutioneel akkoord trekt de ontdubbeling van de rechtbanken door naar de samenstelling van de personeelsformaties, door te bepalen :

« Er zal een apart taalkader worden opgericht voor de Nederlandstalige rechtbanken en voor de Franstalige rechtbanken. In afwachting van het vastleggen van de kaders volgens onder andere de werklastmeting zullen het Nederlandstalige kader en het Franstalige kader van de politierechtbank, van de arbeidsrechtbank en van de rechtbank van eerste aanleg overeenstemmen met respectievelijk 20 % en 80 % van het huidige kader, met inbegrip van de toegevoegde magistraten. Wat de rechtbank van koophandel betreft, zal deze verdeling 40 % N en 60 % F van het huidige kader bedragen, met inbegrip van de toegevoegde magistraten.

Deze tweetaligheidsvereisten en de aangepaste kaders zullen ook voor de griffies en het gerechtelijk personeel gelden.

De ontbrekende betrekkingen zullen onmiddellijk vacant verklaard en bekendgemaakt worden. De inwerkingtreding van de hervorming zal effectief zijn zodra de nieuwe kaders voor 90 % zullen zijn ingevuld. De overtallige betrekkingen zullen geleidelijk aan uitdoven (zij die vertrekken zullen niet worden vervangen) ».

Al deze elementen staan vervat in de artikelen 57 tot 60 van het wetsontwerp, die bovendien bijkomende overgangsmaatregelen invoeren met als doel te voorkomen dat de hervorming de goede werking van het gerecht in Brussel zou belemmeren, terwijl de betrokken partijen toch worden aangespoord om die hervorming zo snel mogelijk door te voeren.

In het bijzonder werd voorzien dat, met betrekking tot de magistraten in de Nederlandstalige rechtbanken, vanaf de inwerkingtreding van de hervorming, een aanwerving opnieuw mogelijk is tot 27 % van het bestaande kader. Een monitoringcomité zal bovendien deze overgang begeleiden teneinde gerechtelijke achterstand te vermijden, met desgevallend bijkomende maatregelen, zoals bijvoorbeeld de inzet van toegevoegde magistraten.

Wat betreft de splitsing van het parket

Het institutioneel akkoord bepaalt dat « Het parket zal worden gesplitst in een parket van Brussel bevoegd voor het grondgebied van de 19 gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest en een parket van Halle-Vilvoorde bevoegd voor het grondgebied van Halle-Vilvoorde.

Het parket van Halle-Vilvoorde zal worden samengesteld uit 20 % van het huidige kader van het parket van Brussel (= BHV) met inbegrip van de toegevoegde magistraten. Binnen drie jaar na de invoering van de hervorming zal, op vraag van een van beide betrokken procureurs des Konings, de relevantie van dit percentage kunnen worden geëvalueerd.

In afwachting van het vastleggen van de kaders, onder andere volgens de werklastmeting, zal het parket van Brussel voortaan samengesteld zijn uit een vijfde Nederlandstaligen en vier vijfde Franstaligen. De werklastmeting zal er niet toe mogen leiden dat het respectieve aantal magistraten in elke taalgroep vermindert. Op het geheel van de magistraten zal een derde tweetalig zijn (functionele kennis).'

Deze splitsing wordt vormgegeven door artikel 15 en artikel 18 van het ontwerp, en door de voorgestelde invulling van de magistraten over beide parketten en de bepalingen inzake taalkaders, zoals bepaald in de artikelen 57, 62 en 63.

Het institutioneel akkoord herdefinieert eveneens de taalkennisvereisten op het niveau van de magistraten en het parketpersoneel : « Het parket van Halle-Vilvoorde is samengesteld uit Nederlandstalige magistraten waarvan 1/3e tweetalig is. »

Deze vereisten zijn opgenomen in de artikelen 57, 59 en 60 van het ontwerp.

Het institutioneel akkoord voorziet in een detacheringssysteem van Franstalige magistraten naar het parket van Halle-Vilvoorde in volgende termen : « Met het oog op het prioritair behandelen van de Franstalige zaken zullen functioneel tweetalige Franstalige magistraten, overeenstemmend met 1/5 van het aantal Nederlandstalige magistraten van H/V, van het parket van Brussel gedetacheerd worden. Zij zullen deze zaken behandelen zodra de verdachte voor de Franse taal zal hebben gekozen. Zij staan onder het gezag van de Procureur des Konings van Halle- Vilvoorde voor wat de uitvoering van het strafrechtelijk beleid betreft, maar onder het hiërarchisch gezag van de Procureur des Konings van Brussel. Om deze detachering te compenseren zal men bij het vastleggen van het nieuwe kader van het parket van Brussel rekening houden met het aantal gedetacheerde magistraten. »

Deze regeling wordt vorm gegeven in de artikelen 14, 15 en 18 van het ontwerp met betrekking tot de definitie van de bevoegdheden van deze gedetacheerde magistraten en in artikel 57 met betrekking tot hun taalkennisvereisten en inrekening in de kaders.

Het institutioneel akkoord bepaalt verder dat « Voor de taalkundige verdeling bij zowel het parket van Brussel als dat van Halle-Vilvoorde, zullen de huidige beginselen als vermeld in de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken van toepassing zijn.

Een Nederlandstalige procureur des Konings met een grondige kennis van het Frans zal het parket van Halle-Vilvoorde leiden.

Een procureur des Konings van de andere taalrol met een grondige kennis van de andere taal zal het parket van Brussel leiden. Een adjunct-procureur van een andere taalrol dan die van de procureur des Konings en met een grondige kennis van de andere taal staat hem bij.

De tweetaligheidsvereisten en de aangepaste kaders zullen ook voor de parketsecretariaten en voor het gerechtelijk personeel van toepassing zijn.

De ontbrekende betrekkingen zullen onmiddellijk vacant verklaard en bekendgemaakt worden. De inwerkingtreding van de hervorming zal effectief zijn zodra de nieuwe kaders voor 90 % zullen zijn ingevuld. De overtallige betrekkingen zullen uitdoven (zij die vertrekken zullen niet worden vervangen). »

Deze verscheidene elementen zijn opgenomen in de artikelen 57 en volgende van het ontwerp.

Het institutioneel akkoord bepaalt ten slotte :

« Er zal een coördinatiecomité worden opgericht om het overleg tussen het parket van Brussel en het parket van Halle-Vilvoorde te verzekeren, meer bepaald wat betreft de samenwerkingsmodaliteiten van de twee parketten en de detachering van de Franstalige magistraten in Halle-Vilvoorde. »

Het coördinatiecomité, diens opdrachten en functioneren worden geregeld in artikel 16 van het ontwerp.

De aanwijzing van een bestuurlijke directeur-coördinator en een gerechtelijke directeur-coördinator, alsmede een afzonderlijk veiligheidsoverleg in de beide administratieve arrondissementen, maken delen uit van het afzonderlijk geëvoceerde wetsontwerp.

Wat de aanpassing van de wet op het gebruik der talen in gerechtszaken betreft

Het institutioneel akkoord bepaalt eerst in het algemeen : « De bestaande rechten van het geheel van de rechtsonderhorigen in het gerechtelijk arrondissement Brussel blijven integraal gevrijwaard, zodat de mogelijkheden tot het wijzigen van de taal, zoals op heden voorzien in de taalwetgeving en haar toepassing, met betrekking tot verweerders met woonplaats in het gerechtelijk arrondissement Brussel, en in het bijzonder met betrekking tot verweerders woonachtig in de gemeenten met een bijzonder taalregime, onverkort blijven bestaan.

De wetgeving van 1935 over het gebruik der talen blijft onveranderd, uitgezonderd de onderstaande nadere regels, die nodig zijn om enerzijds de huidige taalrechten van de Franstaligen van Halle-Vilvoorde en van de Nederlandstaligen van Brussel te vrijwaren, en om rekening te houden met de specificiteit van de zes randgemeenten anderzijds.

De huidige mogelijkheden om te verzoeken om van taal te veranderen zullen worden behouden, maar in voorkomend geval zal deze vraag in een vraag tot doorverwijzing worden omgezet, dit rekening houdend met de ontdubbeling van de rechtscolleges ».

Het voorziet vervolgens specifiek in verschillende wijzigingen waartoe men moet overgaan. Die wijzigingen hebben hoofdzakelijk betrekking op :

— de in gemeenschappelijk akkoord gevraagde taalwijziging of doorverwijzing;

— de vrijwillige verschijning voor de rechtbank van zijn keuze;

— de beperking van de appreciatiebevoegdheid van de rechter in geval van een aanvraag tot taalwijziging of doorverwijzing op eenzijdig verzoek van de verweerder;

— de instelling van een specifiek beroep tegen de beslissingen die een aanvraag tot taalwijziging of doorverwijzing weigeren.

Ten eerste, bepaalt het institutioneel akkoord :

« Voor de Nederlandstalige of Franstalige rechtscolleges van het gerechtelijk arrondissement Brussel kunnen de partijen in gemeenschappelijk akkoord vragen om van taal te veranderen of om te worden doorverwezen. De rechter doet ambtshalve recht aan deze vraag door onmiddellijk een beslissing uit te spreken.

Voor het geheel van de gerechtelijke arrondissementen van het land zal een nieuwe procedure met betrekking tot de vraag tot taalwijziging of de verwijzing, beide in gemeenschappelijk akkoord, in het leven worden geroepen. De vraag in gemeenschappelijk akkoord wordt ingediend bij de griffie van de betrokken rechtbank. Een schriftelijke procedure wordt ingeleid bij de magistraat. De rechter neemt binnen een termijn van 15 dagen een beschikking. Bij gebrek aan een beslissing binnen deze termijn geldt het gebrek aan beslissing als doorverwijzing of het aanvaarden van de verandering van taal. De griffie betekent de beschikking, of het gebrek aan beschikking, aan de partijen en in voorkomend geval aan de rechtbank waarnaar de zaak wordt verwezen. ».

Die nieuwe rechtspleging wordt vastgesteld in artikel 50 van het ontwerp.

Ten tweede bepaalt het institutioneel akkoord dat : « Wanneer de partijen op het grondgebied van de 19 gemeenten van Brussel of van de 35 gemeenten gedomicilieerd zijn, zullen de partijen vrijwillig voor de rechtbank van de taal van hun keuze kunnen verschijnen. Daartoe zal aan artikel 7 van de wet van 15 juni 1935 toegevoegd worden : « In afwijking van de voorafgaande leden, wanneer de partijen in een van de 54 gemeenten van het gerechtelijk arrondissement van Brussel gedomicilieerd zijn en indien zij, na het ontstaan van het geschil, een onderlinge overeenstemming bereiken voor wat de taal van de rechtspleging betreft, kunnen zij krachtens artikel 706 van het Gerechtelijk Wetboek vrijwillig voor de bevoegde Nederlandstalige of Franstalige rechtbanken van hun keuze verschijnen of er een gezamenlijk verzoekschrift indienen. »

Deze procedure van vrijwillige verschijning, uitgezonderd in die gevallen van territoriale bevoegdheidsbepalingen van openbare orde, wordt geregeld in artikel 52 van het ontwerp.

Ten derde, wijst het institutioneel akkoord erop dat : « Daarenboven zal in burgerlijke zaken voor de verweerders die in de 6 randgemeenten en de 19 gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest gedomicilieerd zijn, de appreciatiebevoegdheid van de rechter in het kader van een aanvraag tot taalwijziging en/of doorverwijzing voor alle rechtscolleges beperkt zijn tot de volgende twee motieven : wanneer de taalverandering tegengesteld is aan de taal van de meerderheid van de pertinente dossierstukken of aan de taal van de arbeidsverhouding.

Voor de administratieve overheden blijft de toestand ongewijzigd. Zij blijven, wanneer zij een aanvraag indienen om te veranderen van taal of om door te verwijzen, onderworpen aan de op de taalkennis gebaseerde appreciatiebevoegdheid van de magistraat. ».

Die beperking van de bevoegdheid van de rechter is terug te vinden in de artikelen 47, 49 en 51 van het ontwerp.

Ten vierde bepaalt het institutioneel akkoord dat : « In geval van schending van deze rechten en procedurele waarborgen, zal een onmiddellijk beroepsrecht en met volle rechtsmacht voor de verenigde N- en F-arrondissementsrechtbanken worden ingesteld. Bij staking van stemmen geeft de stem van de voorzitter de doorslag. Het voorzitterschap van dit college wordt alternerend waargenomen door een Franstalige en een Nederlandstalige magistraat, volgens een bij het begin van elk gerechtelijk jaar vastgelegde rol. De procedure zal een procedure zoals in kort geding zijn. ».

Deze beroepsprocedure, die van toepassing is op de beslissingen van de burgerlijke rechtbanken en die van de politierechtbanken van Brussel en Halle-Vilvoorde, wordt georganiseerd in de artikelen 9 en 55, die respectievelijk het Gerechtelijk Wetboek en de wet van 15 juni 1935 wijzigen.

Wat betreft de overgangsmaatregelen en inwerkingtreding

Hoofdstuk 5 van het ontwerp voorziet in de inwerkingtreding en bijzondere overgangsmaatregelen, inzonderheid wat betreft het personeel bij de griffies en parketsecretariaten, die een efficiënte overgang benaarstigen.

C. Wetsvoorstel tot oprichting van een gerechtelijk arrondissement Halle-Vilvoorde, van Nederlandstalige en Franstalige rechtbanken in het arrondissement Brussel en van het hof van beroep te Leuven (van de heren Bart Laeremans en Jurgen Ceder) (stuk Senaat, nr. 5-755/1)

De heer Laeremans verklaart dat het wetsvoorstel oorspronkelijk een reactie was op de nota van Bart De Wever, die gebaseerd was op het wetsvoorstel van senator Hugo Vandenberghe c.s. (zie stuk Senaat, nr. 4-133/1).

De heer Laeremans wenst in eerste instantie aan te tonen dat het perfect mogelijk is een billijke, redelijke en werkbare splitsing te realiseren die ervoor zorgt dat de Nederlandstaligen in Halle-Vilvoorde en in Brussel werkbare rechtbanken krijgen. Het eindresultaat is niet enkel voordelig voor de inwoners van Halle-Vilvoorde, maar ook voor alle inwoners van Brussel. Het voorstel gaat immers uit van een zeker status-quo en is bedoeld om te voorzien in een alternatief waar de leden van de commissie zonder enig gezichtsverlies mee akkoord zouden kunnen gaan. Spreker hoopt de commissie vandaag te kunnen overtuigen van het nut van zijn wetsvoorstel.

Zo worden in zijn voorstel de faciliteiten voor de Franstaligen in de zes faciliteitengemeenten niet afgeschaft. Ze zijn wettelijk gegarandeerd, zelfs gebetonneerd. Ze worden wel gekanaliseerd richting Nederlandstalige rechtbanken in Halle-Vilvoorde, waardoor in beroep zal moeten gereageerd worden, in het Frans, op vonnissen die geveld zijn, in het Frans, in de vredegerechten van de drie betrokken kantons. Dit getuigt van een realistische aanpak en van het doortrekken van de bestaande situatie.

Voor de zaken die wel veranderd kunnen worden, voorziet senator Laeremans in een herstructurering van het bestaande systeem, dat compatibel kan zijn met de voorstellen inzake het gerechtelijk landschap die momenteel door de regering en de minister van Justitie worden voorbereid.

Volgens de heer Laeremans heeft het voorliggende dossier jammer genoeg steeds in de schaduw gestaan van de splitsing van de kieskring, ongetwijfeld vanwege de complexiteit ervan. Rechtbanken zijn voor vele mensen een ondoorzichtig kluwen waarover weinig transparantie bestaat. Het taalgebruik bij parket en rechtbanken wordt geregeld door de monumentale « Wet op het gebruik der talen in gerechtszaken » uit 1935, die echter door weinigen gekend is. Diegenen die deze materie beheersen zijn over het algemeen personen die pleiten voor een status-quo, zoals magistraten en advocaten. De politieke wereld heeft dit steeds voor zich uit geschoven, waardoor nooit enige beweging in dit dossier kwam.

Toch was dit dossier prangend, in de eerste plaats wegens de inwoners van Halle-Vilvoorde, en de taalmoeilijkheden die zich voordeden, bijvoorbeeld in de contacten tussen parket en politie. Veel parketmagistraten zijn immers eentalig Frans en kunnen bijgevolg niet behoorlijk communiceren met de politie.

De criminaliteit in Halle-Vilvoorde wordt stiefmoederlijk behandeld, waardoor een gevoel van straffeloosheid heerst. Kleinere criminaliteit wordt door het parket van Brussel als minder essentieel gezien. Hieraan werd voor een stuk geremedieerd via een aparte sectie binnen het Brusselse parket, maar het gevoel van straffeloosheid blijft bestaan. Daarnaast blijft het een feit dat Halle-Vilvoorde, met ongeveer 600 000 inwoners vergelijkbaar met het arrondissement Dendermonde, een volwaardig arrondissement zou kunnen zijn.

Het parket werkt slecht en inefficiënt vanwege het zeer uitgestrekte ambtsgebied en een zeer verscheiden wetgeving. De verschillende gewesten en gemeenschappen en de provincies zorgen voor een ingewikkeld kluwen. Het gevolg daarvan zijn de massale seponeringen, die in Brussel ongeveer 80 % bedragen, op kleine criminaliteit wordt zeer traag gereageerd en het gerechtelijk arrondissement heeft een negatieve audit gehad. De situatie is op een aantal vlakken verbeterd door de komst van de heer Bulthé als procureur des Konings, maar er blijft nog steeds een zeer hoog seponeringscijfer en een sterk gevoel van straffeloosheid. Dat heeft te maken met de slechte situatie van het Brussels parket, wat overigens door procureur Bulthé zelf wordt toegegeven, die bij herhaling om meer parketmagistraten heeft gevraagd om de situatie te verbeteren.

De huidige situatie staat volgens de heer Laeremans haaks op de politiestructuur, die meer provinciaal georiënteerd is. De gouverneur heeft er een sturende rol, maar kan dit niet naar behoren doen in Brussel-Halle-Vilvoorde omdat hij dan buiten zijn ambtsgebied zou optreden. Bovendien is de strafwetgeving mettertijd steeds meer gaan verschillen omdat de culturen uiteengroeien. Alleen dit is al een reden om naar verschillende systemen te gaan.

Ook de rechtbanken staan niet echt bekend om hun goede werking. Zij kennen een grote achterstand, overigens één van de redenen waarom de Franstaligen vragende partij zijn voor een hervorming. Er zijn veel te weinig tweetalige magistraten, wat zijn gevolgen heeft voor de werking van de rechtbanken want er kan niet naar behoren gecommuniceerd worden. Minder tweetalige magistraten betekent ook dat er meer een beroep moet worden gedaan op tolken, waardoor de procedures trager en minder efficiënt verlopen, wat zorgt voor een langere doorlooptijd.

Naast deze algemene problemen is er bovendien het Brussels imperialisme dat zich ook in gerechtszaken laat voelen. Halle-Vilvoorde wordt door de taalwet van 1935 beschouwd als een eentalig gebied, en daar mag volgens de heer Laeremans niet aan geraakt worden. Dat blijkt ook uit de balie en de asymmetrische splitsing van de balie die voltrokken is begin jaren '80 van de vorige eeuw. Er is een balie van Brussel, bevoegd voor Halle-Vilvoorde, die de « Nederlandse Orde van Advocaten bij de balie van Brussel » heet. De Nederlandse Orde van Brussel had 2483 advocaten in totaal, waarvan er 1912 kantoor in Brussel hielden en slechts een goede 500 in Halle-Vilvoorde. Daardoor is de balie van Brussel, zonder Halle-Vilvoorde, groter dan die van Antwerpen. De Franstaligen zijn verenigd in de « Franse Orde ». De Franse Orde stelt dit ter discussie doordat zij 2 eentalige rechtbanken wenst voor hetzelfde grondgebied, dus over de 54 gemeenten. Zij wenst namelijk klanten te werven in Halle-Vilvoorde.

Ook in het wetsvoorstel Maingain (zie stuk Kamer, nr. 53-423/1), dat de Franstaligen twee maal winst zou opleveren, speelt het Brussels imperialisme. Niet enkel zou het aantal tweetalige magistraten verminderd worden van 2/3 naar 1/3, maar bovendien zou Halle-Vilvoorde beschouwd worden als een onderdeel van Brussel, waar de Franstalige rechtbank op een identieke manier bevoegd zou zijn voor Halle-Vilvoorde als de Nederlandstalige.

Er zijn in het verleden een aantal gemiste kansen geweest om deze hervorming door te voeren. De heer Laeremans verwijst naar het Vlaamse regeerakkoord van 2004, waar de toenmalige Vlaamse meerderheidspartijen CD&V/N-VA, Sp.a-Spirit en VLD zich uitdrukkelijk engageerden tot de « onverwijlde » splitsing van zowel gerecht als kieskring. Uiterlijk, zo stond in dat regeerakkoord, bij het begin van het parlementaire jaar (dus oktober 2004) zouden de Vlaamse meerderheidspartijen gezamenlijk een wetsvoorstel indienen tot splitsing van het gerechtelijk arrondissement én dit voorstel onverwijld goedkeuren. Er is echter nooit een gezamenlijk wetsvoorstel ingediend. Wel was er sinds augustus 2003 een voorstel (stuk Senaat, nr. 4-133/1) van CD&V-senator Hugo Vandenberghe. Dit was echter geen gezamenlijk voorstel en bevatte zware tekortkomingen.

In zijn regeringsverklaring van oktober 2004 gaf premier Verhofstadt aan PS-minister Onkelinx de keuze tussen een volledige splitsing en een decentralisatie van een gedeelte van de rechtbank naar Halle-Vilvoorde, wat Halle-Vilvoorde tot een soort aanhangsel van Brussel zou maken. Minister Onkelinx heeft geen enkele poging ondernomen om dit dossier in beweging te zetten. Wel slaagde zij er als Justitieminister in de tweetaligheidsvereisten voor de griffiebedienden af te zwakken, waardoor het niveau van de taalexamens voor het gros van de personeelsleden van de Brusselse rechtbanken drastisch naar beneden is gegaan zodat daar veel meer Franstaligen benoemd konden worden (70 % van het griffiepersoneel in eerste aanleg en beroep was tot in 2004 Nederlandstalig).

Drie jaar eerder had zich onder minister Verwilghen een vergelijkbaar verhaal afgespeeld, maar dan voor een drastische versoepeling van de taalexamens en voor de benoeming van vijfentwintig eentalige « toegevoegde » rechters en van zeventien parketmagistraten buiten kader.

Later onderhandelden onder impuls van Justitieminister Stefaan De Clerck negen partijen uit meerderheid en oppositie in het kader van het zogenaamde Atomium-overleg over een modernisering van de gerechtelijke structuren. De kwestie B-H-V werd uit het overleg geweerd. Op 31 maart 2010 werd binnen de regering-Leterme een akkoord gesloten, waarbij de rechtbanken van eerste aanleg op provinciale basis zouden worden georganiseerd, maar waarbij de rechtbanken van koophandel en de arbeidsrechtbanken zouden worden georganiseerd volgens het grondgebied van het hof van beroep. De eentalige Leuvense rechtbanken zouden op deze manier opgeslorpt worden door de tweetalige Brusselse rechtbanken. Niet alleen zou zo'n ingewikkelde structuur volkomen onwerkbaar zijn, bovendien betekende dit voor de Vlamingen een grote stap achteruit in plaats van vooruit. Gelukkig verdween dit akkoord met de val van de regering-Leterme in de prullenmand.

Dan is er het idee van de asymmetrische splitsing van BHV, dat onder meer bleek uit het « Verslag aan de Koning » van Bart De Wever. Hij baseerde zich op het oude wetsvoorstel-Vandenberghe c.s. (zie stuk Senaat, nr. 4-133/1), maar voegde er een aantal zaken aan toe. De organisatie en de werking van de rechtbanken zouden in handen komen van de Gemeenschappen, met uitzondering evenwel van de Brusselse rechtbanken welke volledig federaal zouden blijven. Het huidige voorstel ziet de rol van de Gemeenschappen veel beperkter en voorziet enkel in een soort injunctierecht inzake hun materies en een stem in het college voor procureurs-generaal.

Het voorstel van Bart De Wever werd echter zeer sterk ondermijnd door het voorstel om Brussel asymmetrisch te splitsen. Brussel bleef als gevolg daarvan federaal, wat de heer Laeremans perfect aanvaardbaar vindt. Een gesplitste justitie waarbij Vlaanderen, met uitzondering van Brussel autonoom, Wallonië autonoom en enkel Brussel federaal geregeld wordt, is geen slecht idee. Justitie zou immers bij uitstek een federale materie kunnen blijven binnen een rest-België. Indien Brussel in dit stramien gehouden wordt, dan mag Halle-Vilvoorde echter zeker niet afgesplitst worden van de rest van Vlaanderen. Dat is essentieel. Door dat wel te doen komt er een ander justitiebeleid voor Halle-Vilvoorde dan in de rest van Vlaanderen. Halle-Vilvoorde zou voor een stuk, op justitieel vlak, uit Vlaanderen losgeweekt worden. Er zijn alternatieven nodig en mogelijk, reden waarom de heer Laeremans zijn wetsvoorstel heeft uitgewerkt.

Het is in elk geval een feit dat een asymmetrische splitsing elke latere stap naar meer diepgaande autonomie inzake justitie afblokt. Met een asymmetrische splitsing wordt eigenlijk bedoeld dat de Vlaamse rechtbank bevoegd zou zijn voor Brussel-Halle-Vilvoorde en de Franstalige voor Brussel. Dit was het idee van de heer Vandenberghe dat werd overgenomen door de heer De Wever. Zelfs dan bestaat er nog steeds een zeer ingewikkeld systeem dat wel beter is dan het huidige, maar als model eigenlijk heeft afgedaan.

Het voorstel van de heer Vandenberghe wordt om die reden door spreker in zijn wetsvoorstel bekritiseerd. Het voorziet immers in het behoud van het gerechtelijk arrondissement, wat de heer Laeremans niet wenst. Het volgt het principe van de balie door in een Franstalige rechtbank te voorzien voor Brussel en in een Nederlandstalige voor Brussel-Halle-Vilvoorde. Tegelijk wordt in een parket voorzien voor Halle-Vilvoorde bij de Nederlandstalige rechtbank. Daar wordt de splitsing dus volledig doorgevoerd. Het parket voor Brussel zou zich bij de Franstalige rechtbank bevinden, met een Franstalige procureur. De Brusselse procureur is steeds Franstalig en oefent de strafvordering uit bij de Franstalige rechtbank van Brussel.

Het voorstel van de heer Vandenberghe houdt ook een fout parallellisme in tussen Brussel en Halle-Vilvoorde. De Brusselse Nederlandstaligen krijgen een soort uitzonderingsstatuut, want de Vlaamse parketmagistraten van Halle-Vilvoorde zouden in het voorstel van de heer Vandenberghe de vordering uitoefenen voor de Nederlandstaligen uit Brussel. Het tweetalige parket van Brussel zou niet meer op gelijke basis werken voor Nederlandstaligen en Franstaligen in Brussel. Vlamingen in Brussel zouden een soort van ersatz-systeem krijgen waarbij ze eigenlijk aan Halle-Vilvoorde gekoppeld worden. Het parket van Brussel zou daardoor grondig verfransen. Het zou perfect anders kunnen, door het parket van Brussel te laten functioneren bij een Nederlandstalige rechtbank.

De heer Vandenberghe schoof onder andere het argument naar voren dat de symbiose tussen Brussel en zijn economisch hinterland moet gevrijwaard worden.

De heer Laeremans voert daartegen in dat deze symbiose veelvuldig misbruikt wordt voor de uitbreiding van Brussel. Het hinterland moet bovendien ergens stoppen en het arrondissement houdt volgens spreker op aan de provinciegrens en a fortiori aan de gewestgrenzen. Een gewest heeft bovendien een andere regelgeving en een ander beleid.

Verder is er het argument van de verzwakking van de Vlaamse posities in Brussel bij een integrale splitsing. Dit is volgens de heer Laeremans een vermeende verzwakking en werd door hem nooit als een afdoende argument beschouwd. Ten eerste is de Nederlandse Orde (de Vlaamse advocaten bij de Brusselse rechtbank) na de splitsing de grootste Vlaamse balie van het land. De marginalisering van de Brusselse magistraten zou kunnen worden voorkomen door een aparte Nederlandstalige rechtbank in Brussel, die de concurrentie kan aangaan met de Franstalige rechtbank. Inwoners van Brussel zijn niet steeds duidelijk Nederlands- of Franstalig en moeten dus op een gegeven ogenblik kiezen welke rechtbank zij wensen. In die zin kan gezonde concurrentie misschien zorgen voor een betere rechtsbedeling.

De heer Laeremans pleit voor een volledige splitsing van het gerechtelijke arrondissement Brussel in twee verschillende arrondissementen. Volgens spreker is deze splitsing om volgende redenen verantwoord :

— Met meer dan 580 000 inwoners is Halle-Vilvoorde in omvang het zesde arrondissement van het land. Bovendien is het een belangrijke economische speler, die vergelijkbaar is met het arrondissement Gent;

— Dankzij een volledige splitsing wordt het mogelijk op efficiëntere wijze dan bij een complexe asymmetrische splitsing, die het arrondissement Brussel handhaaft, een einde te maken aan het Brussels Franstalig imperialisme;

— Het is de trend het gerecht op provinciaal niveau te organiseren. De heer Laeremans merkt op dat dit reeds het geval is voor de organisatie van het hof van assisen en de fiscale geschillen. Vlaams-Brabant moet dus als een volwaardige provincie worden behandeld;

— Een asymmetrische splitsing zou Vlaanderen beletten voluit voor het gerechtelijk beleid in Halle-Vilvoorde bevoegd te worden en zou elke nieuwe vooruitgang naar Vlaamse autonomie inzake Justitie in de kiem smoren;

— Indien men vandaag tot een onvolledige splitsing overgaat, zal men opnieuw een lange strijd moeten voeren voor een volgende volledige splitsing, die eens te meer veel tijd en energie zal vergen;

— De integrale splitsing van het arrondissement is mogelijk zonder de Nederlandstalige of Franstalige Brusselaars schade te berokkenen. Zo'n splitsing zou integendeel voor beide taalgroepen gunstig zijn.

De heer Laeremans pleit bijkomend voor een splitsing van het rechtsgebied van het hof van beroep van Brussel en de oprichting van het hof van beroep van Leuven. Die innoverende oplossing zou dus drie verschillende hoven van beroep tot stand brengen in Vlaanderen : het hof van beroep van Antwerpen, het hof van beroep van Gent en het hof van beroep van Leuven. Dat laatste zou bevoegd zijn voor Limburg en Vlaams-Brabant.

De argumenten voor dat voorstel zijn de volgende :

— Het regeerakkoord van de regering Leterme van 31 maart 2010 voorzag in de organisatie van de rechtbanken van koophandel en van de arbeidsrechtbanken per rechtsgebied. De rechtbanken van het rechtsgebied Leuven zouden dus worden opgeslorpt door de tweetalige Brusselse rechtbanken. De enige manier om zo'n reorganisatie te beletten, is de arrondissementen Halle-Vilvoorde en Leuven van een nieuw hof van beroep te laten afhangen;

— Mocht Vlaanderen bevoegd worden voor de werking en de organisatie van de rechtbanken en de gerechtshoven, met als enige uitzondering Brussel, dan is het van kapitaal belang dat Vlaams-Brabant dezelfde regeling kan genieten als de vier andere provincies;

— Limburg vraagt al jarenlang een eigen hof van beroep, zodat het niet meer afhankelijk is van het hof van beroep van Antwerpen. De oprichting van een nieuw hof van beroep in Leuven kan een aanvaardbare tussenoplossing zijn. Leuven is niet alleen gemakkelijker bereikbaar dan Antwerpen, het doel zou ook zijn dat het hof van beroep zitting houdt in Hasselt, zoals de arbeidsrechtbank het al doet. Op die manier krijgt het nieuwe rechtsgebied Vlaams-Brabant/Limburg met 1,8 miljoen inwoners een vergelijkbare omvang met de hoven van beroep van Antwerpen(1,7 miljoen inwoners) en Gent (2,6 miljoen inwoners);

— De oprichting van een derde hof van beroep in Vlaanderen is verantwoord in het licht van de taalverhoudingen in ons land. De aanwezigheid van drie hoven van beroep in Vlaanderen, van twee hoven in Wallonië en van een tweetalig hof in Brussel beantwoordt aan de 60/40-verhouding in België. Die verhouding wordt ook weerspiegeld in het college van procureurs-generaal, met een samenstelling die voortaan bepaald wordt op basis van een 4/3-verhouding, in plaats van op basis van taalpariteit (er rekening mee houdend dat de federale procureur eveneens zitting heeft in het college van procureurs-generaal).

De heer Laeremans geeft toe dat de oprichting van een nieuw hof van beroep niet conform artikel 156 van de huidige Grondwet is. Dat artikel is niet voor herziening vatbaar verklaard, maar dat is voor spreker geen onoverkomelijk probleem, aangezien artikel 195 betreffende de herziening van de Grondwet wel voor herziening vatbaar is verklaard.

Tot besluit vat de heer Laeremans de krachtlijnen van onderhavig voorstel samen :

Betreffende het nieuwe hof van beroep van Leuven :

— Halle-Vilvoorde zal, met Leuven en Limburg, een nieuw rechtsgebied vormen dat bijna 1,8 miljoen inwoners zal tellen;

— Het hof van beroep van Leuven zal zitting houden in Leuven, Hasselt en Asse (Halle-Vilvoorde). Het zal 35 raadsheren tellen (14 magistraten afkomstig van Antwerpen en 21 magistraten van Brussel);

— Het parket-generaal zal uit 17 magistraten bestaan (6 magistraten afkomstig van Antwerpen, 7 magistraten van Brussel en 4 nieuwe magistraten);

— Het arbeidshof zal uit 8 raadsheren bestaan (4 magistraten afkomstig van Antwerpen, 2 magistraten van Brussel en 2 nieuwe magistraten);

— Het auditoraat-generaal zal uit 4 magistraten bestaan (2 magistraten afkomstig van Antwerpen, 1 van Brussel en 1 nieuwe magistraat);

— Er zijn dus amper 7 nieuwe magistraten nodig om dat nieuwe hof van beroep van Leuven op te richten.

Betreffende het hof van beroep van Brussel :

— Het rechtsgebied van het hof van beroep en het arbeidshof van Brussel zal worden beperkt tot het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (19 gemeenten), het rechtsgebied van het hof van beroep van Bergen, dat tot dusver alleen Henegouwen bestreek, wordt uitgebreid tot Waals-Brabant;

— Door die maatregel zou de bevolking van het rechtsgebied van het hof van beroep van Brussel met 57 % afnemen (van 2,482 miljoen inwoners naar 1,053 miljoen). Hoewel er dan slechts 43 % van de inwoners van het huidige rechtsgebied overblijft, behoudt het hof van beroep niettemin 64 % van zijn magistraten. Die voor Brussel zeer voordelige maatregel neemt ook de specifieke bevoegdheden van dat hof en de ruimere taken waarmee de rechtbanken in stedelijk gebied worden geconfronteerd, in aanmerking. Bovendien is de aanwezigheid van Nederlandstalige magistraten gewaarborgd;

— Het hof zal uit twee afzonderlijke taalafdelingen bestaan;

— Een vierde van de betreffende magistraten (25 %) moeten houder zijn van een diploma afgegeven in de Nederlandse taal (hoewel spreker het eens kan zijn met een verhouding van 80 % Franstaligen/20 % Nederlandstaligen in het welbepaalde geval van dit rechtsgebied, een criterium dat overigens in het onderwijs wordt toegepast);

— De ambten van voorzitter van het hof van beroep en van het arbeidshof, van procureur-generaal en van federaal procureur worden om beurt door Franstaligen en Nederlandstaligen bekleed;

— Alle magistraten moeten het bewijs leveren dat ze minstens een passieve kennis hebben van de andere nationale taal en twee derde (in plaats van 1/3) van hen moeten het bewijs leveren dat ze voldoende kennis hebben van de andere taal;

— Het hof van beroep zou in die nieuwe configuratie niet meer uit 32 Franstalige magistraten en 30 Nederlandstalige magistraten bestaan, maar uit 27 Franstalige magistraten en 9 Nederlandstalige magistraten. 21 Nederlandse en 5 Franstalige magistraten zouden aldus respectievelijk naar Leuven en Bergen worden verplaatst.

Wat het arrondissement Brussel betreft :

— Het arrondissement Brussel wordt beperkt tot het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (19 gemeenten);

— De rechtbanken en parketten van Brussel zullen 90 % van hun personeel behouden, hoewel het aantal rechtzoekenden met 36 % vermindert.

— De toestand van de (tweetalige) vredegerechten blijft ongewijzigd;

— Er komen afzonderlijke politierechtbanken met een 25 %/75 % verdeling, die beantwoordt aan de werklast van de Nederlandstalige en de Franstalige magistraten;

— Er worden eentalige Franstalige en Nederlandstalige politierechtbanken, arbeidsrechtbanken, rechtbanken van eerste aanleg en rechtbanken van koophandel opgericht;

— Aangezien het om eentalige rechtbanken gaat, worden de taalvereisten versoepeld (een derde tweetaligen in elke rechtbank, in plaats van twee derde), hoewel in een tweetalige stad idealiter alle magistraten tweetalig zouden moeten zijn;

— Elke rechter die alleen zitting houdt (Nederlandstalig of Franstalig) zal steeds zijn kennis van de tweede taal moeten bewijzen, want hij moet in staat zijn stukken te lezen van een dossier dat in een andere taal is opgesteld;

— In het geval van een collegiale kamer moet minstens een van de drie rechters die kennis hebben;

— Ten minste de helft van de personeelsformaties van de griffies moet eveneens die kennis bezitten;

— Ten minste een vierde van de parketmagistraten zullen Nederlandstalig zijn en ten minste een vierde Franstalig. De rest van de personeelsformatie zal worden aangevuld met de beschikbare, Franstalige of Nederlandstalige magistraten;

— Tevens zullen de procureur en de eerste substituut met de hoogste rang afwisselend Franstalig en Nederlandstalig zijn. Alle magistraten van het parket en het auditoraat zullen ten minste moeten bewijzen dat zij een passieve kennis hebben van de andere taal;

— De totale personeelsformatie van dat parket zal uit 101 magistraten bestaan, wat met de huidige personeelsformatie van het parket van Brussel overeenkomt.

De heer Anciaux verklaart dat hij moeite heeft om de redenering van de heer Laeremans te volgen, als zou de voorgestelde verhouding tussen eentalige en tweetalige magistraten (1/3 tweetalig en 2/3 eentalig) aanvaardbaar zijn voor Brussel, maar niet voor het arrondissement BHV.

De heer Laeremans wijst erop dat zijn fundamentele kritiek niets te maken heeft met de versoepeling van de voorwaarden in verband met de tweetaligheid van Brussel. Hij kan begrijpen dat de Franstaligen voor een splitsing gestreden hebben om het probleem van de tweetaligheid te omzeilen, temeer omdat het vooral Nederlandstaligen zijn die in de tweetalige personeelsformatie werken. Het wordt ook moeilijk tweetalige magistraten te vinden onder de Nederlandstaligen.

Er bestaat tevens een groot verschil tussen tweetalige rechtbanken en eentalige rechtbanken. Het is logisch dat voor die laatste het aantal tweetalige magistraten wordt verminderd. Spreker eist echter in ruil dat de rechter die alleen zitting houdt, de tweede taal moet kennen. Tevens moet in een collegiale kamer ten minste een rechter die kennis hebben. Het is ten slotte belangrijk dat er een nieuwe bepaling wordt ingevoerd die een minimale en passieve kennis van de tweede taal oplegt voor alle magistraten en griffiebedienden. De heer Laeremans beklemtoont het belang van dat laatste voorstel, dat op zijn minst moet worden goedgekeurd en opgenomen in voorliggend wetsontwerp. Voor spreker is het een minimum dat men een rechterlijke beslissing die in de tweede taal opgesteld is, kan lezen en begrijpen. Waarom eist men dat van politieagenten die in Brussel werken en niet van magistraten ?

De versoepeling van de tweetaligheidsquota van 2/3 naar 1/3 moet worden gecompenseerd door de verplichting voor de nieuwe magistraten en griffiebedienden om kennis te hebben, al was het maar passief, van de tweede taal.

Wat het arrondissement Halle-Vilvoorde betreft

In wetsvoorstel nr. 5-755/1 dat de heer Laeremans heeft ingediend, wordt Halle-Vilvoorde een volwaardig arrondissement, met eigen rechtbanken van eerste aanleg, van koophandel en arbeidsrechtbanken. De zetel van de rechtbank zou zich in Halle bevinden, met een steunpunt in Vilvoorde, waar eveneens zittingen zouden plaatsvinden.

De personeelsformaties van die rechtbanken houden het midden tussen die van het arrondissement Leuven en die van het arrondissement Gent, die relatief vergelijkbaar zijn wat het aantal inwoners betreft. In totaal maakt de oprichting van een nieuw arrondissement Halle-Vilvoorde een uitbreiding nodig van de globale personeelsformatie met acht plaatsen voor Nederlandstalige magistraten.

De heer Laeremans onderstreept dat de grondige hervorming die hij voorstelt en die voor een betere werking van de rechtbanken kan zorgen, zowel in Brussel als in Halle-Vilvoorde, kan worden verwezenlijkt met een totale toename van de personeelsformaties met amper vijftien eenheden. Ter vergelijking : de voorstellen die de institutionele meerderheid heeft ingediend, voorzien in een toename van de personeelsformaties met veertig eenheden.

Wetsvoorstel nr. 5-755/1 bepaalt ook dat de bestaande taalwetgeving gehandhaafd wordt, ook wat de faciliteiten betreft. Met dat verschil dat het beroep tegen Franstalige vonnissen van de vrederechters behandeld zal worden door rechters van Halle-Vilvoorde (en niet meer door rechters van Brussel). Er wordt tevens voorgesteld komaf te maken met de al te ruime mogelijkheden voor Franstaligen (ook buiten de faciliteitengemeenten) om voor de politierechtbank een doorverwijzing naar Brussel te eisen.

Spreker denkt dat men de logica die in het begin van de 20e eeuw werd gevolgd en die zegt dat de rechtzoekende het recht heeft om in zijn taal te worden berecht, moet verlaten. Gelet op de toename van het aantal anderstaligen, zou het eenvoudiger zijn te bepalen dat personen die geen Nederlands spreken een beroep kunnen doen op de diensten van een tolk, in plaats van de zaak door te verwijzen.

Tot besluit onderstreept de heer Laeremans dat voorstel nr. 5-755/1 het mogelijk maakt het gerechtelijk arrondissement Brussel, alsook het rechtsgebied van het hof van beroep van Brussel volledig te splitsen, zonder het aantal magistraten massaal te verhogen. Het biedt de mogelijkheid de rechtspleging in Brussel te verbeteren en te vereenvoudigen. De afzonderlijke Nederlandstalige rechtbanken die in Brussel worden opgericht, zouden perfect leefbaar zijn.

Het parket van Brussel zou eveneens gesplitst worden. De huidige personeelsformatie bestaat uit 92 magistraten, waarvan 31 Nederlandstaligen en 61 Franstaligen. In het systeem dat spreker voorstelt, worden 11 magistraten van het parket van Brussel overgeplaatst naar Halle-Vilvoorde, waar het parket met 7 nieuwe magistraten zou worden versterkt.

Spreker is ervan overtuigd dat zijn voorstel tot een efficiënter gerecht zou leiden, zonder grote toename van de kosten. De parketten van Brussel en van Halle-Vilvoorde zouden zich kunnen toeleggen op criminele verschijnselen die eigen zijn aan hun arrondissement. De misdaad in Brussel verschilt immers van die in de rand. Overigens werpt dit voorstel geen obstakels op, mocht men in de toekomst de richting uitgaan van meer autonomie van de gewesten inzake justitie. Tot slot respecteert zijn wetsvoorstel de provincie Vlaams-Brabant ten volle, terwijl de teksten die de institutionele meerderheid voorstelt van Halle-Vilvoorde een tweetalig gebied maken dat tegen Brussel aanleunt.

IV. ALGEMENE BESPREKING

De heer Laeremans vindt de voorstellen van de institutionele meerderheid uiterst onrechtvaardig voor de inwoners van Halle-Vilvoorde. De cijfers die als argument voor die hervorming worden gebruikt, misleiden de bevolking. Die hervorming veroorzaakte opschudding bij heel wat instanties en actoren. Spreker stelt voor hoorzittingen te organiseren om al die stemmen de kans te geven zich te uiten. Zo niet zal hij verplicht zijn alle argumenten van die diverse actoren te herhalen, om de waardeloosheid van de voorliggende teksten aan te klagen. Het horen van de vertegenwoordigers van die instanties zou de efficiëntste wijze zijn om een inhoudelijk debat te voeren over de voorgestelde hervormingen.

De heer Vanlouwe sluit zich aan bij deze laatste suggestie.

De voorliggende bepalingen zijn de allerzwakste schakel van de gehele staatshervorming. Alleszins voor de Vlaamse partijen. Hij vraagt daarom dat de institutionele meerderheid het debat met de verschillende gerechtelijke actoren zou willen aangaan. Durft de meerderheid luisteren naar het werkveld ? Wil ze ingaan op zijn vraag om hoorzittingen te organiseren ? Kan de meerderheid daarenboven ook argumenteren waarom ze al dan niet voor of tegen hoorzittingen is ?

Spreker wenst volgende personen of groeperingen te horen en hij stipt aan dat verschillende zelf de wens hebben geuit om te worden gehoord :

— De twee covoorzitters van de Hoge Raad voor de Justitie kunnen het advies toelichten dat ze hierover reeds hebben opgesteld;

— Vertegenwoordigers van de Stuurgroep BHV;

— Vertegenwoordigers van het Nationaal Verbond van de Magistraten;

— Vertegenwoordigers van de Orde van Vlaamse Balies;

— Vertegenwoordigers van het « Ordre des barreaux francophones et germanophone de Belgique »;

— Vertegenwoordigers van de Nationale Federatie van de Griffiers bij de Hoven en Rechtbanken. Spreker verwijst hiervoor naar de open brief die deze Federatie heeft gestuurd naar de parlementsleden.

De heer Laeremans wenst eveneens hoorzittingen te houden over deze hervorming. Het tijdsargument kan volgens hem niet gebruikt worden als tegenargument aangezien de Commissie op 26 juni nog over bijna een maand beschikt vooraleer het 21 juli is.

Spreker wenst volgende personen te horen :

— Gaby van den Bossche, voorzitter arbeidsrechtbank Brussel;

— Anouk Devenyns, ondervoorzitter rechtbank van eerste aanleg Brussel;

— Luc Hennart, voorzitter rechtbank van eerste aanleg;

— Antoon Boyen, Eerste voorzitter hof van beroep van Brussel;

— Christian Denoyelle, voorzitter nationaal verbond van magistraten;

— Francine de Tandt, voorzitter rechtbank van koophandel;

— Patrick Lenvain, deken van de politierechters, en eventueel zijn Franstalige collega Edgard Boydens, voorzitter ovb

— Hugo Vandenberghe, stafhouder Brussel;

— Hugo Van Eecke, oud-deken nationale orde, gewezen oprichter Nederlandse Orde;

— Procureur Bruno Bulthé, en Procureur-Generaal Marc de le Court;

— een vertegenwoordiger van de Hoge Raad voor Justitie (N/F)

— een vertegenwoordiger van de Nationale Federatie van de Griffiers bij de Hoven en Rechtbanken (CENEGER).

De Federatie van de Griffiers heeft een open brief gestuurd naar alle parlementsleden en vraagt daarin aandacht voor het volgende :

« Men moet beseffen dat er met onvoldoende griffiers, ondersteund door onvoldoende griffiepersoneel, vermoedelijk geen recht zal kunnen worden gesproken binnen de correcte termijnen. Ondertussen wordt het wetsvoorstel door de politici verdedigd met een onwaarschijnlijke hardnekkigheid en een vorm van wereldvreemdheid. »

De heer Delpérée vaart uit tegen een dergelijke houding die, meent hij, op zijn plaats is in een fascistisch regime, omdat zij de legitimiteit van de verkozen overheden in vraag stelt.

Spreker wenst eveneens Jo Baret, voormalig directeur van de beleidscel van de minister van Justitie, Stefaan De Clerck, te horen. Hij is in opspraak gekomen omdat hij aan de basis ligt van de foutieve cijfers die tot de mislukking van huidig akkoord hebben geleid. Hij zou binnenkort een zeer hoge functie bij de FOD Justitie waarnemen.

De heer Beke wenst te protesteren tegen de intentieprocessen die tegen sommige personen worden gemaakt. Over de juistheid van de cijfers en hun herkomst is hij bereid te discussiëren maar hij aanvaardt de aanvallen tegen bepaalde personen niet : de heer Baret is bovendien op pensioen.

De heer Laeremans dringt erop aan om minstens één van de voorgestelde personen uit te nodigen. Het Parlement kan niet in een ivoren toren werken zonder de mening van betrokken personen te kennen.

De heer Anciaux komt terug op de stelling van de heren Vanlouwe en Laeremans volgens dewelke het grof zou zijn om geen kennis te nemen van het standpunt van de voorgestelde sprekers over de hervorming.

Hij aanvaardt deze stelling niet : het is niet omdat er geen hoorzittingen worden georganiseerd dat de acht meerderheidspartijen het dossier niet kennen en onwetend zijn van het standpunt van deze personen. Zo kan hij aantonen dat er briefwisseling en uitwisseling van informatie is geweest met de Hoge Raad van Justitie, met de Nationale Federatie van Griffiers van Hoven en Rechtbanken, enz.

Het debat over deze wetsontwerpen en voorstellen moet in het Parlement gevoerd worden. Beweren dat de indieners het standpunt niet kennen van diegenen die niet gehoord worden is onjuist. De indieners zijn formeel op de hoogte gebracht en hij heeft geen enkele naam gehoord van een spreker die zijn standpunt niet heeft kunnen laten kennen.

Hij heeft dus geen enkel argument gehoord dat zou aantonen dat de gevraagde hoorzittingen van cruciaal belang zijn.

De heer Delpérée is het om meerdere redenen eens met de heer Anciaux.

Ten eerste, de heer Vanlouwe is boos omdat men het arrondissement BHV splitst zonder eerst hoorzittingen te houden. Het gaat echter helemaal niet om een splitsing, maar om de ontdubbeling van de Brusselse rechtbanken.

Ten tweede stelt hij vast dat alle personen die volgens het Vlaams Belang en de N-VA gehoord zouden moeten worden, hun mening reeds gegeven hebben. Hij verwijst in dit opzicht naar de geschriften, memorandums en open brieven. De meerderheidspartijen kunnen lezen en luisteren. In welk opzicht zou een persoonlijke verschijning in een commissie voor institutionele aangelegenheden dan een meerwaarde inhouden ?

Ten derde vergeten de senatoren die voor die hoorzittingen pleiten dat men in de eerste plaats vertegenwoordigers van de burgers en de rechtzoekenden moet horen. Hij verdedigt de soevereiniteit van het parlement tegenover de wereld van de lobby's.

Ten slotte vindt hij ook dat men de magistraten niet mag beledigen : sommigen zijn hier door senatoren als leugenaars bestempeld en zouden moeten « verschijnen » om hun cijfers en hun mening te verantwoorden. Hij kan dergelijke toestanden niet goedkeuren. Er hoeven dus helemaal geen hoorzittingen te komen.

De heer Vanlouwe komt terug op het beweerde gebrek aan argumentatie om hoorzittingen te organiseren. Durven de partijen van de meerderheid het debat wel aan ? Dit zou nochtans de beste manier zijn om de argumenten van de voorgestelde sprekers te weerleggen. Hij kan alleen maar vaststellen dat de meerderheid dit niet wenst.

Hij betreurt ook enorm dat het standpunt van sommigen, in het bijzonder van de Nationale Federatie van de Griffiers, als fascisme wordt beschouwd door bepaalde senatoren.

Hij doet bijgevolg een ultiem voorstel en vraagt dat de heer Hugo Vandenberghe, Stafhouder van de Nederlandse Orde van Advocaten bij de balie van Brussel wordt verhoord.

De heer Laeremans herinnert eraan dat er geen consensus bestaat over het cijfermateriaal. Stefaan De Clerck heeft in de Kamer verklaard dat zijn cijfers kloppen. Dit strookt niet met de werkelijkheid want deze cijfers werden duidelijk weerlegd.

Het belangrijkste argument is volgens spreker een verwijzing naar het advies van de Raad van State over het wetsontwerp 5-1674 (zie stuk kamer 53-2140/2, blz. 23) :

« De toelichting bij het wetsvoorstel, en inzonderheid de toelichting bij de voorliggende bepaling, bevat geen inlichtingen over de wijze waarop deze verdeelsleutels zijn vastgelegd. Indien het wetsvoorstel, zoals zijn opzet is verwoord in de toelichting bij het artikel, de gerechtelijke achterstand beoogt te bestrijden, moeten de wetgevende kamers kunnen aantonen dat de gekozen percentages in een redelijk verband staan met de nagestreefde doelstelling, zowel wat betreft de Franstalige en de Nederlandstalige rechtbanken als wat betreft de parketmagistraten en het ondersteunend personeel. In dit verband wordt gewezen op de eventuele aansprakelijkheid van de wetgevende macht ingeval de « redelijke termijn » wordt overschreden. »

Hij weigert bijgevolg om op basis van foutieve cijfers verkeerde beslissingen te nemen.

De commissie legt het voorstel van de heren Laeremans en Vanlouwe om hoorzittingen te organiseren, ter stemming voor. Dit voorstel wordt verworpen met 9 tegen 5 stemmen.

De heer Vanlouwe betreurt ten stelligste het gebrek aan durf van de meerderheidspartijen die manifest het debat niet durven aangaan.

Hij verwijst naar de uitspraak van de heer Fernand Keuleneer, advocaat aan de Balie te Brussel, en onder meer oud-voorzitter van het Vlaams Pleitgenootschap bij de Balie te Brussel, gewezen lid van de Raad van de Orde en van de algemene vergadering van de Orde van Vlaamse Balies :

« Het B-H-V-akkoord is een slecht akkoord van bij de aanvang. In plaats van problemen op te lossen, zal het veel nieuwe problemen doen ontstaan. De recentste wijzigingen sterken dat nog aan. Het is een grote knoeiboel geworden. » (Bron : Knack).

Mevrouw Gaby Van den Bossche, voorzitster van de Arbeidsrechtbank en korpschef in Brussel, stelt voor haar part : « Emails wijzen op geknoei met BHV ».

Een laatste treffende citaat komt opnieuw van de heer Fernand Keuleneer :

« Bij de hervorming van het gerechtelijk arrondissement hebben CD&V, Open VLD, sp.a en Groen de Vlaamse belangen niet verkocht want bij een verkoop krijg je iets terug. Ze hebben gewoon alles gratis weggegeven ... »

Spreker zal in zijn toelichting aantonen dat de Vlaamse meerderheidspartijen in feite tien cadeaus hebben weggegeven aan de Franstaligen.

Hij begint met een concreet overzicht van de cijfers over het arrondissement BHV.

Het gerechtelijk arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde is één van de 27 gerechtelijke arrondissementen van het land. Het valt samen met het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde en strekt zich uit over twee gewesten : Brussel en Vlaanderen. Bovendien strekt het zich over twee taalgebieden : het tweetalig Brusselse gebied en het Nederlandstalig gebied.

In totaal gaat het om 54 gemeenten waaronder de 19 Brusselse gemeenten en 6 Vlaamse gemeenten met taalfaciliteiten. In BHV wonen 1,63 miljoen mensen, van wie 584 000 in Halle-Vilvoorde.

In het gerechtelijke arrondissement Antwerpen wonen 1,2 miljoen mensen. De gerechtelijke arrondissementen Gent, Luik, Dendermonde en Charleroi tellen ongeveer 600 000 inwoners.

Het gerechtelijke arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde is dus een « super » arrondissement.

De rechtbank van eerste aanleg telt volgens een studie van de Hoge Raad voor de Justitie 210 Nederlandstalige personeelsleden (van wie 39 rechters) en 323 Franstalige (van wie 96 rechters). 39,4 % van het totale personeel in de rechtbank is Nederlandstalig, 60,6 % Franstalig. In 2010 liepen 11 855 nieuwe Nederlandstalige zaken binnen (31,4 %) en 25 891 Franstalige (68,6 %).

De arbeidsrechtbank kreeg in 2011 ze volgens de analyse van de Hoge Raad voor de Justitie 5 962 Nederlandstalige zaken (29,5 %) binnen en 14 238 Franstalige (70,4 %).

De rechtbank van koophandel kreeg in 2010 17 388 nieuwe zaken binnen, waarvan 39,9 % Nederlandstalig en 60 % Franstalig.

De politierechtbank van Brussel kreeg in 2011 7 238 nieuwe Nederlandstalige zaken binnen (13,4 %), en 46 644 Franstalige (85,6 %). De instroom van de (meestal zwaardere en complexere) burgerlijke zaken in de politierechtbank is echter anders : 503 Nederlandstalige (30,17 %) en 1 164 (69,83 %) Franstalige, met een stijgende tendens voor het aantal Nederlandstalige zaken.

Momenteel is BHV één gerechtelijk arrondissement met een rechtbank van eerste aanleg, een arbeidsrechtbank en een rechtbank van koophandel. Die rechtbanken hebben Nederlandstalige én Franstalige Kamers. Daarnaast heb je nog de politierechtbanken en vredegerechten. Politierechters en vrederechters in Brussel én in de zes gemeenten met faciliteiten zijn tweetalig en behandelen in eenzelfde zitting zowel geschillen in het Frans als in het Nederlands, volgens de taal bepaald door de wet.

De taal van de procedure wordt geregeld door de taalwet van 1935. Die bepaalt in welke taal een procedure wordt gestart en gevoerd. De situatie verschilt al naargelang het gaat om burgerlijke dan wel om strafzaken.

In strafzaken heeft de verdachte altijd het recht om zijn eigen taal te spreken, en te kiezen voor zittingen van de rechtbank in het Frans of het Nederlands.

In burgerlijke zaken heb je een andere regeling. En die vertrekt in BHV van het onderscheid tussen de bevoegdheid « intra muros » en de bevoegdheid « extra muros ».

Extra muros : als de burgerlijke rechtbanken van BHV zetelen op basis van hun territoriale bevoegdheid en dat territorium is een plaats in Vlaanderen, dan functioneren ze zoals een Vlaamse rechtbank om het even waar in Vlaanderen. Neem bijvoorbeeld een huurgeschil over een woning in Vilvoorde. Hier bepaalt de ligging van de woning welke rechtbank bevoegd is. De dagvaarding moet in het Nederlands opgesteld worden en de procedure wordt in het Nederlands gevoerd. Alleen als de verweerder (bijvoorbeeld de eigenaar van de woning die door de huurder wordt gedagvaard) in een van de zes faciliteitengemeenten woont, kan die verweerder een taalwijziging vragen. Maar de rechter kan ze weigeren. (Tussen haakjes : volgens de taalwet geldt dat voordeel niet voor verweerders die in Brussel-19 woont, maar in de praktijk kan dat vaak wel). Let wel : als alle partijen in een burgerlijk geschil akkoord gaan om de zaak in een andere landstaal te behandelen, dan kan een taalwijziging altijd, maar dat is overal in België zo.

Intra muros : hier gaat het om geschillen waarbij de territoriale bevoegdheid van de rechtbank bepaald wordt door een plaats in een van de 19 Brusselse gemeenten. Ook geschillen waarin één van de territoriale aanknopingspunten zich in Brussel 19 bevindt, vallen hieronder. Het principe is hier anders. De eiser kiest zelf de taal van de dagvaarding en de hele rechtszaak verloopt dan ook in die taal, behalve indien de verweerder om een taalwijziging verzoekt in limine litis, die dan beoordeeld wordt door de rechter.

De taalwet bepaalt verder dat minstens een derde van de magistraten van de Brusselse rechtbank van eerste aanleg, rechtbank van koophandel, arbeidsrechtbank, parket en arbeidsauditoraat een Nederlandstalig diploma moet hebben, en minstens een derde een Franstalig diploma. Bovendien moeten twee op de drie magistraten een « grondige » kennis van de andere taal hebben. Ze moeten een taalexamen afleggen om die kennis te bewijzen. Hiermee zijn er in de praktijk grote problemen omdat onvoldoende tweetalige magistraten kunnen worden gevonden, wat vooral voor de Franstaligen problemen stelt.

Spreker vindt het onbegrijpelijk dat men te weinig tweetalige rechters vindt in een tweetalige stad zoals Brussel. Het is merkwaardig dat er de voorbije veertig jaar geen inspanningen werden gedaan zoals taalopleidingen, vormingen enz. om juristen op te leiden zodat ze zouden slagen in dat tweetaligheidsexamen. Daarnaast vindt men ook dat er te weinig Franstalige magistraten zijn. De Franstalige partijen zijn al langer tegen dat onderscheid intra-muros en extra-muros. Ze wensen dat het recht op taalwijziging (intra-muros) wordt toegepast in heel Brussel-Halle-Vilvoorde. Zo zouden Franstalige rechtzoekenden in heel het arrondissement toegang hebben tot een rechtspleging in het Frans. Spreker citeert de heer Fernand Keuleneer : « De Franstaligen hebben met verbazing vastgesteld dat de Vlamingen de splitsing wilden en ze waren hierover zeer opgetogen ».

De N-VA is altijd al een voorstander geweest van de splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde, maar dat heeft niets met splitsingsdrang te maken maar wanneer een hervorming beter gebeurt via een splitsing is de partij voor de splitsing. In Brussel zijn ongeveer 1 600 000 rechtzoekenden en in verhouding met andere arrondissementen is dat een mastodont. Een hervorming van het gerechtelijk landschap is nuttig wanneer dat op provinciaal niveau wordt georganiseerd en dat zou een goede oplossing zijn voor Vlaams-Brabant en Brussel.

De N-VA is voorstander van de splitsing van het arrondissement omdat het in de lijn ligt van een constitutionele en wettelijke logica en de gerechtelijke achterstand groot is, wat een vorm van straffeloosheid doet ontstaan. Het aantal misdrijven die begaan worden in dat arrondissement leiden minder tot vervolging en veroordeling en daarom is het nuttig om een hoofdstedelijk arrondissement met een asymmetrische horizontale splitsing op te richten.

Daarnaast is het voor de N-VA belangrijk om voor eens en altijd duidelijk te maken waar de taalgrens ligt en waar een tweetalig Hoofdstedelijk Gewest eindigt en waar het eentalig Vlaams Gewest daadwerkelijk begint. Franstaligen die in Vlaanderen komen wonen, zijn welkom maar moeten beseffen dat ze in een anderstalig gewest gaan wonen. Dat verschilt niet of iemand in Dilbeek of in Aalst woont.

Spreker citeert wat de staatssecretaris Verherstraeten zei in de Kamer : hij « is er stellig van overtuigd dat de hervorming zal bijdragen tot het wegwerken van de gerechtelijke achterstand ». Volgens spreker wordt dat tegensgesproken door de cijfers die de Hoge Raad voor Justitie heeft gepubliceerd. De gerechtelijke achterstand zal vooral aan Nederlandstalige kant toenemen. Wat de cijfers van 2011 voor de arbeidsrechtbank betreft, is er een instroom van 5 962 dossiers en een uitstroom van 4 323 dossiers. Spreker beseft wel dat dossiers niet telkens in hetzelfde jaar in- en uitstromen, maar het is het enige objectieve criterium tot nu toe. Voor 2011 bedroeg de gerechtelijke achterstand in de arbeidsrechtbank 1 638 dossiers (instroom — uitstroom). Op dit ogenblik wordt dat behandeld door negen arbeidsrechters. Indien de 20/80-regel wordt toegepast, zullen voor die 5962 dossiers die binnenkomen maar vijf arbeidsrechters overblijven. Wanneer de verhoudingen verder worden toegepast, zou dit betekenen dat ze nog maar 2 594 dossiers kunnen behandelen. De gerechtelijke achterstand zou dan 3 368 dossiers bedragen, wat ongeveer het dubbel is van de huidige situatie. De gerechtelijke achterstand zal dus aan Nederlandstalige zijde toenemen. Wanneer dezelfde berekening wordt gemaakt op basis van de overgangsmaatregel van 27 % Nederlandstalige rechters, zouden er 7 arbeidsrechters actief zijn en zouden zij 3 502 dossiers kunnen afwerken. Dit betekent dat er nog steeds een gerechtelijke achterstand zou zijn van 2 460 dossiers, wat nog steeds een toename betekent.

Spreker vindt het interessant om de berekening ook toe te passen langs Franstalige kant. Op dit ogenblik zijn daar 18 arbeidsrechters actief. In 2011 bedroeg de instroom 14 238 dossiers en de uitstroom 11 308 dossiers. De gerechtelijke achterstand aan Franstalige zijde bedraagt dus 2 930 dossiers. Wanneer het voorgestelde percentage van 80 % wordt toegepast, stijgt het aantal Franstalige arbeidsrechters van 18 naar 21. Op die manier zouden 13 570 dossiers behandeld kunnen worden en zou de gerechtelijke achterstand maar 668 dossiers bedragen. De gerechtelijke achterstand zou dus wel dalen aan de Franstalige kant, terwijl hij zal toenemen aan Nederlandstalige kant.

Een gelijkaardige berekening kan toegepast worden op de rechtbank van Koophandel en ook daar zou de gerechtelijke achterstand aan Nederlandstalige zijde toenemen.

De heer Anciaux merkt op dat de berekening van de heer Vanlouwe wordt toegepast op het jaar 2011 waar toevallig de gerechtelijke achterstand aan Franstalige kant het kleinst is voor de voorbije jaren.

Daarnaast denkt spreker dat bij het beoordelen van de opdeling van het gerechtelijk arrondissement en het parket van Brussel-Halle-Vilvoorde twee grote periodes in acht moeten worden genomen. Er is eerst een overgangsperiode voorzien en daarna een definitieve periode. De overgangsperiode wordt zwaar bekritiseerd en gezien als een grote nederlaag voor de Nederlandstaligen, terwijl het maar over een overgangsperiode gaat. Spreker hoort zeer weinig kritiek over de definitieve periode die gebaseerd zal zijn op een objectieve werklastmeting. Het regeerakkoord voorziet de timing van de werklastmeting en de acht partijen hebben zich geëngageerd om die werklastmeting ernstig en definitief te laten uitvoeren voor het einde van de legislatuur.

Spreker vindt het ook verbazend dat men doet alsof het stemmen van de voorgestelde wet onmiddellijk een volledig nieuwe situatie zou creëren waarin alle bestaande rechters geliquideerd worden en nieuwe rechters ontspruiten aan de 20/80-regeling. De minister van Justitie is herhaaldelijk ondervraagd over de reële consequenties en het antwoord was dat er een overgangsmaatregel voorzien wordt. Niemand zal ontslagen worden.

Het argument van de rechtstoegang is het belangrijkste argument, met name dat de rechtsbedeling in gevaar zou komen door deze maatregel. Maar dat is niet zo en er is, tot op heden, niemand die kan zeggen of in de overgangsperiode het aantal rechters die vandaag rechtspreken van vandaag op morgen onmiddellijk verdwijnen. Er wordt in tegendeel een geleidelijke uitdoving aangekondigd in de veronderstelling dat de overgangsperiode tien jaar zou duren. Er is echter geen sprake van een periode van tien jaar want er is een engagement van de acht partijen om te gaan naar een ernstige werklastmeting.

Spreker merkt ook op dat de cijfers van in- en uitstroom geen exacte werklastmeting uitmaken. Hij heeft als advocaat ook vaak gezien dat rechters er soms jaren over deden om een vonnis te vellen of niet uitblonken in efficiëntie, toch was hun uitstroom van dossiers niet slecht door het uitspreken van vonnissen met heropening van debatten.

De heer Vanlouwe vraagt zich dan af waarom er niet onmiddellijk wordt overgegaan naar een werklastmeting ? Er is in Mons een project van werklastmeting aan de gang dat al meer dan vijftien jaar duurt. De Hoge Raad voor Justitie zegt dat een werklastmeting voor Brussel ten vroegste kan in 2017.

De heer Laeremans denkt dat het debat niet over de productiviteit van de magistraten moet gaan. De instroom is een objectief criterium en het is niet zo dat de zaken aan Franstalige kant gemiddeld zwaarder zijn dan deze aan Nederlandstalige kant. De verhoudingen zijn zeker niet 20/80, maar eerder 30/70 en in bepaalde soort zaken zelfs 40/60.

