5-1305/1

5-1305/1

Belgische Senaat

ZITTING 2011-2012

9 NOVEMBER 2011


Wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek wat de invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen betreft

(Ingediend door mevrouw Martine Taelman)


TOELICHTING


Op 21 oktober 2005 is verordening (EG) nr. 805/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen (1) in werking getreden. Die verordening past in een groter kader van vereenvoudiging van de procedure voor tenuitvoerlegging van vonnissen en authentieke akten uit een Lidstaat van de Europese Unie (EU) in een andere Lidstaat. Deze EET-verordening beoogt de complete afschaffing van de exequaturprocedure. In de plaats daarvan dient het vonnis of de authentieke akte waarin de niet-betwiste schuldvordering vervat ligt, in het land van oorsprong gewaarmerkt te worden als een Europese Executoriale Titel (EET), zodat die in elke andere Lidstaat van de EU zonder bijkomstige erkennings- of exequaturprocedure kan worden ten uitvoer gelegd.

Volgens artikel 6 van de verordening kan een waarmerking van een rechterlijke beslissing inzake een niet-betwiste schuldvordering als EET verkregen worden « op te eniger tijd aan het gerecht van oorsprong gedaan verzoek », zonder evenwel te bepalen welke de specifieke instantie is die hiervoor bevoegd zal zijn. Dat is aan de Lidstaten om te bepalen.

Een deel van de rechtsleer meent dat de term « gerecht » strikt moet worden geïnterpreteerd, zodat de mogelijkheid dat griffies of andere administratieve diensten van de rechtbank de EET kunnen afleveren, niet zou bestaan. De Belgische wetgever sloeg echter de tegenovergestelde weg in. In een omzendbrief van 22 juni 2005 (2) wordt het volgende bepaald : « aangezien het — onder voorbehoud van de interpretatie van de hoven en rechtbanken — niet gaat om een rechtsprekende handeling als zodanig, kan het verzoek worden ingediend bij de hoofdgriffier van de rechtsinstantie die de beslissing of gerechtelijke schikking heeft genomen. » Alleen al het feit dat in de omzendbrief zelf gewag wordt gemaakt van een voorbehoud, wijst erop dat er onzekerheid bestaat over het gegeven of de rechtspraak deze visie zal volgen (3) .

Het feit alleen al dat de materie geregeld werd bij omzendbrief zorgt voor controverse. Beter ware het geweest om een wet aan te nemen om het nationale recht aan te passen aan de Europese vereisten. Weliswaar legt de verordening de Lidstaten geen verplichting op om een wetgevend initiatief te nemen om hun nationale wetgeving aan te passen aan de minimumnormen qua procedure die door de verordening worden ingesteld, maar deze werkwijze verdient toch de voorkeur.

Het aanwenden van een omzendbrief zorgt immers voor een aantal problemen. Mocht men deze zien als een manier om nieuwe procedurevoorschriften te creëren, dan kunnen deze regels niet opgelegd worden omdat ze voortkomen van een niet-bevoegde instantie en daarenboven niet alle wetgevende geplogenheden gevolgd werden (4) .

