5-1339/1

5-1339/1

5-1339/1

Belgische Senaat

ZITTING 2011-2012

22 NOVEMBER 2011


Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, teneinde de zelfredzaamheid van de bejaarden te steunen

(Ingediend door de dames Cécile Thibaut en Mieke Vogels)


TOELICHTING


De stijging van de gemiddelde levensverwachting van de bevolking in de westerse samenlevingen mag op zich dan al een heuglijke evolutie zijn, ze schept echter tal van nieuwe uitdagingen die onverwijld moeten worden aangegaan. Zo is het de vraag hoe men die bejaarden een betere levenskwaliteit kan bieden, ondanks hun geleidelijk afnemende zelfredzaamheid en ongeacht of zij thuis, dan wel in een opvangstructuur verblijven.

In België is dat vraagstuk al zeer actueel. Begin de jaren 2000 telde ons land al ruim 183 000 vijfenzestigplussers met een matig of sterk zelfredzaamheidsverlies. Hoewel moeilijk precies in te schatten valt hoeveel mensen in de toekomst in dezelfde situatie zullen belanden, staat vast dat het zelfredzaamheidsverlies bij hoogbejaarden op korte termijn sterk zal toenemen.

Door de demografische evolutie stevenen onze westerse samenlevingen immers duidelijk af op een forse stijging van het aantal vijfenzestigplussers en, meer nog, van het aantal tachtigplussers ten opzichte van de volledige bevolking, zeker als men bedenkt dat de gemiddelde levensverwachting per jaar met één kwartaal toeneemt. Uit een studie blijkt dat in 2020, 304 147 vijfenzestigplussers te kampen kunnen hebben met een matig of fors zelfredzaamheidsverlies (1) . Voor verschillende dagelijkse handelingen hebben die ouderen met zelfredzaamheidsverlies hulp nodig van mantelverzorgers of van beroepsmensen. Denken we maar aan zware huishoudelijke taken, boodschappen, administratieve taken, ziekenoppas, afstandshulpverlening, enz.

De kosten voor dergelijke, niet medische zorg ten gevolge van een verminderde zelfredzaamheid zijn volledig ten laste van de betrokkenen en variëren gemiddeld tussen 50 en 375 euro per maand, naargelang van de graad van zelfredzaamheid en zonder dat daarin de kosten voor het verblijf in een rusthuis zijn opgenomen (gemiddeld tot zowat 1 167 euro per maand, exclusief bijslagen voor telefoon, televisie, kapperskosten, comfortkosten, enz.) (2) .

In dat verband zij aangestipt dat de rusthuisprijzen tussen 2006 en 2009 zijn gestegen met 8,84 %, terwijl er in 2009 weinig tot nagenoeg geen inflatie was. Het wettelijk pensioen van alleenstaande werknemers bedraagt gemiddeld echter slechts 964 euro voor vrouwen en 1 137 euro voor mannen. Voor alleenstaande zelfstandigen gaat het respectievelijk om 438 en 610 euro (3) .

Al te vaak hebben de gepensioneerden, zeker vrouwen (4) , een inkomensniveau dat beneden de armoederisicodrempel ligt. Vóór de jongste indexsprongen moest ruim 1 miljoen gepensioneerden genoegen nemen met een maandinkomen van minder dan 1 000 euro, wat elke aanvullende uitgave problematisch maakte omdat de betrokkenen daardoor in de armoede terecht dreigden te komen.

In die context valt het niet te verwonderen dat de noden van de bejaarden, vooral die met een verminderde zelfredzaamheid, vaak hun inkomensniveau overstijgen. Sommigen maken weliswaar aanspraak op financiële steun van het OCMW of kunnen rekenen op hulp van naasten om in hun behoeften te voorzien, maar heel wat anderen hebben gewoon geen toegang tot nochtans broodnodige hulp. Daarom moeten zij steun krijgen om de kosten aan te kunnen die gepaard gaan met hun zelfredzaamheidsverlies.

De oplossing voor het zelfredzaamheidsverlies van de oudere bevolkingscategorieën bestaat er dus in de bejaarden een toereikend inkomensniveau te garanderen, naast de ontwikkeling van een afdoend en kwaliteitsvol opvangaanbod (oprichting van passende infrastructuur en diensten, uitbouw van « klantgerichte » opvangdiensten en/of dagopvang, uitwerking van een specifiek instellingsproject en verhoging van de kwaliteit van de opvang, toereikende sociale voorwaarden en loonvoorwaarden, ...).

Concreet zou die oplossing de vorm kunnen aannemen van een veralgemening van de zelfredzaamheidsverzekering zoals die ook al bestaat in de Vlaamse Gemeenschap en in talrijke buurlanden (bijvoorbeeld Luxemburg en Duitsland), met als doel bij te dragen tot de instandhouding van de persoonlijke zelfredzaamheid van ouderen die, wegens verschillende handicaps, nood hebben aan hulp uit verschillende hoeken (familieleden, beroepsmensen, vrijwilligers).

