5-54/1

5-54/1

Belgische Senaat

BUITENGEWONE ZITTING 2010

2 SEPTEMBER 2010


Wetsvoorstel betreffende de administratieve afdoening van bepaalde inbreuken op de wetgeving inzake het wegverkeer

(Ingediend door mevrouw Martine Taelman)


TOELICHTING


Dit wetsvoorstel herneemt de tekst van een voorstel dat reeds op 17 maart 2009 in de Senaat werd ingediend (stuk Senaat, nr. 4-1232/1 - 2008/2009).

De verkeersveiligheid staat hoog op de politieke agenda.

De naleving van de voorschriften dient een belangrijke pijler te zijn in de strijd tegen de verkeersonveiligheid. Tijdens de eerste 5 maanden van 2002 werden de controles op de autosnelwegen enorm opgevoerd. Er werden maar liefst 158 596 PV's uitgeschreven, bijna een verdubbeling tegenover dezelfde periode in 2001. Het aantal controle-uren steeg in Vlaanderen van 2 058 tot 5 586 uren. In Wallonië werd een stijging opgetekend van 4 507 naar 5 702. Niettegenstaande het veelvuldig vaststellen van overtredingen verloopt de afhandeling ervan niet zelden problematisch. Tal van overtredingen worden geseponeerd, de strafrechtelijke afhandeling sleept veel te lang aan, en de invordering van de geldboeten verloopt niet van een leien dakje.

Kortom : politieparketten kunnen niet op een adequate manier gevolg geven aan de vastgestelde overtredingen.

Het is niet de bedoeling om zoveel mogelijk overtredingen vast te stellen maar om een gedrag te wijzigen door de pakkans te verhogen en op die manier overtredingen te vermijden. Een gebrekkige afhandeling van verkeersovertredingen kan bij de bevolking de indruk doen ontstaan dat er niet nauw wordt omgesprongen met de beteugeling van verkeersovertredingen, wat op zijn beurt gevolgen heeft voor de verkeersveiligheid. Dit kan echter ook gevolgen hebben voor de naleving van wetten in andere beleidsdomeinen. Ook het Belgisch Instituut voor Verkeersveiligheid stelt dat de doeltreffendheid in het gedrang komt wanneer aan de overtredingen geen gevolg wordt gegeven door middel van sancties.

De afhandelingswijze in het huidige stelsel is te lang en creëert een reeks problemen. De directeur van registratie en domeinen verzekert in naam van de procureur des Konings de invordering van de geldboeten, nadat de griffier een uittreksel van het uitvoerbaar geworden vonnis of arrest aan de bevoegde ontvanger van de registratie heeft overhandigd. Na een bepaalde procedure gevolgd te hebben, kan de ontvanger overgaan tot een gedwongen uitvoering via een gerechtsdeurwaarder, doch dit laatste is vrij zeldzaam. Meestal wordt het dossier overgezonden aan het openbaar ministerie dat de uitvoering kan vragen van de vervangende gevangenisstraf. Hier wringt het schoentje. Het openbaar ministerie stuurt weliswaar een aanmaningsbrief waarin vastgesteld wordt dat er kan overgegaan worden tot de vervangende gevangenisstraf, maar daar blijft het bij, aangezien een dergelijke straf in de praktijk wegens een aantal opportuniteitsredenen niet wordt uitgevoerd.

De weigering tot betaling creëert dus de facto een vorm van straffeloosheid door de mankementen bij de invordering. Het is zo dat de huidige situatie, zeker voor een aantal verkeersovertredingen, te wensen overlaat. Daarbij komt de wrevel die dergelijke inefficiënte procedures bij de gerechtelijke diensten opwekt. Sinds 2001 worden op een meer systematische manier deurwaarders ingeschakeld bij niet-betaling, maar dit blijkt niet voldoende.

Ook Nederland werd geconfronteerd met dergelijke problemen. Beleidsverantwoordelijken zochten alternatieven voor de strafrechtelijke afhandeling van (bepaalde) misdrijven. Dit heeft reeds in 1983 geleid tot de oprichting van de commissie-Mulder die in 1985 een rapport klaar had.

Op basis daarvan werd de Wet administratiefrechtelijke Afhandeling Verkeersvoorschriften, beter bekend als « wet-Mulder », aangenomen. Een vrij grote groep verkeersdelicten is door de wet-Mulder uit de strafrechtelijke sfeer gehaald en wordt administratief afgehandeld. Deze procedure verhoogt aanzienlijk de afwikkeling van een zaak, waardoor logge strafprocedures worden vermeden en vele achterpoortjes om aan een verkeersboete te ontsnappen worden gesloten. De wet-Mulder voorziet in een hele reeks van verhaalmogelijkheden, zoals beslag op bankrekening, op goederen, ... De kantonrechter kan zelfs (op vordering van de officier van justitie) de buitengebruikstelling van het voertuig vorderen of het rijbewijs intrekken. Deze dwangmiddelen komen eventueel niet in de plaats van de sanctie (zoals de vervangende gevangenisstraf bij ons) maar zijn slechts een middel om de betaling af te dwingen. De boete kan steeds, als er binnen bepaalde termijnen niet wordt betaald, forfaitair verhoogd worden. Voor de inning van deze administratieve boeten is er een speciale dienst in het leven geroepen, met name het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB), dat deel uitmaakt van het OM.