Zegt men dat de omzendbrief geen nieuwe rechtsregels doet ontstaan, dan krijgt men te maken met een aantal lacunes in de Belgische wetgeving, zoals het probleem dat voor de bevoegdheid van de griffier tot waarmerking als EET geen enkele rechtsgrond te vinden is (5) . De griffier dient dan na te zien of aan de voorwaarden uit artikel 6 van de verordening voldaan is, en stelt dus eigenlijk een rechterlijke handeling. De controle op de overeenstemming met de minimumnormen uit de verordening is meer dan een administratieve formaliteit en dus beter geschikt voor een rechter. Dat blijkt ook de mening te zijn van de rechtbank van koophandel te Hasselt, waar geoordeeld werd dat de eiseres zich terecht tot de rechtbank in plaats van tot de hoofdgriffier gewend had om het bewijs van waarmerking als een EET te vragen. De rechtbank kwam tot dat besluit omdat : « de Rechtbank niet akkoord (gaat) met de interpretatie van de minister van Justitie. Met name moet de hoofdgriffier nagaan of aan de voorwaarden voor waarmerking als Europese Executoriale Titel is voldaan en of de gerechtelijke procedure in de Lidstaat van oorsprong aan de in Hoofdstuk III van de verordening vastgestelde minimumnormen voldeed; met name of de betekening aan de minimumnormen voldeed, de schuldenaar behoorlijk ingelicht is over de ter betwisting van de schuldvordering noodzakelijke proceshandelingen en of in het recht van oorsprong voorzien is dat men om heroverweging kan verzoeken indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Zo kan de rechtbank in een verstekprocedure tot de bevinding komen dat zij bevoegd is op basis van de EEX-Vo (6) , zoals hier, en de hoofdgriffier achteraf naar aanleiding van een tot hem gericht verzoek tot aflevering van een Europese Executoriale Titel van oordeel zijn dat de beslissing strijdig is met de EEX-Vo. Men kan toch moeilijk voorhouden dat de hoofdgriffier geen rechtsprekende handeling stelt. Eiseres vraagt in die omstandigheden terecht aan de rechtbank dat zij het vonnis zou voorzien van een waarmerking als Europese Executoriale Titel (7) . »

Over de vorm van het verzoek tot het verlenen van een EET zwijgt de verordening. De Lidstaten staan in voor de bepaling daarvan, wat er in België toe geleid heeft dat het verzoek zelfs mondeling mag gebeuren.

In andere landen, zoals Nederland, heeft men voor een andere oplossing gekozen. Daar dient het verzoek tot waarmerking gevraagd te worden bij verzoekschrift aan de voorzieningenrechter (vergelijkbaar met de kortgedingrechter in België) van het gerecht dat de beslissingen gegeven heeft (8) .

De kern van het probleem met betrekking tot de toepassing van de verordening in ons land ligt echter nog ergens anders. Artikel 6 van de EET-verordening vermeldt als één van de voorwaarden voor waarmerking als Europese Executoriale Titel dat de gerechtelijke procedure in de Lidstaat van oorsprong aan de in hoofdstuk III gestelde vereisten voldeed, wanneer het gaat om een niet-betwiste schuld in de zin van artikel 3, eerste lid, onder B) of C). Conform artikel 19 van de EET-verordening moet de gerechtelijke procedure in België voorzien in minimumnormen voor heroverweging in uitzonderingsgevallen. Dit betekent dat, opdat de beslissing gewaarmerkt zou kunnen worden als EET, de schuldenaar om heroverweging moet kunnen vragen wanneer de kennisgeving of betekening van het gedinginleidend stuk gebeurd is zonder ontvangstbewijs en als deze betekening of kennisgeving buiten de schuld van de schuldenaar niet zo tijdig kon plaatsvinden als met het oog op zijn verdediging nodig was. Dezelfde beperking wordt opgelegd wanneer de schuldenaar de vordering niet heeft kunnen betwisten wegens overmacht of andere buitengewone omstandigheden buiten zijn wil. In allebei de gevallen moet de schuldenaar onverwijld handelen. Hij moet bewijzen dat hij in één van de in artikel 19 genoemde gevallen verkeert.

Voor de toepassing van artikel 19 van de verordening, blijft het een punt van onenigheid of het in de huidige stand van het Belgisch recht mogelijk is voor een schuldenaar om tot een heroverweging van de beslissing te verzoeken als hij zijn verdediging niet op een gedegen manier heeft kunnen voorbereiden.

Niet onbelangrijk in deze kwestie is of men hiervoor moet beschikken over een specifiek rechtsmiddel, dat enkel van toepassing is in het geval men de verdediging niet goed heeft kunnen voorbereiden of dat een algemeen rechtsmiddel dat een herziening van de beslissing mogelijk maakt, volstaat. Volgens een deel van de rechtsleer (9) is de tweede oplossing de juiste.

