4-104

4-104

Belgische Senaat

Handelingen

VRIJDAG 18 DECEMBER 2009 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Wetsontwerp betreffende de strijd tegen piraterij op zee en tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek (Stuk 4-1562)

Algemene bespreking

De heer Tony Van Parys (CD&V), rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijke verslag.

De heer Johan Vande Lanotte (sp.a). - Ik beschik alleen over het verslag van het wetsontwerp betreffende de strijd tegen piraterij op zee (stuk 4-1561), maar niet over het wetsontwerp betreffende de strijd tegen de piraterij en tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek (stuk 4-1562).

De voorzitter. - Ik heb het hier nochtans voor mij.

De heer Johan Vande Lanotte (sp.a). - Dat betwist ik niet, maar wij hebben het niet.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik begrijp de opmerking van de heer Vande Lanotte niet, want het verslag werd rondgedeeld in de commissie voor de Justitie, waarvan de heer Vande Lanotte lid is. Misschien was hij al weg toen het werd rondgedeeld.

De heer Johan Vande Lanotte (sp.a). - Indien het verslag niet is rondgedeeld in de commissie, dan moet het volgens het reglement worden rondgedeeld in de plenaire vergadering. Anders mogen we de voorlezing van het verslag vragen.

De voorzitter. - Het document wordt nu rondgedeeld.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De oppositie speelt het spel van de procedure, wat haar goed recht is. Maar als ze beweert dat nieuwe verkiezingen de crisis kunnen oplossen, dan heb ik zo mijn twijfels. Ze zou beter inhoudelijke voorstellen doen.

De heer Johan Vande Lanotte (sp.a). - De afspraak was niet dat de commissie zou bijeenkomen tijdens de plenaire vergadering. Volgens het reglement hebben er overigens geen commissievergaderingen plaats tijdens de plenaire vergadering.

Aangezien onze fractie niet zo groot is, kunnen we moeilijk deelnemen ťn aan de plenaire ťn aan commissievergadering. Na de plenaire willen we gerust voortwerken in de commissie.

De voorzitter. - Het gebeurt geregeld dat commissies en de plenaire vergadering tegelijkertijd vergaderen. Wellicht kunnen we de commissie vragen haar werkzaamheden een tijdje te onderbreken, tenzij wij de openbare vergadering even schorsen tot de commissie klaar is.

De heer Johan Vande Lanotte (sp.a). - Ik vrees dat de vergadering in commissie nog zeker een uur zal duren. Ik stel voor eerst de agenda van de openbare vergadering af te werken en daarna kan de commissie haar werkzaamheden voortzetten, en we zullen daar graag aan meewerken. Voor alle duidelijkheid, de commissie kon haar werkzaamheden gisteren niet beŽindigen omdat de minister er niet kon zijn. Vandaag kan dat wel en komt de commissie dus opnieuw bijeen.

De voorzitter. - Dat was zo gepland, mijnheer Vande Lanotte.

De heer Johan Vande Lanotte (sp.a). - Er was gezegd dat de commissie om half drie zou beginnen en rond drie uur klaar zou zijn. De bespreking blijkt nu langer te duren en, voor alle duidelijkheid, dat komt ook door leden van de meerderheid. Dan vind ik het ook correct de commissievergadering even te schorsen tot na de plenaire vergadering.

Wij zullen geen stemming uitlokken om te zien hoeveel leden hier wel aanwezig zijn en we willen zeker in de commissie aanwezig zijn, maar dan moet er wel correct kunnen worden gewerkt zowel in de commissie als in de plenaire vergadering.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Het is al meermaals gebeurd dat er een commissie vergadert tijdens de plenaire vergadering. Ik stel voor dat we onze werkzaamheden voortzetten zoals gepland. Dat wil zeggen dat de commissies die moeten vergaderen, kunnen vergaderen en dat ook de plenaire vergadering doorgaat. En ik stel voor dat we daarover stemmen bij zitten en opstaan.

De voorzitter. - We stemmen bij zitten en opstaan over het voorstel van de heer Vandenberghe.

-Het voorstel wordt aangenomen bij zitten en opstaan.

M. Johan Vande Lanotte (sp.a). - Je demande, comme j'en ai le droit, que le rapport sur le projet de loi relatif ŗ la lutte contre la piraterie maritime et modifiant le Code judiciaire soit lu dans son intťgralitť.