Het grote verschil in de regeling ten gunste van de Franstaligen en die ten nadele van de Vlamingen is dat die 80 % vastligt voor de Franstaligen, terwijl er aan Nederlandstalige zijde een werklastmeting nodig zal zijn om het percentage vast te leggen. De Franstaligen krijgen een cadeau, een blanco cheque, terwijl de Vlamingen zich gaan moeten verantwoorden. Daarnaast lijkt het niet zo zeker dat die werklastmeting er ooit komt, aangezien de tekst voorziet dat « indien de werklastmeting niet binnen deze termijn is afgerond, worden magistraten die de 20 % overschrijden in een uitdovingskader geplaatst. » Het is ingebouwd in de regeling dat die werklastmeting er misschien niet komt en dat is niet serieus. De Franstaligen hebben er dus alle belang bij om de werklastmeting te saboteren en resultaat te verhinderen.

De heer Vanlouwe stelt dat als de meerderheid ernstig was dan zou de werklastmeting nu gebeuren. Dan zou er niet gewerkt worden met willekeurige cijfers of percentages. Gewoonlijk neemt men maatregelen om een minderheid te beschermen. In dit akkoord wordt de grootste gemeenschap beschermd die in alle gevallen 80 % van de magistraten mag aanstellen.

In de rechtbank van koophandel in Brussel zetelen 11 Nederlandstalige rechters. De instroom van dossiers voor 2011 bedroeg 6 932, de uitstroom 6 493 zodat de gerechtelijke achterstand beperkt is tot 439 dossiers. Wanneer het aantal rechters tot 9 wordt beperkt zou de gerechtelijke achterstand oplopen tot 1 265 dossiers per jaar.

In diezelfde rechtbank zetelen er 13 Franstalige magistraten die 10 456 binnenkregen in 2011 terwijl er in 8 172 dossiers een vonnis werd geveld. De gerechtelijke achterstand loopt dus op tot 2 284 dossiers in 2011. Wanneer het door de meerderheid afgesproken percentage wordt toegepast, zullen er in plaats van 13 magistraten 14 magistraten zetelen waardoor de achterstand daalt tot 1 404 dossiers.

Langs Nederlandstalige kant zal de gerechtelijke achterstand dus verdrievoudigen terwijl die langs Franstalige kant met de helft zal dalen.

Het meest opvallend zijn de cijfers voor de rechtbank van eerste aanleg.

Langs Nederlandstalige kant zijn er op dit ogenblik 39 rechters die in 2011 10 934 dossiers. Opvallend is dat er in 15 084 dossiers uitspraken gedaan — wat impliceert dat zij de gerechtelijke achterstand aan het inhalen zijn. Ingevolge de afspraken binnen de meerderheid zou het aantal rechters dalen tot 27. Daardoor zal de gerechtelijke achterstand opnieuw toenemen.

Het aantal Franstalige rechters zal van 96 naar 108 stijgen. In 2011 kregen zij 22 947 nieuwe dossiers en velden zij 27 962 vonnissen waardoor de gerechtelijke achterstand met 5 000 dossiers werd verminderd. Met de bijkomende rechters gaan zij de gerechtelijke achterstand voor 70 % kunnen inhalen.

Het percentage van 20 % rechters langs Nederlandstalige kant zal dus de gerechtelijke achterstand langs Nederlandstalige kant doen toenemen terwijl het percentage van 80 % Franstalige rechters de achterstand lang Franstalige kant opnieuw zal verminderen.

Het argument dat de door de meerderheid overeengekomen regeling in beide gevallen de gerechtelijke achterstand zal doen afnemen is dus manifest onjuist.

Dit is het eerste grote cadeau dat de Franstaligen hebben gekregen voor de niet-splitsing van het gerechtelijk arrondissement.

Het tweede cadeau dat aan de Franstaligen wordt gegeven heeft betrekking op de personeelsformatie. Langs Franstalige kant zullen massaal magistraten en medewerkers worden aangeworven. Langs Nederlandstalige kant zal er mogelijk personeel afvloeien omdat er 181 personeelsleden in overtal zijn. Zo zal het aantal kamers waar Nederlandstalige strafdossiers worden behandeld verminderd worden tot één kamer die zich bezig houdt met drugs, gewelddelicten, financiële fraude en terrorisme.

De heer Anciaux wijst er op dat dit alleen het geval is als de zeer tijdelijke fase ook de definitieve situatie wordt. Hij ontkent dat dit het geval zal zijn.

De heer Vanlouwe vestigt er de aandacht op dat hij enkel de mening citeert van de voorzitter van de arbeidsrechtbank in een interview. Als de commissie een hoorzitting had georganiseerd dan had men hierover een debat kunnen houden.

Van de vier Nederlandstalige jeugdrechters zullen er twee verdwijnen waardoor een kordate aanpak van de jeugdcriminaliteit onmogelijk wordt.

Het derde cadeau aan de Franstaligen is dat niet alleen de Vlamingen in Brussel en de rand het slachtoffer worden van de voorgestelde regeling maar dat alle Vlamingen die een rechtszaak hebben in Brussel zullen worden getroffen door de oplopende gerechtelijke achterstand. In Brussel worden zaken behandeld van heel wat burgers die er werken, van bedrijven die er hun maatschappelijke zetel hebben en van Vlaamse, Brusselse en federale overheidsinstellingen.

De reden waarom dit akkoord zo slecht is, is omdat het gebaseerd is op foute cijfers. Dit wordt langs meerdere kanten bevestigd. Zo heeft een Vlaams onderhandelaar betreurd dat de kabinetschef van de voormalige minister van Justitie is uitgegaan van foute cijfers (interview in de Financieel Economische Tijd van een paar maanden geleden).

Tijdens de bespreking van dit wetsvoorstel in de Kamer heeft de vroegere minister van Justitie, Stefaan De Clerck zich er proberen uit te praten maar in een interview verklaarde hij het volgende :

« met de cijfers die nu bekendraken, zou het akkoord er anders hebben uitgezien ». (...) De verdeling 20/80 is een uitgangspunt van een politieke deal. Als er in het parlement cijfers opduiken die objectief tegen te spreken zijn, kan er nog worden gedebatteerd.« (De Tijd, 20 oktober 2011).

Het gaat dus om een compromis waarbij de Nederlandstaligen toegevingen doen maar er niets voor in ruil krijgen.

De foute cijfers worden ook aangeklaagd door de magistraten zelf. De Hoge Raad voor Justitie (ambtshalve advies mei 2012) heeft zijn cijfers uitgebracht op basis van een recente en objectieve meting. Het verbond van magistraten van eerste aanleg hebben een analyse-nota gemaakt waarin zij wijzen op het gebruik van de verkeerde cijfers. Deze nota is ondertekend door alle Nederlandstalige rechters van de rechtbank van eerste aanleg en van de arbeidsrechtbank te Brussel, de conferentie van Nederlandstalige voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg, de conferentie van Nederlandstalige voorzitters van de arbeidsrechtbanken en door het nationaal verbond van magistraten.

Zelfs door de eerste minister is meermaals beloofd dat de cijfers zouden worden aangepast tijdens het parlementair debat :

« Het gerechtelijk arrondissement BHV zal worden hervormd op een nauwkeurige en ambitieuze manier. (...) Mochten de cijfers voor de verdeling van de kaders fout blijken te zijn, dan zullen zij worden aangepast. » (Beleidsverklaring, De Kamer, 10 december 2011)

Kortom iedereen erkent dat de cijfers fout zijn. De acht partijen maakten plechtige beloftes om cijfers tijdens parlementair debat aan te passen maar in de praktijk doen ze gewoon door.

De heer Verherstraeten, staatsecretaris voor Staatshervorming, vraagt dat de heer Vanlouwe mensen correct citeert en hen geen woorden in de mond legt. Noch de eerste minister, noch Stefaan De Clerck hebben gezegd dat de gebruikte cijfers fout waren. Hij verwijst in dit verband naar de tussenkomst van Stefaan De Clerck tijdens het debat in commissie in de Kamer :

« De heer Stefaan De Clerck (CD&V) preciseert in dat verband dat hij nooit verkeerde cijfers heeft bezorgd, maar alleen rapporten van magistraten met hun eigen cijfers, die later bovendien zijn gecorrigeerd. De onderhandelaars van het institutioneel akkoord hebben kennis genomen van dat complexe cijfermateriaal en hebben een politiek akkoord bereikt. De verdeelsleutel is een uitgangspunt, waaraan politiek overleg is voorafgegaan. Het is de bedoeling dat de arrondissementen een voldoende aantal magistraten ter beschikking hebben, afhankelijk van hun werklast. Het is de taak van de regering om die werklast te meten. In de tussentijd kan de verdeelsleutel worden aangepast en zal een opvolgingscomité worden opgericht. » (St. Kamer 53-2140/005, blz. 13).

De heer Verherstraeten vraagt dat het debat intellectueel eerlijk zou gevoerd worden en dat er dus correct zou geciteerd worden.

De heer Vanlouwe vraagt of alle cijfers die hij heeft geciteerd, die van de Hoge Raad en die van de verenigingen van Nederlandstalige magistraten dan fout zijn. Hij nodigt de minister dan ook uit hem op die fouten te wijzen.

De heer Verherstraeten wijst er nogmaals op dat hem geen woorden in de mond moeten worden gelegd.

De heer Vanlouwe herhaalt de eis van zijn fractie om een werklastmeting uit te voeren vooraleer over te gaan tot een reorganisatie van het gerechtelijk arrondissement. De thans voorgestelde hervorming is door niemand gevraagd en zal zeker niet het vooropgestelde doel, het inhalen van de gerechtelijke achterstand, bereiken. Daarom vraagt hij een objectieve meting om op basis van die cijfers te handelen. Is dit voorstel zo onredelijk ?

Het vierde cadeau voor de Franstaligen is het gebrek aan objectiviteit van de werklastingmeting. De huidige meting gaat blijkbaar uit van 80 % Franstalige magistraten als ondergrens.

Een vijfde cadeau voor de Franstaligen is de timing van de werklastmeting. Er wordt beweerd dat die tegen 2014 zal zijn uitgevoerd. De huidige werklastmeting binnen de magistratuur is echter al jaren bezig en er bestaat een studie die de methodologie ervan sterk betwist. De Hoge Raad voor Justitie zegt zelf dat de werklastmeting zelf onmogelijk in 2014 kan worden afgerond.

De heer Anciaux erkent dat als de werklastmeting alleen aan de magistratuur wordt overgelaten deze inderdaad op zich zal laten wachten. Hij roept de regering dan ook op dat de minister van Justitie het voortouw neemt voor deze werklastmeting en dat deze minister ook de criteria bepaalt en oplegt.

In dit verband wenst de heer Vanlouwe van de regering te vernemen of de overheidsopdracht reeds is uitgeschreven voor deze werklastmeting en welk budget is voorzien voor de uitvoering ervan.

Een zesde cadeau voor de Franstaligen zijn de overgangsmaatregelen voor onder meer de werklastmeting en voor de toegevoegde rechters. Gedurende jaren hebben de Vlaamse partijen, ook die van de huidige meerderheid, het systeem van de toegevoegde rechters aangeklaagd omdat zij niet aan de tweetaligheidsvereiste beantwoorden. Deze toegevoegde rechters zullen ingevolge dit akkoord gewoon benoemd worden. Omdat de overheid er niet in slaagde de wet te doen toepassen worden deze magistraten nu beloond.

De kern van het verhaal, en de reden om BHV te splitsen, is het respect dat moet worden opgebracht voor het principe van het Nederlandstalige karakter van het Vlaams Gewest en voor het tweetalige karakter van het Hoofdstedelijk Gewest. Dit respect is niet terug te vinden in dit wetsvoorstel. Wat reeds jaren geleden was afgesproken, dat we in België in taalgebieden leven die overeenkomen met de gewestgrenzen en de gemeenschappen grensoverschrijdend werken, wordt in dit wetsvoorstel geschonden. Wie in Vlaanderen wil wonen is welkom maar moet respect opbrengen voor het Nederlandstalige karakter ervan. Ook in Brussel moet respect worden opgebracht voor het tweetalige karakter van de hoofdstad. Dat wordt aangetast door de reductie van de vereiste tweetaligheid voor magistraten van 2/3 naar 1/3.

De heer Anciaux wijst erop dat de heer Laeremans kan leven met een verhouding van 1/3 tweetalige magistraten in Brussel.

De heer Laeremans wijst erop dat hij vooral aanstoot neemt aan het feit dat er 1/3 Franstalige magistraten zullen komen in Halle/Vilvoorde, in eentalig Vlaams gebied. Op die manier wordt Halle/Vilvoorde gelijkgesteld met Brussel. Dat is onvoorstelbaar.

De heer Armand De Decker herinnert eraan dat Brussel een nijpend tekort heeft aan substituten. Het is dan ook niet verbazend dat Justitie in Brussel slecht werkt.

De heer Vanlouwe werpt op dat de door de voorgaande spreker aangehaalde cijfers niet correct zijn. Daar waar de heer De Decker het heeft over 150 substituut-procureurs in Brussel, zijn er op dit ogenblik slechts 92, van wie 31 Nederlandstalig. Er zijn 140 zittende magistraten, van wie 39 Nederlandstalig.

Een zevende toegeving aan de Franstaligen is dat er helemaal geen splitsing komt; er komt enkel een ontdubbeling van de rechtbanken. Dat zijn twee compleet verschillende zaken. Wat nu ter tafel ligt, zal de Franstalige rechters niet verhinderen om nog steeds recht te spreken in geheel Halle-Vilvoorde, dus niet alleen in Brussel en zelfs niet alleen in de faciliteitengemeenten.

Het signaal dat met deze ontdubbeling wordt gegeven, is duidelijk :

« als Franstalige woont u misschien in Vlaanderen, maar u zal worden behandeld alsof u in het tweetalige Brussel woont. »

En daar stopt het niet. Deze ontdubbeling wordt bovendien in de Grondwet gebetonneerd. Dit betekent eigenlijk dat de splitsing van het gerechtelijk arrondissement voor de toekomst onmogelijk wordt gemaakt. Een wijziging met een gewone meerderheid is immers niet meer aan de orde.

Een achtste cadeau voor de Franstaligen is dat men, bovenop deze niet-splitsing, ook nog eens vijf Franstalige parketmagistraten krijgt in Halle-Vilvoorde. Dit impliceert dat de acht partijen eigenlijk menen dat Vlaamse parketmagistraten niet objectief kunnen zijn in hun vervolgingsbeleid, ook al tonen zij aan, door het taalattest van Selor, dat zij perfect tweetalig zijn. Men heeft geen vertrouwen in het vervolgingsbeleid dat deze Vlaamse parketmagistraten in Halle-Vilvoorde zullen voeren. Ter vergelijking verwijst spreker naar het gebrek aan vertrouwen dat bestaat ten aanzien van de Nederlandstalige staatsraden bij de Raad van State.

Spreker richt zich tot staatssecretaris Verherstraeten die vorig jaar nochtans verklaarde :

« De rechten die Franstaligen nu al hebben, lijken te volstaan ».

Ook de heer Carl Decaluwé, thans gouverneur van West-Vlaanderen, heeft destijds verklaard :

« Franstalige rechters in Vlaamse rechtbanken, dat kan niet. In China heb je ook geen Nederlandstalige rechters. »

Hoe kan men die uitspraken rijmen met wat hier ter tafel ligt ?

En helaas is dat nog niet alles. Bovenop de Franstalige rechtbanken voor Halle-Vilvoorde en de naar dat arrondissement gedetacheerde Franstalige parketmagistraten, krijgen we ook nog te maken met Franstalige schoonmoeders. De Franstaligen krijgen immers een vetorecht op zuiver Nederlandstalige dossiers in Halle-Vilvoorde. Spreker verwijst naar het toezicht van de korpschefs van de rechtbanken van eerste aanleg op de vredegerechten, waar de Franstalige voorzitter-korpschef op zijn verzoek moet bij worden betrokken. Dat toezicht betreft bijvoorbeeld de organisatie en het personeelsbeleid van het vredegerecht. Er moet worden gestreefd naar consensus, bij gebreke waarvan de zaak aan een hoger niveau, namelijk aan het hof van beroep, wordt voorgelegd. Als negende cadeau, wordt aldus een vorm van voogdij ingesteld.

Wat Nederlandstaligen wel krijgen, is minder tweetaligheid in Brussel, hoofdstad van het federale België, van de Vlaamse Gemeenschap en van de Europese Unie. Van een internationale stad wordt nochtans meertaligheid verwacht. Het is dan ook belangrijk, om te beginnen, dat de tweetaligheid op een correcte manier wordt toegepast. Ambtenaren en magistraten in Brussel dienen tweetalig te zijn. Dan pas zal Brussel een echte tweetalige hoofdstad zijn. Nu wordt deze tweetaligheid afgebouwd. We gaan van twee derde tweetalige magistraten naar één derde. Opnieuw worden de Franstaligen beloond voor hun slecht beleid, aangezien dit noch de tweetaligheid, noch het hoofdstedelijk karakter van Brussel heeft gediend.

Minder tweetaligheid is een duidelijke illustratie van de wereldvreemde visie van de acht partijen. Dit wordt trouwens ook aangeklaagd door de federatie van griffiers van hoven en rechtbanken.

De heer Anciaux werpt op dat de afbouw van de tweetaligheid ontegensprekelijk een logisch gevolg is van de splitsing van tweetalige rechtbanken in een Nederlandstalige en een Franstalige rechtbank. Gelet op de stijging van het aantal eentalige kamers, is er vanzelfsprekend minder behoefte aan tweetalige magistraten.

De heer Vanlouwe is van oordeel dat dit argument niet opgaat, aangezien men hier niet overgaat tot een splitsing, maar wel tot de instelling van een gerechtelijk arrondissement « Brussel-Halle-Vilvoorde » naast een arrondissement « Bruxelles-Hal-Vilvorde ». Men gaat naar twee arrondissementen die hetzelfde grondgebied overlappen.

Een tweetalige hoofdstad heeft echter net nood aan meer en echte tweetaligheid, niet aan minder tweetaligen. Het kleiner aantal tweetaligen zal een nefaste impact hebben op de behandeling van talrijke dossiers, die zeer dikwijls stukken in de twee talen bevatten.

Spreker haalt het voorbeeld aan van twee Franstalige inwoners in Lennik die verwikkeld zijn in een burgerlijk geschil. Het is evident dat dit dossier ook Nederlandstalige stukken zal bevatten.

Spreker verwijst ook naar de studies van professor Frans De Pauw, die stelt dat men moet streven naar meer tweetaligheid. Hij stelde dat elke Brusselse magistraat tweetalig moest zijn. Ieder dossier is immers taalgemengd en dat zal door de voorliggende teksten niet worden beperkt.

Het meest frappante bewijs van het gebrek aan respect voor de Nederlandstaligen in het beleid dat de acht partijen willen voeren, is het feit dat de procureur des Konings en de arbeidsauditeur te Brussel voortaan altijd Franstaligen zullen moeten zijn. Dat leidt tot een beroepsverbod voor Nederlandstaligen, wat discriminatoir is en een trieste primeur. Topjobs in een tweetalig gewest worden dus voorbehouden aan Franstaligen. Het wordt onmogelijk een perfect tweetalige procureur te hebben met een Nederlandstalig diploma; hij kan enkel adjunct worden. Het Grondwettelijk Hof zal zich daarover moeten uitspreken.

Als men die regel echter wil doortrekken en de pariteit wenst te doorbreken, dan zou men moeten stellen dat alle topfuncties op het federale niveau aan Nederlandstaligen moeten worden voorbehouden.

De heer Delpérée wijst erop dat er in het Brussels Parlement 17 zetels zijn voorbehouden voor Nederlandstaligen.

De heer Vanlouwe is van oordeel dat dit geen argument is. Er is geen vergelijking mogelijk tussen de regels voor verkozenen en ambtenaren.

De heer Anciaux verwijst naar de regels met betrekking tot de griffier en de adjunct-griffier in het Brussels Parlement die eveneens tot een andere taalrol dienen te behoren. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor de voorzitter van het Comité I en de voorzitter van het Comité P.

De heer Vanlouwe blijft erbij dat dit niet te vergelijken is. Het gaat in casu immers niet om een alternerend systeem, waarbij de procureur van de ene taalrol kan zijn en de adjunct dan van de andere taalrol moet zijn.

Hier zal de procureur des Konings van Brussel steeds een Franstalige zijn.

Om te besluiten, wil spreker kort stilstaan bij de zogenaamd positieve punten van het akkoord.

Men zou immers blij moeten zijn met het feit dat het parket wel wordt gesplitst.

Er zal dan misschien in het arrondissement Halle-Vilvoorde een eigen strafrechtelijk beleid kunnen worden gevoerd; alleen wordt het aantal magistraten verminderd en zal de gerechtelijke achterstand dusdanig oplopen dat er geen veroordelingen meer zullen kunnen worden uitgesproken. Er zullen geen rechters meer zijn om uiteindelijk te kunnen veroordelen. Een maat voor niets dus.

Bovendien zal het parket in het arrondissement Halle-Vilvoorde geen volwaardig parket zijn. De procureur zal immers niet de korpschef zijn van al zijn magistraten. Sommigen van hen worden immers vanuit Brussel gedetacheerd. Het toezicht op die Franstalige parketmagistraten in Halle-Vilvoorde berust exclusief bij de procureur van Brussel. Tuchtsancties voor de Franstalige parketmagistraten in Halle-Vilvoorde zullen enkel door die laatste kunnen worden opgelegd. De procureur in Halle-Vilvoorde heeft op dat vlak geen enkele bevoegdheid.

Spreker zou ook blij moeten zijn met het feit dat de rechtbanken worden opgedeeld in Nederlandstalige en Franstalige rechtbanken. De Franstalige rechtbanken mogen echter wel recht blijven spreken in gans Halle-Vilvoorde. Het territorialiteitsbeginsel wordt dus niet gerespecteerd. Waar zit dan de verbetering ?

Tevens zou men blij moeten zijn dat er eindelijk een werklastmeting komt. Nu al staat vast dat die werklastmeting niet objectief zal zijn, en enkel voordelen zal inhouden voor de Franstaligen, niet voor de Nederlandstaligen.

Zich verheugen over de overgangsmaatregel, zijnde een verhouding van 27/80 in plaats van 20/80, zit er ook niet in. Nu immers is al duidelijk dat die 27 % Nederlandstaligen niet zullen volstaan en dat de gerechtelijke achterstand verder zal oplopen. Van de arbeidszaken zijn bijvoorbeeld 29 tot zelfs 40 % Nederlandstalig.

Ten slotte komt er een Nederlandstalige procureur in Halle-Vilvoorde, de logica zelve. Tegelijkertijd is de procureur in Brussel echter steeds een Franstalige.

Spreker kondigt dan ook verschillende amendementen aan, waaronder een voorstel dat destijds mede werd uitgewerkt door de heren Vandenberghe en Verherstraeten. De amendementen zullen ertoe strekken een echte splitsing door te voeren, met eerst een objectieve werklastmeting en pas daarna de hervorming. Voorts moet de rechtspleging in Halle-Vilvoorde terug aan Nederlandstalige rechters worden toevertrouwd en mogen zij niet worden vervangen door Franstalige magistraten. Ten slotte moeten de Brusselse procureur en arbeidsauditeur ook een Nederlandstalige kunnen zijn.

Spreker besluit dat deze hervorming aanleiding zal geven tot straffeloosheid. Ze bewijst hoe weinig respect de acht partijen voor de Vlamingen hebben. Hun wensen worden gewoon van tafel geveegd, terwijl de Franstaligen worden overladen met cadeaus. Het kind van de rekening zullen alle Vlamingen zijn, alle rechtzoekenden, niet enkel zij die in Brussel of Halle-Vilvoorde wonen.

Deze splitsing werd door niemand gevraagd, niet door de gerechtelijke actoren, noch door de Vlaamse Beweging. Zij dient enkel de belangen van de Franstaligen die hier een tiental cadeaus krijgen. Bovendien draagt zij de kiemen in zich van de volgende communautaire crisis.

Men zou beschaamd moeten zijn dit nog maar durven te verdedigen.

De heer Laeremans sluit zich hierbij aan en is verheugd over het betoog van de voorgaande spreker. Het is immers meer dan nodig dat men over dit bijzonder schandelijk akkoord zijn stem verheft. Het akkoord is een triomftocht voor de Franstaligen en is dermate irrationeel dat men de makers ervan zou moeten verdenken knettergek te zijn, quod non. Indien men het akkoord echter wetens en willens blijft verdedigen, dan zit er niets anders op dan deze partijen te beschuldigen van enige immoraliteit. Het betreft hier oplichting van niets vermoedende burgers. De Vlamingen worden beroofd van hun rechters. Die worden vervangen door Franstalige rechters en dit om zeer oneerbare motieven, namelijk machtspolitiek. De onderhandelaars bleken voor het merendeel al te onervaren en pogen nu dit fout akkoord goed te praten. Zowel magistraten, advocaten, als de Hoge Raad voor de Justitie en de Raad van State leveren kritiek en steken een waarschuwende vinger op, maar men blijft volharden in de boosheid, tegen alle gezond verstand in. Het is een geluk voor deze partijen dat slechts weinig kranten het lef hebben hiervan een grondige analyse te maken en het akkoord aan te klagen. Men houdt de bevolking dom.

Een eerste bedenking betreft de uitbreiding van de bevoegdheid van de Franstalige rechtbanken. Vandaag zijn de Franstalige kamers slechts beperkt bevoegd voor Halle-Vilvoorde, althans in burgerlijke zaken en dit wegens het intra of extra muros-principe. Nu worden de Franstalige rechtbanken gelijkwaardig bevoegd voor de 54 gemeenten van Brussel-Halle-Vilvoorde. Wat de rechtbanken betreft, heeft het model « Maingain » het dus gehaald. Dit heeft fenomenale gevolgen voor Halle-Vilvoorde. Nederlandstaligen uit Halle-Vilvoorde zullen immers vrijwillig kunnen verschijnen voor de Franstalige rechtbank en de procedure in het Frans voeren, omdat ze sneller verloopt. Door deze gelijkwaardige bevoegdheid ontstaat er concurrentie, wat de aanzet is tot de juridische verfransing van Vlaams-Brabant.

Tevens is er de onderwerping van Nederlandstalige vrederechters, zelfs in kantons zonder faciliteiten, aan de Franstalige voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van Brussel die een vetorecht krijgt. De term « schoonmoeder » is hier wel degelijk op zijn plaats.

Spreker verwijst ook naar de vereenvoudiging van de procedure voor taalwijziging, die verwordt tot een minimale formaliteit. Aldus zullen zaken naar Franstalige rechtbanken worden gedraineerd en dat niet alleen in Brussel. Dit verhindert dat Vlaanderen ooit autonoom zal worden inzake Justitie.

Een volgende nieuwigheid die de heer Laeremans een doorn in het oog is, betreft de detachering van Franstalige parketmagistraten uit Brussel naar Vlaams-Brabant. Zij blijven echter onder het hiërarchisch gezag staan van de Franstalige procureur des Konings van Brussel. Spreker is ervan overtuigd dat deze situatie zal leiden tot een voorkeursbehandeling van niet-Nederlandstalige delinquenten. Zo krijgt men een justitie met twee maten en twee gewichten. Dat betekent een achteruitgang ten opzichte van de huidige situatie, want vandaag worden dergelijke dossiers behandeld door tweetalige Nederlandstalige magistraten.

Voorts wordt een verregaande bemoeizucht van Brussel met het gerechtelijk arrondissement Halle-Vilvoorde geïnstitutionaliseerd. De vrederechters van Meise, Kraainem en Sint-Genesius-Rode worden mee onder het hiërarchisch gezag geplaatst van de Franstalige — en ook de Nederlandstalige — voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg. Beide voorzitters zijn samen korpsoverste van deze vrederechters.

Een gelijkaardige situatie wordt in het leven geroepen voor de hiërarchische organisatie van het parket. De Brusselse procureur des Konings treedt namelijk op als hiërarchisch overste van de gedetacheerde Franstalige parketmagistraten in de gerechtelijke kantons van Halle-Vilvoorde.

Er bestaat echter geen corrolarium voor de Nederlandstalige procureur des Konings ten opzichte van Brussel. De Franstalige procureur staat blijkbaar hoger in de hiërarchie dan de Nederlandstalige procureur ...

Totaal onaanvaardbaar is nog, zo vervolgt de heer Laeremans, de institutionalisering van de suprematie van de Franstaligen in Brussel : de Brusselse procureur des Konings moet voortaan van rechtswege steeds een Franstalige zijn. De taalevenwichten die er in dit verband tot nog toe bestonden, worden hierdoor dan ook geschonden. Het risico is dan ook reëel dat op termijn het veiligheidsbeleid in de hoofdstad, het belangrijkste gerechtelijk arrondissement van het land, een zuivere Franstalige aangelegenheid wordt. Zowel de Brusselse procureur-generaal als de procureur des Konings zullen immers Franstaligen zijn. Dit is eens te meer een bewijs van het feit dat Brussel een Franstalige stad wordt, waar Nederlandstaligen duidelijk in een ondergeschikte positie staan. De heer Laeremans kondigt aan dat er hoe dan ook een procedure bij het Grondwettelijk Hof zal worden ingeleid, om de voorgestelde bepalingen te laten toetsen aan het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Een gelijkaardig initiatief werd ook reeds aangekondigd door de Orde van de Vlaamse Balies.

Spreker is van oordeel dat de nieuwe bepaling een soort van taalracisme wettelijk verankert.

Bij wijze van repliek op de verklaring van de heer De Decker dat de wet toch in een Nederlandstalige procureur des Konings voor Halle-Vilvoorde voorziet, antwoordt de heer Laeremans dat het niet opgaat om de eentalige gemeenten van het arrondissement Halle-Vilvoorde — en daar horen ook de faciliteitengemeenten bij — te vergelijken met het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.

De heer De Decker antwoordt dat de nieuwe regeling is ingevoerd op basis van het groot verschil tussen het aantal Franstalige en Nederlandstalige dossiers. Tevens wenst spreker als volgt te repliceren op een eerdere tussenkomst van de heer Vanlouwe : het is niet zo dat men in Brussel systematisch Franstalige topambtenaren en Nederlandstalige adjuncten benoemd. Dit is absoluut niet juist. In de administratie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, kent men een volledige taalpariteit voor de functies van directeur van niveau A3 tot A7.

De heer Laeremans verklaart vast te stellen dat op het federale niveau net het omgekeerde gebeurt bij wijze van compensatie. Op federaal niveau worden de Franstaligen als taalminderheid systematisch bevoorrecht; dat gaat van de federale regering tot de kleinste federale administratie. Dit systeem behoort tot de grote evenwichten in ons land. Maar de voorgestelde bepalingen met betrekking tot de benoeming van de procureur des Konings van Brussel en diens taalaanhorigheid, doorbreken juist deze bestaande evenwichten en vormen dan ook een zeer gevaarlijk precedent.

Bovendien komt op deze wijze ook het taalevenwicht in de schoot van de Raad van procureurs des Konings in het gedrang : door de nieuwe situatie zullen er in deze raad zeven Franstalige procureurs zitting hebben en zes Nederlandstalige.

Een volgende nieuwe maatregel die in de ogen van de heer Laeremans geen genade vindt, is de bij wet vastgestelde verdeelsleutel 80 % — 20 %.

De heer Delpérée repliceert dat het in dit geval om een forfaitaire verdeling gaat.

De heer Laeremans laakt het feit dat men, ondanks de kritische bedenkingen van de Raad van State en de Nederlandstalige magistraten en advocaten, Oost-Indisch doof blijft voor rationele argumenten en dat men dit dan probeert te verbergen achter het verhaal van de werklastmeting. Maar dat is louter oogverblinding, want over de uitkomst van deze werklastmetingen bestaat nog zeer veel onduidelijkheid.

Bovendien gelooft spreker niet in de verklaring van de heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, dat het aantal Nederlandstalige magistraten zou worden opgetrokken tot 27 %. Dit zal enkel gaan om een zeer tijdelijke maatregel, die wellicht niet zal standhouden.

Vervolgens wenst de heer Laeremans de aandacht te vestigen op het standpunt van de heer Fernand Keuleneer, een vooraanstaand advocaat (Bron : « Fernand Keuleneer en het gerechtelijk arrondissement BHV », Gazet van Antwerpen, 4 juni 2012) :

« Vooreerst wordt in justitie nog maar eens het geld over de balk gegooid. De (zinloze) kost van deze veranderingen is enorm. Als er al middelen voor zijn ...

De tweetaligheid te Brussel wordt drastisch afgebouwd. Bij de ontdubbeling van de rechtbanken worden de Vlamingen op onvoorstelbare en geen enkele basis te verantwoorden wijze benadeeld, wat in de eerste plaats in het nadeel van de rechtzoekende zal zijn. De procureur des Konings te Brussel zal altijd een Franstalige zijn. In Halle-Vilvoorde wordt de strafrechtspleging in grote mate verfranst; er komt een Vlaams would-be parketje, dat zich kan specialiseren in side-shows, met daarnaast een stevige Franstalige branche van het Brussels parket die zich op de echte criminaliteit toelegt.

De fundamentele evenwichten van de taalwet worden op de helling gezet, zonder dat de Vlamingen daar ook maar iets bij winnen. Je merkt al aan de regeling voor het parket dat het onderscheid extra muros/intra muros ook in burgerlijke zaken dreigt te verdwijnen. De Franstalige rechtbanken zullen trouwens veel groter zijn en meer middelen hebben.

Het is weliswaar juist dat voor de regeling van de taal van de procedure de taalwet op dit ogenblik grotendeels intact blijft, de versoepeling van de taalwijziging en -doorverwijzing niet te na gesproken. Maar de pijlers van het bouwwerk worden deskundig uitgehold en de constructie zal het binnen niet al te lange tijd begeven.

Een onderbelicht aspect is dat geschillen over de fundamentele beginselen van de taalwet in de toekomst beslecht worden door de Brusselse arrondissementsrechtbanken, waar de voorzitter de beslissende stem heeft, zonder mogelijkheid van verzet of beroep ! En dit alles wordt in de Grondwet verankerd.

En last but not least : een groot deel van de strafrechtelijke zaken in Halle-Vilvoorde zal wellicht opnieuw door Franstalige advocaten behandeld worden. Dit zal zich uitbreiden naar burgerlijke en handelszaken, en op termijn zal de Franse Orde van Advocaten wellicht ook weer leden in Vlaams-Brabant mogen hebben. Is de advocatuur dan geen belangrijke economische sector voor Vlaanderen ?

De Vlaamse onderhandelaars hebben blijk gegeven van grote incompetentie en van een schrijnend gebrek aan enig strategisch inzicht. Wat dat laatste betreft, kunnen ze zich wel pogen te verschuilen achter de Vlaamse Beweging die aan hetzelfde euvel lijdt. De splits-o-manie heeft tot het voorspelbare en voorspelde resultaat geleid. De Vlaamse belangen werden niet verkocht, want bij een verkoop krijg je iets terug. Het werd gewoon een gratis weggeefactie. De Franstaligen zijn overigens stomverbaasd over wat ze in deze onderhandelingen allemaal uit de brand hebben gesleept.

Kortom : deze herziening van het gerechtelijk arrondissement BHV is een gedrocht, het is een fiasco over de hele lijn. Wie vijf jaar geleden zei dat dit als resultaat uit de bus zou komen, werd weggehoond en weggelachen. Nu schijnt iedereen deze beslissende politieke nederlaag normaal te vinden.

De Nederlandstalige magistraten schrijven in hun brief aan de parlementsleden dat het wel bijzonder cynisch is dat deze hervorming de werking van justitie wil verbeteren. »

Om te begrijpen hoe erg de nieuwe situatie wel zal zijn voor de Nederlandstaligen, grijpt de heer Laeremans terug naar de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Deze wet hield in belangrijke mate rekening met het eentalig karakter van Halle-Vilvoorde. Dit gebied binnen het gebied van het gerechtelijk arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde werd als « extra muros » aangegeven en beschouwd als eentalig gebied.

Met de taalwetten van 1963 werden de grenzen van de taalgebieden vastgelegd en ontstonden de faciliteitengemeenten, waar individuele tegemoetkomingen gelden voor Franstaligen. Zo kunnen vredegerechten Franstalige vonnissen vellen, waartegen bij een Franstalige rechter in beroep kan worden gegaan. Voor het overige gebeuren dagvaardingen in Vilvoorde altijd in het Nederlands en wordt de procedure in principe in het Nederlands gevoerd.

In heel het land kan van deze regeling worden afgeweken als beide partijen dat bepleiten voor de rechter. De heer Laeremans wenst van de staatssecretaris voor Staatshervorming te weten of deze bij wet voorziene mogelijkheid vaak wordt toegepast en, in voorkomend geval, hoe vaak. Waarom wordt de bestaande regeling, waarover toch geen klachten bestaan, gewijzigd ? Bovendien is spreker van oordeel dat de nieuwe regeling de organisatie van justitie de facto betonneert op het federale niveau en de evolutie naar meer autonomie voor de deelgebieden inzake de gerechtelijke organisatie verhindert.

Sedert de splitsing van de Brusselse balie in 1985, wordt de eentaligheid van Halle-Vilvoorde ook gerespecteerd door advocaten. Artikel 430 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt zeer duidelijk dat enkel de advocaten van de Nederlandstalige Orde hun kantoor kunnen hebben in het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde. De Franstalige advocaten hebben hun kantoor enkel binnen de muren van de 19 Brusselse gemeenten, zélfs niet in de faciliteitengemeenten.

Ook deze regeling dreigt, aldus de heer Laeremans, op de helling te komen staan. Dit terwijl de huidige situatie op dit punt toch als bevredigend wordt ervaren.

De in Brussel legendarische gerechtelijke achterstand is onder meer te wijten aan het feit dat de organisatie van de Brusselse rechtbank en het Brussels parket veel te groot en te log is. De heer Laeremans is ervan overtuigd dat hieraan enkel kan worden geremedieerd door een volledige (verticale) splitsing door te voeren van zowel het parket als de rechtbanken. In zijn wetsvoorstel nr. 5-755/1 worden afzonderlijke Nederlandstalige rechtbanken voor Halle-Vilvoorde opgericht met een eigen parket (met behoud van de faciliteiten in de zes randgemeenten en dus een aantal tweetalige magistraten). Daarnaast komen er een tweetalig parket in Brussel en gesplitste, eentalige Nederlandstalige en Franstalige rechtbanken in Brussel. Een kwart van de magistraten in Brussel zou Nederlandstalig zijn.

Dit voorstel garandeert een leefbare Nederlandstalige rechtbank voor Brussel.

De door de Kamer overgezonden teksten voorzien in een 80 %-20 %-verdeelsleutel die, zeker in burgerlijke zaken, in het nadeel van de Nederlandstaligen zal zijn : de werklast voor de Nederlandstaligen zal vaak hoger zijn dan de voorziene 20 %. Volgens de heer Laeremans mag men niet uit het oog verliezen dat heel wat verzekeringsmaatschappijen hun maatschappelijke zetel in Brussel hebben. Hun dossiers worden dan ook voor de Brusselse politierechtbank ingeleid. De werklast voor de Nederlandstalige magistraten ligt bij deze rechtbank dan ook veel hoger dan 20 %.

In verband met de tweetaligheidsvereiste wijst de heer Laeremans erop dat in de toekomst slechts een derde van de magistraten per rechtbank nog over de kennis van de tweede landstaal zal moeten beschikken. In het recente verleden werden de taalexamens reeds versoepeld en werd de regeling van de toegevoegde rechters toegepast. Toch was dit nog onvoldoende voor de Franstaligen, terwijl zij toch sterk bevoordeeld worden door het systeem van de toegevoegde rechters : voor de rechtbanken van eerste aanleg werden er immers bijna uitsluitend Franstalige rechters toegevoegd. Hierdoor werd dan ook de een derde -regel omzeild !

Het wetsvoorstel nr. 4-133/1 « tot wijziging van diverse bepalingen met het oog op de oprichting van Nederlandstalige en Franstalige rechtbanken van eerste aanleg en de splitsing van het parket bij de rechtbank van eerste aanleg in het gerechtelijk arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde », van eresenator Hugo Vandenberghe inspireerde zich op de in 1985 doorgevoerde splitsing van de Brusselse balie.

Een van de belangrijkste argumenten van de heer Vandenberghe tegen een verticale splitsing is dat op deze wijze de Vlaamse aanwezigheid in Brussel sterk zou worden verzwakt. Dit argument is niet overtuigend. In december 2010 telde de Nederlandse Orde (dat zijn de Vlaamse advocaten bij de Brusselse rechtbank) 2 481 advocaten, waarvan er liefst 1 912 kantoor hielden in Brussel en slechts 569 in Halle-Vilvoorde. Met 1 912 advocaten blijft de Nederlandstalige Brusselse balie nog steeds groter dan de Antwerpse (1 836 advocaten). De Vlamingen moeten dan ook geen schrik hebben dat ze bij een verticale splitsing in Brussel onvermijdelijk zouden worden gemarginaliseerd. Veel hangt af van de wijze waarop deze splitsing zal worden voltrokken en van de grootte van de nieuwe Nederlandstalige rechtbank in Brussel.

De handhaving van het huidige gerechtelijk arrondissement verhindert dat er een op provinciale basis georganiseerde rechtbank zou komen in Vlaams-Brabant (zoals dat inmiddels werd overeengekomen in het akkoord over Veiligheid en Justitie van 28 oktober). Bovendien wordt tevens verhinderd dat Vlaanderen inzake justitie op termijn over gans zijn grondgebied autonoom zou kunnen worden.

Eigenlijk wordt Halle-Vilvoorde een aanhangsel van Brussel. Zelfs als dit iets minder waar is voor het parket, blijft Halle-Vilvoorde in bepaalde opzichten ondergeschikt aan het parket van Brussel, al is het maar door de 5 gedetacheerde magistraten.

Het zal in elk geval onmogelijk zijn om op het vlak van justitie tot een homogene situatie te komen voor heel Vlaanderen. Het nieuwe systeem zal in een wet worden gebetonneerd en zal onomkeerbaar zijn.

Marc Van Peel heeft ooit gezegd dat de splitsing van Justitie belangrijker was dan die van BHV. Als men ooit naar een autonome Vlaamse justitie wil gaan, zal men geen andere keuze hebben dan om zich tot de Franstaligen te wenden teneinde een bijzondere meerderheid te krijgen, of zal men België moeten splitsen.

Spreker ziet 2014 als een mogelijke datum om de splitsing van België aan te kondigen en 2015, de 185e verjaardag van het land, als het moment waarop België definitief kan ophouden te bestaan. Spreker verwijst naar wat er in Tsjechoslovakije is gebeurd.

De heer Delpérée merkt op dat Praag nog steeds de hoofdstad is van Tsjechië.

De heer Anciaux zegt dat hij in de hele wereld geen enkele situatie kent die vergelijkbaar is met België, met een hoofdstad als Brussel. Het is perfect mogelijk om België te splitsen, maar degenen die dit doen zullen mede verantwoordelijk zijn voor het feit dat de Vlamingen in Brussel dan in een eentalig Franse stad zullen wonen.

De heer Laeremans denkt dat het omgekeerd is : het is de hervorming die nu wordt voorbereid, die dit tot gevolg zal hebben. De overheersing van de Franstaligen wordt geïnstitutionaliseerd, ondermeer door ervoor te zorgen dat de procureur van Brussel altijd een Franstalige is. Het gaat niet eens om een verborgen agenda.

Daarbij komt nog de demografische evolutie die de heer De Decker aanhaalde.

De heer De Decker antwoordt dat de Vlamingen het nog nooit zo goed hebben gehad in Brussel, getuige de levenskwaliteit en de Vlaamse culturele activiteit te Brussel, die één van de rijkste van Europa is. Voorgaande spreker heeft daar geen aandacht voor. Hij werkt voor een separatisme dat tot gevolg zal hebben dat Vlaanderen, indien het onafhankelijk wil worden, geen vierkante centimeter van Brussel zal krijgen behalve wanneer het een tweetalige staat wordt, zoals België eerder was. Men kan een miljoen Franstaligen immers niet negeren.

Men heeft het veel over Wallobrux, maar de Brusselaars kunnen indien nodig hun stad ook het statuut van een Stadstaat geven, hoofdstad van Europa.

De heer Laeremans weet dat. In een onafhankelijk Vlaanderen zouden de Brusselaars in een tweetalige hoofdstad leven, waar ook de stukken en officiële documenten tweetalig zouden zijn.

Er is dus het « model Laeremans », het « model Vandenberghe » (vertikale splitsing), en het « model Maingain » (zie stuk Kamer nr. 53-423). Dat laatste wetsvoorstel heet toevallig « Wetsvoorstel ter regeling van de opdeling op taalbasis van de rechtbank van eerste aanleg in het gerechtelijk arrondissement Brussel ». Ook hier stellen de teksten een ontdubbeling voor.

Dat is ook het centrale element : het verschil tussen de ontdubbeling en de splitsing.

De heer Cheron merkt op dat het wel Olivier Maingain is die in de Kamer de tekst van de meerderheid heeft bestreden.

De heer Laeremans meent dat dit laatste argument een vorm van camouflage is.

Staatssecretaris Verherstraeten ontkent met klem dat de acht onderhandelende partijen het systeem van de heer Maingain zouden hebben verkozen.

De verschillende wetsvoorstellen die in het verleden zijn ingediend inzake het gerechtelijk arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde en de eventuele splitsing daarvan, draaiden rond twee spillen.

De eerste is die waarbij de bevoegdheid van de rechtbank berust op territorialiteit. Is de rechtbank al dan niet bevoegd voor het geheel van het arrondissement Brussel en Halle-Vilvoorde ?

De tweede is die van de wetgeving inzake het gebruik der talen. In de huidige situatie is een tweetalige Brusselse rechtbank bevoegd voor het gehele arrondissement van Brussel en van Halle-Vilvoorde, maar is het de wet op het taalgebruik (cf. artikel 622 van het Gerechtelijk Wetboek) die de verdeling bepaalt. Het klopt inderdaad dat de heer Maingain, net als anderen waaronder de heer Vandenberghe, de ontdubbeling van de rechtbank heeft voorgesteld, met andere woorden de oprichting van twee eentalige rechtbanken die bevoegd zijn voor het gehele arrondissement. Wat de verdeling op basis van taal betreft is het voorstel van de acht mede-ondertekenaars echter helemaal tegengesteld aan dat van de heer Maingain.

Inzake wetgeving op het gebruik der talen heeft Oliver Maingain eenvoudigweg gekozen voor het principe van de persoonlijkheid, terwijl de acht mede-ondertekenaars artikel 3 volledig en artikel 4 bijna volledig behouden, uitgezonderd een paar regels inzake de verwijzing op basis van de taal (die in verband staan met de ontdubbeling van de rechtbank) en het recht om beroep in te stellen.

Wat de heer Laeremans zegt klopt dus niet helemaal.

De heer Laeremans antwoordt dat hij niet letterlijk de teksten bedoelt maar het model wat er aan de basis van ligt.

Staatssecretaris Verherstraeten werpt op dat de vorige spreker zowel de heer Maingain als de heer Vandenberghe verkeerde woorden in de mond legt. Spreker verwijst naar het wetsvoorstel dat de heer Vandenberghe in 2003 indiende (zie stuk Senaat, nr. 3-159/1), dat heringediend werd in 2007 maar sindsdien niet meer geactualiseerd werd. In de toelichting over artikel 23 wordt duidelijk uiteengezet dat de twee rechtbanken die ontstaan na de ontdubbeling bevoegd blijven zowel voor Brussel als voor Halle-Vilvoorde.

De heer Vanlouwestelt de vraag of uit hetgeen werd gezegd zou kunnen worden afgeleid dat de voorliggende teksten in de lijn liggen van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe.

Staatssecretaris Verherstraeten antwoordt dat dit niet is wat hij gezegd heeft. De voorliggende teksten wijken uiteraard af van het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe, aangezien dit laatste wijzigingen voorstelt aan artikel 622 van het Gerechtelijk Wetboek die door de acht mede-indieners van het huidige voorstel niet zijn overgenomen. Er zijn gedeeltelijk elementen gebruikt die uit het wetsvoorstel van de heer Vandenberghe komen, gedeeltelijk ook elementen uit het voorstel van de heer Maingain, maar op het vlak van de verdeling naar taal, verschillen de huidige teksten van beide voorstellen.

De heer Vanlouwe zou graag meer duidelijkheid krijgen over het territorialiteitsprincipe zoals dit in het voorstel van de heer Vandenberghe wordt toegepast.

Staatssecretaris Verherstraeten verwijst naar de toelichting die voorafgaat aan het voorstel, waar men leest : « De territoriale bevoegdheid voor de Nederlandstalige en Franstalige rechtbanken is identiek (aangezien zij hetzelfde wettelijk bepaalde rechtsgebied bestrijken), maar wordt beperkt door de taal van de rechtspleging. « (stuk Senaat, nr. 3-159/1, blz. 17)

De heer Vanlouwe antwoordt dat men ook moet lezen wat in punt 3 staat van de toelichting die aan dit voorstel voorafgaat : « Aldus worden alle Nederlandstalige zaken behandeld door een Nederlandstalige rechtbank, die territoriaal bevoegd is voor het grondgebied Halle-Vilvoorde-Brussel-Hoofdstad; de Franstalige zaken door een Franstalige rechtbank, die territoriaal bevoegd is voor het grondgebied Brussel-Hoofdstad : een horizontale, asymmetrische splitsing. » (stuk Senaat, nr. 3-159/1, blz. 5, 3.1.1.).

De staatssecretaris herhaalt dat men hier wel degelijk afwijkt van de tekst van de heer Vandenberghe. Er wordt afgeweken waar het artikel 622 van het Gerechtelijk Wetboek betreft en niet waar het de territoriale bevoegdheid van de rechtbank betreft.

De heer Laeremans antwoordt dat de vorige spreker selectieve citaten gebruikt. Met betrekking tot artikel 23 van het voorstel van de heer Vandenberghe staat er verder nog in de toelichting : « Aldus zijn enkel de Nederlandstalige rechtbanken bevoegd voor de zaken waarvoor de bevoegdheid wordt bepaald door een plaats op het grondgebied Halle-Vilvoorde. » (stuk Senaat, nr. 3-159/1, blz. 17) In het algemene deel van de toelichting leest men bovendien : « Aldus worden alle Nederlandstalige zaken behandeld door een Nederlandstalige rechtbank, die territoriaal bevoegd is voor het grondgebied Halle-Vilvoorde-Brussel-Hoofdstad; de Franstalige zaken door een Franstalige rechtbank, die territoriaal bevoegd is voor het grondgebied Brussel-Hoofdstad : een horizontale, asymmetrische splitsing. » (id., blz. 5).

Het resultaat is dat er nog steeds een verschil is tussen de bevoegdheid van de Franstalige en Nederlandstalige rechtbanken wat Halle-Vilvoorde betreft.

Wanneer men een inwoner van Halle-Vilvoorde wil dagvaarden, moet dit in het Nederlands gebeuren en heeft de procedure plaats in het Nederlands, tenzij de procedure in de andere taal wordt aangevraagd. In de toekomst zal die verandering van taal gemakkelijker zijn.

Voor de vrijwillige verschijning verandert de regel. In het huidige systeem moeten twee inwoners van Dilbeek als ze vrijwillig willen verschijnen dat in het Nederlands doen. In de toekomst zal dit dus niet meer het geval zijn.

Staatssecretaris Verherstraeten verduidelijkt dat er in een uitzondering is voorzien voor de regels van openbare orde op het vlak van de territorialiteit.

De heer Laeremans antwoordt dat men eerst moet bepalen wat onder de openbare orde valt en wat niet. Die definitie is vaag.

Het zal voortaan echter wel gemakkelijker zijn om bij vrijwillige verschijning een zaak naar een Franstalig arrondissement over te dragen. Spreker denkt dat het zelfs voor heel eenvoudige geschillen, bijvoorbeeld aangaande een huurovereenkomst, het soort zaken dat voor de vrederechter komt en waarvan men denkt dat ze duidelijk onder de territoriale zaken vallen (bijvoorbeeld vanwege de plaats waar het gebouw ligt) zeer gemakkelijk zal zijn om de zaken naar de dichtstbijzijnde Franstalige rechtbank over te hevelen. Uitzonderingen op het vlak van de openbare orde zijn erg zeldzaam.

De heer Anciaux vraagt of vorige spreker een fundamenteel probleem ziet in het feit dat twee Franstaligen in Vlaanderen of twee Vlamingen in Wallonië die een geschil hebben, de verwijzing kunnen vragen naar een andere rechtbank, om de zaak in hun eigen taal te laten behandelen.

Wat is het nadeel van een dergelijk systeem, dat uiteindelijk zorgt voor een betere rechtspleging ?

De heer Laeremans antwoordt dat dit geen probleem is, zolang het recht overal hetzelfde is. Dit kan wel veranderen als Vlaanderen op een dag beslist om op een bepaald vlak een compleet andere wetgeving in te voeren dan Wallonië.

De heer Delpérée antwoordt dat dit soort gevallen nu al bestaat. De Luikse rechtbank bijvoorbeeld neemt soms beslissingen gebaseerd op Vlaamse decreten.

De heer Anciaux herinnert eraan dat Halle-Vilvoorde momenteel deel uitmaakt van het tweetalig gerechtelijk arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde.

De heer Laeremans merkt op dat « Halle-Vilvoorde » volgens het territorialiteitsprincipe als Nederlandstalig wordt beschouwd.

De heer Anciaux antwoordt dat dit niet zal veranderen. Voor de akten van rechtsingang verandert er niets op het vlak van het gebruik der talen.

De heer Laeremans geeft toe dat de dagvaardingen in het Nederlands zullen zijn opgesteld. De regels voor de vrijwillige verschijning veranderen echter wel. Twee Nederlandstaligen zullen in Vlaams Brabant aan juridische shopping kunnen doen. De twee rechtzoekenden zullen hun zaak voor een Franstalige rechtbank kunnen brengen, die gezien het onevenwicht in de personeelformaties allicht minder overbelast zal zijn dan de Vlaamse rechtbanken.

De heer Deprez ziet niet wat het probleem is, als de rechtzoekenden uit zichzelf beslissen om hun geschil door de ene of de andere rechtbank te laten beslechten, al naargelang hun voorkeur.

De heer Laeremans vindt dat de verdeelsleutel van 80 % Franstaligen en 20 % Nederlandstaligen duidelijk in het voordeel uitvalt van de Franstalige rechtbanken en in het nadeel van de Nederlandstalige. Dit zal ertoe leiden dat de procedures bij de Nederlandstalige rechtbanken langer zullen duren, aangezien zij overbelast zullen zijn. Dit is discriminatie : men werkt met twee maten en twee gewichten. De Nederlandstalige rechtzoekenden worden op die manier indirect aangezet om zich tot Franstalige rechtbanken te wenden, aangezien die over meer middelen beschikken en dus ook zaken sneller kunnen behandelen. Spreker wil de aandacht vestigen op dit onvermijdelijke gevolg van de concurrentie die wordt veroorzaakt door de ontdubbeling van de gerechten op één grondgebied.

De heer Laeremans geeft toe dat de splitsing van het Brussels parket in principe een goede zaak is. Hij vindt het goed dat er een apart parket wordt opgericht voor het arrondissement Halle-Vilvoorde. Op die manier wordt het mogelijk om een strafbeleid te voeren dat aangepast is aan het arrondissement, waar de criminaliteit heel anders is dan die in Brussel.

Eerste opmerking

De splitsing is echter inhoudsloos omdat er binnen het parket van Halle-Vilvoorde Franstalige magistraten worden benoemd — spreker schat dat er vijf zullen zijn — die niet onder de bevoegdheid van de Vlaamse procureur des Konings van Halle-Vilvoorde zullen vallen, maar die onder de Franstalige procureur des Konings van Brussel zullen vallen.

De heer Laeremans vraagt verduidelijking wat de verdeling der magistraten betreft binnen het huidige parket van Brussel. Het parket van Halle-Vilvoorde zal 20 % van het kader van het Brusselse parket krijgen, dat is 20 % van 129 magistraten, hetzij 29 Nederlandstalige magistraten. Er zijn andere cijfers genoemd, onder andere door de gouverneur van Vlaams Brabant, die het had over 31 magistraten en die vond dat het kader zelfs uitgebreid mag worden tot 38 magistraten. Kan de regering de commissieleden hierover toelichten ?

Hij merkt ook nog op dat de Franstalige magistraten die bij het parket van Halle-Vilvoorde gedetacheerd worden, voornamelijk Franstalige zaken zullen behandelen. Wat rechtvaardigt een dergelijke voorrang voor de behandeling van de Franstalige dossiers ? Zijn de Franstalige dossiers belangrijker dan de Nederlandstalige ? Is dit geen beleid met twee maten en twee gewichten ?

Spreker vraagt waarom het absoluut noodzakelijk is dat Franstalige delinquenten die in Halle-Vilvoorde een misdrijf begaan, vervolgd moeten worden door Franstalige parketmagistraten. Zijn de tweetalige Nederlandstalige magistraten van het parket van Halle-Vilvoorde dan niet in staat om deze zaken te behandelen ? Het voorgestelde systeem geeft een gebrek aan vertrouwen aan in de Nederlandstalige magistraten van het parket van Halle-Vilvoorde.

De heer Anciaux zegt dat er geen exclusiviteitsregel geldt. De voorliggende tekst wil niet beletten dat het parket van Halle-Vilvoorde een Franstalige dader vervolgt. Het is de procureur des Konings van Halle-Vilvoorde die de regels zal vastleggen voor het strafrechtelijk beleid in zijn arrondissement. Spreker vindt het positief dat men Brusselse magistraten detacheert naar het parket van Halle-Vilvoorde.

De heer Laeremans is daar niet van overtuigd. Op dit moment behandelen Nederlandstalige parketmagistraten de dossiers van Halle-Vilvoorde, ook de Franstalige zaken.

De heer Anciaux herinnert eraan dat het tweetalig parket van Brussel momenteel bevoegd is voor Halle-Vilvoorde. Een Franstalige substituut kan dus verantwoordelijk zijn voor het dossier over een gijzeling in Halle.

De heer Laeremans antwoordt dat er binnen het Brussels parket een speciale afdeling is, samengesteld uit Nederlandstalige substituten, die de dossiers van Halle-Vilvoorde behandelt.

De heer Vanlouwe vraagt zich af waarom er een detachering is gepland van Franstalige magistraten naar het parket van Halle-Vilvoorde. Het gaat om een politiek signaal. Volstaat het niet om een bepaald aantal Nederlandstalige tweetalige magistraten te hebben ? Waarom zoveel wantrouwen ten overstaan van de tweetalige Nederlandstalige magistraten ? Spreker begrijpt niet waarom men moet overgaan tot de detachering van magistraten die niet onder de hiërarchische bevoegdheid zullen vallen van de procureur des Konings van Halle-Vilvoorde.

De heer Anciaux antwoordt dat het om een politiek compromis gaat.

De heer Verherstraeten, staatssecretaris van de Staatshervormingen, verwijst naar het wetsontwerp. De acht partijen hebben een akkoord bereikt inzake de detachering naar het parket van Halle-Vilvoorde van vijf Franstalige magistraten die functioneel tweetalig zijn. Deze magistraten zullen voornamelijk Franstalige zaken behandelen. Indien de beklaagde de verandering van taal heeft aangevraagd, zullen die magistraten hem vervolgens oproepen voor de Franstalige correctionele rechtbank of politierechtbank.

In het ontwerp is echter geen sprake van exclusiviteit. Ook de tweetalige Nederlandstalige magistraten van het parket van Halle-Vilvoorde kunnen dossiers behandelen waarvoor de verandering van taal is aangevraagd. Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn mocht er een toevloed zijn van Franstalige dossier in Halle-Vilvoorde, die de gedetacheerde magistraten niet de baas kunnen. Men moet echter afwachten hoe de zaken zich op het terrein zullen ontwikkelen. De detachering van Franstalige magistraten is niet bedoeld om de Nederlandstalige magistraten van het parket van Halle-Vilvoorde te provoceren. Deze maatregel komt er om redenen van efficiëntie.

De heer Laeremans vindt dat het voorliggende wetsontwerp de indruk geeft dat alleen de vijf gedetacheerde Franstalige magistraten voor een Franstalige rechtbank kunnen dagvaarden, en dat de Nederlandstalige collega's dat niet kunnen. Hij is dan ook tevreden met de verduidelijkingen van de staatssecretaris.

Tweede opmerking

Spreker wil het eerst hebben over de taalvereisten voor de magistraten die gedetacheerd worden naar Halle-Vilvoorde. Die zijn vrij soepel. Men vraagt om « functionele tweetaligheid » en niet om « grondige tweetaligheid », terwijl deze magistraten in een eentalig Nederlandstalige regio moeten werken. Hoe gaan zij communiceren met de politie, met de andere magistraten, enz., als ze geen grondige kennis van het Nederlands bezitten ? Waarom wordt de lat wat de taalvereisten betreft niet wat hoger gelegd ?

Spreker is ervan overtuigd dat de gedetacheerde magistraten de allofonen in Halle-Vilvoorde gaan aanmoedigen om te kiezen voor een procedure in het Frans. Een groot aantal dossiers zal dan ook doorverwezen worden naar de Franstalige gerechten, die lakser zijn en sneller vrijlaten ...

Op dit moment wordt er voor de politierechtbanken in Halle-Vilvoorde voor ongeveer 1 % van de zaken een verandering van taal gevraagd. Dat is een zeer laag percentage. De verandering van taal en de verwijzing naar Brussel gebeuren niet automatisch. De rechtbank controleert of de dader toch geen Nederlands kent. Het hier voorliggende ontwerp zal de zaken op dat punt volledig wijzigen. Het nieuwe systeem zal de verandering van taal aanmoedigen. Men ontmoedigt de allochtonen om gebruik te maken van de Nederlandstalige rechtbanken. De detachering van de vijf magistraten naar het parket van Halle-Vilvoorde zal dus de integratie van de allochtonen hinderen. Spreker meent dat het beter zou zijn de gedetacheerde Franstalige magistraten te vervangen door Nederlandstalige magistraten met een grondige kennis van het Frans. Er heerst werkelijk een gebrek aan vertrouwen in de Nederlandstalige magistraten.

Derde bedenking

Waarom kunnen die Franstalige parketmagistraten niet onder het hiërarchisch gezag van de procureur van Halle-Vilvoorde worden geplaatst ? Waarom verdeelt men dit hiërarchisch gezag ? Enerzijds wordt het vervolgingsbeleid in het arrondissement Halle-Vilvoorde bepaald door de procureur van dat arrondissement, terwijl het hiërarchisch gezag over de gedetacheerde Franstalige parketmagistraten blijft berusten bij de procureur van Brussel. Hierdoor wordt een soort anarchie gecreëerd waarbij het conflict van meet af aan is ingebakken. Dit staat haaks op de nood aan een eenvormig veiligheidsbeleid in Halle-Vilvoorde waar het essentieel is dat de procureur van dat arrondissement ook hiërarchisch bevoegd is en zo nodig kan ingrijpen. Nergens anders in België is het mogelijk dat de ene procureur de andere als het ware kan saboteren via het systeem van de tuchtrechtelijke bevoegdheid over een magistraat die ressorteert onder een andere procureur.

Vierde bedenking

De voorgestelde regeling druist in tegen het territorialiteitsbeginsel en miskent volkomen het Nederlandstalig karakter van Halle-Vilvoorde. In de faciliteitengemeenten wordt vandaag geen Franstalig personeel benoemd maar enkel personen met een Nederlandstalig diploma, die in een aantal gevallen het bewijs moeten leveren van de kennis van het Frans. Een persoon die bijvoorbeeld in de groendienst van een faciliteitengemeente werkt, moet geen grondige kennis van het Frans hebben.

Gelet op de problematiek van de faciliteitengemeenten, vindt spreker het niet onlogisch dat een deel van de Vlaamse magistraten en parketmagistraten Frans zou kennen. Het is aannemelijk dat Vlaamse magistraten Franstalige vonnissen vellen in beroep tegen een beslissing van de vrederechter bij een Vlaamse rechtbank maar dit verantwoordt nog altijd niet de aanstelling van Franstalige parketmagistraten.

Vijfde bedenking

De voorgestelde regeling zal ervoor zorgen dat het hele onderzoek in dossiers met een anderstalige dader van meet af aan bij een Franstalige onderzoeksrechter komt en grotendeels in het Frans zal worden gevoerd, ook al zijn er tal van andere « Nederlandstalige » elementen. Spreker geeft het voorbeeld van een Oost-Europees of Noord-Afrikaans dieventrio, woonachtig in Halle die inbreekt bij een Nederlandstalig gezin in Dworp met Nederlandstalige getuigenverklaringen en een Nederlandstalig politieonderzoek. Het onderzoek zal, ondanks deze Nederlandstalige elementen, in het Frans worden gevoerd. Zo'n onderzoek zou vandaag in het Nederlands verlopen wegens de bevoegde Nederlandstalige parketmagistraten.

De heer Anciaux vindt deze verklaring niet correct. Een Nederlandstalig persoon die een misdrijf heeft gepleegd, zal nog steeds berecht worden door een Nederlandstalige rechtbank

Zesde bedenking

De Franstalige onderzoeks- en strafrechters zijn van oudsher lakser dan hun Nederlandstalige collega's. Buitenlandse daders, dikwijls Franstalig, zullen dan ook vlotter kiezen voor een Franstalige onderzoeks- of strafrechter.

De heer De Decker herinnert eraan dat de daders van een moord in Ukkel de maximumstraf hebben gekregen voor het Franstalig hof van assisen van Brussel.

Spreker wijst erop dat de personeelsformatie van het parket voor BHV uit 144 magistraten bestaat, maar er ontbreken momenteel 42 substituten van de procureur des Konings in Brussel, voor beide taalrollen samen. Één van de redenen van de algemene « laksheid » in BHV komt door het feit dat die magistraten totaal overstelpt zijn door het aantal dossiers. De procureur des Konings vraagt de politiezones nu feiten zoals bedreigingen en gewone slagen te vervolgen met gemeentelijke administratieve geldboetes.

De heer Laeremans antwoordt dat de personeelsformatie volgens hem 121 magistraten telt en dat er 20 magistraten te kort zijn (2 Nederlandstaligen en 18 Franstaligen).

De Orde van Vlaamse Balies protesteerde ook met klem tegen de detachering van 5 Franstalige parketmagistraten naar Brussel-Halle-Vilvoorde omdat er in Brussel zelf dringend nood is aan tweetalige magistraten.

De heer Jos Colpin, eerste substituut en gewezen woordvoerder van het Brussels parket, reageerde in een interview in de Juristenkrant van 26 oktober 2011 als volgt :

« Hoe halen ze het in hun hoofd ? De mensen hangen af van de procureur in Brussel. Hoe zal de korpschef in Halle-Vilvoorde dan een deftig personeelsbeleid kunnen voeren ? Dit alles geeft de indruk dat men in feite een veredelde adjunct van de procureur des Konings van Brussel wil creëren. Ik hoop dat het zo niet loopt. Bovendien, we hebben die Franstaligen in Halle-Vilvoorde niet nodig. De Nederlandstaligen hebben er voldoende kennis van het Frans om zelf Franstalige zaken te behandelen, zoals dat nu ook al het geval is en de laatste tientallen jaren altijd geweest is. (....) Ik vermoed hier een politieke bedoeling achter, namelijk een (steeds grotere) voet tussen de deur houden in Halle-Vilvoorde als stap naar de uitbreiding van Brussel. »

De heer Fernand Keulenaar, advocaat zegt in de Gazet van Antwerpen van 7 juni 2012 : « Het is mij volstrekt onduidelijk waarom tweetalige Nederlandstalige magistraten van Halle-Vilvoorde niet in staat zouden zijn die Franstalige criminaliteit te behandelen. Het territorialiteitsbeginsel moet wijken voor het personaliteitsbeginsel. Als een Franstalige dader een Franstalige rechtspleging wenst, zijn niet de lokale instanties bevoegd, zelfs als kunnen ze perfect een zaak in het Frans afhandelen maar wel een instantie die in een ander territorium gevestigd is. Niet het territorium maar de taal van de persoon bepaalt de bevoegde instantie. Het personaliteitsbeginsel waarbij bovendien geopteerd wordt voor de taal van de dader in plaats van de taal van het slachtoffer wordt vermengd met het territorialiteitsbeginsel en haalt het op dit beginsel. Dit zal ook op burgerlijk vlak niet zonder uitwerking blijven. De band met het Brussels parket wordt verankerd want de gedetacheerde magistraten blijven gedetacheerd onder de Brussels procureur terwijl de procureur van Halle-Vilvoorde het vervolgingsbeleid bepaalt. Welke feitelijke macht zal deze laatste bij geschillen hebben ? Ik verwacht trouwens dat op langere termijn die Franstalige gedetacheerde magistraten met de Brusselse politie zullen samenwerken en niet met die van Halle-Vilvoorde en dat het volledige onderzoek in het Frans dreigt te verlopen. »

Ook de heer Hendrik Vuye, professor staatsrecht aan de Universiteit Namen (oktober 2011), denkt er ook zo over : « Waarom mogen die zaken niet behandeld worden door tweetalige Vlamingen ? Ik heb er alle begrip voor dat iemand liefst in zijn eigen taal wordt vervolgd maar stellen dat Franstaligen alleen door Franstaligen mogen worden vervolgd, kan echt niet. Dit is etnisch denken dat nooit tot pacificatie kan leiden. (...) Vlamingen en Franstaligen zullen op termijn ontgoocheld zijn : Franstaligen, omdat ze veraf zitten van de gevraagde tweetaligheid, en Vlamingen omdat dit BHV-akkoord het territorialiteitsbeginsel verregaand uitholt. Hoe inhoudsloos wordt territorialiteit immers wanneer in Vlaanderen, Franstalige Brusselse procureurs en Franstalige Brusselse rechters actief zijn. Dit lijkt meer op een zeef dan op een territorialiteit ».