Zij hanteren hiervoor de volgende redenering : indien een heroverweging met betrekking tot de niet-voldoende voorbereiding voldoende is, dan moet een algehele heroverweging a fortiori volstaan voor de toepassing van artikel 19. Ze komen dan tot de conclusie dat dergelijke rechtsmiddelen in het Belgische recht wel degelijk voorhanden zijn. De mogelijkheid van verzet (artikel 1047 van het Gerechtelijk Wetboek) kan genoemd worden, indien de niet-tijdige kennisgeving geleid heeft tot een verstekvonnis.

De Belgische regering heeft aan haar mededeling aan de Commissie (10) daar nog de mogelijkheid tot herroeping van het gewijsde aan toegevoegd. Tot slot voorziet het hoger beroep tegen een vonnis geacht op tegenspraak in een mogelijkheid als het vonnis op tegenspraak gewezen is. Waar er in het tweede geval weinig twijfel over kan bestaan dat dit niet een mogelijkheid tot heroverweging kan zijn bedoeld door de verordening (omdat artikel 1133 van het Gerechtelijk Wetboek in een zeer krap toepassingsgebied voorziet) is er meer discussie over het feit of het verzet en het hoger beroep wel aan de vereisten voldoen.

Volgens de rechtbank van koophandel te Hasselt is dit alvast niet het geval :

« Wanneer de termijnen van betekening/kennisgeving van het inleidend stuk zijn gerespecteerd, doch de betekening/kennisgeving buiten de schuld van de schuldenaar niet zo tijdig is geschied als voor zijn verdediging nodig was of de schuldenaar de vordering niet heeft kunnen betwisten wegens overmacht of buitengewone omstandigheden buiten zijn wil, en de schuldenaar bij verstek is veroordeeld, heeft deze naar Belgisch recht niet de mogelijkheid — indien de termijnen, waarbinnen het verzet diende aangetekend, verstreken zijn — een nieuw rechtsmiddel in te stellen. De procedure van herroeping van gewijsde dient te voldoen aan de voorwaarden van artikel 1133 Ger. W. en is in deze gevallen niet van toepassing. Het Belgische recht kent dus geen procedure van heroverweging zoals in geval van artikel 19, 1, a), EET-Vo hetgeen betekent dat de rechtbank dit vonnis niet kan aanmerken als Europese Executoriale Titel. »

De rechtbank is dus van oordeel dat het Belgisch recht niet voorziet in een heroverwegingsprocedure zoals vereist krachtens de EET-verordening. Ook andere rechtbanken (11) volgen die piste, waardoor de eisers in die gedingen zich uiteindelijk toch nog naar een buitenlandse rechter moeten wenden om een uitvoerbare titel te krijgen, terwijl het juist de bedoeling van de verordening was om dit te vermijden. Daar komt nog bij, naast het zuiver juridische, dat dergelijke uitkomst zorgt voor onnodige advocaats- en gerechtskosten voor de schuldeiser, iets wat in het huidige sociaal-economische klimaat niet te verantwoorden valt.

Er is dus overduidelijk nood aan een wetgevend initiatief, zodat het Gerechtelijk Wetboek aangepast wordt om te voldoen aan de vereiste minimumnormen om een als EET gewaarmerkte beslissing te bekomen.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 2

