5-1382/2 | 5-1382/2 |
6 DECEMBER 2011
Afdeling 1. De teksten
Artikel 5, § 3, tweede lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) legt twee regels vast.
De eerste is een actieregel. Hij wordt ten behoeve van de instellingen van de Unie geformuleerd. Zij eerbiedigen « het subsidiariteitsbeginsel [...] overeenkomstig het protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid » (1) .
De tweede is een controleregel. Hij is voor de instellingen van de lidstaten bestemd. « De nationale parlementen zien er volgens de in dat protocol vastgelegde procedure op toe dat het subsidiariteitsbeginsel wordt geëerbiedigd ».
Het aan het VEU gehechte protocol nr. 1 legt de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie vast. In zijn artikel 2, derde lid, bepaalt het : « De Commissie zendt haar ontwerpen van wetgevingshandelingen rechtstreeks toe aan de nationale parlementen op hetzelfde tijdstip als aan het Europees Parlement en de Raad ».
In zijn artikel 3, eerste lid, voegt dat protocol er het volgende aan toe : « De nationale parlementen kunnen de voorzitter van het Europees Parlement, van de Raad en van de Commissie een met redenen omkleed advies toezenden betreffende de overeenstemming van een ontwerp van een wetgevingshandeling met het subsidiariteitsbeginsel, volgens de procedure van het Protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid » (2) .
Protocol nr. 2 betreft dan weer « de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid » en het systeem voor toezicht op de toepassing van deze beginselen (preambule van het protocol).
In zijn artikel 6, eerste lid, bepaalt het met name : « Ieder nationaal parlement en iedere kamer van een van die parlementen kan binnen een termijn van acht weken vanaf de datum van toezending van een ontwerp van wetgevingshandeling aan de voorzitters van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, in de officiële talen van de Unie, een gemotiveerd advies toezenden waarin wordt uiteengezet waarom het betrokken ontwerp zijns inziens niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel. Ieder nationaal parlement of iedere kamer van een nationaal parlement raadpleegt, in voorkomend geval, de regionale parlementen met wetgevingsbevoegdheid ».
Men kan ook niet negeren dat België de ondertekening van het verdrag van Lissabon gepaard liet gaan met een verklaring « betreffende de nationale parlementen ». Ze draagt het nummer 51. « Het Koninkrijk België verduidelijkt dat overeenkomstig zijn grondwettelijk recht zowel de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat van het federaal Parlement als de parlementaire vergaderingen van de gemeenschappen en de gewesten in functie van de bevoegdheden die de Unie uitoefent optreden als componenten van het nationaal parlementair stelsel of als kamers van het nationaal parlement. »
Afdeling 2. De procedure
Krachtens bovenstaande teksten werd op 20 oktober 2011 bij de Senaat een voorstel van 11 oktober 2011 voor een verordening betreffende een gemeenschappelijk Europees Kooprecht ingediend (Com (2011) 635).
Het voorstel werd naar de commissie voor de Justitie verzonden. Die besprak het op haar vergaderingen van 22 en 29 november en 6 december. De commissie hield hoorzittingen, waarvan men de weergave als bijlage bij dit verslag vindt (stuk Senaat nr. 5-1382/1). Ze ontving tevens schriftelijke bijdragen van professor Patrick Wéry, van de Ordre des barreaux francophones et germanophone (Benoît Kohl en Denis Philippe), en van de Orde van Vlaamse Balies (het VBO) (Eddy Boydens); ook die bevinden zich als bijlage bij het verslag.
Er wordt aan herinnerd dat de termijn om een advies te geven over de eerbiediging van het subsidiariteitsbeginsel verstrijkt op 12 december 2011.
Afdeling 3. Methodologische overwegingen
Een parlementaire assemblee moet twee methodologische voorschriften volgen wanneer hij een advies moet geven over de overeenstemming van een ontwerp van een wetgevingshandeling met het subsidiariteitsbeginsel. De eerste is van juridische aard, de tweede is veeleer politiek.
