5-550/2

5-550/2

Belgische Senaat

ZITTING 2011-2012

3 FEBRUARI 2012


Wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het onbetamelijk gedrag van een begunstigde en teneinde plaatsvervulling van de verwerpende erfgenaam toe te laten


AMENDEMENTEN


Nr. 1 VAN MEVROUW TAELMAN

Art. 2

Dit artikel vervangen door wat volgt :

« Artikel 203, § 3, van het Burgerlijk Wetboek wordt aangevuld met een tweede lid, luidende :

« De langstlevende echtgenoot kan van deze verplichting worden vrijgesteld ten aanzien van een kind dat zich tegenover de vooroverleden echtgenoot schuldig heeft gemaakt aan een van de feiten opgesomd in artikel 727. ». »

Verantwoording

Gezien de wet van 19 maart 2010, dient te worden verwezen naar artikel 203, § 3, van het Burgerlijk Wetboek in plaats van § 2.

Nr. 2 VAN MEVROUW TAELMAN

Art. 9

In het voorgestelde artikel 728 de volgende wijzigingen aanbrengen :

1º de woorden « rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar de nalatenschap is opengevallen » vervangen door de woorden « bevoegde rechtbank »;

2º de laatste zin vervangen door wat volgt :

« De eis moet worden ingesteld binnen een jaar na het overlijden of na de dag waarop de in artikel 727, §§ 2 en 3, vermelde feiten zijn ontdekt. ».

Verantwoording

1º Ten einde te vermijden dat bij een eventuele oprichting van de familierechtbank de bewoordingen van het wetsvoorstel achterhaald zijn, kan beter worden geopteerd om het begrip bevoegde rechtbank in te voegen;

2º de verjaringstermijn van één jaar laten lopen vanaf de dag waarop de feiten uit artikel 727, §§ 2 en 3, van het Burgerlijk Wetboek zijn bewezen, zou betekenen dat de burgerlijke of strafrechtelijke procedures hiertoe moeten zijn uitgeput. In geval deze procedures door de belanghebbenden niet zijn gevoerd, zou dit een te grote onzekerheid met zich meebrengen, zodat beter kan worden gekozen voor de ontdekking van de feiten als startpunt.

Nr. 3 VAN MEVROUW TAELMAN

Art. 13/1

Een artikel 13/1 invoegen, luidende :

« Art. 13/1. Artikel 742 van het Burgerlijk Wetboek wordt vervangen door wat volgt :

« In de zijlijn heeft plaatsvervulling plaats ten voordele van de kinderen en afstammelingen van broeders en zusters, ooms en tantes van de overledene, hetzij die tot de erfenis komen samen met ooms en tantes, hetzij de erfenis na vooroverlijden, onwaardigheid of verwerping van alle broeders en zusters, ooms en tantes van de overledene, vervalt aan hun afstammelingen in gelijke of ongelijke graden. ». »

Verantwoording

Aangezien in het wetsvoorstel werd geopteerd om artikel 740 van het Burgerlijk Wetboek aan te passen, zoals voorzien en verantwoord in het wetsvoorstel, is het voor de coherentie en logica van de door te voeren aanpassingen noodzakelijk ook artikel 742 van het Burgerlijk Wetboek aan te passen op dezelfde wijze als artikel 740 van het Burgerlijk Wetboek werd aangepast.

Nr. 4 VAN MEVROUW TAELMAN

Art. 19

In dit artikel de woorden « of van de dag waarop de in artikel 955, 1º en 2º, vermelde feiten bewezen zijn », vervangen door de woorden « of van de dag waarop zij de in artikel 955, 1º en 2º, vermelde feiten hebben ontdekt. ».

Verantwoording

Zie verantwoording amendement nr. 2.

Nr. 5 VAN MEVROUW TAELMAN

Opschrift

In het opschrift de woorden « het onbetamelijk gedrag van een begunstigde » vervangen door de woorden « de onwaardigheid van een erfgerechtigde ».