Dergelijke verkeersvoorschriften worden, zolang zij geen letsels aan personen of schade aan voertuigen tot gevolg hebben, uit de strafrechtelijke sfeer gelicht. In principe krijgt het OM, als de overtreder niet betaalt, dus het recht om de boete te innen via administratieve dwangmiddelen en zonder rechterlijke tussenkomst.

Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat er in Nederland sinds de invoering van de wet-Mulder, een toegenomen bereidheid is tot het betalen van verkeersboeten, waaruit men mag besluiten dat het systeem wel degelijk werkt. Het blijkt zelfs dat de meeste boeten reeds geïnd worden bij de initiële beschikking. Een belangrijk positief gevolg is onder meer dat de geloofwaardigheid van de overheid toeneemt, omdat het publiek een beter beeld krijgt van de instellingen. Uit enquêtes blijkt dat de mensen overigens geen problemen hebben met de « hardere » aanpak door de wet-Mulder. In Nederland zijn er zelfs al plannen om het stelsel uit te breiden naar zwaardere strafbare feiten. Ook in België zijn er reeds een aantal parlementaire initiatieven geweest, maar om allerlei redenen zijn die nooit tot een goed einde gebracht (zie meer bepaald de stukken Kamer nrs. 49-462, 1995-1996 en 49-561, 1995-1996). Het thema staat weer in de belangstelling. Voorbeelden hiervan zijn de resoluties aangenomen in het kader van het mobiliteitsdebat in de Senaat met een aanbeveling rond dit specifieke thema (voorjaar 2001). Gouverneur Lode De Witte van Vlaams-Brabant pleitte in 2000 ook reeds voor het invoeren van het Nederlandse systeem.

Om efficiënt te zijn, dient de afhandeling van overtredingen minstens te voldoen aan enkele voorwaarden. Ten eerste moet er een snelle bestraffing volgen, ten tweede moet er zekerheid van bestraffing zijn en ten slotte moet de straf aangepast zijn aan de concrete situatie. Deze aspecten moeten we dus steeds voor ogen houden, willen we een nieuw elan geven aan de inning van verkeersboeten.

De huidige procedure voldoet niet aan deze criteria. Node moet men bovendien vaststellen dat de werklast bij politie en justitie, wat betreft verkeersovertredingen, steeds toeneemt. Dit heeft nadelige gevolgen. Zo zal de aandacht voor grotere zaken afnemen omdat de diensten zich moeten bezighouden met relatief eenvoudige dossiers, die door hun aantal teveel middelen opslorpen. Een ander gevolg is dat het tempo van afhandeling zal afnemen wegens deze grote massa en dit in een materie waar een snelle reactie toch wel geboden is.

Een aantal veel voorkomende overtredingen moeten uit de huidige verkeerswetgeving gelicht worden, zodat ze via een administratieve procedure beboet kunnen worden. Bij deze overtredingen mag er echter geen sprake zijn van enig lichamelijk letsel of van materiële schade, zoniet blijft het bestaande systeem van kracht (zo blijft de burgerlijke partijstelling onaangeroerd). Bepaalde politiemensen zijn in eerste instantie bevoegd een sanctie op te leggen, weliswaar met een zeker toezicht door het parket. In een dergelijke administratieve procedure moet er steeds oog zijn voor de bescherming van de rechten van de verdediging, daarom wordt er voorzien in de mogelijkheid van hoger beroep (eerst bij de procureur des Konings en nadien eventueel beperkt bij de politierechter) en cassatie. Om geen lege doos te creëren worden er dwangmiddelen vastgesteld bij niet- of laattijdige betaling (zo bijvoorbeeld forfaitaire verhogingen en in bepaalde gevallen een administratieve oplegging van het voertuig).

TOELICHTING BIJ DE ARTIKELEN

Artikel 2

Dit artikel definieert een aantal begrippen.

Artikel 3

De Koning bepaalt welke misdrijven, opgesomd in de wetten vermeld onder artikel 2, in aanmerking komen om administratief te worden beboet. Het voorstel vermeldt drie basisteksten met betrekking tot verkeerswetgeving. De beleidsruimte die hier voor de overheid gecreëerd wordt, maakt het mogelijk om een groot gedeelte van de verkeersovertredingen te viseren.