Juridisch gezien is het raadzaam het toezicht op de overeenstemming zijn eerste betekenis te geven, te weten het confronteren van twee normen — enerzijds de bepalingen van een tekst in een ontwerp en, anderzijds, die van het verdrag, in dit geval het subsidiariteitsbeginsel. Die vergelijking moet leiden tot een oordeel in rechte over de geldigheid van het wetgevingsinitiatief. Mocht na die analyse blijken dat de tekst van het ontwerp niet past in de optiek van de subsidiariteit en mocht dat oordeel worden gedeeld door andere parlementaire assemblees, dan is het aan de steller van de tekst zijn voorstel opnieuw te onderzoeken.
Politiek gezien komt het uiteraard een parlementaire assemblee toe zich uit te spreken aan de hand van de hem vertrouwde criteria voor politieke beoordeling — in beginsel dienen de verkozenen immers een voorstel te beoordelen aan de hand van louter politieke criteria. Naar aanleiding van het onderzoek van het door de COSAC geconcipieerde proefproject rond het « derde spoorwegpakket » heeft de Senaat — zoals de Kamer van volksvertegenwoordigers — niet nagelaten er nadrukkelijk op te wijzen dat de toetsing die toen diende plaats te vinden politiek was.
Het toezicht op de subsidiariteit geeft de assemblee de kans uiting te geven aan wat ze denkt over de algemene organisatie van de bevoegdheden in de Europese Unie. Het geeft haar de opportuniteit te kennen te geven hoe volgens haar de bepalingen van het verdrag, die willen dat de politieke besluiten « zo dicht mogelijk bij de burgers van de Unie worden genomen », moeten worden begrepen (preambule van protocol nr. 2).
Om die redenen heeft de parlementaire assemblee er voordeel bij zich bij een subsidiariteitstoetsing drie vragen te stellen (3) :
a. — De vraag over de bevoegheid. Zijn de Europese autoriteiten met het concipiëren van een wetgevingshandeling binnen het activiteitsgebied gebleven dat hun toekomt ? Kunnen ze in de verdragen een titel vinden om op dat gebied op te treden ?
b. — De vraag van de relevantie. Beantwoordt de wetgevingshandeling zoals ze is opgevat wel aan het probleem dat ze moet oplossen ? Is de geplande maatregel geschikt ? Maakt hij de verwezenlijking van de doelstelling van de Europese instellingen mogelijk of vergemakkelijkt hij die ?
c. — De vraag van de nabijheid. Eerbiedigt de wetgevingshandeling in voldoende mate de initiatieven en het optreden van de nationale overheden ? Konden dezelfde resultaten niet worden verkregen via de lidstaten ? Verantwoorden « de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden » een Europese interventie op dat gebied ?
Het komt de parlementaire assemblees daarentegen niet toe zich uit te spreken over de relevantie van de inhoud van het voorstel van verordening en er de voor- of nadelen van te beklemtonen (4) .
Afdeling 4. Doelstelling van het voorstel van verordening
Het voorstel van Europese verordening betreffende een gemeenschappelijk Europees Kooprecht wil bijdragen tot de goede werking van de interne markt door een uniform geheel van bepalingen inzake overeenkomstenrecht op basis van vrijwilligheid aan te bieden.
Het richt zich zowel tot ondernemingen als tot burgers. De ondernemingen moeten worden betrokken bij de ontwikkeling van grensoverschrijdende handel. De burgers moeten worden aangemoedigd om in praktischere en veiligere omstandigheden grensoverschrijdend te winkelen. Het voorstel betreft dus zowel koopovereenkomsten tussen ondernemingen als overeenkomsten tussen een onderneming en consumenten.
Op die manier zou dan een autonoom en uniform recht tot stand komen. Het zou om een facultatief recht gaan. Het zou slechts van toepassing zijn voor zover de partijen die bij grensoverschrijdende transacties betrokken zijn, ermee instemmen. Het zou een « tweede regeling inzake overeenkomstenrecht » in het nationale recht van elke lidstaat zijn, naast een eerste regeling, namelijk het Burgerlijk Wetboek (art. 1582 tot 1701) en de dwingende wetten die het stelsel inzake consumptie regelen.