Verantwoording

Het is gepast om de term « onwaardigheid » te blijven gebruiken, ook in de titel van de wet, omdat die term verder ook in de aangepaste wetsartikelen nog wordt gebruikt. Ook omdat de nieuwe tekst voor de onwaardigheid weliswaar nieuwe voorwaarden invoert, maar verder niet raakt aan de betekenis daarvan namelijk uitsluiting uit de nalatenschap.

De term « begunstigde » wordt vervangen door « erfgerechtigde » omdat de ingevoerde regeling ertoe strekt een persoon die wettelijk tot de nalatenschap is geroepen, daarvan uit te sluiten; zo'n persoon is geen « begunstigde ».

Nr. 6 VAN MEVROUW TAELMAN

(Subamendement op amendement nr. 1)

Art. 2

Het voorgestelde lid vervangen door wat volgt :

« Deze verplichting vervalt ten aanzien van het kind dat onwaardig is om van de vooroverleden echtgenoot te erven. De rechter schort zijn uitspraak op, tot de beslissing over de strafvordering die tot onwaardigheid van rechtswege kan leiden, of de beslissing over de onwaardigheidsverklaring, in kracht van gewijsde is gegaan. »

Verantwoording

Deze bepaling is gerelateerd aan hetgeen in de rechtsleer soms de « Assepoesterregel » wordt genoemd.

Ze bevat twee regels. Ten eerste, dat het kind geen onderhoudsgeld kan vorderen op grond van artikel 203, § 3, indien het onwaardig is, of onwaardig is verklaard vooraleer hij de vordering instelt. Ten tweede dat als er reeds een strafvordering of een vordering om hem onwaardig te verklaren, is ingesteld, maar daarop nog geen uitspraak is gedaan, de rechter de onderhoudsvordering opschort tot op het ogenblik waarop de beslissing hierover in kracht van gewijsde is gegaan.

Belangrijk bij deze bepaling is de basisgedachte : onwaardigheid wordt niet afzonderlijk en opnieuw beoordeeld door de onderhoudsrechter; de onwaardigheid met betrekking tot deze onderhoudsvordering is dezelfde als degene die met betrekking tot het erfrecht geldt. Zo wordt vermeden dat één persoon onwaardig zou worden verklaard om te erven, maar niet om onderhoudsgeld te bekomen, of omgekeerd.

Nr. 7 VAN MEVROUW TAELMAN

Art. 8

Dit artikel vervangen door wat volgt :

« Art. 8. — Artikel 727 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 23 januari 2003, wordt vervangen door wat volgt :

« Art. 727. — § 1. Onwaardig om te erven en dus van de erfenis uitgesloten is hij die als dader, mededader of medeplichtige schuldig is bevonden om op de persoon van de overledene een feit te hebben gepleegd dat zijn dood heeft veroorzaakt, als bedoeld in de artikelen 376, 393 tot 397, 401, 404, 409, § 4, van het Strafwetboek. Hij die schuldig is bevonden aan de poging om een dergelijk feit te plegen, is eveneens onwaardig en dus van de erfenis uitgesloten.

§ 2. Is eveneens onwaardig om te erven, hij die een feit als dader, mededader of medeplichtige heeft gepleegd zoals vermeld in de vorige paragraaf, maar niet schuldig werd bevonden omdat de strafvordering verjaard is, of door zijn overlijden vervallen is. De onwaardigheid wordt in dat geval uitgesproken door de rechtbank, die bevoegd is om kennis te nemen van geschillen tussen erfgenamen en legatarissen.

§ 3. Kan onwaardig worden verklaard, hij die als dader, mededader of medeplichtige schuldig is bevonden om op de persoon van de overledene een feit te hebben gepleegd als bedoeld in de artikelen 375, 398 tot 400, 402, 403, 405, 409 of 422bis van het Strafwetboek. Hij die schuldig is bevonden aan de poging om een dergelijk feit te plegen, kan eveneens onwaardig worden verklaard, en is dan van de erfenis uitgesloten.