Dergelijke afdoening kan enkel indien er geen materiële en/of lichamelijke schade te betreuren valt. Die regel is ingegeven door het feit dat het slachtoffer niet mag beperkt zijn in zijn recht om zich burgerlijke partij te stellen.

De derde paragraaf voorziet in de onmogelijkheid voor het openbaar ministerie om een overtreding nog volgens de gewone procedure te laten verlopen, indien die overtreding in aanmerking komt voor een administratieve verkeersboete. Met andere woorden, de ene procedure sluit de andere uit. Indien echter de overtredingen, die in aanmerking komen voor een administratieve afdoening, in samenloop vallen met andere overtredingen, die nog steeds volgens de huidige strafrechtelijke procedure verlopen, zal de strafrechtelijke procedure gevolgd worden.

De Koning bepaalt het bedrag van de administratieve verkeersboete, met inachtneming van de huidige verkeersreglementering. Hij stelt het bedrag vast, rekening houdende met het minimum- en het maximumbedrag van de strafrechtelijke boete die op deze overtreding staat, telkens vermeerderd met de opdeciemen. Bij herhaling wordt de administratieve verkeersboete verdubbeld.

Artikel 4

De bevoegde personen zijn die omschreven in de wetten bedoeld in artikel 2 en die bevoegd zijn voor het doen naleven ervan. Zij kunnen, naast het proces-verbaal waarbij de overtreding wordt vastgesteld, voor overtredingen die in aanmerking komen voor de administratieve afdoening, een bevel tot betaling opstellen.

Om toch een zekere mate van rechtszekerheid te creëren bepaalt de wet welke gegevens op dat bevel tot betaling vervat zijn. De betrokkene heeft immers het recht om correct en volledig te worden ingelicht over de procedure en de feiten die aanleiding geven tot het bevel tot betaling. Om hem de kans te geven zich behoorlijk te verdedigen wordt er voorzien in de opsomming, op het bevel tot betaling, van twee artikelen uit deze wet die de bepalingen qua beroepsmogelijkheden bevat, enerzijds bij de procureur des Konings en anderzijds bij de politierechtbank. Aangezien deze vermeldingen de bescherming van de betrokkene tot doel hebben, wordt er gestipuleerd dat zij op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven.

Het bevel tot betaling zal, indien mogelijk, onmiddellijk na de overtreding overhandigd worden. Dit kan aangezien de personen die het proces-verbaal opstellen ook het bevel tot betaling zullen opstellen. Het voordeel van een dergelijke onmiddellijke overhandiging ligt in de tijdswinst. In het andere geval zal het bevel tot betaling toegezonden worden en wordt de kennisgeving geacht gebeurd te zijn drie dagen na verzending.

Het bevel tot betaling wordt overgezonden naar de procureur des Konings (aangezien die volgens artikel 5 een beslissingsbevoegdheid heeft) en het inningskantoor (zodat dit het verloop van de procedure kan volgen en op de hoogte blijven van de toepassing van de administratieve verkeersboete met het oog op de latere invordering ervan).

Bij de administratieve verkeersboete wordt een verjaringstermijn van 1 jaar vastgesteld. Zoals in de strafvordering wordt deze termijn gestuit door daden van onderzoek of van vervolging.

Artikel 5

De procureur des Konings houdt toezicht op de administratieve verkeersboete. Hij kan beslissen om het bevel tot betaling in te trekken of het bedrag te wijzigen. Dit lijkt ons inziens noodzakelijk, bijvoorbeeld bij een onterechte boete of een verkeerde kwalificatie. De procureur kan een dergelijke beslissing ambtshalve nemen. Hij dient dus niet te wachten tot de betrokkene stappen onderneemt om de boete te betwisten.

Dit neemt niet weg dat ook de betrokkene een dergelijke intrekking of aanpassing kan vragen. In dit geval mag men zich binnen een maand na kennisgeving van het bevel tot betaling schriftelijk wenden tot de procureur des Konings. Die beschikt op zijn beurt over een termijn van één maand na ontvangst van het verzoek om zijn antwoord mede te delen. Laat hij na om binnen deze termijn een antwoord te geven, zo wordt het verzoek geacht te zijn verworpen.

Belangrijk is te vermelden dat het betalen van het volledig bedrag van de betwiste administratieve verkeersboete een ontvankelijkheidsvereiste is om een dergelijk verzoek te richten tot de procureur. Men dient dus eerst te betalen alvorens men beroep kan aantekenen. Deze maatregel is ingegeven om het misbruik van beroepen, die er op gericht zijn de zaak zonder gegronde reden uit te stellen, tegen te gaan.