Krachtens artikel 6 van de verordening kan van een uitvoerbare beslissing over een niet-betwiste schuldvordering waarmerking als EET worden gevraagd. Deze waarmerking kan worden bekomen door een verzoek daartoe te richten tot het gerecht dat de beslissing heeft genomen. Dit laatste vloeit voort uit artikel 6, eerste lid, van de verordening, waarin is bepaald dat het verzoek om een EET ingediend moet worden bij het gerecht van oorsprong. Volgens artikel 4, punt 6, van de verordening is dit het gerecht waarbij de procedure (over de onbetwiste schuldvordering) aanhangig was op het tijdstip waarop de voorwaarden voor onbetwistheid ex artikel 3, eerste lid, a, b of c, van de verordening vervuld waren. Praktisch is dan om ook de waarmerking door dit gerecht te laten verrichten. Artikel 2 van het wetsvoorstel regelt de wijze waarop de schuldeiser waarmerking van een uitvoerbare beslissing als EET kan vragen. Het geeft ook uitvoering aan artikel 8 van de verordening, waardoor een gedeeltelijke EET kan verkregen worden.

Een verzoek tot waarmerking van een beslissing als EET wordt gedaan bij verzoekschrift. Zaken die in hoger beroep bij verstek worden behandeld, maar waarin de schuldenaar in eerste aanleg de vordering heeft betwist, komen niet in aanmerking voor een EET. Zij voldoen niet aan de definitie van een onbetwiste vordering.

Het slot van artikel 2, § 1, van het wetsvoorstel bepaalt dat de schuldenaar niet wordt opgeroepen om te worden gehoord over een verzoek tot waarmerking. Hoewel de verordening dit nergens expliciet bepaalt, ligt in het systeem van de verordening besloten dat het verzoek tot waarmerking als EET een ex parte verzoek is, waarover de schuldenaar dus niet wordt gehoord.

In artikel 6, eerste lid, van de verordening staat dat het verzoek « te eniger tijd » kan worden gedaan. Dit betekent dat een waarmerking zowel tegelijk met de beslissing als daarna kan worden gevraagd. In paragraaf 1 en paragraaf 3 van artikel 2 van het wetsvoorstel zijn beide mogelijkheden geregeld. Ter wille van de eenvoud is in de paragraaf 3 bepaald dat het verzoek ook tegelijk met het instellen van de rechtsvordering bij dagvaarding kan worden gedaan. Dit betekent dat de dagvaarding inzake de schuldvordering in dat geval tevens een verzoek tot waarmerking inhoudt. Is het geding reeds aanhangig, dan dient het verzoek tot waarmerking bij conclusie te worden gedaan. Daarbij is echter niet de bedoeling dat de schuldenaar hiervoor afzonderlijk wordt opgeroepen.

Artikel 3

Artikel 19 van de verordening bevat een nadere voorwaarde voor EET-verlening. Als het stuk dat het geding inleidt niet aan de schuldenaar persoonlijk is betekend en, buiten zijn schuld, niet zo tijdig of op zodanige wijze dat de schuldenaar zich naar behoren heeft kunnen verdedigen tegen de vordering, moet hij heroverweging van de beslissing kunnen vragen (artikel 19, eerste lid, onder a). Dit heeft bijvoorbeeld betrekking op een geval dat een stuk in de verkeerde brievenbus is beland. Hetzelfde geldt als de schuldenaar de vordering niet heeft kunnen betwisten wegens overmacht of buitengewone omstandigheden (artikel 19, eerste lid, onder b). Hier gaat het bijvoorbeeld om de situatie dat een schuldenaar na ontvangst van het gedinginleidend stuk ernstig ziek wordt, waardoor hij niet ter zitting kan verschijnen. In alle gevallen bepaalt de verordening dat de heroverwegingsmogelijkheid « onverwijld » moet worden gebruikt.

De Belgische wet kent geen regeling vergelijkbaar met artikel 19 van de verordening. Omdat artikel 19 deel uitmaakt van de minimumnormen die als voorwaarde voor EET-verlening gelden, is aanpassing aan artikel 19 van de verordening nodig om een Belgische rechter ooit probleemloos een EET te kunnen laten verlenen. In artikel 3 van het wetsvoorstel is hiervoor een regeling opgenomen. Om niet in het kader van de uitvoering van een Europese verordening het hele systeem van verzet aan te moeten passen, blijft de regeling in artikel 3 van het wetsvoorstel beperkt tot beslissing over onbetwiste vorderingen in de zin van de verordening.