De heer Laeremans wenst de staatssecretaris en partijen van de institutionele meerderheid in totaal 64 vragen voor te leggen.

De eerste 13 vragen betreffen gedetacheerden parketmagistraten en het auditoraat :

1. Hoe wordt gereageerd op de kritiek van de Raad van State dat ook hier de 80/20-verhouding niet gemotiveerd wordt ? Waarom bijvoorbeeld vijf Franstalige parketmagistraten erbij in Halle- Vilvoorde ?

2. Wat bedoelt men in de akkoorden met « het prioritair behandelen » van Franstalige zaken ? Krijgen die op enige wijze voorrang ?

3. Op blz. 8 van de toelichting bij het wetsvoorstel (stuk Kamer, nr. 53-2140/1) wordt gesteld dat de gedetacheerde parketmagistraten bij voorrang de zaken behandelen waarbij de verdachte voor de Franse taal kiest. Kan dit worden verduidelijkt ? Wat is het verschil tussen beide procedures ?

4. Betekent « bij voorrang » dat die Franstaligen, die geen bewijs hebben van de grondige kennis van de Nederlandse taal, ook dossiers van Nederlandstaligen gaan doen ?

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor de Staatshervorming, antwoordt dat de Nederlandstalige parketmagistraten van Halle-Vilvoorde en Brussel zijn verbonden aan de Rechtsbank van eerste aanleg van « Brussel-Nederlandstalig ». De Franstalige parketmagistraten bij het parket van Brussel en bij het parket van Halle-Vilvoorde, zijn verbonden aan de Franstalige rechtbank van Brussel. Overeenkomstig artikel 12 van de wet 5 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken dient de vordering (dus met andere woorden de dagvaarding), als die voor een Franstalige rechtbank van Brussel moet gebeuren, afgehandeld te worden door parketmagistraten, verbonden aan die rechtbank. Dus als voor een Nederlandstalig dossier in Halle-Vilvoorde de taalwijziging is gevraagd naar het Frans, dan zou er voor de Franstalige strafrechtbank moeten worden gedagvaard. De vordering in deze zaak zal dan worden uitgeoefend door een Franstalige parketmagistraat omdat hij met toepassing van artikel 12 van de wet van 5 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, de enige is die verbonden is aan die Franstalige rechtbank.

De heer Laeremans is van mening dat de heer Verherstraeten zo-even het tegenovergestelde heeft gezegd.

De heer Verherstraeten antwoordt dat hij daarnet enkel heeft gesteld dat er geen exclusiviteit is, zoals de heer Laeremans trouwens terecht heeft opgemerkt. Maar als uiteindelijk, aan het einde van een onderzoek, een vordering uitmondt in een dagvaarding, dan is uiteraard artikel 12 van de wet van juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken van toepassing.

De heer Laeremans concludeert hieruit dat enkel een van de vijf gedetacheerde magistraten op de zitting zal kunnen vorderen.

De heer Verherstraeten antwoordt dat men een onderscheid dient te maken tussen het onderzoek en de vordering. Bovendien zijn er diverse mogelijkheden om de strafvordering uit te oefenen : de rechtstreekse dagvaarding, de gewone dagvaarding of, in geval van een gerechtelijk onderzoek, de regeling van de rechtspleging door de raadkamer.

Noch artikel 12 noch artikel 16 van de wet van 5 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken worden door het wetsvoorstel gewijzigd. Bijgevolg verandert er in de praktijk niets.

De heer Laeremans is van mening dat er op dit moment geen inwoner van Halle-Vilvoorde onmiddellijk voor een Franstalige rechtbank kan worden gedagvaard.

De vijf Franstalige parketmagistraten zullen wel kunnen dagvaarden

De heer Anciaux ontkent dit. Maar de verdachte kan wel een taalwijziging vragen waardoor de zaak naar een Franstalige rechtbank wordt verwezen. Zo zal een verdachte bij het eerste verhoor vragen dat de procedure in het Frans wordt gevoerd en woonplaats kiezen bij een Franstalige advocaat in Brussel. Daardoor zal dagvaarding ook in het Frans kunnen gebeuren.

De heer Deprez geeft het voorbeeld van een tweetalige Franstalige in Brussel-Halle-Vilvoorde die de procedure in het Nederlands wenst te volgen. Hij kan dat in het Nederlands voor een Nederlandstalig magistraat doen. Een perfect tweetalige Nederlandstalige die een misdrijf heeft gepleegd, zal liever worden berecht door een Franstalig magistraat, gelet op de zogenaamde laksheid van de Franstalige magistraten.

De heer Laeremans is van oordeel dat de criminaliteit vooral door allochtonen wordt begaan om allerlei, onder meer culturele, redenen. Een buitenlander of een Belg van buitenlandse afkomst zal nu aan « legal shopping » kunnen doen.

De heer Anciaux vindt het onterecht dat de heer Laeremans schijnt te denken dat door de splitsing van het parket de situatie erop achteruit zal gaan. Het omgekeerde is waar.

De heer Laeremans heeft onthouden dat aan de dagvaarding niets wordt veranderd. Een Franstalige met een dossier dat in het Frans behandeld wordt door zo'n gedetacheerde parketmagistraat moet in elk geval passeren langs de Nederlandstalige rechtbank. Het is aan de beklaagde om taalwijziging te vragen maar het blijft een merkwaardig systeem.

5. Waarom moeten die Franstalige magistraten slechts « functioneel tweetalig » zijn en niet « grondig tweetalig », terwijl ze toch in eentalig Nederlandstalig gebied werken ? Kunnen zij in die omstandigheden Nederlandstalige zaken behandelen en in het Nederlands vorderen ?

De heer Verherstraeten antwoordt dat deze parketmagistraten verbonden zijn aan de Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel en bijgevolg enkel in het Frans kunnen vorderen voor de Franstalige rechtbanken, net zoals Nederlandstalige magistraten in Halle-Vilvoorde, verbonden aan de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg in Brussel, enkel in het Nederlands kunnen vorderen voor de Nederlandstalige rechtbanken.

6. Waarom is een detachering van Franstalige parketmagistraten noodzakelijk en waarom volstaan geen tweetalige Nederlandstaligen ?

7. Hoe is de regeling vandaag ? Hoeveel magistraten telt de sectie Halle-Vilvoorde ? Klopt het dat dit allemaal Nederlandstaligen zijn en dat de zaken van anderstaligen uit Halle-Vilvoorde momenteel behandeld worden door tweetalige Nederlandstaligen ?

8. Hoeveel zaken uit Halle-Vilvoorde zijn momenteel Nederlandstalig, hoeveel Franstalig ?

9. Zal de nieuwe regeling ertoe leiden dat de politie uit Halle-Vilvoorde onderzoeksdaden in het Frans zal stellen ? Zullen er opdrachten (bijvoorbeeld kantmeldingen) in het Frans worden gegeven ? Wat zullen de verschillen zijn met de huidige situatie ?

10. Heeft dit gevolgen voor de taalvereisten voor de politie van Halle-Vilvoorde ? In welke mate mogen zij Franstalige processen-verbaal opstellen ? Of stellen zij in Franstalige strafdossiers Nederlandstalige processen-verbaal op ? Of zullen de Franstalige parketmagistraten Franstalige politiemensen uit Brussel mogen inschakelen ?

11. Hoe zal men een politiek van twee maten en twee gewichten vermijden ? Spreker verklaart te hebben begrepen dat tot de verschijning voor de rechter een andere taalkeuze nog steeds mogelijk is.

12. Hoe gaat men « shoppen » vermijden ? Bijvoorbeeld, dat buitenlanders die evengoed Franstalig als Nederlandstalig zijn, systematisch voor de Franstalige procedure kiezen omdat deze rechtbank een laksere politiek voert.

13. Waarom plaats men de gedetacheerde Franstalige parketmagistraten onder het hiërarchisch gezag van de Brusselse procureur ? Wat wordt daar concreet mee bedoeld ? Zal dit niet leiden tot tegenstellingen en tot inmenging vanuit Brussel ?

Een volgende reeks vragen betreft het parket en het arbeidsauditoraat van Brussel en inzonderheid de afbouw van de tweetaligheid.

« In afwachting van het vastleggen van de kaders, onder andere volgens de werklastmeting, zal het parket van Brussel voortaan samengesteld zijn uit één vijfde Nederlandstaligen en vier vijfde Franstaligen. Op het geheel van de magistraten zal één derde tweetalig zijn. »

Samen gelezen met het vorige hoofdstuk (parket Halle-Vilvoorde) houdt deze regeling in dat het parket van Brussel een kader behoudt van 97 magistraten, van wie 19 Nederlandstaligen en 78 Franstaligen. De heer Laeremans had in Brussel liever een verhouding 25 %-75 % gezien (cf. zijn eigen wetsvoorstel) in plaats van 20 %-80 %, maar gezien het heel hoge Franstalige werkvolume in strafrechtelijke aangelegenheden in Brussel, kan hij daarmee leven. Toch is die 20 % Nederlandstaligen een absoluut minimum. Als men daaronder zakt, dreigen de Nederlandstalige parketmagistraten helemaal gemarginaliseerd te raken. Dit staat op termijn ook daadwerkelijk te gebeuren, vermits het definitieve kader zal afhangen van de werklastmeting. Voor hem is 20 % een absolute ondergrens.

Wel is spreker het ten zeerste oneens met de afbouw van de tweetaligheidsverplichtingen bij het parket van 2/3 naar amper 1/3. Vermits Brussel een tweetalige stad is en het Brussels parket moet werken met zowel de Nederlandstalige als de Franstalige rechtbank én met Nederlandstalige en Franstalige politiemensen, blijft er nood aan een veralgemeende tweetaligheidsverplichting bij de parketmagistraten. Overigens : waarom wel tweetaligheid eisen van de politie en niet van de beter opgeleide magistraten ?

Vermits de 1/3-regel « in globo » geldt en niet per taalgroep, blijft er nauwelijks enige stimulans over om Franstaligen aan te zetten een tweetaligheidsexamen af te leggen. Minstens zou men aan alle parketmagistraten een passieve kennis van de andere landstaal moeten opleggen, zodat men in staat is anderstalige documenten en vonnissen te begrijpen.

Het is zeer onlogisch en een zoveelste voorbeeld van de gelijkschakeling van Brussel met Vlaams-Brabant, dat de tweetaligheidsverplichtingen even zwaar zijn (telkens 1/3) in Brussel en in Halle-Vilvoorde. Ofwel moet het percentage in Brussel hoger liggen ofwel moet dat van Halle-Vilvoorde lager.

De heer Anciaux repliceert hierop dat het ontwerp bepaalt dat wanneer de werklast gekend zal zijn, de verhoudingen zullen worden aangepast. Van die werklastmeting zal deze regering werk maken.

De heer Laeremans verklaart dat dit een naïeve benadering is en wenst verder een aantal punctuele vragen te stellen :

14. Waarom volstaat één derde tweetaligen in Brussel ? Is het niet noodzakelijk dat alle parketmagistraten zeker in Brussel een minimale kennis van de andere landstaal bezitten ? Is de staatssecretaris bereid een amendement te steunen dat aan alle magistraten minstens een passieve kennis oplegt, zodat ze anderstalige documenten kunnen lezen ?

15. Klopt het dat het vereiste van de 1/3 tweetaligen in globo geldt en niet per taalgroep ? Waarom is dit zo ? Is de staatssecretaris bereid dit te veranderen, om te voorkomen dat alweer alle inspanningen door dezelfde taalgroep geleverd worden ? Momenteel wordt het gros van de tweetaligen door de Nederlandstaligen geleverd. Door de daling van het verplichte percentage zullen de Franstaligen jarenlang geen enkele incentive hebben om de tweetaligheidsproef af te leggen aangezien men onmiddellijk aan het 1/3 zit.

De heer Anciaux vraagt hierop naar het percentage Nederlandstalige strafzaken die voor een strafrechtbank worden gebracht. Wat het parket betreft, vraagt spreker zich af of de werklastmeting niet zal aantonen dat minder dan 20 % van de werklast in Brussel-19 Nederlandstalig is. De overgangsperiode kan dus ook in het voordeel van de Nederlandstaligen uitdraaien.

De heer Laeremans antwoordt dat, blijkens de gegevens verstrekt door de heer Hennart, voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van Brussel, er in het jaar 2010, 2 209 Nederlandstalige vonnissen in strafzaken werden geveld en 6 180 Franstalige, hetzij een verhouding van 26,33 %-73,67 %. Op televisie bestond die magistraat het echter te verklaren dat de verhouding in strafzaken 20 %-80 % is.

De heer Anciaux antwoordt dat volgens de cijfers van de Hoge Raad voor de Justitie, met betrekking tot de correctionele beslissingen, de verhouding 21,70 %-78,30 % bedroeg.

De heer Laeremans verwijst naar het ambtshalve advies van de Hoge Raad voor de Justitie betreffende de splitsing van het gerechtelijk arrondissement te Brussel (blz. 13) dat toch andere cijfers bevat. Hieruit blijkt dat het aantal Nederlandstalige correctionele zaken in 2009, 2010 en 2011 ongeveer 26 à 28 % van het geheel uitmaakte. Slechts voor één aspect, namelijk de correctionele beslissingen, is het percentage in 2011 uitzonderlijk gezakt tot 21,70 %. De institutionele meerderheid heeft juist dat laatste, uitzonderlijk lage cijfer als maatstaf genomen. Dat is niet correct.

De heer Vanlouwe merkt op dat voor een werklastmeting niet alleen de uitstroom belangrijk is, maar ook de instroom, de aard van de dossiers en de eigenlijke werkdruk.

De heer Anciaux vraagt zich af of de geplande werklastmeting, wat het parket in Brussel betreft, niet dicht bij de 20 % — 80 % verhouding zal uitkomen of voor de Nederlandstaligen zelfs lager dan 20 %, zodat de overgangsperiode voor de Nederlandstaligen zelf gunstiger zal zijn dan het resultaat van de werklastmeting.

De heer Laeremans bevestigt dat de werklastmeting zou kunnen uitwijzen dat amper 10 % van het eigenlijke werk in Brussel Nederlandstalig is. Het is niet moeilijk te voorspellen dat op dat ogenblik zelfs de 20 % in vraag gesteld zal worden. Er staat immers dat de werklastmeting er niet toe kan leiden dat het respectievelijk aantal magistraten van elke taalgroep vermindert. Veronderstellen we dat er bij het Brusselse parket 100 magistraten werken, waarvan 20 Vlamingen (20 %). Uit de werklastmeting zal bijvoorbeeld blijken dat er maar 10 % Nederlandstaligen zijn. Franstaligen zullen dan extra magistraten krijgen. Dit leidt er niet toe dat het aantal Vlaamse magistraten onder de 20 zakt, maar wel dat hun aandeel in totaal onder 20 % zal zakken.

De heer Anciaux stelt vast dat de overgangsperiode volgens de heer Laeremans een eeuwigheid zal duren, terwijl hij zelf zegt dat er een werklastmeting zal komen. Volgens de heer Laeremans zal de overgangsperiode ook bijzonder negatief zijn. Maar voor het parket zal het dan toch niet zo negatief zijn. Kan de heer Laeremans beslissen of het negatief of positief zal zijn ?

Volgens de heer Laeremans is de stelling van de heer Anciaux correct wat het parket betreft. Maar zelfs daar is de toestand onzeker. Om te kunnen functioneren in het parket zonder gemarginaliseerd te worden is een bepaald minimumpercentage vereist van ongeveer 20 %. In het parket van Halle-Vilvoorde worden vijf magistraten geplaatst omdat daardoor een soort weerbaarheid, een mini-korps wordt gecreëerd dat zelfstandig kan bestaan en niet gemarginaliseerd wordt. In het Brusselse parket dreigt dat op termijn echter wel te gebeuren met de Nederlandstaligen.

De heer Laeremans heeft over de afbouw van de tweetaligheid nog enkele vragen. Waarom 1/3 tweetaligen in Halle-Vilvoorde en dus hetzelfde percentage als in Brussel ? Waarom worden Halle-Vilvoorde en Brussel op gelijke voet geschakeld ? Zijn de gedetacheerden daarin vervat ? Of is de 1/3 enkel gericht op het vaste kader Nederlandstaligen ?

Dezelfde vraag voor de parketsecretarissen. Waarom moeten enkel zij deels tweetalig zijn en niet de parketjuristen en parketbedienden ? Bij de griffies moet 1/3 Nederlandstalig zijn, bij de parketten niet. Hoe wordt het verschil in behandeling verantwoord en wat is de oorzaak ervan ? Wat is de huidige situatie ? In hoofde van wie zijn er taalverplichtingen ? Is er ook hier een afzwakking of zelfs een wegvallen van taalvereisten ? Verandert er iets ? Kan er worden meegedeeld wat de taalkennis momenteel is bij het personeel van het parket ? Zijn er cijfers voorhanden ? Zou het niet logisch zijn dat er, zeker in Brussel, een minimale passieve kennis vereist is van alle personeelsleden en is de staatssecretaris bereid een amendement in die zin te steunen ?

De heer Laeremans hoopt een antwoord op deze vragen te krijgen gelet op het belang van de materie. Hij wijst er op dat de Raad van State op een aantal vlakken ook uitdrukkelijk een antwoord vraagt.

De procureur des Konings van Brussel moet volgens de voorliggende tekst steeds Franstalig zijn. Dit werd door de heer Laeremans reeds aangeklaagd. Dit is de consecratie van de suprematie van de Franstaligen in Brussel. Er wordt geen objectieve verantwoording voor gegeven en ook hier is de Raad van State vragende partij. Tot nu toe werd geen ernstig antwoord gegeven.

Zo mogelijk nog erger dan het voorgaande is het feit dat het Brussels parket en auditoraat in de toekomst altijd zullen geleid worden door een Franstalig procureur en auditeur, die door een Nederlandstalige adjunct worden bijgestaan. Er werd zelfs niet gekozen voor een Franstalige procureur en Nederlandstalige auditeur, beide posten worden toegewezen aan Franstaligen. Die regeling is discriminatoir en haast racistisch, des te meer omdat tal van artikelen in het ontwerp interventies voorzien van de Brusselse procureur in Halle-Vilvoorde. Dit is ongehoord en accentueert de bemoeizucht van de Franstaligen in de Vlaamse rand. Een Nederlandstalige, hoe bekwaam hij ook is, zelfs indien hij manifest bekwamer zou zijn dan een Franstalige kandidaat, kan het niet halen van de Franstalige. Een Nederlandstalige kan zich zelfs geen kandidaat stellen, wat zeer verregaand is in het grootste en belangrijkste parket van het land, met jurisdictie over de internationale instellingen. Dit parket zal nooit meer geleid kunnen worden door iemand die de taal spreekt van de meerderheid van het land. Dit is fundamenteel verkeerd en onaanvaardbaar.

De heer Anciaux merkt op dat steeds meer Vlamingen hun laatste diploma in het Frans halen.

Dat het Brusselse parket steeds door een Franstalige zal geleid worden, vindt de heer Laeremans een gevaarlijk precedent. Er wordt geargumenteerd dat de procureur van Halle-Vilvoorde steeds een Nederlandstalige is, de zoveelste gelijkstelling tussen Brussel en Halle-Vilvoorde, maar dit is een vals argument omdat beide situaties niet met elkaar te vergelijken zijn en onmogelijk aan mekaar gekoppeld kunnen worden. Brussel is immers de tweetalige hoofdstad van het land, waar Nederlandstaligen en Franstaligen op voet van gelijkheid moeten bestaan. Zelfde mogelijkheden, zelfde kansen, zelfde betrekkingen die ze kunnen nastreven. Is dat niet het geval, dan verdwijnt de voet van gelijkheid en verdwijnt het respect voor één van beide taalgroepen.

Vandaag zijn de taalrol van de procureur-generaal en de procureur des Konings van Brussel aan mekaar gekoppeld. Ze kunnen nooit van dezelfde taalrol zijn en bovendien moet een Nederlandstalige door een Franstalige worden opgevolgd en omgekeerd. Dit zal in de toekomst dus verdwijnen. Dat betekent dat de Vlamingen veel minder vat zullen hebben op het veiligheidsbeleid in de hoofdstad en in het belangrijkste parket van het land. Deze regeling is de zoveelste illustratie dat Brussel verglijdt van een tweetalige stad naar een dominant Franstalige stad, waar Nederlandstaligen gedegradeerd worden tot tweederangsburgers.

De situatie wordt nog erger gemaakt doordat de Franstalige procureur des Konings en de Franstalige rechtbankvoorzitter zich op tal van vlakken actief kunnen bemoeien met Halle-Vilvoorde, en zelfs over een soort vetorecht beschikken. Hierdoor bevindt de procureur van Halle-Vilvoorde zich duidelijk een trapje lager dan zijn Brusselse collega.

Hoe kan het objectief verantwoord worden dat de procureur van Brussel altijd een Franstalige is, zoals de Raad van State vraagt ? Hoe wordt vermeden dat dit beschouwd wordt als een discriminatie ? Zijn er ergens precedenten, bijvoorbeeld voor hoge ambtenaren of magistraten ?

Waarom beschikken de Brusselse procureur des Konings en deze van Halle-Vilvoorde niet over identieke bevoegdheden en kan de procureur des Konings van Halle-Vilvoorde zich niet op een analoge wijze bemoeien met de situatie in Brussel ? Is er een hiërarchie tussen beiden ?

Hoeveel leden zal de Federale Raad van procureurs des Konings in de toekomst tellen ? Als de Raad zes Waalse (1 per provincie en 2 voor Henegouwen), zes Vlaamse en een Franstalige in Brussel telt, zal de meerderheid in dat geval steeds Franstalig zijn. Klopt deze berekening ? Hoe kan dit verantwoord worden ?

Kan dit desgevallend worden gecorrigeerd door de adjunct met volwaardige stem deel te laten uitmaken van deze Raad ?

De heer Delpérée is de mening toegedaan dat de heer Laeremans pure hypotheses lanceert.

Volgens de heer Laeremans is de achterliggende vraag of de adjunct van de procureur des Konings maar een hulpje is, ofwel iemand die als gelijkwaardig aan de procureur kan beschouwd worden. Zou hij de procureur in die mate kunnen vervangen dat de procureur zelfs niet meer in het wetsartikel vermeld wordt ? Er zijn twee mogelijkheden : ofwel is een functie alternerend en zijn de functies gelijkwaardig. Ofwel wordt beslist om als adjunct steeds een Nederlandstalige te voorzien, maar dan moet die persoon meer rechten krijgen.

Ook wat betreft het aantal parketmagistraten heeft de heer Laeremans een aantal bedenkingen. De omvang van het nieuwe parket krijgt ondertussen al kritiek van de gouverneur van Vlaams-Brabant, die het te klein vindt. Het huidige kader van het parket van BHV bedraagt 92 statutairen en 29 toegevoegden, samen 121 personen. Deze gegevens werden door de FOD Justitie aan de heer Laeremans bezorgd. Het parket van Halle-Vilvoorde zal volgens de schattingen van de spreker 24 Nederlandstalige parketmagistraten omvatten, waarvan er 8 wellicht functioneel tweetalig zijn. Een parket van 24 leden, onnodig verhoogd met 5 Franstalige gedetacheerden, is zeker niet te veel, gezien de hoge criminaliteit in Halle-Vilvoorde. Halle-Vilvoorde blijft dus een klein parket dat nochtans met een volwassen criminaliteit wordt geconfronteerd. Overal elders in Vlaanderen wordt gewerkt aan de realisatie van provinciale parketten maar Vlaams-Brabant wordt duidelijk niet gezien als een provincie.

Brussel behoudt op die manier een kader van 97 personen, dat ruim 4 maal hoger ligt dan de 24 van Halle-Vilvoorde. Gezien de hoge criminaliteitscijfers, de bendevorming en het zware banditisme in de stad zijn dit niet te veel magistraten. De heer Laeremans wijst er nogmaals op dat 20 % Nederlandstalige magistraten binnen Brussel een absolute ondergrens is om te kunnen overleven in een tweetalig parket.

Globaal komt het parket van Brussel versterkt uit de operatie. Momenteel heeft het een kader van 92 statutairen en 29 toegevoegden. Bij de statutairen is de verhouding 61-31, bij de toegevoegden 20-9. Daar is de verhouding 1/3 — 2/3 dus gerespecteerd. In de praktijk zijn er echter 20 statutaire plaatsen vacant, 2 Nederlandstaligen en 18 Franstaligen. Het huidige aantal effectieven is dus 101. Aan Vlaamse kant zal er niet zoveel veranderen vermits de twee Nederlandstaligen niet zoveel verschil zullen maken. De 18 Franstaligen echter wel. Op dit moment slaagt men er aan Franstalige kant zeer moeilijk in om tweetalige parketmagistraten te vinden om aan de 2/3 verplichting te kunnen voldoen. Volgens de cijfers van oktober zijn er 27 tweetalige Franstaligen op een Franstalig kader van 61 (effectieven buiten toegevoegden). Dit is minder dan de helft en een tekort van 14 om aan de vereiste 2/3 te komen. Het systeem van toegevoegden werd trouwens in het leven geroepen om de verplichting van tweetaligheid te kunnen omzeilen. Met de nieuwe regeling zullen de Franstalige vacatures zeer snel ingevuld kunnen worden, want niemand van de nieuw aangeworvenen zal tweetalig moeten zijn.

De 97 parketmagistraten voor Brussel is 4 minder dan het huidige aantal, maar ze moeten enkel Brussel bedienen en niet meer Halle-Vilvoorde. Concreet zouden ze zonder Halle-Vilvoorde nog maar instaan voor ongeveer 64 % van het werkvolume. De heer Laeremans is geen tegenstander van de relatieve versterking van het Brussels parket, maar zou er de voorkeur aan geven als in het parket 25 % Nederlandstaligen waren, dat de tweetaligheid op 2/3 werd behouden, en dat er een veralgemeende passieve kennis van de tweede taal was.

De Franstaligen boeken in het ganse verhaal een reële vooruitgang van 20 parketmagistraten of meer dan 30 %. Zij breiden hun kader officieel uit van 81 naar 83, maar in werkelijkheid stijgt hun kader van 63 naar 83. In tegenstelling tot de zetelende magistraten boeten de Nederlandstaligen niet in bij het parket. Er is zelfs een stijging van 2 effectieven. Dit staat echter niet in verhouding tot de winst van 20 van de Franstaligen.

De heer Laeremans is vragende partij voor een versterking van alle parketten. Hij is het eens met de heer De Decker dat parketten veel te veel via GAS-boetes moeten afstaan aan de gemeenten, wat een oneigenlijk gebruik van de GAS-boetes is. De bedoeling moet zijn dat de parketten hun werk kunnen doen en kunnen functioneren.

Bij de auditoraten wordt aan Nederlandstalige zijde een status quo vastgesteld, namelijk 3 in Brussel en 4 in Halle-Vilvoorde. Aan Franstalige kant is er een beperkte uitbreiding 12 in Brussel en 1 in Halle-Vilvoorde. Waar er dus vanuit het parket 5 magistraten worden gedetacheerd, zou er 1 persoon vanuit het Brussels auditoraat naar het auditoraat van Halle-Vilvoorde worden gedetacheerd. Kloppen deze cijfers ?

Door de ondergraving van de tweetaligheidsverplichting en de versnelde opvulling van de kaders zal het aantal Franstaligen effectief stijgen van 9 naar 13.

Verder heeft spreker enkele vragen met betrekking tot het aantal parketmagistraten. Is het inderdaad zo dat er in Halle-Vilvoorde 24+5 parketmagistraten zouden zijn (spreker meent ergens te hebben gelezen dat er 31 zouden zijn) en vier + 1 leden voor het auditoraat ?

Spreker verwijst naar bladzijde 31 van het wetsvoorstel waar zowel wordt gewag gemaakt van een evaluatie als van werklastmeting. Men stelt er dat in Brussel de werklastmeting er niet kan toe leiden dat het aantal in elke taalgroep zou gaan dalen. Tevens wordt ook gesteld dat op vraag van één van de procureurs des Konings (Brussel of Halle-Vilvoorde) een evaluatie van de relevantie van het percentage kan worden uitgevoerd binnen de drie jaar na inwerkingtreding van deze bepaling. Wat is het verschil tussen enerzijds deze evaluatie en anderzijds de werklastmeting. Wat bedoelt men juist met deze evaluatie ?

Een andere vraag is of het aantal parketmagistraten in Halle-Vilvoorde vergelijkbaar is met het aantal in andere arrondissementen van dezelfde omvang, bijvoorbeeld Dendermonde. Heeft de regering deze vergelijking gemaakt ? Spreker heeft de indruk dat er in Halle-Vilvoorde meer parketmagistraten zouden zijn dan in Leuven. Quid ?

Spreker wenst ook te weten of cijfer van 97 parketmagistraten voor Brussel klopt, van wie 19 Nederlandstaligen. Zijn er inderdaad 12 Franstalige leden voor het auditoraat en 3 Nederlandstaligen ? Zijn er al beslissingen genomen wat betreft de verdeling van de lagere mandaten binnen het parket ?

Kan er worden meegedeeld hoeveel personeelsleden, volgens de diverse categorieën (parketsecretarissen, parketjuristen en parketbedienden), er zijn bij de parketten en auditoraten en hoeveel er daarvan Nederlandstalig en hoeveel er daarvan Franstalig zijn ? Spreker verklaart helemaal geen zicht te hebben op de personeelsleden bij de parketten.

Hoeveel personeelsleden zullen er zijn bij het parket en auditoraat van Halle-Vilvoorde ? Worden de gedetacheerde magistraten ondersteund door Nederlandstalige of Franstalige personeelsleden ? Hoeveel Franstaligen zullen er bijvoorbeeld tewerkgesteld zijn ten behoeve van de 5 gedetacheerde parketmagistraten ? Hoe is hun hiërarchische verhouding geregeld ? Blijft de PK van Brussel hiervoor bevoegd of zal er een regeling sui generis worden uitgewerkt ?

Kan er vervolgens worden meegedeeld hoeveel personeelsleden er zullen zijn bij het parket en het auditoraat van Brussel ? Hoeveel Nederlandstaligen en hoeveel Franstaligen in de diverse categorieën ?

Spreker wenst ook te weten of het besluit zoals vermeld in artikel 59 al in voorbereiding is. Artikel 59 bepaalt immers dat de kaders zullen worden vastgelegd in een besluit na overleg in de Ministerraad vastgesteld. Kan dat besluit in voorkomend geval worden meegedeeld ?

De wet kan pas in werking treden als op alle niveaus 90 % is ingevuld; er wordt hierbij geen onderscheid gemaakt tussen parketten, griffies of rechtbanken. 90 % van het parket van Halle-Vilvoorde kan snel gevonden worden. Wordt het echter wachten op de aanwerving van extra magistraten bij de rechtbanken of zou het parket van Halle-Vilvoorde sneller van start kunnen gaan ?

Spreker vraagt vervolgens of er in Halle-Vilvoorde een justitiehuis komt, een labo voor recherche-onderzoek en een arrondissementele raad voor slachtofferhulp.

Spreker meent te hebben begrepen dat de onderzoeksrechters allen hun kantoor zullen houden in Brussel zelf. Zij zouden dus de parketten niet volgen. Klopt dit of zouden zij ook een kantoor hebben in Halle-Vilvoorde ?

Er blijkt ook wat deining te bestaan over de locatie van het nieuwe parket. De stafhouder van de Nederlandstalige Orde van advocaten te Brussel, de heer Van Gerven kon zich vinden in de splitsing, maar stelde dat het nieuwe parket van Halle-Vilvoorde in Brussel gevestigd zou blijven. Uiteraard is het de bedoeling dat het parket ook in Halle-Vilvoorde wordt gevestigd. Er wordt vaak gezegd dat het parket in Asse zou zijn gevestigd, vlakbij de federale politie. Heeft men hierover al uitsluitsel ?

Spreker verwijst verder naar de bedenkingen van de balies. Zij stelden dat de een derde tweetaligheid slaat op het totaal van de magistraten en niet per taalgroep. Er waren ook bemerkingen op het feit dat de procureur des Konings te Brussel voortaan steeds Franstalig zou zijn; er zou een beurtwisseling moeten worden voorgesteld tussen de procureur des Konings en de arbeidsauditeur, zodat deze afwisselend Nederlandstalig en Franstalig zouden zijn, met een grondige kennis van de tweede taal.

Een volgend hoofdstuk betreft vragen en bedenkingen over de « dédoublement » van de rechtbanken volgens het model Maingain.

Ronduit rampzalig is dat voor de rechtbanken gewerkt wordt met het model Maingain en niet met het model Vandenberghe, laat staan met het splitsingsmodel van het Vlaams Belang : er komt dus geen splitsing tussen Brussel en Halle-Vilvoorde, maar een ontdubbeling in eentalige rechtbanken, die gelijkelijk bevoegd zijn voor heel Halle-Vilvoorde. De tekst van het akkoord is heel duidelijk : « De rechtbank van eerste aanleg, de rechtbank van koophandel, de arbeidsrechtbank en de arrondissementsrechtbank zullen ontdubbeld worden in een Franstalige en een Nederlandstalige rechtbank die voor heel het gerechtelijk arrondissement van Brussel, samengesteld uit de 54 actuele gemeenten van Brussel-Halle-Vilvoorde, bevoegd zijn. »

Voor alle duidelijkheid : de arrondissementsrechtbank is geen echte rechtbank, maar een verwijzingskamer.

Dit is een rampscenario, want het gaat hier om een regelrechte dijkbreuk ten voordele van de Franstaligen. Vandaag wordt Halle-Vilvoorde immers beschouwd als een eentalig Nederlandstalig gebied, waarvoor de procedures in het Nederlands verlopen. De dagvaarding van de inwoners uit Halle-Vilvoorde (dat wil zeggen : de officiële oproep om te verschijnen via een gerechtsdeurwaarder) gebeurt steevast in het Nederlands. En wanneer twee inwoners uit Halle-Vilvoorde beslissen om samen naar de rechtbank te stappen (de zogeheten vrijwillige verschijning) moet dit in de regel ook voor een Nederlandstalige kamer van de Brusselse rechtbank.

De uitzonderingen daarop zijn beperkt :

1. Vonnissen van de vrederechter met betrekking tot inwoners van de faciliteitengemeenten kunnen Franstalig zijn. In dat geval zijn het Franstalige kamers van de rechtbank van eerste aanleg die oordelen in beroep.

2. In strafrechtelijke zaken kan een verwijzing naar een Franstalige kamer of naar een Brusselse politierechtbank gevraagd worden, maar de (Nederlandstalige) rechter beschikt over een beoordelingsmarge en kan peilen naar de daadwerkelijke taalkennis van de gedaagde. Zeker voor de politierechtbanken van Halle en Vilvoorde gebeurt dit tamelijk consequent, tot ergernis van nogal wat Franstaligen, die liever voor een milde Franstalige politierechter verschijnen.

3. In burgerlijke zaken kan een taalwijziging aangevraagd worden, maar de beide partijen moeten het eens zijn, men moet dit verdedigen voor de rechter en die moet deze vraag in de regel inhoudelijk beoordelen. Advocaten raden zo'n taalwijziging meestal af.

4. Vandaag kan een verweerder (iemand die gedagvaard wordt) uit een faciliteitengemeente eenzijdig een verzending naar een Franstalige rechter vragen, maar ook hier beschikt de rechter over een ruime beoordelingsmarge, waarbij hij zich kan baseren op de concrete taalkennis van de gedaagde.

Naar aanleiding van de voorgestelde hervorming verandert de situatie zeer drastisch : de Franstalige rechtbanken worden gelijk bevoegd met de Nederlandstalige voor alle 35 gemeenten van Halle-Vilvoorde. Verschil blijft dat dagvaardingen in Halle-Vilvoorde nog steeds in het Nederlands moeten gebeuren en dat procedures via dagvaarding bijgevolg altijd bij de Nederlandstalige rechtbank moeten starten. Maar :

1. Twee inwoners uit Halle-Vilvoorde kunnen voortaan rechtstreeks naar de Franstalige rechtbank stappen (vrijwillig verschijnen), zelfs zonder dat zij Franstalig zijn, maar bijvoorbeeld omdat deze Franstalige rechtbank sneller werkt. Dit is helemaal nieuw. Er is geen enkele appreciatie of controle meer door een Nederlandstalige rechter.

2. Bij de procedure met een dagvaarding wordt een gezamenlijke vraag tot taalwijziging veel gemakkelijker gemaakt. Een eenvoudig verzoekje aan de griffie volstaat. De rechter moet dan binnen de 15 dagen een beslissing nemen en mag enkel nagaan of er inderdaad een akkoord is. Dit wordt dus een formaliteit. Deze regeling wordt zelfs uitgebreid tot heel het land. Vandaag is zo'n taalwijziging de hoge uitzondering; in de toekomst gaat dit legio worden in heel Vlaanderen.

De heer Anciaux merkt op dat er ook vandaag een aantal procedures zijn waarbij niet gedagvaard wordt voor de correctionele rechtbank. Spreker haalt het voorbeeld aan van een doorverwijzing door de Raadkamer of bij aanhouding waarbij de taalwijziging gebeurt ter griffie van de gevangenis.

3. Wanneer de verweerder een inwoner is van een faciliteitengemeente, kan hij veel gemakkelijker de taalwijziging eisen en bijgevolg de verzending naar de Franstalige rechtbank. Zelfs indien de eiser Nederlandstalig is en helemaal geen taalwijziging wil. De beoordelingsmarge van de rechter wordt heel sterk ingeperkt : hij mag alleen nog kijken naar de dossierstukken en naar de eventuele taal van de arbeidsverhouding. De taalkennis van de gedaagde mag niet meer getoetst worden. Voorbeeld : als u een auto verkoopt aan een inwoner van Wemmel en er zijn wat meer mailtjes in het Frans dan in het Nederlands, dan mag u het als verkoper voortaan voor de Franstalige rechter gaan uitleggen in plaats van de Nederlandstalige, zelfs al spreekt de koper perfect Nederlands.

Nog veel straffer is dat men overweegt om deze extra faciliteiten uit te breiden naar heel het land

4. Bij het minste taalconflict kan men in beroep gaan bij de « verenigde Nederlandstalige en Franstalige arrondissementsrechtbanken ». De voorzitter heeft doorslaggevende stem. Het voorzitterschap van dit college wisselt volgens een regelmatige beurtrol. Concreet gevolg : iemand die gedagvaard wordt voor de Vilvoordse politierechtbank en Nederlands spreekt, maar toch liever in het Frans voor de Brusselse politierechtbank verschijnt, zal nu veel gemakkelijker de doorverwijzing kunnen afdwingen.

Spreker besluit als volgt :

Waar de Franstalige rechtbank vandaag slechts uitzonderlijk bevoegd is voor personen uit Halle-Vilvoorde, worden de Nederlandstalige en de Franstalige rechtbank in de toekomst bijna volledig gelijkgeschakeld. Dit betekent dat Halle-Vilvoorde juridisch verglijdt van een eentalig Nederlandstalig gebied naar een tweetalig gebied. De juridische verfransing van heel Halle-Vilvoorde wordt hiermee op gang gebracht.

Wanneer men in deze omstandigheden de Franstalige rechtbanken ook nog eens extra middelen geeft ten opzichte van de Nederlandstalige (meer rechters en griffiers) dan zal dit leiden tot een zwaar concurrentievoordeel, waardoor Franstalige rechtbanken de Nederlandstalige zelfs in Halle-Vilvoorde gaan wegconcurreren.

Tot op heden is het wettelijk niet toegelaten dat leden van de Franse Orde van Advocaten zich vestigen in Halle-Vilvoorde, maar de kans is groot dat dit verbod binnen afzienbare tijd zal sneuvelen. Daarover staat niets in het akkoord te lezen, maar doordat beide rechtbanken in de toekomst quasi gelijk bevoegd zullen zijn over Halle-Vilvoorde, rolt men als het ware de rode loper uit voor een massale toestroom van Franstalige advocaten in Halle-Vilvoorde en voor klachten bij het Grondwettelijk Hof wegens zogezegde discriminatie.

Parketten

Ook de nieuwe regeling met betrekking tot de organisatie van het parket te Brussel, is volgens de heer Laeremans vatbaar voor kritiek : men evolueert van tweederde naar eenderde Nederlandstalige magistraten, terwijl de Franstalige rechtbank bevoegd blijft voor het eentalig Nederlandse taalgebied. Men had hiervoor compensaties moeten voorzien, zoals bijvoorbeeld alleen zetelende rechters of door de verplichting te voorzien dat één van de drie rechters bij een Kamer met drie rechters de Nederlandse taal moet beheersen, of te voorzien in een verplicht niveau van passieve taalkennis.

De heer Laeremans vervolgt dat hij, na een uiteenzetting van de deken van de politierechters, heeft vastgesteld dat de dagelijkse gang van zaken bij de politierechtbanken zeer vergelijkbaar is met deze bij de vredegerechten : er wordt voortdurend overgeschakeld van het Nederlands naar het Frans en terug. De meeste rechters in de politierechtbanken zijn tweetalige Nederlandstaligen. Door de nieuwe ontworpen regeling zal de vereiste van grondige tweetaligheid teruggebracht worden tot de vereiste van een derde raadsheren met een functionele kennis van de andere landstaal. Dit terwijl de meeste dossiers meertalig zijn en deze magistraten van de politierechtbanken alleen moeten zetelen. Dit is niet verantwoord.

Tijdens een debat, georganiseerd door het Vlaams Pleitgenootschap, bleek duidelijk dat de politierechters zich zeer ernstige vragen stellen bij de opdeling in twee niveaus van taalkennis. Zij spraken zich duidelijk uit voor het behoud van de huidige situatie.

De heer Laeremans wenst van de staatssecretaris voor Staatshervorming te vernemen of hij de nieuwe regeling juist interpreteert als hij concludeert dat er nog twee niveaus overblijven, namelijk het niveau van grondige taalkennis voor de voorzitter van de rechtbanken en voor twee onderzoeksrechters en functionele kennis voor een derde van het geheel, deze drie personen inbegrepen ?

De Orde van de Vlaamse Balies verklaarde in zijn kritiek op het wetsontwerp dat er een terugval in de kennis van de andere landstaal wordt teweeggebracht : « De Orde van de Vlaamse Balies betreurt de afbouw van de grondige kennis van de andere landstaal in Brussel. Het is onaanvaardbaar dat de tweetaligheid van Brussel wordt herschreven. Grondige kennis van de twee landstalen zou voortaan enkel nog vereist zijn voor de korpschefs. »

De heer Laeremans wenst op deze kritiek van de Orde van de Vlaamse Balies het antwoord van de staatssecretaris te kennen.

Kan er meegedeeld worden per rechtbank hoeveel Nederlandstaligen en hoeveel Franstaligen er op dit ogenblik aan de verplichtingen van het wetsontwerp voldoen ? Wordt met andere woorden de twee derde in iedere rechtbank gehaald ?

Wat de situatie in de rechtbanken van eerste aanleg betreft, beweert de heer Laeremans te weten dat dit immers niet het geval is : men kent daar een verhouding van 28 % — 72 %.

Waarom dienen slechts twee onderzoeksrechters grondig tweetalig te zijn, zoals wordt voorzien in het ontworpen artikel 43 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken (zie stuk Kamer, nr. 53-2140/9, blz. 29) ? Is dat twee per taalgroep of twee in totaal ?

Moeten de andere onderzoeksrechters functioneel tweetalig zijn of zelfs dat niet ? Waar is dat wettelijk geregeld ?

Wat is de huidige situatie van de onderzoeksrechters ? Hoeveel Nederlandstalige en respectievelijk Franstalige onderzoeksrechters zijn grondig tweetalig en hoeveel zijn er functioneel tweetalig ? Hoeveel onderzoeksrechters zijn noch grondig noch functioneel tweetalig ?

De heer Laeremans wenst een duidelijk antwoord vanwege de regering op deze gestelde vragen.

De toegevoegde magistraten werden, aldus de spreker, in het leven geroepen om de taalwet te omzeilen. Heeft het in deze omstandigheden nog zin om dit kader van toegevoegde magistraten integraal te handhaven ? De vraag is dus dubbel : moet dit aantal zo hoog blijven nu de kaders gemakkelijker kunnen worden opgevuld en moet het systeem op zich blijven bestaan ? Waarom worden ze niet deels of geheel in het kader geïntegreerd ?

Vervolgens wenst spreker te vernemen hoe wordt verantwoord dat er bij de politierechters wordt afgezwakt van 100 % grondige taalkennis naar een derde functionele taalkennis, terwijl zij toch alleen moeten zetelen ? Zal dit niet leiden tot nog meer vertraging ?

Is de staatssecretaris niet van oordeel dat een passieve taalkennis in een tweetalige stad het minimum minimorum is waar iedere magistraat aan moet beantwoorden, al was het maar om de vonnissen die in zijn eigen stad geveld worden te begrijpen en om eenvoudige vragen om inlichtingen te kunnen verstaan ? Zo ja, hoe wil de staatssecretaris dit verhelpen ? De heer Laeremans kondigt aan dat hij hiervoor een amendement zal indienen.

De heer Laeremans verklaart vervolgens dat hij, bij de voorbereiding van het commissiedebat, meermaals heeft vastgesteld dat de nieuwe regeling nefast zal zijn voor de rechtsgang in de betrokken regio. Bovendien is deze regeling ook fundamenteel onrechtvaardig voor bijvoorbeeld een aantal magistraten die binnenkort in overtal zullen worden geplaatst.

Tot op heden is in het gerechtelijk arrondissement Brussel een minimale aanwezigheid verzekerd van een derde Nederlandstalige en een derde Franstalige magistraten in de arbeidsrechtbank, de rechtbank van koophandel en de rechtbank van eerste aanleg, alsook in het parket en het arbeidsauditoraat. Deze verhoudingen, die al zeer lang vastliggen, zijn nooit betwist geweest. De rest van het kader wordt, overeenkomstig de vigerende wetgeving, ingevuld op basis van het werkvolume. Deze regeling wordt door eenieder als billijk ervaren. Deze regeling had bijvoorbeeld voor gevolg dat de Brusselse rechtbank van koophandel 44 % Nederlandstalige magistraten en 56 % Franstalige magistraten telde in oktober 2011.Ondertussen zou de situatie zijn geëvolueerd. Spreker komt hierop later terug.

Ook bij de arbeidsrechtbank wordt de vigerende regelgeving terzake goed nageleefd : 9 Nederlandstalige rechters en 16 Franstalige rechters. De gevolgen van de nieuwe regeling zullen echter op het vlak van personeelsbezetting zeer verregaand zijn. Het aantal Nederlandstalige magistraten zal bijna halveren (van 9 naar 5), terwijl het kader voor de Franstaligen zou stijgen van 17 naar 21.

Bij de rechtbank van eerste aanleg wordt de minimale aanwezigheid van een derde Nederlandstaligen reeds geruime tijd op een perfide wijze omzeild via het systeem van de toegevoegde magistraten. Bij de vaste kaders is er namelijk een verhouding van 35 Nederlandstaligen en 70 Franstaligen (waarvan 5 plaatsen vacant), maar bij de toegevoegden zijn er 31 Franstaligen tegenover 5 Nederlandstaligen. Op een totaal van 136 ingevulde plaatsen zijn er momenteel 96 Franstaligen of ruim 71 % en amper 40 Nederlandstaligen of 28,4 %. Bij de grootste rechtbank van Brussel zijn de Nederlandstaligen vandaag dus reeds met 5 % te weinig.

Toeval of niet, maar de 28,4 % Nederlandstaligen sluit zeer nauw aan bij de 27 % die in het wetsontwerp is opgenomen. Het is zeer irrationeel dat in de wet dit percentage, zonder enige vorm van motivering, is opgenomen.

De tekst, opgenomen in artikel 57 van het wetsontwerp, is de vertaling van een zeer slecht compromis. Oorspronkelijk was er immers enkel sprake van volgende zin : « De magistraten die het door het Nederlandse taalkader bepaalde aantal overschrijden, worden tijdelijk in een uitdovingskader geplaatst. » Na protest van de betrokken magistraten is daar dan volgende bepaling aan toegevoegd :

« Echter, indien op een ogenblik tussen 1 januari 2012 en de inwerkingtreding van deze bepaling het aantal Nederlandstalige magistraten, in een kader, 27 % van dat kader vermeerderd met het aantal toegevoegde magistraten overschrijdt, en dit aantal daalt onder die 27 %, wordt er voorzien in de vervanging van die magistraten tot aan die 27 % gedurende het jaar dat volgt op de datum van inwerkingtreding van de in artikel 61, eerste lid, van de wet van ... betreffende de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel bedoelde hervorming. »

Deze overgangsmaatregel getuigt volgens de heer Laeremans van sterk amateurisme en werd ingevoegd om een antwoord te bieden op de verontwaardigde magistraten.

Op basis van het aantal burgerlijke zaken en vonnissen in strafzaken in 2010, kan men zich, aldus spreker, een zeker idee vormen van het werkvolume.

Het gros van de dossiers bij de rechtbank van eerste aanleg zijn burgerlijke dossiers (ruim 30 000 in 2010). Daarvan bedroeg het aantal nieuw ingeschreven Nederlandstalige dossiers 32,7 %. Het aantal vonnissen in strafzaken bedroeg 8 389, waarvan 26,3 % Nederlandstalige zaken waren. Als men deze cijfers optelt, komt men nog steeds aan een percentage van 31,35 % Nederlandstalige dossiers. De huidige reductie van het percentage Nederlandstalige magistraten naar 28 % met behulp van toegevoegden, is dus onrechtvaardig en niet te verantwoorden. Maar het is helemaal te gek om de verhoudingen nog verder scheef te trekken naar 20 % Nederlandstalig versus 80 % Franstalig.

De heer Anciaux repliceert dat er in de ontworpen bepaling duidelijk is gestipuleerd dat van zodra de 27 % wordt overschreden, er Nederlandstalige magistraten bijkomen. De redenering van de heer Laeremans volgend, wordt nu dus reeds voldaan aan die voorwaarde.

De heer Laeremans vervolgt zijn betoog en verwijst naar het verslag van de Hoge Raad voor de Justitie : op bladzijde 19 van dit verslag leest men : « De vastgelegde verhoudingen zijn niet in overeenstemming met de vastgelegde in- en uitstroom per taalrol. De verkeerde invulling van de personeelsformatie is van aard om tot problemen te leiden voor de goede werking van de rechtbank. » Voorts leest men op bladzijde 24 van hetzelfde verslag : « Geen verdeling van de middelen zonder objectieve en wetenschappelijke ondersteuning. » Voor de heer Laeremans is het duidelijk dat deze objectieve en wetenschappelijke ondersteuning er nog niet is en bijgevolg mag er aan de huidige verhoudingen niet worden gesleuteld.

Griffies

Ook bij de griffies stelt de heer Laeremans vast dat de nieuwe regeling de vereiste tweetaligheid afbouwt naar een derde, terwijl de griffies ook bevoegd zijn voor het eentalige Nederlandse taalgebied.

De heer Laeremans verwacht ook hierover meer duidelijkheid vanwege de staatssecretaris voor Staatshervorming en voor de Regie der Gebouwen : kan de staatssecretaris meedelen wat de huidige taalvereisten zijn voor griffiers ? Gaat het om hetzelfde systeem van grondige en functionele kennis, dus twee niveaus of zijn er tussenniveaus die samenhangen met de aard van de dienst ?

Is het juist dat niemand momenteel in vaste dienst kan komen bij de griffies die niet beantwoordt aan de verplichting van een functionele taalkennis en dat men wel in contractuele dienst kan komen en dat het contractueel statuut momenteel misbruikt wordt om de taalverplichtingen te omzeilen ? Onderzoek heeft spreker immers geleerd dat er op de griffies in Brussel heel wat contractuelen werkzaam zijn en hij denkt dat dit te maken heeft met het feit dat men op die manier de taalverplichtingen omzeilt.

Kan er voor de contractuelen per rechtbank en per taalgroep worden meegedeeld hoeveel er tweetalig zijn en hoeveel (nog) niet ?

Is een terugval bij de griffiers van 100 % tweetaligen naar 30 % niet erg veel ? Acht de staatssecretaris het niet logisch dat zeker 50 % van de griffiers het bewijs levert van deze kennis ?

Is de staatssecretaris niet van oordeel dat een passieve taalkennis in een tweetalige stad het minimum minimorum is waar iedere griffiebediende aan moet beantwoorden, al was het maar om de vonnissen die in zijn eigen stad geveld worden te begrijpen en om eenvoudige vragen om inlichtingen te kunnen verstaan ? Zo ja, hoe wil de staatssecretaris hieraan remediëren ?

Overigens wenst de heer Laeremans eraan te herinneren dat eerste minister Di Rupo in de plenaire vergadering van de Kamer duidelijk heeft gezegd dat mochten de cijfers foutief blijken, ze zullen worden aangepast.

Welnu, spreker stelt vast dat ze niet zijn aangepast, hoewel de Hoge Raad voor de Justitie bevestigd heeft dat de uitgangsgegevens foutief waren.

Ook minister De Clerck heeft op 9 november 2011 in de Commissie van de Senaat verklaard :

« Daarom is het belangrijk dat de cijfers vandaag maximaal worden verzameld en gedubbelcheckt. Ik kan mij niet voorstellen dat in het parlement geen correct debat kan worden gevoerd op basis van correcte cijfers. Zij zullen de basis vormen van het debat in Kamer en Senaat over de wijziging van het Gerechtelijk Wetboek ».

Dezelfde minister zou op 20 oktober 2011 het volgende hebben toegegeven :

« bij mijn weten zijn er alleen corrigerende cijfers voor de arbeidsrechtbank. Kijk je naar de Brusselse politierechtbank dan zijn er maar 10 % Nederlandstalige zaken » (..). « De verdeling 20/80 is een uitgangspunt van een politieke deal. En de weg naar een definitieve goedkeuring in het parlement is nog lang. Als er in het parlement cijfers opduiken die objectief tegen te spreken zijn, kan er nog worden gedebatteerd. Bovendien komt er een werklastmeting die over drie jaar exacte cijfers zal opleveren » (De Tijd 20 oktober 2011).

Spreker leidt uit die verklaring af dat er nog een onderhandelingsmarge was om de 80/20-verhouding aan te passen, wat nu blijkbaar niet meer het geval is.

In het artikel wordt ook één van de onderhandelaars geciteerd :

« Maar nu hoor ik dat de cijfers voor de arbeidsrechtbank zijn verward met die voor het arbeidsauditoraat, wat natuurlijk een wereld van verschil is. Hadden we geweten dat de cijfers fout waren, hadden we zelf navraag gedaan. Dit is echt vervelend. We voelen ons gepakt ».

Minister van Justitie Turtelboom verklaarde op 11 januari 2012 in de Senaat (Handelingen, 5-111, 11 januari 2012) in dezelfde zin :

« (..)In het regeerakkoord wordt inderdaad een percentage vermeld voor de Nederlandstalige en Franstalige magistraten van de rechtbanken na de splitsing van het gerechtelijk arrondissement, maar de premier heeft tijdens de bespreking van de regeringsverklaring ook gezegd dat ook andere objectief meetbare instrumenten eventueel kunnen worden gebruikt om die verhouding te bepalen. Uiteraard heeft iedereen er baat bij dat men zo dicht mogelijk bij het regeerakkoord blijft, gelet op het complex en moeilijk tot stand gekomen evenwicht.(...) »

Kan de staatssecretaris voor Staatshervorming de objectieve criteria verduidelijken waarover de minister van Justitie het had ?

Tot slot citeert spreker nogmaals de heer Stefaan De Clerck die tijdens het debat over dit ontwerp in de commissie voor de Justitie van de Kamer van volksvertegenwoordigers heeft verklaard :

« De heer Stefaan De Clerck (CD&V) preciseert in dat verband dat hij nooit verkeerde cijfers heeft bezorgd, maar alleen rapporten van magistraten met hun eigen cijfers, die later bovendien zijn gecorrigeerd. De onderhandelaars van het institutioneel akkoord hebben kennis genomen van dat complexe cijfermateriaal en hebben een politiek akkoord bereikt. De verdeelsleutel is een uitgangspunt, waaraan politiek overleg is voorafgegaan. Het is de bedoeling dat de arrondissementen een voldoende aantal magistraten ter beschikking hebben, afhankelijk van hun werklast. Het is de taak van de regering om die werklast te meten. In de tussentijd kan de verdeelsleutel worden aangepast en zal een opvolgingscomité worden opgericht. De Hoge Raad voor de Justitie erkent in zijn rapport overigens dat het verkrijgen van correcte cijfers erg moeilijk is ».

De heer Laeremans betwist dat standpunt en verklaart dat de gegevens van de Hoge Raad voor de Justitie exact waren, behalve die voor de rechtbank van eerste aanleg van Brussel. Spreker meent dus dat de gewezen minister van Justitie zijn verantwoordelijkheid in dat dossier ontvlucht.

Voor het overige blijkt het feit dat de cijfers van de arbeidsrechtbank van Brussel werden verward met die van het arbeidsauditoraat voldoende uit de artikels van de heer Lars Bové in het dagblad « De Tijd » en uit het e-mailverkeer tussen mevrouw Gaby Van den Bossche, voorzitster van de arbeidsrechtbank van Brussel en de heer Baret, kabinetschef van minister De Clerck.

Voor de staatssecretaris bewijzen de beweringen van de heer Laeremans niets en al helemaal niet dat de onderhandelaars zich alleen op die gegevens zouden hebben gebaseerd. Er kan dus geen sprake zijn van onweerlegbare bewijzen zoals de heer Laeremans ten onrechte verklaart.

De heer Vanlouwe meent dat er een ernstige aanwijzing is dat bepaalde cijfers waarop de onderhandelaars zich hebben gebaseerd, onjuist waren. Gaat het uiteindelijk om willekeurige cijfers, zoals de heer Delpérée heeft verklaard ?

De heer Peter Van Rompuy herinnert eraan dat men heel voorzichtig moet zijn wanneer men fragmenten van mails begint te citeren die in de pers zijn verschenen.

De heer Delpérée preciseert dat hij het niet over willekeurige cijfers had, maar over forfaitaire cijfers. De resultaten van statistieken leveren immers concrete cijfers op, terwijl het resultaat van onderhandelingen, zoals in dit geval, een toestand vastlegt (80/20), maar dat resultaat vloeit voort uit een werkelijkheid.

De heer Vanlouwe herinnert nogmaals aan de verklaringen in de pers (dagblad De Tijd, 20 oktober 2011), die de onjuistheid van de gegevens waarop de onderhandelaars zich hebben gebaseerd, bevestigen :

— Zo verklaart de heer Renaat Landuyt :

« Dit is heel erg. Als de administratie al niet met juiste cijfers komt, dan denk ik dat we beter de administratie hervormen in plaats van het gerechtelijk arrondissement »;

— De minister van Justitie Stefaan De Clerck (CD&V), verklaart eveneens dat

« met de cijfers die nu bekendraken, het akkoord er anders zou hebben uitgezien.(...). De verdeling 20/80 is een uitgangspunt van een politieke deal »;

— Ook een andere onderhandelaar zegt :

« we weten ook wel dat kabinetschef van voormalig minister van justitie tijdens onderhandelingen foute cijfers heeft gebruikt. Maar aan de teksten van het akkoord kunnen we geen letter veranderen. We moeten gewoon tijd winnen en snel een werklastmeting uitvoeren bij de Brusselse rechters om het herverdeling bij te sturen ».

De heer Laeremans van zijn kant onderstreept het feit dat hij zich gebaseerd heeft op cijfers die hij zelf heeft ingezameld. Onderstaande cijfers evenwel komen, wat de arbeidsrechtbank betreft, van de Hoge Raad voor de Justitie. Dat orgaan vermeldt de volgende percentages voor het rechtscollege van de arbeidsrechtbank :

Inkomende dossiers % :
Nederlands Frans
Jaar Jaar Jaar Jaar Jaar Jaar
2009 2010 2011 2009 2010 2011
26,02 % 26,85 % 29,51 % 73,98 % 73,15 % 70,49 %

Spreker verzet zich dus nogmaals tegen de 20/80-verdeling, terwijl objectief een 30/70-verdeling had moeten worden vastgelegd. Hij doet dezelfde vaststelling voor het griffiepersoneel van die rechtbank, dat vandaag voor 40 % in het Nederlands en voor 60 % in het Frans werkt. Maar ook daar is in een 20/80-verdeling voorzien. Het is onvoorstelbaar dat men een gemaakte fout niet wil rechtzetten.

De heer Vanlouwe verwijst naar de uitspraken die de heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, heeft gedaan in de Kamer van volksvertegenwoordigers op 20 juni 2012 (zie Integraal Verslag van de plenaire vergadering, nr. CRIV 53 PLEN 093, blz. 55) :

« Collega's, ik zat op dat ogenblik niet samen met jullie aan de tafel. Ik zat op 30 september niet mee aan de tafel. Ik heb dus, net zoals sommige anderen, aan de partijvoorzitter gevraagd wat er bezorgd is. Wat er aan de acht onderhandelaars bezorgd is, zijn de bevolkingscijfers van het gerechtelijk arrondissement, de opdeling van de kaders over de Nederlandstalige en Franstalige rechtbanken en de cijfers van de activiteitsverslagen, zoals goedgekeurd door de algemene vergadering van de hoven en de rechtbanken.

De integrale jaarverslagen zijn bezorgd aan de technici van de acht partijen. Voor de goede orde, wat de arbeidsrechtbank betreft, waren het de cijfers van de jaarverslagen én van het arbeidsauditoraat én van de arbeidsrechtbank, van beiden en niet van één. U hebt die cijfers ook gekregen, collega's. U hebt die gekregen in de maand mei, wanneer ze per brief aan de commissie werden opgestuurd.

Ik heb mij de moeite getroost om die cijfers te vergelijken. Ik neem het voorbeeld van de arbeidsrechtbank. In het jaarverslag 2010, meegedeeld aan de acht onderhandelaars, staat dat er in 2009 5 329 Nederlandstalige zaken waren, zijnde 26,02 %. In 2010 waren er 5 648, zijnde 26,83 %. Welke cijfers zijn op 10 mei aan u, aan deze commissie, bezorgd door de stuurgroep gerechtelijk arrondissement BHV ? In 2009 waren er 5 329 zaken en in 2010 5 648. Net dezelfde cijfers zijn aan u, leden van de commissie, en aan de acht onderhandelaars bezorgd, zeker wat de arbeidsrechtbank betreft. Er zitten zeer kleine verschillen op, wat de rechtbank van eerste in aanleg in Brussel betreft. Achter de komma is er in de percentages een klein verschil : 28,5 % versus 28,99 %. »

Toch ging men akkoord met de verhouding 20 % Nederlandstalig/80 % Franstalig, terwijl de cijfers die de staatssecretaris zelf citeert andere verhoudingen aangeven : het gaat immers om meer dan 26 % Nederlandstalige zaken. Pas onder druk van de publieke opinie gingen de Vlaamse onderhandelaars akkoord met de overgangsmaatregel van 27 % voor de Nederlandstalige zaken.

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, bevestigt de uitspraken die hij in de Kamer van volksvertegenwoordigers heeft gedaan en stelt vast dat, waar de vorige sprekers eerder volhielden dat de onderhandelaars met foute cijfers hebben onderhandeld, ze nu erkennen dat de onderhandelaars wel degelijk over de juiste cijfers beschikten. De lasterlijke verklaringen die zij hebben afgelegd ten aanzien van een openbaar ambtenaar, houden dan ook geen steek en zij dienen nu het geweer van schouder te veranderen.

De heer Vanlouwe repliceert dat hij enkel heeft verwezen naar de uitspraken van de heren De Clerck en Landuyt. Zij hebben beweerd dat, mocht men toen over deze cijfers hebben beschikt, het akkoord er anders zou hebben uitgezien en dat het heel erg is dat de federale overheidsdienst Justitie zomaar niet de juiste cijfers kon voorleggen.

De heer Cheron stelt vast dat de vorige spreker op een onsamenhangende wijze voortdurend andere bronnen citeert — een krant, een parlementslid, een magistraat, ... Men kan zich afvragen of hij zelf wel een gefundeerde mening heeft. Men trekt bewust een mistgordijn op door allerhande citaten de wereld in te sturen. Het politiek akkoord gaat uit van een forfaitaire benadering voor de situatie van vandaag, maar het voorziet ook in een objectieve methodologie waaraan ook een concreet tijdspad gekoppeld is. Men houdt ook rekening met de gerechtelijke achterstand. De vorige spreker daarentegen heeft geen enkel alternatief voorstel en kan geen coherente visie ter zake voorleggen.

De heer Vanlouwe wil enkel aantonen dat de onderhandelaars hebben gewerkt op basis van foute cijfers en het moet hen zeer veel pijn doen om dat ook te moeten toegeven. De staatssecretaris geeft nu zelf aan dat het om meer dan 26 % Nederlandstalige zaken gaat, terwijl de Vlaamse partijen akkoord zijn gegaan met 20 %. Men geeft hiervoor geen enkele verklaring.

Zelf heeft spreker wel degelijk een concreet voorstel. Hij stelt voor om eerst een werklastmeting te laten uitvoeren en op basis daarvan beslissingen te nemen.

De heer Laeremans sluit zich aan bij dit voorstel. Hij wijst er ook op dat de gerechtelijke achterstand een tijdelijk fenomeen is. Het is fout om hiermee rekening te houden bij het aantal Franstalige zaken om zo aan 80 % te komen. Men creëert aldus permanent kaders voor de toekomst op basis van tijdelijke cijfers uit het verleden : de gerechtelijke achterstand dient te worden aangepakt door middel van tijdelijke kaders. Dit is ook wat elders gebeurt.

Wat de arbeidsrechtbank betreft, is er volgens spreker sprake van een verlies van 4 zetels aan Vlaamse kant, terwijl de Franstaligen er 4 bij krijgen. De situatie is nog erger bij de griffie : daar is vandaag sprake van 50 Nederlandstalige en 30 Franstalige beambten, terwijl dit in de toekomst 16 Nederlandstalige en 64 Franstalige beambten zal worden ! Deze berekening werd gemaakt in functie van de verhouding 20 % NL 80 % F, maar zoals reeds eerder werd aangetoond, klopt die niet, wat betekent dat de Franstaligen hier een immens cadeau ontvangen van 10 griffiebeambten waarop ze in wezen geen recht hebben.

Voor de rechtbank van eerste aanleg baseert de heer Laeremans zich op de cijfers van de Hoge Raad voor de Justitie. Het gaat om 10 000 Nederlandstalige (iets meer dan 30 %) en 22 000 Franstalige zaken (iets minder dan 70 %). Het politiek akkoord gaat evenwel uit van een verhouding 20 % NL 80 % F, zodat alweer Nederlandse griffiebeambten zullen verdwijnen. Concreet gaat het vandaag om 170 Nederlandstalige griffiebeambten (112 statutairen en 58 contractuelen) en 260 Franstalige griffiebeambten, van wie er dus 92 Nederlandstaligen zullen verdwijnen, terwijl er 92 Franstaligen bij zullen komen. Dit is buiten alle proportie ! Deze Franstalige beambten zullen helemaal geen werk hebben vermits er vandaag geen tekort is, en dit terwijl men de personeelsleden van de Justitiehuizen massaal moet afdanken.