Artikel 6

De betrokkene kan zich steeds wenden tot de politierechtbank, indien zijn verzoek door de procureur des Konings ten dele of geheel werd verworpen (dus ook in het geval dat de procureur heeft nagelaten binnen de wettelijk voorgeschreven termijn te antwoorden). Het verzoek van de betrokkene tot de procureur dient derhalve te worden beschouwd als een ontvankelijkheidsvoorwaarde voor een procedure voor de politierechter.

De betrokkene dient zijn beroep bij de politierechtbank in te leiden binnen een termijn van één maand na de kennisgeving van de beslissing van de procureur of, indien er geen antwoord van deze laatste volgt, binnen één maand na het verstrijken van de termijn binnen welke de procureur een beslissing moest nemen.

Doordat de griffier een afschrift moet zenden aan het openbaar ministerie is de procureur onmiddellijk op de hoogte van de beroepen tegen zijn beslissingen.

Artikel 7

De politierechter kan de beslissing van de procureur des Konings bevestigen, vernietigen of het bedrag wijzigen. Hij kan met andere woorden oordelen over de wettigheid en de proportionaliteit van de administratieve verkeersboete. Hij kan zich evenwel niet in de plaats stellen van het bestuur en oordelen over de opportuniteit ervan. Dit zou een inbreuk zijn op het beginsel van de scheiding der machten. Deze bepaling vindt haar oorsprong in artikel 119bis, § 12, tweede lid, van de nieuwe gemeentewet, ingevoegd door de wet van 31 mei 1999 tot invoeging van gemeentelijke administratieve sancties.

Teneinde zoveel mogelijk procedureslagen te vermijden, die er enkel en alleen maar op gericht zijn om de rechtsgang te verlammen, staat er maar een rechtsmiddel open tegen de beslissing van de politierechter, met name voorziening in cassatie. Dit wordt gerechtvaardigd door het feit dat er reeds een beslissing in eerste aanleg (de procureur des Konings) en in tweede aanleg (de politierechter) geweest is.

Artikel 8

Het bevel tot betaling van de administratieve verkeersboete wordt onherroepelijk wanneer de betrokkene daartegen geen rechtsmiddelen meer kan aanwenden. Dit zal het geval zijn wanneer de termijnen zijn verstreken om een verzoek te richten tot de procureur des Konings of beroep aan te tekenen bij de politierechtbank, of wanneer de beslissing van de politierechter in kracht van gewijsde is gegaan. Indien er geen betwisting meer mogelijk is, dient de betrokkene binnen een termijn van één maand te betalen.

Om de overtreder ertoe aan te zetten de administratieve verkeersboete tijdig te betalen wordt er voorzien in automatische verhogingen bij het overschrijden van de wettelijk voorgeschreven termijnen. Deze verhogingspercentages zijn gebaseerd op de Nederlandse wetgeving terzake.

Aangezien er zoveel te doen is over de financiering van de nieuwe geïntegreerde politie en dan vooral met betrekking tot de financiële impact op de gemeentefinanciën, wordt erin voorzien dat een deel van de opbrengst van de administratieve verkeersboete terugvloeit naar de lokale politiezones in opstartfase. Verder kan de gedeeltelijke toewijzing van deze middelen ook een extra stimulans voor de politiediensten zijn om het verkeerstoezicht te verbeteren. Het spreekt voor zich dat deze bijkomende geldmiddelen enkel mogen aangewend worden voor de ondersteuning van de politiewerking en dat zij niet naar andere beleidsplannen mogen vloeien.

Artikel 9

De inning van de administratieve verkeersboete wordt toevertrouwd aan een inningskantoor (zie ook artikel 14). Aangezien niet de fiscale administratie bevoegd zal zijn voor de inning wegens de verschillende praktische problemen die er momenteel bestaan, kan er dus geen beroep gedaan worden op de wetten op de rijkscomptabiliteit. Wel wordt voorzien in een uitvoerbare titel, zodra de administratieve verkeersboete onherroepelijk geworden is. De enige manier om die uitvoerbare titel aan te vechten bestaat erin zich burgerlijke partij te stellen, zodat uiteindelijk de rechterlijke macht zal oordelen over de geldigheid van de uitvoerbare titel.

Artikel 10

Dit artikel voorziet in een bijkomend drukkingsmiddel indien de betrokkene blijft nalaten de administratieve verkeersboete te betalen. Het inningskantoor kan beslissen tot de tijdelijke oplegging, na machtiging van de politierechtbank. De tijdelijke oplegging kan enkel met betrekking tot het voertuig waarmee de overtreding is begaan indien de betrokkene eigenaar is van dat bewuste voertuig of wanneer dat voertuig uitsluitend te zijner beschikking staat voor een termijn die gelijk is aan de duur van de oplegging. De regels voor deze bijzondere machtiging zullen verder uitgewerkt worden door de Koning.