Artikel 3, § 2, van het wetsvoorstel bepaalt dat de heroverweging van vonnissen of arresten bij gerechtsdeurwaarderexploot, dat dagvaarding inhoudt, wordt verzocht, om zo dicht mogelijk bij de verzetregeling te blijven. Als termijn voor het instellen geldt één maand nadat de beslissing aan de schuldenaar bekend is geworden voor de gevallen van ontijdige betekening en één maand nadat de omstandigheden hebben opgehouden te bestaan voor gevallen van overmacht of buitengewone omstandigheden (artikel 3, § 3, van het wetsvoorstel).

Artikel 4

Hoewel artikel 20, eerste lid, van de verordening bepaalt dat tenuitvoerleggingprocedures worden beheerst door het nationale recht, bevat de verordening in artikel 20, 21 en 23 toch enkele vereisten op dit punt. Zo moet een als EET gewaarmerkte beslissing in de Lidstaat van tenuitvoerlegging worden uitgevoerd onder dezelfde voorwaarden als een daar gegeven beslissing (artikel 20, eerste lid, tweede alinea van de verordening).

Daarnaast bepaalt het tweede lid van artikel 20 van de verordening welke stukken aan de tenuitvoerlegginginstanties moeten worden overgelegd. Het gaat daarbij om een afschrift van de beslissing, een afschrift van de EET en, indien nodig, een transcriptie of vertaling van de EET in de officiële taal van de Lidstaat van tenuitvoerlegging. De verordening vermeldt niets over vertaling van de als EET gewaarmerkte beslissing.

Artikel 5

Zoals vermeld bij artikel 4 van het wetsvoorstel, bepaalt artikel 20 van de verordening welke stukken aan de tenuitvoerleggende instantie moeten worden overgelegd. Om zeker te zijn dat de schuldenaar begrijpt welke vordering er tegen hem ten uitvoer wordt gelegd, is in § 1 van artikel 5 van het wetsvoorstel expliciet bepaald dat de beslissing moet zijn vertaald in het Nederlands, Frans, Duits of in een taal die schuldenaar begrijpt.

Paragraaf 2 van artikel 5 van het wetsvoorstel geeft uitvoering aan artikel 20, tweede lid, onder c, van de verordening, waar staat dat iedere Lidstaat aangeeft in welke andere taal een uit een andere Lidstaat afkomstige EET mag zijn gesteld.

Martine TAELMAN.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

In het Gerechtelijk Wetboek wordt een artikel 1026/2 ingevoegd, luidende :

« Art. 1026/2. — § 1. Een verzoek om waarmerking van een rechterlijke beslissing of een of meer gedeelten daarvan als Europese executoriale titel bedoeld in artikel 6, eerste lid, van verordening (EG) nr. 805/2004 tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen wordt bij verzoekschrift gedaan aan het gerecht waar het geschil aanhangig was. De rechter beslist onverwijld over het verzoek. De schuldenaar wordt niet opgeroepen.

§ 2. Bij het verzoekschrift bedoeld in het eerste lid worden een authentiek afschrift van de beslissing waarvan de waarmerking wordt gevraagd en het gedinginleidend stuk dat tot de beslissing heeft geleid, overgelegd. Het verzoekschrift bevat daarnaast de gegevens die de rechter nodig heeft om de beslissing volgens bijlage I bij verordening (EG) nr. 805/2004 tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen als Europese executoriale titel te kunnen waarmerken.

Bij ongenoegzaamheid van de bij het verzoekschrift overgelegde documenten of gegevens wordt aan de verzoeker de gelegenheid tot aanvulling gegeven.