De heer Tony Van Parys (CD&V), rapporteur. - Ik heb de eer verslag uit te brengen over het wetsontwerp betreffende de strijd tegen piraterij op zee en tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek (Stuk 4-1562). Ik ben bijzonder vereerd met de aandacht van de senatoren voor dit verslag.

Dit wetsontwerp werd in de Kamer van volksvertegenwoordigers oorspronkelijk ingediend als een wetsontwerp van de regering. Het werd op 17 december 2009 door de Kamer van volksvertegenwoordigers aangenomen met 112 stemmen tegen 13 bij 10 onthoudingen. Het werd aan de Senaat overgezonden op 18 december 2009 en op dezelfde dag naar de commissie voor de Justitie verzonden. De commissie heeft het ontwerp besproken tijdens haar vergaderingen van 15 en 18 december 2009, in aanwezigheid van de minister van Justitie. Met toepassing van artikel 27.1, tweede lid, van het Reglement van de Senaat, heeft de commissie de bespreking van dit wetsontwerp aangevat vůůr de eindstemming in de Kamer van volksvertegenwoordigers. De commissie onderzocht ook het wetsontwerp betreffende de strijd tegen de piraterij op zee (Stuk 4-1561).

De inleidende uiteenzetting door de minister.

De piraterij op zee neemt vandaag in belangrijke mate toe. De bijzonderheden van deze criminaliteit in aanmerking genomen, dient de internationale gemeenschap samen te werken om de piraterij op zee efficiŽnter te bestrijden. Deze samenwerking wordt specifiek vastgelegd in artikel 100 van het Verdrag van de Verenigde Naties van Montego Bay van 10 december 1982 inzake het recht van de zee, dat de staten oplegt samen te werken ter onderdrukking van de piraterij.

De heer Johan Vande Lanotte (sp.a). - Ik denk dat u het verkeerde verslag aan het voorlezen bent.

De voorzitter. - Nee, ik denk het niet.

De heer Tony Van Parys (CD&V), rapporteur. - Ik lees het verslag voor dat u van mij vraagt.

De heer Johan Vande Lanotte (sp.a). - Het verslag dat de voorzitter liet uitdelen en dat ik daarnet gekregen heb, is niet het verslag dat ik u hoor voorlezen.

De heer Tony Van Parys (CD&V), rapporteur. - Dat ben ik wel degelijk voor u aan het voorlezen. Het gaat om het verslag met nummer 1562/3 en ik ben intussen op bladzijde 2.

De heer Johan Vande Lanotte (sp.a). - Okť, maar wat ik hoor is niet hetzelfde als wat ik hier lees. Het verslag moet worden voorgelezen zoals het gedrukt is.

De voorzitter. - Wilt u voorlezen, mijnheer Van Parys?

De heer Tony Van Parys (CD&V), rapporteur. - Ik lees dan nu het verslag vanaf de tweede paragraaf.

De bijzonderheden van deze criminaliteit in aanmerking genomen, dient de internationale gemeenschap samen te werken om de piraterij op zee efficiŽnter te bestrijden. Deze samenwerking wordt specifiek vastgelegd in artikel 100 van het Verdrag van de Verenigde Naties van Montego Bay van 10 december 1982 inzake het recht van de zee, dat de staten oplegt samen te werken ter onderdrukking van de piraterij.

De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties heeft in dit opzicht verschillende resoluties aangenomen waarin ze haar bezorgdheid uitdrukt over de toename van de daden van piraterij voor de Somalische kust en de noodzaak van een ruime deelname van de internationale gemeenschap tegen de bestrijding van de piraterij benadrukt.

Op regionaal niveau heeft de Raad op 10 november 2008 een gemeenschappelijk optreden aangenomen inzake de militaire operatie van de Europese Unie, teneinde bij te dragen tot het ontmoedigen, het voorkomen en bestrijden van piraterij en gewapende overvallen voor de Somalische kust. De Belgische Marine neemt deel aan deze militaire opdracht, genaamd Atalanta.

Hoewel onderhavig wetsontwerp een bredere bestemming heeft, tracht het een stevige wettelijke basis te bieden voor de deelname van de Belgische Marine aan de operatie Atalanta. Momenteel bestaat er geen geschikt wetgevend instrument dat het de Belgische Marine mogelijk maakt de piraterij op zee efficiŽnt te bestrijden.