Dit is allemaal het gevolg van het gebrek aan moed bij de Vlaamse onderhandelaars om de afgesproken, forfaitaire en arbitraire verhouding tussen Nederlandstaligen en Franstaligen in vraag te stellen. De verhouding 20 % NL 80 % F is immers gebaseerd op uitspraken van enkele Franstalige magistraten die de Franstalige politici hebben overgenomen, zonder dat hiervoor enige objectieve reden voorhanden is. Ook de Franstalige voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in Brussel beweert dat deze verhouding van toepassing is in zijn rechtbank, terwijl objectieve cijfers aantonen dat dit helemaal niet klopt. Een dergelijke leugen zou aanleiding moeten geven tot een tuchtsanctie. Spreker verwijst naar de mondelinge vraag nr. 5-609 die hij op 14 juni 2012 heeft gesteld aan de minister van Justitie over deze uitspraken (Handelingen Senaat, nr. 5-63, p. 28 e.v.).

Overigens is de heer Laeremans niet te beroerd om, wanneer dit nodig is, zijn eigen ongelijk toe te geven. Voor de rechtbank van koophandel bijvoorbeeld, had spreker aanvankelijk vernomen dat 45 % van de 15 687 zaken in het Nederlands verliepen, en dat er 11 Nederlandstalige magistraten waren op een totaal van 24. Voor de toekomst zal de verhouding 40 % N/60 % F worden. Aanvankelijk had de heer Laeremans deze verhouding gecontesteerd, maar recente cijfers van de Hoge Raad voor de Justitie geven aan dat deze verhouding toch gerechtvaardigd is. Hij heeft er dan ook geen moeite mee om publiekelijk te erkennen dat zijn aanvankelijke reactie fout was en dat het akkoord dat werd afgesloten, op correcte cijfers is gebaseerd. Hij vraagt zich echter af waarom anderen ook niet kunnen erkennen dat de verhouding 20 % N/80 % F voor de rechtbank van eerste aanleg en voor de arbeidsrechtbank fout is. Waarom blijft men hieraan koppig vasthouden wanneer men weet dat kan worden aangetoond dat deze verhouding niet klopt ?

Vervolgens brengt de heer Laeremans in herinnering dat ook de Brusselse politierechtbanken volgens de verhouding 20 % N/80 % F zullen worden opgedeeld. Ook hier is de verhouding niet in overeenstemming met de reële werklast, en dit ondanks het feit dat het hier gaat om rechtbanken die zich uitsluitend in de 19 gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest situeren. In strafzaken is de werkelijke verhouding tussen Nederlandstalige en Franstalige zaken immers 12,5 % tegenover 87,5 %. Bij de burgerlijke verkeerszaken gaat het evenwel om een verhouding 30 % Nederlandstalige en 70 % Franstalige zaken. Weliswaar zijn dergelijke dossiers — waarin onder meer verzekeraars optreden — veel minder talrijk, maar vertegenwoordigen ze wel een enorme werklast.

De heer Anciaux meent dat de Hoge Raad voor de Justitie ter zake andere cijfers hanteert en laakt dat de vorige spreker nu eens de cijfers van de Hoge Raad voor de Justitie overneemt en dan weer cijfers die afkomstig zijn van andere bronnen, en dit in functie van de beoogde uitkomst. Dat is niet ernstig.

De heer Laeremans meent dat, waar de politierechtbank veelal ter zitting reeds een uitspraak doet zonder hieraan veel studiewerk te besteden, dit helemaal anders is bij burgerlijke zaken waar uitspraak wordt gedaan over verzekeringsaangelegenheden, aansprakelijkheden worden vastgesteld en schadevergoedingen worden toegekend. De werklast is dus in de feiten helemaal niet te vergelijken.

Ook de Brusselse politierechtbank wordt opgedeeld volgens de 20/80-verhouding. Maar ondanks het feit dat de territoriale bevoegdheid van deze rechtbank beperkt is tot Brussel-19 (Halle en Vilvoorde hebben hun eigen politierechtbanken), is deze verhouding niet in overeenstemming met de reële werklast. Bij de strafzaken had men de voorbije drie jaar een verhouding van 12,5 % Nederlandstalig versus ongeveer 90 % Franstalig, maar bij de burgerlijke verkeerszaken is de verhouding volgens de deken van de politierechtbank momenteel 30 % N/70 % F (30,2 versus 69,8). Hoewel deze dossiers veel minder talrijk zijn, genereren zij wel de meeste werklast. Het gaat immers vaak om uitgebreide verzekeringsdossiers, waar schadevergoedingen moeten berekend worden.

De heer Anciaux wijst erop dat de heer Laeremans enkel de cijfers citeert die hem goed uitkomen. In 2011 waren er in de politierechtbank van Brussel 12,9 % Nederlandstalige strafdossiers en bedroeg het aantal burgerlijke dossiers 30,1 %, wat samen een instroom betekent van 13,43 % betekent tegenover een instroom van 86,57 % Franstalige dossiers. Men kan moeilijk beweren dat de gehanteerde norm slecht gekozen is.

De heer Laeremans antwoordt dat men geen appelen met peren mag vergelijken. Alleen een werklastmeting kan hierover uitsluitsel geven.

De heer Delpérée meent dat het probleem van de werklastmeting niet nieuw is. Er is een hele methodologie voor nodig : een nauwkeurig onderzoek en de evaluatie van de dossiers. Men moet niet geloven dat de gepaste methodologie op een half uur is vastgesteld. Het voorstel strekt ertoe in een eerste fase, misschien grosso modo een verhouding 80/20 vast te stellen en vervolgens de nodige tijd te nemen om een concrete evaluatie te maken van de werklast in het gerechtelijk arrondissement Brussel.

De heer Laeremans antwoordt dat hij niet voorstelt om nu onmiddellijk een methode van werklastmeting op punt te stellen. Hij wil alleen benadrukken dat, met wat door de meerderheid is overeengekomen, de Vlamingen op een ongelofelijke manier worden gerold.

Momenteel zijn er in Brussel 14 politierechters werkzaam, van wie er 11 Nederlandstalig zijn. De opdeling van de rechtbank en de toepassing van de 20/80-verhouding zal tot gevolg hebben dat het aantal Nederlandstalige rechters zal dalen van 11 naar 3 en dat het aantal Franstaligen zal stijgen van 3 naar 11. Het aantal Nederlandstalige griffiebedienden zal zakken van 26 naar 10, terwijl er 16 Franstalige griffiebedienden bijkomen.

Deze commissie heeft zich echter blijkbaar voorgenomen om geen geloof te hechten aan wat de deken van de politierechtbanken zegt.

Graag had hij vernomen of er op dit ogenblik een zodanige achterstand is bij de behandeling van de Franstalige dossiers door de politierechtbanken dat een dergelijke verschuiving gerechtvaardigd is. 99 % van de zaken voor een politierechtbank worden immers ter zitting afgehandeld. Tevens vraagt de heer Laeremans of er concrete klachten zijn over Nederlandstalige of Franstalige magistraten die de andere taal onvoldoende machtig zijn ?

De Franstaligen hebben komaf willen maken met het Nederlandstalig overwicht en zijn dan ook laaiend enthousiast over dit onderdeel van het gerechtelijk BHV-akkoord. Op de website van de Franstalige liberalen kraait Brussels MR-parlementslid en fractievoorzitter Vincent De Wolf victorie :

« Il garantira aux francophones d'être traités par des magistrats francophones, et ce alors qu'une grande majorité des magistrats actuels étaient néerlandophones. La nouvelle répartition des magistrats permettra aux justiciables francophones d'être jugés sous un délai raisonnable. »

Het feit dat er een meerderheid is van Nederlandstalige politierechters is voor de Franstaligen een probleem op zich alhoewel deze rechters hun dossiers perfect in beide landstalen afhandelen. Deze uitspraak van De Wolf getuigt van etnisch, racistisch denken. Er wordt gesuggereerd dat de Franstaligen momenteel onrechtvaardig worden behandeld en langer moeten wachten op een vonnis.

Al deze rechters zijn houder van een brevet « grondige tweetaligheid ». Zij mogen en kunnen dus zitting houden in de beide talen. Net zoals bij de Brusselse vrederechters zijn hun zittingen volledig tweetalig en wisselen Nederlandstalige en Franstalige dossiers elkaar voortdurend af. Bovendien is de achterstand bij de politierechtbank de voorbije jaren weggewerkt. Het is dus helemaal niet zo dat er aan Franstalige kant een grotere achterstand is dan aan Nederlandstalige kant.

De heer Armand De Decker herinnert eraan dat het berechten van Nederlandstaligen voor Franstalige rechtbanken één van de grootste oorzaken is van de Vlaamse beweging. Als we dat voor ogen houden, dan is het niet wenselijk om Franstaligen voor Vlaamse rechters te brengen.

De heer Laeremans wijst erop dat er een groot verschil is. In Wallonië en Vlaanderen waren er eentalige rechters die Nederlandstalige rechtzoekenden veroordeelden zonder tolk en zonder dat zij het proces begrepen. Als men de logica van de heer De Decker doortrekt, moet men in Brussel verbieden dat Nederlandstalige vrederechters Franstalige zaken behandelen.

Een oplossing voor het probleem zou kunnen zijn dat men een deel van de Nederlandstalige rechters bij de Franstalige rechters onderbrengt.

Globaal stelt de heer Laeremans dat de 80/20 regeling erop neerkomt dat de Franstalige rechtbanken van eerste aanleg en de arbeidsrechtbanken vier maal groter zullen zijn dan de Nederlandstalige rechtbanken terwijl het werkvolume slechts twee maal groter is. Als een dergelijk voorstel een aantal maanden geleden door het FDF zou zijn opgeworpen, was het collectief weggelachen. Vandaag wordt dit wet.

De dupe van dit verhaal is de Vlaming in Brussel en in Halle-Vilvoorde die veel langer op een vonnis zal moeten wachten dan vandaag. Deze buitensporige bevoordeling van de Franstaligen zal ook leiden tot een toenemende verfransingsdruk. Franstalige rechtbanken zullen vanaf het begin concurrentiëler zijn waardoor meer rechtzoekenden zich tot hen zullen wenden.

De Vlaamse onderhandelaars hebben zich als broekjes laten pletwalsen door de Franstaligen die dit dossier tot in de puntjes beheersten. Toen de afgesproken taalverhouding bekend werd, heeft zijn partij ervoor gewaarschuwd dat dit zou leiden tot een bloedbad bij de Nederlandstalige magistraten in Brussel.

De 80/20-regeling treedt bovendien onmiddellijk in werking zodat de Franstaligen onmiddellijk kunnen beginnen aanwerven. De Vlaamse magistraten belanden meteen in een uitdoofscenario terwijl de Franstaligen kunnen aanwerven zonder zich te moeten verantwoorden. Om die reden hebben de Franstaligen er dan ook geen enkel belang bij om voor 2014 over te gaan tot een werklastmeting en de kans is groot dat zij die zullen saboteren.

De 27/73-regeling om de pil te verzachten, geldt slechts voor een jaar. Hoe is men tot die 27 % gekomen ? Waarom wordt die regeling in de tijd beperkt tot een jaar na de inwerkingtreding ? Bovendien is het niet eens zeker dat die regeling daadwerkelijk tot stand komt want een van de voorwaarden is dat alle kaders voor 90 % moeten zijn ingevuld. In een tekst die door alle Nederlandstalige magistraten van de rechtbank van eerste aanleg en van de arbeidsrechtbank van Brussel, door de conferentie van Nederlandstalige voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg evenals door de conferentie van Nederlandstalige voorzitters van de arbeidsrechtbanken wordt onderschreven, wordt het volgende gezegd : « Er wordt in de tekst geen datum vooropgesteld waarop de ontdubbeling of de splitsing een feit zullen zijn : gezien alle kaders voor 90 % moeten zijn ingevuld (rechtbank, parket, griffie), is het niet denkbeeldig dat de ontdubbeling of de splitsing nooit een feit zal zijn. Er zijn immers talrijke plaatsen van parketmagistraat vacant in het hele Vlaamse land, en er bestaat nagenoeg geen reserve aan kandidaten : de pool van gerechtelijke stagiairs van dit jaar is nagenoeg uitgeput. Op de volgende lichting is het wachten tot volgend jaar. Brussel is in de huidige omstandigheden bovendien niet de meest gegeerde standplaats. Ook de invulling van het kader van de griffie zal een enorm probleem zijn : de griffie was nog nooit voor 90 % ingevuld. De griffie van de arbeidsrechtbank te Brussel telt bijvoorbeeld op 1 juli 2012 nog maar 11 griffiers op een kader van 32, en van hen hebben er verschillenden een mutatie aangevraagd. »

De magistraten die deze tekst hebben opgesteld, gaan ervan uit dat deze 90 % nooit volledig zal worden ingevuld. De Franstalige magistraten zullen intussen worden aangeworven en het aantal Vlaamse magistraten zal dalen zonder dat de voorwaarden zijn vervuld om de regel van 27 % in werking te laten treden. Die 27 % geldt immers slechts voor de periode van een jaar na de inwerkingtreding van de wet.

In De Standaard van 27 maart 2012 wordt gemeld dat de 80/20-blunder wordt bijgestuurd door de 27 %-regel, maar men « vergeet » daarbij te vermelden dat het slechts om een tijdelijke maatregel gaat. Dit bericht is trouwens door premier di Rupo onmiddellijk weerlegd. Dit illustreert eens te meer hoe angstvallig de Franstaligen de verworven voordelen bewaken. De weerlegging door Di Rupo wordt door De Standaard echter niet vermeld, wat eens te meer bewijst hoe deze krant mee helpt aan de desinformering van de Vlaamse publieke opinie. De enige krant die blijk heeft gegeven van kritische journalistiek is De Tijd. Intussen denken de Vlamingen dat alles in orde is, terwijl het tegendeel het geval is.

Er wordt gezegd dat de werklastmeting zou worden toevertrouwd aan een externe instantie. Wanneer zal ermee begonnen worden ? Welke externe instantie zal hier mee worden belast ? Welk budget wordt hiervoor voorzien ? Welke methodologie zal worden gebruikt ?

De Hoge Raad voor de Justitie zegt uitdrukkelijk dat de resultaten van een werklastmeting op zijn best pas tegen 2017 bekend zullen zijn. Waarom is de regering er zo zeker van dat deze meting tegen 1 juni 2014 klaar zal zijn ? Hoe kan een externe instantie ervoor zorgen dat dit drie jaar sneller gebeurt dan een interne auditor die ervaring heeft met werklastmeting binnen Justitie ?

De heer Laeremans stelt vast dat 1 juni 2014 wordt vooropgesteld als uiterste datum voor de vastlegging van de taalkaders. Op dat ogenblik zal het Parlement echter ontbonden zijn zodat het zijn controletaak niet kan uitoefenen.

In het verslag van de Hoge Raad voor de Justitie wordt de vraag opgeworpen of er rekening wordt gehouden met culturele verschillen bij de werklastmeting — Franstaligen hebben een andere rechtscultuur en pleiten langer, terwijl men langs Nederlandstalige kant een grotere voorkeur heeft voor een schriftelijke procedure. Houdt men bij de werklastmeting rekening met de historische achterstand ? Is het aanvaardbaar dat men gestraft kan worden als men sneller en efficiënter heeft gewerkt in het verleden ? De heer Laeremans meent dat het beter is dat de achterstand wordt aangepakt met tijdelijke kaders om te vermijden dat hij geïnstitutionaliseerd wordt.

Daarnaast rijzen er nog een aantal vragen over de aanwervingen die zullen gebeuren. In De Standaard van 2 juni 2012 werd onder de kop « Grote aanwervingsronde bij Justitie om BHV te splitsen » daaromtrent het volgende gesteld :

« Er moet dus een veertigtal magistraten aangeworven worden en tot tweehonderd personeelsleden bij de griffies en de parketten », zegt staatssecretaris voor Institutionele Hervormingen Servais Verherstraeten (CD&V).

Voor de Franstaligen betekent dat een grote aanwervingsronde. « Aan Nederlandstalige kant zit men op dit moment met een overtal, maar aan Franstalige kant zitten er grote gaten in de personeelskaders », zegt Open VLD-voorzitter Alexander De Croo. « Het zullen dus niet alleen aanwervingen zijn, maar ook verschuivingen. Tweetalige Nederlandstaligen zullen tijdelijk ook aan Franstalige kant ingezet worden. » Dat laatste moet helpen om de kosten van de operatie te drukken.

De aanwervingen beginnen na de publicatie in het Staatsblad, vermoedelijk in september. Voor rechters neemt die procedure al snel een jaar tijd in beslag. Maar wat als de personeelskaders in de ontdubbelde rechtbanken of het parket Halle-Vilvoorde niet voor 90 % of meer ingevuld zijn. Eenvoudig gezegd : zonder rechters kan je geen nieuwe rechtbank openen.

Een aparte werkgroep zal de zaak daarom strak volgen en zowel eind dit jaar als midden 2013 een evaluatie maken. De hele oefening moet afgerond zijn tegen eind 2013, net op het moment dat ook de langverwachte werklastmeting voor de Brusselse justitie klaar moet zijn. Pas dan zal echt duidelijk zijn hoeveel magistraten en personeel er precies nodig zijn. Begin 2014 zou de splitsing dan een feit moeten zijn. »

De heer Laeremans vraagt of de genoemde data en cijfers kunnen worden beaamd. Hoe kunnen de cijfers in verband met extra aanwervingen verantwoord worden ? In welke rechtbanken zullen de extra magistraten worden ingezet ? Kunnen de cijfers per rechtbank en per griffie worden opgedeeld ?

Wat is ten slotte de kostprijs van heel deze operatie, die meteen wordt opgestart ? Is deze kost opgenomen in de begroting van volgend jaar ? Het gaat hier immers om 240 voltijdse equivalenten, waarvan 40 magistraten en 200 griffiepersoneel. Spreker kan zich niet van de indruk ontdoen dat dit een onverantwoorde verspilling is van overheidsgeld.

Hoeveel tijd is er objectief nodig voor deze operatie ? Tegen wanneer kan deze aanwervingsoperatie realistisch gezien rond zijn ?

Op welke wijze zal objectief worden vastgesteld dat 90 % van alle kaders volzet zijn ? Spreker verwijst ter zake naar de cijfers die door mevrouw G. Vandenbossche werden verstrekt. Zij stelde dat de griffie van de arbeidsrechtbank te Brussel slechts 11 griffiers telt op een kader van 36. Hoe zal dit kader tegen 2014 naar 90 % worden gebracht ? Of zal men de contractuelen meetellen ?

Ook met betrekking tot het uitdovingskader wenst spreker nadere precisering. Is dit een nieuwigheid ? Wie wordt concreet in overtal geplaatst ? Zo moeten bijvoorbeeld vier magistraten in overtal bij de arbeidsrechtbank worden geplaatst. Wie van de negen zal dit zijn ? Wie zal de selectie doorvoeren ?

De heer Anciaux merkt op dat de magistraten in overtal niet persoonlijk zullen worden aangewezen.

De heer Laeremans werpt op dat wel werd bepaald dat de magistraten die het voor het Nederlandse taalkader bepaalde aantal overschrijden, tijdelijk in een uitdovingskader worden geplaatst. Spreker leidt hieruit af dat het gaat om welbepaalde magistraten, maar hij kan zich vergissen.

Hoeveel Nederlandstalige en Franstalige onderzoeksrechters zijn er nu ? Hoeveel onderzoeksrechters zullen er zijn na de aanpassing van de taalkaders ? Hoe zit het daar met de uitdovingsregeling ? Spreker had begrepen dat men, aan Nederlandstalige kant, van 5 naar 3 onderzoeksrechters zou gaan.

Klopt het ook dat er nog slechts 6 van de 8 Nederlandstalige strafrechters zouden overblijven ? Bestaat hierover een nota van de rechtbank en, zo ja, kan die worden meegedeeld ?

Spreker verklaart zich te baseren op de nota van de stuurgroep BHV, die bestaat uit hoge magistraten.

Zo stelt deze stuurgroep dat « de Raad van State, in zijn advies, duidelijk heeft gesteld dat de wetgevende kamers moeten kunnen aantonen dat de gekozen percentages in redelijk verband staan met de nagestreefde doelstelling, met name de bestrijding van de gerechtelijke achterstand. Aan de hand van de genoemde cijfers tonen wij duidelijk aan dat de hantering van de percentages 80-20 binnen de kortste keren een exponentiele verlenging van de doorlooptijden van de zaken met zich zal meebrengen. Wanner in het gemelde scenario twee van de vijf onderzoeksrechters en twee van de vier jeugdrechters afvloeien, valt bovendien niet uit te sluiten dat zaken met aangehoudenen niet tijdig zullen kunnen worden behandeld, met ongewilde vrijlatingen tot gevolg. De Raad van State heeft in dat verband gewezen op de eventuele aansprakelijkheid van de wetgevende macht in geval de redelijke termijn wordt overschreden. »

Spreker verwacht dan ook een antwoord op dit door hoge magistraten aangekaarte probleem. In de Kamer van volksvertegenwoordigers blijkt hierover trouwens weinig debat te zijn geweest.

Een laatste bedenking betreft de problematiek van de uitbreiding van de faciliteiten waarbij de verweerder die gedagvaard is in burgerlijke zaken eenzijdig kan eisen dat de zaak naar de Franstalige rechtbank wordt verwezen op basis van criteria die te maken hebben met arbeidsverhoudingen of het aantal stukken. De wenselijkheid om dit stelsel uit te breiden naar het geheel van alle gerechtelijke arrondissementen van het land zal worden onderzocht door de commissie voor de modernisering van de rechterlijke orde. Deze uitbreiding zou betekenen dat bijvoorbeeld de verweerder die in Gent wordt gedagvaard door een Vlaamse inwoner van Gent, zou kunnen vragen dat de zaak door de rechtbank van Namen wordt behandeld, omdat het dossier stukken in het Frans bevat. Bestaat er hieromtrent een werkgroep en is deze recent nog bijeengekomen ? Het zou onaanvaardbaar zijn terug te keren naar de privileges van de periode van vóór de taalwetgeving van 1935.

De blokkering van Justitie op federaal niveau, en zeker de blokkering van een moderne Justitie in Vlaams-Brabant, zou onmiskenbaar het gevolg zijn van dergelijke regelingen die een taalwijziging vergemakkelijken in het hele land.

Spreker vindt het niet gepast de procedures voor een aanvraag tot taalwijziging te vergemakkelijken. Daar is helemaal geen nood toe. Het is immers perfect mogelijk een beroep te doen op een vertaler en dit zou ook moeten gelden voor Franstaligen in het Vlaamse landsgedeelte. Men kan ook een Nederlandstalige advocaat nemen die dan met zijn cliënt in het Frans kan communiceren. De gemakkelijkere taalwijziging zou moeten worden afgeschaft. Justitie dreigt hierdoor immers in de greep te komen van verpersoonlijking (personalisering), zonder dat er rekening wordt gehouden met de gebruiken van de omgeving waarin men woont.

Terecht wijst de OVB op de vele problemen die zulke versoepeling van de taalwijziging met zich zal brengen. In welke taal moet zo'n vonnis bijvoorbeeld worden uitgevoerd ? Moet men dan opnieuw vertalen ? Op wiens kosten ? Wat met de geschillen die vandaag verplicht voor een territoriaal vastgestelde rechtbank worden gebracht ? De staatssecretaris stelde reeds dat de taal van de streek enkel verplicht is als het gaat om zaken van openbare orde.

De OVB vreest ook dat de mogelijkheid om overal in België, bij zogenaamd akkoord van alle procespartijen, de taalwijziging met doorverwijzing te vragen, zal leiden tot heel wat problemen. De rechter zou voortaan minder beoordelingsbevoegdheid hebben.

Er zullen onder andere problemen zijn bij de uitvoering van een vonnis, na doorverwijzing. Zal men nu een vonnis van ontbinding van de verkoop van een onroerend goed gelegen in Gent behandeld na doorverwijzing in Doornik, voor de uitvoering vertalen, of zal de uitvoering door de gerechtsdeurwaarder gebeuren in de taal van het vonnis ? Bepaalde geschillen moeten overigens verplicht voor een territoriaal vastgestelde rechtbank gebracht worden (bijvoorbeeld erfenissen, arbeidsgeschillen). Zal dit ook veranderen ?

Wat is het antwoord van de regering hierop ?

De voorgestelde versoepeling van de regels inzake taalwijziging zal bovendien een hinderpaal zijn voor een echte defederalisering van Justitie. De Franstaligen zullen overal in Vlaanderen het recht opeisen om berecht te worden door een Franstalige rechtbank met, als logisch gevolg, het recht om de federale regels toe te passen op de grond van de zaak en de rechtspleging.

De heer Van Peel, oud-voorzitter van CD&V, verklaarde een aantal jaren geleden dat de splitsing van Justitie veel dringender was dan de splitsing van B-H-V. De door de acht partijen voorbereide institutionele hervormingen betonneren grondwettelijk het gerechtelijk arrondissement B-H-V, maar zorgen ervoor dat een defederalisering van Justitie nog nooit zo onwaarschijnlijk was.

De heer Laeremans verwijst vervolgens naar het akkoord van oktober 2011 om het gerechtelijk landschap te reorganiseren. De regering stelt voor om het aantal arrondissementen van 27 tot 13 te reduceren en de rechtbanken en parketten te hergroeperen op provinciaal niveau. Hoewel spreker een voorstander is van die reorganisatie op provinciaal niveau, stelt hij vast dat de provincie Vlaams-Brabant hierbij niet als een volwaardige provincie wordt beschouwd. Halle-Vilvoorde blijft een soort aanhangsel van Brussel terwijl het arrondissement Leuven een kleinere omvang behoudt waardoor het geen grotere doeltreffendheid kan nastreven. Door die reorganisatie van het gerechtelijk landschap zal de provincie Vlaams-Brabant de trein van de modernisering missen. Om een dergelijke discriminatie te voorkomen, heeft de fractie van spreker geijverd voor een verticale splitsing van het arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde (stuk Senaat, nr. 5-755/1).

Zoals de heer Jos Colpin, eerste substituut van de procureur des konings van Brussel, verklaarde in een interview in de Juristenkrant van 26 oktober 2011, is de oprichting van een volwaardige rechtbank van eerste aanleg voor Halle-Vilvoorde de enige echte oplossing. De heer Laeremans kan alleen maar instemmen met die uitspraak. Deze hervormingen zijn een ware ramp voor de Vlamingen voor wie de situatie alsmaar erger wordt, zowel in Brussel als in Halle-Vilvoorde. Dit wetsvoorstel moet resoluut worden verworpen.

De heer Anciaux betreurt dat de oppositie tijdens de algemene bespreking de staatshervorming in een zeer ongunstig daglicht heeft geplaatst en wenst haar hierover van repliek te dienen. Het gerechtelijk arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde wordt hervormd door, enerzijds, een ontdubbeling van de rechtbank en, anderzijds, een splitsing van het parket. Dit sluit aan bij het geheel van de staatshervorming, waarin onder meer de hervorming van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde en de fiscale autonomie van de deelstaten een belangrijke rol spelen en die gesteund wordt door acht politieke partijen.

Het gerechtelijk arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde wordt gelukkig niet verticaal gesplitst in een gerechtelijk arrondissement Brussel en een gerechtelijk arrondissement Halle-Vilvoorde. Dat zou immers niet verenigbaar zijn met de band die de Vlamingen in Brussel met de rest van Vlaanderen willen behouden.

Er is tegemoetgekomen aan de aloude eis om voor Halle-Vilvoorde in een eigen parket te voorzien om de criminaliteit aldaar te bestrijden, zonder dat bijkomende faciliteiten aan anderstaligen worden toegekend. Beide procespartijen kunnen wel steeds een taalwijziging vragen, maar die versoepeling geldt echter ook voor de andere gerechtelijke arrondissementen van ons land.

De samenstelling van de ontdubbelde rechtbanken zal op langere termijn gebaseerd zijn op het principe van de werklastmeting. De discussie gaat vooral over de eerste helft van de overgangsperiode van twee jaar. Tijdens het eerste jaar geldt de 27/73-verhouding waardoor de problemen grotendeels worden opgelost. Tijdens het tweede jaar geldt de 20/80-verhouding in de veronderstelling dat alles zeer snel gaat. Deze overgangsperiode wordt gevolgd door een geleidelijk proces waarbij de rechtsbedeling van de Nederlandstaligen nooit in gevaar komt. De Franstaligen krijgen weliswaar meer rechters tijdens de overgangsperiode om een inhaalbeweging te doen, maar daarna blijft hun formatie gelijk en zal die ook gebaseerd zijn op de werklastmeting. Spreker heeft het volste vertrouwen in de politieke wil van de regering om de werklastmeting tot een goed einde te brengen. Het is immers in ieders belang dat de rechtzoekende in Brussel en in Halle-Vilvoorde een goede rechtsbedeling krijgt.

Antwoorden van de heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming

De wetsontwerpen die vandaag worden besproken hebben niet enkel het voorwerp uitgemaakt van een grondig debat in de Kamer van volksvertegenwoordigers, maar beroeren ook de publieke opinie, zoals het hoort in een democratie.

Er is discussie over de vraag of de acht partijvoorzitters die het akkoord over de staatshervorming hebben afgesloten, wel over de juiste cijfergegevens beschikten.

De evolutie van het woordgebruik tijdens het debat over het e-mail verkeer tussen het kabinet van de toenmalige minister van Justitie en een voorzitter van een Brusselse rechtbank, is zeer verhelderend. Van een « onomstotelijk bewijs » ging men naar een « vermoeden » en een « journalist leidt af uit een e-mail » tot « het bewijs van het onmogelijke kunnen we niet geven ». Tijdens de plenaire zitting van de Kamer van volksvertegenwoordigers van 20 juni 2012 (stuk Kamer, CRIV 53 PLEN 093) werd, na de tussenkomst van spreker, gesteld dat de cijfers die hij citeerde de « juiste » waren. Spreker stelt vast dat een aantal personen die de onderhandelingen tussen de acht partijvoorzitters niet hebben bijgewoond, hun « waarheden » hebben verkondigd. Hij wenst zich echter aan de feiten te houden.

Het klopt dat de FOD Justitie cijfergegevens heeft verstrekt aan de onderhandelaars. Op 30 september 2011 ontvingen alle onderhandelaars de bevolkingscijfers van de gerechtelijke arrondissementen, de bestaande kaderopdeling van de rechtbanken en de parketten en de cijfergegevens uit de activiteitsverslagen, goedgekeurd door de algemene Vergadering van de hoven en rechtbanken. Via de voorzitster van de technische werkgroepen werden alle beschikbare jaarverslagen naar de experts doorgestuurd. In september 2011 werden eveneens de cijfergegevens van de jaarverslagen van het arbeidsauditoraat en de arbeidsrechtbank meegedeeld.

Spreker heeft deze cijfergegevens vergeleken met de cijfergegevens die door de stuurgroep Gerechtelijk Arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde aan de Kamercommissie voor de Herziening van de Grondwet en de Hervorming van de Instellingen werden meegedeeld en bijgevolg ook aan de Senaatscommissie voor de Institutionele Aangelegenheden.

Spreker citeert uit de cijfergegevens :

Cijfers arbeidsrechtbank op 30 september 2011 aan de partijvoorzitters gezonden :

2009 : totaal 20 480 zaken waarvan 5 329 (26,02 %) Nederlandstalig en 15 151 (73,98 %) Franstalig.

2010 : totaal 21 784 zaken waarvan 5 846 (26,83 %) Nederlandstalig en 15 938 (73,16 %) Franstalig.

Naast deze cijfergegevens van de arbeidsrechtbank, werden ook de cijfergegevens van het arbeidsauditoraat bezorgd.

Spreker stelt vast dat de cijfergegevens die aan de Kamer- en Senaatscommissies zijn bezorgd, identiek zijn.

De cijfergegevens die het kabinet Justitie op 30 september 2011 heeft bezorgd aan de acht partijvoorzitters en de cijfergegevens afkomstig van de stuurgroep gerechtelijk arrondissement die op 10 mei 2012 werden bezorgd aan de bevoegde commissies van Kamer en Senaat, waren identiek wat betreft gerechtelijke onderzoeken, correctionele zaken en jeugdstrafzaken. De staatssecretaris heeft in de Kamercommissie voor de Herziening van de Grondwet en de Hervorming van de Instellingen verklaard dat er zeer kleine verschillen op zaten qua burgerlijke zaken in eerste aanleg (stuk Kamer, nr. 53-2140/005, p. 60). In zijn ambtshalve advies betreffende de splitsing van het gerechtelijk arrondissement te Brussel van 30 mei 2012 heeft ook de Hoge Raad voor de Justitie gesteld dat het cijfermateriaal inzake burgerlijke zaken in eerste aanleg niet altijd gemakkelijk voorhanden is (advies HRJ, adviezen 2012, http://www.csj.be/).

Spreker stelt dat noch de acht partijvoorzitters die het akkoord over de zesde staatshervorming hebben gesloten, noch de regering zich achter deze cijfergegevens verschuilen.

Op 1 december 2011 werd een regeerakkoord gesloten, waarvan het vlinderakkoord betreffende de zesde staatshervorming deel uitmaakt. Bij de installatie van de regering heeft ook de heer Di Rupo, eerste minister, in zijn regeringsverklaring van 7 december 2011 hiernaar verwezen.

In maart 2012 zijn de acht partijvoorzitters, de eerste minister en de beide staatssecretarissen voor Staatshervorming bij elkaar gekomen om wetteksten inzake de staatshervorming uit te werken, die door leden van de bevoegde commissies in Kamer en Senaat werden ingediend. Deze wetsvoorstellen werden voor advies overgezonden aan de Raad van State. Daarop zijn de acht partijvoorzitters, de eerste minister en de beide staatssecretarissen voor Staatshervorming opnieuw bijeengekomen om de wetsvoorstellen aan te passen aan de opmerkingen van de Raad van State en werden er door leden van de bevoegde Kamer- en Senaatscommissies amendementen ingediend.

Welke keuzes heeft men gemaakt ? Iedere rechtbank, ieder parket en dus ook de Franstalige en Nederlandstalige rechtbanken in Brussel, het Brussels parket en het parket van Halle-Vilvoorde krijgen in de toekomst de nodige magistraten op basis van de werklastmeting.

Er is geen discussie over het feit dat de werklastmeting inderdaad vertraging heeft opgelopen. Maar de werklastmeting wordt nu politiek in handen genomen, onder verantwoordelijkheid van de regering, en specifiek van de minister van Justitie, en dient te zijn afgerond uiterlijk op 1 juni 2014. In afwachting daarvan wordt in een voorlopige verdeelsleutel van het kader voorzien.

Spreker heeft het debat bijzonder geapprecieerd, maar verduidelijkt dat hij het oneens is met de tussenkomsten van de Vlaamse oppositie. Dat heeft ook te maken met uitgangspunten die haaks op elkaar staan. De staatssecretaris is geen voorstander van een splitsing van België en is altijd bereid om met de anderstalige gemeenschappen te overleggen.

Diegene die fundamentele kritiek hebben op de voorliggende teksten, hebben aangegeven dat ze geen probleem hebben met de voorlopige verdeelsleutel voor de rechtbank van koophandel. De staatssecretaris apprecieert dat.

Wat de arbeidsrechtbank betreft, lijkt de 27 %-regel, die van toepassing is vanaf de inwerkingtreding van de hervorming (invulling van 90 %), vrij goed overeen te stemmen met de cijfers zoals ze aan de acht partijvoorzitters zijn meegedeeld, zoals ze door de stuurgroep Brussel-Halle-Vilvoorde is gegeven aan de commissies van Kamer en Senaat en zoals ze ook bestaan voor de Hoge Raad voor de Justitie.

Tijdens het debat over het parket van Brussel ontstond er een discussie tussen de heren Laeremans en Anciaux, maar ze waren het wel eens over het feit dat de 80/20-verhouding een behoorlijke verhouding is. De staatssecretaris apprecieert dat ook diegenen die tegen het ontwerp zijn, over bepaalde objectieve elementen eerlijk kunnen zijn.

Er werd eveneens gezegd dat de voorliggende teksten afwijken van het vlinderakkoord en dat is correct aangezien de 27 %-norm daarvan afwijkt. Dat is het bewijs dat de acht onderhandelende partijen begrip hebben gehad voor de verzuchtingen die op het terrein en in andere gemeenschappen leven. De enige ambitie is dat Justitie overal in het land, maar nu specifiek in Brussel-Halle-Vilvoorde, goed functioneert en er geen rechtsachterstand komt. Het is om aan die zorg te beantwoorden, dat de 27 %-norm werd ingevoerd.

De staatssecretaris wijst erop dat de tijdelijkheid van deze norm bestaat, net zoals andere normen in het ontwerp ook een tijdelijk karakter hebben.

Er is over die tijdelijke kaders gezegd dat daarmee niet is geantwoord op de opmerkingen van de Raad van State. De staatssecretaris betwist dat. Er werd al op geantwoord door de invoeging van de 27 %-norm vóór de teksten naar de Raad van State werden gestuurd. Vervolgens heeft de Raad van State gewezen op de mogelijke aansprakelijkheid van de wetgever. De acht onderhandelende partijen hebben hiervoor een oplossing uitgewerkt. De mogelijkheid werd gecreëerd door een uitdrukkelijke verwijzing naar het gemeen recht om, indien er zich op het terrein problemen voordoen, een beroep te doen op toegevoegde rechters. Zo werd er verwezen naar artikel 86bis van het Gerechtelijk Wetboek, wat de zetel betreft. Wat de parketten betreft, verwijst de staatssecretaris naar artikel 326, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek en naar de wet van 3 april 1953.

Wat de politierechters betreft, is in een ontdubbeling van de politierechtbank voorzien waardoor er een overtal van zeven Nederlandstalige politierechters zou zijn. Er is een facultatieve regeling opgezet zodat ze gebruik kunnen maken van mobiliteit, hetzij naar een andere politierechtbank, hetzij naar een andere rechtbank, met behoud van hun statuut.

Daarnaast is er afgesproken om een monitoringcomité op te richten met de acht formaties, onder leiding van de minister van Justitie, om de zaken op het terrein op te volgen. Op die manier is het mogelijk om onmiddellijk op te treden indien er ingevolge de hervorming een gerechtelijke achterstand zou ontstaan.

Er zijn zorgen geweest met betrekking tot de 90 %-invulling en bijgevolg de inwerkingtreding van deze wet. Dat is de zorg van iedereen en voor de regering was er ook de zorg om voldoende magistraten en zetel-, griffie- en parketpersoneel te hebben binnen het arrondissement Brussel en het arrondissement Halle-Vilvoorde.

Het uitgangspunt was om de rechtsachterstand op te lossen en daarom zijn er al contacten gelegd met de FOD Personeel en Organisatie, Selor en de Hoge Raad voor de Justitie. Indien de tekst ook door de Senaat wordt goedgekeurd, kan er onmiddellijk met de aanwervingen worden gestart en hebben de diensten de mogelijkheid voorbereidend werk te verrichten. Dat zal ook van dichtbij worden opgevolgd en er zijn al evaluatiemomenten afgesproken in december 2012 en juni 2013.

Het is de bedoeling om de wet tegen 2014 in werking te laten treden. De werklastmeting moet uiterlijk tegen juni 2014 zijn afgerond zodat de 27 %-norm als het ware automatisch zou kunnen overvloeien in de definitieve kaders.

Sommige personen beweren dat de tijdelijke verdeelsleutels definitief zijn en onmiddellijk op het terrein kunnen worden toegepast. Dat is uiteraard onjuist; de staatssecretaris verwijst in dat verband naar artikel 152 van de Grondwet. Elke magistraat blijft benoemd op de plaats waar hij zit. Er kan in de respectieve rechtbanken in Brussel enkel een verandering komen wanneer er pensioneringen of mutaties zouden zijn, maar niemand moet verdwijnen. De feitelijke toestand zal dus helemaal niet onmiddellijk overeenstemmen met de tijdelijke verdeelsleutels die de acht formaties hebben vastgesteld.

Er is verwezen naar rechters waarvoor moet worden ingeleverd in de rechtbank van koophandel. Volgens de cijfers waarover de staatssecretaris beschikt, zijn dat tien rechters en blijven er ook tien rechters. Op de arbeidsrechtbank zijn er negen rechters en spreekt men van een vermindering naar vijf. De staatssecretaris verwijst naar de tussenkomst van de heer Anciaux in verband met de toepassing van de 27 %-norm en bevestigt die. De norm is op elke rechtbank toepasselijk eens de globale hervorming in werking is getreden : voor de arbeidsrechtbank betekent dit dat er acht rechters zullen zijn. De staatssecretaris verwijst ter zake naar de ontwerpteksten en naar de afrondingsregels die van toepassing zijn.

Het is de bedoeling dat die cijfers zo tijdelijk mogelijk zijn omdat de werklastmeting uiterlijk tegen juni 2014 moet zijn afgerond. In dat verband werd er verwezen naar de Hoge Raad voor de Justitie die zou hebben gesteld dat dat niet mogelijk is voor 2017. De staatssecretaris wijst op het feit dat het niet de Hoge Raad voor de Justitie is die dat heeft verklaard. Het advies van de Hoge Raad stelt namelijk op p. 13 : « Uit de ontvangen inlichtingen van de commissie voor de modernisering van de rechterlijke orde in het kader van het huidige rapport, blijkt dat deze geen volledige afwerking van de werklastmeting in het vooruitzicht stelt voor 2017 en dit in de beste omstandigheden. » De Hoge Raad reageert op de volgende wijze : « De Hoge Raad voor de Justitie vindt het daarom nodig om na te gaan in welke mate men tot de juiste analyses kan komen op basis van de bestaande gegevens uiterlijk midden 2014 ». De Hoge Raad voor Justitie reikt vervolgens zelf suggesties aan om te kunnen afronden tegen midden 2014. De staatssecretaris benadrukt dat dit de verantwoordelijkheid is van de regering en van de minister van Justitie.

Er is in de loop van het debat zeer veel gezegd over de taalwetgeving. De taalwetgeving is bijzonder complex en de staatssecretaris wil zich ervoor hoeden om te veel in te gaan op specifieke casussen. De staatssecretaris verwijst naar zijn uitvoerige toelichting bij de door de Kamer overgezonden ontwerpen en naar de toelichting bij de oorspronkelijke voorstellen in de Kamer (stuk Kamer, nr. 53-2140/1).

Er is eveneens gesproken over de wijziging van de taalvereisten waar de 2/3 tweetaligheid wordt teruggebracht naar 1/3 tweetaligheid. De staatssecretaris verwijst naar het feit dat de heer Laeremans denkt dat dat, wat de zetel betreft, logisch is in het licht van de ontdubbeling. De staatssecretaris deelt deze mening.

De staatssecretaris spreekt tegen dat er zoiets bestaat als een vetorecht en onderwerping. Er is enkel sprake van een facultatief evocatierecht van de voorzitter van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg van Brussel inzake toezicht en tucht betreffende vredegerechten. Dat heeft te maken met het feit dat er geen ontdubbeling is van de vredegerechten waarvoor ook het toezicht niet wijzigt. Tevens bestaat de mogelijkheid om tegen de uitspraken van sommige vredegerechten van Halle-Vilvoorde na taalwijziging beroep aan te tekenen bij de Franstalige rechtbank van eerste aanleg in Brussel, en de mogelijkheid bij alle vredegerechten van het arrondissement om beroep aan te tekenen bij de gezamenlijke Franstalige en Nederlandstalige arrondissementrechtbanken in geval van weigering van taalwijziging, waar dit wettelijk bepaald is.

Spreker wenst ook de nadruk te leggen op het feit dat sommige critici van het ontwerp het toch positief vinden dat het parket gesplitst is. Op die manier kan ieder parket, zowel dat van Brussel als van Halle-Vilvoorde, een eigen beleid voeren op maat.

De appreciatie die aan dit ontwerp wordt gegeven, is verschillend naar gelang van de invalshoek van iedere fractie. Het debat in de Kamer was verschillend omdat daar ook een fractie is in de Franstalige oppositie. De argumenten die dan uitgewisseld worden, zijn bijgevolg natuurlijk verschillend. Er werd geopperd dat de kritiek van de heer Maingain marginaal was, maar dat wenst de staatssecretaris tegen te spreken. Hij verwijst dan ook naar het verslag van de Kamer (stuk Kamer, nr. 53-2140/5).

De acht partijen delen noch de kritiek die vanuit Franstalige kant uit de oppositie komt, noch de kritiek vanuit de Nederlandstalige kant van de oppositie. De staatssecretaris vindt dit akkoord evenwichtig en hij vindt de door de Kamer goedgekeurde teksten uitstekend. Bijgevolg vindt hij het niet nodig om amendementen te ondersteunen.

Er werden in de loop van het debat verschillende vragen gesteld die de staatssecretaris zal overlopen.

De staatssecretaris begint met het beantwoorden van de vraag over de vijf parketmagistraten die van het parket van Brussel naar het parket van Halle-Vilvoorde zullen worden gedetacheerd waar ze onder leiding staan van de procureur des Konings van Halle-Vilvoorde, wat het strafrechtelijk vervolgingsbeleid en het veiligheidsbeleid betreft.

Aangezien de taalwetgeving blijft bestaan, werd om redenen van efficiëntie en voor een goede opvolging van het dossier gekozen voor de optie waarbij gedetacheerde parketmagistraten, onder het gezag van de procureur van Halle-Vilvoorde, de zaak van in het begin kunnen opvolgen en desgevallend voor de rechtbank kunnen brengen, eerder dan ervoor te kiezen dat een zaak voor de (Franstalige) rechtbank zelf wordt « overgenomen » door het tweetalig parket van Brussel-Hoofdstad, dat immers als enig parket verbonden is aan de Franstalige rechtbank. Het ontwerp voorziet dus in een sturing bij de procureur van Halle-Vilvoorde, maar vrijwaart anderzijds de bestaande toepassing van de taalwetgeving. Waar een Franstalig dossier (= i.e. een dossier na taalwijziging) ook vandaag finaal door een Franstalige magistraat voor de rechtbank wordt gebracht, gebeurt de behandeling van dit dossier nu bij voorrang ook door deze magistraten.

Wat « het prioritair behandelen » van Franstalige zaken betreft en de vraag of deze voorrang zullen krijgen, antwoordt de staatssecretaris dat Franstalige zaken in hun behandeling geen voorrang krijgen op andere zaken. Het ontwerp bepaalt enkel dat deze Franstalige zaken bij voorrang worden behandeld door de gedetacheerde magistraten, zonder evenwel exclusief te zijn. De prioriteiten van het vervolgingsbeleid worden door het College van Procureurs Generaal bepaald en door de desbetreffende procureur, ieder in zijn parketgebied.

Het onderscheid in het ontwerp tussen « taalwijziging » of « doorverwijzing » betreft de zaken waar taalwijziging wordt gevraagd tijdens bijvoorbeeld het onderzoek (art. 16, § 2, van de taalwet) en de zaken die voor de politierechtbank komen (art. 15 — doorverwijzing naar Brussel). In beide gevallen zal het bij voorrang een Franstalige magistraat zijn die hiervoor instaat.

Met betrekking tot de vraag of « bij voorrang » betekent dat die Franstaligen ook dossiers van Nederlandstaligen zullen behandelen, antwoordt de staatssecretaris dat het begrip « bij voorrang » in essentie betrekking heeft op de dossiers waarin taalwijziging werd gevraagd; deze dossiers zullen dus in eerste instantie door de gedetacheerde parketmagistraten worden behandeld. Voor de behandeling van andere dossiers wordt verwezen naar de taalwetgeving (art. 43, § 5). Het ontwerp voorziet niet in beperkingen ten aanzien van de huidige praktijk.

Er werd eveneens gevraagd waarom die Franstalige magistraten slechts « functioneel tweetalig » hoeven te zijn en niet « grondig tweetalig », terwijl ze toch in eentalig Nederlandstalig gebied zullen werken. De staatssecretaris legt uit dat de keuze voor de functionele tweetaligheid overeenkomt met de vereisten in art. 43quinquies, § 1, derde lid, waarin de functionele tweetaligheid de norm is « in al de gevallen waarin deze wet de kennis van de andere taal vereist ». De bestaande taalwetgeving blijft van toepassing. Het ontwerp voorziet anderzijds niet in beperkingen ten aanzien van de huidige praktijk.

Met betrekking tot de detachering van Franstalige parketmagistraten naar het parket van Halle-Vilvoorde was het de ambitie van de acht partijen om de problemen van Justitie in Brussel op te lossen, tegemoet te komen aan vragen en verzuchtingen tot de splitsing van het parket en een meer autonoom beheer bij afzonderlijke Franstalige en Nederlandstalige rechtbanken mogelijk te maken. De acht onderhandelaars hebben hieraan een evenwichtig antwoord gegeven.

Vandaag worden de zaken uit Halle-Vilvoorde na taalwijziging finaal behandeld door Franstalige parketmagistraten met het oog op de vordering voor de rechtbank; het onderzoek kan evident ook door tweetalige Nederlandstalige parketmagistraten worden verricht, met toepassing van onder meer artikel 43, § 5, vierde lid. Deze bepaling wordt niet gewijzigd, maar dient samen gelezen te worden met de regeling « bij voorrang ».

Er zijn diverse vragen gesteld over cijfers met betrekking tot personeel, kaders, magistratuur enzovoort. De FOD Justitie heeft de meest geactualiseerde cijfers verstrekt. Er zijn eveneens andere cijfers gevraagd en indien deze cijfers beschikbaar zijn, zullen zij zo snel mogelijk worden doorgegeven.

Op de vraag of de voorgestelde regeling ertoe zal leiden dat onderzoeksdaden door de politie uit Halle-Vilvoorde in het Frans zullen worden gesteld en of er opdrachten in het Frans zullen worden gegeven, wijst de minister erop dat de taalwetgeving onverkort van kracht blijft. Gelet op de eentaligheid van Halle-Vilvoorde, dienen de pv's, kantschriften, richtlijnen aan politie enzovoort vandaag in het Nederlands te gebeuren. Dat blijft zo. De taalwetgeving bepaalt vandaag reeds dat indien de proceduretaal gewijzigd wordt, er een verplichte vertaling van deze kantschriften moet worden meegestuurd. Dit is ook vandaag zo. Anderzijds wordt aanvaard dat de grondig tweetalige magistraat zelf voor deze vertaling in het Nederlands kan instaan.

De minister verzekert dat de nieuwe regeling niets verandert aan de huidige situatie wat betreft de taalvereisten voor de politie van Halle-Vilvoorde.

Hij benadrukt dat de procureur van Halle-Vilvoorde waakt over de eenvormigheid van het strafrechtelijk beleid, ongeacht de taal van het dossier, zodat er geen risico bestaat voor een beleid van twee maten en gewichten.

Voor het vermijden van « shoppen » wijst de staatssecretaris op artikel 16, § 3, van de Taalwet dat bepaalt dat de taalwijziging kan worden geweigerd indien de verdachte de gevraagde taal niet verstaat.

Over het feit dat de Franstalige magistraten onder hiërarchisch toezicht van de Brusselse procureur vallen en het risico dat dit zou leiden tot inmenging vanuit Brussel, antwoordt de staatssecretaris dat de tekst aan duidelijkheid niets te wensen overlaat. De gedetacheerde parketmagistraten ressorteren onder het gezag (dus leiding en controle) van de procureur van Halle-Vilvoorde wat betreft hun dagdagelijks functioneren in het uitvoeren van diens strafrechtelijk beleid. Zij blijven wel functioneel en juridisch deel uitmaken van het parket van Brussel, waar zij — bijvoorbeeld in het kader van het tuchtrechtelijk beleid of in het kader van adviezen bij het postuleren naar functies — onder de hiërarchische leiding van de procureur van Brussel blijven. Er zijn echter wel kruisverwijzingen : zo is het logisch dat de procureur des Konings van Halle-Vilvoorde de nodige inlichtingen verstrekt aan zijn collega bij het opstellen van diens advies in het kader van een benoemingsprocedure. De staatssecretaris verwijst naar artikel 25 van het wetsontwerp.

Op de vraag waarom één derde tweetaligen in Brussel volstaat en of het niet beter is dat alle magistraten minstens een passieve kennis van de andere landstaal zouden hebben zodat ze anderstalige documenten kunnen lezen, antwoordt de staatssecretaris dat het akkoord gaat uitgaat van 1/3 functionele tweetaligheid op het geheel.

De staatssecretaris bevestigt dat de regel van 1/3 tweetaligen geldt voor het geheel van de Brusselse magistraten.

Hij beklemtoont dat de gedetacheerde parketmagistraten deel uitmaken van het kader van het parket van Brussel. Hij verwijst hierbij naar artikel 57, 1º, van het wetsontwerp. Hij wijst er verder op dat ook de parketjuristen en de andere bedienden voortaan 1/3e functioneel tweetalig moeten zijn, met uitzondering van het personeel van niveau D. Vandaag bestaan er geen taalverplichtingen in hoofde van het parketpersoneel; het ontwerp voorziet aldus in bijkomende verplichtingen, met name 1/3e functionele tweetaligheid voor het parketpersoneel, met uitzondering van het personeel van niveau D.

Hij zal de cijfers over taalkennis bij het personeel opvragen bij de FOD Justitie en aan de commissie bezorgen (zie bijlage).

Wat de bepaling betreft dat de procureur van Brussel altijd een Franstalige moet zijn, verwijst de staatssecretaris naar zijn verklaring tijdens de bespreking in de Kamercommissie (stuk Kamer, nr. 53-2140/005, blz. 104).

Wat de respectieve bevoegdheden betreft van de Brusselse procureur en die van Halle-Vilvoorde antwoordt de staatssecretaris dat er wordt uitgegaan van een territoriale afbakening.

Wat betreft de samenstelling van de federale raad van procureurs, antwoordt de staatssecretaris dat deze vraag zal worden onderzocht met de minister van Justitie.

Wat het aantal parketmagistraten betreft, bevestigt de staatssecretaris dat de door de heer Laeremans aangehaalde cijfers kloppen.

Met betrekking tot het verschil tussen de evaluatie en de werklastmeting, verduidelijkt de staatssecretaris dat de evaluatie binnen drie jaar op vraag van een van de procureurs betrekking heeft op de verhouding van het parket van Halle-Vilvoorde (20 %) tot het parket van Brussel, terwijl de werklastmeting zal nagaan hoeveel magistraten/personeelsleden er noodzakelijk zijn. Die werklastmeting mag geen aanleiding zijn tot een vermindering van het aantal magistraten.

Of het aantal magistraten vergelijkbaar zal zijn met dat in andere arrondissementen is een aspect, aldus de staatssecretaris, dat aan bod zal dienen te komen tijdens de werklastmeting, waar onder meer demografische aspecten in rekening kunnen worden gebracht.

Wat de cijfers betreft van het aantal parketmagistraten voor Brussel, bevestigt de staatssecretaris dat het volgens de cijfers van de FOD Justitie gaat om 96 parketmagistraten, van wie er 19 Nederlandstalig zijn. Ook voor het auditoraat bevestigt de staatssecretaris de geciteerde cijfers; voor de lagere mandaten zijn er nog geen beslissingen genomen.

Met betrekking tot de vragen over de grootte van de diverse categorieën van het personeelsbestand bij de parketten en auditoraten en de taalverdeling, en dit zowel in Brussel als in Halle-Vilvoorde, verwijst de staatssecretaris naar de bijlage.

Verder antwoordt de staatssecretaris dat het besluit, zoals vermeld in artikel 59 van het ontwerp, nog niet is voorbereid.

Wat betreft de 90 % van het parket van Halle-Vilvoorde antwoordt de staatssecretaris dat de hervorming gelijk in werking treedt, voor zowel het parket als de zetel, in overeenstemming met artikel 61 van het ontwerp.

Of er een Justitiehuis komt in Halle-Vilvoorde, een labo voor wetenschappelijke recherche of een arrondissementele raad voor slachtofferhulp, zijn vragen, aldus de staatssecretaris, die betrekking hebben op de uitvoering van de wet, hetgeen ressorteert onder de bevoegdheid van de minister van Justitie.

De staatssecretaris wijst erop dat staatshervormingen steeds in drie fases verlopen. De eerste fase zijn de onderhandelingen die leiden tot een akkoord. In de tweede fase wordt het akkoord legistiek vertaald. In de derde fase moet het akkoord worden uitgevoerd op het terrein. Ook bij deze staatshervorming is dit het geval. Voor de uitvoering zijn de verschillende ministers, elk op hun bevoegdheidsdomein, mee verantwoordelijk. Voor dit aspect van de staatshervorming is dat de minister van Justitie. De minister zal hierin uiteraard maximaal worden gesteund door de premier en de twee staatssecretarissen. Het lijkt hem logisch dat er in een gerechtelijk arrondissement met 600 000 inwoners een Justitiehuis komt. Wanneer dit echter precies gaat gebeuren, is een beslissing van de minister van Justitie. Daarover zal trouwens overleg moeten worden gepleegd met de bevoegde gemeenschapsministers zodat de continuïteit van de dienstverlening verzekerd blijft.

De huidige Nederlandstalige magistraten in Brussel zullen uiteraard niet van de ene op de andere dag verdwijnen, hetzelfde geldt voor het personeel. Wie benoemd is, blijft benoemd en contractuelen met een arbeidscontract van onbepaalde duur zullen niet worden ontslagen. Het gevolg van de goedkeuring van het wetsontwerp is dat er Nederlandstaligen in overtal zullen zijn en dat er Franstaligen zullen worden aangeworven. Wat die Nederlandstaligen betreft, wil hij pleiten voor vrijwillige of gedwongen mobiliteit, maar niemand zal verplicht worden tot buitengewone verplaatsingen. Wel zullen er verschuivingen plaatsvinden wanneer er plaatsen vacant zijn, dicht bij de woonplaats om zo de budgettaire kostprijs van de hele operatie te beperken. Als er bijvoorbeeld een plaats vrijkomt in Leuven en er is iemand in Brussel die aan de vereiste kwalificaties voldoet, dan zal aan die persoon worden voorgesteld om die vacante plaats op te nemen. Meer nog, indien de behoefte van de dienst, buiten Brussel en buiten Halle-Vilvoorde, het mogelijk maakt om extra personeel aan te nemen, dan kan overtallig Nederlandstalig personeel verplaatst worden indien zij daardoor dichter bij hun woonplaats terechtkomen. Ook is afgesproken dat, als de wetteksten worden goedgekeurd, overtallig tweetalig Nederlandstalig personeel dat werkt in Franstalige kamers zijn baan zal kunnen behouden tot er Franstalige vervangers zijn die aan de wettelijke voorwaarden voldoen. Ze mogen trouwens worden meegeteld voor die 90 %-norm. Het is immers de ambitie van de acht meerderheidspartijen om die norm zo snel als mogelijk in werking te laten treden.

In overleg met zowel Selor als de Hoge Raad voor de Justitie wordt de aanwerving van het bijkomend personeel zo snel mogelijk opgestart. Een task-force volgt dit proces op, met diagnosemomenten eind dit jaar en eind juni volgend jaar.

Op de vraag op welke wijze objectief zal worden vastgesteld dat 90 % van alle kaders volzet zijn, verwijst de staatssecretaris naar de habilitatie aan de Koning (cf. artikel 61, tweede lid, van het ontwerp).

Wat het uitdovingskader betreft, benadrukt de staatssecretaris dat er geen actieve ontslagen zullen vallen. In het akkoord staat letterlijk : « zij die vertrekken worden niet vervangen », indien ze boven de tijdelijke verdeelsleutels-grenzen vallen. Het gaat niet om aanwijzingen in personam.

De staatsecretaris verwijst voor het aantal onderzoeksrechters en hun tweetaligheid naar de cijfers van de FOD Justitie. Voorts merkt hij op dat het aantal Nederlandstalige onderzoeksrechters door de Koning wordt bepaald (art. 79 van het Gerechtelijk Wetboek) binnen het kader van de op te richten Nederlandstalige rechtbank, hetgeen pas zal gebeuren bij de inwerkingtreding van de gehele hervorming.

Wat het aantal overblijvende Nederlandstalige strafrechters betreft, verwijst de staatssecretaris opnieuw naar de artikelen 76 tot 79 van het Gerechtelijk Wetboek en de concrete opdeling van de functies die in de fasering van de hervorming nog zal dienen te gebeuren door de minister van Justitie en de wetgever. Een specifieke nota over de « strafrechters » is hem niet bekend. Wel werd aan de commissieleden van de Kamer een nota bezorgd door de stuurgroep Brussel-Halle-Vilvoorde, die de bewoordingen herneemt van een brief van de voorzitster van de arbeidsrechtbank aan de minister van Justitie dd. 05.04 2012.

De staatssecretaris bevestigt dat er maar twee niveaus van taalkennis zijn. Uiteraard kunnen magistraten nog steeds deelnemen aan het examen grondige taalkennis.

De staatssecretaris belooft de commissie de precieze cijfers te bezorgen over de Nederlandstalige en Franstalige rechters die aan deze verplichting voldoen.

Op de vraag waarom er slechts twee onderzoeksrechters grondig tweetalig moeten zijn, antwoordt de staatssecretaris dat het gaat om twee onderzoeksrechters per taalgroep. Op die wijze kunnen zij zelf, zonder vertaling, bijvoorbeeld ook kantschriften in het Frans en het Nederlands opstellen in Halle-Vilvoorde. Die verhouding vloeit voort uit de ontdubbeling van de rechtbanken naar twee eentalige rechtbanken.

De andere onderzoeksrechters moeten niet noodzakelijk functioneel tweetalig zijn. De staatssecretaris verwijst in dat verband naar de 1/3-regeling.

De toegevoegde rechters worden volgens het ontwerp in het kader geïntegreerd, bij elke nieuwe eentalige rechtbank — dat is positief zowel voor het Nederlandstalig als het Franstalig kader.

De politierechtbanken van Brussel-Hoofdstad worden eveneens ontdubbeld en volgen dus de algemene regel.

Wat betreft de vraag over de passieve taalkennis in een tweetalige stad, antwoordt de staatssecretaris dat de gemaakte keuze een gevolg is van de creatie van eentalige rechtbanken.

Met betrekking tot de vraag over de huidige taalvereisten voor griffiers verwijst de staatssecretaris naar artikel 53, § 6, derde lid van de Taalwet, dat bepaalt dat de taalkennis in hoofde van griffiers wordt getoetst middels een examen houdende zowel mondelinge als schriftelijke actieve en passieve kennis van de andere taal.

De daling bij de griffiers van 100 % naar 30 % tweetaligen is eveneens een gevolg van de opdeling van een tweetalige rechtbank in eentalige rechtbanken.

De gevraagde cijfers over de politierechtbank zullen aan de commissie worden bezorgd voor zover zij beschikbaar zijn.

De vrijwaringsclausule van 27 % houdt rekening met het aantal magistraten op een ogenblik tussen 1 januari 2012 en de inwerkingtreding van de voorlopige kaders. In de diverse rechtbanken is de huidige invulling van 27 % van het Nederlandstalige kader verzekerd, zodat de tijdelijke optrekking, indien er plaatsen vacant worden, vanaf het moment van de inwerkingtreding van de hervorming (90 %) hoe dan ook zal mogelijk zijn. De 27 % is een vrijwaringsregeling in afwachting van de werklastmeting. Op het ogenblik dat het jaar beëindigd is vanaf de invulling van de 90 %, zal ook de werklastmeting klaar moeten zijn zoals voorzien in het ontwerp.

De opmaak van de werklastmeting en de methodologie zal, conform artikel 57, 8º, van het ontwerp gebeuren door de minister van Justitie. Zij zal daartoe binnenkort een voorstel aan de regering voorleggen.

De staatssecretaris gaat in op de kritiek dat hij op sommige opmerkingen van de Raad van State geen afdoende antwoord heeft gegeven tijdens het debat in de Kamer.

Op artikel 15 (het vroegere artikel 12) van het ontwerp maakt de Raad van State de volgende bemerking :

« 20. In paragraaf 3 van de voorgestelde tekst moeten in de eerste zin de woorden « taalwijziging of » worden geschrapt, aangezien alleen het geval van een doorverwijzing mogelijk is, wat overigens bevestigd wordt in de tweede zin van dezelfde paragraaf, waarin enkel sprake is van doorverwijzing. »

De staatssecretaris wijst er evenwel op dat de Raad van State uit het oog lijkt te zijn verloren dat artikel 16, § 2, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken ook bepaalt dat de taalwijziging kan plaatshebben in het stadium van het opsporingsonderzoek. In dat geval is er geen « verwijzing », aangezien de zaak nog niet aanhangig is gemaakt bij een rechtscollege.

Over het oud artikel 15bis (nieuw art. 19) gaf de Raad van State de volgende opmerking :

« 23. In artikel 186bis, voorgesteld nieuw tweede lid, moet de bepaling aan het einde nauwkeuriger worden gesteld als volgt :« en van de vrederechters en de toegevoegde vrederechters in de Nederlandstalige politierechtbank met zetel binnen het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad. ».

De staatssecretaris merkt op dat er met die opmerking geen rekening werd gehouden omdat de politierechtbank immers samengesteld is uit « rechters » of « toegevoegde rechters » en niet uit « vrederechters » of « toegevoegde vrederechters ».

Over het oorspronkelijke artikel 45 werd door de Raad van State de volgende bedenking geopperd :

« 45. In het eerste lid van het voorgestelde artikel 23quater van de voornoemde wet wordt bepaald dat de arrondissementsrechtbanken recht spreken zoals in kort geding. Het staat aan de wetgevende kamers om na te gaan in welke mate de artikelen 1035 tot 1038, alsook 1040 en 1041 van het Gerechtelijk Wetboek van overeenkomstige toepassing moeten worden verklaard, in het belang van de rechtszekerheid. »

De staatssecretaris antwoordt dat er met die opmerking geen rekening werd gehouden omdat de woorden « een procedure zoals in kort geding » duidelijk genoeg zijn en al in andere wettelijke bepalingen voorkomen (zie bijvoorbeeld artikel 32 decies van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk of artikel 130, derde lid, van het Wetboek van Vennootschappen).

Over het vroegere artikel 47 (nieuw art. 57) maakte de Raad van State de volgende opmerking :

« 51. De begrippen grondige kennis en functionele kennis zijn niet verankerd in de voornoemde wet. Artikel 43quinquies voorziet enkel in twee soorten examens om de kennis van de andere taal te bewijzen en vereist in zijn thans geldende versie slechts in een aantal limitatief opgesomde gevallen dat men geslaagd is voor het tweede examen. Het volstaat derhalve om eenvoudigweg terug te grijpen naar de bepaling betreffende het eerste of het tweede examen, naar gelang van het vereiste niveau.

Deze opmerking geldt eveneens voor artikel 48 van het voorliggende voorstel. »

De staatssecretaris antwoordt dat er geen rekening is gehouden met deze opmerking aangezien de verwijzing naar de begrippen « grondige kennis » en « functionele kennis » de visibiliteit van de tekst vergemakkelijkt en de rechtszekerheid niet schaadt aangezien ook wordt verwezen naar de wetsbepalingen die een onderscheid maken tussen deze twee soorten van talenkennis.

De staatssecretaris concludeert dat eens deze wet is goedgekeurd, er nog veel werk op het terrein zal moeten worden uitgevoerd. Dat zal vooral moeten gebeuren door de minister van Justitie die hiervoor de nodige steun krijgt van de hele regering. Deze operatie zal de nodige budgettaire inspanningen vergen. De keuzes die door de acht partijen zijn gemaakt, lijken hem zeer evenwichtig.

Replieken

De heer Laeremans stelt vast dat de cijfers die door de protesterende magistraten naar voor werden geschoven, door de staatssecretaris worden erkend en dat de onderhandelaars over nauwkeuriger cijfers beschikten dan valt af te leiden uit de verklaringen die in de pers werden geciteerd. Dat betekent ook dat men bewust de 80/20-regel aanvaard heeft, wat een enorm verschil betekent met de huidige situatie in Brussel. Zelfs een verhouding 73/27 is een enorme verschuiving in vergelijking met de globale situatie vandaag. De 80/20-regel blijft, wat een gigantische overwinning is ten koste van de Vlaamse magistraten in Brussel. De staatssecretaris probeert de situatie te verdoezelen door de tijdelijke 27 % te benadrukken maar men maakt zich daar illusies over.