§ 4. Er is geen onwaardigheid indien de overledene, in de gevallen vermeld in § 3, de dader, mededader of medeplichtige, de feiten heeft vergeven. Vergiffenis kan enkel worden geschonken in een geschrift dat van de overledene uitgaat, en dat na de feiten is opgemaakt in de vorm die voor een testamentaire beschikking is vereist. ». »

Verantwoording

Het artikel wordt herschreven om het onderscheid te maken tussen drie gevallen van onwaardigheid (behandeld in § 1, 2 en 3 van dit artikel).

Paragraaf 1 bevat de regel van de onwaardigheid van rechtswege ten aanzien van hij die schuldig werd bevonden aan strafbare feiten die de dood hebben veroorzaakt. Het gaat dus voortaan om meer dan doodslag, want ook verkrachting, aanranding van de eerbaarheid, opzettelijke verwondingen of slagen die de dood hebben veroorzaakt, leiden voortaan tot onwaardigheid. De onwaardigheid treft de dader, de mededader en de medeplichtige. Het volstaat dat ze schuldig werden bevonden; dus ook als er geen veroordeling is (bijvoorbeeld bij toepassing van artikel 21ter van het Wetboek van strafvordering)

Paragraaf 2 breidt de onwaardigheid zonder beoordelingsbevoegdheid van de rechter uit tot het geval dat zich voordoet wanneer geen strafvordering tegen de dader, mededader of medeplichtige kan worden gevoerd, omdat de strafvordering verjaard is, of door zijn overlijden vervallen is (artikel 20 van het Wetboek van strafvordering). Zo wordt onder meer ook getroffen, de dader, mededader of medeplichtige die na het feit zelfmoord heeft gepleegd. Indien hij immers later overleden is dan het slachtoffer, zou hij, bij ontstentenis van de voorgestelde regeling, van het slachtoffer geërfd hebben. Zijn nalatenschap zou dus ook datgene bevatten, wat hij uit de nalatenschap van zijn slachtoffer zou hebben geërfd. Dat de erfgenamen van de dader, mededader of medeplichtige aldus de nalatenschap van het slachtoffer verkrijgen, ten nadele van de overige of opvolgende erfgenamen van het slachtoffer, is onaanvaardbaar is, en moet dus ook uitgesloten worden.

Paragraaf 3 bevat de regeling voor het geval de overledene ooit slachtoffer is geweest van gewelddaden, die per hypothese niet de dood hebben veroorzaakt. Dat hij, die voor dergelijke gewelddaden, schuldig werd bevonden, desondanks nog van zijn slachtoffer kan erven, kan onaanvaardbaar zijn. In deze lijst is ook schuldig verzuim opgenomen.

Hier wordt echter niet geopteerd voor een onwaardigheid van rechtswege, maar voor een onwaardigheid die door de rechter moet worden beoordeeld. Hij zal immers beslissen of de feiten tot uitsluiting van erfrecht moeten leiden, gelet op het geheel van de omstandigheden, en in het bijzonder op de tijd die verstreken is sedert het tijdstip waarop de feiten zijn gepleegd, en hoe deze feiten op het verder leven van het slachtoffer hebben gewogen. Hierbij wordt opgemerkt dat het slachtoffer in vele gevallen zelf kan beslissen of het de dader, mededader of medeplichtige uit zijn nalatenschap wil weren, door hem te onterven, en dus door testamentair te bepalen wie hij wel of niet tot zijn nalatenschap wil zien komen.

Bij het hier besproken en geamendeerd artikel 727 van het Burgerlijk Wetboek wordt enkel benadrukt dat het in de eerste plaats het slachtoffer toekomt om te beslissen of het de dader van gewelddaden van zijn nalatenschap uitsluit (dit geldt uiteraard ook voor de mededader en de medeplichtige).

De dader kan echter een voorbehouden erfgenaam zijn, die niet van de nalatenschap kan worden uitgesloten als er geen sprake is van een wettelijke grond tot onwaardigheid. Ook is het mogelijk dat het slachtoffer er tijdens zijn leven niet toe gekomen is om de dader te onterven, of dat hij door zijn jonge leeftijd verhinderd is geweest om dit te doen. Dan moet het toch nog mogelijk zijn dat de rechter de onwaardigheid uitspreekt, indien het behoud van een erfrechtelijke aanspraak in hoofde van de dader, mededader, of medeplichtige, maatschappelijk onaanvaardbaar blijkt te zijn. In die zin is dit amendement opgevat.

