4-94

4-94

Sénat de Belgique

Annales

JEUDI 12 NOVEMBRE 2009 - SÉANCE DE L'APRÈS-MIDI

(Suite)

Demande d'explications de M. Louis Ide à la vice-première ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargée de l'Intégration sociale et au ministre de la Justice sur «l'attestation médicale relative au port d'armes» (nº 4-1140)

M. le président. - M. Etienne Schouppe, secrétaire d'État à la Mobilité, répondra.

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - Vorig jaar heb ik reeds een vraag gesteld over het medische attest dat artsen dienen uit te reiken wanneer een burger een wapen in zijn bezit wil hebben. Het betreft vraag om uitleg 4-548. De ministers antwoordden toen dat artsen niet verantwoordelijk gesteld kunnen worden wanneer de eigenaar zijn wapen kwaadwillig gebruikt. Ik was toen tevreden met dit antwoord. Verder stipuleerden de ministers dat er overleg zou komen met de artsenverenigingen. Men ging deze nieuwe administratieve taak voor de arts zelfs opnemen in de bijscholingen en de universitaire cursussen.

Na bijna een jaar lijkt er nog steeds geen echte duidelijkheid te bestaan omtrent het uitreiken van een attest bij de artsen. Sommige artsen weigeren gewoonweg deze attesten uit te reiken. Dat duidt op onwetendheid en onduidelijkheid in de sector. Daardoor moeten sommige andere artsen attesten uitschrijven aan mensen die zijn doorverwezen door hun collega-arts, die geen attest wou voorschrijven. Voor alle duidelijkheid: de artsen die weigerden een attest te schrijven, deden dit niet op een bepaalde medische grond.

In punt 3 van het antwoord stond: `Het thans voorgeschreven medisch attest is vergelijkbaar met hetgeen nodig is voor het verkrijgen van een rijbewijs.' Het is me niet geheel duidelijk wat hiermee bedoeld wordt.

Bij mijn weten wordt rijgeschiktheid niet geattesteerd door een arts, maar legt de betrokkene zelf een verklaring af. Op de website van CARA staat het volgende: `Elke kandidaat wordt verzocht om na het geslaagd theorie-examen een verklaring betreffende zijn lichamelijke en geestelijke toestand te ondertekenen (artikel 41 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998). Zijn medische toestand dient in overeenstemming te zijn met bijlage 6 van de medische minimumnormen zoals beschreven in het koninklijk besluit van 23 maart 1998. De kandidaat ondertekent een eerste verklaring betreffende zijn visuele functies. Wanneer de kandidaat meent een visuele stoornis of oogaandoening te hebben of deze heeft, mag hij deze verklaring niet ondertekenen. Indien hij dit toch doet legt hij op dat ogenblik een valse verklaring af. In dergelijke situatie dient de kandidaat zich te wenden tot een oogarts die een attest van rijgeschiktheid model X zal afleveren.'

Verder is op de website van CARA te lezen: `... door een aangeboren letsel, een ziekte of een ongeval heb je moeite met het besturen van een motorvoertuig. Met andere woorden, je hebt een verminderde functionele vaardigheid die een invloed heeft op het besturen van een motorvoertuig (bromfiets, motorfiets, auto, vrachtwagen of bus). In dat geval zal de arts je doorverwijzen naar het CARA.'

De arts heeft volgens artikel 46 van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 de plicht om zijn patiënt ervan in te lichten dat zijn lichamelijke of geestelijke toestand niet meer in overeenstemming is met de medische minimumnormen. Deze moet op zijn beurt zijn rijbewijs inleveren bij de bevoegde overheid, binnen vier werkdagen na de inkennisstelling ervan. De arts komt dus pas op dit ogenblik in actie en niet bij iedereen die een rijbewijs aanvraagt. Is de situatie dan toch anders dan bij de wapendracht?

Men kan zich overigens afvragen of een arts de gerechtelijke instanties op de hoogte mag brengen indien hij van mening is dat een patiënt niet meer in staat is zich veilig te verplaatsen met een motorvoertuig. De Nationale Raad van de Orde van geneesheren was in een advies van 15 december 1990 van oordeel dat indien de arts gewetensvol besluit dat de betrokken persoon een ongeval kan veroorzaken met zware gevolgen voor hemzelf/haarzelf of voor derden, deze `noodsituatie' rechtvaardigt dat de arts de procureur des Konings op de hoogte brengt van zijn twijfels in verband met de rijgeschiktheid van deze persoon. Is dit dan ook zo voor de wapendracht?

Gaat volgens de ministers de vergelijking tussen het tekenen van een geschiktheidsattest voor het rijbewijs door de kandidaat zelf en het geven van een wapenattest door de arts op? De verantwoordelijkheid voor de juistheid van het attest ligt bij een kandidaat voor een rijbewijs immers bij de persoon zelf.