Wat de politierechtbanken betreft, weerlegt de heer Laeremans de bewering dat hij zou aanvaarden dat de behoefte aan Nederlandstalig personeel zou worden vastgesteld op 13 personen (magistraten en griffiepersoneel). Er bestaat immers een verschil in werklast tussen strafzaken en burgerlijke zaken. Volgens zijn informatie zou de verdeelsleutel momenteel zelfs hoger liggen dan 25/75. Wat het aantal politierechters betreft, gaat men uit van een verdeelsleutel van 20N/80F, terwijl de huidige verhouding 79N/21 F bedraagt (11 rechters op 14 zijn Nederlandstalig). Het gaat hier om reële omkering van de situatie.

Wat de tweetaligheid betreft, blijft de heer Laeremans erbij dat er twee afzonderlijke regelingen kunnen gelden voor de eentalige rechtbanken enerzijds en de tweetalige rechtbanken anderzijds. Deze redenering kan echter niet worden uitgebreid tot het parket, dat tweetalig moet blijven. Wat de versoepeling van het taalstelsel van de tweetalige rechtbanken betreft, herinnert hij eraan dat men zou moeten evolueren naar een verplichte, minimale en passieve kennis van de tweede taal voor alle magistraten.

Hij benadrukt nog dat zijn voorstel verschillend blijft van dit wetsontwerp, aangezien het arrondissement Brussel beperkt zou zijn tot de 19 gemeenten. Tegelijkertijd is het onbegrijpelijk dat de situatie in Halle-Vilvoorde wordt gelijkgesteld met de situatie van Brussel in termen van taalvereisten. Indien men eist dat een derde van de magistraten tweetalig is in Halle-Vilvoorde, moet men minstens bepalen dat 1/2 of 2/3 van de magistraten in Brussel tweetalig is. Anders wordt het arrondissement Halle-Vilvoorde tweetalig, wat onaanvaardbaar is. Spreker meent hoe dan ook dat de Franstaligen erin zijn geslaagd om hun suprematie op te leggen aan Halle-Vilvoorde.

De toegevoegde rechters zullen hieraan niets veranderen. Vandaag zijn er vijf Nederlandstalige toegevoegde rechters en eenendertig Franstalige. Die Franstalige toegevoegde rechters worden echter gebruikt om de taalwetgeving te omzeilen. De Nederlandstaligen die er dus altijd voor hebben gezorgd dat de verhouding van 2/3 tweetaligen bereikt is, zullen van dit systeem van toegevoegde rechters gebruik kunnen maken om te kunnen blijven bestaan. Dat is de omgekeerde wereld.

Wat het personeel van de rechtbank van eerste aanleg betreft, meent de heer Laeremans dat hij geen antwoord heeft gekregen van de staatssecretaris. Spreker herinnert eraan dat er wordt voorzien in een bijkomende rekrutering van bijna 92 personen, terwijl hieraan geen hoge nood bestaat. Het is al te gek dat terwijl er binnen de FOD Justitie bezuinigingen worden doorgevoerd, de pers aankondigt dat er bijna 40 magistraten en 200 personen voor de griffies in dienst worden genomen. Deze rekrutering betreft trouwens uitsluitend Franstaligen. Spreker wacht bijgevolg ongeduldig op de definitieve cijfers van de staatssecretaris hierover.

De heer Laeremans benadrukt dat de hervorming ertoe bijdraagt de Franstaligen nieuwe taalfaciliteiten toe te kennen. Hij stelt bijvoorbeeld vast dat het verzoekschrift tot vrijwillige verschijning in de toekomst zal kunnen worden ingediend in het Frans, ondanks het feit dat men in Halle-Vilvoorde woont en zonder enige controle over de kennis van de taal. Zo zullen Nederlandstaligen van het arrondissement Halle-Vilvoorde een vordering in het Frans kunnen indienen voor de Franstalige rechtbank. Dit is een aberratie en het lijdt geen twijfel dat er snel misbruiken zullen worden vastgesteld.

Tot slot merkt de heer Laeremans op dat de vijf parketmagistraten die naar Halle-Vilvoorde worden gedetacheerd, nog altijd zullen vallen onder het algemeen personeelsbestand voor Brussel (ook voor de inachtneming van de taalrol en de verdeelsleutel 1/3-2/3). Rekening houdend met het feit dat het personeelsbestand van het Brusselse parket zal bestaan uit 96 parketmagistraten, moeten 32 magistraten tweetalig zijn. Als echter 5 van die 32 magistraten moeten worden gedetacheerd naar Halle-Vilvoorde, blijven er slechts 27 tweetalige magistraten over in Brussel. Het arrondissement Brussel zal bijgevolg minder tweetalig zijn dan het arrondissement Halle-Vilvoorde.

De heer Vanlouwe oordeelt dat de antwoorden van de staatssecretaris soms onjuist waren. Zo was het aantal Nederlandstalige en Franstalige onderzoeksrechters in Brussel dat in het antwoord werd vermeld, onjuist. Deze gegevens zullen intussen worden rechtgezet door het kabinet.

De staatssecretaris verduidelijkt evenwel dat de exacte cijfers werden meegedeeld door de FOD Justitie aan het Commissiesecretariaat ter attentie van de commissieleden (Het betreft 6 grondig tweetaligen en 6 functioneel tweetaligen van de in totaal 22 Brusselse onderzoeksrechters. Grondig : 3 F, 3N. Functioneel : 5 F, 1N).

Naar aanleiding van de antwoorden van de staatssecretaris wijst de heer Vanlouwe op het volgende :

— wat de cijfergegevens betreft die tot de verdeelsleutel 20/80 hebben geleid, zou nu moeten blijken dat de onderhandelaars uiteindelijk in het bezit waren van de juiste cijfers. Hij stelt echter vast dat een belangrijke speler in het debat, mevrouw Van den Bossche, voorzitster van de arbeidsrechtbank van Brussel, andere cijfers heeft meegedeeld zowel aan de staatssecretaris als aan de media, hetgeen tot een debat ten gronde en de invoering van de overgangsmaatregel 27/80 heeft geleid;

— gelet op de bevestiging door de staatssecretaris dat de onderhandelaars over juiste cijfers beschikten, zou de kernvraag echter moeten gaan over de redenen waarom de uiteindelijke verdeelsleutel geen 30/70 is, maar 20/80. Het is dan ook een zeer slecht politiek akkoord, want de Vlaamse onderhandelaars hebben het exacte cijfer verlaagd van 26 % naar 20 % ten nadele van de Nederlandstaligen;

— zelfs met de aangekondigde correctie van 27 % zal de gerechtelijke achterstand wat de arbeidsrechtbank betreft (een achterstand van 1 638 dossiers voor het jaar 2011) enkel toenemen aan Nederlandstalige kant. Aan Franstalige kant daarentegen zullen de geplande maatregelen de gerechtelijke achterstand doen afnemen;

— wat de wil van de regering betreft om via bijkomende rekruteringen een personeelsbestand van 90 % te bereiken, vraagt de heer Vanlouwe zich af waarom dezelfde proactiviteit niet geldt voor het meten van de werklast;

— het meten van de werklast is immers essentieel en kan niet los worden gezien van dit dossier. Ook is het belangrijk om nu reeds over te gaan tot de aanbestedingen teneinde in 2014 resultaten te verwachten. Er kan geen sprake zijn van bijkomende rekruteringen terwijl er nog geen instrumenten zijn om de werklast te meten. Wanneer wordt de aanbesteding uitgeschreven ? Welke budgetten zijn hiervoor gepland ?

— de procureur van Halle-Vilvoorde, die het strafrechtelijk beleid in zijn arrondissement zal moeten uittekenen, zal echter geen hiërarchisch gezag kunnen uitoefenen over de vijf gedetacheerde Franstalige substituten. Over welke actie- en sanctiemogelijkheden beschikt hij dan wanneer een van de substituten de visie van de genoemde procureur niet deelt of andere prioriteiten meent te moeten benadrukken ? Het risico is reëel dat er in dit parket « dissidente elementen » worden gecreëerd.

De heer Vanlouwe is verder van oordeel dat de tweetaligheid van alle magistraten in Brussel een absolute must is. Dit zou evident moeten zijn, maar nu sluit men een akkoord waarbij niet langer twee derde maar slechts één derde van de magistraten tweetalig dient te zijn. Vandaag stelt de wetgeving dat minimum één derde van de magistraten over een Nederlandstalig diploma moet beschikken, één derde over een Franstalig diploma en dat twee derde tweetalig zou moeten zijn. In de feiten evenwel blijkt dat de Nederlandstaligen aan deze voorschriften voldoen, wat niet kan worden gezegd van de Franstaligen. Daarom wordt de vereiste van twee derde tweetalige magistraten teruggebracht tot één derde. Dat zullen in de feiten allemaal Nederlandstaligen zijn : de tweetaligheid komt immers voornamelijk van één kant. De taalwetgeving wordt aldus versoepeld zonder dat maatregelen worden genomen om de tweetaligheid van de Franstalige magistraten te bevorderen.

Wat de werklastmeting betreft, bepaalt het akkoord dat men ook demografische aspecten in rekening zal brengen. Daarbij wordt verwezen naar de bevolkingsexplosie die men in Brussel — en overigens ook in andere steden — mag verwachten. Spreker erkent dat een stad die vele nieuwkomers en een steeds toenemende bevolking kent, wordt geconfronteerd met specifieke uitdagingen. De vraag is echter of dit relevant is voor wat de taalverhoudingen betreft. De magistraten die op het terrein werkzaam zijn beweren alvast van niet. Elke rechtszaak die wordt gevoerd tegen de federale, de Brusselse of de federale overheid of tegen een bedrijf dat in Brussel is gevestigd, behoort tot de bevoegdheid van de Brusselse rechtbanken. Dit geldt ook voor alle arbeidsgeschillen van werknemers wier werkgever in Brussel is gevestigd en voor alle verkeersdelicten die op het grondgebied van Brussel worden begaan, en bijgevolg dus voor zeer vele pendelaars die helemaal niet in Brussel wonen. De bevolkingssituatie in Brussel heeft hiermee helemaal niets te maken, maar toch werd dit opgenomen in het akkoord om de werklastmeting — en bijgevolg de taalverhoudingen tussen Nederlandstalige en Franstalige magistraten — te bepalen. De werklastmeting zal derhalve niet op grond van objectieve parameters verlopen maar de Vlaamse onderhandelaars durven dit niet onderkennen.

Ten slotte is de heer Vanlouwe verheugd dat de heer Anciaux erkent dat de rechtbanken in Brussel-Halle-Vilvoorde helemaal niet gesplitst maar ontdubbeld worden en dat het akkoord dat werd afgesloten niet perfect is. De heer Anciaux meent echter dat de problemen wel zullen worden aangepakt bij het parket, dat wél wordt gesplitst. De strafvordering die door het parket wordt ingesteld moet evenwel worden gevolgd door een veroordeling door de rechtbank, maar bij gebrek aan voldoende magistraten aan Nederlandstalige kant zal dit zeer moeilijk worden en blijft het eigen vervolgingsbeleid een lege doos. De gerechtelijke achterstand zal, zowel op burgerrechtelijk als op strafrechtelijk vlak, dan ook alleen maar toenemen.

Spreker verwijst ook naar de uitspraak van de heer Anciaux die heeft gesteld dat de huidige situatie blijft wat ze is, hoewel ze niet ideaal is, en dat slechts enkele aanpassingen zullen gebeuren. In de feiten maakt een dergelijke houding de zaken alleen maar erger : men « betonneert » immers een slechte situatie.

De heer Anciaux dankt de heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, voor de antwoorden die hij heeft verstrekt. In het bijzonder onderstreept hij het antwoord van de staatssecretaris inzake de werklastmeting. De staatssecretaris heeft er immers op gewezen dat de Hoge Raad voor de Justitie in zijn ambtshalve advies betreffende de splitsing van het gerechtelijk arrondissement te Brussel, dat werd goedgekeurd door de algemene vergadering op 30 mei 2012, helemaal niet heeft gesteld dat de werklastmeting niet zou kunnen worden uitgevoerd voor 2014, zelfs niet voor 2017, en dit in tegenstelling tot wat sommigen voortdurend beweren.

De staatssecretaris heeft terecht gewezen op het feit dat de Hoge Raad voor de Justitie enkel stelt dat uit de inlichtingen van de Commissie voor de Modernisering van de Rechterlijke Orde zou blijken dat dit slechts mogelijk is in 2017. De Hoge Raad voor de Justitie doet echter meer dan dat : ze wijst immers op gedetailleerde wijze op de verschillende mogelijkheden die er bestaan om criteria op te stellen om deze werklastmeting uit te voeren. Hij doet dus zélf voorstellen om binnen het vooropgestelde tijdsschema te blijven en aldus de werklastmeting tegen uiterlijk medio 2014 mogelijk te maken. Dit laatste element is onderbelicht gebleven in het hele debat en de heer Anciaux meent dat een werklastmeting tegen 2014 wel degelijk tot de mogelijkheden behoort.

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor de Staatshervorming, verwijst naar de reeds eerder gegeven antwoorden daar hij geen nieuwe argumenten heeft gehoord.

V. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING EN STEMMING

A. Wetsontwerp betreffende de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel (stuk Senaat, nr. 5-1674/1)

De heer Laeremans vraagt aan de heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, de antwoorden van de FOD Justitie en de schriftelijke neerslag van de antwoorden van de staatssecretaris op de 63 vragen die hij op 26 juni in deze commissie stelde.

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, legt uit dat de antwoorden van de FOD Justitie (deze cijfergegevens zullen in de bijlage van het rapport worden opgenomen) werden bezorgd en dat hij zijn antwoorden zo volledig mogelijk zal geven in overleg met de twee rapporteurs, Mevrouw Targnion en de heer Anciaux.

Ook de heer Vanlouwe wenst de juiste cijfergegevens te krijgen in verband met de tweetaligheid van de magistraten. De gegevens vermeld door de staatssecretaris verschillen van de gegevens betreffende de onderzoeksrechters. Deze gegevens werden teruggeven aan het kabinet van de heer staatssecretaris en er werd beloofd dat de juiste gegevens zouden bezorgd worden per e-mail.

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor de Staatshervorming ontkent dat hij dit gezegd heeft. De handelwijze van de heer Vanlouwe is, volgens hem, niet correct. De gegevens van de FOD Jusitie werden meegedeeld aan de commissieleden via het commissiesecretariaat

Amendement nr. 1

De heren Vanlouwe en Boogaerts dienen het globaal amendement nr. 1 in (stuk Senaat, nr. 5-1674/2) dat ertoe strekt de artikelen 1 tot 72 te vervangen.

De heer Vanlouwe legt uit dat dit globaal amendement gebaseerd is op het wetsvoorstel tot wijziging van diverse bepalingen met het oog op de oprichting van Nederlandstalige en Franstalige rechtbanken van eerste aanleg en de splitsing van het parket bij de rechtbank van eerste aanleg in het gerechtelijk arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde van 7 augustus 2007 (stuk Senaat, nr. 4-133/1) van de heer Hugo Vandenberghe c.s. Dit wetsvoorstel werd reeds in 2003 ingediend door de heer Vandenberghe (stuk Senaat, nr. 3-159/1) maar werd in 2007 licht gewijzigd.

In de Kamer van volksvertegenwoordigers werd trouwens op 28 november 2003 door de heer Verherstraeten c.s. een identiek wetsvoorstel ingediend tot wijziging van diverse bepalingen met het oog op de oprichting van Nederlandstalige en Franstalige rechtbanken van eerste aanleg en de splitsing van het parket bij de rechtbank van eerste aanleg in het gerechtelijk arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde (stuk Kamer, nr. 51-0506/1).

De heer Vanlouwe stipt aan dat het wetsvoorstel nr. 4-133/1 destijds ondertekend werd door zowel partijen van de meerderheid als van de oppositie, wat er, volgens hem, op wijst dat dit een zeer gedegen wetsvoorstel was. Hierin wordt gepleit voor een horizontale, asymmetrische splitsing (stuk Senaat, nr. 4-133/1, p. 5). Het amendement nr. 1 gaat ook uit van zo'n splitsing en niet van een gewone ontdubbeling.

Het gerechtelijk arrondissement Brussel is het grootste van het land en telt nu reeds 1.6 miljoen inwoners. Ter vergelijking : het gerechtelijk arrondissement Antwerpen telt 1.1 miljoen inwoners en de andere grote arrondissementen zoals Gent, Leuven en Charleroi tellen 600 000 à 700 000 rechtsonderhorigen.

Op dit ogenblik beschikt het parket zowel als de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Brussel over een kader van ongeveer 100 magistraten en meer dan 200 medewerkers. Het grote probleem is dat dit arrondissement zich uitstrekt over twee taalgebieden, namelijk het Nederlands taalgebied enerzijds en het tweetalig gebied Brussel Hoofdstad anderzijds. Het gerechtelijk arrondissement splitst zich dus uit over twee gemeenschappen en twee gewesten.

In het wetsvoorstel van de heer Hugo Vandenberghe (stuk Senaat, nr. 4-133, hieronder « voorstel Vandenberghe c.s. »), heeft men vastgesteld dat er ook een zeer complexe regeling is met betrekking tot het gebruik van de talen in gerechtszaken. De vereiste betreffende de talenkennis van de magistraten is ook al zeer ingewikkeld.

Het gerechtelijk arrondissement Brussel telt niet enkel zeer veel rechtsonderhorigen maar kampt ook met een structureel probleem omdat de huidige omkadering niet steeds een optimale en efficiënte rechtsbedeling kan waarborgen.

De concrete problemen van het gerechtelijk arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde zijn bekend. Zij situeren zich voornamelijk op het vlak van de rechtbank van eerste aanleg en de arbeidsrechtbank, zeker binnen het parket. De situatie in de vredegerechten en in de rechtbanken van koophandel is minder erg en, voor wat het hof van beroep betreft, zijn de kaders volledig. Binnen het huidig systeem worden in artikel 43 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken de wettelijke vereisten bepaald voor de kennis van de talen door de magistraten. Dit artikel zal fundamenteel gewijzigd worden door voorliggend wetsontwerp betreffende de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel.

In het wetsvoorstel Vandenberghe c.s. (stuk Senaat, nr. 4-133) werd gesteld dat de regeling, voorzien in dit artikel 43 betreffende de tweetaligheid van het magistratenkorps in Brussel, niet goed was.

De bestaande wetgeving leidt tot grote moeilijkheden onder meer om de kaders op te vullen. Het is vooral moeilijk om het minimumkader van één derde Franstaligen op te vullen. Zij maken de facto twee derde uit van het totale magistratenkorps en bijgevolg rijst het probleem van de vereiste van twee derde tweetalige magistraten. Dit probleem is reeds meer dan twintig jaar gekend en daarom had men al veel eerder structurele maatregelen moeten nemen om de tweetaligheid van deze magistraten te verbeteren. Men verkiest echter de taalwet nog te versoepelen zodat de correcte rechtsbedeling ten aanzien van Nederlandstaligen, zowel in Brussel als in Halle-Vilvoorde, in het gedrang komt.

De bestaande regeling heeft tot gevolg dat de gerechtelijke achterstand aanzienlijk is toegenomen maar er is een aanzet tot verbetering gegeven. Door de huidige wijziging zal er een asymmetrie worden gecreëerd in het inlopen van die gerechtelijke achterstand.

Het globale amendement nr. 1 heeft tot doel de gerechtelijke achterstand zowel langs Nederlandstalige als langs Franstalige kant weg te werken.

Spreker concludeert, op basis van de cijfergegevens die hem zijn overgemaakt, dat de gerechtelijke achterstand langs Franstalige kant zal worden ingelopen maar langs Nederlandstalige kant zal deze nog toenemen door het onevenwicht tussen Franstalige en Nederlandstalige magistraten.

De heer Vanlouwe wijst verder op een ander fundamenteel probleem, aangehaald in het wetsvoorstel Vandenberghe c.s. : « Het quasi ongelimiteerd benoemen van (Franstalige) toegevoegde rechters ingevolge de wijziging van de wet van 10 april 1998 door de vorige regering, maakt een subtiele omzeiling uit van de wetgeving met betrekking tot de taalkennis van de Brusselse magistratuur en zorgt voor een de facto verfransing van de Brusselse magistratuur. » (stuk Senaat, nr. 4-133/1, p. 2).

In het huidige wetsontwerp worden er nog meer toegevoegde rechters benoemd. Deze » subtiele omzeiling van de taalwetgeving » wordt nog eens wettelijk verankerd.

Ook de interne werking van de rechtbanken en parketten is inefficiënt door, onder meer, de vele vacante plaatsen en de grote mobiliteit van de rechters. Verder wordt ook de tweetaligheid van de rechtbanken en parketten naar buiten uit beperkt.

Het fundamenteel probleem van « de benadeling van de Nederlandstalige rechtszoekende » dat door het wetsvoorstel Vandenberghe c.s. (stuk Senaat, nr. 4-133/1, p. 2) reeds werd aangehaald, zal nog verslechteren door de 20/80 taalkaders op basis van foute cijfergegevens of een verkeerde interpretatie van juiste cijfergegevens.

Nederlandstalige personeelsleden die in overtal zijn, zullen misschien naar Aalst, Hasselt, Leuven of Antwerpen wordt overgeplaatst maar het aantal Nederlandstalige dossiers zal niet verminderen. De gerechtelijke achterstand langs Nederlandstalige kant zal bijgevolg toenemen, wat de rechtsbedeling van de Nederlandstalige rechtszoekende zal benadelen. Er wordt echter niet gesproken over een overtal bij de Franstalige personeelsleden.

Het wetsvoorstel Vandenberghe c.s. maakt ook gewag van « de imagobeschadiging van de justitiële diensten » (stuk Senaat, nr. 4-133/1, p. 2.). De oplossingen die door het wetsvoorstel nr. 4-133/1 worden naar voren geschoven, wijken zeer sterk af van het thans besproken wetsontwerp.

De opeenvolgende paarse regeringen zijn er niet in geslaagd het imago van de Brusselse rechtbanken te verbeteren. De goedbedoelde maatregelen om een bijkomend contingent raadsheren aan te stellen heeft de toestand van de rechtbanken van eerste aanleg alleen maar verslechterd.

De heer Vanlouwe vervolgt dat, benaderd vanuit de invalshoek van de rechtsbedeling en rechtshandhaving in de Vlaamse gemeenten buiten de agglomeratie Brussel — het zogezegd « gesplitste » gerechtelijk arrondissement Halle-Vilvoorde — tevens vastgesteld kan worden dat, ingevolge de taalproblematiek van de Brusselse magistratuur, voor zowel de rechtszoekenden als politiefunctionarissen in deze streek het principe « streektaal is gerechtstaal » de facto wordt verlaten. Tevens wordt aangevoeld dat, ingevolge het vervolgingsbeleid van het (voornamelijk hoofdstedelijk georiënteerd) parket, de regio Halle-Vilvoorde op het vlak van de criminaliteitsbestrijding verwaarloosd wordt, hetgeen op zich weer leidt tot een aangroei van voornamelijk Franstalige zaken en de gerechtelijke achterstand, alsmede de vraag naar meer Franstalige magistraten voeding geeft.

De heer De Decker heeft deze stelling betwist, maar volgens de heer Vanlouwe is dit wel degelijk het geval.

De heer Anciaux meent dat de heer De Decker eerder de uitspraak heeft betwist als zouden er aan Franstalige kant minder strenge straffen worden opgelegd. Dat er een verschillend vervolgingsbeleid is tussen enerzijds Brussel en anderzijds Halle-Vilvoorde, lijkt hem echter evident.

De heer Vanlouwe dankt de vorige spreker om te bevestigen dat de criminaliteit anders moet worden benaderd in Brussel dan in Halle-Vilvoorde. Vervolgens verwijst hij andermaal naar het wetsvoorstel Vandenberghe c.s. (stuk Senaat, nr. 5-133/1). De afhankelijkheid van het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde, dat deel uitmaakt van het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap alsook van de provincie Vlaams Brabant, van tweetalige rechtbanken en een tweetalig parket, is tevens vanuit staatkundig oogpunt onlogisch en onhoudbaar.

Een structurele ingreep die de impasse in de Brusselse rechtbanken van eerste aanleg en het parket kan verhelpen, bestaat in een ingrijpende hertekening van de organisatorische structuur. Deze hertekening dient gestoeld te zijn op volgende principes.

— Rechtszekerheid voor de rechtzoekende : wettelijk waarborgen dat de rechtszoekende steeds in zijn eigen taal kan worden bediend, zowel in burgerlijke als in strafzaken (ook op het niveau van het onderzoek voorafgaand aan de rechtspleging). De rechtsonderhorige heeft volgens de heer Vanlouwe ook het recht om zijn zaak te laten behandelen binnen een redelijke termijn, ook in burgerlijke zaken. Deze redelijke termijn moet er zowel zijn voor Franstaligen als voor Nederlandstaligen;

— Efficiëntie van de diensten : een transparante structuur, die interne communicatie moet bevorderen en gekruisd overleg voor de rechtstbedeling in de hoofdstad moet mogelijk maken. Wanneer bijvoorbeeld een politie-inspecteur in de Vlaamse rand met strafrechtelijke feiten wordt geconfronteerd, gebeurt het soms dat de substituut-procureur des Konings die hij oproept geen Nederlands begrijpt. Dit is evenwel niet efficiënt : een politie-inspecteur moet immers kunnen worden bijgestaan door een magistraat die zijn taal spreekt. Het amendement nr. 1 wil deze efficiëntie volledig invoeren, niet enkel voor het parket, maar ook voor de rechtbank;

— Eenvormigheid in het vervolgingsbeleid : een splitsing van het gerechtelijk arrondissement Brussel mag niet leiden tot een disparate aanpak van de rechtshandhaving. Deze vaststelling geldt volgens de heer Vanlouwe overigens ook voor andere gerechtelijke arrondissementen;

— Waarborgen voor de Nederlandstalige rechtsbedeling binnen Brussel-Hoofdstad : een splitsing mag niet leiden tot een invloedsversterking van de Franstalige magistratuur;

— Stimuleren van de dienstverlening in de Nederlandstalige rechtsbedeling : door een kwalitatief hoogstaande en efficiënte aanpak een « gezonde concurrentie » bevorderen;

— In meer algemene, staatsrechtelijke zin : waarborgen van het « federalisering met twee, niet met drie »-principe, waarin Brussel daadwerkelijk als hoofdstad van de twee gemeenschappen kan fungeren. De heer Vanlouwe betreurt dat de partijen die gisteren achter dit principe stonden, dit vandaag hebben opgegeven. Er wordt immers een ander principe ingevoerd dat bovendien wordt « gebetonneerd » in de Grondwet.

De heer Vanlouwe vervolgt zijn betoog, verwijzend naar het wetsvoorstel Vandenberghe c.s. De keuze voor een splitsing van het gerechtelijk arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde sluit tevens aan bij recente wetgeving, met de oprichting van een eigen hof van assisen te Leuven en de feitelijke splitsing van het arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde op fiscaal vlak. Het koninklijk besluit van 25 maart 1999 ter uitvoering van de wetten op de hervorming van de fiscale procedure, maakt in elke provincie een rechtbank bevoegd om kennis te nemen van fiscale geschillen. Voor de provincie Vlaams-Brabant (waaronder Halle-Vilvoorde ressorteert) is dit de rechtbank van eerste aanleg te Leuven. De inwoners van Halle en Vilvoorde dienen hun fiscale geschillen aldus voortaan bij de rechtbank van Leuven aanhangig te maken (indien zoals courant het geval het ontvangstkantoor in Vlaams-Brabant gevestigd is); voor hun burgerlijke geschillen vallen zij evenwel nog steeds onder de rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Daarnaast voorziet de gewijzigde wet op het notarisambt in de oprichting van een genootschap van notarissen op provinciale leest (in casu Halle-Vilvoorde en Leuven samen) ofschoon het ambtsgebied van de notarissen, met name het gerechtelijk arrondissement, identiek blijft.

Het wetsvoorstel Vandenberghe c.s. vertrok dus van een functionele, asymmetrische splitsing van het gerechtelijk arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde. De ervaring in andere domeinen — men denke aan de bevoegdheidsverdeling in Brussel inzake onderwijs waar de Franstalige Gemeenschap zijn bevoegdheid terzake heeft overgedragen aan de COCOF, in tegenstelling tot de Vlaamse Gemeenschap — leert dat dit een zeer werkbare optie is. Het is dan ook erg jammer dat dit uitgangspunt in het voorliggend wetsontwerp niet wordt weerhouden. Nederlandstalige zaken zullen immers behandeld worden door een Nederlandstalige rechtbank, die territoriaal bevoegd is voor het grondgebied Halle-Vilvoorde en Brussel-Hoofdstad, terwijl de Franstalige zaken door een Franstalige rechtbank worden behandeld die territoriaal bevoegd is voor Brussel-Hoofdstad.

Spreker verwijst naar de splitsing, door de wet van 4 mei 1984, van de vroegere eengemaakte Brusselse balie, onder meer omdat de Franstalige advocaten — die de meerderheid uitmaken — het onaanvaardbaar vonden dat een Nederlandstalige stafhouder zou worden. De wijze waarop deze splitsing toen werd doorgevoerd zou vandaag als referentie moeten gelden voor de splitsing van het parket en de rechtbanken. Deze splitsing heeft als gevolg gehad dat er geen Franstalige advocatenkantoren meer zijn in de zes Vlaamse faciliteitengemeenten rond Brussel vermits er in een « uitdoofscenario » werd voorzien : de nieuwe advocaten dienden immers in de Nederlandstalige Orde van advocaten te worden ingeschreven. De invloedssfeer van de Franstalige Orde werd beperkt tot de 19 Brusselse gemeenten. Deze splitsing van de balie heeft de positie van de Nederlandse balie en rechtszoekenden te Brussel versterkt en de band tussen Brusselse Vlamingen en Vlaanderen behouden. Het is jammer dat deze logica vandaag niet wordt doorgetrokken. De huidige hervorming zal er immers toe leiden dat Franstalige advocaten opnieuw actief zullen worden in Halle-Vilvoorde en daar in het Frans zullen pleiten. De reacties van de Nederlandstalige en de Franstalige Orde van advocaten op de voorgestelde hervorming zijn dan ook volkomen verschillend, vermits de Franstaligen in de Vlaamse rand een bepaald clienteel kunnen opbouwen.

De heer Vanlouwe meent dat de splitsing van het parket en van de rechtbanken had moeten gebaseerd zijn op de hervorming van 1984. Hij somt hiervan de voordelen op, andermaal verwijzend naar het wetsvoorstel Vandenberghe c.s. (stuk Senaat, nr. 4-133) :

— bevestiging van het principe « gerechtstaal is streektaal » als uiting en waarborg van behoorlijk bestuur;

— transparantie : geeft rechtszekerheid aan de rechtszoekende dat een zaak in zijn taal zal worden behandeld, zowel op burgerrechtelijk als op strafrechterlijk vlak;

— oplossing voor de communicatieproblemen binnen de Brusselse rechtbanken van eerste aanleg;

— Nederlandstalig parket kan efficiënter inspelen op de behoeften van het grondgebied Halle-Vilvoorde, terwijl het tweetalige parket zich kan specialiseren in de grootstadproblematiek.

Brussel is niet alleen het economische en sociale centrum van de negentien Brusselse gemeenten, maar heeft een belangrijke economische relatie met het gebied Halle-Vilvoorde; de symbiose van de stad met haar hinterland dient te worden gevrijwaard :

— de juridische markt Brussel-Halle-Vilvoorde is belangrijk economisch gegeven (advocaten, lobbyisten, bedrijven, overheidsinstellingen, ...) hetgeen behoud van Halle-Vilvoorde in het gerechtelijk arrondissement Brussel rechtvaardigt;

— stimulans tot « gezonde concurrentie » Nederlandstalige/Franstalige rechtbanken;

— aan de territoriale bevoegdheid van de gerechtsdeurwaarders en notarissen dient niet geraakt te worden. Zij kunnen, zoals nu, optreden binnen het hele gerechtelijk arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde;

— baliestructuren blijven ongewijzigd.

Wat de bevoegdheid betreft, meent de heer Vanlouwe dat binnen het gerechtelijk arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde, op het niveau van eerste aanleg, Nederlandstalige rechtbanken moeten worden opgericht voor de Nederlandstalige zaken in het gebied Brussel-Halle-Vilvoorde en Franstalige rechtbanken voor de Franstalige zaken in het gebied Brussel-19. De Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg, arrondissementsrechtbank, arbeidsrechtbank en rechtbank van koophandel zijn bij uitsluiting bevoegd voor alle zaken waarvoor de bevoegdheid wordt bepaald door een plaats op het grondgebied van Halle-Vilvoorde. Deze Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg, arbeidsrechtbank of rechtbank van koophandel is tevens bevoegd wanneer de verweerder in het Nederlandse taalgebied woont, (naar keuze van de eiser) indien de verweerder in een gemeente van de Brusselse agglomeratie of in het buitenland woont, of indien geen woonplaats bekend is. De Franstalige rechtbank van eerste aanleg, arbeidsrechtbank of rechtbank van koophandel is dan bevoegd wanneer de verweerder in het Franse taalgebied woont, (naar keuze van de eiser) indien de verweerder in een gemeente van de Brusselse agglomeratie of in het buitenland woont, of indien geen woonplaats bekend is.

Voor strafzaken geldt volgens de heer Vanlouwe de regeling volgens de woonplaats van de verdachte onverkort. Indien de verdachte woont in de Brusselse agglomeratie, wordt de bevoegdheid van de Franstalige/Nederlandstalige correctionele rechtbank bepaald door de taal waarin hij zijn verklaring tijdens het onderzoek of vooronderzoek heeft afgelegd, overeenkomstig de huidige regeling. De bevoegdheid van de arrondissementsrechtbank in de Franstalige of Nederlandstalige rechtbank wordt bepaald door de taal van de rechtspleging van de betrokken zaak.

Een functionele splitsing van de Brusselse rechtbanken van eerste aanleg noodzaakt volgens de heer Vanlouwe een wijziging van de bestaande regulering in de wet taalgebruik gerechtszaken ten gronde niet : indien een verweerder de wijziging van de taal van de rechtspleging vraagt, kan de zaak worden verwezen naar de anderstalige (Nederlandstalige of Franstalige) rechtbank. Jammer genoeg gebeurt dit wel in het wetsontwerp dat wordt besproken en telkens opnieuw is deze wijziging in het voordeel van de Franstaligen, waardoor het evenwicht volledig wordt verstoord.

Ook voor wat de taalvereisten voor de magistratuur van de zetel verwijst spreker naar het wetsvoorstel Vandenberghe c.s. (stuk Senaat, nr. 4-133). Gezien de taalkundige heterogeniteit van de Brusselse bevolking, is het aangewezen dat de magistraten de tweede landstaal machtig zijn. Het verhoor van getuigen bijvoorbeeld die de andere taal gebruiken moet zodoende vlot kunnen verlopen; ook de te vermijden vertragende vertaling van processtukken is dan niet meer nodig. Benevens de wettelijke tweetaligheid van elke korpschef, dient elk alleenzetelend magistraat een functionele kennis van de andere taal te bezitten, terwijl in de kamers met drie rechters ten minste een tweetalige met dezelfde functionele kennis van de andere taal dient te zetelen. Specifieke stimulansen (met onder meer een substantiële tweetaligheidspremie) moeten deze functionele kennis van de andere landstaal bij de magistraten bevorderen.

Wat de werking van het parket betreft, moet volgens de heer Vanlouwe worden geopteerd voor een territoriale splitsing en een link met de Nederlandstalige of Franstalige rechtbank :

— een apart (Nederlandstalig) parket is bevoegd voor het grondgebied van Halle-Vilvoorde, en oefent de functie van openbaar ministerie uit bij de Nederlandstalige rechtbank;

— een apart (tweetalig) parket is bevoegd voor het grondgebied van de Brusselse agglomeratie, en oefent de functie van openbaar ministerie uit bij de Franstalige rechtbank.

Wat de structuur en de bevoegdheid bevoegdheid betreft, dient het parket Halle-Vilvoorde te worden geleid door een procureur; het is territoriaal bevoegd voor opsporing en vervolging in het gebied Halle-Vilvoorde. Ditzelfde parket oefent de strafvordering uit bij de Nederlandse rechtbank voor de strafzaken die verwezen werden naar de Nederlandstalige rechtbank : misdrijven gepleegd op het grondgebied van Halle-Vilvoorde worden behandeld en rechtstreeks door dit parket bij de Nederlandstalige rechtbank aanhangig gemaakt; misdrijven gepleegd op grondgebied Brussel-Hoofdstad worden behandeld door het parket Brussel-Hoofdstad, en onder gezag van het parket Halle-Vilvoorde bij de Nederlandstalige rechtbank aanhangig gemaakt. Het parket neemt de functie van openbaar ministerie (advies in burgerlijke zaken) waar voor alle Nederlandstalige zaken (dus ook die zaken waarin partijen in Brussel-Hoofdstad hun woonplaats hebben).

Het parket Brussel-Hoofdstad wordt geleid door een procureur; het is territoriaal bevoegd voor opsporing en vervolging op in het gebied Brussel-Hoofdstad. In tegenstrijd tot het voorstel nr. 5-1674/1 wordt hier dus niet voorzien dat deze procureur Franstalig moet zijn, terwijl de lagere functie van adjunct aan een Nederlandstalige wordt geboden. Spreker is ervan overtuigd dat deze bepaling van het wetsvoorstel door het Grondwettelijk Hof geannuleerd zal worden wegens schending van het non-discriminatiebeginsel.

Ditzelfde parket oefent de strafvordering uit bij de Franstalige rechtbank voor de strafzaken die verwezen werden naar de Franstalige rechtbank. Betreft het een misdrijf in het gebied Brussel-Hoofdstad, dat voor de Nederlandstalige rechtbank dient te worden gebracht, staat ditzelfde parket in voor behandeling ervan de strafvordering voor de Nederlandstalige rechtbank wordt uitgeoefend onder gezag van het Nederlandstalig parket Halle-Vilvoorde.

Dit parket oefent de functie van openbaar ministerie (advies in burgerlijke zaken) uit in alle Franstalige zaken.

In dit model is eveneens een permanent en structureel overleg noodzakelijk tussen beide parketten, gezien voor Nederlandstalige strafzaken in het gebied Brussel-Hoofdstad, het parket Brussel-Hoofdstad instaat voor opsporing en vervolging, maar de strafvordering voor de Nederlandstalige rechtbank uiteindelijk wordt uitgeoefend onder gezag van het parket Halle-Vilvoorde.

Met betrekking tot de taalwaarborgen stelt spreker wat volgt.

Als uitgangspunt geldt dat de tweetaligheid van het parket Brussel-Hoofdstad moet bevestigd worden. Het parket Halle-Vilvoorde is eentalig Nederlands.

Zowel de procureur van het parket van Halle-Vilvoorde als de procureur van het parket van Brussel-Hoofdstad zijn tweetalig.

De procureur van het parket van Brussel-Hoofdstad wordt bovendien bijgestaan door een tweetalige « adjunct » (eerste substituut) van de andere taalrol, teneinde de contacten met de procureur van Halle-Vilvoorde efficiënt te laten verlopen.

Als bijkomende waarborg voor de Nederlandstaligen, dient in elke sectie van het tweetalig parket van Brussel-Hoofdstad steeds minstens een eerste substituut of substituut van de Nederlandse taalrol werkzaam te zijn.

Volgens de heer Vanlouwe gaat zijn amendement nog verder dan het wetsvoorstel Vandenberghe c.s. Het amendement verwijst immers uitdrukkelijk naar de werklastmeting die aan de basis ligt van de werkkaders. Zijn fractie is van oordeel dat de vastlegging van de kaders en de taalkaders in deze hervorming moet gebeuren op grond van een objectieve werklastmeting van de dossiers in de respectievelijke talen, middels een uniform registratiesysteem, uiterlijk op 1 juni 2014. Hij verwijst naar het artikel 36 van het ontwerp.

Een andere fundamentele wijziging ten aanzien van het voorstel nr. 5-1674/1 is de problematiek rond de inwerkingtreding. Spreker stelt een artikel 37 voor waarin wordt gesteld dat de wet pas in werking zal treden na de werklastmeting.

Als conclusie stelt de heer Vanlouwe dat zijn amendement uitgaat van een horizontale asymmetrische splitsing van het gerechtelijk arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde. Het wetsvoorstel van de partijen die het politiek akkoord over de staatshervorming hebben ondertekend beperkt zich tot een ontdubbeling, zoals die eerder al werd uitgewerkt door de heer Olivier Maingain, voorzitter van het FDF.

Er zullen evenmin Franstalige parketmagistraten actief zijn in Halle-Vilvoorde. De streektaal is de proceduretaal. Dit is een fundamenteel territorialiteitsprincipe.

De functie van procureur in Brussel zal niet ambtshalve aan een Franstalige worden toevertrouwd. Het amendement gaat uit van het idee dat de beste kandidaat deze functie moet waarnemen mits naleving van de wettelijke vereisten.

Het amendement zorgt er eveneens voor dat er geen Franstalige « schoonmoeders » worden ingesteld bij de rechtbanken. Hij verwijst bijvoorbeeld naar het sanctierecht van de korpschef over de vrederechters van Halle-Vilvoorde.

Amendement nr. 1 wordt verworpen met 12 stemmen tegen 5.

Amendementen nrs. 6 en 7

In de lijn van zijn opmerkingen tijdens de algemene bespreking dient de heer Laeremans een globaal amendement nr. 6 in (stuk Senaat 5-1674/2) dat ertoe strekt de artikelen 1 tot 72 te doen vervallen.

Hij verwijst naar de schriftelijke verantwoording van dit amendement.

De heer Laeremans dient eveneens amendement nr. 7 in (stuk Senaat 5-1674/2), subsidiair amendement op amendement nr. 6, dat ertoe strekt de artikelen 1 tot 72 te vervangen.

Ook hier verwijst hij naar de schriftelijke verantwoording van zijn amendement.

Als conclusie stelt hij dat zijn fractie het amendement van de N-VA zal steunen, ook werd dit enkel om tactische redenen ingediend en ook al is hij van oordeel dat het slechts een halfslachtige oplossing biedt. Zijn eigen amendement biedt een betere oplossing.

De amendementen nrs. 6 en 7 worden verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 1

Artikel 1 wordt zonder bespreking aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 2

Amendement nr. 8

In de lijn van zijn opmerkingen in het kader van de algemene bespreking dient de heer Laeremans amendement nr. 8 in (stuk Senaat 5-1674/2) dat ertoe strekt artikel 2 te doen vervallen.

Niet alleen is de rol van een adjunct-procureur des Konings overbodig, gelet op de gewenste verticale splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde, maar de constellatie die wordt voorgesteld in voorliggend wetsontwerp, gesteund op een Franstalige procureur en een Nederlandstalige adjunct-procureur, is volgens hem de consecratie van de Franstalige suprematie. Een afwisselend systeem van de taalrol van de procureur is een gezonder systeem.

In dat verband wenst hij een verduidelijking van de staatssecretaris over een aantal punten.

Wat is het pecuniair statuut van de adjunct-procureur ? Hoe moet hij functioneren binnen dat parket ? De heer Laeremans heeft de indruk dat het om een « ersatz functie » gaat, met onvoldoende bevoegdheden.

Hoe zal het statuut van dit adjunct-mandaat precies ingevuld worden ?

Wat met de huidige situatie ? Hoe lang zal de huidige procureur van Brussel nog aanblijven en wanneer eindigt zijn mandaat ? Overweegt de regering om hem aan te stellen als adjunct-procureur van Halle-Vilvoorde, gelet op het feit dat hij Nederlandstalig is ?

Wat de vragen over de adjunct-procureur betreft, antwoordt de staatssecretaris dat de functie van adjunct-procureur een adjunct-mandaat is. Het gemeen recht is bijgevolg van toepassing.

Hij zal dezelfde vergoedingen ontvangen als de andere adjunct-mandaten, zoals opgesomd in artikel 58bis, 3 van het Gerechtelijk Wetboek. Wat de bevoegdheden van de adjunct-procureur betreft, verwijst hij naar artikel 15 van het thans besproken wetsontwerp.

De heer Laeremans merkt op dat het geciteerde artikel 58bis, 3, een overzicht geeft van de adjunct-mandaten, maar geen verwijzingen naar het pecuniaire statuut. Trouwens, er is een groot verschil tussen de vergoeding van een adjunct-mandaat bij een hof van beroep en de vergoeding van een adjunct-procureur.

Het wetsontwerp voorziet dat de adjunct-procureur een eerste substituut is. Een eerste substituut krijgt reeds een bijkomende vergoeding. Zal de adjunct-procureur dezelfde vergoeding ontvangen of een cumulatie van beide vergoedingen ?

De staatsecretaris antwoordt dat de toekomstige Nederlandstalige adjunct-procureur een eerste substituut procureur des Konings zal zijn die de functie van adjunct-procureur des Konings van Brussel uitoefent. Hij zal hetzelfde pecuniaire statuut genieten als een eerste substituut procureur des Konings. Een eerste substituut is trouwens ook een adjunct-mandaat, zoals omschreven in artikel 58bis, 3º, van het Gerechtelijk Wetboek.

De heer Anciaux verklaart dat de wedde van een procureur des Konings is vastgelegd op 46 960,31 euro (te indexeren) en de wedde van eerste substituut op 44 620,84 euro (te indexeren).

De heer Laeremans onderstreept dat de (Nederlandstalige) adjunct-procureur de op dezelfde voet zou moeten staan als de (Franstalige) procureur des Konings, zodat ze beiden lid zouden zijn van de federale raad van de procureurs. Er moet een volwaardige functie worden gecreëerd en geen louter « erzatz-functie » voor een eerste substituut die alleen een andere titel zou dragen.

Amendement nr. 8 wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 2 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 3

Amendementen nrs. 9, 10 en 11

Volgens de heer Laeremans doorbreekt artikel 3 de logica. De functie van procureur des Konings van Halle-Vilvoorde zou volledig evenwaardig moeten zijn met de functie van procureur van Brussel, maar dat is helaas niet het geval. De procureur des Konings van Brussel, die altijd Franstalig is, vervult de rol van openbaar ministerie bij alle Franstalige rechtbanken en alle vredegerechten, ook de Nederlandstalige vredegerechten in Brussel. De procureur van Halle-Vilvoorde vervult de functie bij de politierechtbanken en de vredegerechten van Halle-Vilvoorde. Samen moeten ze advies geven aan de Nederlandstalige rechtbanken van Brussel en aan de politierechtbanken. Het zou dan ook logisch zijn dat de Vlaamse procureur van Halle-Vilvoorde ook advies moet kunnen geven aan de Franstalige rechtbanken van Brussel. Waarom kan het ene wel en het andere niet ? Waarom heeft de Franstalige procureur meer rechten ?

De heer Laeremans dient vervolgens de amendementen nrs. 9, 10 en 11 in (stuk Senaat, nr. 5-1674/2), die alle beogen het voorgestelde artikel 58 te wijzigen.

Spreker verwijst naar de schriftelijke verantwoording van die amendementen, die in hoofdorde een verticale splitsing van het huidige gerechtelijk arrondissement Brussel in een volwaardig gerechtelijk arrondissement Halle-Vilvoorde en een gerechtelijk arrondissement Brussel-Hoofdstad beogen.

Als het amendement nr. 9 niet wordt aangenomen, dan bepaalt het amendement nr. 10 dat de adjunct-procureur volwaardige adviesbevoegdheid moet krijgen voor de Nederlandstalige politierechtbanken in Brussel. Het amendement nr. 11 bepaalt nog dat hij, samen met de procureur van Halle-Vilvoorde, adviesbevoegdheid krijgt voor de Brusselse Nederlandstalige rechtbanken, andere dan de politierechtbanken. Op die manier oefent de adjunct-procureur een eigen bevoegdheid en is hij niet langer de ondergeschikte van de procureur des Konings.

Volgens de heer Verherstraeten, staatssecretaris voor de Staatshervorming, werd er niet in volledige symmetrie voorzien omdat het parket van Halle-Vilvoorde alleen verbonden is met de Nederlandstalige rechtbanken in Brussel en met de politierechtbanken en de vredegerechten in Halle-Vilvoorde. Het tweetalige parket van Brussel is zowel met de Franstalige als de Nederlandstalige rechtbanken van Brussel verbonden, inclusief de politierechtbanken.

De heer Laeremans leidt hieruit af dat de procureur des Konings van Brussel heel wat belangrijker is dan de procureur van Halle-Vilvoorde. Als tegemoetkoming werd de functie van adjunct-procureur voorzien. De amendementen 10 en 11 beogen daarom de bevoegdheden van de adjunct-procureur uit te breiden.

Volgens de heer Laeremans heeft de staatssecretaris zelfs niet bevestigd dat de adjunct-procureur specifiek bevoegd is voor de Nederlandstalige politierechtbanken. In feite kan de Brusselse procureur des Konings zelfs een andere substituut afvaardigen om de adviesfunctie uit te oefenen.

Wanneer loopt het mandaat van de huidige procureur des Konings van Brussel af ? Zal de procureur des Konings nadien procureur des Konings van Halle-Vilvoorde worden, dan wel adjunct van de procureur van Brussel ?

De staatssecretaris betwist dat er een onderscheid wordt gemaakt tussen de toekomstige procureur van Halle-Vilvoorde en de toekomstige procureur van Brussel. Beiden hebben volheid van bevoegdheid over de rechtbanken waaraan zij verbonden zijn. Voor de Nederlandstalige procureur zijn dat de vredegerechten en de politierechtbanken in het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde en de Nederlandstalige rechtbanken in Brussel.

De heer Laeremans stelt vast dat de staatssecretaris in zijn antwoord geen melding maakt van de adjunct-procureur.

De staatssecretaris verwijst hier naar artikel 15 van het voorliggend wetsontwerp.

De amendementen nrs. 9, 10 en 11 worden verworpen met 12 stemmen tegen 5.

Artikel 3 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 4

Amendement nr. 12

De heer Laeremans dient amendement nr. 12 (stuk Senaat, nr. 5-1674/2) in dat ertoe strekt de woorden « administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad » te vervangen door « gerechtelijk arrondissement Brussel-Hoofdstad ».

Spreker verwijst naar de verantwoording bij dit amendement. De benaming « Brussel-Hoofdstad » is bewust gekozen om verwarring te voorkomen met het actuele arrondissement Brussel dat uit de 54 gemeenten bestaat.

De heer Vanlouwe merkt op dat artikel 4 een artikel 60bis wil invoeren in het Gerechtelijk Wetboek met de bedoeling te vermelden dat in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad er een Franstalige politierechtbank en een Nederlandstalige politierechtbank is. Waarom wordt die ontdubbeling niet doorgetrokken tot de vredegerechten in Brussel ?

De staatssecretaris antwoordt dat deze beslissing kadert in het evenwicht dat de 8 partijen hebben gevonden. Voor de vredegerechten zagen de partijen geen noodzaak tot ontdubbeling.

De heer Vanlouwe peilt vervolgens naar de noodzaak voor de ontdubbeling van de politierechtbanken.

De staatssecretaris verwijst hier naar de algemene bespreking en de appreciatie die hij gemaakt heeft over de evenwichtige keuzes van de acht partijen.

Amendement nr. 12 wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 4 wordt aangenomen met 12 stemmen tegen 5.

Artikel 5

Amendementen nrs. 13 en 14

De heer Laeremans dient de amendementen nrs. 13 en 14 (stuk Senaat, nr. 5-1674/2). Het amendement nr. 13 strekt ertoe het artikel 5 te doen vervallen. Subsidiair op amendement nr. 13 wordt het amendement nr. 14 ingediend om het artikel te vervangen.

De heer Laeremans verwijst naar de verantwoording bij die amendementen.

Wat de vredegerechten met zetel in Halle-Vilvoorde betreft wordt de bevoegdheid van de arrondissementsrechtbank uitgeoefend door de Nederlandstalige arrondissementsrechtbank en wat betreft de vredegerechten met zetel in Brussel-Hoofdstad door de Franstalige arrondissementsrechtbank en de Nederlandstalige arrondissementsrechtbank zetelend in verenigde kamers.

De amendementen nrs. 13 en 14 worden verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 5 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 6

Amendementen nrs. 15 en 16

De heer Laeremans dient de amendementen nrs. 15 en 16 in (stuk Senaat, nr. 5-1674/2).

Het amendement nr. 15 beoogt een verticale splitsing van het huidig gerechtelijk arrondissement Brussel. Het amendement nr. 16 heeft tot doel er voor te zorgen dat de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg autonoom en zonder inmenging van de voorzitter van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg zijn taken kan uitoefenen.

De heer Laeremans stipt aan dat artikel 6 van het ontwerp bepaalt dat voor de vredegerechten van het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde de opdrachten van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg worden uitgeoefend door de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg; de voorzitter van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg wordt evenwel telkenmale bij eenvoudig verzoek aan de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank betrokken bij de door hem aangeduide beslissingen, met het oog op consensus. Ook hier worden opnieuw meer bevoegdheden toegekend aan de voorzitter van de Franstalige rechtbank. Wie is trouwens die « hem » waarnaar hier wordt verwezen ? Wat is de bedoeling van de zinsnede « met het oog op consensus » ? Waarom moet er naar consensus worden gezocht voor aangelegenheden waarmee de voorzitter van de Franstalige rechtbank in feite niets te maken heeft ?

De heer Vanlouwe verwijst naar dezelfde bepaling. Deze bepaling wordt ingevoegd in afdeling 2 van het Gerechtelijk Wetboek onder de hoofding « Dienst », met andere woorden de algemene dienstregeling van de rechtbanken. Door deze bepaling kan de voorzitter van de Franstalige rechtbank niet alleen betrokken bij de dienstregeling van de vredegerechten, maar moet er zelfs consensus bereikt worden.

Waarom wordt hier een voogdij voorzien met betrekking tot de dienstregeling ?

Waarom wordt die voogdij minstens niet beperkt tot de vredegerechten die bevoegd zijn voor faciliteitengemeenten (de vredegerechten van Sint-Genesius-Rode, Kraainem en Meise) ? Door deze bepaling kan de voorzitter van de Franstalige rechtbank ook betrokken worden in het voogdijtoezicht over het vredegerecht van, bijvoorbeeld, Lennik. Waarom ? In feite is dit een volledig overbodige uitzondering want er zijn immers geen taalfaciliteiten in Lennik.

De betrokkenheid wordt daarenboven georganiseerd met het oog op consensus. Dit wil zeggen dat de Franstalige voorzitter daadwerkelijk invloed kan uitoefenen op de dienstregeling van het vredegerecht van Lennik en een vetorecht heeft. Waarom ?

Waar is het evenwicht in deze bepalingen ?

De staatssecretaris antwoordt dat de huidige voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, de heer Hennart, een Franstalige, vandaag toezicht uitoefent en advies geeft inzake zittingsdagen en behoeften van de dienst voor alle Nederlandstalige vredegerechten en politierechtbanken in Halle-Vilvoorde. Het voorliggend wetsontwerp verandert deze situatie : voortaan zal de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel die bevoegdheden uitoefenen en hier over volheid van bevoegdheid beschikken.

Trouwens, tijdens de algemene bespreking heeft de staatssecretaris uitdrukkelijk weerlegd dat het hier over voogdij ging. Het gaat over een facultatief evocatierecht, dat in de logica van de ontdubbeling ligt.

De heer Laeremans stelt vast dat er nu geen faciliteiten zijn voor de vredegerechten in Lennik, Dilbeek of Halle. Zal de vrederechter voortaan de zaak verder moeten behandelen in het Frans ? Of wordt de zaak doorverwezen ?

De heer Laeremans geeft het voorbeeld van een geschil tussen twee Franstaligen voor het vredegerecht van Lennik. Wie beslist naar welke rechtbank dit geschil wordt verwezen indien zij een behandeling in het Frans wensen ? Het vredegerecht van Lennik, de arrondissementsrechtbank of nog een andere instantie ?

De staatssecretaris voor de Staatshervorming verwijst naar het Gerechtelijk Wetboek.

De heer Vanlouwe vraagt waarom telkens twee magistraten moeten tussenkomen om de opdrachten van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg ten aanzien van de vredegerechten in het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde uit te voeren.

De heer Anciaux repliceert dat in beginsel alleen de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg optreedt. Alleen in uiterste omstandigheden zal de voorzitter van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg tussenkomen, met het oog op het vinden van een consensus. Bij gebrek aan consensus neemt de eerste voorzitter van het hof van beroep van Brussel de beslissing.

De heer Laeremans merkt op dat die eerste voorzitter Franstalig kan zijn. In dat geval neemt een Franstalige magistraat een beslissing inzake het vredegerecht van Lennik.

De heer Anciaux antwoordt dat, in de huidige regeling, de beslissing in eerste instantie berust bij een voorzitter die Franstalig is, weze het dat hij zeer goed tweetalig is. Bovendien kan ook de eerste voorzitter van het hof van beroep Franstalig zijn. In de toekomst zal de beslissing in eerste instantie in beginsel worden genomen door een Nederlandstalige magistraat. De toestand voor de Nederlandstaligen gaat er dus niet op achteruit, wel integendeel.

De heer Laeremans zou nog enigszins vrede kunnen nemen met een soort « bemoeiingsrecht », maar niet met het vetorecht dat het wetsontwerp toekent. Waarom schrijft men niet voor dat, in geval van een blijvende onenigheid tussen de beide voorzitters, de Nederlandstalige voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg de knoop doorhakt ?

Volgens de heer Anciaux hebben de voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg de handen vol met het gewone werk en zullen zij zich niet inlaten met futiliteiten. Bovendien bestaat er een sterke collegialiteit tussen die voorzitters en een wil om een modus vivendi te vinden. Alleen in zeer uitzonderlijke gevallen zal de voorzitter van de Franstalige rechtbank verzoeken te worden betrokken bij de beslissing.

De heer Laeremans repliceert dat de regeling eenzijdig is. De Franstalige voorzitter kan tussenkomen in vredegerechten die zijn gevestigd in het Nederlandse taalgebied, zelfs in gemeenten waarin geen faciliteiten gelden. De Nederlandstalige voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg kan daarentegen niet verzoeken te worden betrokken bij beslissingen in de Franstalige politierechtbank van Brussel, ook al kan men daar de verwijzing naar een Nederlandstalige politierechtbank vragen. Waarom wordt dat interventierecht eenzijdig toegekend ?

De heer Anciaux antwoordt dat ook de Franstalige voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg niet kan tussenkomen bij beslissingen van de Nederlandstalige politierechtbank.

De heer Laeremans wenst te weten waarom er geen parallellisme bestaat tussen de regeling voor de vredegerechten en die voor de politierechtbanken.

De heer Deprez merkt op dat de betrokkenheid van de Franstalige voorzitter in essentie inhoudt dat hij een advies uitbrengt, rekening houdend met het feit dat er in die gemeente een erkende minderheid woont.

De heer Laeremans repliceert dat er in Halle-Vilvoorde geen erkende minderheid is. Alleen bestaan er in de zes faciliteitengemeenten individuele faciliteiten voor burgers. In bijvoorbeeld Lennik zijn er geen faciliteiten. In Brussel daarentegen bestaat er een erkende Vlaamse aanwezigheid.

De heer Vanlouwe bevestigt dat er in Halle-Vilvoorde geen Franstalige minderheid is. Waarom geeft men dan aan de Franstalige voorzitter de mogelijkheid om in vredegerechten die in dergelijke gemeenten gevestigd zijn, tussen te komen ? Is dit de voorbode van de uitbreiding van de faciliteiten ?

De heer Moureaux verklaart dat men zeer omzichtig moet omgaan met het begrip « beschermde minderheid ». Er bestaat een wettelijke regeling voor de zes faciliteitengemeenten. In gerechtszaken gaat het evenwel niet om de bescherming van minderheden, maar om een complex geheel van rechten die in het gehele land kunnen leiden tot een wijziging van de taal van de rechtspleging. In de hervorming die nu voorligt, heeft men gepoogd om, bij de splitsing van het gerechtelijke arrondissement, voor de inwoners van Halle-Vilvoorde iets meer rechten te behouden dan het complexe geheel dat elders in het land geldt. De hervorming brengt alleen kleine wijzigingen aan. Het is dus allerminst de bedoeling een erkende minderheid te creëren.

De staatssecretaris onderschrijft de stelling van de heer Moureaux ten volle.

De heer Deprez sluit zich hier eveneens bij aan en erkent dat het begrip « beschermde minderheid » in deze context niet adequaat is.

De heer Vanlouwe wijst erop dat de vredegerechten van het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde aan een uitzonderingsregime worden onderworpen. Elders te lande bestaat niet de mogelijkheid voor de voorzitter van een anderstalige rechtbank van eerste aanleg om zich in te laten met concrete geschillen voor een vredegerecht.

De heer Laeremans vraagt zich af waarom die betrokkenheid wel wordt georganiseerd voor de vredegerechten, doch niet voor de politierechtbanken. Hij is geen vragende partij om ook de politierechtbanken hieraan te onderwerpen, maar de discrepantie is opmerkelijk en vraagt om opheldering.

De heer Van Rompuy antwoordt dat het verschil erin schuilt dat de politierechtbank wordt ontdubbeld en de vredegerechten niet.

Volgens de heer Laeremans is er maar één verklaring voor dit onderscheid, namelijk dat men ook de vredegerechten die niet in een faciliteitengemeente zijn gevestigd, aan het dubbele toezicht wenst te onderwerpen.

De heer Vanlouwe wijst op het verschil tussen de artikelen 6 en 19 van het wetsontwerp. In essentie gaat het om gelijkaardige aangelegenheden, die echter op zeer uiteenlopende wijze worden geregeld. Artikel 19 wijzigt artikel 186bis van het Gerechtelijk Wetboek. Luidens de ontworpen regeling wordt, met betrekking tot de vrederechters en de toegevoegde vrederechters die zetelen in de vredegerechten van het gerechtelijk kanton met zetel in Kraainem en Sint-Genesius-Rode en van het gerechtelijk kanton met zetel in Meise, het ambt van korpschef gezamenlijk uitgeoefend door de voorzitters van de Nederlandstalige en de Franstalige rechtbank van eerste aanleg. Deze regeling, die nog strenger is dan de procedure van de betrokkenheid, bestaat niet in artikel 6. Dit is een merkwaardig gebrek aan logica.

De staatssecretaris geeft aan dat er verschillen bestaan tussen de artikelen 6, 19, 33 en 35 van het ontwerp. De artikelen 6 en 33 zijn symmetrisch opgebouwd. Zij hebben betrekking op het advies inzake zittingsdagen en behoeften van de dienst (artikel 72bis van het Gerechtelijk Wetboek) en op het recht van toezicht (artikel 398 van het Gerechtelijk Wetboek). Die regeling wijkt inderdaad af van de regeling uitgewerkt in de artikelen 19 (artikel 186bis van het Gerechtelijk Wetboek) en 35 (artikel 410 van het Gerechtelijk Wetboek). In die laatste artikelen is er een ruimere betrokkenheid van de voorzitter van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg van Brussel wat betreft de gerechtelijke kantons van Kraainem en Sint-Genesius-Rode en Meise. Die onderscheiden behandeling is verantwoord, doordat de artikelen 6 en 33 meer verband houden met de organisatie van de vredegerechten terwijl de artikelen 19 en 35 voornamelijk betrekking hebben op de persoonlijke relatie tussen de korpschef en de betrokken vrederechter of rechter in de politierechtbank.

De heer Vanlouwe vindt dat de argumenten van vorige spreker geen antwoord zijn op de vraag om welke objectieve redenen die gradatie in het toezicht op de vredegerechten er moet komen.

Het voorgestelde tweede lid bepaalt dat wat de vredegerechten betreft die in het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde gevestigd zijn, de Franstalige voorzitter kan verzoeken om betrokken te worden bij de beslissingen over de zittingroosters of de behoeften van de dienst, om tot een consensus te komen. In zijn advies heeft de Raad van State op de onnauwkeurigheid van de teksten gewezen, omdat er verschillende begrippen in worden gebruikt (« betrokkenheid », « overleg », « consensus »). Er heerst hierdoor onzekerheid over de bedoelingen van de indieners.

Spreker wijst erop dat het feit dat men bepaalt dat een consensus nodig is, ertoe leidt dat men de voorzitter van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg vetorecht geeft. Spreker zou de regeling nog steeds niet steunen maar vraagt zich af waarom minstens een onderscheid wordt gemaakt tussen de faciliteitengemeenten — waar de voorgestelde procedure kan beantwoorden aan een bepaalde logica die voortvloeit uit de historische antecedenten — en de gemeenten zonder faciliteiten. Er is immers geen enkel objectief argument om de Franstalige voorzitter een soort « schoonmoederrol » te geven voor de vredegerechten in alle gemeenten van Halle-Vilvoorde.

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor de Staatshervorming, wijst erop dat de Raad van State in zijn advies (zie punt 16) een opmerking over de terminologie heeft gemaakt, maar geen inhoudelijke opmerking.

De heer Laeremans denkt dat de mogelijkheid voor de voorzitter van de Franstalige rechtbank om bij de beslissingen te worden betrokken, beperkt moet blijven tot de kantons van de faciliteitengemeenten. De betrokkenheid van de voorzitter van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg is begrijpelijk voor zover het mogelijk is dat het beroep tegen een vonnis van een vrederechter van een faciliteitengemeente behandeld wordt door een Franstalige rechtbank. Waarom is het echter nodig die regeling uit te breiden tot het hele arrondissement Halle-Vilvoorde ?

De heer Anciaux antwoordt dat het verschil in behandeling tussen de vredegerechten en de politierechtbanken te maken heeft met het feit dat de toewijzingsregels voor de zaken voor beide rechtbanken niet dezelfde zijn, omdat het parket enerzijds gesplitst wordt in een eentalig parket Halle-Vilvoorde en anderzijds in een tweetalig parket Brussel en tevens omdat de rechtbank van eerste aanleg van Brussel-Halle-Vilvoorde ontdubbeld wordt in een Nederlandstalige rechtbank Brussel-Halle-Vilvoorde en een Franstalige rechtbank Brussel-Halle-Vilvoorde, maar dat de vredegerechten niet ontdubbeld worden.

De amendementen nr. 15 en 16 worden verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 6 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 7

Amendement nr. 17

De heer Laeremans dient amendement nr. 17 in (stuk Senaat nr. 5-1674/2), dat strekt om het artikel te vervangen. De indiener meent dat het wetsontwerp zich ertoe beperkt het gerechtelijk arrondissement op te splitsen in twee administratieve arrondissementen. Het amendement strekt om een echte verticale splitsing van het gerechtelijk arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde door te voeren.

De heer Vanlouwe bevestigt dat het wetsontwerp geen echte splitsing van het gerechtelijk arrondissement verwezenlijkt. Aangezien men tevens een aantal zaken in de Grondwet wil betonneren, zal de hervorming het onmogelijk maken om in de toekomst nog een echte splitsing te verwezenlijken.

De heer Laeremans vraagt of de regeling van de controle over de rechtbanken en de inmenging van de Franstalige voorzitter in het beheer van de vredegerechten in de Grondwet zal worden gebetonneerd. Spreker denkt op grond van de toelichting bij het wetsvoorstel (stuk Kamer nr. 5-2140/1, blz. 6) dat dit niet het geval is.

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor de Staatshervorming, verwijst naar de algemene bespreking en naar zijn uiteenzetting over het voorstel tot invoeging van een artikel 157bis in de Grondwet.

Amendement nr. 17 wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 7 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikelen 8 en 9

De artikelen 8 en 9 worden zonder bespreking aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 10

Dat artikel brengt diverse wijzigingen aan in artikel 88 van het Gerechtelijk Wetboek. De heer Vanlouwe merkt op dat het in het 2 voorgestelde lid erin voorziet dat de voorzitter van elke rechtbank met zetel in het gerechtelijk arrondissement Brussel om de drie jaar verslag uitbrengt bij de minister van Justitie omtrent de behoeften van de dienst op grond van het aantal behandelde zaken. Die verplichting is niet nieuw.

Spreker vraagt of die verslagen in het verleden aan de minister van Justitie werden bezorgd. Kunnen de commissieleden over die officiële verslagen beschikken ? Spreker beklemtoont dat het belangrijk is dat men over betrouwbare en nauwkeurige cijfers beschikt.

En wanneer die verplichting in het verleden niet werd geëerbiedigd, waarom moet ze dan blijven bestaan en hoe zal gegarandeerd worden dat ze nu wel wordt nageleefd ?

De heer Laeremans vraagt of ook de voorzitters van de politierechtbanken en de vrederechters om de drie jaar een verslag moeten overleggen.