Idealiter zou tevens het wettelijk pensioen voldoende hoog moeten liggen om die kosten te kunnen dekken. Die optie lijkt momenteel echter op de helling te staan doordat de sociale bijdragen niet welvaartsvast zijn.

Daarom is er nood aan zowel oplossingen ter financiering van de toekomstige pensioenen (in het raam van het Zilverfonds of elk ander gelijksoortig initiatief), als aan een optrekking van de laagste pensioenen en bijdragen tot boven de armoederisicodrempel (5) , wat inhoudt dat die bedragen structureel welvaartsvast moeten worden gemaakt.

Het betreft hier een grote uitdaging voor de komende jaren en de indieners hopen dan ook dat de sociale partners en de politici daaromtrent een consensus kunnen bereiken, bijvoorbeeld als sluitstuk van de werkzaamheden van de Nationale Pensioenconferentie.

In afwachting van de verwezenlijking van die hoofddoelstellingen en gelet op de vrees die momenteel heerst omtrent de toekomst van onze pensioenen, moeten we echter vanaf vandaag werk maken van méér steun aan hen die in onze samenleving het meest kwetsbaar zijn, door hun ouderdom of hulpbehoevendheid.

Dit wetsvoorstel behelst bijgevolg een aanpassing van de bestaande regeling inzake tegemoetkomingen voor hulp aan bejaarden (THB) :

— de toegekende uitkeringen moeten, naargelang van de zelfredzaamheidsgraad, stijgen zodat ze beter zijn afgestemd op de reële behoeften inzake bijkomende prestaties als gevolg van dat zelfredzaamheidsverlies; momenteel dichten die uitkeringen immers niet de kloof tussen de pensioeninkomsten en de reële kosten van levensonderhoud;

— de vrijstellingsgrenzen die worden gehanteerd bij de berekening van de bijdragen, moeten geleidelijk worden opgetrokken, zeker voor de bejaarden; de vigerende vrijstellingsgrenzen liggen momenteel zeer laag.

Uit een analyse blijkt namelijk dat een groot deel van de bevolking absoluut nood heeft aan meer financiële middelen. Daarom wordt in het wetsvoorstel voorgesteld de vrijstellingsgrenzen voor alle ouderen — en zeker voor de vijfentachtigplussers — te verhogen, want net zij krijgen het vaakst te maken met zelfredzaamheidsverlies en dus met kosten voor opvang in een rusthuis of een rust- en verzorgingstehuis. Een dergelijke maatregel vormt een eerste, grote stap naar een verbetering van de leefomstandigheden van de bejaarden met zelfredzaamheidsverlies, doordat de betrokkenen meer financiële middelen krijgen om specifiek hun niet-medische kosten te betalen en ook veel meer bejaarden voor die uitkeringen in aanmerking zullen komen.

TOELICHTING BIJ DE ARTIKELEN

Artikel 2

Dit artikel strekt ertoe voor de bejaarden die tot de categorieën 2 tot 5 behoren, het bedrag van de tegemoetkomingen voor hulp met 10 % op te trekken; voor de bejaarden die tot de categorie 1 behoren, wordt die hulp krachtens dit artikel met 30 % opgetrokken. Het is de bedoeling ervoor te zorgen dat die bedragen werkelijk beslissend kunnen bijdragen aan de inkomsten van mensen met een verminderde zelfredzaamheid. Met die bedragen moet in de dagelijkse kosten voor levensonderhoud kunnen worden voorzien, ongeacht of het gaat om een verblijf in een rusthuis of een rust- en verzorgingstehuis, dan wel om de kosten voor thuiszorg ten behoeve van mensen met een verminderde zelfredzaamheid. Om die doelstellingen te halen, moet er een forsere verhoging komen van de uitkeringen die worden toegekend aan de bejaarden die tot de categorie 1 behoren.

De toegekende bedragen zullen evolueren als volgt :

Catégories Montants annuels octroyés à partir du 1er juin 2009 Montants annuels octroyés suite à la proposition de loi
Categorieën Vanaf 1 juni 2009 jaarlijks toegekende bedragen Ingevolge het wetsvoorstel jaarlijks toegekende bedragen
1 906,91 EUR 1 179,00 EUR
2 3 462,89 EUR 3 808,08 EUR
3 4 209,10 EUR 4 630,01 EUR
4 4 956,09 EUR 5 451,70 EUR
5 6 087,86 EUR 6 696,65 EUR