De goedkeuring van dit optionele systeem zou het mogelijk maken een aantal obstakels uit de weg te ruimen die het gevolg zijn van de verschillen tussen de rechtsstelsels met betrekking tot het overeenkomstenrecht, meer bepaald de verkoopovereenkomst. Het zou een aanzet kunnen vormen voor de harmonisatie van het verbintenissenrecht in het algemeen.
Afdeling 5. Conformiteitsanalyse
Gelet op de methodologische opmerkingen die werden geformuleerd, heeft de commissie het voorstel van Europese verordening dat haar ter advies werd voorgelegd vanuit drie standpunten onderzocht.
5.1. Wat het onderzoek naar de bevoegdheid betreft, merkt ze op dat de verdragen geen specifieke bepalingen bevatten die het mogelijk maken een rechtsregeling aan te nemen die in het recht van de lidstaten wordt opgenomen zonder evenwel de essentiële bepalingen ervan te wijzigen
De voorliggende wetgeving is echter niet bedoeld om de nationale wetgevingen te vervangen. Ze wil evenmin hun bepalingen harmoniseren. Ze wil een nieuw rechtsinstrument creëren dat naast dat van elk van de nationale wetgevingen bestaat en er in grote mate mee in concurrentie treedt.
De indieners van het voorstel baseren zich op artikel 114, § 1, VWEU. Deze bepaling beoogt « de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten die de instelling en de werking van de interne markt betreffen ». In § 3 van hetzelfde artikel wordt bepaald dat de Commissie bij haar voorstellen op het gebied van onder andere consumentenbescherming moet uitgaan van een « hoog beschermingsniveau ».
Het voorstel strookt echter niet met het vooruitzicht van een onderlinge aanpassing van de nationale wettelijke bepalingen. De indieners hadden een andere wettelijke basis moeten kiezen, zoals artikel 352 VWEU, dat de Unie toestaat « passende bepalingen » vast te stellen voor zover « een optreden van de Unie in het kader van de beleidsgebieden van de Verdragen nodig blijkt om een van de doelstellingen van de Verdragen te verwezenlijken zonder dat deze Verdragen in de daartoe vereiste bevoegdheden voorzien ».
In dat geval zouden de indieners van het voorstel op de unanieme goedkeuring van de lidstaten kunnen rekenen. Door verkeerdelijk te verwijzen naar artikel 114 VWEU ontwrichten ze het Europees wetgevingsproces (5) . Bijkomend verplaatsen ze het centrum van politieke besluitvorming binnen de Unie.
5.2. Wat de relevantieanalyse betreft, stelt de commissie vast dat, wat de grensoverschrijdende operaties betreft, het optreden van de Europese overheden een effect kan hebben dat de nationale wetgevingen niet zouden kunnen bereiken in een rechtsstelsel dat tot het intern recht is beperkt. Het kan ertoe bijdragen de grensoverschrijdende transacties eenvoudiger en veiliger te maken voor vijfhonderd miljoen mensen.
Dit is een valabele doelstelling. Het is een van de doelstellingen die de Europese Unie kan en zelfs moet nastreven. Men kan zich evenwel de vraag stellen of de middelen die men gebruikt het meest geschikt zijn om die doelstelling te bereiken. De bedoelde wetgeving zou immers voor een groep economische actoren een handig middel kunnen zijn om de dwingende bepalingen uit de nationale wetgevingen te omzeilen.
Professor Patrick Wéry — die zich in een studie ongetwijfeld gunstig uitlaat over het voorstel van verordening — wijst erop dat « Selon l'exposé des motifs, « conformément à l'article 114, paragraphe 3, TFUE, le droit commun européen de la vente garantirait un niveau élevé de protection des consommateurs en instituant son propre corps de règles impérativement qui maintiendraient ou amélioreraient le degré de protection dont jouissent les consommateurs grâce au droit de la consommation en vigueur au niveau de l'Union » ».
Hij voegt er toch aan toe dat « Il est permis de douter de l'exactitude de cette assertion au regard du droit positif belge. L'exemple des clauses abusives dans les contrats entre vendeurs professionnels et consommateurs est éloquent ». En hij besluit dat het voorstel voor een minder doorgedreven bescherming zorgt dan het Belgische recht zoals dat tot uiting komt in de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming.