Artikel 11

Bepaalt de regels ten aanzien van de betrokkene die geen woonplaats heeft in België. Indien hij de administratieve verkeersboete niet onmiddellijk betaalt, dient hij een som in consignatie te geven, die gelijk is aan het bedrag van de administratieve verkeersboete. Deze regeling is geïnspireerd door de bepalingen uit de wegverkeerswet betreffende het verval van de strafvordering tegen betaling van een geldsom.

Artikel 12

Omvat een regeling inzake de administratieve verkeersboete voor personen, die krachtens artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek een aansprakelijkheid hebben (zoals ouders, meesters, aanstellers, ...).

Artikel 13

Aangezien er een beroepsmogelijkheid bij de politierechtbank wordt gecreëerd bij de toepassing van de administratieve verkeersboete, is een wijziging van de bevoegdheidsregels van het Gerechtelijk Wetboek noodzakelijk.

Artikel 14

Thans wordt de geldboete geïnd door de administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen. Aangezien dit systeem te wensen overlaat, wordt gekozen voor de oprichting van een inningskantoor, zoals dit ook het geval is in Nederland. De term incassobureau werd niet overgenomen wegens de eerder negatieve bijklank ervan. Er wordt voorzien in één inningskantoor, gevestigd in Brussel met alle voordelen van centralisatie tot gevolg en tevens de weerhouding van alle nadelen indien er gekozen zou worden voor een gedecentraliseerd systeem. Dit gecentraliseerd systeem heeft in Nederland zijn deugdelijkheid bewezen.

Aan het hoofd van het inningskantoor staat de ontvanger van de administratieve verkeersboete. Hij en zijn personeel hebben het statuut van openbaar ambtenaar. Het is de uitdrukkelijke bedoeling dat deze dienst niet in concessie zou worden gegeven. De ontvanger zal de administratieve verkeersboete innen onder het juridisch toezicht van de procureur des Konings van Brussel, waar ook de kantoren van het inningskantoor gevestigd zijn. Op geldelijk vlak zal de ontvanger als rekenplichtige van de Staat rekenschap verschuldigd zijn aan het Rekenhof. De nadere regels met betrekking tot het inningskantoor, de ontvanger en zijn personeel worden bepaald door de Koning.

Artikel 14, § 3, voorziet in een aansprakelijkheid van de ontvanger en is geïnspireerd op artikel 132 van de hypotheekwet van 16 december 1851. Het kan beschouwd worden als een stok achter de deur tegen de weinig waarschijnlijke kans dat de ontvanger opzettelijk de bepalingen van deze wet zou overtreden.

Artikel 15

Teneinde een duidelijk inzicht te krijgen in de toepassing van deze wet en de ingevoerde administratieve verkeersboete is het wenselijk dat de regeling jaarlijks onderworpen wordt aan een evaluatie via een inventarisatie van bepaalde gegevens. Om het Parlement de mogelijkheid te bieden zijn controlerecht uit te oefenen wordt er voorzien in de overzending van een jaarverslag.

Martine TAELMAN.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

TITEL I

Definities

Art. 2

Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder :

1º « betrokkene » : de persoon die het verkeersmisdrijf heeft gepleegd, of wanneer hij in het proces-verbaal niet geïdentificeerd is, de natuurlijke persoon of de rechtspersoon houder van de nummerplaat van het voertuig waarmee het verkeersmisdrijf werd begaan;

2º « woonplaats » : de woonplaats in de zin van het Gerechtelijk Wetboek;

3º « datum van vaststelling » : de datum waarop de opstellers van het proces-verbaal het verkeersmisdrijf de visu of met wettelijk toegelaten toestellen hebben vastgesteld, ofwel de datum waarop het verkeersmisdrijf werd vastgesteld door wettelijk toegelaten toestellen, ofwel, indien er analyses of deskundige onderzoeken werden verricht, de datum waarop de uitslag van de analyses of de onderzoeken ter kennis is gekomen van de opstellers van het proces-verbaal;

4º « verkeersmisdrijf » : overtreding die is omschreven in het koninklijk besluit van 16 maart 1968 tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer of de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen;

5º « bevoegde personen » : de personen die krachtens het koninklijk besluit van 16 maart 1968 tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer of de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen belast zijn met de vaststelling van de gestelde inbreuken;

6º « inningskantoor » : het inningskantoor voor de administratieve verkeersboete, bedoeld in artikel 14.

TITEL II

Toepassingsgebied

Art. 3

De bevoegde personen kunnen een administratieve verkeersboete opleggen aan de betrokkenen bij een verkeersmisdrijf, begaan naar aanleiding van een overtreding van de wetten en besluiten bedoeld in artikel 2, 5º.