De regering heeft gevraagd dit wetsontwerp met spoed te behandelen omdat het fregat Louise-Marie aan de operatie Atalanta deelneemt. Die deelname zal meer dan waarschijnlijk in 2010 worden hernieuwd.

Overeenkomstig het advies van de Raad van State van 11 augustus jongstleden werd het wetsontwerp in twee gesplitst. Het eerste ontwerp bevat de bepalingen zoals bedoeld in artikel 78 van de Grondwet en het tweede die als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet. Beide ontwerpen zijn nauw met elkaar verbonden.

Het wetsontwerp betreffende de strijd tegen de piraterij op zee bevat de definities van de begrippen piraterij en piratenschepen, voert een nieuw strafbaar feit in - piraterij op zee - met aangepaste straffen en geeft oorlogsschepen of Belgische militaire beschermingsteams op burgerschepen de bevoegdheid daden van piraterij te voorkomen en te onderdrukken.

Het tweede wetsontwerp lost de procedurele aspecten op die rijzen als gevolg van de specificiteit van de strijd tegen de piraterij op zee en schept een extraterritoriale bevoegdheid van de Belgische rechtscolleges wanneer piraterij wordt gepleegd tegen een Belgisch schip of wanneer de piraten gevat worden door een Belgisch oorlogsschip of door Belgische militairen.

Die bevoegdheid is slechts mogelijk in twee beperkte gevallen, die een aanknopingspunt met BelgiŽ hebben, en zelfs in die gevallen zal de federale procureur, afhankelijk van de concrete omstandigheden van elke zaak en krachtens het beginsel van de opportuniteit van de vervolging, beslissen of hij de vervolging al dan niet in BelgiŽ instelt.

Meer bepaald in verband met de piraterij in volle zee bij SomaliŽ moet worden onderstreept dat de regering en de Europese Unie de wil hebben voorrang te geven aan vervolgingen in de staten van de regio waar de piraterij gepleegd is, zoals blijkt uit het sluiten van een akkoord tussen de Europese Unie en Kenia. Dat akkoord, dat in maart jongstleden werd gesloten, legt de voorwaarden vast voor de transfer naar Kenia van personen die verdacht worden van daden van piraterij en die gevat werden door schepen die aan de operatie Atalanta deelnemen.

Voorliggende wetsontwerpen kwamen tot stand in nauw overleg met de militairen en de magistraten die ze zullen moeten toepassen.

Ik kom nu tot het verslag van de algemene bespreking.

De heer Hellings begrijpt dat een Belgisch gerecht mogelijk bevoegd kan zijn om piraten te vervolgen die in volle zee en in internationale wateren werden aangehouden, maar wat als zij werden aangehouden in de territoriale wateren van een andere staat? Is het in een dergelijk geval logisch om de piraten voor een Belgische rechtbank te berechten? Moeten zij niet eerder worden verwezen naar een gerecht van de staat in wiens territoriale wateren de feiten werden gepleegd?

Spreker vraagt overigens of er precedenten bestaan van aanhoudingen van piraten door Belgische militaire beschermingsteams. De minister antwoordt ontkennend op deze vraag.

Wat de mogelijke extraterritoriale bevoegdheid van de Belgische rechtbanken betreft, antwoordt de minister dat ze zowel van toepassing is op daden die zijn begaan in internationale wateren als op daden die zijn begaan in de territoriale wateren van andere staten wanneer een internationale overeenkomst bepaalt dat verschillende landen samenwerken om piraterij in deze wateren te bestrijden.

Spreker verwijst in dit verband naar artikel 3, ß3, van wetsontwerp 4-1561, betreffende daden in een andere maritieme ruimte dan de volle zee. Deze daden worden gelijkgesteld met piraterij als bepaald in paragrafen 1 en 2, `in de mate bedoeld door het internationaal recht'.

De heer Monfils meent dat de begeleiding van schepen door strijdkrachten op termijn niet houdbaar is. Indien de daden van piraterij talrijker worden, zal men naar andere oplossingen moeten zoeken om schepen te beschermen. Dat zal des te moeilijker worden naarmate piraten over betere uitrusting beschikken. Het is nu al niet meer uitzonderlijk dat zij in volle zee toeslaan, zeer ver uit de kust. Spreker pleit er dan ook voor dat men nadenkt over het wapenbezit van bemanningsleden van schepen, en over de mogelijkheid om aan een privťbedrijf het recht toe te kennen om te helpen bij de verdediging van een schip.