Op basis van die conclusie is men geneigd te denken dat het voorstel van verordening aan de vooropgestelde doelstellingen voorbijgaat, hoewel het die net welbewust wilde nastreven.
5.3. Wat de nabijheidsanalyse betreft, mag men zich afvragen of de indieners van het voorstel van Europese verordening voldoende aantonen dat hun voorgestelde wetgevingshandeling de subsidiariteitstoets kan doorstaan.
Hoewel zij dienen te bewijzen dat een Europees optreden doeltreffender zou zijn inzake kooprecht en meer zal bijdragen tot de ontwikkeling van een eengemaakte markt, staven zij hun uitgangspositie niet met cijfers.
De bewering dat « l'Union est la mieux placée pour remédier au problème de la fragmentation juridique » (nota van professor Wéry) volstaat op zich niet behalve als men via een soort cirkelredenering beschouwt dat, zonder rekening te houden met de waarborgen in de wetgevingen van de lidstaten, een Europese verordening meer aangewezen zou zijn om een eenvormig rechtsstelsel ter zake vast te stellen.
De indieners lijken geen rekening te houden met de impact van richtlijn 2011/83/EU betreffende de consumentenrechten (PBEU, 22 november 2011) die nog in het nationaal recht moet worden omgezet. Zij tonen niet aan hoe de bepalingen van de ontwerpverordening in overeenstemming kunnen worden gebracht met de bepalingen van verordening nr. 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I).
De indieners bewijzen ook niet dat een achtentwintigste stelsel –« optioneel »genoemd — dat er nog eens bijkomt bovenop de zevenentwintig rechtsstelsels die van toepassing zijn in de lidstaten en ermee in concurrentie treedt, beter de belangen zal dienen van de producenten en de consumenten.
De harmonisatie van de wetgeving inzake consumentenbescherming is een succes. Ze bereikt haar doelstellingen met meer zekerheid en doeltreffendheid dan een minimaal stelsel van bescherming, dat vrijblijvend wordt voorgesteld.
Afdeling 6. Besluit van de commissie voor de Justitie
Gelet op de voorafgaande opmerkingen, meer bepaald inzake de bevoegdheid van de EU-autoriteiten, meent de commissie dat het voorstel van verordening dat ter bespreking werd voorgelegd het subsidiariteitsbeginsel schendt. Het voorstel laat verschillende rechtsstelsels met elkaar in concurrentie treden, terwijl het tot doel zou moeten hebben om de nadelige gevolgen van het bestaan van verschillende wetgevingen te bestrijden of, ten minste, af te zwakken. Het zou moeten worden herzien om aan de verschillende hogervermelde bezwaren tegemoet te komen.
(1) Artikel 5, § 3, VEU, bepaalt : « Krachtens het subsidiariteitsbeginsel treedt de Unie op de gebieden die niet onder haar exclusieve bevoegdheid vallen, slechts op indien en voorzover de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kunnen worden bereikt ».
(2) Voor een commentaar bij die bepalingen, zie F. Delpérée en F. Dopagne, Le dialogue parlementaire Belgique-Europe, voorwoord van W. Martens, Brussel, Bruylant, 2010.
(3) Zie hierover Le principe de subsidiarité, Brussel, Bruylant, 2000 en L'Europe de la subsidiarité (dir. M. Verdussen), Brussel, Bruylant, 2000.
(4) « N'y a-t-il pas lieu de craindre », schrijft professor Wéry, « qu'en pratique, le vendeur professionnel (ne dicte) sa volonté au consommateur et que, confronté à une offre de contrat d'adhésion, le consommateur n'ait pas de marge de négociation ? »
(5) In zijn arrest C-436/03 merkte het Hof van Justitie van de Europese Unie op dat een verordening die de diverse bestaande nationale wetgevingen ongewijzigd laat, niet tot doel heeft de wetgevingen van de lidstaten te harmoniseren. Het Hof benadrukte tevens dat een voorstel dat een nieuwe vorm van coöperatieve vennootschap in het leven roept naast de bestaande nationale vormen zich niet kan beroepen op artikel 95 van het EG-Verdrag (huidig artikel 114 VWEU).