De Koning wijst de bepalingen aan van de in artikel 2, 4º, vermelde wetten en besluiten, die bij inbreuken aanleiding geven tot een administratieve verkeersboete.

Een administratieve verkeersboete kan evenwel niet opgelegd worden indien de inbreuk materiële en/of lichamelijke schade tot gevolg heeft.

Strafrechtelijke vervolging wordt uitgesloten bij overtredingen die op grond van deze wet in aanmerking komen voor een administratieve verkeersboete. De bij deze wet bepaalde procedure tot inning van de administratieve verkeersboete is niet mogelijk in geval van samenloop met één of meer verkeersovertredingen die niet door de Koning zijn aangewezen overeenkomstig het tweede lid.

De Koning stelt voor elke overtreding het bedrag van de administratieve boete vast. Dit bedrag mag niet hoger zijn dan het maximumbedrag van de geldboete waarin de in artikel 2 vermelde wet en besluiten voor die overtreding voorzien, vermeerderd met de opdeciemen. Zij mag niet lager zijn dan het minimumbedrag van de geldboete waarin deze wet en besluiten voor die overtreding voorzien, vermeerderd met de opdeciemen.

Indien binnen het jaar, te rekenen vanaf de datum van het proces-verbaal, een nieuwe, in het tweede lid bedoelde overtreding wordt vastgesteld, worden de in het vorig lid bedoelde bedragen verdubbeld.

TITEL III

De procedure tot inning van de administratieve verkeersboete

Art. 4

§ 1. De bevoegde personen kunnen, samen met het proces-verbaal tot vaststelling van de overtreding, een bevel tot betaling van een administratieve verkeersboete opstellen, indien zij een inbreuk vaststellen van de in artikel 3, tweede lid, bedoelde overtredingen.

§ 2. Op straffe van nietigheid vermeldt het bevel tot betaling van een administratieve verkeersboete ten minste :

— de dagtekening;

— de identiteit van de betrokkene;

— de ten laste gelegde feiten en de geschonden wettelijke bepalingen;

— de datum van vaststelling;

— het bedrag van de administratieve verkeersboete en de betalingswijze;

— de uiterste betaaldatum, evenals de verhogingen van de administratieve verkeersboete bij laattijdige betaling;

— de tekst van de artikelen 5 en 6;

— de identiteit van de bevoegde persoon die de overtreding heeft vastgesteld.

Het bevel tot betaling van een administratieve verkeersboete wordt ondertekend door de bevoegde persoon.

§ 3. Het bevel tot betaling van een administratieve verkeersboete wordt, indien mogelijk, onmiddellijk na de vaststelling van de overtreding aan de betrokkene overhandigd. Zoniet wordt het bevel tot betaling aan de betrokkene toegezonden. In dat geval wordt de kennisgeving geacht te hebben plaatsgevonden op de derde werkdag na die van de verzending.

§ 4. Een exemplaar van het bevel tot betaling van een administratieve verkeersboete wordt, samen met het proces-verbaal waarbij de overtreding werd vastgesteld, naar de procureur des Konings en naar het inningskantoor gezonden.

§ 5. De administratieve verkeersboete verjaart één jaar na de datum van vaststelling. Daden van onderzoek of van vervolging verricht binnen deze termijn stuiten de termijn. Met die daden begint een nieuwe termijn van gelijke duur te lopen, zelfs ten aanzien van personen die daarbij niet betrokken waren.

Art. 5

De procureur des Konings kan hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de betrokkene, beslissen het bevel tot betaling van een administratieve verkeersboete in te trekken of het bedrag ervan te wijzigen. De beslissing wordt gemotiveerd en schriftelijk ter kennis gebracht van de betrokkene. De kennisgeving wordt geacht te hebben plaatsgevonden op de derde werkdag na die van de toezending.

De betrokkene kan een schriftelijk verzoek doen tot intrekking van het bevel tot betaling van een administratieve verkeersboete of tot vermindering van het bedrag. Dat verzoek wordt gericht aan de procureur des Konings binnen een termijn van een maand na de kennisgeving van het bevel tot betaling. De procureur des Konings zendt binnen een termijn van een maand na de ontvangst van het verzoek een antwoord aan de betrokkene, overeenkomstig het eerste lid. Wanneer binnen deze termijn geen antwoord aan de betrokkene is overgezonden, wordt het verzoek geacht te zijn verworpen. Het verzoek is slechts ontvankelijk nadat de betrokkene het volledig bedrag betaald heeft van de in artikel 3 bedoelde administratieve verkeersboete.

Art. 6

Wanneer de procureur des Konings het verzoek volledig of ten dele verwerpt, kan de betrokkene bij verzoekschrift beroep aantekenen tegen het bevel tot betaling van een administratieve verkeersboete bij de politierechtbank van het rechtsgebied waar de overtreding heeft plaatsgevonden.