Overigens wordt ingevolge dit amendement het voorstel ingetrokken om de gevolgen op het erfrecht van de gehele of gedeeltelijke ontzetting uit het ouderlijk gezag door een andere dan de rechter die deze ontzetting uitspreekt te laten beoordelen. Het lijkt coherenter om deze beoordeling bij hem te laten.

Ten slotte wordt paragraaf 4 herschreven om te benadrukken dat vergiffenis slechts na de feiten kan worden geschonken, en dat van vergiffenis slechts sprake kan zijn als ze expliciet is. Vandaar dat nader bepaald wordt dat vergiffenis slechts kan worden geschonken indien hiervoor een geschrift voorligt, dat opgemaakt is in de vorm die voor een testamentaire beschikking is vereist.

Nr. 8 VAN MEVROUW TAELMAN

Art. 22

Dit artikel vervangen door wat volgt :

« Art. 22. — Artikel 1429 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door wat volgt :

« De ontbinding van het wettelijk stelsel door de overgang naar een gerechtelijke scheiding van goederen of door de conventionele overgang naar een ander huwelijksvermogensstelsel, leidt tot verval van overlevingsrechten die met betrekking tot het ontbonden stelsel waren bedongen. Het voordeel van een contractuele erfstelling blijft evenwel behouden, behoudens andersluidende overeenkomst tussen de echtgenoten gesloten. ». »

Verantwoording

Sinds de echtscheidingswet van 2007 is er discrepantie ontstaan tussen artikel 299 en artikel 1429 van het Burgerlijk Wetboek. Het is nu de gelegenheid om deze discrepantie op te heffen, door in artikel 1429 die bepalingen op te heffen, die enkel gelding hebben na echtscheiding.

Dan vallen er enkel nog te regelen, de gevolgen van de ontbinding van het huwelijksstelsel ingevolge overgang naar een gerechtelijke scheiding van goederen (zie artikel 1427, 3º, van het Burgerlijk Wetboek) en ten gevolge van de conventionele overgang naar een ander huwelijksvermogensstelsel (zie artikel 1427, 4º, van het Burgerlijk Wetboek).

Het gaat om een aangepaste versie van het eerder voorgestelde nieuw artikel 1428bis.

De gevolgen van de onwaardigheid worden ook geregeld, maar dit kan beter in het artikel dat volgt op artikel 1429 van het Burgerlijk Wetboek worden opgenomen, dan in het artikel dat daaraan voorafgaat.

Nr. 9 VAN MEVROUW TAELMAN

Art. 22/1

Een artikel 22/1 invoegen, luidende :

« In hetzelfde wetboek wordt een artikel 1429/1 ingevoegd, luidende :

« Art. 1429/1. — § 1. Indien de langstlevende echtgenoot onwaardig is om van de overleden echtgenoot te erven, verliest hij ook alle voordelen die hij uit de samenstelling, werking, vereffening of verdeling van het gemeenschappelijk vermogen had kunnen verkrijgen. Hij blijft evenwel gerechtigd op de helft van de aanwinsten, tenzij hem door de huwelijksovereenkomst slechts een kleiner aandeel toekomt, dat hij in dat geval behoudt.

§ 2. De langstlevende echtgenoot die door de wil van de overledene van zijn nalatenschap is uitgesloten, kan onwaardig worden verklaard om de voordelen te verkrijgen zoals in § 1 bepaald, indien hij zich tegenover de overledene schuldig heeft gemaakt aan een feit dat tot onwaardigheid om van de overleden echtgenoot te erven, zou kunnen leiden ».