De heer Monfils verwijst vervolgens naar de slotopmerking van de Raad van State: `Krachtens artikel 105 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee zijn de gerechten van de staat die de inbeslagneming van schepen of goederen betrokken bij een daad van piraterij op zee heeft uitgevoerd, bevoegd om te beslissen over de te nemen maatregelen in verband met de in beslag genomen schepen en goederen, met inachtneming van de rechten van derden te goeder trouw. Het voorliggende voorontwerp bevat geen bepaling daaromtrent.'

Welk gevolg heeft de regering aan deze opmerking gegeven? De minister antwoordt dat deze vraag behandeld werd tijdens de besprekingen in de Kamer van volksvertegenwoordigers. Hij wijst op de centrale rol die dit wetsontwerp toekent aan de federale procureur. Er wordt geen absolute prioriteit gegeven aan het Belgisch recht en de Belgische gerechten. Het komt de federale procureur toe om met de betrokken staten te overleggen over de beste strategie om piraterij te beteugelen. Indien een aantal waarborgen in acht worden genomen, kan de federale procureur beslissen de zaak te brengen voor de gerechten van de nationaliteitsvlag van het schip, van de staat waaruit de dader afkomstig is, of van de staat waar hij werd aangehouden.

De heer Monfils kan het eens zijn met deze oplossing, voor zover men piraten niet overlevert aan landen die geen waarborgen bieden dat de daders effectief zullen worden vervolgd.

De heer Mahoux wijst erop dat piraterij op zee niet alleen voor de Somalische kust voorkomt. In juli laatstleden werd een Russisch schip in de Noordzee aangevallen en omgeleid naar de Afrikaanse kust.

Spreker wijst erop dat de ruime beoordelingsbevoegdheid die het wetsontwerp aan de federale procureur verleent, niet zonder gevolgen is. Indien hij zich vergist in het beoordelen van de waarborgen inzake onpartijdigheid en onafhankelijkheid van het buitenlandse gerecht waarvoor hij de zaak laat brengen, kan dat de nietigheid van de procedure tot gevolg hebben.

De minister antwoordt dat het wetsontwerp een vrij nieuwe problematiek wil aanpakken. De regering heeft gekozen voor een specifieke wet in plaats van de invoeging van nieuwe bepalingen in het Wetboek van strafvordering. Hij wijst erop dat reeds een soortgelijke wetgeving bestaat voor de koopvaardij, die een belangrijke interventierol verleent aan de kapitein van het schip.

Naast de algemene regel inzake extraterritoriale bevoegdheid in artikel 12bis van het Wetboek van strafvordering, voorziet het ontwerp in een specifieke extraterritoriale bevoegdheidsregel voor daden van piraterij tegen een Belgisch schip of wanneer de verdachten werden aangehouden door Belgische militairen.

Deze oplossing past in een internationale context van solidariteit. De federale procureur is belast met het organiseren van het vervolgingsbeleid, en hij oordeelt of er vervolgd moet worden, rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak. De procureur moet de meest aangewezen rechtbank vinden waarvoor hij de zaak zal brengen. Deze rechtbank moet de nodige waarborgen bieden inzake onafhankelijkheid, onpartijdigheid en billijkheid. Waarschijnlijk zal deze aangelegenheid in de toekomst worden geregeld door internationale verdragen. Hoe dan ook moet de kwestie ondertussen juridisch worden geregeld.

De heer Monfils verwijst naar de definitie van piraterij op zee. Paragraaf 1 van artikel 2 bepaalt dat de persoon die op heterdaad wordt betrapt bij piraterij, van zijn vrijheid kan worden beroofd hetzij op initiatief van de commandant van het schip, hetzij op initiatief van de commandant van een Belgisch militair beschermingsteam aan boord van een burgerschip. Wat bedoelt men met een burgerschip? Moet dat een schip met een Belgische vlag zijn? Kunnen militaire beschermingsteams ook aan boord gaan van schepen die niet onder Belgische vlag varen?

De minister antwoordt dat het artikel ook geldt voor het geval dat Belgische militaire beschermingsteams aan boord gaan van schepen die niet onder Belgische vlag varen. Het kan bijvoorbeeld gaan om schepen die deel uitmaken van een humanitair konvooi in het kader van een wereldvoedselprogramma van de Verenigde Naties.