Dit beroep wordt op straffe van verval ingeleid binnen een termijn van één maand na de kennisgeving van de beslissing van de procureur des Konings of, indien deze nalaat een beslissing te nemen, na het verstrijken van de termijn waarbinnen hij een beslissing moest nemen.

De griffier zendt een afschrift van het verzoekschrift aan het openbaar ministerie.

Art. 7

De griffier roept de betrokkene en het openbaar ministerie op om op de door de rechter bepaalde dag in openbare zitting hun standpunt toe te lichten.

Wanneer de rechter het verzoek ontvankelijk heeft verklaard kan hij beslissen de administratieve verkeersboete te handhaven, te vernietigen of het bedrag ervan te wijzigen. De rechter beoordeelt de wettigheid en de proportionaliteit van de aan betrokkene opgelegde administratieve verkeersboete.

Behoudens voorziening in cassatie kan tegen het eindvonnis geen rechtsmiddel worden ingesteld.

Art. 8

§ 1. De betrokkene dient de administratieve verkeersboete te betalen uiterlijk één maand nadat deze onherroepelijk geworden is door het verstrijken van de termijn binnen welke hij een verzoek tot de procureur des Konings kon richten of een vordering bij de politierechtbank kon inleiden of doordat de beslissing van de politierechtbank in kracht van gewijsde is gegaan.

§ 2. Wanneer de betrokkene de administratieve verkeersboete niet geheel binnen de in § 1 bepaalde termijn heeft betaald wordt het bedrag ervan met 25 % verhoogd.

Het aldus verhoogde bedrag moet binnen vier weken na de aanmaning van de bevoegde administratie worden betaald.

§ 3. Wanneer de betrokkene in het in § 2 bedoelde geval de aldus verhoogde administratieve verkeersboete niet geheel binnen de daartoe gestelde termijn heeft betaald, wordt dit bedrag met 50 % verhoogd.

§ 4. De Koning bepaalt, bij een in de Ministerraad overlegd besluit, het percentage van de ontvangsten van de administratieve verkeersboete dat zal worden aangewend ter ondersteuning van de werking van de lokale politie.

Art. 9

§ 1. Wanneer de betrokkene nalaat de verkeersboete binnen de in artikel 8, § 1, bedoelde termijn te betalen, wordt het bevel tot betaling van een administratieve verkeersboete of de in kracht van gewijsde gegane beslissing van de politierechtbank van rechtswege uitvoerbaar en doorgezonden aan het inningskantoor, met het oog op de invordering van de administratieve verkeersboete.

De ontvanger stelt vast dat de administratieve verkeersboete niet binnen de voorgeschreven termijn werd betaald. Hij beveelt dat de uitvoerbare titel aan een gerechtsdeurwaarder zal toegezonden worden. De tenuitvoerlegging geschiedt op dezelfde wijze als die van een vonnis in burgerlijke zaken.

§ 2. De uitvoerbare titel wordt opgemaakt volgens het model dat de Koning vaststelt bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. De uitvoerbare titel wordt aan de betrokkene betekend zoals een vonnis in strafzaken.

§ 3. Tegen de uitvoerbare titel kan men alleen opkomen door overeenkomstig artikel 63 van het Wetboek van strafvordering klacht neer te leggen tegen de ontvanger wegens overtreding van artikel 14, § 3, van deze wet. Deze klacht dient te gebeuren binnen de maand na de betekening van de uitvoerbare titel.

De strafrechter die de ontvanger veroordeelt beveelt de vernietiging van de uitvoerbare titel.

Bij veroordeling is de Staat gehouden tot volledige schadevergoeding van de burgerlijke partij. Ingeval van opzet wordt de ontvanger eveneens veroordeeld tot schadevergoeding en is hij met de Staat hoofdelijk gehouden tot deze schadevergoeding.

Art. 10

Wanneer de betrokkene na aanmaning daartoe blijft nalaten de administratieve verkeersboete volledig te betalen, kan het inningskantoor aan de politierechtbank van de woonplaats of de hoofdverblijfplaats van de betrokkene een machtiging vragen tot oplegging van het voertuig waarmee de overtreding werd begaan voor zover het voertuig eigendom is van de betrokkene of uitsluitend ter zijner beschikking staat voor een termijn die ten minste gelijk is aan de duur van de oplegging. De oplegging wordt ten laatste opgeheven op de dag dat het iningskantoor kennis krijgt van de volledige betaling van de verkeersboete door de betrokkene. De Koning bepaalt de nadere regels van deze machtiging.

De artikelen 53 en 54 van de door het koninklijk besluit van 16 maart 1968 gecoördineerde wetten betreffende de politie over het wegverkeer zijn van toepassing.