Staatssecretaris voor de Staatshervorming Verherstraeten wijst erop dat artikel 88 van het Gerechtelijk Wetboek in hoofdstuk II staat, het hoofdstuk over de arrondissementsrechtbank, de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank en de rechtbank van koophandel. Dat hoofdstuk gaat noch over de politierechtbanken, noch over de vredegerechten.

De acht partijen die over het institutioneel akkoord onderhandeld hebben vonden het nuttig de verplichting om die verslagen te maken, te handhaven. De recente discussies over de beschikbare cijfers bewijzen het belang van dergelijke verslagen.

Spreker wijst er tevens op dat het advies van de Hoge Raad voor de Justitie aantoont dat men ook voor enige eenvormigheid moet zorgen bij het opstellen van die verslagen. Hij pleit derhalve voor het handhaven van de tekst.

De heer Vanlouwe dringt erop aan dat de leden de verslagen krijgen voor het vervolg van de bespreking.

Artikel 10 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 11

Dit artikel wordt zonder bespreking aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 12

Amendement nr. 18

De heer Laeremans dient amendement nr. 18 in (stuk Senaat nr. 5-1674/2), dat strekt om de woorden « administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad » te vervangen door de woorden « gerechtelijk arrondissement Brussel-Hoofdstad ». Dat amendement past in de logica van de verticale splitsing van het gerechtelijk arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde die hij verdedigt.

Vervolgens vraagt de heer Laeremans wat in het voorgestelde lid de draagwijdte is van de woorden « volgens het geval ».

Staatssecretaris voor de Staatshervorming Verherstraeten verwijst naar de toelichting bij het wetsvoorstel.

De heer Anciaux antwoordt dat de uitdrukking « volgens het geval » verwijst naar het eerste lid van artikel 121, dat bepaalt dat de aanwijzing van de assessoren door de eerste voorzitter van het hof van beroep in overleg met de voorzitter van de betreffende rechtbank van eerste aanleg plaatsheeft. Voor het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad heeft dat overleg nu eens plaats met de Franstalige voorzitter, dan weer met de Nederlandstalige voorzitter.

Amendement nr. 18 wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 12 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 13

Amendement nr. 19

De heer Laeremans dient amendement nr. 19 in (stuk Senaat nr. 5-1674/2), dat strekt om de verwijzing naar § 3 in de voorgestelde tekst te schrappen.

Spreker verwijst naar de schriftelijke verwijzing van zijn amendement.

Amendement nr. 19 wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 13 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 14

Amendement nr. 20

De heer Laeremans dient amendement nr. 20 in (stuk Senaat nr. 5-1674/2), dat strekt om het artikel te doen vervallen.

Amendement nr. 20 wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 14 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 15

Amendement nr. 21

De heer Laeremans dient amendement nr. 21 in (stuk Senaat nr. 5-1674/2), dat strekt om de voorgestelde § 2 te wijzigen en § 3 te doen vervallen.

Dat amendement past in de logica van de verticale splitsing van het gerechtelijk arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde die de heer Laeremans verdedigt. Spreker kan geen regeling aanvaarden die de beslissingsbevoegdheid bij de Franstalige procureur des Konings concentreert, terwijl diens Nederlandstalige adjunct een louter diplomatieke rol krijgt. Voor het overige verwijst hij naar de schriftelijke verantwoording.

Amendement nr. 22

De heer Laeremans dient amendement nr. 22 in (stuk Senaat nr. 5-1674/2), een subsidiair amendement op amendement nr. 21. Indien men beslist het ambt van adjunct-procureur des Konings van Brussel te handhaven, moet men het opwaarderen. Dat is het doel van amendement nr. 22.

De heer Vanlouwe herinnert eraan dat zijn fractie voor de afschaffing pleit van de naar het parket van Halle-Vilvoorde gedetacheerde Franstalige magistraten van het parket van Brussel. Indien men dat ambt opheft, dient de complexe hiërarchische structuur die het ontwerp in het leven roept voor de gedetacheerde magistraten, geen doel meer.

Het voorgestelde artikel 150, § 2, 2, bepaalt : die gedetacheerde magistraten « blijven onder de hiërarchische leiding van de procureur des Konings van Brussel, maar worden geplaatst onder het gezag van de procureur des Konings van Halle-Vilvoorde wat betreft de toepassing van de richtlijnen en de instructies inzake het strafrechtelijk beleid ».

Wie is eigenlijk de hiërarchische meerdere van die gedetacheerde magistraten ? Spreker geeft het voorbeeld van een gedetacheerd magistraat die weigert de instructies inzake het strafrechtelijk beleid van de procureur des Konings van Halle-Vilvoorde te volgen. Wat gebeurt er wanneer de procureur des Konings van Brussel oordeelt dat de gedetacheerde magistraat het strafrechtelijk beleid moet volgen dat hij voor Brussel heeft uitgetekend en dat niet noodzakelijk hetzelfde is als dat van zijn collega van Halle-Vilvoorde ? Wie is er bevoegd om de gedetacheerde magistraat sancties op te leggen ? Hoe kan men hem verplichten de instructies inzake het strafrechtelijk beleid van Halle-Vilvoorde te volgen ?

Spreker betwijfelt of het coördinatiecomité waarin het voorgestelde artikel 150ter voorziet sanctiebevoegdheid heeft. Wie kan er dan tuchtrechtelijk optreden ?

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor de Staatshervorming, stelt dat artikel 15, dat ook de bevoegdheden van de adjunct-procureur specifieert, een antwoord was op de bemerkingen van de Raad van State. De oorspronkelijke formulering was algemener (« staat de procureurdes Konings bij »), maar werd vervolgens meer in detail uitgewerkt. De staatssecretaris verwijst naar het debat dat hierover werd gevoerd tijdens de algemene bespreking.

Wat de invulling van de hiërarchie betreft, verwijst de heer Verherstraeten naar de wettekst. De gedetacheerden ressorteren onder het gezag, dus de leiding en controle van de procureur van Halle-Vilvoorde wat betreft hun dagdagelijks functioneren in het uitvoeren van diens strafrechtelijk beleid. Maar de gedetacheerden blijven functioneel en juridisch deel uitmaken van het parket van Brussel, waar ze bijvoorbeeld in het kader van het tuchtrechtelijk beleid of in het kader van het formuleren van adviezen bij het postuleren naar functies, onder de hiërarchische leiding van de procureur des Konings van Brussel blijven. Er zijn echter wel kruisverwijzingen. Zo is het logisch dat de procureur van Halle-Vilvoorde de nodige inlichtingen verleent aan diens collega bij het opstellen van diens advies in het kader van een benoemingsprocedure.

Volgens de heer Laeremans blijft de onduidelijkheid bestaan. Enerzijds staan de gedetacheerden onder het gezag van de procureur van Halle-Vilvoorde, maar kan de procureur van Halle-Vilvoorde iets doen als ze dit gezag niet aanvaarden ? Er bestaat volgens spreker een zeer merkwaardig onderscheid tussen de wijze waarop de korpsoversten gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor de vrederechters voor de drie kantons met faciliteiten. In het voorliggend geval staat de procureur des Konings van Brussel echter alleen in voor de tucht. Er moet zelfs geen consensus of overleg zijn. Kan bijvoorbeeld de procureur van Halle-Vilvoorde inzake tucht een gelijkaardig verzoek richten aan de procureur van Brussel, zoals de voorzitter van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg een verzoek kan richten inzake de problematiek van de vredegerechten. Is dit te vergelijken ? De heer Laeremans heeft de indruk dat beide procureurs des Konings naast mekaar kunnen functioneren en er inzake tucht zelfs geen inspraak is van de procureur van Halle-Vilvoorde ten opzichte van de procureur van Brussel. Hoe is dit geregeld en hoe kan er voor gezorgd worden dat de richtlijnen en instructies inzake strafrechtelijk beleid afgedwongen kunnen worden ?

Volgens de heer Anciaux is de situatie duidelijk. Elke vorm van tucht in het kader van hiërarchie, is steeds toegewezen aan één hiërarchisch bepaalde overheid. De persoonlijke tuchtaangelegenheden vallen voor deze vijf personen onder de bevoegdheid van de procureur des Konings van Brussel. Echter, de procureur des Konings van Halle-Vilvoorde bepaalt en geeft instructies over het strafrechtelijk beleid in Halle-Vilvoorde. Indien de substituut de regels van de procureur van Halle-Vilvoorde niet respecteert, dan kan de procureur van Halle-Vilvoorde beslissen een einde te maken aan de detachering van de betrokken substituut. Voor de tuchtrechtelijke opvolging van dit dossier is dan weer de procureur des Konings van Brussel bevoegd. Hij oordeelt op basis van een totaal dossier, waar uiteraard ook de procureur van Halle-Vilvoorde zijn informatie in kan voegen.

De heer Deprez vraagt of de procureur-generaal actie kan ondernemen wanneer de procureur des Konings van Halle-Vilvoorde vaststelt dat een gedetacheerde Franstalige substituut zijn werk niet naar behoren vervult, aan de procureur des Konings van Brussel vraagt om een tuchtsanctie te nemen tegen deze persoon en de procureur van Brussel vervolgens niets doet.

De heer Delpérée is het volledig eens met de heer Anciaux. Deze problemen zijn bovendien absoluut niet nieuw, maar stellen zich bij alle gedetacheerde personen. Een Belgische ambtenaar die gedetacheerd wordt naar de International Labour Organization in Genève bevindt zich nog steeds onder het hiërarchisch gezag in Brussel. Het voorliggende artikel bevat niets nieuw.

De heer Laeremans stelt vast dat artikel 19, vierde lid, stelt dat : « In afwijking van het derde lid, met betrekking tot de vrederechters en de toegevoegde vrederechters die zetelen in de vredegerechten van het gerechtelijk kanton met zetel in Kraainem en Sint-Genesius-Rode en van het gerechtelijk kanton met zetel in Meise, wordt het ambt van korpschef gezamenlijk uitgeoefend door de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg en de voorzitter van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg. De beslissingen worden overlegd in consensus. » De tucht voor de drie vrederechters is dus gezamenlijk. Waarom kan er niets gelijkaardig ingevoerd worden voor de vijf gedetacheerden bij het parket van Halle-Vilvoorde ? Wat is het verschil ?

Volgens de heer Vanlouwe is het interessante in deze discussie dat er een dossier zal moeten overgemaakt worden door de procureur des Konings van Halle-Vilvoorde. Hij moet dat doen om een eventuele tuchtsanctie te kunnen laten uitspreken. Dit is een zeer relevant gegeven. Als dat niet gebeurt, dan zou blijkbaar volgens de algemene regel de procureur-generaal optreden. In de tekst is daar echter niets van terug te vinden. De tekst bevat niets anders dan uitzonderingen op de algemene regels. Zou het dan niet nuttig zijn dit te verduidelijken ?

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor de Staatshervorming, merkt dat er bij enkele commissieleden duidelijk verwarring bestaat. De artikelen 33, 35, 19 en 6, hebben betrekking op vredegerechten en het artikel 15 op het parket. De situaties zijn niet vergelijkbaar omdat de organisatie anders is. Straks zijn er gesplitste parketten en ontdubbelde rechtbanken. In Brussel zal er nog steeds een tweetalig parket zijn maar geen tweetalige rechtbanken eens de ontdubbeling heeft plaatsgevonden. Vergelijken is niet mogelijk.

De heer Verherstraeten bevestigt uitdrukkelijk dat de regeling zoals voorzien in de voorliggende tekst dezelfde regeling is zoals in het Gerechtelijk Wetboek bepaalt is voor andere detacheringen.

Ten derde stelt de staatssecretaris dat het voorliggende voorstel op geen enkele wijze tuchtrecht of tuchtprocedures wijzigt.

De heer Laeremans volgt de interpretatie van de staatssecretaris niet. Uiteraard is de situatie verschillend, maar dit belet niet dat de vergelijking mag gemaakt worden. Het gaat in beide situaties om tucht. Het blijft frappant dat voor de drie vrederechters, waaronder die van de eentalig Vlaamse gemeente Meise, Franstalige magistraten mee bevoegd worden gemaakt en zelfs een veto-recht krijgen en in een later stadium de eventueel Franstalige voorzitter van het hof van beroep exclusief bevoegd maakt. Precies het tegenovergestelde gebeurt dan weer bij de heel omstreden gedetacheerden in Halle-Vilvoorde, waar de Franstalige procureur des Konings van Brussel een exclusiviteitsrecht krijgt. Door deze situatie worden moeilijkheden gecreëerd in het parket. De Brusselse procureur kan, door zijn niet-ingrijpen of laksheid, het veiligheidsbeleid van de procureur van Halle-Vilvoorde saboteren. De procureur van Halle-Vilvoorde heeft geen enkel wapen in handen om de procureur des Konings van Brussel aan te zetten om tot een tuchtprocedure over te gaan. Volgens de heer Anciaux is het wel zo dat de procureur van Halle-Vilvoorde de substituut die niet voldoet de deur kan wijzen. Volgens de heer Laeremans is dit echter niet mogelijk want ook dit is een tuchtsanctie.

De heer Anciaux zegt dat deze stelling onjuist is. Om een persoon te kunnen detacheren is altijd de goedkeuring nodig van de twee partijen : de partij die detacheert en de partij die de gedetacheerde ontvangt. Je kan nooit iemand detacheren tegen de zin van de ontvangende partij. De heer Anciaux beklemtoont dat er steeds één hiërarchische overheid is bepaald. Dit is niet noodzakelijk een persoon, maar kan ook een orgaan zijn dat natuurlijk één beslissing neemt.

De heer Vanlouwe hoort hier dat de algemene regel geldt. Het gaat dan over artikel 401 van het Gerechtelijk Wetboek. Dit artikel bepaalt : « Wanneer een magistraat van het openbaar ministerie op de zitting afwijkt van de plichten van zijn staat, geeft de eerste voorzitter van het hof of de voorzitter van de rechtbank waarbij hij zijn ambt uitoefent, daarvan kennis aan de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, aan de procureur-generaal bij het hof van beroep, aan de procureur des Konings, of aan de arbeidsauditeur, al naargelang onder wiens toezicht de magistraat staat. » Volgens de heer Vanlouwe is er geen overeenstemming met deze tekst omdat de uitzondering de algemene regel volledig uitholt.

De heer Anciaux vraagt waarin de tekst van artikel 401 van het Gerechtelijk Wetboek verschilt van de tekst van het ontwerp ? De procureur des Konings van Brussel zal tuchtrechtelijk uitspraak doen. De procureur des Konings van Halle-Vilvoorde heeft de mogelijkheid om een einde te stellen aan de detachering indien een substituut niet zijn beleid volgt.

De heer Moureaux is het eens met de heer Anciaux maar merkt toch op dat het over twee verschillende zaken gaat. In het voorgestelde systeem kan de procureur des Konings van Brussel een tuchtsanctie geven. De procureur des Konings van Halle-Vilvoorde kan dit niet, maar kan wel een einde maken aan de detachering. Voor het dossier van de magistraat is het verschil tussen beide maatregelen belangrijk omdat deze tweede maatregel geen tuchtmaatregel is. Indien er werkelijk een probleem zou zijn tussen beide procureurs, dan is het evident dat de procureur-generaal zal interveniëren.

De heer Delpérée verwijst naar een thesis die hij in 1968 in Parijs gemaakt heeft over tuchtrecht. Hij verdedigt het idee dat tuchtrecht wel degelijk recht is. Het gaat niet zomaar over enkele regeltjes die de baas kan toepassen naargelang het hem uitkomt. De tuchtrechtelijke overheden, de regels en de procedures worden bepaald in het Gerechtelijk Wetboek. Dit wordt niet allemaal hier en nu uitgevonden. De regels voor gedetacheerde magistraten worden toegepast.

De heer Vanlouwe stelt dat het beëdingen van een detachering geen tuchtsanctie is, maar een reglement van inwendige orde. Artikel 405 van het Gerechtelijk Wetboek geeft een overzicht van de tuchtstraffen. Dit kan bijvoorbeeld een waarschuwing zijn, of een berisping. Zwaardere tuchtstraffen zijn inhouding van wedde, tuchtschorsing, intrekking van het mandaat, tuchtschorsing met intrekking van het mandaat, ontslag van ambtswege of ontzetting uit het ambt of afzetting. Een einde van de detachering is dus geen tuchtsanctie en de betrokkene gaat gewoon terug naar het parket van Brussel. Bovendien merkt de heer Vanlouwe nergens een bepaling over een ingrijpen van de procureur-generaal.

De heer Laeremans begrijpt dat de procureur des Konings van Halle-Vilvoorde een detachering kan opzeggen. Dergelijke zaak kan escaleren. Stel dat het tot een conflict zou komen tussen de procureurs des Konings van Brussel en Halle-Vilvoorde en dat de procureur des Konings van Halle-Vilvoorde een einde maakt een de detacheringen van alle vijf Franstalige magistraten, er geen nieuwe aanvaardt en beslist al het werk zelf te doen. Is dit mogelijk ? Kan al het werk dat normaal door de vijf gedetacheerden zou gebeuren door de 24 substituten van Halle-Vilvoorde worden overgenomen ? Of is er dan een probleem omdat een aantal zaken niet meer kunnen behandeld worden ?

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor de Staatshervorming, stelt dat aan de volledige Titel 5 van het Gerechtelijk Wetboek, dat slaat op de tucht, geen jota werd gewijzigd. Er werd niets gewijzigd aan de procedures met betrekking tot deze magistraten, noch aan de inhoudelijke regelgeving terzake.

De staatssecretaris wijst specifiek op artikel 410 van het Gerechtelijk Wetboek, waar de laatste paragraaf bepaalt dat het openbaar ministerie de tuchtprocedure kan aanhangig maken bij elke tuchtoverheid bedoeld in dit artikel. Hij verwijst ook naar artikel 413. Spreker gaat er verder van uit dat magistraten quasi unaniem gewetensvol en met respect voor hun hiërarchie hun job uitoefenen. In de uiterst uitzonderlijk gevallen dat er een probleem zou zijn, is er het coördinatiecomité en het tuchtrecht dat in handen is van een derde. Die derde is zelf ook onderhevig aan het tuchtrecht en bevindt zich ook in hiërarchisch verband. De staatssecretaris is ervan overtuigd dat de regelgeving het perfect mogelijk moet maken om aan dergelijke uitzonderlijke omstandigheden, die zich naar alle waarschijnlijkheid op het terrein niet zullen voordoen, te remediëren.

De heer Moureaux verklaart dat men niet alleen niet raakt aan de hiërarchie, maar dat men ook duidelijk en uitdrukkelijk stelt dat alle handelingen van de procureur des Konings onder het gezag van de procureur-generaal vallen.

De amendementen nrs. 21 en 22 worden verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 15 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 15/1 (nieuw)

Amendement nr. 23

De heer Laeremans dient een amendement nr. 23 in (stuk Senaat, nr. 5-1672/2), tot invoeging van een artikel 15/1, luidende :

« In artikel 150bis van het Wetboek worden de woorden « De procureurs des Konings vormen samen een raad, raad van procureurs des Konings genoemd. » vervangen door de woorden : De procureurs des Konings en de adjunct-procureur des Koning van Brussel vormen samen een raad, raad van procureurs des Konings genoemd. ».

Indien men inderdaad het vernederende systeem van een adjunct-procureur des Konings wenst te handhaven dan moet men hem wel laten zetelen in de Raad van procureurs des Konings.

Dit zou bovendien een rechtzetting zijn van het onevenwicht dat men nu creëert door ervoor te zorgen dat de procureur des Konings van Brussel altijd Franstalig is, in combinatie met het feit dat men provinciale arrondissementen instelt en dat in de aangekondigde hervorming twee procureurs in Henegouwen worden aangesteld. Dit geeft een meerderheid van zeven Franstaligen (vijf Franstalige provincies, waarvan één, Henegouwen, in de toekomst twee procureurs zou tellen, plus de Franstalige procureur van Brussel) tegen zes Vlamingen (vijf Vlaamse provincies, waarvan één, Vlaams-Brabant, twee procureurs telt).

De heer Anciaux merkt op dat de voorgaande spreker de federale procureur vergeet.

De heer Laeremans antwoordt dat hij zitting heeft in het college van procureurs-generaal.

De heer Anciaux wijst erop dat artikel 150bis bepaalt dat de federale procureur de vergadering van de raad van procureurs-generaal kan bijwonen.

De heer Laeremans merkt op dat dit slechts optioneel is. Bovendien kan de federale procureur Franstalig zijn, wat een krachtsverhouding van acht tegen zes oplevert. Men voert een stelsel in waarbij de Franstaligen op het vlak van veiligheid dominant zijn, in een land waar de meerderheid Nederlandstalig is.

De heer Delpérée merkt op dat men in het bestaande recht moet werken, en niet op basis van van een hervorming van het gerechtelijk landschap waarvan niemand al weet hoe die er zal uitzien.

Amendement nr. 23 wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 16

Amendement nr. 24

De heer Laeremans dient een amendement nr. 24 in (doc. Senaat, nr. 5-1672/2), dat ertoe strekt artikel 16 te doen vervallen.

Er is geen nood aan een coördinatiecomité, respectievelijk samengesteld uit de procureurs des Konings en de arbeidsauditeurs van het gerechtelijk arrondissement Brussel, teneinde de coördinatie tussen het parket en het arbeidsauditoraat van Brussel en het parket en het arbeidsauditoraat van Halle-Vilvoorde te verzekeren.

Halle-Vilvoorde verdient een eigen parket en arbeidsauditoraat die onafhankelijk van het Brusselse parket en arbeidsauditoraat dienen te werken, zonder infectie door Franstalige gedetacheerde parketmagistraten. Het coördinatiecomité zou onder andere een belangrijke rol moeten spelen bij het overleg tussen de parketten en arbeidsauditoraten met betrekking tot de rol van deze Franstalige gedetacheerde parketmagistraten.

De indiener van dit amendement verzet zich tegen bovengenoemde detachering en meent dat Halle-Vilvoorde een volledig onafhankelijk vervolgingsbeleid moet kunnen ontwikkelen. Een coördinatiecomité is aldus volstrekt overbodig.

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervormingen, verwijst naar het tweede, derde en vierde lid van artikel 16 zelf dat een antwoord geeft op die vragen.

Hij voegt eraan toe dat het coördinatiecomité geen enkele disciplinaire bevoegdheid heeft. Disciplinaire problemen kunnen ter sprake worden gebracht, net als elk ander probleem tussen twee parketten, maar dat staat los van een disciplinaire procedure. Spreker verwijst naar wat hij vroeger hierover heeft gezegd.

De heer Vanlouwe wijst erop dat de staatssecretaris in de Kamer zou hebben verklaard dat het coördinatiecomité werd opgericht om een evenwicht te creëren tussen de Franstalige en Nederlandstalige procureur. Gaat het om een paritair orgaan ?

Spreker verwijst vervolgens naar het advies van de Raad van State (stuk Kamer, nr. 53-2140/2, blz. 21, nr. 53), dat als volgt luidt :

« In het voorgestelde artikel 43, § 4quater, wordt bepaald dat de procureur des Konings van Brussel tot de Franse « taalrol » behoort, en de adjunct-procureur des Konings tot de Nederlandse « taalrol ». De wetgevende kamers moeten deze taalvereisten kunnen verantwoorden; deze hebben namelijk tot gevolg dat deze functies in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad uitsluitend worden voorbehouden aan magistraten van wie de taal van het diploma hetzij het Frans, hetzij het Nederlands is. »

In de Kamer verklaarde de staatsecretaris hierover dat « men de voorgestelde verdeling van de taalrollen voor de procureur des Konings en zijn adjunct te Brussel en de arbeids- en adjunct-arbeidsauditeur niet als een beroepsverbod mag interpreteren » en « dat er in Halle-Vilvoorde een Nederlandstalige procureur des Konings en arbeidsauditeur zullen zijn en dat de Brusselse adjunct-procureur des Konings eveneens tot de Nederlandse taalrol zal behoren. » (stuk Kamer, nr. 53 2140/5, p. 68).

Spreker benadrukt dat men dit voorstelt als een compensatie terwijl het om een vanzelfsprekendheid gaat, namelijk een Nederlandstalige magistraat op Vlaams grondgebied.

In het verslag van de commissie staat ook nog het volgende :

« De staatssecretaris voor Staatshervorming, toegevoegd aan de eerste minister, de heer Servais Verherstraeten, legt uit hoe men kan verantwoorden dat de procureur des Konings te Brussel en de adjunct-procureur des Konings respectievelijk verplicht tot de Franse en Nederlandse taalrol behoren. Hij stelt daaromtrent het volgende.

Deze verplichtingen beogen de paritaire samenstelling te garanderen van het coördinatiecomité, voorzien in artikel 150ter van het Gerechtelijk Wetboek, zoals voorgesteld. Dit coördinatiecomité maakt wezenlijk deel uit van de hervorming. Er wordt overigens melding van gemaakt in de toelichting bij het voorstel tot invoeging van een artikel 157bis van de Grondwet (...).

(...) De heer Ben Weyts (N-VA) stelt vast dat de staatssecretaris het geweer van schouder verandert. Tijdens de algemene bespreking heeft hij betoogd dat het voorbehouden van de functies aan Franstaligen in Brussel in evenwicht werd gehouden doordat de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg een Nederlandstalige zou zijn, net zoals de procureur des Konings te Halle-Vilvoorde. De regering heeft dus eigenlijk zelf de vergelijking met het spiegelbeeld gemaakt. Die interpretatie ter verantwoording van de voorgestelde regeling wordt nu blijkbaar verlaten en vervangen door een nog gebrekkigere verantwoording waar het coördinatiecomité bij wordt betrokken. » (stuk Kamer, nr. 53 2140/5, blz.103-104).

Spreker meent dat geen enkele redenering van de staatssecretaris op een geldige manier het systeem voor Brussel kan verantwoorden. Het is helemaal niet vanzelfsprekend, het is illegaal en zelfs ongrondwettelijk.

Het is in feite een cirkelredenering : de procureur en de arbeidsauditeur moeten Franstalig zijn want het coördinatiecomité moet paritair zijn — hoewel de wet dat niet voorschrijft — en het coördinatiecomité is paritair omdat de procureur Franstalig is.

In het verslag van de kamercommissie staat ook het betoog van de heer Annemans die het volgende meedeelt :

« ... als de pariteit van het coördinatiecomité de werkelijke verantwoording voor de voorgestelde regeling is, het ook mogelijk moet zijn dat de procureur te Halle-Vilvoorde een Franstalige is en zijn collega te Brussel een Nederlandstalige. Als dat niet de werkelijke reden is, dan kan men evengoed toegeven dat het louter een politiek akkoord betreft, zonder welk men geen oplossing had gehad. » (stuk Kamer, nr. 53 2140/5, blz. 106).

Het probleem van de eentaligheid van de procureur in Brussel blijft dus onopgelost. Het is in feite een bijkomend cadeau voor de Franstaligen en een nieuwe aanslag op de tweetaligheid van Brussel.

De heer Anciaux meent dat de vorige spreker de staatssecretaris woorden in de mond legt. Laatstgenoemde heeft enkel een reeks feiten vermeld.

Spreker wenst ook een feit te vermelden. Spreker stelt vast dat de nieuwe wetgeving twee nieuwe functies creëert op parketniveau : een procureur des Konings in Halle-Vilvoorde, die vroeger niet bestond, en een adjunct-procureur des Konings in Brussel.

De heer Laeremans benadrukt dat er nergens wordt vermeld dat het coördinatiecomité op taalkundig vlak paritair moet zijn samengesteld. De tekst verduidelijkt wie zitting heeft, maar iedereen weet dat een procureur zich kan laten vervangen door een substituut. Kan de adjunct van de procureur, die Nederlandstalig is, laatstgenoemde vervangen in het coördinatiecomité, waardoor een samenstelling van drie Nederlandstaligen en één Franstalige ontstaat, of zelfs van vier Nederlandstaligen, als de adjunct van de auditeur laatstgenoemde vervangt ?

De heer Anciaux leest de tekst anders, namelijk dat het coördinatiecomité nu eens samengesteld is uit twee procureurs, dan weer uit twee arbeidsauditeurs, naar gelang van de behandelde materie. Wat is anders de betekenis van « respectievelijk » ? In dat geval zou het comité niet systematisch samengesteld zijn uit vier personen.

De heer Moureaux wijst erop dat die opmerking niks verandert aan de vraag van de heer Laeremans. Ook al bestaat het comité slechts uit twee personen, dan nog zouden het twee Nederlandstaligen kunnen zijn. De tekst maakt de situaties die de heer Laeremans aanstipt, mogelijk. Pariteit is op basis van de tekst niet verplicht. Voor zover het om Brussel gaat, is pariteit wenselijk, maar de tekst sluit niet uit dat het comité, naar gelang van de afwezigen, enkel uit Nederlandstaligen kan bestaan.

Spreker steunt de meerderheid en het compromis, hoewel hijzelf voorstander is van zo weinig mogelijk taalvereisten. Als Franstalige Brusselaar, gaat hij ervan uit dat, indien het coördinatiecomité uit vier Nederlandstaligen bestaat, laatstgenoemden te goeder trouw de belangen van de Brusselaars zullen verdedigen. In zijn politiezone werkt spreker met een Nederlandstalige korpschef die uiteraard perfect tweetalig is.

Voor de opmerking van de Raad van State, verwijst de staatssecretaris naar zijn antwoord in de Kamer (stuk Kamer, nr. 53-2140/5, blz. 104).

In de Kamer besprak men ook andere punten, zoals de taalrol van de procureur des Konings, van de arbeidsauditeur en zijn adjuncten. Het oorzakelijk verband dat de heer Vanlouwe zocht in de woorden van de staatssecretaris kwam niet tot uitdrukking en bestaat niet. Het bewijs daarvan is terug te vinden in de bespreking van het verslag die hierop volgde.

In een lid kan men immers het volgende lezen : « Ten slotte benadrukt de staatssecretaris dat er in Halle-Vilvoorde een Nederlandstalige procureur des Konings en arbeidsauditeur zullen zijn en dat de Brusselse adjunct-procureur des Konings eveneens tot de Nederlandse taalrol zal behoren. ». Maar de volksvertegenwoordigers van de N-VA wilden de woorden « Ten slotte » vervangen door het woord « immers » om een oorzakelijk verband te leggen in de woorden van de staatssecretaris, wat niet zijn bedoeling was. Dat verzoek werd niet ingewilligd (zie stuk Kamer, nr. 53-2140/5, blz. 68).

De staatssecretaris verwijst naar zijn verklaring hierover in de kamercommissie (zie stuk Kamer, nr. 53-2140/5, blz. 104). Spreker wil echter de nadruk leggen op het laatste lid betreffende de pariteit binnen het coördinatiecomité, die bijdraagt « tot het communautaire evenwicht dat globaal wordt gezocht in het institutionele akkoord van 11 oktober 2011, en in het bijzonder in deze hervorming. ».

Het gaat dus wel degelijk om een communautair evenwicht en een institutioneel akkoord. Zoals voor elke tekst die een wet gaat worden, is er een meerderheid, zelfs een bijzondere meerderheid, nodig in de Kamer en de Senaat.

Vervolgens verwijst de staatssecretaris naar de toelichting van het amendement nr. 6 dat in de Kamer van volksvertegenwoordigers werd ingediend. (Stuk. Kamer, 53 2140/3, blz. 6) Het principe is dus zeker de pariteit, zoals ook blijkt uit de toelichting bij het eerste lid van artikel 16.

De heer Laeremans repliceert dat uit de tekst van het artikel zelf niet kan worden afgeleid dat er een pariteit moet zijn en dat er altijd een Franstalige procureur moet zijn in Brussel. Dit zijn wenselijkheden die worden toegedicht aan het coördinatiecomité waarbij de argumentatie zwak is. Bovendien komt men niet tegemoet aan de opmerking van de Raad van State die had gevraagd te argumenteren waarom de procureur in Brussel steeds Franstalig moet zijn.

De staatssecretaris merkt op dat de Raad van State geen enkele opmerking heeft gegeven over het feit dat de voorgestelde bepaling ongrondwettelijk zou zijn. Wat het coördinatiecomité betreft, is het uitgangspunt de pariteit. Deze pariteit is, zoals ook verklaard in de Kamer van volksvertegenwoordigers en opgenomen in het verslag, een uitgangspunt van de institutionele meerderheid. Alleen kan er praktisch, in geval van verhindering van de Brusselse procureur des Konings of van de arbeidsauditeur en vervanging door hun adjunct, geen pariteit zijn. Door die omstandigheden kan er een Nederlandstalige meerderheid in het coördinatiecomité aanwezig zijn.

Amendement nr. 24 wordt verworpen met 12 stemmen tegen 5.

Artikel 16 wordt aangenomen met 12 stemmen tegen 5.

Artikel 17

Amendement nr. 25

De heer Laeremans dient een amendement nr. 25 in (stuk Senaat, nr. 5-1674/2) dat er ten eerste toe strekt in het huidige arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde volwaardig en verticaal te splitsen in een gerechtelijk arrondissement Halle-Vilvoorde en een gerechtelijk arrondissement Brussel. Spreker verwijst hiervoor naar de voorafgaande bespreking.

Ten tweede wenst de heer Laeremans de woorden «  onverminderd artikel 150, § 3 » te doen vervallen. Immers, Halle-Vilvoorde heeft geen behoefte aan een detachering van Franstalige parketmagistraten waardoor die bepaling dus zonder voorwerp is.

Amendement nr. 25 wordt verworpen met 12 stemmen tegen 5.

Artikel 17 wordt aangenomen met 12 stemmen tegen 5.

Artikel 18

Amendementen nrs. 26 en 27

De heer Laeremans dient een amendement nr. 26 in (stuk Senaat, nr. 5-1674/2) dat ertoe strekt het voorgestelde artikel 18 te doen vervallen. Zoals voorgesteld door de indiener is het de bedoeling dat Halle-Vilvoorde een volwaardig arrondissement wordt. De regeling, zoals bepaald in het artikel 18, wordt daarom overbodig. Spreker verwijst vervolgens naar zijn toelichting bij het voorgestelde artikel 15.

De heer Laeremans dient een amendement nr. 27 in, subsidiair amendement op amendement nr. 26 (stuk Senaat, nr. 5-1674/2) dat ertoe strekt in het voorgestelde artikel 18 bepaalde woorden te vervangen opdat de functie van de adjunct-arbeidsauditeur toch wordt behouden, indien ze minstens op gelijke hoogte te zetten als de arbeidsauditeur.

De heer Vanlouwe stelt vast dat de invoering van de functie van een ondergeschikte, Nederlandstalige adjunct-arbeidsauditeur, parallel verloopt met de in artikel 15 voorgestelde invoering van een Nederlandstalige adjunct-procureur des Konings. Deze functies zijn omschreven en zijn uniek in het Gerechtelijk Wetboek en daarom wenst de spreker verduidelijking. Voldoen ook nog anderen in het arrondissement of buiten het arrondissement aan deze functieomschrijving ? Wie staat er in voor de goede werking in andere arrondissementen ?

De staatssecretaris verklaart dat de voorgestelde omschrijving voortvloeit uit een opmerking die de Raad van State heeft gemaakt. Spreker verwijst daarbij naar de toelichting bij het amendement nr. 7 (stuk Kamer, 53 2140/003) en naar de discussie die werd gevoerd bij de bespreking van het voorgestelde artikel 15.

De amendementen nrs. 26 en 27 worden verworpen met 12 stemmen tegen 5.

Artikel 18 wordt aangenomen met 12 stemmen tegen 5.

Artikel 19

Amendement nr. 28

De heer Laeremans dient een amendement nr. 28 in (stuk Senaat, nr. 5-1674/2) dat ertoe strekt artikel 186bis zodanig aan te vullen dat er bij de toepassing van de benoemingsvoorwaarden rekening wordt gehouden met de werkelijke en vertikale splitsing van het huidige arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde. Er wordt voorgesteld om artikel 186bis, eerste lid, van hetzelfde wetboek, aan te vullen als volgt :

« In het gerechtelijk arrondissement Brussel treedt de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg op als korpschef van de rechters en de toegevoegde rechters in de Nederlandstalige politierechtbank. De voorzitter van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg treedt op als korpschef van de rechters en de toegevoegde rechters in de Franstalige politierechtbank. De voorzitters van de Nederlandstalige en de Franstalige rechtbank van eerste aanleg treden gezamenlijk op als korpschef van de vrederechters en de toegevoegde vrederechters. ».

Amendementen nrs. 29 en 30 (subsidiair op amendement nr. 29)

De heer Laeremans dient een amendement nr. 29 in (stuk Senaat, nr. 5-1674/2) dat ertoe strekt het derde en vierde lid van het voorgestelde artikel 186bis te doen vervallen. Spreker is het er niet mee eens dat de voorzitter van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg zich op eenvoudig verzoek kan laten betrekken bij de door hem aangeduide beslissingen. Ook de bepaling in verband met de gemeenschappelijk korpschef kan niet door de beugel. Het kan het niet de bedoeling zijn dat het ambt van korpschef in de vredegerechten van het gerechtelijk kanton met zetel in Kraainem en Sint-Genetius-Rode en van het gerechtelijk kanton met zetel in Meise gezamenlijk moet worden uitgeoefend waarbij de beslissingen worden overlegd in consensus. Spreker is het niet eens met deze inmenging die veel te vergaand is en nergens anders gebeurt.

De heer Laeremans dient een amendement nr. 30 in, subsidiair amendement op amendement nr. 29 (stuk Senaat, nr. 5-1674/2) dat ertoe strekt enkel voor de vrederechters in de faciliteitengemeenten toe te staan dat de voorzitter van de Franstalige rechtbank zich op eenvoudig verzoek kan moeien.

De heer Vanlouwe verklaart volgende vraag reeds te hebben gesteld maar aangezien hij er toen geen antwoord heeft op gekregen, wenst hij ze opnieuw te stellen. Spreker vraagt waarom de bepaling in het artikel 186bis, derde lid wordt voorgesteld. Waarom wordt er in het volgende lid een nog strengere uitzondering voorgesteld ? In de praktijk zullen er immers twee korpschefs zijn. Waarom ? Waar is hier het communautair en institutioneel evenwicht ?

De staatssecretaris verwijst naar zijn antwoord en zijn repliek betreffende het voorgestelde artikel 6.

De amendementen nrs. 28, 29 en 30 worden verworpen met 12 stemmen tegen 5.

Artikel 19 wordt aangenomen met 12 stemmen tegen 5.

Artikelen 20 en 21

De artikelen 20 en 21 worden zonder verdere bespreking aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 22

Amendement nr. 31

Op dit artikel wordt door de heer Laeremans amendement nr. 31 ingediend (stuk Senaat, nr. 5-1674/2) dat er toe strekt om rechters ook toe te laten zitting te hebben in een kamer van een andere taalrol dan zijn diploma indien hij het grondige taalexamen heeft afgelegd dat geldt voor de functie van voorzitter van een rechtbank of vrederechter.

De heer Laeremans wijst er op dat, op dit moment, nogal wat Nederlandstalige magistraten Franstalige zaken behandelen bij gebrek aan tweetaligen in het hof van beroep. In dit artikel komt men tegemoet aan de vraag van de Franstaligen om dit tegen te gaan. Waarom neemt men die maatregel eigenlijk ? Zijn er klachten over de Nederlandstalige magistraten die Franstalige zaken behandelen ? Wat zijn de taalverhoudingen binnen het hof van beroep ?

De heer Anciaux vraagt of artikel 22 iemand uitsluit die, bijvoorbeeld, over twee diploma's beschikt, in verschillende talen.

De heer Delpérée wijst erop dat men zich ter zake baseert op de taal van het diploma dat toegang geeft tot het ambt. Het gaat om het einddiploma van de rechtenstudie die de weg opent naar de magistratuur.

Staatsecretaris Verherstraeten verwijst naar artikel 43, § 5 van de Taalwet. Dit artikel is een louter technische bepaling. Hij verwijst terzake naar de toelichting bij het wetsvoorstel (stuk Kamer nr. 53-2140/001, blz. 17-18) :

« Artikel 206, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat om tot werkende of plaatsvervangende rechter in sociale zaken of in handelszaken te kunnen worden benoemd in rechtbanken die zowel kennis nemen van Nederlandstalige als Franstalige zaken, de kandidaat in het bezit moet zijn van een studiegetuigschrift of diploma van Nederlands of Frans onderwijs en dat de rechter enkel kan zetelen in zaken van dezelfde taal als hun diploma of getuigschrift.

Ingevolge de oprichting van afzonderlijke Nederlandstalige en Franstalige arbeidsrechtbanken en rechtbanken van koophandel, is deze bepaling overbodig geworden en kan ze worden opgeheven.

Artikel 216, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat artikel 206 mede van toepassing is op de werkende en de plaatsvervangende raadsheren in sociale zaken. Nu artikel 206, derde lid, ingevolge dit voorstel wordt opgeheven, is het noodzakelijk een analoge bepaling voor de raadsheren in het arbeidshof te Brussel op te nemen. ».

Amendement nr. 31 wordt verworpen met 12 stemmen tegen 5.

Artikel 22 wordt aangenomen met 12 stemmen tegen 5.

Artikel 22/1 (nieuw)

Amendement nr. 32

De heer Laeremans dient amendement nr. 32 in (stuk Senaat 5-1674/2) dat er toe strekt een nieuw artikel 22/1 in te voegen om, als een logisch gevolg van de beperking van het gerechtelijk arrondissement tot de grenzen van het Brussels Gewest, het aantal magistraten te verminderen in een verhouding 75 %F/25 %N. Dit amendement hangt samen met het amendement om een hof van beroep in te stellen voor Vlaams-Brabant en Limburg samen.

Amendement nr. 32 wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 22/2 (nieuw)

Amendement nr. 33

De heer Laeremans dient een amendement nr. 33 in (stuk Senaat 5-1674/2) dat er toe strekt een nieuw artikel 22/2 in te voegen dat bepaalt dat, voor het uitbrengen van een advies door de algemene vergadering van het hof van beroep aan de minister van Justitie voor de benoeming van een raadsheer, een meerderheid van twee derden in de betrokken taalgroep volstaat.

Amendement nr. 33 wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 23

De heer Vanlouwe vraagt of de « lijst der gezworenen » niet in strijd is met het wettelijk verbod op talentellingen in Brussel.

De heer Verherstraeten wijst er op dat de Raad van State over dit artikel geen enkele opmerking heeft gemaakt. Het is een zuiver technische aanpassing aan de ontdubbeling van de zetel en de splitsing van het parket. De wet moet gewijzigd worden om te verduidelijken dat de adressant voortaan de Nederlandstalige of de Franstalige voorzitter is.

De heer Anciaux wijst er op dat er geen sprake is van een telling, het gaat om personen die door loting worden aangeduid op basis van de kiezerslijsten. Er gebeurt nooit een telling.

De heer Vanlouwe wijst er op dat op de kiezerslijsten geen aanduiding geven over de taal van de inwoner.

Artikel 23 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 24

Amendement nr. 34

De heer Laeremans dient amendement nr. 34 in (stuk Senaat, nr. 5-1674/2) dat er toe strekt om in dit artikel de woorden « administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad » te vervangen door de woorden « gerechtelijk arrondissement Brussel ». Dit amendement is een logisch gevolg van de in vroegere amendementen voorgestelde verticale splitsing van het huidig gerechtelijk arrondissement Brussel in een volwaardig arrondissement Halle-Vilvoorde en een gerechtelijk arrondissement Brussel dat beperkt wordt tot het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Amendement nr. 34 wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 24 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 25

De heer Vanlouwe wil nadere informatie over de procedure van aanwijzing in mandaten die van toepassing is op de parketmagistraten die naar het arrondissement Halle-Vilvoorde gedetacheerd worden. Het wetsontwerp bepaalt immers dat de procureur des Konings van Halle-Vilvoorde de nodige inlichtingen moet verstrekken aan de procureur des Konings van Brussel, die zijn advies zal verlenen.

Spreker meent bijgevolg dat de rol van de procureur des Konings van Halle-Vilvoorde aanvullend is, aangezien de procureur des Konings van Brussel beslist. Wat is overigens de aard van de inlichtingen die hij moet verstrekken ? Wat is het verschil in inhoud tussen vermelde inlichtingen en het advies ?

De staatssecretaris voor Staatshervorming verklaart dat de hiërarchische meerdere zijn bevoegdheid behoudt en een advies verleent aan de bevoegde organen. Wanneer bijvoorbeeld een gedetacheerd magistraat die werkzaam is in het arrondissement Halle-Vilvoorde postuleert bij het parket-generaal van Brussel, dan zal de procureur des Konings van Brussel advies verlenen, maar dan op basis van inlichtingen verstrekt door de procureur des Konings van Halle-Vilvoorde. Het is immers die laatste die dagelijks met de gedetacheerde magistraat samenwerkt.

De inlichtingen zullen over de competenties en de kwaliteit van het werk van de gedetacheerde magistraat gaan. Dat aspect valt onder de autonomie van de procureur des Konings van Halle-Vilvoorde.

Voor de staatssecretaris kan er geen sprake zijn van ondergeschiktheid, het is niets meer dan het meedelen van objectieve gegevens op grond waarvan een advies zal worden verleend.

Artikel 25 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 26

Amendement nr. 35

De heer Laeremans dient amendement nr. 35 in (stuk Senaat nr. 5-1674/2), dat strekt om de regel op te heffen die zegt dat de functie van procureur des Konings van Brussel in alle gevallen aan een Franstalige zal worden toegekend.

Spreker pleit ervoor dat de procureur des Konings en de adjunct-procureur des Konings van Brussel alternerend van een verschillende taalrol zijn.

Amendement nr. 35 wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 26 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 27

Artikel 27 wordt zonder bespreking aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 28

De heer Laeremans wijst erop dat de installatie van de hoofdgriffiers en de griffiers geschiedt naar gelang van de « bewezen taalkennis ». Wat moeten we daaronder verstaan ? Moet men geen rekening houden met de taal van het diploma ?

De staatssecretaris verklaart dat het bewijs van de taalkennis zal worden geleverd overeenkomstig het voorschrift van artikel 53, § 6, tweede lid van de wet op het gebruik der talen in gerechtszaken. Spreker beklemtoont dat de wet op het gebruik der talen in gerechtszaken niet wordt gewijzigd. De huidige toestand wordt gehandhaafd.

Artikel 28 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 29

Amendement nr. 36

De heer Laeremans dient amendement nr. 36 in (stuk Senaat nr. 5-1674/2), dat ertoe strekt te voorzien in het systematische optreden van de adjunct-procureur des Konings van Brussel naast dat van de procureur des Konings van Halle-Vilvoorde.

Hij stelt zich overigens vragen bij de redenen waarom het ontwerp voorziet in het optreden van de procureur des Konings van Brussel in de regeling van de dienst der zitting van de leden van het parket van de Nederlandstalige rechtbanken van Brussel.

De staatssecretaris preciseert dat artikel 29 samen met artikel 15 van het ontwerp moet worden gelezen. Dat bepaalt dat de adjunct-procureur des Konings van Brussel de procureur des Konings van Brussel bijstaat voor de relaties met het parket van Halle-Vilvoorde en de goede werking van de Nederlandstalige rechtbanken in Brussel. Het is logisch dat voor de regeling van de zittingen wordt voorzien in het optreden van de adjunct-procureur wanneer de procureur des Konings van Brussel verhinderd is. Voor het overige gaat het om een eenvoudige aanpassing van terminologie.

Dat antwoord overtuigt de heer Laeremans niet. Hij meent dat het optreden van de procureur des Konings van Brussel veel weg heeft van wantrouwen ten opzichte van de adjunct-procureur des Konings. Men had die taak exclusief aan de adjunct-procureur des Konings van Brussel kunnen geven.

De staatssecretaris herinnert eraan dat artikel 318 van het Gerechtelijk Wetboek als volgt luidt : « De dienst der zitting van de leden van het parket wordt voor de hoven van beroep en voor de arbeidshoven geregeld door de procureur-generaal, (voor het federaal parket door de federale procureur,) voor de rechtbank van eerste aanleg en de rechtbank van koophandel door de procureur des Konings en voor de arbeidsrechtbank door de arbeidsauditeur ». Aangezien de rechtbanken in Brussel worden ontdubbeld, is het raadzaam voor de Nederlandstalige rechtbanken in Brussel te voorzien in de bevoegdheid van de procureur des Konings van Halle-Vilvoorde en in die van de procureur des Konings van Brussel, of, wanneer die verhinderd is, van de adjunct-procureur des Konings. Het is dus integendeel een blijk van vertrouwen in de adjunct-procureur des Konings.

De heer Laeremans staat paf wanneer hij die argumentatie hoort, want hij stelt vast dat andere artikelen van het wetsontwerp niet uitdrukkelijk in het optreden van de adjunct-procureur des Konings voorzien.

Amendement nr. 36 wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 29 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikelen 30 tot 32

De artikelen 30 tot 32 worden zonder bespreking aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 33

Amendement nr. 37

De heer Laeremans dient amendement nr. 37 in (stuk Senaat nr. 5-1674/2), dat strekt om de vooropgestelde hiërarchische regels te wijzigen.

Spreker pleit voor een duidelijke splitsing van het gerechtelijk arrondissement Brussel en meent derhalve dat er geen reden bestaat om de Franstalige rechtbank van eerste aanleg een recht op toezicht toe te kennen op de vredegerechten van het arrondissement Halle-Vilvoorde.

De heer Vanlouwe vraagt zich af waarom de vooropgestelde uitzondering voor alle vredegerechten geldt en niet beperkt blijft tot de vredegerechten van de faciliteitengemeenten.

De staatssecretaris verwijst naar de verantwoording van artikel 6 van het ontwerp en herinnert nogmaals aan het onderscheid dat werd gemaakt. De artikelen 6 en 33 van het wetsontwerp gaan over de organisatie van de rechtbanken, terwijl de artikelen 19 en 35 over de rol van de korpschefs en hun bevoegdheden ten opzichte van de magistraten van hun gerechtelijk arrondissement gaan, met name inzake tuchtzaken.

Amendement nr. 37 wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 33 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 34

Amendementen nrs. 38 en 39

De heer Laeremans dient amendement nr. 38 in (stuk Senaat, nr. 5-1674/2) dat ertoe strekt artikel 34 te doen vervallen.

Het gaat om hier om één van een aantal zeer verregaande passages, die best kunnen geschrapt worden. Deze hebben onder meer te maken met de correlatie tussen de procureur en de vredegerechten, waarbij het niet zozeer de voorzitter is van de Franstalige rechtbanken maar de procureur des Konings van Brussel die zich via eenvoudig verzoek kan laten betrekken.

De heer Laeremans dient het amendement nr. 39, subsidiair op amendement nr. 38, in (stuk Senaat, nr. 5-1674/2) dat ertoe strekt artikel 34 te wijzigen. Als men het systeem van de adjunct-auditeur en adjunct- procureur wenst te handhaven, dan moet men hen wel degelijk een volwaardige bevoegdheid geven en spreker had deze dan ook hier graag willen ingevuld zien. Er wordt voorgesteld om de procureur des Konings van Halle-Vilvoorde en de adjunct procureur des Konings van Brussel samen het toezicht te laten uitoefenen over de hoofdgriffier, de griffiers-hoofden van de dienst, de griffiers, de deskundigen, administratief deskundigen, ICT-deskundigen, assistenten en medewerkers van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg, van de Nederlandstalige rechtbank van koophandel en de Nederlandstalige politierechtbank in Brussel-hoofdstad.

De beslissingen worden overlegd met het oog op het bereiken van een consensus. Bij gebrek aan consensus tussen beide procureurs, neemt procureur-generaal van Brussel de beslissing. De heer Laeremans wil in de plaats van de procureur-generaal van Brussel, deze beslissing overlaten aan de adjunct-procureur des Konings van Brussel.

De procureur des Konings van Brussel zelf oefent toezicht uit over de hoofdgriffier, de griffiers-hoofden van de dienst, de griffiers van de Franstalige rechtbank. Hier wordt een andere logica gevolgd omdat de omdat het gaat om een Franstalige rechtbank en de procureur des Konings hierover als Franstalige toezicht kan uitoefenen.

Spreker trekt dezelfde logica door voor de vredegerechten. Ook wat betreft de auditoraten, wordt voorgesteld het toezicht gezamenlijk te laten uitoefenen door de adjunct-auditeur van Brussel en de auditeur van Halle-Vilvoorde.

De heer Vanlouwe stelt vast dat de logica in de eerste zin van artikel 34, namelijk het gezamenlijk toezicht door de procureurs des Konings van Halle-Vilvoorde en Brussel op de hoofdgriffier, de griffiers-hoofden van de dienst, de griffiers, de deskundigen, administratief deskundigen, ICT-deskundigen, assistenten en medewerkers van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg, van de Nederlandstalige rechtbank van koophandel, niet wordt doorgetrokken in de volgende zin waarin sprake is van de Franstalige rechtbanken.

Hij wenst toelichting te krijgen bij het onderscheid.

De heer Verherstraeten verwijst naar de antwoorden die hij reeds eerder heeft gegeven.

De amendementen nrs. 38 en 39 worden achtereenvolgens verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 34 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 35

Amendementen nrs. 40, 41 en 42

De heer Laeremans dient amendement nr. 40 in (stuk Senaat, nr. 5-1674/2), dat ertoe strekt artikel 35 te vervangen.

De heer Laeremans legt uit dat het gaat om de bevoegdheid van de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank over vrederechters en rechters in de politierechtbanken met zetel te Halle-Vilvoorde, naar analogie met de korpsoversten, zoals bedoeld in artikel 19. Er is een gezamenlijke bevoegdheid over de drie faciliteitengemeenten, wat volgens spreker veel te verregaand is. Daarnaast is er ook nog de vraag tot betrokkenheid, die op eenvoudig verzoek voor alle andere kantons kan worden gesteld. Het tegenovergestelde gebeurt echter niet, er is dus een totale autonomie van de voorzitter van de Franstalige rechtbank tegenover de Franstalige politierechtbank en daar is er dus geen wederkerigheid. De Franstalige voorzitter is onaantastbaar want hij moet met niemand rekening houden, terwijl de Nederlandstalige voorzitter met iedereen en alles rekening moet houden.

Bij gebrek aan consensus, beslist de voorzitter van het hof van beroep die, volgens spreker, jammer genoeg nog een eens Franstalige kan zijn, waardoor het evenwicht helemaal dreigt verloren te gaan.

Spreker past dezelfde logica toe als voor artikel 34 van het wetsontwerp. Er wordt voorgesteld om de Nederlandstalige rechtbank bevoegdheid te geven over de vrederechters van de Nederlandse taalrol en de Nederlandstalige politierechters en de Franstalige rechtbank over de vrederechters van de Franse taalrol en de Franstalige politierechters, in het kader van de verticale splitsing van het huidig gerechtelijk arrondissement Brussel, waardoor men enkel een regeling moet vinden voor Brussel en niet voor Halle-Vilvoorde.

De heer Laeremans dient amendement nr. 41 in, subsidiair op amendement nr. 40 (stuk Senaat, nr. 5-1674/2), dat ertoe strekt de voorgestelde leden 2 en 3 van artikel 35 te doen vervallen.

De heer Laeremans legt uit dat concreet wordt voorgesteld om enerzijds de regeling van de gezamenlijke bevoegdheid over de drie faciliteitenkantons en anderzijds de mogelijkheid bij eenvoudige aanvraag om betrokken te worden te schrappen.

De heer Laeremans dient vervolgens amendement nr. 42 in, eveneens subsidiair op amendement nr. 40 (stuk Senaat, nr. 5-1674/2), dat ertoe strekt de voorgestelde leden 2 en 3 van artikel 35 te vervangen.

De heer Laeremans legt uit dat er in subsidiaire orde wordt voorgesteld de betrokkenheid enkel toe te laten voor de drie vredegerechten van de faciliteitengemeenten. Hierdoor wordt de logica doorgetrokken.

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, antwoordt dat men overeenkomstig opmerking 16 van het advies van de Raad van State (stuk Kamer, nr. 53-2140/02, blz. 13) de term « betrokkenheid » heeft gespecifieerd.

De heer Vanlouwe verwijst naar deze opmerking van het advies van de Raad van State waarin gesteld het volgende wordt

« Het voorgestelde artikel 72bis bevat een aantal onduidelijkheden die ter wille van de rechtszekerheid weggewerkt moeten worden. Dat is het geval waar er in het tweede lid staat dat de voorzitter van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg betrokken wordt bij de beslissingen genomen door de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg in het kader van zijn taken met betrekking tot de vredegerechten met zetel in het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde, terwijl er in het derde lid sprake is van overleg tussen hen beiden wanneer het gaat om de vredegerechten van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, en in het vierde lid van consensus bij de toepassing van de twee vorige leden. Die verschillende terminologie — « betrokkenheid », « overleg », « consensus » — doet twijfel rijzen omtrent datgene wat de indieners van het voorstel precies willen, aangezien de gebruikte bewoordingen juridisch gezien niet dezelfde betekenis hebben. Gaat het om een verplichting om het advies van de voorzitter van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg in te winnen wanneer hij daarom vraagt (tweede lid) of om een gezamenlijke beslissing (derde lid) ? Dat laatste lijkt het geval te zijn, aangezien het gebruik van het begrip consensus in het vierde lid aangeeft dat, wanneer er geen overeenstemming is tussen de twee voorzitters, de eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel, zowel in het geval genoemd in het tweede lid als in dat van het derde lid, ter zake « de nodige maatregelen » moet nemen. Hoe dan ook, de wetgevende kamers moeten daarover alle onduidelijkheid wegnemen (stuk Kamer, nr. 53-2140/02, blz.13). ».

Toch blijft deze onduidelijkheid bestaan, aldus de heer Vanlouwe. Consensus leidt tot een vetorecht, terwijl betrokkenheid vrijblijvend is en enkel leidt tot advies met een raadgevende stem.

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, antwoordt dat het advies van de Raad van State is uitgebracht op de oorspronkelijke tekst. Door middel van amendement nr. 4 van de heer Bacquelaine c.s. (stuk Kamer, nr. 53-2140/03, blz. 4) werd in de Kamer aan de opmerkingen van de Raad van State gevolg gegeven. Spreker verwijst dan ook naar de verantwoording van dit amendement.

De heer Vanlouwe is van oordeel dat enkel de term « overleg » werd gespecifieerd, en niet de woorden « consensus » of « betrokkenheid ».

Volgens de heer Anciaux had opmerking 16 van de Raad van State enkel betrekking op de onderlinge verhouding tussen de termen « betrokkenheid », « overleg » en « consensus ». « Betrokkenheid » is duidelijk en betekent « iemand betrekken bij » en « consensus » wil zeggen dat men hetzelfde denkt. Enkel de term « overleg » moest nog nader bepaald worden.

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, legt uit dat men een keuze gemaakt heeft tussen, enerzijds, het facultatieve evocatierecht dat helemaal geen verplichting inhoudt en dus vrijblijvend is en, anderzijds, het verplicht gezamenlijke uitoefenen van een bevoegdheid.

Zowel de facultatieve als de verplichte procedure hebben tot doel een consensus te bereiken. Als dit mislukt, neemt de eerste voorzitter van het hof van beroep van Brussel de beslissing.

Waar men gezamenlijk bevoegd is, worden de beslissingen overlegd in consensus. Als het gaat om een evocatierecht is het facultatief. Maar eenmaal het evocatierecht wordt uitgeoefend, is dat met het oog op het bereiken van een consensus.

De heer Vanlouwe is van oordeel dat inzake de tuchtprocedure, voorzien in artikel 410 van het Gerechtelijk Wetboek, door artikel 35 van het wetsontwerp drie verschillende niveaus worden gecreëerd :

— Met betrekking tot de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken in Halle-Vilvoorde is de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank bevoegd met uitzondering van de mogelijkheid tot betrokkenheid bij eenvoudig verzoek van de voorzitter van de Franstalige rechtbank met het oog op consensus (lid 1 van artikel 35). Terloops merkt spreker op dat, vanuit een puur logisch en legistiek standpunt, lid 3 van artikel 35 onmiddellijk achter lid 1 zou moeten staan. De eerste uitzondering wordt nu plots als laatste geplaatst, terwijl dit niet het geval was in de andere artikelen.

— Met betrekking tot de vredegerechten van Kraainem, Sint-Genesius-Rode en Meise is er ook een tweevoudige gezamenlijke bevoegdheid van de voorzitters van de Nederlandstalige en Franstalige rechtbanken inzake de tuchtprocedure, wat weer aanleiding kan geven tot conflicten in de praktijk (lid 2 van artikel 35).

— De voorzitters van de Nederlandstalige en Franstalige rechtbanken van eerste aanleg zijn gezamenlijk bevoegd ten aanzien van de vrederechters van de vredegerechten met zetel in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad. De beslissingen worden overlegd in consensus (lid 5 van artikel 35).

Spreker vindt het opvallend dat lid 2 en lid 5 van artikel 35 identiek zijn, waardoor de faciliteitengemeenten op dezelfde voet worden geplaatst als de kantons te Brussel.

Spreker concludeert dat men telkens een dubbele betrokkenheid voorziet, met name : voor Brussel, voor de vredegerechten in de faciliteitengemeenten en onrechtstreeks ook voor de Vlaamse vrederechters. De voorzitter van de Franstalige rechtbank te Brussel is echter exclusief bevoegd ten aanzien van de Franstalige rechters in de politierechtbanken. Als men de logica zou doortrekken, zou men ook hier ook een mogelijkheid tot betrokkenheid op eenvoudig verzoek en de consensus moeten invoeren.

Kan men deze gelaagdheid toelichten ?

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, verwijst naar zijn vroeger antwoord.

Amendement nr. 40 wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

De amendementen nrs. 41 en 42, subsidiair op amendement nr. 40, worden verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 35 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 35/1 (nieuw)

Amendement nr. 43

De heer Laeremans dient amendement nr. 43 in (stuk Senaat, nr. 5-1674/2), dat ertoe strekt een artikel 35 (nieuw) in te voegen waarbij de advocaten van Halle-Vilvoorde worden beschouwd als een aparte balie omdat Halle-Vilvoorde een totaal apart gerechtelijk arrondissement is.

Amendement nr. 43 wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 36

Amendement nr. 44

De heer Laeremans dient amendement nr. 44 in (stuk Senaat, nr. 5-1674/2), dat ertoe strekt artikel 36 te doen vervallen.

De heer Laeremans legt uit dat artikel 36 bepaalt dat, in het gerechtelijk arrondissement Brussel, het advies bij de twee procureurs des Konings wordt ingewonnen. Aangezien spreker een verticale splitsing voorstaat van het huidige gerechtelijk arrondissement Brussel, is er geen enkele reden om deze uitzonderingsregel te handhaven.

Amendement nr. 44 wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 36 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 37

Amendement nr. 45

De heer Laeremans dient amendement nr. 45 in (stuk Senaat, nr. 5-1674/2), dat ertoe strekt artikel 37 te doen vervallen.

De heer Laeremans legt uit dat, vermits in zijn voorstel twee afzonderlijke arrondissementen worden opgericht, deze bijzondere bepaling overbodig wordt.

Amendement nr. 45 wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 37 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 38

Amendement nr. 46

De heer Laeremans dient amendement nr. 46 in (stuk Senaat, nr. 5-1674/2), dat ertoe strekt artikel 38 te doen vervallen.

De heer Laeremans legt uit dat, gelet op het voorstel van verticale splitsing van het huidige gerechtelijke arrondissement Brussel, waarbij Halle-Vilvoorde een volwaardig gerechtelijk arrondissement wordt, deze bepaling overbodig wordt.

Amendement nr. 46 wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 38 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 39

Artikel 39 wordt zonder bespreking aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 40

Artikel 40 wordt zonder bespreking aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 40/1 (nieuw)

Amendement nr. 47

De heer Laeremans dient amendement nr. 47 in (stuk Senaat, nr. 5-1674/2) dat ertoe strekt om een artikel 40/1 (nieuw) in te voegen, luidende :

« Art. 40/1

In hetzelfde wetboek wordt een artikel 622bis ingevoegd, luidend als volgt :

« Art. 622bis. De Nederlandstalige politierechtbank, rechtbank van eerste aanleg, arbeidsrechtbank, rechtbank van koophandel en arrondissementsrechtbank van het gerechtelijk arrondissement Brussel zijn bij uitsluiting bevoegd voor alle zaken waarbij de taal van de rechtspleging het Nederlands is.

De Franstalige politierechtbank, rechtbank van eerste aanleg, arbeidsrechtbank, rechtbank van koophandel en arrondissementsrechtbank van het gerechtelijk arrondissement Brussel zijn bevoegd voor alle zaken waarbij de taal van de rechtspleging het Frans is. ». »

De heer Laeremans verwijst naar de schriftelijke verantwoording bij het amendement.

Amendement nr. 47 wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 40/2 (nieuw)

Amendement nr. 48

De heer Laeremans dient amendement nr. 47 in (stuk Senaat, nr. 5-1674/2) dat ertoe strekt om een artikel 40/2 (nieuw) in te voegen, luidende :

« Art. 40/2

In artikel 627 van hetzelfde wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º in de bepaling onder 11º, ingevoegd bij de wet van 11 april 1989, worden de woorden « voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel » vervangen door de woorden « voorzitter van de Nederlandstalige of Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel »;

2º in de bepalingen onder 10º en 14º, respectievelijk ingevoegd bij de wetten van 24 april 1970 en 10 februari 1998, worden de woorden « voorzitter van de rechtbank van koophandel te Brussel » telkens vervangen door de woorden « voorzitter van de Nederlandstalige of Franstalige rechtbank van koophandel te Brussel ». »

De heer Laeremans verwijst naar de schriftelijke verantwoording bij het amendement.

Amendement nr. 48 wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 41

Artikel 41 wordt zonder bespreking aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 42

Amendement nr. 49

De heer Laeremans dient amendement nr. 49 in (stuk Senaat, nr. 5-1674/2) dat ertoe strekt om artikel 42 te doen vervallen.

De heer Laeremans verwijst naar de schriftelijke verantwoording bij het amendement.

Amendement nr. 49 wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 42 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 43

Artikel 43 wordt zonder bespreking aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 44

Amendement nr. 50

De heer Laeremans dient amendement nr. 50 in (stuk Senaat, nr. 5-1674/2) dat ertoe strekt om artikel 44 te vervangen als volgt :

« Art. 44. — In artikel 4 van hetzelfde bijvoegsel worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º punt 7 wordt vervangen als volgt :

« De twee kantons Anderlecht, de zes kantons van Brussel, het kanton Elsene, de kantons Etterbeek, Jette, Oudergem, de twee kantons Schaarbeek, de kantons Sint-Gillis, Sint-Jans-Molenbeek, Sint-Joost-ten-Node, Sint-Pieters-Woluwe, Ukkel, Vorst vormen het gerechtelijk arrondissement Brussel-Hoofdstad.

De zetels van de rechtbanken van eerste aanleg, de arbeidsrechtbanken en de rechtbanken van koophandel zijn gevestigd in de stad Brussel. »; ».

2º er wordt een punt 7bis ingevoegd dat luidt als volgt :

« De kantons Asse, Grimbergen, Halle, Herne-Sint-Pieters-Leeuw, Kraainem-Sint-Genesius-Rode, Lennik, Meise, Overijse-Zaventem, en Vilvoorde vormen het gerechtelijk arrondissement Halle-Vilvoorde.

De zetel van de rechtbank van eerste aanleg, van de arbeidsrechtbank en van de rechtbank van koophandel is gevestigd te Halle. ».

De heer Laeremans verwijst naar de schriftelijke verantwoording bij het amendement. Hij preciseert dat, volgens dit amendement, de zetel van de nieuwe rechtbanken wordt gevestigd in Halle om de Vlaamse aanwezigheid in deze gemeente te versterken en de verdere verfransing tegen te gaan, maar dat de rechtbanken ook zitting zullen houden in Vilvoorde.

Amendement nr. 50 wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 44 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 44/1 (nieuw)

Amendement nr. 51

De heer Laeremans dient amendement nr. 51 in (stuk Senaat, nr. 5-1674/2) dat ertoe strekt om een artikel 44/1 (nieuw) in te voegen, luidende :

« Art. 44/1. — Artikel 5 van hetzelfde bijvoegsel wordt vervangen door wat volgt :

« Er is een hof van beroep :

1º te Antwerpen, waarvan het rechtsgebied de provincie Antwerpen omvat;

2º te Brussel, waarvan het rechtsgebied het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest omvat; dit hof wordt onderverdeeld in een Nederlandstalige en een Franstalige afdeling;

3º te Gent, waarvan het rechtsgebied de provincies Oost-Vlaanderen en West-Vlaanderen omvat;

4º te Leuven, waarvan het rechtsgebied de provincies Vlaams-Brabant en Limburg omvat;

5º te Luik, waarvan het rechtsgebied de provincies Luik, Namen en Luxemburg omvat;

6º te Bergen, waarvan het rechtsgebied de provincies Henegouwen en Waals-Brabant omvat. » ».