De heer Vandenberghe vraagt welk recht in een dergelijk geval van toepassing is. Hij haalt het voorbeeld aan van een Belgisch militair beschermingsteam dat zich aan boord van een schip met Luxemburgse vlag zou bevinden. Wordt dan het Luxemburgse maritieme recht toegepast?

De minister antwoordt bevestigend.

Mevrouw Taelman verwijst naar de wet van 5 juni 1928 houdende herziening van het Tucht- en Strafwetboek voor de koopvaardij en de zeevisserij. Blijft deze onverminderd van toepassing? Er wordt immers in de voorliggende teksten nergens naar betreffende wet verwezen.

Een volgende vraag betreft het praktisch functioneren, het commando ter zake. Wie neemt het commando indien een schip wordt aangevallen. Spreker neemt aan dat dit het beschermingsteam is, maar wordt eerst om een formele toestemming gevraagd van de eigenaar van het schip? Hoe verloopt dit in de praktijk indien men op volle zee zit?

Een laatste vraag betreft de kosten. Wie zal er opdraaien voor de kosten indien een piratenschip wordt weggesleept? Is er in een verbeurdverklaring voorzien na een uitspraak door een Belgische rechter?

De minister antwoordt dat de wet van 5 juni 1928 houdende herziening van het Tucht- en Strafwetboek voor de koopvaardij en zeevisserij onverkort van toepassing blijft. Bij het opstellen van deze wetsontwerpen werd beslist inspiratie te putten uit de inhoud en de structuur van de wet van 5 juni 1928. Die wet bevat definities, strafmisdrijven en is voorzien van straffen en bepalingen inzake rechtspraak en procedure. Het is een wettelijke basis voor de strijd tegen de piraterij, maar de wet geldt alleen voor de koopvaardij en kon moeilijk worden aangepast om ook voor de marine te gelden.

Wat de vraag over de inbeslagname van schepen betreft, onderstreept de minister dat dit beslag steeds bewarend is. Het loopt niet vooruit op de grond van de zaak.

Over het praktische verloop van de operaties zegt de minister dat er akkoorden worden gesloten tussen de beschermingsteams aan boord en de eigenaar van het schip. Die akkoorden leggen de verantwoordelijkheden vast wanneer het schip bij de operaties averij oploopt.

De heer Vandenberghe meent dat voorliggend wetsontwerp zeer interessant is, waarbij voor de vragen van bevoegdheid en van welk recht dient te worden toegepast, een geglobaliseerde benadering geldt die moet streven naar materieel eenheidsrecht.

Spreker suggereert dat de regering binnen de Raad van Europa conventies zou kunnen nastreven met materieelrechtelijke bepalingen inzake piraterij op zee, wat ongetwijfeld een betere juridische methode is dan telkens een nationale rechtbank bevoegd te maken. In SomaliŽ zijn er bijvoorbeeld geen rechtbanken. Men moet naar globalisering streven. Hetzelfde geldt voor het sportrecht.

De minister antwoordt dat bij de VN een groep tegen de piraterij voor de kust van SomaliŽ bestaat. Die groep bereidt de oprichting voor van een internationale strafrechtbank die daden van piraterij moet berechten.

Een andere mogelijkheid is de oprichting van bijzondere kamers die rechtstreeks in Kenia of in SomaliŽ worden geÔnstalleerd. De oprichting van een internationale strafrechtbank vereist het goedkeuren van een resolutie door de Verenigde Naties en doet een probleem van kostprijs rijzen. Inmiddels moet elk land, bij ontstentenis van internationale wetgeving, zijn nationaal wetgevend arsenaal aanpassen om de strijd tegen de piraterij op zee mogelijk te maken.

De heer Vandenberghe stelt voor dit thema te agenderen bij de Raad van Europa. Deze zou alsdan een voorbeeldfunctie kunnen hebben voor de VN.

Ik kom tot de artikelsgewijze bespreking.

De voorzitter. - Mijnheer Vande Lanotte, wenst u een voorlezing van dit deel van het verslag?

De heer Johan Vande Lanotte (sp.a). - Neen, dat hoeft niet, aangezien de artikelsgewijze bespreking nog aan bod komt.

-De algemene bespreking is gesloten.