Art. 11

§ 1. Indien de betrokkene geen woonplaats of vaste verblijfplaats in België heeft en hij de administratieve verkeersboete niet onmiddellijk betaalt, geeft hij aan de bevoegde personen een som in consignatie die gelijk is aan het bedrag van de administratieve verkeersboete. De Koning stelt de nadere regels vast betreffende de wijze waarop de som in consignatie wordt gegeven.

Het door de betrokkene bestuurde voertuig wordt op zijn kosten en risico ingehouden tot deze som betaald is en het bewijs geleverd wordt dat de eventuele bewaringskosten van het voertuig betaald zijn of, indien dit niet gebeurt, gedurende zesennegentig uren te rekenen vanaf de datum van vaststelling van de overtreding. Bij het verstrijken van deze termijn mag de inbeslagneming van het voertuig bevolen worden door het openbaar ministerie.

Een bericht van inbeslagneming wordt binnen de twee werkdagen aan de eigenaar van het voertuig gezonden.

Het risico en de kosten voor het voertuig blijven tijdens de duur van het beslag ten laste van de betrokkene.

Het beslag wordt geheven nadat het bewijs geleverd is dat de som die in consignatie moet worden gegeven en de eventuele kosten voor de bewaring van het voertuig betaald werden.

§ 2. Wanneer de administratieve verkeersboete onherroepelijk is geworden wordt de in consignatie gegeven som daarop toegerekend. Het eventueel overschot wordt aan de betrokkene terugbetaald.

Indien binnen veertig dagen nadat het bevel onherroepelijk is geworden de administratieve verkeersboete niet werd betaald, kan het inningskantoor het voertuig verkopen. De opbrengst van de verkoop wordt toegerekend op de administratieve verkeersboete en op de eventuele kosten voor de bewaring van het voertuig. Het eventuele overschot wordt aan de betrokkene terugbetaald.

§ 3. Indien het bevel tot betaling van een administratieve verkeersboete door de procureur des Konings wordt ingetrokken of door de politierechter wordt vernietigd, worden de in consignatie gegeven som en het inbeslaggenomen voertuig teruggegeven. De eventuele kosten voor de bewaring van het voertuig vallen ten laste van de Staat.

Art. 12

Zij die overeenkomstig artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek burgerrechtelijk aansprakelijk zijn voor de schadevergoeding en kosten, zijn gehouden tot betaling van de administratieve verkeersboete.

Art. 13

Artikel 601ter van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd door de wet van 13 mei 1999, wordt aangevuld met de bepaling onder 4º :

« 4º het beroep tegen de beslissing tot het opleggen van een administratieve verkeersboete voor overtredingen zoals omschreven in de wet van ... betreffende de administratieve afdoening van bepaalde inbreuken op de wetgeving inzake het wegverkeer. »

TITEL IV

Het inningskantoor voor de administratieve verkeersboete

Art. 14

§ 1. Er wordt er een inningskantoor voor de administratieve verkeersboete opgericht, gevestigd te Brussel.

Aan het hoofd ervan staat een ontvanger van de administratieve verkeersboete, die onder het toezicht van de procureur des Konings van Brussel valt.

De Koning bepaalt de regels met betrekking tot de wijze van betaling en inning van de administratieve verkeersboete.

§ 2. De ontvanger van de administratieve verkeersboete en zijn personeel hebben het statuut van openbaar ambtenaar.

De personeelsformatie en de regels omtrent de werking van het inningskantoor worden door de Koning vastgesteld.

§ 3. De ontvanger is in de uitoefening van zijn ambt gehouden zich te gedragen naar de bepalingen van deze wet, op straffe van geldboete van 1,5 euro tot 25 euro.

TITEL V

Evaluatie van de wet

Art. 15

Jaarlijks maken de ministers die bevoegd zijn voor Justitie en Verkeerswezen een evaluatierapport op, waarvan de krachtlijnen worden medegedeeld aan het Parlement.

Dit verslag omvat de volgende gegevens :

1º het aantal bevelen tot betaling van een administratieve verkeersboete;

2º het aantal verzoeken tot intrekking van het bevel tot betaling of tot vermindering van het bedrag ervan;

3º het aantal beslissingen tot intrekking van het bevel tot betaling of tot vermindering van het bedrag ervan.

Het jaarlijks evaluatierapport mag in geen geval gegevens bevatten die het mogelijk maken om de identiteit van de betrokkene te achterhalen.

TITEL VI

Slotbepalingen

Art. 16

Deze wet treedt in werking op een door de Koning te bepalen datum en is van toepassing op verkeersovertredingen die na de inwerkingtreding werden gepleegd.

20 juli 2010.

Martine TAELMAN.