Indien dat niet zo is, bevestigen zij dan dat de arts niet verantwoordelijk kan worden gesteld wanneer hij of zij een wapenattest geeft en de drager dit wapen misbruikt?

Wat met de verantwoordelijkheid van de arts die een wapenattest gaf aan een persoon, terwijl een eerste/andere arts weigerde een attest te geven - om niet-medische redenen, bijvoorbeeld uit overtuiging, maar dat kan de tweede arts niet weten - en deze persoon alsnog het wapen misbruikt?

Wordt de arts geacht - net zoals voor de ongeschiktheid voor het rijbewijs - vermoedelijke problemen te signaleren aan de procureur des Konings?

Zou, gelet op het belang van het attest, een centraal organisme om attesten uit te reiken niet efficiënter zijn? Dat voorkomt bij de artsen willekeur, potentiële gewetensbezwaren en medisch-legale problemen en maakt de interpretatie over de geschiktheid van wapendracht uniform.

Hadden de ministers al contacten met de artsenverenigingen, syndicaten en de Orde der geneesheren over deze problematiek? Welke initiatieven werden genomen om dit bekend te maken, bijvoorbeeld via bijscholingen?

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit. - Ik lees het antwoord van de minister van Justitie.

De vergelijking tussen het medisch attest voor de kandidaat-wapenbezitters en het attest dat wordt gevraagd in het kader van het behalen van het rijbewijs gaat maar gedeeltelijk op, zoals de heer Ide terecht opmerkt. Misschien is het eerste beter te vergelijken met het medisch attest dat wordt gevraagd door vele sportverenigingen. Het gaat immers niet over een verklaring van de kandidaat zelf.

De verantwoordelijkheid van de attesterende arts beperkt zich tot wat hij zelf weet op het ogenblik dat hij het attest opstelt. Als de arts bijvoorbeeld kennis heeft van een ernstig alcoholprobleem, mag hij geen attest geven. Maar als later zou blijken dat iemand, die volgens de arts in staat is om een wapen veilig te manipuleren, er misbruik van maakt ten gevolge van een voor de arts onbekend medisch probleem, dan is de arts niet verantwoordelijk.

Een arts heeft het recht een attest te weigeren op principiële gronden, maar het is dan wenselijk dat hij dat kenbaar maakt. In het kader van een aanvraag voor een wapenbezitsvergunning wordt de betrokkene dan gedwongen naar een andere, vrij te kiezen arts te gaan. Voor een wapendrachtvergunning is die keuze niet vrij. Een arts die gevraagd wordt naar een attest zonder de betrokkene goed te kennen, zou dit attest alleen mogen uitreiken na onderzoek. De arts die op een onbezonnen manier een attest uitreikt - bijvoorbeeld zonder rekening te houden met een medisch probleem dat hij had moeten detecteren bij eenvoudig onderzoek - kan aansprakelijk worden gesteld.

Er bestaat geen wettelijke plicht om de procureur des Konings op de hoogte te brengen van bepaalde risico's. Het niet-melden kan aanleiding geven tot nog veel grotere gevaren voor de openbare orde dan op het gebied van verkeer. De arts moet dus naar eer en geweten de afweging maken tussen de bescherming van zijn beroepsgeheim en het algemeen belang.

Een centraal georganiseerde medische keuring van de kandidaat-wapenbezitters kan bepaalde voordelen hebben. Dan gaan we evenwel voorbij aan het feit dat in de meerderheid van de gevallen de gewone huisarts, die de betrokkene vaak al jaren opvolgt, de best geplaatste persoon is om zijn patiënt te beoordelen.

Sinds vorig jaar heb ik hierover geen vragen of opmerkingen ontvangen vanuit de medische wereld. Ik ga ervan uit dat men zich aan de situatie heeft aangepast en steeds tracht te zoeken naar pragmatische oplossingen.

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - Ik vrees dat dit antwoord veel vragen zal oproepen. Artsen kunnen namelijk aansprakelijk gesteld worden, bijvoorbeeld wanneer ze een attest uitreiken aan een persoon met een alcoholprobleem. Nu is alcoholisme net een zeer grijze pathologie die moeilijk in te schatten valt, omdat ze zoveel vormen kan aannemen. Zal na dit antwoord überhaupt nog één arts een attest willen uitreiken? Daar moeten we toch nog eens goed over nadenken.

Ik blijf erbij dat de attesten het best door een centraal orgaan worden beheerd, eventueel in samenwerking met de huisartsen. Op die manier krijgen we meer uniformiteit en komt er een oplossing voor de aansprakelijkheid van de huisartsen.