Verantwoording

Paragraaf 1 bepaalt dat de onwaardige echtgenoot, die van de nalatenschap van de overledene uitgesloten is, ook de huwelijksvoordelen verliest. Deze voordelen kunnen ontstaan uit de samenstelling, werking, vereffening of verdeling van het gemeenschappelijk vermogen, indien hiervoor van de regels van het wettelijk stelsel wordt afgeweken. Het voordeel dat evenwel zou kunnen ontstaan uit de gelijke verdeling van de aanwinsten, verliest hij niet, omdat het hier dan gaat om « zijn » aandeel in de aanwinsten, niet om een aandeel dat geacht kan worden hem door de overledene te zijn toegekend. Hiervan wordt dan weer afgeweken voor het geval het huwelijkscontract zelf aan de langstlevende echtgenoot slechts een aandeel, kleiner dan de helft, toekent; dan is er geen reden om de langstlevende toch toe te laten meer dan het conventioneel toegekende aandeel van de aanwinsten op te eisen, terwijl hij onwaardig is om van de overlevende te erven.

§ 2. Omdat het ook mogelijk is dat de langstlevende reeds door de overledene onterfd was, en de vraag naar de onwaardigheid om te erven dan niet rijst, moet het ook mogelijk zijn dat de langstlevende onwaardig wordt verklaard, ook al is het effect van die onwaardigheid dan beperkt tot de vermelde huwelijksvoordelen

Nr. 10 VAN MEVROUW TAELMAN

Art. 22/2

Een artikel 22/2 invoegen luidende :

« Art. 22/2. — Artikel 1459 van hetzelfde wetboek wordt opgeheven. »

Verantwoording

De oorspronkelijke bepaling in het Burgerlijk Wetboek regelt het lot van de « vooruitmaking » indien het huwelijksstelsel wegens een andere oorzaak dan het overlijden wordt ontbonden. De regeling is echter onvolmaakt.

Zo voorziet ze in het verval van de vooruitmaking bij echtscheiding wegens onherstelbare ontwrichting van het huwelijk (artikel 229 van het Burgerlijk Wetboek), maar niet bij echtscheiding door onderlinge toestemming (artikel 230 van het Burgerlijk Wetboek). Ze voorziet in het behoud van de vooruitmaking (met uitgestelde uitvoering) bij overgang naar een gerechtelijke scheiding van goederen, maar niet bij conventionele overgang naar een ander stelsel.

Omdat er van vooruitmaking slechts sprake is indien hiertoe een beding in de huwelijksovereenkomst (voorhuwelijkscontract of akte van wijziging van het huwelijksstelsel) is opgenomen, moet het beding zelf de voorwaarden en modaliteiten ervan bepalen. Er is geen nood aan een wettelijke bepaling daar waar dit bij overeenkomst kan en moet worden geregeld. De bepaling kan worden geschrapt.

Wel is er nood aan een regeling van het lot van het vooruitmakingsbeding bij onwaardigheid. Dit wordt echter beter in een afzonderlijke bepaling opgenomen. Dit gebeurt in de voorgestelde tekst van het in te voegen artikel 1429bis, waarin ook de voordelen die ontstaan uit de « vereffening » van het huwelijksstelsel zijn opgenomen; hierin is de vooruitmaking dan ook begrepen.

Nr. 11 VAN MEVROUW TAELMAN

Art. 23

Dit artikel vervangen door wat volgt :

« Art. 23. — Artikel 1477, § 5, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 maart 2007, wordt aangevuld met een lid, luidende :

« Deze verplichting vervalt ten aanzien van het kind dat onwaardig is om van de vooroverleden wettelijk samenwonende te erven. De rechter schorst zijn uitspraak op, tot de beslissing over de strafvordering die tot onwaardigheid van rechtswege kan leiden, of de beslissing over de onwaardigheidsverklaring, in kracht van gewijsde is gegaan. ». »

Verantwoording

Aldus is de « Assepoesterregel » in zowel artikel 203, § 3 (ten aanzien van de langstlevende echtgenoot) als in artikel 1477, § 5 (ten aanzien van de langstlevende wettelijk samenwonende) op dezelfde wijze verwoord.

Martine TAELMAN.