Artikel 3

Dit artikel strekt tot aanpassing van de inkomens- en leeftijdsgrenzen vanaf welke de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden (THAB) wordt toegekend. Vandaag zijn de meeste belanghebbenden van die hulp uitgesloten, want naargelang de persoon met een handicap behoort tot de categorie A, B of C worden volgende delen van het persoonlijk inkomen niet in aanmerking genomen : respectievelijk 15 217,11 euro, 15 217,11 euro en 17 219,36 euro per jaar (6) . Voorts wordt met dit artikel voorgesteld de maximumbedragen te differentiëren naargelang de betrokkenen al dan niet ouder zijn dan vijfentachtig jaar. Uit de statistieken blijkt namelijk dat mensen gemiddeld rond de leeftijd van vijfentachtig hun intrek nemen in een rusthuis. Voor die mensen kan aanvullende steun dus bijzonder nuttig blijken om het hoofd te bieden aan de verblijfskosten in een rusthuis en aan de eraan inherente extra kosten.

Artikel 4

Dit artikel beoogt erin te voorzien dat om de twee jaar de relevantie wordt geëvalueerd van de bedragen en de vrijstellingsgrenzen die zijn vastgelegd in het kader van de hulp aan bejaarden (THAB). Die evaluatie moet de wetgever in staat stellen de bedragen af te stemmen op de evolutie van de toestand.

Cécile THIBAUT.
Mieke VOGELS.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

Artikel 6, § 3, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap wordt vervangen door wat volgt :

« § 3. Het bedrag van de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden varieert volgens de graad van zelfredzaamheid en volgens de categorie waartoe de persoon met een handicap behoort :

1º tot de categorie 1 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op 7 of 8 punten wordt vastgesteld; hij ontvangt een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden gelijk aan 967,17 EUR;

2º tot de categorie 2 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op 9 tot 11 punten wordt vastgesteld; hij ontvangt een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden gelijk aan 3 123,93 EUR;

3º tot de categorie 3 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op 12 tot 14 punten wordt vastgesteld; hij ontvangt een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden gelijk aan 3 798,20 EUR;

4º tot de categorie 4 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op 15 of 16 punten wordt vastgesteld; hij ontvangt een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden gelijk aan 4 472,27 EUR;

5º tot de categorie 5 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op ten minste 17 punten wordt vastgesteld; hij ontvangt een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden gelijk aan 5 493,55 EUR. »

Art. 3

Artikel 4, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 5 maart 1990 betreffende de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden wordt vervangen door wat volgt :

« Naargelang de persoon met een handicap behoort tot de categorie A, B of C worden, met toepassing van artikel 7, § 1, derde lid, van de wet, voor de personen jonger dan vijfentachtig volgende delen van het inkomen niet in aanmerking genomen : respectievelijk 15 217,11 EUR, 15 217,11 EUR en 17 219,36 EUR per jaar. Bij personen van vijfentachtig jaar of ouder worden, naargelang de persoon met een handicap behoort tot de categorie A, B of C, volgende delen van het inkomen niet in aanmerking genomen : respectievelijk 17 219,36 EUR, 17 219,36 EUR en 18 420,72 EUR per jaar. Deze bedragen worden aangepast aan het indexcijfer der consumptieprijzen overeenkomstig de bepalingen vervat in paragraaf 3. »

Art. 4

Om de twee jaar evalueert het Raadgevend Comité voor de pensioensector hoe de tegemoetkomingen voor hulp aan bejaarden worden gebruikt. Die evaluatie moet ten minste betrekking hebben op de bij wet vastgelegde vrijstellingsgrenzen en op de bedragen die worden toegekend in het kader van de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden.

Art. 5

Deze wet treedt in werking op 1 januari 2012.

21 november 2011.

Cécile THIBAUT.
Mieke VOGELS.

(1) Raming van het Federaal Planbureau op verzoek van het kabinet van Sociale Zaken.

(2) Zie : parlementaire vraag nr. 19133 van de heer Georges Gilkinet aan de minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen over « de stijging van de rusthuisprijzen », http://www.dekamer.be/doc/CCRA/pdf/52/ac779.pdf.

(3) Berghman, J., Curvers, G., Palmans, S., Vandermeerschen, H. & Verpoorten, R. (2009) Toereikende pensioenen voor gepensioneerde huishoudens. Hoogte en samenstelling van het pensioenpakket op huishoudniveau. Working Paper Sociale Zekerheid nr. 10, Brussel, FOD Sociale Zekerheid.

(4) Zie de studie van de Fédération wallonne des CPAS, « Mesure anthropométrique de l'Homme le plus pauvre de Wallonie », waaruit onder andere blijkt dat de armste Waalse burger een vrouw is.

(5) Zie in dat verband wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, teneinde het leefloon op te trekken tot boven de armoedegrens en het aan de samenwonenden toegekende bedrag af te stemmen op het aan de alleenstaanden toegekende bedrag (stuk Kamer, nr. 52-0051/001).

(6) Gelet op de evolutie van het indexcijfer der consumptieprijzen.