§ 3. Een verzoek om waarmerking bedoeld in paragraaf 1 kan ook worden gedaan in het geding dat tot die beslissing leidt. In dat geval wordt het verzoek gedaan in de gedinginleidende akte of in de loop van het geding door middel van een verzoekschrift. »

Art. 3

In het vierde deel, boek III, van hetzelfde Wetboek wordt een titel IX ingevoegd, dat het artikel 1147ter bevat, luidende :

« Titel IX. Heroverweging

Art. 1147ter. — § 1. Ten aanzien van gerechtelijke beslissingen over niet-betwiste schuldvorderingen in de zin van de verordening (EG) nr. 805/2004 tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen kan de schuldenaar een verzoek tot heroverweging indienen bij het gerecht dat de beslissing heeft genomen op de gronden genoemd in artikel 19, eerste lid, a) en b), van deze verordening.

§ 2. Betreft de beslissing een vonnis of arrest, dan wordt het verzoek tot heroverweging gedaan bij gerechtsdeurwaardersexploot bedoeld in artikel 1047.

§ 3. Het verzoek tot heroverweging wordt ingesteld :

1º in het geval bedoeld in artikel 19, eerste lid, a), van de verordening (EG) nr. 805/2004 tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen, binnen één maand na de bekendmaking van de beslissing aan de schuldenaar;

2º in het geval bedoeld in artikel 19, eerste lid, b), van de verordening (EG) nr. 805/2004 tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen, binnen één maand nadat de daar genoemde gronden hebben opgehouden te bestaan. »

Art. 4

In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 1386/2 ingevoegd, luidende :

« Art. 1386/2. — Het afschrift van de beslissing bedoeld in artikel 20, tweede lid, a), van de verordening (EG) nr. 805/2004 tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen en het afschrift van het bewijs van waarmerking als Europese executoriale titel bedoeld in artikel 20, tweede lid, b), van deze verordening worden in de Lidstaat van tenuitvoerlegging uitgevoerd onder dezelfde voorwaarden als een daar genomen beslissing. »

Art. 5

In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 1386/3 ingevoegd, luidende :

« Art. 1386/3. — § 1. Een door een bevoegde overheid van een andere Lidstaat als Europese executoriale titel gewaarmerkte gerechtelijke beslissing, wordt voor de toepassing van artikel 20, tweede lid, a), van de verordening (EG) nr. 805/2004 tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen gesteld of vertaald in de Nederlandse, Franse of Duitse taal of in een taal die de schuldenaar begrijpt.

§ 2. Een bewijs van waarmerking als Europese executoriale titel bedoeld in artikel 20, tweede lid, b), van verordening (EG) nr. 805/2004 tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen kan in de Engelse taal worden ingevuld. »

26 januari 2011.

Martine TAELMAN.

(1) Verordening (EG) nr. 805/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen, PB L 143, 30 april 2004, 15-39.

(2) Omzendbrief van 22 juni 2005 — Verordening (EG) nr. 805/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen, Belgisch Staatsblad 28 oktober 2005, 2e uitg., 47042-47049.

(3) Honoré M., « De EET-Verordening. Een schuchtere stap naar een Europese Juridische Ruimte », Jura Falconis, via website K.U. Leuven.

(4) Bijvoorbeeld een verplicht advies van de Raad van State.

(5) Van Drooghenbroeck J.-F. en Brijs S., Un titre exécutoire européen, Brussel, Larcier, 2006, 18.

(6) Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PB L 12, 16 januari 2001, 1-23.

(7) Kh. Hasselt (1e k.), nr. 06/0247, 1 februari 2006, Tijdschrift@ipr.be, afl.1, 53.

(8) Artikel 2 van de Wet van 28 september 2005 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 805/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot invoering van een Europese executoriale titel voor niet-betwiste schuldvorderingen.

(9) Van Drooghenbroeck J.-F. en Brijs S., Un titre exécutoire européen, blz. 174.

(10) Zie de website van de Europese Gerechtelijke Atlas op het gebied van burgerlijke zaken.

(11) Zie onder andere Kh. Antwerpen (6e k.), nr. 08/6869, 15 oktober 2008.