4-80

4-80

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 18 JUNI 2009 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Mondelinge vraag van de heer Tony Van Parys aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de selectieprocedure voor korpschefs van de zonale politie» (nr. 4-826)

De heer Tony Van Parys (CD&V). - Er is heel wat te doen over een aantal korpschefs van de zonale politie, vooral in de grote steden. Met een betere selectieprocedure zouden een aantal problemen kunnen worden voorkomen. Zo doen de feiten ten laste van de korpschef van de Gentse politie vragen rijzen omtrent die selectieprocedure. De burgemeester van Gent deelde op 16 maart jongstleden mee dat de minister van Binnenlandse Zaken hieromtrent een onderzoek voert en dat de leden van de selectiecommissie een schriftelijke verklaring zouden afleggen.

Wat zijn de resultaten van het onderzoek dat de minister voerde naar de selectie en de selectieprocedure die aanleiding gaf tot de benoeming van de korpschef van de zonale politie Gent?

Welke verklaringen werden door de leden van de selectiecommissie afgelegd? Hoe beoordeelde de Inspecteur-generaal van de federale politie de selectie en de selectieprocedure?

Moet de selectieprocedure niet gewijzigd worden? Is het niet raadzaam ten behoeve van de integriteit van de politie in een veiligheidsonderzoek te voorzien?

Is het niet noodzakelijk bij de federale en de zonale politie te voorzien in een bureau integriteit met een meldpunt integriteit?

De heer Guido De Padt, minister van Binnenlandse Zaken. - Voor de eerste twee vragen van de heer Van Parys verwijs ik naar mijn uitvoerig antwoord van 10 juni laatstleden in de commissie voor de Binnenlandse Zaken van de Kamer, waar collega Verherstraeten mij gelijkaardige vragen stelde. Daaruit blijkt dat de huidige regelgeving een aantal garanties biedt inzake de objectiviteit van de selectieprocedure.

In tegenstelling tot wat de pers daarover bericht, heb ik nooit zelf een onderzoek gevoerd naar de manier waarop de bewuste selectie is gebeurd. Ik heb wel van mensen die aanwezig waren op de recente bijeenkomst van de begeleidingscommissie van het Comité P vernomen dat het Comité P daar wel een toezichtsonderzoek rond heeft opgezet. Ik heb de stukken daarvan bij het Comité P en bij de Kamer opgevraagd. Als dat geoorloofd is, wil ik de stukken van het Comité P graag aan de heer Van Parys bezorgen.

In opvolging van het evaluatierapport van 10 jaar geïntegreerde politie dat recentelijk door de Federale Politieraad is opgemaakt ten behoeve van mijzelf en van andere organen, bekijken we op het ogenblik hoe we de tuchtprocedure, onder meer van korpschefs en mandatarissen, zouden kunnen bijsturen. Ik kan daar nu alleen over zeggen dat we, en dan vooral ikzelf als minister van Binnenlandse Zaken, wat korter op de bal willen kunnen spelen, vooral wanneer er voorlopige schorsingen worden uitgesproken. We willen vooral nagaan hoe we daar meer de hand aan kunnen houden en of we mogelijk het injunctierecht kunnen aanwenden, wanneer men op het niveau van het korps in gebreke blijft.

De heer Van Parys had ook een vraag over de integriteit van de politie en het veiligheidsonderzoek bij de politie. Overeenkomstig de actuele reglementering dienen de kandidaat-korpschefs een attest voor te leggen waaruit blijkt dat ze niet het voorwerp zijn geweest van een evaluatie met melding `onvoldoende' en geen zware tuchtstraf hebben opgelopen. Een veiligheidsonderzoek kan inderdaad bepaalde risico's aanwijzen. Er kan eventueel worden overwogen om dit op te nemen als een onderdeel van de selectie voor korpschefs. Dat vraagt evenwel een diepgaande analyse.

Inzake de opportuniteit van een bureau integriteit met een meldpunt integriteit, kan ik meedelen dat er bij de geïntegreerde politie al enkele maanden een expertise- en adviespunt integriteit actief is ten behoeve van de mandaathouders. Het is een intern en niet-permanent orgaan, dat adviserend en ondersteunend werkt voor de mandaathouders van de lokale en federale politie. Het adviespunt is samengesteld uit personeelsleden van zowel de lokale als de federale politie en wordt samengeroepen of geconsulteerd wanneer er een vraag wordt gesteld.

Mandaathouders kunnen een vraag of een casus met betrekking tot een integriteitskwestie indienen en de casus of de vraag wordt dan geanalyseerd of beoordeeld aan de hand van een aantal criteria opgenomen in een leeswijzer. Een dergelijk advies is niet bindend voor de adviesvrager die, als mandaathouder, uiteraard zelf uiteindelijk de beslissing moet nemen en daar de verantwoordelijkheid voor zal dragen. Het advies beperkt zich strikt tot de vraag. Het adviespunt is geen onderzoeksorgaan. Het werkt binnen een proactief of preventief kader. Het is niet de bedoeling adviezen te geven over feiten die zich al hebben voorgedaan, of daden die reeds gesteld zijn, laat staan waarover reeds onderzoeken lopen. Dat expertise- en adviespunt integriteit heeft al enkele vragen behandeld. Daardoor hebben we de werking van het adviespunt een eerste maal kunnen evalueren en waar nodig verbeteren.

Met het oog op een kwaliteitsvolle werking werd ter zake overleg gepleegd met externe diensten zoals de Algemene Inspectie. Momenteel loopt er ook nog een overleg met de deontologische commissie.

De heer Tony Van Parys (CD&V). - Uit het antwoord van de minister besluit ik dat hij nooit een onderzoek heeft verricht over de selectie en de selectiecommissie. Verder zal ik de minister dank weten om me de stukken van het Comité P zo spoedig mogelijk te bezorgen. Tot slot zegt de minister dat een veiligheidsonderzoek nuttig kan zijn. Ik dring aan op een dergelijk onderzoek. In het geval van Gent verklaarde iemand uit de selectiecommissie in de pers dat de kandidaat die uiteindelijk werd gekozen uitzonderlijke zwakheden en neigingen tot zelfdestructie vertoonde. Wie in een selectiecommissie zetelt, draagt verantwoordelijkheid en mag een dergelijke persoon niet kiezen. Via een veiligheidsonderzoek kunnen de gegevens die noodzakelijk zijn voor een objectieve selectie worden onderzocht.