De heer Laeremans verwijst naar de schriftelijke verantwoording bij het amendement.

Amendement nr. 51 wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 45

Dit artikel wordt zonder bespreking aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 46

Amendement nr. 52

De heer Laeremans dient amendement nr. 52 in (stuk Senaat, nr. 5-1674/2) dat ertoe strekt om artikel 46 te vervangen door wat volgt :

« Art. 46. In artikel 2 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 23 september 1985, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º in de bestaande tekst, die paragraaf 1 wordt, worden na de woorden « in het arrondissement Leuven, » de woorden « en in de provincie Vlaams-Brabant alsook voor de Nederlandstalige rechtbanken in het arrondissement Brussel, » ingevoegd; »

2º er wordt een paragraaf 2 toegevoegd, luidend als volgt :

« § 2. Voor beroepsprocedures tegen vonnissen van de vrederechter wordt de rechtspleging voor de rechtbank van eerste aanleg van Halle-Vilvoorde in het Frans gevoerd wanneer de taal van de procedure in eerste aanleg het Frans was. ».

De heer Laeremans verwijst naar de schriftelijke verantwoording van het amendement. Dit amendement ligt in het verlengde van eerdere amendementen die de volledige splitsing van het gerechtelijk arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde beogen.

Spreker merkt op dat het amendement de uitzonderingsregeling voor de faciliteitengemeenten handhaaft wat betreft de beroepsprocedure tegen vonnissen die in het Frans zijn uitgesproken. Het is dus mogelijk een andere hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde te verwezenlijken zonder aan deze verworven rechten te raken, hoewel de heer Laeremans het in principe niet eens is met dit uitzonderingsregime voor de Franstaligen in de faciliteitengemeenten.

Amendement nr. 52 beoogt derhalve een volledig autonoom gerechtelijk arrondissement Halle-Vilvoorde, zij het als overgangsmaatregel. De meest wenselijke oplossing is het gerechtelijk arrondissement te laten samenvallen met de indeling in provincies. De heer Laeremans staat open voor eventuele subamendementen die in deze richting zouden gaan.

Amendement nr. 52 wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 46 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 47

Amendement nr. 53

De heer Laeremans dient amendement nr. 53 in (stuk Senaat, nr. 5-1674/2) dat ertoe strekt om artikel 47 te doen vervallen.

De rechter heeft vandaag een ruime appreciatiebevoegdheid om te oordelen in welke taal de procedure dient te verlopen. Wanneer hij meent dat de partijen het Nederlands voldoende beheersen, kan hij oordelen dat de verdere procedure in het Nederlands zal verlopen. Het wetsontwerp ontneemt de rechter deze bevoegdheid en breidt de faciliteiten voor Franstaligen uit, zodat zij van meet af aan een behandeling van hun zaak in het Frans kunnen eisen. De rechter kan weigeren deze eis in te willigen als die vraag tegengesteld is aan de taal van de meerderheid van de pertinente dossierstukken of als die vraag tegengesteld is aan de taal van de arbeidsverhouding. Deze beperking van de discretionaire bevoegdheid van de rechter is onaanvaardbaar. De vraag is overigens wat wordt bedoeld met « pertinente dossierstukken ».

Ook de heer Vanlouwe stelt vast dat de beoordelingsbevoegdheid van de rechter inzake taalaangelegenheden aan banden wordt gelegd door de voorgestelde wijziging van artikel 4 van de wet inzake het taalgebruik in gerechtszaken. Deze beperking wordt niet enkel doorgevoerd voor de zes faciliteitengemeenten maar ook voor de 19 gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De rechter kan, luidens artikel 47 van het wetsontwerp, enkel weigeren deze eis in te willigen als die vraag tegengesteld is aan de taal van de meerderheid van de pertinente dossierstukken of als die vraag tegengesteld is aan de taal van de arbeidsverhouding.

De voorgestelde regeling is evenwel zeer onduidelijk en spreker vreest dat tal van advocaten zullen trachten te « shoppen » tussen beide taalregimes, bijvoorbeeld door het dossier aan te vullen met allerhande stukken in functie van het beoogde taalstelsel. Zo kan een Franstalige advocaat, bijvoorbeeld door het schrijven van allerhande brieven, aanmaningen, ingebrekestellingen en dergelijke, ervoor zorgen dat een dossier dat grotendeels in het Nederlands is samengesteld toch door een Franstalige rechter wordt behandeld. Men zal op deze wijze eerder bijkomende conflicten in het leven roepen dan er op te lossen.

De heer Vanlouwe sluit zich aan bij de vraag die door de vorige spreker werd gesteld : wat wordt bedoeld met « pertinente dossierstukken » ? Is een ingebrekestelling, een aanmaning of een brief een « pertinent dossierstuk » ? Wat bijvoorbeeld met het toevoegen van twintig betalingsbewijzen aan het dossier waarvan de betwiste overeenkomst, dat in de andere taal werd opgesteld, slechts één stuk uitmaakt ? Wie zal oordelen over het « pertinente » karakter van de dossierstukken : is het de rechter of de betrokken advocaten die in de praktijk het dossier samenstellen en ook nummeren ?

De rechter kan ook weigeren het verzoek tot taalwijziging in te willigen als die vraag tegengesteld is aan de taal van de arbeidsverhouding. Gaat het hier om het arbeidscontract, het arbeidsreglement, de veiligheidsvoorschriften, eventuele briefwisseling dan wel om de taal die op de werkvloer wordt gesproken ? De « taal van de arbeidsverhouding » is immers geen bestaande juridische terminologie en zal aanleiding geven tot uiteenlopende interpretaties.

Volgens de heer Vanlouwe heeft een Nederlandstalige die in Brussel een procedure opstart het recht om dit te doen in het Nederlands, maar heeft de Franstalige verweerder de mogelijkheid om de taalwijziging te vragen. Waar vandaag de rechter hierover oordeelt, bepaalt het wetsontwerp dat deze appreciatiebevoegdheid wordt beperkt en dat hieraan voorwaarden worden gekoppeld. In de feiten zal zulks ertoe leiden dat het aantal procedures dat in Brussel in het Nederlands wordt gevoerd, sterk zal verminderen. De Nederlandstalige eisers zijn hiervan het slachtoffer, en dit ten voordele van de Franstalige verweerders die hun faciliteiten uitgebreid zien worden.

Vervolgens verwijst de heer Vanlouwe naar het voorgestelde artikel 4, § 2bis, eerste lid, van de wet inzake het taalgebruik in gerechtszaken, dat stelt :

« Wanneer de verweerder een administratieve overheid is, kan de rechter weigeren in te gaan op de vraag tot verwijzing naar de rechtbank van de andere taalrol of tot verandering van taal, als uit de elementen van de zaak blijkt dat zij een toereikende kennis bezit van de taal gebruikt voor het opmaken van de akte tot inleiding van het geding. »

Men mag echter veronderstellen dat, in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de betrokken administratieve overheid tweetalig is vermits het om een tweetalig taalgebied gaat. In dat geval is een verwijzing naar de rechtbank van de andere taalrol volledig zinloos. Wanneer, bijvoorbeeld, een persoon schade lijdt als gevolg van de slechte staat van de wegen in één van de 19 gemeenten en de betrokkene deze gemeente in het Nederlands dagvaardt om een schadevergoeding te vragen, ziet spreker niet in waarom deze gemeente een vraag tot verwijzing naar de rechtbank van de andere taalrol zou indienen.

De heer Anciaux meent dat de voorgestelde § 2bis de rechter precies de mogelijkheid geeft om deze vraag te weigeren, juist omdat het om een gemeente in het tweetalig taalgebied Brussel-Hoofdstad gaat.

De heer Vanlouwe repliceert dat de mogelijkheid om een vraag tot verwijzing naar de rechtbank van de andere taalrol in te dienen, niet zou mogen bestaan, vermits de betrokken administratieve overheid wordt verondersteld tweetalig te zijn. Nochtans is dit precies wat de voorgestelde § 2bis doet : men creëert hier de mogelijkheid om een vraag tot verwijzing naar de rechtbank van de andere taalrol in te dienen en vervolgens de rechter de gelegenheid te bieden deze vraag af te wijzen.

De heer Anciaux antwoordt dat er, naast gemeenten, in Brussel ook andere administratieve overheden aanwezig zijn.

De heer Vanlouwe meent dat geen enkele administratieve overheid in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een taalwijziging van de procedure zou mogen vragen omdat het in principe gaat om tweetalige instellingen.

Graag had hij ook vernomen welke regeling van toepassing is voor rechtspersonen (vennootschappen, VZW's, een vereniging van mede-eigenaars). Kan een vennootschap uit het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of uit de Vlaamse Rand, die wordt gedagvaard, een taalwijziging vragen ?

De heer Anciaux verklaart dat met « pertinente » dossierstukken de stukken worden bedoeld die bepalend zijn voor het dossier, bijvoorbeeld het huurcontract of het arbeidscontract. Voor hem is er geen verschil tussen de in artikel 47 bedoelde « pertinente » dossierstukken en de in artikel 49 bedoelde « relevante » dossierstukken. In de Franse tekst van het wetsontwerp wordt trouwens telkens het adjectief « pertinentes » gebruikt.

De heer Deprez steunt deze interpretatie.

De heer Laeremans wijst erop dat er vaak huurcontracten of arbeidscontracten worden opgesteld die strijdig zijn met de taalwetgeving.

De heer Anciaux wijst erop dat er geen rechten kunnen worden geput uit onwettige situaties. Het arbeidscontract zal dus bepalend zijn voor de taal van de arbeidsverhouding. Hij is het er trouwens mee eens dat het niet kan dat een advocaat, via een aantal aanmaningen, de taal van de procedure zou kunnen bepalen. Dat geldt echter in beide richtingen : vanuit de eigen stukken zal een advocaat niet de proceduretaal bepalen. Wat de administratieve overheid in de Vlaamse Rand betreft, zal een burgemeester niet kunnen vragen dat een zaak naar de Franse taalrol wordt verwezen. Hij ziet niet in hoe dat in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest anders zou kunnen zijn, gelet op het feit dat de administratieve overheden officieel tweetalig zijn.

De heer Vanlouwe vraagt of hij hieruit mag afleiden dat in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een administratieve overheid niet de mogelijkheid heeft een taalwijziging te vragen. Hij wil duidelijk weten of in de toekomst een Nederlandstalige in Brussel kan geconfronteerd worden met een administratieve overheid die een taalwijziging vraagt.

De heer Anciaux wijst erop dat een dergelijke overheid dit weliswaar kan vragen, maar dat de rechter daar niet op zal ingaan.

Staatssecretaris Verherstraeten merkt op dat artikel 47 een belangrijk artikel is dat een deel van het akkoord van 11 oktober 2011 in wettekst omzet. Daarom wenst hij zo veel mogelijk misverstanden omtrent dit artikel te voorkomen.

De staatssecretaris benadrukt dat de fundamentele uitgangspunten van de taalwetgeving niet worden gewijzigd. Die zijn terug te vinden in artikel 622 van het Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 3 en 4 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Deze bepalingen worden niet gewijzigd behalve wat de taalverwijzingsregels van artikel 4 betreft. Deze wijziging moet gebeuren omdat in het gerechtelijk arrondissement Brussel een ontdubbeling wordt doorgevoerd van een tweetalige rechtbank naar twee eentalige rechtbanken. Aangezien de fundamentele uitgangspunten voor het overige worden gehandhaafd, blijven de rechtsleer en rechtspraak die zich hebben ontwikkeld inzake de toepassing van die regelgeving onverkort gelden.

De staatssecretaris verwijst voor het overige naar de toelichting bij dit artikel in het oorspronkelijk wetsvoorstel (stuk Kamer, nr. 53-2140/001, blz. 21-22).

Vervolgens gaat de staatssecretaris in op de concrete vragen.

— De « pertinente » stukken zijn uiteraard dezelfde als de « relevante » stukken waarnaar in artikel 49 wordt verwezen. De Franse tekst maakt dit zonder meer duidelijk. Het gaat om de belangrijke stukken uit een dossier en een toepassingsvoorbeeld lijken hem de procedurestukken, de dagvaarding, het verzoekschrift.

— Wat het gevaar van het « shoppen » betreft, deelt de staatssecretaris de bezorgdheid van sommige leden niet. Er heeft zich in de loop der jaren een rechtspraak ontwikkeld die gehandhaafd blijft. De acht meerderheidspartijen willen elk rechtsmisbruik voorkomen. In de praktijk gaat het niet op dat de partijen op basis van briefwisseling op een eventuele taalkeuze zouden vooruitlopen. Hij vraagt dat de rechtspraak haar werk zou kunnen doen. Hij gelooft niet dat ingebrekestellingen niet beantwoorden aan de voorwaarde van pertinentie.

— Wat de arbeidsverhoudingen betreft, verwijst de staatssecretaris naar het arrest nr. 98/10 van het Grondwettelijk Hof.

In dat arrest bevestigt het Grondwettelijk Hof dat de relatie tussen partijen, namelijk de arbeidsovereenkomst, maar ook de taal die tussen de partijen wordt gebruikt op basis van de arbeidsovereenkomst en op basis van de taalwetgeving die van toepassing is op sociaal vlak, bepalend is om te weten welke taal er moet worden gebruikt.

— De laatste vraag had betrekking op het voorgestelde artikel 4, § 2bis, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. De staatssecretaris wijst erop dat in feite enkel de verwijzingsregels zijn veranderd waardoor § 2 moest worden aangepast. Daarom was het nodig om een nieuwe bepaling in te voeren voor de administratieve overheid als verweerder. Dat gebeurt in het 3º van artikel 47. Die bepaling is echter dezelfde als de tekst van de huidige wet.

De heer Vanlouwe stelt vast dat volgens de staatssecretaris heel weinig gewijzigd wordt. Hij begrijpt dan ook niet waarom een nieuwe § 2bis moet worden ingevoerd.

De staatssecretaris herhaalt dat er reeds vroeger een bepaling bestond betreffende de administratieve overheid als verweerder. Ingevolge de ontdubbeling van de rechtbank in Brussel wijzigen de verwijzingsregels — dat gebeurt in het 2º van het voorgestelde artikel 47. Daardoor was er echter geen bepaling meer die de situatie regelde van de administratieve overheid als verweerder. Die bepaling moet daarom opnieuw worden ingevoerd door het 3º van artikel 47.

De heer Moureaux wijst erop dat het logisch was die regel te bevestigen om alle twijfel uit de weg te ruimen. Aangezien de overheden van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en van de gemeenten in dat Gewest wettelijk tweetalig zijn, is het volkomen duidelijk dat zij als verweerder geen taalwijziging kunnen vragen. Als ze dat toch doen, kan de rechter dat verzoek verwerpen als uit de elementen van de zaak blijkt dat verweerder voldoende kennis heeft van de gebruikte taal.

De heer Vanlouwe stelt vast dat dit een duidelijk antwoord is. Een administratieve overheid kan een taalwijziging vragen maar de rechter zal dat niet toestaan. Waarom moet die bepaling dan nog worden ingevoerd ?

Staatssecretaris Verherstraeten verwijst naar de bestaande rechtspraak : de rechter kan in sommige gevallen op die vraag ingaan. Het artikel wijzigt niets aan de bestaande toestand.

De heer Laeremans veronderstelt dat er in de faciliteitengemeenten vanuit mag worden gegaan dat de taalwetgeving inzake het bedrijfsleven moet worden gerespecteerd en dat de arbeidsverhoudingen in het Nederlands verlopen. Een inwoner van een faciliteitengemeente kan zich dan niet beroepen op een Franstalig arbeidscontract. Hij vraagt de bevestiging dat de taal van de arbeidsverhoudingen in de faciliteitengemeenten altijd het Nederlands is.

De staatssecretaris antwoordt dat het vanzelfsprekend is dat de wetgeving ter zake moet worden toegepast en gerespecteerd.

De heer Vanlouwe wenst verder een antwoord op de vraag of rechtspersonen een taalwijziging kunnen vragen.

In de tweede plaats stelt hij vast dat het 2º van artikel 47 bepaalt dat de rechter op staande voet uitspraak doet. Dit staat weliswaar ook in de huidige wet, maar thans wordt de motiveringsmogelijkheid van de rechter beknot : in zijn motivering moet hij immers rekening houden met de pertinente dossierstukken en de taal van de arbeidsverhouding. Daarnaast wordt in de mogelijkheid voorzien om in hoger beroep te gaan. Bovendien zijn niet alle stukken ter beschikking op de inleidende zitting. Wat als uit latere stukken blijkt dat er eventueel wel redenen waren om een taalwijziging toe te staan ?

De heer Laeremans heeft een vraag met betrekking tot de interpretatie van het 1º van artikel 47, waarbij artikel 4, § 1, derde lid, van de wet van 15 juni 1935 wordt aangevuld met een nieuwe bepaling.

Artikel 4, § 1, eerste lid, bepaalt : « Behoudens de gevallen van artikel 3 wordt het gebruik der talen voor geheel de rechtspleging in betwiste zaken voor de gerechten van eerste aanleg waarvan de zetel in het arrondissement Brussel is gevestigd, (en, wanneer de vordering het bedrag vastgesteld in artikel 590 van het Gerechtelijk Wetboek overschrijdt, voor de politierechtbank van Brussel die zitting houdt in de aangelegenheden bedoeld in artikel 601bis van hetzelfde Wetboek) geregeld als volgt .... ».

Het derde lid bepaalt dat de rechtspleging wordt voortgezet in de taal der akte tot inleiding van het geding, tenzij de verweerder, voor alle verweer en alle exceptie, zelfs van onbevoegdheid, vraagt dat de rechtspleging in de andere taal wordt voortgezet.

Spreker meent dat dit artikel de gerechten van eerste aanleg betreft, terwijl de voorgestelde aanvulling van het derde lid ook de vredegerechten en politierechtbanken betreft.

Wat de rechtspersonen betreft, verwijst de heer Verherstraeten naar het algemeen uitgangspunt. Er wordt niets gewijzigd, dus ook niet wat betreft de rechtspersonen. Er wordt overigens geen onderscheid gemaakt tussen rechtspersonen en fysieke personen.

Met betrekking tot de woorden « op staande voet » antwoordt de staatssecretaris dat deze woorden ook reeds in de huidige tekst voorkomen. Dat geldt trouwens ook voor de woorden « met redenen omkleed ». Ook op dat vlak wordt er niets gewijzigd, tenzij dat de appreciatiemarge wordt gemoduleerd.

De staatssecretaris herhaalt dat de voorliggende tekst de procedure niet wijzigt. De doelstelling van deze hervorming is niet de hervorming van de taalwetgeving, noch de hervorming van de taalwetgeving in haar toepassing. Integendeel.

Met betrekking tot de technische opmerking van de heer Laeremans, verwijst de staatssecretaris naar het advies van de Raad van State.

Ook vredegerechten behoren tot de rechtbanken van eerste aanleg. Een technische verfijning was noodzakelijk, aangezien het bij de vredegerechten om een voortzetting van de zaak gaat, terwijl het in de andere rechtbanken om een verwijzing gaat.

De heer Laeremans merkt verder op dat artikel 4 van de wet van 15 juni 1935 gewag maakt van de gerechten van eerste aanleg waarvan de zetel is gevestigd in het arrondissement Brussel. Geldt dat dan ook voor de vredegerechten van de kantons in Halle-Vilvoorde ? Spreker vraagt ook naar de relevantie van de politierechtbanken, die vanaf een bepaald bedrag bevoegd zijn.

De staatssecretaris antwoordt dat het toepassingsgebied van artikel 4 hetzelfde blijft. Het wordt niet uitgebreid en blijft beperkt tot de 19 gemeenten van Brussel.

Aan de architectuur van de taalwetgeving wordt dus niet geraakt. Het betreft enkel louter technische aanpassingen die een verwijzing mogelijk maken.

De heer Vanlouwe begrijpt niet waarom de voorliggende bepalingen nodig zijn, als men niets wil wijzigen. Bevestigingen en herhalingen van bestaande bepalingen zijn overbodig.

Spreker meent daarentegen dat er heel wat belangrijke wijzigingen plaatsvinden. Zo wordt in een beroepsprocedure voorzien, terwijl vroeger enkel cassatieberoep mogelijk was. Dit is een fundamentele wijziging.

Spreker stelt zich de vraag of men hier wel echt een kat in een zak wil verkopen en is benieuwd naar de gevolgen in de praktijk.

De staatssecretaris benadrukt nogmaals dat de wijzigingen van de taalwetgeving nodig zijn wegens de ontdubbeling van de rechtbanken in Brussel. Ook het beroepsrecht wordt gewijzigd. Voor het overige zijn er geen wijzigingen. Men zal geen rechtsgrond vinden voor de bewering dat hier een kat in een zak wordt verkocht.

De heer Vanlouwe werpt op dat er nog andere wijzigingen zijn, zoals de beperking van de beoordelingsvrijheid van de rechter met betrekking tot de weigering van de vraag tot verwijzing of verandering van taal.

De procedure wordt gewijzigd door het feit dat men een tegensprekelijk debat mogelijk maakt over de taalwijziging. Dat bestond vroeger niet.

De taalwijziging wordt op sluikse wijze versoepeld.

De heer Moureaux stipt aan dat de invoeging van een paragraaf 2bis in artikel 4 van de wet van 15 juni 1935 zich opdringt. Men zou immers kunnen stellen dat de rechter niet kan weigeren in te gaan op de vraag tot verwijzing of tot verandering van taal, wanneer de verweerder een administratieve overheid is met een toereikende kennis van de taal van de inleidende akte. Spreker meent dat de rechter dan zelfs moet weigeren, aangezien de administratieve overheid in Brussel wettelijk wordt geacht tweetalig te zijn. Dit principe is ook vandaag toepasselijk.

De heer Laeremans sluit zich aan bij de heer Vanlouwe en meent eveneens dat de voorliggende tekst de taalwetgeving grondig wijzigt. De nieuwe procedure zal leiden tot een groot aantal conflicten, en zaken, ook strafzaken, naar Brussel draineren.

Spreker verwijst ook naar de problematiek van de vrijwillige verschijning, die het mogelijk zal maken dat men in Halle-Vilvoorde onmiddellijk en rechtstreeks naar de Franstalige rechtbank zal kunnen stappen. De gevolgen van deze fundamentele wijziging worden zwaar onderschat.

Spreker wenst nog een verduidelijking over het toepassingsgebied van artikel 4. Geldt dat ook voor vredegerechten buiten de gemeenten met een bijzonder taalstatuut ? Kan men ook daar een voortzetting vragen of een doorverwijzing naar de Brusselse rechtbank ?

De staatssecretaris antwoordt dat het toepassingsgebied niet wordt gewijzigd. Artikel 7bis wordt gehandhaafd.

De heer Laeremans wijst ten slotte op de intentie die werd geuit in het Vlinderakkoord om de voorliggende mogelijkheid die geboden wordt aan de verweerder in een faciliteitengemeente om een taalwijziging te vragen, uit te breiden naar het hele land. Er werd gesteld dat hiervoor een werkgroep zou worden opgericht. Hoever staat men daarmee ?

De staatssecretaris verwijst naar de libellering in het voormelde akkoord en antwoordt dat op dat vlak nog geen actieve werkzaamheden hebben plaatsgevonden. De werkgroep is tot op heden nog niet samengekomen.

Amendement nr. 53 wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 47 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 48

Amendement nr. 54

De heer Laeremans dient amendement nr. 54 in (stuk Senaat, nr. 5-1674/2) dat ertoe strekt artikel 5 van de wet van 5 juni 1935 te doen vervallen.

Het willekeurig onderscheid tussen de behandeling door de politierechtbanken van Halle en Vilvoorde van verkeerszaken met een lagere waarde dan 1 860 euro en de dossiers waarbij dat bedrag wordt overschreden, wordt opgeheven. Een doorverwijzing van burgerlijke verkeerszaken naar een Franstalige rechtbank in Brussel op vraag van een Nederlandsonkundige verweerder is niet langer mogelijk. Deze mogelijkheid blijft wel nog bestaan wanneer alle partijen het eens zijn met deze overheveling of wanneer de verweerder woonachtig is in een faciliteitengemeente.

De staatssecretaris verwijst naar de oorspronkelijke toelichting bij dit artikel. Het behelst een zuiver technische verfijning met betrekking tot de verwijzing van de politierechtbanken in Halle-Vilvoorde naar de Franstalige politierechtbanken te Brussel.

Amendement nr. 54 wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 48 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 49

Amendement nr. 55

De heer Laeremans dient amendement nr. 55 in (stuk Senaat, nr. 5-1674/2) dat ertoe strekt artikel 49 te doen vervallen.

Het voorgestelde artikel 49 voorziet in een ernstige uitbreiding van de faciliteiten in de zes randgemeenten en een al te verregaande inperking van de bevoegdheid van de rechter om de taalwijziging te weigeren. De indiener wenst de huidige regeling en de ruimere discretionaire bevoegdheid van de rechter te behouden.

Amendement nr. 55 wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 49 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 49/1 (nieuw)

Amendement nr. 56

De heer Laeremans dient amendement nr. 56 in (stuk Senaat, nr. 5-1674/2) dat ertoe strekt een artikel 49/1 in te voegen, teneinde artikel 12 van de wet van 15 juni 1935 aan te vullen met een tweede lid, luidende :

« De ambtenaren van het openbaar ministerie van het gerechtelijk arrondissement Brussel-Hoofdstad maken voor hun daden van rechtsvervolging en van onderzoek gebruik van het Frans, indien de verdachte in het Frans taalgebied woonachtig is; van het Nederlands, indien de verdachte in het Nederlands taalgebied woonachtig is; van het Frans of het Nederlands, indien de verdachte woonachtig is in het arrondissement Brussel-Hoofdstad, naar gelang hij zich, voor zijn verklaringen, in het onderzoek, en bij ontstentenis hiervan, in het vooronderzoek, van een of andere dezer talen heeft bediend. In alle andere gevallen wordt, volgens de noodwendigheden der zaak, het Frans of het Nederlands gebruikt. ».

Voor nadere uitleg wordt verwezen naar de schriftelijke verantwoording van het amendement.

Amendement nr. 56 wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 50

Amendement nr. 57

De heer Laeremans dient amendement nr. 57 in (stuk Senaat, nr. 5-1674/2) dat ertoe strekt artikel 50 te doen vervallen.

De door dit artikel voorgestelde wijzigingen zouden tot gevolg hebben dat de zaak wordt verwezen naar een gerecht van dezelfde rang dat in een ander taalgebied gevestigd is en het meest nabij is of naar het gerecht van dezelfde rang uit een ander taalgebied, dat door de partijen gezamenlijk wordt gekozen. Deze regeling zou toepasselijk zijn in het hele land en geeft bovendien de mogelijkheid om bijvoorbeeld de verwijzing te vragen naar het gerecht waar zijn buitenverblijf is gelegen. Men creëert dus zeer ruime mogelijkheden voor de partijen om de taalwijziging te vragen. Op die manier zal de taalwijziging op termijn de regel worden, en niet de uitzondering.

De indiener van het amendement wijst de versoepeling van de mogelijkheid tot taalwijziging resoluut af. Deze regeling impliceert de handhaving van het Belgisch unitair recht in het hele land en verhindert de totstandkoming van een autonome Vlaamse justitie.

De heer Vanlouwe verwijst naar het 2 van dit artikel. Hierbij wordt gesteld dat de aanvraag tot taalwijziging kan plaatsvinden, hetzij op de inleidende zitting, hetzij door middel van een schrijven aan de griffie, na ontvangst van de dagvaarding of van het verzoekschrift, en dit ten laatste acht dagen vóór de inleidende zitting. Er wordt hier voor deze tweede mogelijkheid dus een termijn ingebouwd. Wat is het nut van deze termijn ? Als de termijn verstreken is, kan men de aanvraag immers nog steeds doen op de inleidende zitting. Waarom stelt men dan niet enkel « uiterlijk op de inleidende zitting » ?

Bovendien is de voorgestelde termijn niet in overeenstemming met de gebruikelijke dagvaardingstermijn. Indien men wordt gedagvaard of indien men een verzoekschrift ontvangt, moeten er immers acht dagen zijn tussen de dagvaarding of het verzoekschrift en het ogenblik van verschijning.

Een tweede bedenking betreft het 3º. In de voorgestelde § 2 wordt bepaald dat de rechter binnen een termijn van 15 dagen na indiening van het verzoek een beschikking neemt. Bij gebrek aan een beschikking binnen deze termijn geldt het gebrek aan beschikking als doorverwijzing of aanvaarding van de verandering van de taal. Dit is een fundamentele wijziging. Men past hier het beginsel « zwijgen is toestemmen » toe, wat noch in overeenstemming is met de regels van behoorlijk bestuur, noch in het belang is van de rechtszekerheid. Men zou beter stellen dat de afwezigheid van een beschikking binnen deze termijn geldt als een afwijzing van de aanvraag. Spreker verwijst naar eenzelfde regel voor bijvoorbeeld de aanvraag van een bouwvergunning. In de voorliggende tekst gaat men, bij gebreke van beschikking, een vordering inwilligen. Dat is een ongekende procedure. Spreker vreest voor de situatie waarbij rechters die overbelast zijn, geen beschikkingen meer zullen nemen over verzoeken tot taalwijziging. Zo wordt het dossier immers naar een andere rechter verschoven. Spreker is voorstander van actieve rechters die hun dossiers op de voet volgen. In casu kiest men voor een gemakkelijkheidsoplossing.

Tot slot heeft spreker nog een technische vraag. Men bouwt hier allerhande termijnen in, waardoor men in eenvoudige zaken een discussie kan creëren over de taalwijziging. Men laat immers een tegensprekelijk debat toe over de taalwijziging op de inleidende zitting. Door de bijkomende termijn van 15 dagen waarbinnen de rechter zijn beschikking moet nemen, wordt een eenvoudige zaak, zonder discussie ten gronde, op de lange baan geschoven.

De heer Laeremans heeft ook vragen bij de termijn van acht dagen die niet strookt met de dagvaardingstermijn. Wat als er na acht dagen nog vragen tot taalwijziging binnenkomen, bijvoorbeeld op gezamenlijk verzoek van de partijen ? Moet de zaak dan worden uitgesteld ?

Wat zijn de gevolgen van deze regeling voor de verdere behandeling van het dossier ? Paragraaf 2 bepaalt onder meer dat de rechter de verwijzing ambtshalve beveelt niettegenstaande de regels der territoriale bevoegdheid. Wat bijvoorbeeld als de vrederechter van Neufchâteau een beslissing neemt met betrekking tot een onroerend goed gelegen in Oostende ? Wat is het gevolg daarvan voor de uitvoering van het vonnis ? Zal de deurwaarder in Oostende betekenen en uitvoeren in het Frans ? Moet het vonnis worden vertaald in het Nederlands ? Ook de OVB (Orde van Vlaamse Balies) had hierover heel wat bedenkingen.

De staatssecretaris verduidelijkt dat de nieuwe procedure geen wijzigingen aanbrengt in de bestaande mogelijkheden om gezamenlijk een verandering van taal aan te vragen bij de eentalige rechtbanken buiten het juridisch arrondissement Brussel, noch in de mogelijkheden om gezamenlijk een verandering van taal aan te vragen bij de Nederlandstalige rechtbanken in Brussel op grond van een territoriale aanknoping.

Wat de lopende zaken in Brussel betreft, beschikten de verweerders al over de mogelijkheid om de verandering van taal aan te vragen. Wat nieuw is, is dat de rechter de verandering van taal niet meer kan weigeren indien de verzoeker zijn akkoord meedeelt op de aanvraag van de verweerder. De staatssecretaris benadrukt dat de partijen in de zaak unaniem akkoord moeten zijn.

Met betrekking tot artikel 50, 2º, bevestigt de staatssecretaris wel dat er twee mogelijkheden bestaan voor het aanvaarden van een verandering van taal : dit kan op de inleidende zitting, of door een schrijven naar de griffie te sturen, ten laatste 8 dagen voor de inleidende zitting.

Artikel 50, 3º, van het ontwerp voorziet bovendien in een vereenvoudigde procedure voor de partijen om een gezamenlijke schriftelijke aanvraag voor de verandering van taal in te dienen bij de griffie van het betrokken gerecht. In dat geval neemt de rechter een beschikking binnen de 15 dagen nadat de aanvraag werd ingediend.

Wat de uitvoering van de rechterlijke beslissingen betreft, verduidelijkt spreker nog dat het ontwerp de huidige situatie geenszins wijzigt. Er dient dus een wettelijke vertaling bij het vonnis te worden gevoegd indien het wordt betekend in een gebied met een andere taalregeling, overeenkomstig artikel 38 van de wet op het gebruik der talen in gerechtszaken. Er kan van worden afgeweken indien de partij aan dewelke de betekening moet worden gedaan, voor de rechtspleging de taal heeft gekozen of aanvaard, in dewelke de akte, het vonnis of het arrest is gesteld.

Amendement nr. 57 wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 50 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 51

Amendement nr. 58

De heer Laeremans dient amendement nr. 58 in (stuk Senaat, nr. 5-1674/2), dat ertoe strekt artikel 51 te doen vervallen.

Spreker kant zich tegen de versoepeling van de regels in het voordeel van de Franstaligen bij de vredegerechten van Kraainem, Sint-Genesius-Rode en Meise. Wat de aanvraag tot verandering van taal betreft, kan er geen sprake van zijn het beoordelingsvermogen van de vrederechters van de betrokken kantons te beperken tot de alleen de ter zake doende stukken in het dossier, of de taal van de werkrelatie. In de Nederlandstalige versie van het ontwerp is er trouwens de ene keer sprake van « pertinente » en de andere keer van « relevante ». De terminologie dient te worden geharmoniseerd.

Onder voorbehoud van een akkoord van de griffiers van beide kamers, zegt de staatssecretaris akkoord te gaan met het gebruik van de term « pertinente »; dit kan als een technische correctie worden beschouwd. Het zijn synoniemen.

Amendement nr. 58 wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 51 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 52

Amendement nr. 59

De heer Laeremans dient amendement nr. 59 in (stuk Senaat, nr. 5-1674/2) dat ertoe strekt artikel 52 te doen vervallen.

Spreker vindt, alweer, dat de versoepeling van de procedureregels met betrekking tot de verandering van taal te gunstig zijn voor de Franstaligen. Hij benadrukt dat inwoners van Dilbeek op dit moment bijvoorbeeld niet eenparig een zaak aanhangig kunnen maken in het Frans, bij de rechtbank van eerste aanleg in Brussel. Als men de logica volgt van de indieners van het ontwerp, zal het enige verschil tussen de Nederlandstalige en de Franstalige rechtbanken de taal van de dagvaarding zijn. Er kan geen sprake van zijn dat Halle-Vilvoorde als tweetalig grondgebied wordt beschouwd.

Amendement nr. 59 wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 52 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 53

Amendement nr. 60

De heer Laeremans dient amendement nr. 60 in (stuk Senaat, nr. 5-1674/2) dat ertoe strekt, binnen de redenering van de spreker, het Nederlands te behouden als taal voor de rechtspleging voor de politierechtbanken te Halle-Vilvoorde. De uitzondering voor de beklaagde die in één van de zes faciliteitengemeenten is gedomicilieerd, blijft wel behouden.

Amendement nr. 60 wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 53 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 53/1 (nieuw)

Amendement nr. 61

De heer Laeremans dient amendement nr. 61 in (stuk Senaat, nr. 5-1674/2), dat ertoe strekt een artikel 53/1 (nieuw) in te voegen waardoor, voor het arrondissement Brussel, de bevoegdheid van de Nederlandstalige en de Franstalige politie- en correctionele rechtbanken bepaald wordt door de plaats waar de verdachte woont. Indien deze laatste geen van beide talen begrijpt, wordt er een beroep gedaan op een tolk.

Amendement nr. 61 wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 53/2 (nieuw)

Amendement nr. 62

De heer Laeremans dient amendement nr. 62 in (stuk Senaat, nr. 5-1674/2), dat ertoe strekt een artikel 53/2 (nieuw) in te voegen, waardoor de taal van de rechtspleging wordt vastgelegd voor de strafuitvoeringsrechtbanken, rekening houdend met de oprichting van een hof van beroep in Leuven en twee aparte strafuitvoeringsrechtbanken in Brussel.

Amendement nr. 62 wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 54

Dit artikel wordt zonder bespreking aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 55

De heer Vanlouwe wijst erop dat het voortaan mogelijk zal zijn in beroep te gaan tegen een rechterlijke beslissing over een verzoek tot taalwijziging. Op heden is alleen een voorziening in cassatie mogelijk.

Hij wenst nadere informatie over het aantal voorzieningen in cassatie in die materie, omdat dan kan worden beoordeeld of het al dan niet wenselijk is een bijkomend rechtsmiddel in te voeren.

Welke procedure zal er overigens voor de arrondissementsrechtbanken worden toegepast ? Zal ze op tegenspraak zijn ? Zullen de advocaten conclusies kunnen neerleggen ?

Het verbaast hem ook dat de tekst in de mogelijkheid voorziet om dat beroep per fax in te stellen, maar niet via elektronische weg. De fax is vandaag totaal achterhaald als communicatiemiddel.

De tekst bepaalt uitdrukkelijk dat de procedures van verzet en beroep niet mogelijk zijn. Het ligt voor spreker voor de hand dat de procedure van beroep uitgesloten is, aangezien de betwiste beslissing reeds in beroep wordt behandeld. De tekst moet in elk geval op dat punt worden gewijzigd. De tekst zegt echter niets over de mogelijkheid om een voorziening in cassatie in te leiden.

Aangezien tot slot een procedure « zoals in kort geding » wordt vooropgesteld, stelt spreker zich vragen bij de toepassing van de verkorte termijn van twee dagen waarin het gemeen recht voorziet.

De staatssecretaris bevestigt de toepassing van artikel 1035, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dat bepaalt : « de termijn van dagvaarding bedraagt ten minste twee dagen ». De procedure wordt die van het voorliggende artikel 55. Dat was overigens al als antwoord gegeven na een soortgelijke opmerking van de Raad van State.

Wat de mogelijkheid van een beroep via elektronische weg betreft, herinnert hij eraan dat de wet van 10 juli 2006 betreffende de elektronische procesvoering nog steeds niet van kracht is, wat het gebruik van die mogelijkheid belet.

Voor het overige verklaart spreker geen cijfers te hebben over het aantal voorzieningen in cassatie tegen beslissingen betreffende verzoeken tot taalwijziging. Hij bevestigt dat voorziening in cassatie steeds mogelijk blijft.

Artikel 55 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 56

Amendement nr. 63

De heer Laeremans dient amendement nr. 63 in (stuk Senaat nr. 5-1674/2), dat strekt om artikel 56 te doen vervallen.

Spreker pleit voor een volledige splitsing van het gerechtelijk arrondissement Brussel in twee afzonderlijke gerechtelijke arrondissementen (Halle-Vilvoorde en Brussel). Hij neemt geen genoegen met de oprichting van een administratief arrondissement Halle-Vilvoorde.

Amendement nr. 63 wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 56 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 57

Amendement nr. 2

De heren Vanlouwe en Boogaerts dienen amendement nr. 2 in (subsidiair amendement op amendement nr. 1) (stuk Senaat nr. 5-1674/2), dat strekt om de werklastmeting als enig instrument op te leggen voor het vaststellen van de personeelsformaties en de taalkaders van de Nederlandstalige en de Franstalige rechtbanken. Bovendien is het raadzaam de partijen ertoe te verplichten de resultaten van die werklastmeting te accepteren, wat niet in de huidige tekst staat.

Spreker verwijst naar de verantwoording van zijn amendement.

De heer Vanlouwe wijst erop dat de aanwezigheid van duizenden pendelaars uit Vlaanderen of Wallonië belangrijke gevolgen heeft voor de werklast van de Brusselse rechtbanken.

Waarom gaat men uit van een willekeurige verdeling, die men vervolgens gaat aanpassen naar gelang van de resultaten van het onderzoek naar de werklast ? Men kan het nut van dat onderzoek overigens betwijfelen, want de werklastmeting kan niet tot gevolg hebben dat het aantal magistraten in één van beide taalgroepen wordt verminderd. Spreker denkt dat het beter is de werklast onmiddellijk te meten en vervolgens de taalkaders vast te stellen op grond van objectieve en meetbare resultaten.

Amendement nr. 64

De heer Laeremans dient amendement nr. 64 in (stuk Senaat nr. 5-1674/2) dat strekt om artikel 57 te vervangen.

Het amendement past in de logica van de verticale splitsing van het gerechtelijk arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde die de fractie van de indiener verdedigt. De heer Laeremans wijst erop dat artikel 57 zeer omstreden is, omdat het bedoeld is om een vorm van « linguïstische zuivering » door te voeren in de Brusselse rechtbanken, waar zeer veel Nederlandstaligen op basis van onjuiste cijfers de deur zullen worden gewezen.

De Hoge Raad voor de Justitie vermeldt in zijn advies van 30 mei 2012 andere cijfers, die niet werden tegengesproken. De HRJ, die zich op het aantal nieuwe — zowel burgerrechtelijke als correctionele — zaken (instroom) baseerde, stelt vast dat het percentage van de zaken in het Nederlands voor de rechtbank in eerste aanleg van Brussel in 2009 31,83 % bedroeg, in 2010 31,43 % en in 2011 32,27 % (zie advies HRJ, blz. 16). Spreker denkt dat die cijfers bevestigen dat de verdeling van 1/3 — 2/3 die nu voor de rechtbank van eerste aanleg van Brussel wordt gehanteerd aan de werkelijkheid beantwoordt.

De heer Laeremans leidt daaruit af dat de verdeling van 80 % F en 20 % NL van het wetsontwerp, zelfs indien ze versoepeld wordt door de overgangsregel die tijdelijk in een minimum van 27 % Nederlandstalige magistraten voorziet, niet op enige objectieve verantwoording berust. Het feit dat men gedurende een overgangsperiode een percentage van 27 % vooropstelt wijst er integendeel op dat de verdeling 80/20 niet aan de werkelijkheid beantwoordt. Spreker pleit bijgevolg voor een aanpassing van die verdeelsleutel.

Heel wat advocaten en magistraten hebben dat standpunt verdedigd en waarschuwen voor de problemen die de nieuwe verdeelsleutel zal veroorzaken. De Nederlandstalige rechtzoekenden zullen sterk worden benadeeld door die maatregel, die onvermijdelijk tot gerechtelijke achterstand zal leiden.

De heer Laeremans begrijpt niet waarom men, vanaf de bekendmaking van de nieuwe wet, de nodige aanwervingen kan doen op basis van een« voorlopige »verdeelsleutel. Dat zal leiden tot de massale aanwerving van Franstalige magistraten en gerechtelijk personeel. Spreker verwijst naar de voorgestelde tabel van de regering (zie document als bijlage). Er zullen zeker 50 nieuwe plaatsen voor Franstalige magistraten worden gecreëerd in de veronderstelling dat het personeelsbestand voor 100 % wordt ingevuld en dat zonder de geringste objectieve rechtvaardiging. Spreker vraagt wat de budgettaire gevolgen zullen zijn van die massale aanwervingen.

Er wordt een vergelijkbare evolutie verwacht voor het personeel van de griffies en de parketten waar men ook zal overgaan tot massale aanwervingen.

De heer Vanlouwe benadrukt dat deze hervorming goed nieuws is voor de Franstaligen want men zal aan Franstalige kant in totaal 272 mensen aanwerven (magistraten, parketsecretarissen, griffiers, griffiepersoneel). Voor de Nederlandstaligen daarentegen is dit erg slecht nieuws. Zeker 330 mensen zullen immers in overtal zijn wanneer de nieuwe verdeling 80/20 van toepassing zal zijn !

De heer Moureaux is verbaasd dat degenen die het meest klagen dat Justitie in Brussel niet snel genoeg kan optreden en dat misdadigers daarvan profiteren, dezelfden zijn die zich nu verzetten tegen een nieuw evenwicht waardoor men sneller en doeltreffender kan rechtspreken in Brussel. Spreker kan die ambivalentie niet aanvaarden.

De heer Laeremans begrijpt niet waarom men onmiddellijk Franstalige magistraten moet aanwerven en Nederlandstalige magistraten overtollig maakt in rechtbanken die goed werken. Zijn de Franstalige magistraten beter dan hun Nederlandstalige collega's ? Spreker kan zich niet van de idee ontdoen dat deze hervorming een soort van zuivering wil doorvoeren waarbij een groot aantal Nederlandstaligen van de Brusselse rechtbanken worden verwijderd.

Hoe zal de aanwerving van het nieuwe Franstalige personeel in zijn werk gaan ? De voorgestelde maatregel is bovendien heel duur want er wordt geld verspild voor nieuw Franstalig personeel terwijl de Nederlandstalige collega's op dat ogenblik in overtal zijn. Dat is geldverspilling, net nu Justitie besparingen moet doen die op de goede werking doorwegen. Spreker denkt bijvoorbeeld aan de besparingen bij de justitiehuizen waar men minder middelen krijgt voor de gerechtelijke begeleiding en het toezicht op plegers van misdrijven.

De heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming, verwijst naar de gedachtewisselingen tijdens de algemene bespreking. De voorgestelde wijzigingen van artikel 57 kwamen uitvoerig aan bod.

Spreker denkt dat zij die kritiek hebben op het voorstel, uit het oog verliezen dat artikel 152 van de Grondwet bepaalt dat magistraten voor het leven worden benoemd en dat hun overplaatsing enkel kan plaatsvinden door een nieuwe benoeming en met hun toestemming.

Wat het personeel van de griffies en de parketten betreft, is het uitgangspunt van de hervorming dat niemand zal worden ontslagen. Mobiliteit zal worden aangemoedigd op vrijwillige basis behalve voor openstaande betrekkingen of betrekkingen waarin zal worden voorzien naar gelang van de noden van de dienst, wanneer die betrekkingen mensen toelaten dichter bij hun woonplaats te werken. De staatssecretaris licht dit toe met het volgende voorbeeld : iemand die in Limburg woont en in Brussel werkt, zal niet verplicht worden een job te aanvaarden in een rechtbank in Brugge.

Wat de verschillende cijfers betreft die de vorige sprekers vermeldden, benadrukt de heer Verherstraeten dat laatstgenoemden zich baseerden op de voorlopige personeelsbestanden waarbij in een« 80/20 »-verdeling wordt voorzien, zonder rekening te houden met de overgangsregel van 27 % Nederlandstalige magistraten. Spreker verduidelijkt dat die 27 %-regel van toepassing zal zijn op alle rechtbanken van Brussel en dat er rekening mee moet worden gehouden bij de berekening van het aantal magistraten in overtal. Bovendien zal een maximale mobiliteit van het Brussels parket naar het parket van Halle-Vilvoorde worden aangemoedigd. Er wordt voorzien in zeker 81 administratieve medewerkers en 24 parketmagistraten voor het personeelsbestand van het parket van Halle-Vilvoorde. Het auditoraat bestaat uit elf administratieve medewerkers en vier auditeurs. Het spreekt voor zich dat een groot aantal mensen die nu in Brussel werken, op het nieuwe parket van Halle-Vilvoorde zullen werken. De gegevens over het aantal mensen in overtal moeten bijgevolg genuanceerd worden.

Spreker benadrukt ook dat, zelfs als alle Nederlandstalige leden van het parket en het arbeidsauditoraat van Brussel in Halle-Vilvoorde gaan werken, er nog zes substituten en twee arbeidsauditeurs moeten worden aangeworven om het personeelsbestand te vervolledigen.

Om het overtal in de griffies te kunnen ramen, moet men er rekening mee houden dat het tweetalig Nederlandstalig administratief personeel de Franstalige plaatsen mag innemen zolang die betrekkingen niet worden ingevuld door tweetalige Franstalige kandidaten.

De heer Verherstraeten herinnert er ook aan dat er een monitoring wordt verwacht van de tenuitvoerlegging van de wet betreffende de personeelsbestanden, voor wat de effectieve invulling betreft en de evolutie van de gerechtelijke achterstand in afwachting van de werklastmeting.

Spreker stelt vast dat de kritiek in de loop van de bespreking hoofdzakelijk gericht was op de verdeelsleutel voor de zittende magistratuur. Geen enkele senator van de Nederlandse taalgroep heeft daarentegen de verdeelsleutel voor het parket van Brussel in vraag gesteld, net zomin als er kritiek werd geuit op het personeelsbestand voor de handelsrechtbanken of politierechtbanken.

Wat de arbeidsrechtbanken betreft, bevestigen de beschikbare cijfers de overgangsregel van 27 % die van toepassing zal zijn bij de inwerkingtreding van het nieuwe systeem.

Dit zal zeker budgettaire gevolgen hebben vanaf 2013. Voor het overige verwijst de staatssecretaris naar de oprichting van het monitoringcomité en de task force en de mogelijkheid om magistraten toe te voegen voorzover de gerechtelijke achterstand zou toenemen.

Uit de algemene bespreking onthoudt de staatssecretaris dat de kritiek zich vooral toespitste op de zetel en niet op het parket. Wat het parket van Brussel betrof, had spreker de indruk dat men vanuit Nederlandstalig oogpunt tevreden was met de bereikte verdeelsleutel. Ook erkende men tijdens de algemene bespreking dat de voorlopige kaders, zoals vastgesteld voor de rechtbanken van koophandel en de politierechtbanken, geen aanleiding gaven tot controverse. De cijfers voor de arbeidsrechtbanken stroken bovendien met de in het wetsontwerp opgenomen ondergrens van 27 %.

In antwoord op de vragen en opmerkingen met betrekking tot de werklastmeting, stelt de staatssecretaris dat een werklastmeting per definitie objectief is. Spreker bevestigt de verklaring die hij ter zake aflegde in de Kamercommissie (zie verslag namens de Commissie voor de Herziening van de Grondwet en de Hervorming van de Instellingen, uitgebracht door de heren Landuyt en Brotcorne, stuk Kamer, nr. 53-2140/5, blz. 122 e.v.)

Spreker vervolgt dat de onderhandelaars in het Institutioneel akkoord voor de Zesde Staatshervorming de terminologie « onder andere » hadden vermeld, wat in het veld voor beroering zorgde. Ook de Raad van State had daarover opmerkingen geformuleerd. Om die reden werden de woorden dan ook uit de ontwerpteksten geschrapt. De onderhandelaars meenden echter alleen maar dat sociale, demografische en economische gegevens een invloed konden hebben. Wat telt, is dat men zich uitsluitend baseert op objectieve kennis van de reële behoeften.

Voorts verwijst de staatssecretaris naar de brief van de heer Lode De Witte, gouverneur van Vlaams Brabant, waarvan allen kennis hebben. In deze brief die betrekking had op het parket van Halle-Vilvoorde, wees de gouverneur op de bevolkingsaantallen, economische activiteit en de wettelijk bepaalde ondergrens.

Spreker wenst ook nog volgende elementen, die hij reeds in de Kamercommissie naar voren bracht, te benadrukken : de definitieve kaders worden vastgelegd op basis van een werklastmeting. Deze werklastmeting moet zijn afgerond tegen uiterlijk 1 juni 2014. Daarna zullen definitieve kaders worden vastgelegd op grond van reële behoeften, gemeten op basis van objectief becijferde gegevens. Bij een toename van de gerechtelijke achterstand, zal er onmiddellijk worden bijgestuurd. Vandaar ook de oprichting van het monitoringcomité, dat zal worden samengeroepen door de minister van Justitie.

De budgettaire gevolgen van de operatie zijn op vandaag, aldus de staatssecretaris, nog niet voor 100 % berekenbaar, maar er zal inderdaad een meerkost zijn vanaf het begrotingsjaar 2013. De regering zal zich, na in werkingtreding van de wettelijke bepalingen, ter zake kwijten van haar taak en zal de nodige extra middelen voorzien, ten bate van een meer efficiënte en snellere justitie in Brussel.

De heer Vanlouwe repliceert dat hij reeds meermaals hetzelfde antwoord van de staatssecretaris heeft gehoord. Hij kan alleen maar vaststellen dat de voorliggende teksten op het terrein totaal anders worden geïnterpreteerd. De visie op het terrein wijkt in grote mate af van de visie van de staatssecretaris. Spreker betreurt dan ook dat de commissie zich niet de moeite heeft getroost om de magistraten en andere hoofdrolspelers te horen. De heer Vanlouwe brengt vervolgens het standpunt van een aantal van deze personen in herinnering : zo stelde de heer Lode De Witte, gouverneur van Vlaams Brabant : « We moeten op eigen benen staan, maar we krijgen maar driekwart benen ». De reeds eerder geciteerde uitspraken van mevrouw Gaby Van den Bossche in verband met de arbeidsrechtbanken en -auditoraten zijn eveneens gekend. Spreker verwijst nogmaals naar de uitspraken van de heer Fernand Keuleneer, vooraanstaand advokaat en erelid van de Raad van de Orde van Advokaten en citeert : « De werklastmeting wordt zodanig geherdefinieerd dat het geen werklastmeting meer is. Totale willekeur dus. » Goed nieuws voor de Franstaligen, want aan Franstalige zijde komen er bijkomende aanwervingen, slecht nieuws voor de Nederlandstalige magistraten en rechtszoekenden, want een niet onaanzienlijk deel Nederlandstalige magistraten in overtal, zal moeten worden gemuteerd. In totaal zou het gaan om 330 magistraten, griffiepersoneel, ... die vanuit Brussel naar andere gerechtelijke arrondissementen zullen moeten worden overgeplaatst. Deze operatie zal bijkomende gerechtelijke achterstand doen ontstaan voor de Nederlandstalige dossiers in Brussel. De gerechtelijke achterstand voor de Franstalige dossiers zal daarentegen, door de bijkomende aanwervingen, afnemen.

De heer Laeremans stelt vast dat, hoewel de woorden « onder andere », waarnaar de staatssecretaris verwees, inderdaad uit de teksten zijn verdwenen, zij wél ideëel blijven bestaan. Het criterium « demografie » blijft meespelen, wat in feite niet meer zou mogen.

Op de verklaring van de staatssecretaris dat de gevolgen van de operatie voor de parketten door de meesten positief werden onthaald, repliceert de heer Laeremans dat hij ondertussen heeft geleerd dat er minstens 65 personeelsleden bij de parketten in overtal zullen zijn die zullen moeten worden gemuteerd, louter en alleen omdat de betrokkenen Nederlandstalig zijn. Dit komt, aldus spreker, neer op een zuivering op taalbasis, ja zelfs een etnische zuivering. Dit terwijl deze Nederlandstalige magistraten perfect zouden kunnen functioneren in een naar behoren gevuld tweetalig parket van Brussel.

De heer Delpérée verklaart niet te kunnen aanvaarden dat een lid van een parlementaire instelling zoals de Senaat, begrippen als etnische zuivering in de mond neemt. Dat is ongehoord en onbetamelijk.

De heer Laeremans vestigt er de aandacht op dat artikel 57 het hart van het hele ontwerp vormt.

Wat de werklastmeting betreft, is spreker tevreden dat op suggestie van de Raad van State de woorden « onder andere » zijn weggevallen. De werklastmeting mag volgens hem niet gebaseerd zijn op subjectieve zaken of zaken die niets met het werkvolume van Justitie te maken hebben. Spreker heeft in het commissieverslag van de Kamer (stuk Kamer, nr. 53-2140/5) gelezen wat men bedoelde met die « onder andere ». Er was bijvoorbeeld sprake van demografische gegevens. Aangezien die woorden nu geschrapt zijn, is het ook niet meer relevant wat daarmee bedoeld werd. Demografische gegevens kunnen dan ook niet spelen bij de werklastmeting. Het enige dat mag meespelen is de werklast op zich, ook al hangt die soms af van demografische factoren. Kaders moeten worden vastgesteld op basis van duidelijke, objectieve en meetbare factoren. Spreker is toch wel ongerust of de werklastmeting wel op een correcte wijze zal worden uitgevoerd. Volgens hem kan de meting op zeer korte termijn worden afgerond en is het misschien zelfs niet nodig om op voorhand verdeelsleutels vast te stellen. De meting kan gebeuren op basis van de bestaande jaarverslagen en gesprekken met magistraten en advocaten.

Spreker beschouwt het parket van Halle-Vilvoorde als een afsplitsing van het parket van Brussel en hij beschouwt de mensen die daar zullen worden tewerkgesteld niet als zijnde in overtal. Ook als men in twee talen gaat werken, het betreft dan hetzelfde grondgebied, wordt niet gesproken over overtallen. De mensen die in Halle-Vilvoorde tewerkgesteld zullen zijn, zullen vanuit Brussel komen en spreker beschouwt ze niet als zijnde in overtal.

Als men nagaat hoeveel Nederlandstaligen in overtal worden geplaatst : 23 Nederlandstalige magistraten, 79,5 personeelsleden bij de rechtbank van eerste aanleg, 29 bij de arbeidsrechtbank, 12,5 bij de rechtbank van koophandel en bij de politierechtbank en 65 bij het parket, dan gaat het in totaal om 209 mensen die in overtal worden geplaatst, wat enorm veel is. Spreker vindt dat absurd want bij het parket bijvoorbeeld worden 65 mensen in overtal geplaatst terwijl ze perfect kunnen blijven functioneren in het nieuwe tweetalige Brusselse parket. Waarom wordt er bij het tweetalig parket op personeelsvlak onmiddellijk een 20/80-verhouding ingevoerd ?

Van de ongeveer 400 personeelsleden van het parket is er maar 11,3 % dat over een tweetaligheidsbewijs beschikt. Daar hadden toch al veel langer taalvereisten aan kunnen worden opgelegd. Er wordt gesproken om in de toekomst ook daar de 1/3-regeling in te voeren.

Er zijn 65 ervaren personeelsleden beschikbaar, die misschien geen tweetaligheidsbewijs hebben maar die hebben bewezen met anderstalige dossiers te kunnen omgaan. De meeste Vlamingen die bij het Brussels parket werken, zijn waarschijnlijk voldoende tweetalig om daar te kunnen functioneren aangezien ze het nu al doen. Het is toch absurd dat die mensen in overtal zouden worden geplaatst omdat ze Vlaming zijn en een Nederlandstalig diploma hebben, terwijl er tegelijkertijd sprake is van het in dienst nemen van 39 Franstalige parketmagistraten en 14 Franstalige andere personeelsleden. Waarom moet bij het tweetalig parket de 20/80-verhouding worden doorgevoerd, terwijl er geen opsplitsing Nederlands-Frans bestaat ?

Spreker begrijpt hoe het wordt toegepast bij de rechtbanken, maar vindt dat ook daar niet consequent wordt gewerkt en er onvoldoende inspanningen worden geleverd om de Nederlandstaligen van de huidige griffies tewerk te stellen. Bij het parket, daarentegen, begrijpt hij het helemaal niet. Kan daar niet in andere verhoudingen worden voorzien ? Spreker verstaat uit de voorgestelde regeling dat men de Vlamingen weg wil uit het parket. Met andere woorden, er is sprake van een zuivering.

De heer Delpérée herinnert aan een fundamenteel beginsel dat bepaalt dat men personen niet beledigt en niet verplaatst. Spreker vindt dat de heer Laeremans de Libanezen, Joegoslaven, enz. beledigt door de term zuivering te hanteren.

De heer Laeremans vindt nog steeds dat het met zuivering te maken heeft want Nederlandstaligen moeten weg omdat ze Nederlandstalig zijn.

De staatssecretaris heeft verklaard dat men de 20/80-verhouding voor de rechtbanken niet te letterlijk moet nemen en dat het waarschijnlijk 27 % zou worden, maar bij het parket is er enkel sprake van de 20/80-verhouding en dat zal zo blijven. Er is een tekort aan magistraten, maar een teveel aan personeel en de 20/80-verhouding wordt wel toegepast op het personeel.

De heer Anciaux wijst erop dat de heer Laeremans in vorige uiteenzettingen al had opgemerkt dat de 20/80-verhouding voor het parket van Brussel aanvaardbaar is. Het is toch logisch dat voor het personeel eenzelfde verhouding wordt toegepast als voor de magistraten.

De heer Laeremans spreekt dat tegen. Met betrekking tot het parket van Halle-Vilvoorde, met zijn vijf gedetacheerde parketmagistraten, werd uitdrukkelijk geantwoord dat deze personen niet aan Franstalig personeel worden gekoppeld. Het zou dan toch mogelijk moeten zijn om dezelfde logica door te trekken in Brussel en de 65 Nederlandstalige personeelsleden in een overgangsfase te behouden.

De heer Anciaux gaat ervan uit dat de werklastmeting er snel zal zijn. In het ergste geval zal er sprake zijn van een overgangsperiode van 12 maanden. Uit die werklastmeting zal moeten blijken of er effectief teveel Nederlandstaligen zijn en of er een herverdeling moet plaatsvinden. Men moet de principes die men op anderen toepast, toch ook op zichzelf toepassen.

De heer Laeremans benadrukt nogmaals dat de discussie rond de cijfers over de parketmagistraten nieuw is aangezien de inlichtingen hieromtrent pas recent werden bezorgd.

De overgangsperiode bepaald in artikel 64 betreft alleen de Franstalige rechtbanken van eerste aanleg en van koophandel, de Franstalige arbeidsrechtbank en de Franstalige politierechtbank. In die rechtbanken zullen Nederlandstaligen tewerkgesteld blijven ten belope van 1/3 tweetaligen.

Over de parketten wordt in de wettekst niets vermeld. In het parket van Brussel blijft men bijgevolg met een overschot van 65 mensen zitten en tegelijkertijd zal er nieuw Franstalig personeel worden aangeworven. Hij stelt voor om een andere verdeelsleutel toe te passen zodat de 90 % kan worden bereikt. In die omstandigheden is het volgens spreker overbodig om nieuw personeel aan te werven. Dat zal alleen maar een gigantische geldverspilling zijn.

Over artikel 57, 8º, stelt de heer Vanlouwe dat met betrekking tot de 80/20-verhouding de cijfers over de zetelende magistraten sinds geruime tijd gekend zijn. Hij verwijst nogmaals naar het incident rond de foutieve cijfers over de arbeidsrechtbank.

Maar de cijfers over de parketmagistraten zijn daarentegen pas sinds 2 juli 2012 gekend.

Conform de overgangsbepaling wordt de 20/80-verhouding voor de zetel naar 27/73 gebracht. Er komt daarentegen geen overgangsbepaling voor het parket. De 20/80-verhouding blijft dus ongewijzigd gelden voor de parketmagistraten.

De heer Anciaux benadrukt dat de 20/80-verhouding geldt voor de overgangsfase. De 27 % bepaald in artikel 57, 8º, geldt voor de zetel. Dat is logisch aangezien men geen opdeling maar wel een splitsing heeft van het parket. Voor het parket heeft men enerzijds 20 % van het huidige personeelsbestand voorbehouden voor het Nederlandstalig parket van Halle-Vilvoorde en van de resterende 80 % voor het tweetalig parket van Brussel voorziet men dan 20 % Nederlandstaligen en 80 % Franstaligen. Dit komt dus in totaal op veel meer dan 27 % Nederlandstaligen, namelijk 36 % van het huidige kader zal Nederlandstalig zijn.

De staatssecretaris verwijst voor wat betreft de opmerkingen inzake de demografische gegevens naar bladzijde 121 van het commissieverslag van de Kamer van volksvertegenwoordigers (stuk Kamer, nr. 53-2140/5).

Over de 80/20-verhouding verwijst hij naar het antwoord van de heer Anciaux.

Betreffende het overtal aan personeel merkt hij op dat men uitgaat van een uitdovend kader (wie vertrekt, wordt niet vervangen). Dit betekent dat er geen ontslagen zullen zijn.

In artikel 64 van het wetsontwerp wordt uitdrukkelijk verwezen naar de vrijwillige overdracht in geval van open vacatures. Gebonden mobiliteit zal enkel kunnen plaatsvinden onder een aantal voorwaarden (zie artikel 64, § 3). Geen enkel personeelslid zal zijn job worden ontnomen.

Over de sleutelverhouding in het parket bevestigt hij dat de 27 % ook hier geldt. Daarnaast is het wel zo dat de spankracht van 27 % een andere verhouding is voor het personeel dan voor de magistratuur. Bij de arbeidsrechtbank, bijvoorbeeld, spreekt men van een spankracht van 9/8 of 9/5 (bij toepassing van de 27 %-norm).

Met betrekking tot de cijfers van de Brusselse griffies en het onderzoek naar de tweetaligheid ervan op grond van de 1/3-norm wijst de vertegenwoordiger van de minister van Justitie erop dat bij de Nederlandstalige personeelsleden van de rechtbank van eerste aanleg er naar de tweetaligheidsnorm 65 te veel zijn, tegen een tekort aan 55 Franstalige personeelsleden. Dit impliceert dat 55 van deze 65 overtallige Nederlandstalige personeelsleden binnen het kader kunnen doorschuiven naar de Franstalige rechtbanken. Voor de griffie van de arbeidsrechtbank is er een teveel van 20 Nederlandstaligen met een tweetaligheidsbewijs tegen een tekort van 11 Franstaligen. Ook hier kunnen 11 Nederlandstalige personeelsleden doorschuiven.

Bij de griffie van de rechtbank van koophandel zijn er 12 Nederlandstalige tweetalige personeelsleden te veel tegen een Franstalig tekort van 10.

Bij de griffie van de politierechtbank zijn er 3 Nederlandstalige tweetalige personeelsleden teveel tegen een tekort van 4 in het Franstalig tweetalig kader.

De heer Vanlouwe merkt op dat er geregeld nieuwe cijfers opduiken. Naast de cijfers over het tweetalig kader van de griffies lijkt het hem nuttig dat ook de cijfers over het tweetalig kader van de magistraten bekend worden gemaakt. In Brussel zijn er in de rechtbank van eerste aanleg ongeveer 140 magistraten : 97 Franstaligen en 39 Nederlandstaligen. In de arbeidsrechtbank zijn er 18 Franstalige magistraten en 9 Nederlandstalige. In de rechtbank van koophandel zijn er 12 Franstalige magistraten en 10 Nederlandstalige. In de politierechtbank zijn er 11 Franstalige magistraten en 3 Nederlandstalige.

Bij het parket zijn er 65 Franstalige magistraten tegen 37 Nederlandstaligen. Bij het auditoraat zijn er 9 Franstalige magistraten tegen 5 Nederlandstaligen.

Spreker wenst te vernemen hoeveel Brusselse magistraten over het tweetaligheidsattest beschikken. Volgens zijn informatie ziet de situatie eruit als volgt : van de 97 Franstalige Brusselse magistraten van eerste aanleg zouden er amper 36 in het bezit zijn van dit tweetaligheidsattest. Daarentegen blijkt dat 32 van de 39 Nederlandstalige magistraten, dus de grote meerderheid, een tweetaligheidsattest heeft. De wanverhouding is zeer groot.

Van de 18 Franstalige magistraten bij de arbeidsrechtbank hebben er slechts 9 een tweetaligheidsattest terwijl 8 van de 9 Nederlandstalige magistraten dit wel hebben.

Van de 12 Franstalige magistraten bij de rechtbank van koophandel hebben er slechts 7 een tweetaligheidsattest terwijl 7 van de 10 Nederlandstalige magistraten dit wel hebben.

Eén uitzondering is de politierechtbank waar alle Franstalige magistraten een tweetaligheidsattest hebben. Dat geldt ook voor de Nederlandstalige politierechters.

Van de 65 Franstalige magistraten bij het parket hebben er slechts 28 een tweetaligheidsattest terwijl 28 van de 37 Nederlandstalige magistraten dit wel hebben.

Deze cijfers spreken voor zich : aan Nederlandstalige kant doet men inspanningen om het tweetaligheidsattest te bekomen wat niet het geval is aan Franstalige kant.

Waarom wordt de verhouding van tweetalige magistraten herleid van 2/3 naar 1/3 ? Men verslechtert de tweetaligheid in Brussel, waar de rechtbanken steeds te maken hebben met taalgemengde dossiers.

Welke maatregelen worden in het wetsontwerp in het vooruitzicht gesteld om de tweetaligheid daadwerkelijk te verbeteren in het belang van de rechtzoekende in Brussel ?

De heer Anciaux is van oordeel dat de logica van een opdeling en een opsplitsing tot gevolg heeft dat men naar méér eentaligheid gaat en bijgevolg ook naar een vermindering van het aantal tweetaligen.

Die tendens doet zich ook voor wanneer bevoegdheden van het federale niveau naar de deelstaten worden overgeheveld.

De vertegenwoordiger van de staatssecretaris verwijst naar de uitgebreide toelichting bij het wetsontwerp wat betreft de verhouding 2/3-1/3, met uitzondering van het niveau D.

Inzake bepalingen die een verbetering van de tweetaligheid beogen, stelt hij dat de personeelsleden van het parket die momenteel niet tweetalig hoeven te zijn, dat in de toekomst wel zullen moeten zijn.

De heer Laeremans acht het meer dan wenselijk dat een magistraat kennis kan nemen van anderstalige vonnissen van hetzelfde arrondissement. Dat is voor de rechtspraak van essentieel belang.

Als men de tweetaligheid afbouwt, moet er iets tegenover staan, zoals bijvoorbeeld een minimale passieve kennis van de andere taal. Dat is niet het geval en de eentaligheid zal in de praktijk blijven toenemen.

In zijn amendement nr. 64 dat ertoe strekt artikel 57 te vervangen, wordt uitdrukkelijk verwezen naar het feit dat ten minste één van de drie zetelende rechters tweetalig moet zijn. Wanneer een rechter alleen zetelt, moet hij verplicht tweetalig zijn.

Los daarvan geldt deze logica niet voor het parket. Het parket van Brussel wordt immers niet opgesplitst, het is een tweetalig parket. Daar wordt de tweetaligheid nochtans herleid naar 1/3. Ook in Halle-Vilvoorde wordt de verhouding van 1/3 opgelegd terwijl dit Nederlandstalig grondgebied is. De logica eist dan dat in het parket van Brussel minstens 2/3 van de magistraten tweetalig zijn, quod non. Waarom deze gelijkschakeling tussen Brussel en Halle-Vilvoorde ? Dit toont ten overvloede aan dat men Halle-Vilvoorde aan het verbrusselen is.

Hij verwijst naar het voorbeeld van de Brusselse politiediensten waar elke politieagent tweetalig moet zijn. Die verplichting zou a fortiori voor de parketmagistraten moeten gelden.

De opslorping van Nederlandstalige tweetalige personeelsleden in de Franstalige rechtbanken lijkt haalbaar voor de rechtbanken van eerste aanleg en koophandel. Dan nog is het niet rationeel dat men dit beperkt tot 1/3. Waarom geen 40 of 50 % ?

Wordt voor het parket in een analoge regeling voorzien ? Artikel 64, § 4, rept met geen woord over de parketten. Wordt ook hier in een plafond van 1/3 voorzien voor de overtallige Nederlandstalige tweetaligen ?

De vertegenwoordiger van de staatssecretaris antwoordt dat er geen analoge regeling wordt ingevoerd omdat het parket in Brussel niet gesplitst wordt. Hij verwijst voor het overige naar de uitdovingsregeling in artikel 64, § 4.

De heer Laeremans concludeert hieruit dat alle plaatsen in het Brusselse parket zullen worden ingenomen door Franstaligen. Er zullen dus 65 personeelsleden op overschot zijn zonder echt statuut, die in overtal worden geplaatst.

De vertegenwoordiger van de staatssecretaris herhaalt nogmaals dat deze personeelsleden voluit zullen blijven functioneren, weliswaar in een uitdovend kader aangezien zij niet worden vervangen.

De heer Laeremans maakt geen bezwaar tegen de verdeling van de magistraten voor het parket. Dezelfde logica kan echter niet worden doorgetrokken voor de verdeling van het personeel omdat het parket tweetalig is. Hiervoor zou hetzelfde principe moeten worden toegepast als voor de zetel.

Amendement nr. 66

De heer Laeremans dient amendement nr. 66 in, -subsidiair op amendement nr. 64, (stuk Senaat, nr. 5-1674/2), dat ertoe strekt artikel 57, 8, te vervangen door een nieuwe bepaling die de Nederlandstalige en Franstalige kaders van de politierechtbank, de arbeidsrechtbank en de rechtbank van eerste aanleg vastlegt op grond van een werklast van respectievelijk 33 en 66 %.

De indiener verwijst naar de algemene bespreking en de schriftelijke verantwoording van zijn amendement

Amendement nr. 79

De heer Laeremans dient amendement nr. 79 in, subsidiair op amendement nr. 64, (stuk Senaat, nr. 5-1674/2), dat ertoe strekt het in artikel 57, 8, voorgestelde vierde lid te vervangen. Dit moet ervoor zorgen dat de taalkaders worden vastgelegd volgens de werklast en niet op basis van ongefundeerde verdeelsleutels. Dit amendement heeft dezelfde strekking als amendement nr. 66, maar is korter.

Amendement nr. 80

De heer Laeremans dient amendement nr. 80 in, subsidiair op amendement nr. 64, (stuk Senaat, nr. 5-1674/2), dat ertoe strekt het in artikel 57, 8, voorgestelde vierde lid te vervangen zodat de Franstalige kaders van de politierechtbank, de arbeidsrechtbank en de rechtbank van eerste aanleg worden vastgelegd op 70 % van de bestaande formaties op het moment dat deze bepaling in werking treedt, vermeerderd met de toegevoegde magistraten.

Amendement nr. 81

De heer Laeremans dient amendement nr. 81 in, subsidiair op amendement nr. 64, (stuk Senaat, nr. 5-1674/2), dat ertoe strekt het in artikel 57, 8º, voorgestelde vierde lid te vervangen zodat de Franstalige kaders van de politierechtbank, de arbeidsrechtbank en de rechtbank van eerste aanleg worden vastgelegd op 75 % van de bestaande formaties op het moment dat deze bepaling in werking treedt, vermeerderd met de toegevoegde magistraten.

Amendement nr. 82

De heer Laeremans dient amendement nr. 82 in, subsidiair op amendement nr. 64, (stuk Senaat, nr. 5-1674/2), dat ertoe strekt het in artikel 57, 8º, voorgestelde vierde lid te vervangen zodat de Franstalige kaders van de politierechtbank, de arbeidsrechtbank en de rechtbank van eerste aanleg worden vastgelegd op 80 % van de bestaande formaties op het moment dat deze bepaling in werking treedt, vermeerderd met de toegevoegde magistraten.

Amendement nr. 83

De heer Laeremans dient amendement nr. 83 in, subsidiair op amendement nr. 64, (stuk Senaat, nr. 5-1674/2), dat ertoe strekt het in artikel 57, 8º, voorgestelde derde lid te doen vervallen. De kaders moeten immers worden bepaald volgens de werklastmeting.

De vertegenwoordiger van de staatssecretaris voor Staatshervorming meent dat ook rekening moet worden gehouden met het feit dat de waarborg die in het derde lid is ingeschreven, zowel aan Franstalige als aan Nederlandstalige kant kan spelen. Ook voor het parket heeft het de bedoeling een evenwicht te bieden.

Amendement nr. 84

De heer Laeremans dient amendement nr. 84 in, subsidiair op amendement nr. 64, (stuk Senaat, nr. 5-1674/2), dat ertoe strekt het in artikel 57, 8º, voorgestelde zesde lid te doen vervallen. Hij stelt voor om de kaders te behouden tot aan de werklastmeting.

Amendement nr. 85

De heer Laeremans dient amendement nr. 85 in, subsidiair op amendement nr. 64, (stuk Senaat, nr. 5-1674/2), dat ertoe strekt het in artikel 57, 8º, voorgestelde zevende lid te doen vervallen.

Amendement nr. 86

De heer Laeremans dient amendement nr. 86 in, subsidiair op amendement nr. 64, (stuk Senaat, nr. 5-1674/2), dat ertoe strekt het in artikel 57, 8º, voorgestelde zevende lid te vervangen door een nieuwe bepaling die voorziet in een overgangsperiode indien de Nederlandstalige kaders niet ongewijzigd blijven, maar toch zouden gaan uitdoven tot 20 %. Deze regeling geldt ook voor al het personeel.

Amendement nr. 87

De heer Laeremans dient amendement nr. 87 in, subsidiair op amendement nr. 64, (stuk Senaat, nr. 5-1674/2), dat ertoe strekt het in artikel 57, 8º, voorgestelde achtste lid te doen vervallen. Dit lid dient zeker te vervallen, vermits de Nederlandstalige kaders niet mogen wijzigen tot aan de werklastmeting, die er zeker moet komen. Bij handhaving van dit artikel hebben de Franstaligen er alle belang bij dat er geen werklastmeting komt. De indiener wijst er op dat « deze termijn » bovendien niet gedefinieerd wordt.

De heer Anciaux stelt dat het eerste lid van artikel 57, 8º, de termijn van de werklastmeting bevat, namelijk uiterlijk 1 juni 2014.

Volgens de heer Laeremans wordt in het laatste lid van artikel 57, 8º, verwezen naar « deze termijn », waarbij gedoeld wordt op de termijn van het voorgaande lid. Het betreft dan concreet het jaar dat volgt op de datum van inwerkingtreding van de in artikel 61, eerste lid, van de wet van ... betreffende de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel bedoelde hervorming.

De heer Anciaux is het hier niet mee eens. Volgens hem is de termijn van de werklastmeting wel degelijk bepaald.

De vertegenwoordiger van de staatssecretaris voor Staatshervorming bevestigt dat de interpretatie van de woorden « deze termijn » slaat op hetgeen in het voorgaande lid wordt gesteld. Deze bepaling zegt dat de uitdovingsregel waarop de 27 % regel een uitzondering vormt, geldt gedurende het jaar waarin de volledige hervorming, namelijk de invulling van 90 %, van tel zal zijn. Het laatste en voorlaatste lid moeten dus samen worden gelezen.

Amendement nr. 88

De heer Laeremans dient amendement nr. 88 in, subsidiair op amendement nr. 64, (stuk Senaat, nr. 5-1674/2), dat ertoe strekt in het door artikel 57, 8º, voorgestelde eerste lid de woorden « uiterlijk op 1 juni 2014 » te vervangen door de woorden « uiterlijk op 1 maart 2014 ». In juni 2014 is het parlement in ontbinding en is er dus geen enkele parlementaire controle meer mogelijk. Daarom wenst de indiener de vastlegging te vervroegen naar 1 maart 2014.

De vertegenwoordiger van de staatssecretaris voor Staatshervorming meent dat het debat heeft aangetoond dat de libellering al een antwoord geeft op de bezorgdheid van de heer Laeremans. Het woord « uiterlijk » houdt in dat het ook al vroeger kan gebeuren.

Amendement nr. 4

De heren Vanlouwe en Boogaerts dienen amendement nr. 4 in, subsidiair op amendement nr. 1, (stuk Senaat, nr. 5-1674/2), dat ertoe strekt artikel 57, 5º, te vervangen. Dit amendement heeft betrekking op de bepaling dat, in de tweetalige hoofdstad Brussel, de procureur des Konings en de arbeidsauditeur van Brussel voortaan altijd Franstaligen zullen moeten zijn. Nederlandstaligen zullen deze functies niet meer kunnen vervullen. De indieners stellen voor die bepaling te schrappen en te bepalen dat de procureur des Konings en de arbeidsauditeur van Brussel een grondige kennis van de twee talen moeten bewijzen overeenkomstig artikel 43quinquies, § 1, vierde lid.

Dit amendement gaat ervan uit dat de meest geschikte kandidaat in een tweetalige hoofdstad in aanmerking moet kunnen komen, ongeacht de taal van zijn diploma of de taalrol waartoe hij behoort.

De heer Deprez stelt dat het niet noodzakelijk gaat om een Franstalige persoon, wel om een persoon die het vereiste diploma in het Frans heeft behaald.

De heer Vanlouwe wijst erop dat een persoon, door het bezit van een diploma in het Frans of het Nederlands, in de respectievelijke Franstalige of Nederlandstalige taalrol wordt ingedeeld. De wet zegt dus eigenlijk dat de procureur des Konings en de arbeidsauditeur van Brussel tot de Franstalige taalrol moeten behoren.

De heer Deprez merkt op dat de heer Vanlouwe perfect procureur des Konings van Brussel kan worden, indien hij zijn diploma in het Frans behaalt.

Volgens de heer Laeremans komt dit erop neer dat Nederlandstaligen, om carrière te maken in Brussel, dan maar in het Frans moeten studeren.

Voor senator Vanlouwe is dit een terugkeer naar de mentaliteit van de 19e eeuw. Het maakt bovendien duidelijk dat in de hoofdstad een Franstalig diploma superieur is aan een Nederlandstalig diploma. De Raad van State vraagt trouwens een verantwoording voor deze taalvereisten. Waar is die verantwoording ?

De heer Vanlouwe verwijst naar de discussies in de Kamer, waar staatssecretaris Verherstraeten in dit verband het volgende heeft opgemerkt.

— In eerste instantie stelde hij dat de voorgestelde verdeling volgens taalrol van de functies van procureur des Konings en zijn adjunct te Brussel en die van arbeidsauditeur en zijn adjunct niet als een beroepsverbod mogen worden geïnterpreteerd omdat er in Halle-Vilvoorde een Nederlandstalige procureur des Konings en arbeidsauditeur zullen zijn en dat de Brusselse adjunct-procureur des Konings eveneens tot de Nederlandse taalrol zal behoren.

De vertegenwoordiger van de staatssecretaris verklaart op dat punt reeds te hebben gereageerd tijdens de algemene bespreking met de verwijzing naar de discussie over de vervanging van het woord « ten slotte » door « immers ». Er is dus geen oorzakelijk verband tussen het voorlaatste lid en het laatste lid in het verslag waaruit wordt geciteerd.

— In tweede instantie probeerde de staatssecretaris de eentaligheid van de procureur en de arbeidsauditeur in Brussel nog op een andere wijze te duiden. In het verslag wordt de discussie als volgt weergegeven :

« De staatssecretaris voor Staatshervorming, toegevoegd aan de eerste minister, de heer Servais Verherstraeten, legt uit hoe men kan verantwoorden dat de procureur des Konings te Brussel en de adjunct-procureur des Konings respectievelijk verplicht tot de Franse en Nederlandse taalrol behoren. Hij stelt daaromtrent het volgende.

Deze verplichtingen beogen de paritaire samenstelling te garanderen van het coördinatiecomité, voorzien in artikel 150ter van het Gerechtelijk Wetboek, zoals voorgesteld. Dit coördinatiecomité maakt wezenlijk deel uit van de hervorming. Er wordt overigens melding van gemaakt in de toelichting bij het voorstel tot invoeging van een artikel 157bis van de Grondwet (DOC 53 20141/001, blz. 5).

De pariteit binnen dit coördinatiecomité draagt bij tot het communautaire evenwicht dat globaal wordt gezocht in het institutionele akkoord van 11 oktober 2011, en in het bijzonder in deze hervorming. »

Ook deze redenering raakt kant noch wal.

— De pariteit geldt eigenlijk niet binnen Brussel, maar wel tussen Brussel en Halle-Vilvoorde, dus in Brussel maar in vergelijking met Halle-Vilvoorde.

— Het voorgestelde artikel 150ter van het Gerechtelijk Wetboek voorziet niet eens in een paritaire samenstelling.

— Bovendien maakt de staatssecretaris een cirkelredenering. De procureur en de arbeidsauditeur moeten Franstalig zijn omdat het coördinatiecomité paritair moet zijn (ook al is dit wettelijk niet voorgeschreven), en het coördinatiecomité is paritair omdat de procureur/arbeidsauditeur Franstalig zijn ...

Het is duidelijk dat de verstrekte verantwoording voor de regel dat de procureur en de arbeidsauditeur in Brussel steeds Franstalig zullen zijn, helemaal niet volstaat. Er is nog steeds geen antwoord geboden op de zeer terechte vraag van de Raad van State om dergelijke primeur objectief en redelijk te verantwoorden.

Spreker is benieuwd hoe het Grondwettelijk Hof hierover zal oordelen.

De vraag blijft waarom de topfuncties in Brussel worden voorbehouden aan personen die tot de Franse taalrol behoren. Spreker kan dit enkel betreuren en blijft erbij dat deze regeling, waarbij een bepaalde categorie van kandidaten wordt uitgesloten van een topfunctie, discriminerend is en in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Beide talen staan namelijk, krachtens de Grondwet, op gelijke voet.

Bovendien mag men niet vergeten dat Brussel de hoofdstad is van een land waar 60 % van de bevolking Nederlandstalig is.

Amendement nr. 65

De heer Laeremans dient amendement nr. 65 in, subsidiair op amendement nr. 64, (stuk Senaat, nr. 5-1674/2), dat ertoe strekt artikel 57, 5º, te vervangen door een nieuwe bepaling volgens welke de opeenvolgende procureurs des Konings in het gerechtelijk arrondissement Brussel, luidens hun diploma, tot een verschillend taalstelsel moeten behoren. Dit geldt uiteraard ook voor de arbeidsauditeurs

De indiener verwijst naar de algemene bespreking en de schriftelijke verantwoording van zijn amendement.

Spreker neemt aanstoot aan de verklaring van de heer Deprez dat een Nederlandstalige in het Frans kan studeren en aldus ook toegang heeft tot deze topfunctie.

De heer Deprez antwoordt enkel te hebben gewezen op het feit dat de taal van het diploma bepalend is en niet de etnische basis.

Amendement nr. 5

De heren Vanlouwe en Boogaerts dienen amendement nr. 5 in, subsidiair op amendement nr. 1, (stuk Senaat, nr. 5-1674/2), dat ertoe strekt de punten 9 tot 12, die de Franstalige « schoonmoederregeling » in Halle-Vilvoorde bevatten, te doen vervallen.

Met dit akkoord wordt het gerechtelijk arrondissement niet gesplitst, maar zullen Franstalige rechters nog steeds uitspraak kunnen doen in gans Halle-Vilvoorde en krijgen we zelfs Franstalige parketmagistraten in Vlaanderen.

Halle-Vilvoorde is Nederlandstalig grondgebied, behorend tot het Vlaams Gewest.

Bovendien blijkt uit dit ontwerp blijkt dat de institutionele meerderheidspartijen van oordeel zijn dat Vlaamse rechters die perfect Frans spreken, niet objectief kunnen zijn. Franstaligen moeten ook in Vlaanderen berecht worden door Franstalige rechters. Men heeft dus geen vertrouwen in Nederlandstalige rechters, ook al zijn ze perfect tweetalig.

De voorgestelde tekst verleent ongetwijfeld voorrechten aan Franstaligen.

Met dit amendement wordt de regeling met betrekking tot de vanuit Brussel naar Halle-Vilvoorde gedetacheerde Franstalige parketmagistraten geschrapt.

Voor nadere toelichting wordt naar de schriftelijke verantwoording van het amendement verwezen.

De heer Laeremans wenst de staatssecretaris nog een aantal vragen voor te leggen.

1. Met betrekking tot het voorlaatste lid van het voorgestelde artikel 57, 8, schetst hij de volgende hypothese. Indien men op een of andere plaats, bijvoorbeeld op één of andere griffie of bij het parket, niet zou komen aan de vereiste 90 %, of indien de voorliggende wet geen uitvoering zou krijgen, betekent dit dan dat de 27 %-regeling niet bestaat ? Klopt het dat deze 27 % afhankelijk is van de inwerkingtreding ?

De staatssecretaris meent dat het voorlaatste lid van het 8 duidelijk en juridisch juist is geformuleerd, en aldus geen verwarring kan scheppen. Met betrekking tot de invulling van de 90 % en de vaststelling van de inwerkingtreding bij koninklijk besluit, zoals bepaald in artikel 61, tweede lid, heeft het uitvoeringscomité voor de staatshervorming voorgesteld dat in de wet in een task force wordt voorzien die toeziet op de rekrutering van magistraten en personeelsleden. Die activiteiten worden reeds voorbereid door de minister van Justitie.

2. Inzake de vereiste taalkennis merkt de heer Laeremans op dat er, bijvoorbeeld in het 3º, sprake is van een grondige kennis van de andere taal. In het 6º is dan weer sprake van een functionele kennis van de andere taal.

Dat zijn volkomen nieuwe noties.

Momenteel bepaalt de wet enkel dat men het bewijs moet leveren van de kennis van de andere taal. Dat bewijs wordt geleverd aan de hand van examens die zijn ingesteld op twee niveaus.

Waarom worden deze nieuwe noties ingevoerd ?

Spreker wijst op het risico dat de term « functionele kennis » de taalkennis zou kunnen reduceren.

De vertegenwoordiger van de staatssecretaris beaamt dat dit nieuwe noties zijn, die zijn overgenomen uit het regeerakkoord. Voorgaande opmerking werd trouwens reeds door de Raad van State gemaakt en de staatssecretaris verwees als repliek hierop naar de juridische koppeling tussen het examen bedoeld in artikel 43quinquies wat betreft de actieve en passieve mondelinge kennis en passieve schriftelijke kennis met betrekking tot de functionele tweetaligheid. De grondige tweetaligheid betreft dan de volledige actieve en passieve kennis, zowel mondeling als schriftelijk.

Met betrekking tot de redenen voor de keuze voor een functionele tweetaligheid en het feit dat dit de norm is in alle gevallen waarbij de wet de kennis van de andere taal vereist, verwijst spreker naar zijn antwoord op de eerdere vraag hierover van de heer Laeremans.

3. Met betrekking tot de werklastmeting heeft de staatssecretaris naar het commissieverslag van de Kamer van volksvertegenwoordigers verwezen (stuk Kamer, nr. 53-2140/5). De enige passage die spreker hierover kan terugvinden is een tussenkomst van de heer Giet, op blz. 121 : « De volksvertegenwoordiger verduidelijkt dat met de woorden « onder andere » wordt bedoeld dat, om de definitieve kaders vast te stellen bij de werklastmeting ook economische, demografische en sociale gegevens moeten in beschouwing worden genomen alsook de werkbaarheid van de dienst op basis van verschillende soorten rechtscolleges. »

De heer Laeremans leidt hieruit af dat, door de schrapping van de woorden « onder andere », ook die verwijzing naar economische, demografische en sociale gegevens zijn geschrapt.

Indien niet, dan vraagt spreker meer verduidelijking. Op welke wijze kunnen demografische gegevens meespelen bij de werklastmeting ?

De vertegenwoordiger van de staatssecretaris meent hierop reeds te hebben geantwoord, onder meer met verwijzing naar de gerechtvaardigde vragen van de gouverneur van Vlaams-Brabant om demografische gegevens in rekening te nemen. Dit komt ook overeen met de verklaringen van de heer Giet in de Kamer.

De heer Laeremans meent dat de demografische factor niet doorslaggevend is in Vlaams-Brabant. Met de voorliggende voorstellen zullen er meer parketmagistraten zijn in Halle-Vilvoorde dan in Leuven. De demografische evolutie zal grotere gevolgen hebben in Brussel, waar zij volgens spreker zal worden gebruikt om het aantal Franstaligen te vermeerderen ten opzichte van het aantal Nederlandstaligen.

De amendementen nrs. 2, 4 en 5 van de heren Vanlouwe en Boogaerts en de amendementen nrs. 64 tot 66 en 79 tot 88 van de heer Laeremans worden achtereenvolgens verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 57 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 57/1 (nieuw)

Amendement nr. 67

De heer Laeremans dient amendement nr. 67 in (stuk Senaat, nr. 5-1674/2) teneinde een artikel 57/1 (nieuw) in te voegen met betrekking tot artikel 43bis van de wet op het taalgebruik in gerechtszaken dat de taalkennis en de taalverhoudingen betreft binnen de hoven van beroep, met dien verstande dat er een afzonderlijk hof van beroep voor Vlaams Brabant te Leuven wordt opgericht.

Het hof van beroep van Brussel is dan nog enkel bevoegd is voor de 19 Brusselse gemeenten.

Voor nadere toelichting wordt naar het amendement en zijn verantwoording verwezen.

Amendement nr. 67 wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 57/2 (nieuw)

Amendement nr. 68

De heer Laeremans dient amendement nr. 68 in (stuk Senaat, nr. 5-1674/2) teneinde een artikel 57/2 (nieuw) in te voegen, dat artikel 43ter van de wet op het taalgebruik in gerechtszaken wijzigt.

Zo worden in paragraaf 2 de woorden « en in Arbeidshof te Antwerpen » vervangen door de woorden « , in het Arbeidshof te Antwerpen en in het Arbeidshof te Leuven ».

Ook in het arbeidshof van Brussel en bij het arbeidsauditoraat-generaal wordt de regel ingevoerd dat er ten minste een vierde magistraten zijn die door hun diploma bewijzen dat zij de examens van het licentiaat in de rechten in het Frans hebben afgelegd, en ten minste een vierde magistraten die door hun diploma bewijzen dat zij de examens van het licentiaat in de rechten in het Nederlands hebben afgelegd. »;

Bovendien wordt bepaald dat twee derden van de leden het bewijs leveren van de kennis van de andere landstaal en dat alle nieuwe magistraten de passieve kennis van de andere landstaal moeten aantonen.

Amendement nr. 68 wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 57/3 (nieuw)

Amendement nr. 69

De heer Laeremans dient amendement nr. 69 in (stuk Senaat, nr. 5-1674/2) teneinde een artikel 57/3 (nieuw) in te voegen, dat in artikel 43quinquies een nieuw niveau van taalexamen invoegt, waarmee de louter passieve schriftelijke en mondelinge kennis kan worden aangetoond. Dit wordt in de eerste plaats ingevoerd voor de Brusselse parketmagistraten en de magistraten bij het Brussels hof van beroep en arbeidshof.

Voor nadere uitleg wordt naar het amendement en de verantwoording verwezen.

Amendement nr. 69 wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 58

Amendement nr. 70

De heer Laeremans dient amendement nr. 70 in (stuk Senaat, nr. 5-1674/2) dat ertoe strekt artikel 58 te vervangen.

De heer Laeremans herinnert eraan dat alle griffiers van de rechtbanken van Brussel momenteel beide landstalen moeten kennen. Dit ontwerp strekt ertoe die tweetaligheidsvereiste te herleiden tot een derde van de griffiers. Amendement nr. 70 beoogt die eis op te trekken tot de helft van de griffiers in de Franstalige en Nederlandstalige rechtbanken van Brussel.

De heer Laeremans vraagt vervolgens uitleg over de draagwijdte van het in het 2º van artikel 58 voorgestelde tweede lid in. Het lid regelt de taalvereisten, meer bepaald voor de griffiers van de vredegerechten van Brussel. Om welke vredegerechten gaat het ? Moet men uit die bepaling afleiden dat de vereisten inzake talenkennis ook van toepassing zijn op de griffiers van de vredegerechten van Dilbeek, Halle of Vilvoorde ?

De vertegenwoordiger van de staatssecretaris antwoordt dat de interpretatie van de tekst ingewikkeld wordt omdat er leden worden ingevoegd in artikel 53 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. De tekst moet op een geconsolideerde manier worden gelezen om de draagwijdte ervan precies te vatten.

Artikel 53, § 3, eerste lid, van de wet van 15 juni 1935, bepaalt dat, om in het ambt van griffier te worden benoemd in het arrondissement Brussel, de betrokkene het bewijs moet leveren van de kennis van beide landstalen. Het huidige tweede lid, dat het vierde lid zal worden na de invoeging van twee nieuwe leden via het wetsontwerp, preciseert bovendien dat, voor de politierechtbanken van Halle en Vilvoorde en in de gerechtelijke kantons die uitsluitend uit gemeenten van het Nederlandse taalgebied bestaan, enkel de kennis van de Nederlandse taal is vereist.

Het in artikel 58, 2º, voorgestelde tweede lid bij van het ontwerp preciseert dat de nieuwe regel van talenkennis voor de griffiers van toepassing is« onverminderd het vierde lid ». Het toekomstige vierde lid komt overeen met het tweede lid van de huidige tekst, waardoor tweetaligheid is uitgesloten voor de griffiers van kantons als Dilbeek, Halle enz. die in het Nederlandse taalgebied liggen.

De heer Laeremans vermeldt vervolgens artikel 58, 4º. Het voorgestelde lid voorziet in een tijdelijke uitzondering voor mensen die zich ertoe verbinden een taalexamen af te leggen en lessen te volgen. Dergelijke systemen zijn gevaarlijk want ze kunnen de vereisten inzake talenkennis uithollen. Spreker verwijst naar wat in Brussel is gebeurd in het kader van de taalhoffelijkheidsakkoorden. Met die akkoorden kon men niet-tweetaligen aanwerven die binnen een bepaalde termijn een taaltest moesten afleggen. Dat uitzonderingssysteem heeft geleid tot een algemene niet naleving van de taalwetten. Spreker zou niet willen dat het voorgestelde uitzonderingssysteem in de tekst tot dergelijke misbruiken leidt.

De vertegenwoordiger van de staatssecretaris antwoordt dat het voorgestelde lid een technische overgangsmaatregel is waarmee het personeelsbestand snel tot 90 % kan worden ingevuld met het oog op de inwerkingtreding van de hervorming.

De heer Laeremans heeft hier begrip voor maar men moet voorkomen dat overgangsmaatregelen een definitieve vorm krijgen. Spreker stelt vast dat het ambt ophoudt te bestaan als de personeelsleden niet deelnemen aan het examen of niet slagen binnen de vooropgestelde termijn. De laatste zinsnede van het lid voorziet toch in een voorbehoud voor die ambtsbeëindiging indien« de voornoemde regel wordt nageleefd voor het ambt dat ze uitoefenen ». Hoe moet men dat voorbehoud interpreteren ?

De vertegenwoordiger van de staatssecretaris antwoordt dat het om een situatie gaat waarbij het quotum van een derde tweetalige griffiers zou zijn bereikt voor de betrokken griffie of het secretariaat dankzij de aanwezigheid van collega's die voor het examen zijn geslaagd.

De heer Laeremans betreurt dat men van bepaalde personen kan denken dat zij een functionele kennis van de andere landstaal hebben vóór zij slagen in hun taalexamen.

Amendement nr. 70 wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 58 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 59

De heer Laeremans merkt op dat het 2 secretarissen, parketjuristen, en de niveaus B, C en D beoogt. Waarom spreekt men niet over referendarissen ? Van welk kader zullen de referendarissen deel uitmaken ?

De staatssecretaris antwoordt dat artikel 53 van de wet van 15 juni 1935 (art. 58 van het wetsontwerp) de kaders voor het personeel van de zetel beoogt, met inbegrip van de referendarissen. Het voorgestelde artikel 54bis (art. 59 van het wetsvoorstel) beoogt het personeel van de parketten. De parketjuristen zijn, op het niveau van het parket, wat de referendarissen zijn op het niveau van de zetel.

De heer Laeremans stelt vast dat het voorgestelde 3, tweede lid, bepaalt dat een derde van de parketsecretarissen van het gerechtelijk arrondissement Brussel kennis van de tweede landstaal moet aantonen. Zijn er taalvereisten voor de parketjuristen ?

De staatssecretaris verwijst naar zijn vorige verklaringen. Momenteel zijn er in Brussel geen taalvereisten voor de referendarissen en de parketjuristen. Het wetsontwerp voert een vereiste inzake talenkennis in voor een derde van de parketsecretarissen van het gerechtelijk arrondissement van Brussel.

De heer Laeremans wijst erop dat het 3, tweede lid, enkel de parketsecretarissen beoogt maar niet de referendarissen.

De staatssecretaris antwoordt dat artikel 58 van het wetsontwerp dit probleem voor de referendarissen regelt. In het 1 wordt bepaald dat de verdeelsleutels van toepassing zijn voor de vaststelling van de kaders van de griffiers, referendarissen en personeelsleden die verbonden zijn aan de griffies van de Brusselse rechtbanken.

De heer Laeremans vindt dat de bepalingen die de taalvereisten regelen voor de verschillende categorieën personeel onduidelijk en moeilijk te interpreteren zijn.

De staatssecretaris merkt op dat het voorgestelde artikel 54ter, § 1, (artikel 60 van het wetsontwerp) alle verwarring wegneemt betreffende de interpretatie van de bepalingen. Er wordt immers in bepaald dat de verschillende artikelen inzake taalvereisten van toepassing zijn op de deskundigen, de administratieve deskundigen en de assistenten, zowel in de griffies als in de parketsecretariaten, alsook, in het gerechtelijk arrondissement Brussel, op de referendarissen en de parketjuristen.

De heer Laeremans herinnert eraan dat nauwelijks 11,3 % van het parketpersoneel — namelijk 47 van de 416 personeelsleden — aan de tweetaligheidsvereisten voldoen. Er is een schrijnend tekort aan tweetalig personeel binnen de Brusselse parketten. Hoe gaat men dat quotum van één derde halen ? Trouwens, waarom moet er in dat quotum worden voorzien voor het parket van Halle-Vilvoorde dat in een eentalige Nederlandstalige regio ligt ? Spreker vraagt hoe die vereiste van een derde tweetaligen gecombineerd gaat worden met de in artikel 61 bepaalde 90 %-regel ?

De staatssecretaris verwijst naar artikel 72 van het wetsontwerp dat een antwoord geeft op de bezorgdheid van spreker. De vereiste van een derde tweetaligen zal enkel van toepassing zijn op de referendarissen en de parketjuristen die worden aangeworven na de inwerkingtreding van de hervorming. Die datum hangt af van de bekendmaking van het door de Koning vastgestelde besluit dat de kaders voor 90 % is ingevuld.

De heer Laeremans leidt daaruit, a contrario, af dat in alle overige gevallen waarvoor men het nieuwe systeem in werking wil laten treden, met toepassing van de 90 %-drempel, vooraf voldaan moet zijn aan de vereiste van een derde tweetaligen.

De staatssecretaris bevestigt dat het specifieke systeem van artikel 72 slechts geldt voor de referendarissen en de parketjuristen.

Om de 90 %-drempel gemakkelijker te halen, wordt er tijdelijk bepaald dat personen die willen deelnemen aan een taalexamen beschouwd worden als mensen met een functionele kennis van de tweede landstaal.

Artikel 59 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 60

De heer Laeremans wenst te weten wat er in de voorgestelde § 1 van artikel 60 precies bedoeld wordt met het onderscheid tussen « deskundigen, administratieve deskundigen en assistenten »

De vertegenwoordiger van de minister van Justitie legt uit dat het personeelsbestand van de griffies en de parketten is opgedeeld in verschillende niveaus : niveau D bestaat uit medewerkers, niveau C bestaat ook uit slechts één graad, namelijk de assistenten. Niveau B bestaat uit een dubbele graad, zowel administratieve deskundigen als deskundigen waarbij vooral technische functies worden bedoeld zoals boekhouders en vertalers.

De heer Laeremans is van mening dat zij niet meetellen voor de 90 % voor de taalkaders. De 1/3-regel is op hen van toepassing.

De vertegenwoordiger van de minister van Justitie legt uit dat de 1/3 regel alleen niet van toepassing is op niveau D.

De heer Laeremans betreurt dit omdat de deskundige die goed werkt maar toevallig Nederlandstalig is, in overtal zal geplaatst worden, enkel omdat hij Nederlandstalig is. Spreker begrijpt ook niet waarom er maar 20 % Nederlandstaligen mogen zijn.

De vertegenwoordiger van de heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming legt uit dat dit een uitdovend kader is. Er is dus geen verplicht vertrek van het personeel.

De heer Laeremans betreurt dat men op lange termijn moet vertrekken. Hij vindt dit een vorm van anti-Vlaams racisme.

Artikel 60 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikelen 60/1 tot 60/3 (nieuw)

Amendement nr. 71

De heer Laeremans dient amendement nr. 71 in (stuk Senaat nr. 5-1674/2) dat strekt om een hoofdstuk 4/1 in te voegen, dat de artikelen 60/1 tot 60/3 (nieuw) bevat.

De indiener stelt voor diverse wijzigingen aan te brengen aan de wet van 3 april 1953 betreffende de rechterlijke inrichting om rekening te houden met de wijzigingen die hij heeft voorgesteld in andere amendementen, teneinde een verticale splitsing van het gerechtelijk arrondissement B-H-V te verwezenlijken.

Artikel 60/4 (nieuw)

Amendement nr. 72

De heer Laeremans dient amendement nr. 72 in (stuk Senaat nr. 5-1674/2), dat strekt om een hoofdstuk 4/2 in te voegen, dat artikel 60/4 (nieuw) bevat.

De indiener stelt voor wijzigingen aan te brengen aan de wet van 7 juli 1969 tot vaststelling van de personeelsformatie van de arbeidshoven en -rechtbanken, om rekening te houden met de wijzigingen die hij in andere amendementen heeft voorgesteld.

Artikelen 60/5 en 60/6 (nieuw)

Amendement nr. 73

De heer Laeremans dient amendement nr. 73 in (stuk Senaat nr. 5-1674/2), dat strekt om een hoofdstuk 4/3 in te voegen, dat de artikelen 60/5 en 60/6 (nieuw) bevat.

De indiener stelt voor een reeks wijzigingen aan te brengen aan de wet van 15 juli 1970 tot vaststelling van de personeelsformatie van de rechtbanken van koophandel en tot wijziging van de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek. Er wordt verwezen naar de verantwoording van amendement nr. 71 van dezelfde indiener.

Artikel 60/7 (nieuw)

Amendement nr. 74

De heer Laeremans dient amendement nr. 74 in (stuk Senaat nr. 5-1674/2), dat strekt om een hoofdstuk 4/4 in te voegen, dat artikel 60/7 (nieuw) bevat.

De indiener stelt voor wijzigingen aan te brengen aan de wet van 14 december 1970 tot vaststelling van de personeelsformatie van de plaatsvervangende rechters in de arbeidsrechtbanken en in de rechtbanken van koophandel. Er wordt verwezen naar de verantwoording van amendement nr. 71 van dezelfde indiener.

Artikel 60/8 (nieuw)

Amendement nr. 75

De heer Laeremans dient amendement nr. 75 in (stuk Senaat nr. 5-1674/2), dat strekt om een hoofdstuk 4/5 in te voegen, dat artikel 60/8 (nieuw) bevat.

De indiener stelt voor wijzigingen aan te brengen aan de wet van 16 juli 1970 tot vaststelling van de personeelsformatie van de politierechtbanken. Het amendement stelt een personeelsformatie voor de politierechtbanken voor op basis van een verdeling van 75 % F en 25 % NL.

Artikel 60/9 (nieuw)

Amendement nr. 76

De heer Laeremans dient amendement nr. 76 in (stuk Senaat nr. 5-1674/2), dat strekt om een hoofdstuk 4/6 in te voegen, dat artikel 60/9 (nieuw) bevat.

De indiener stelt voor wijzigingen aan te brengen aan de wet van 2 juli 1975 tot vaststelling van de personeelsformatie van de rechtbanken van eerste aanleg. Er wordt naar de verantwoording van amendement nr. 71 verwezen.

Artikelen 60/10 tot 60/15 (nieuw)

Amendement nr. 77

De heer Laeremans dient amendement nr. 77 in (stuk Senaat nr. 5-1674/2), dat strekt om een hoofdstuk 4/7 in te voegen, dat de artikelen 60/10 tot 60/15 (nieuw) bevat.

De indiener stelt voor wijzigingen aan te brengen aan het koninklijk besluit van 29 januari 2007 tot vaststelling van de territoriale bevoegdheid van de strafuitvoeringsrechtbanken. De wijzigingen aan de territoriale bevoegdheid zijn noodzakelijk wegens de verticale splitsing van het gerechtelijk arrondissement B-H-V, die hij in andere amendementen voorstelt.

Artikelen 60/16 tot 60/18 (nieuw)

Amendement nr. 78

De heer Laeremans dient amendement nr. 78 in (stuk Senaat nr. 5-1674/2), dat strekt om een hoofdstuk 4/8 in te voegen, dat de artikelen 60/16 tot 60/18 (nieuw) bevat.

De indiener stelt voor wijzigingen aan te brengen aan het koninklijk besluit van 10 augustus 2001 betreffende de instelling van afdelingen in de arbeidshoven, de arbeidsrechtbanken, de rechtbanken van koophandel en de politierechtbanken. Die wijzigingen vloeien voort uit de verticale splitsing van het gerechtelijk arrondissement B-H-V, die de heer Laeremans verdedigt.

De amendementen nr. 71 tot 78 worden verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 61

Amendement nr. 3

De heren Vanlouwe en Boogaerts dienen het amendement nr. 3 in, subsidiair op amendement nr. 1 (stuk Senaat, nr. 5-1674/2) dat ertoe strekt om artikel 61 te vervangen en de artikelen 62 tot 72 te doen vervallen.

De heer Vanlouwe is van mening dat de institutionele meerderheid zich het leven een stuk gemakkelijker had kunnen maken door gewoonweg te beslissen dat de werklastmeting nu wordt uitgevoerd op basis van de objectieve cijfergegevens, en dat de hervorming pas in werking treedt nadat deze werklastmeting werd afgerond.

De werklastmeting is volgens spreker een window dressing om de taalkaders 80/20 in de toekomst te behouden.

Spreker vraagt om zijn amendement aan te nemen zodat de wet pas in werking zal treden als de werklastmeting is uitgevoerd. Op deze manier zou de werklastmeting correct zijn uitgevoerd wat in het belang was van zowel de Franstaligen als de Nederlandstaligen want « meten is weten ». Het principe wordt weliswaar vooropgesteld door de institutionele meerderheid maar zij wil het niet uitvoeren.

De heer Anciaux antwoordt dat de acht partijen van de institutionele meerderheid stellen dat men moet werken op basis van de werklastmeting. Zij zijn echter realistisch genoeg om te beseffen dat dit niet van vandaag op morgen kan gebeuren. De vooropgestelde timing is al zeer krap, waarbij de beslissing van de werklastmeting nu genomen wordt. De proof of the pudding is in the eating en als de werklastmeting binnen de vooropgestelde timing niet wordt voorzien, zullen er gevolgen zijn die niet door de institutionele meerderheid bedoeld zijn.

Volgens de heer Laeremans is dit niet de bedoeling van een aantal leden van de meerderheid maar als de werklastmeting uitblijft, dan valt men terug op de 20/80 verdeling.

De heer Anciaux rekent in deze op de goede wil en als de rechtbanken toch in overgrote meerderheid Nederlandstalig zijn, zal er zeer veel medewerking zijn. De institutionele meerderheid zal haar politieke verantwoordelijkheid in deze nemen ook al zouden de magistraten en de parketten niet meewerken. De Hoge Raad voor Justitie heeft in haar ambtshalve advies betreffende de splitsing van het gerechtelijk arrondissement te Brussel van 30 mei 2012 gesteld dat er een aantal mechanismen zijn voorzien om te komen tot die werklastmeting. Er is volgens spreker genoeg voluntarisme van de acht partijen van de institutionele meerderheid om dit tot een goed einde te brengen.

De heer Vanlouwe vraagt dat, indien de institutionele meerderheid het echt meent met de werklastmeting, waarom zij dan in afwachting niet de huidige kaders behoudt. Heeft men eigenlijk niet de bedoeling de 80/20 verhouding te verankeren ?

De heer Anciaux antwoordt dat de 80/20 verhouding een dubbel aspect heeft. Voor de parketten is dit in het voordeel van de Nederlandstaligen, voor de zetel zal het aantal Nederlandstalige magistraten 27 % bedragen in afwachting van de werklastmeting.

De heer Laeremans is van oordeel dat er voor de parketten geen status quo is. De Vlamingen krijgen één of twee magistraten meer, maar de Franstaligen krijgen er wel twintig bij. De regeling voor de magistratuur in Brussel, behalve dan voor de overheidsregeling voor het personeel, is aanvaardbaar. De 20/80 regeling mag echter niet als principe worden doorgetrokken voor het geheel van BHV zonder dat het gebaseerd is voor de werklastmeting. Halle-Vilvoorde wordt zo gedegradeerd tot een aanhangsel van Brussel en wordt voorgoed de mogelijkheid ontnomen om op te gaan in een groter provinciaal geheel.

De heer Moureaux wijst erop dat er in het vijfde lid van artikel 61 een nogal klassieke wetgevingstechnische fout is gemaakt. Het comité ter opvolging is de weerspiegeling van de huidige samenstelling van de regering, die nu twee staatssecretarissen voor Staatshervorming telt. Die samenstelling kan echter veranderen.

De heer Vanlouwe verwacht dat een volgende regering zich opnieuw met de staatshervorming zal moeten bezighouden.

De heer Laeremans wenst de juiste samenstelling te kennen van het comité ter opvolging van de procedure van de inwerkingtreding van de hervorming kennen. Zal men ook voltijds personeelskader voorzien voor dit comité ?

De vertegenwoordiger van de heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervoming, antwoordt dat dit comité zal opgericht worden in de schoot van de regering.

Amendement nr. 89

De heer Laeremans dient het amendement nr. 89 in (stuk Senaat, nr. 5-1674/2) dat ertoe strekt om het eerste lid van artikel 61, als volgt te vervangen : « Deze wet treedt in werking zodra elk van de kaders en elk van de taalkaders bepaald overeenkomstig de artikelen 57 tot 60 voor 90 % zijn ingevuld, en alleszins ten laatste op 1 april 2014. »

Liefst zou de heer Laeremans zien dat deze wet er helemaal niet komt maar in subsidiaire orde wil hij toch een datum vaststellen voor de inwerkintreding. Het is immers te vrezen dat de griffies lang niet volzet zijn en dit in de toekomst ook niet het geval zal zijn. Aldus wil spreker vermijden dat men naar een definitieve 20/80 verdeling gaat, zonder dat de werklastmeting wordt uitgevoerd.

Amendement nr. 3 wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Amendement nr. 89 wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 61 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 62

Dit artikel wordt zonder bespreking aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 63

De heer Laeremans verwijst naar het tweede lid van § 3 van artikel 63 waarin gesteld dat de toegevoegde magistraten geïntegreerd worden in de rechtbanken. Het systeem van toegevoegde magistraten is voor een deel ingevoerd in Brussel om de tweetaligheidsvereiste te omzeilen. Men heeft ook in heel het land toegevoegde magistraten voorzien om bepaalde situaties te verhelpen. Betekent dit, als men in Brussel 276 nieuwe benoemingen doet -via nieuwe aanwervingen of via mobiliteit van de Nederlandstalige naar de Franstalige rechtbank- dat men zich ertoe verbindt om voorlopig geen toegevoegde magistraten meer aan te werven ?

De vertegenwoordiger van de heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming antwoordt dat de vraag van de heer Laeremans buiten het kader gaat van § 3 van artikel 63. Deze § betreft enkel de toegevoegde rechters die nu door de Koning zijn aangewezen, om hun ambt uit te oefenen bij de Brusselse rechtbanken zij worden uiteraard opgenomen in het kader. Voor het overige blijft artikel 86bis als dusdanig bestaan, bijvoorbeeld bij toepassing van specifieke maatregelen die in het comité ter opvolging van de inwerkingtreding van de hervorming (monitoring comité), overeenkomstig artikel 61, zesde lid, aan bod zouden kunnen komen.

De heer Laeremans zou wensen dat de heer Verherstraeten, staatssecretaris voor Staatshervorming minstens een engagement zou nemen om vooralsnog geen toegevoegde magistraten meer aan te werven. Spreker vindt dat Brussel, met dit systeem wel zeer royaal bediend is

Artikel 63 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikel 64

De heer Laeremans verwijst naar § 4 van artikel 64 waarin gesteld wordt dat men bij de Franstalige rechtbank, enkel Nederlandstaligen mag aanwerven ten belope van het aantal tweetaligen, dus maximaal één derde (stuk Kamer, nr. 53 2140/009, blz. 41). Wil dit zeggen dat er een verbod is om een Nederlandstaligen aan te werven bij de Franstalige griffie zodra aan de eis van één derde « zogenaamd » tweetaligen is voldaan ?

De vertegenwoordiger van de heer Verherstraeten, staatssecretaris voor de Staatshervorming, stelt dat § 4 zeer duidelijk is. In fine van het eerste lid van § 4 wordt immers gesteld dat : « ten belope van het aantal tweetaligen dat nog moet worden aangeworven om het vereiste een derde tweetaligen bij de betrokken rechtbank te bereiken. » (stuk Kamer, nr. 53 2140/009, blz. 41). Binnen dit kader is het eerste deel van het eerste lid van § 4 van toepassing.

De heer Laeremans concludeert dat dit enkel van toepassing is op de rechtbanken en niet op de parketten.

Artikel 64 wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

Artikelen 65 tot 72

De artikelen 65 tot 72 worden achtereenvolgens aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

B. Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt en de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, ten gevolge van de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel (stuk Senaat, nr. 5-1675/1)

Amendement nr. 1

De heer Laeremans dient het amendement nr. 1 in (stuk Senaat, nr. 5-1675/2) dat ertoe strekt alle artikelen van dit wetsontwerp te doen vervallen.

De heer Laeremans stelt dat hij niet gelooft in de wijze waarop het gerechtelijk arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde wordt hervormd. Hij dringt aan op een verticale splitsing.

De heer Vanlouwe stelt vast dat dit wetsontwerp is afgesplitst van het wetsontwerp van het wetsontwerp betreffende de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel (stuk Senaat, nr. 5-1674/1). Dit verwondert hem enigszins. Spreker verwijst naar het advies van de Raad van State waarin wordt gesteld dat « Omwille van de rechtszekerheid is het aangewezen het wetsvoorstel op te splitsen in twee delen, waarbij in het eerste alle bepalingen worden samengebracht die betrekking hebben op de « essentiële elementen » en in het tweede alle andere bepalingen. Op die wijze zou duidelijkheid worden geschapen over welke bepalingen enkel gewijzigd kunnen worden met een bijzondere meerderheidswet, met name de in het eerste deel opgenomen bepalingen. » (stuk Kamer, nr. 53 2140/002). Deze bemerking is hier niet gevolgd.

De vertegenwoordiger van de heer Verherstraeten, staatssecretaris voor de Staatshervorming, antwoordt dat hierop in de Kamer van volksvertegenwoordigers reeds een antwoord werd gegeven. Hij verwijst in dit verband naar het verslag namens de commissie voor de herziening van de grondwet en de hervorming van de instellingen betreffende het wetsvoorstel betreffende de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel en het wetsvoorstel tot oprichting van een gerechtelijk arrondissement Halle-Vilvoorde, van de Nederlandstalige en Franstalige rechtbanken in het arrondissement Brussel en van het hof van beroep te Leuven (stuk Kamer, nr. 53 2140/005, blz. 72).

Mevrouw de Bethune antwoordt dat de opsplitsing in de Kamer van volksvertegenwoordigers is gebeurd. De organisatie van de hoven en rechtbanken valt onder artikel 77, 9º van de Grondwet, terwijl het wetsontwerp tot wijziging van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt en de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus hier niet onder valt. Het gaat dus om een toepassing van de jurisprudentie tussen Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat betreffende de artikelen 77 en 78 van de Grondwet. Het heeft niets te maken met de door de heer Vanlouwe gestelde vraag.

De heer Vanlouwe is van oordeel dat men niet zomaar mag verwijzen naar de bespreking in de Kamer van volksvertegenwoordigers. Het debat moet in deze ook grondig worden gevoerd in de Senaat.

Volgens de heer Anciaux is het debat zeer grondig en zelfs breder gevoerd in de Senaat.

Het amendement wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

C. Ontwerp tot invoeging van een artikel 157bis in de Grondwet; stuk Senaat, nr. 5-1673/1

Amendement nr. 1

De heer Laeremans dient amendement nr. 1 in (zie stuk Senaat, nr. 5-1673/2) dat ertoe strekt het enig artikel te doen vervallen.

Voor de toelichting van zijn amendement verwijst hij naar zijn tussenkomst in de algemene discussie en naar zijn schriftelijke verantwoording.

De heer Anciaux komt terug op uitspraken omtrent een eventuele overheveling van de bevoegdheid justitie naar de deelgebieden. Volgens de heer Laeremans wordt dit onmogelijk gemaakt omdat de ontdubbeling van het gerechtelijk arrondissement Brussel grondwettelijk wordt gebetonneerd.

Spreker betwist dit ten stelligste; indien een regionalisering van de bevoegdheid justitie zou worden overwogen kan dit met een 2/3e meerderheid in elke taalgroep. Dit geldt ook voor de beweerde grendel die zogezegd wordt vastgelegd op Halle- Vilvoorde.

Hij wijst er eveneens op dat de heer Laeremans zelf heeft verklaard dat hij grote voorstander is van het feit dat de bevoegdheid justitie over Brussel 19 federaal moet blijven. Zou de heer Laeremans « het » argument hebben gevonden om België te behouden ?

Het argument dat er een bijkomend drempel wordt gelegd houdt bijgevolg geen steek gelet op de meerderheidsvereisten.

De heer Laeremans bedoelde hiermee dat de bevoegdheid justitie over Brussel best federaal blijft zolang België bestaat. Het justitiebeleid in een hoofdstad gaat het hele land aan. De greep van Franstalig Brussel op Halle-Vilvoorde wordt gebetonneerd in de Grondwet en verhindert de autonomie van justitie in Vlaams Brabant.

De heer Vanlouwe merkt op dat de meerderheidspartijen met een gewone meerderheid de territoriale bevoegdheid van de ontdubbelde rechtbanken willen wijzigen. Gaan we de territoriale bevoegdheid van de Franstalige rechtbanken in de toekomst dan ook kunnen wijzigen met een gewone meerderheid ? Of met een bijzondere meerderheid ? De heer Anciaux heeft zelf toegegeven dat de keuze van de gewone meerderheid niet ideaal was.

De heer Anciaux verwijst naar de tekst van artikel 157bis in de Grondwet.

Het amendement wordt verworpen met 12 tegen 5 stemmen.

VI. VERKLARINGEN VOOR DE STEMMINGEN

Verwijzend naar het schilderij « Ceci n'est pas une pipe » van René Magritte, stelt de heer Vanlouwe dat ook dit wetsontwerp geen splitsing, maar slechts een ontdubbeling is. Daarbij worden een reeks van compensaties, voorrechten en uitzonderingen voor Franstaligen in het leven geroepen die nu reeds de kiemen voor bijkomende problemen in zich dragen.

In Vlaams-Brabant krijgen de Franstaligen meer privileges en voorrechten, die daarenboven vergrendeld worden en dus moeilijk aanpasbaar. In Waals-Brabant krijgt geen enkele Vlaming dezelfde voorrechten of privileges en in Brussel wordt de tweetaligheid verminderd.

Vlaamse toegevingen worden vergrendeld zodat ze alleen nog met bijzondere wetten kunnen worden gewijzigd.

Het pijnlijkste in heel deze bespreking is dat de meerderheid waarschijnlijk zal verkondigen dat zij Brussel-Halle-Vilvoorde hebben gesplitst, terwijl hetgeen voorligt, namelijk de ontdubbeling, nooit werd gevraagd.

De constitutionele meerderheid had de moed niet om hoorzittingen te organiseren en probeert nu zelfs het akkoord zo veel mogelijk uit de media te houden uit vrees voor gegronde kritiek. Deze meerderheid verkiest een regeling door te voeren die opnieuw tot bijkomende conflicten zal leiden. Dit is geen goede zaak, noch voor de magistratuur, noch voor de advocatuur, noch voor de rechtsonderhorigen (met uitzondering van de Franstalige rechtsonderhorigen).

Kortom, het akkoord over de ontdubbeling van het gerechtelijk arrondissement is dan nefast voor de democratie.

Voor de heer Laeremans is de doorgevoerde hervorming rampzalig voor de Nederlandstaligen, zeker voor de actoren (magistraten, advocaten, Raad van State en Hoge Raad voor de Justitie) die duidelijk hebben aangetoond dat de hervorming zwaar over de schreef gaat en irrationeel is.

Er zullen 267 bijkomende Franstalige personeelsleden in Brussel worden aangeworven, zonder enige ernstige objectieve verantwoording en zonder dat de werklastmeting is uitgevoerd. Dit is onbegrijpelijk, vooral gezien de huidige budgettaire krapte en wetende dat tezelfdertijd personeel van de justitiehuizen moet afvloeien om besparingsreden.

Daarenboven wordt de bestaande duidelijk afbakening tussen Brussel en Halle- Vilvoorde doorbroken en krijgen Franstalige magistraten meer macht krijgen over Halle-Vilvoorde. Halle-Vilvoorde wordt vastgekluisterd aan Brussel en aldus een wingewest voor verdere juridische verfransing, op termijn zelfs voor uitbreiding van de Franstalige balie.

Problematisch is vooral dat het publiek hiervan geen weet mag krijgen, waaraan heel wat kranten hebben meegewerkt. Spreker brengt daarvoor hulde aan enkele journalisten die wel gepoogd hebben de schrijnende discriminaties onder de aandacht te brengen (zoals de heer Lars Bové van « De Tijd »). Ook Belga heeft gepoogd de toestand op een correcte wijze verslag uit te brengen, maar zij zijn de uitzonderingen.

Spreker begrijpt niet dat Nederlandstalige parlementsleden dit wetsontwerp kunnen stemmen, zonder enige amendering, goed wetende dat het fouten, grove onrechtvaardigheden en nieuwe discriminaties bevat.

De heer Anciaux is ervan overtuigd dat tijdens de besprekingen niet geaarzeld werd om in debat te gaan met de oppositie. Het debat werd zowel door oppositie als meerderheid grondig gevoerd en de staatssecretaris kon veel verhelderende antwoorden geven.

Spreker heeft het aanvoelen dat tijdens de voorbije week gepoogd is het voorliggende wetsontwerp af te schilderen als een nederlaag over de ganse lijn voor de Nederlandstaligen. Dit is niet juist. Het akkoord is geen fantastische overwinning voor de Nederlandstaligen, maar ook niet voor de Franstaligen. Een aantal bepalingen zijn, zeker op termijn, in het voordeel van de rechtsbedeling. Het feit dat het parket in Brussel en Halle-Vilvoorde gesplitst wordt, is zonder meer een stap vooruit in één van de doelstellingen, namelijk de criminaliteitsbestrijding in Halle-Vilvoorde en de verschillende aanpak die de Vlaamse rand rond Brussel verdient.

Er werd op gewezen dat in het kader van het parket, zowel voor de Nederlandstaligen als de Franstaligen, voldoende garanties zijn ingebouwd om te komen tot een degelijk vervolgingsbeleid. Daar kan niet veel kritiek op gegeven worden. Er zijn bovendien een aantal maatregelen genomen die de tweetaligheid meer ten goede kunnen komen dan voordien het geval was. De tweetaligheid wordt zeker niet afgebouwd.

Wat de rechtbanken betreft, is het zo dat het voorliggende ontwerp geen zuivere splitsing voorstelt. De heer Anciaux is echter tevreden met het feit dat één Nederlandstalige rechtbank voor Brussel en Halle-Vilvoorde globaal bevoegd blijft. Er wordt wel een ontdubbeling gerealiseerd : er is een Nederlandstalige en een Franstalige rechtbank. Dit werd altijd al gevraagd en zal ervoor zorgen dat in de praktijk er meer eentalig kan opgetreden worden dan nu het geval is. Dit ligt dus in de dynamiek van de splitsingsvoorstellen die de laatste jaren werden gedaan.

De procedure is ingewikkeld, wat veroorzaakt werd door de compromissen die moesten gesloten worden. De Franstalige partijen van de institutionele meerderheid waren in essentie immers geen vragende partij voor een splitsing van het gerechtelijk arrondissement, noch voor een splitsing van het kiesarrondissement. Alles moet dus in zijn globaliteit bekeken worden. De Vlamingen realiseren een aantal verzuchtingen en de taalwetgeving wordt in essentie niet gewijzigd, ook al zijn er een aantal vereenvoudigingen voor de doorverwijzing naar een andere taal, op voorwaarde, in hoofdzaak, dat de twee partijen het daarmee eens zijn. Volgens de heer Anciaux is dit aanvaardbaar vermits dit wetsontwerp erop gericht is een betere rechtsbedeling te realiseren.

Veel zal afhangen van de werklastmeting, daar is iedereen het over eens. Het belang daarvan kan niet voldoende onderschreven worden. Spreker heeft echter zowel in deze commissie als in de regering, de plenaire vergadering en in andere commissies, al gemerkt dat er een zeer groot voluntarisme aanwezig is. De staatssecretaris heeft dit in deze commissie ook zeer sterk verwoord. De heer Anciaux heeft hier dan ook vertrouwen in. Zonder de werklastmeting zou het inderdaad geen goede zaak zijn en voor hem en voor veel mensen in Brussel en Halle-Vilvoorde is het essentieel dat die meting er komt. Als dan zou blijken dat dat in het nadeel is van de huidige situatie voor de Vlamingen in de parketten en de rechtbanken, dan is er een verantwoording voor.

De heer Anciaux is tevreden met dit wetsontwerp, dat een stap in de goede richting is en zeker geen « verdomd akkoord ». Het is niet correct het zo voor te stellen. Het is normaal dat er kritiek is, maar het voorstel zomaar verwerpen, is overdreven. Het is geven en nemen, maar kan leiden tot een goed akkoord op voorwaarde dat de werklastmeting er komt.

De heer De Croo stipt aan dat dit wetsontwerp inderdaad geen splitsing van het gerechtelijk arrondissement is, maar dat werd ook nooit zo aangekondigd. Er werd altijd verklaard dat het om een splitsing en een ontdubbeling gaat.

Sommigen zijn blijkbaar geobsedeerd door symbolen (het moest een splitsing zijn), terwijl de constitutionele meerderheid een oplossing zocht, geen symbolen.

De heer Delpérée maakt eerst en vooral een opmerking over de gevolgde werkmethode. De commissie heeft beslist geen hoorzittingen te houden, hoewel sommigen dat herhaaldelijk hebben gevraagd. Spreker onderstreept dat hij de rechters respecteert wanneer zij recht spreken. Ze zijn er om de wet te interpreteren en toe te passen maar niet om hem te maken, dat is de verantwoordelijkheid van de wetgever. Wanneer ze dus politiek bedrijven, zijn het burgers zoals de anderen en is hun mening geen evangelie.

Inhoudelijk deelt spreker de mening van de heer De Croo dat het hier niet om een splitsing gaat. Dat stond reeds in het politiek akkoord van 11 oktober en werd nooit verhuld.

Spreker voegt eraan toe dat die hervorming deel uitmaakt van een geheel. Hij heeft vroeger reeds uiteengezet dat hij niet enthousiast was over de splitsing van het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde.

Hij verklaart in dit stadium tevredener te zijn over de hervorming van het gerechtelijk arrondissement, omdat ze de rechten van de Franstaligen in de 54 gemeenten van BHV behoedt.

De heer Deprez verheugt zich over het debat dat heeft plaatsgevonden en dat over inhoudelijke problemen ging. Hij huldigt de oppositie, omdat ze aan alternatieve voorstellen heeft gewerkt. Het democratische spel werd volledig geëerbiedigd.

Hij betreurt niettemin dat hij de oppositie in een debat over justitie alleen de klemtoon heeft horen leggen op strikte taalaspecten. Er is bijna niets gezegd over de mogelijkheden die de tekst opent om de kwaliteit van het gerecht te verbeteren en om het gerecht dichter bij de burgers te brengen, met name door de oprichting van een parket dat een eigen beleid voor Halle-Vilvoorde kan voeren, en dankzij rechtbanken die in het Nederlands zullen werken. Men zal niet kunnen zeggen dat de Vlamingen in Brussel vergeten werden. Volgens spreker is men overdreven gefascineerd door de taalaspecten, die ongetwijfeld belangrijk zijn, maar het zijn niet de enige aspecten en ze zijn niet noodzakelijk de belangrijkste zorg van de burgers.

Spreker brengt ook hulde aan de staatssecretaris en zijn medewerkers om de kwaliteit van hun antwoorden.

Voor mevrouw Piryns is dit wetsontwerp een belangrijke stap in de staatshervorming. Het probleem was al jaren hangende en heeft voor veel wrevel op het terrein gezorgd. Het is dus goed dat er eindelijk een oplossing is gevonden.

Het sleutelwoord van het akkoord is « efficiëntie ». Door de splitsing van het parket in een parket Halle-Vilvoorde en een parket Brussel, zullen beide parketten zich kunnen toeleggen op de specifieke vormen van criminaliteit in hun regio. Dat zal leiden tot een efficiëntere justitie, een betere aanpak van criminaliteit, zowel in Brussel als in Halle-Vilvoorde, hetgeen alle inwoners ten goede komt.

Het feit dat de rechtbank in Brussel bevoegd blijft voor het hele grondgebied van Halle-Vilvoorde, maar wel ontdubbeld wordt, zal ook voor meer efficiëntie zorgen. Er is over gewaakt dat er zowel bij het parket als bij de rechtbank een voldoende aantal tweetalige magistraten worden aangeduid. Dat zal zeker tijdwinst opleveren. Wanneer twee partijen samen overeenkomen om van taal te veranderen, zal ook daar de procedure efficiënter verlopen.

Kortom, dit wetsontwerp is een belangrijke stap in de modernisering van justitie.

De heer Van Rompuy haalt drie belangrijke punten aan :

— voor het eerst zal er een eigen vervolgingsbeleid kunnen worden gevoerd in Halle-Vilvoorde;

— de taalwetgeving wordt in essentie niet gewijzigd, er is enkel in een vorm van objectivering voorzien;

— iedereen bevestigt het belang van een werklastmeting.

De heer Bousetta sluit zich namens zijn fractie aan bij de woorden van dank vanwege de vorige sprekers en is tevens verheugd over de kwaliteit van het debat.

Hoewel de Franstaligen geen vragende partij waren voor de bespreking, heeft zijn fractie zich van bij het begin bereidwillig opgesteld, lang geluisterd naar de verschillende standpunten, zelf ook bijgedragen tot de bespreking en haar verantwoordelijkheden op zich genomen.

Het gaat uiteraard over een algemeen akkoord en het moet ook als dusdanig worden gelezen. Het is noodzakelijke stap naar een beter evenwicht tussen de twee taalgemeenschappen. Spreker is dan ook verheugd dat men vandaag tot een besluit komt binnen een gepaste termijn.

De heer Cheron is verheugd dat een vorige spreker eer betoont aan een grote Belgische surrealistische schilder.

Deze spreker vergist zich echter van metafoor, want het ontwerp waarover zal worden gestemd, betreft de « hervorming van het gerechtelijk arrondissement ». Het gaat dus niet om een ontwerp dat de splitsing van dit arrondissement doorvoert.

Spreker hoopt dat deze tekst zal bijdragen tot een hervorming van het gerecht in wat men vandaag het gerechtelijk arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde noemt.

Hij sluit zich aan bij alle sprekers die hebben benadrukt dat deze hervorming in de allereerste plaats een hervorming op het vlak van justitie is, ook al werd ze door de oppositie bijna uitsluitend aangekaart vanuit de invalshoek van de taalproblematiek.

Hij verwijst naar een reeds vermeld arrest van het Hof van Cassatie, dat de Belgische Staat in 2006 in gebreke stelde met betrekking tot de gerechtelijke achterstand. De grote uitdaging bestaat erin tegemoet te komen aan dit arrest en ervoor te zorgen dat er voor alle rechtzoekenden in het gebied in de toekomst een aanzienlijke verbetering optreedt in deze essentiële materie, namelijk het recht op toegang tot een gerecht, dat uitspraak doet binnen een redelijke termijn.

VII. STEMMINGEN OVER HET GEHEEL

— Het wetsontwerp nr. 5-1674/1 betreffende de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel wordt in zijn geheel aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

— Het wetsontwerp nr. 5-1675/1 tot wijziging van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt en de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, ten gevolge van de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel wordt in zijn geheel aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.

De commissie stelt vast dat wetsvoorstel nr. 5-755, van de heren Laeremans en Ceder ingevolge de aanneming van deze twee wetsontwerpen vervalt.

— Het ontwerp nr. 5-1673/1 tot invoeging van een artikel 157bis in de Grondwet wordt aangenomen met 12 tegen 5 stemmen.


Dit verslag werd goedgekeurd met 13 stemmen bij 1 onthouding.

De rapporteurs, De voorzitster,
Muriel TARGNION. Bert ANCIAUX. Sabine de BETHUNE.

— De door de commissie aangenomen tekst van het ontwerp tot invoeging van een artikel 157bis in de Grondwet is dezelfde als de door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden tekst (stukken Kamer, nrs. 53-2141/4 en 6).

— De door de commissie verbeterde tekst van het wetsontwerp betreffende de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel is terug te vinden in stuk nr. 5-1674/4.

— De door de commissie aangenomen tekst van het wetsontwerp tot wijziging van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt en de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, ten gevolge van de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel is dezelfde als de door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden tekst (stuk Kamer, nr. 53-2280/1).

VIII. BIJLAGEN