4-52

4-52

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 11 DECEMBER 2008 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Mondelinge vraag van de heer Jean-Jacques De Gucht aan de vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen en aan de minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen over «de zondagssluiting» (nr. 4-505)

De heer Jean-Jacques De Gucht (Open Vld). - De huidige wetgeving omtrent de zondagssluiting en zondagsarbeid is nogal complex. Algemeen geldt dat zelfstandigen hun zaak mogen openen op voorwaarde dat die zelfstandige een andere sluitingsdag in de week neemt. Loontrekkende werknemers mogen in principe niet op zondag te werk gesteld worden. Of anders gesteld: alle winkels mogen open zijn op zondag op voorwaarde dat ze één dag in de week sluiten en geen personeel tewerkstellen.

Om logische redenen vallen sommige sectoren niet onder de reglementering inzake wekelijkse rustdag en sluitingsuren. Het betreft de horeca, frituren, kampeerterreinen, gespecialiseerde ondernemingen zoals benzinestations, bloemenwinkels, wasserijen, tabakswinkels, winkels in de stations, luchthavens en havens, ijsverkopers, videotheken, begrafenisondernemingen, en dergelijke meer. Ook diensten die dringend geleverd dienen te worden, vallen niet onder deze reglementering. Daarnaast is zondagswerk toegestaan gedurende de hele dag en dit gedurende het hele jaar in slagerijen, bakkerijen en patisserieën, voedingswinkels met minder dan vijf werknemers en de transportsector. Bijkomende uitzonderingen zijn er voor meubel- en tuinwinkels, die maximum veertig zondagen per jaar mogen open zijn en personeel mogen tewerkstellen. Daarnaast zijn er ook uitzonderingen voor zaken gelegen in badplaatsen, luchtkuuroorden en toeristische centra.

Afgezien daarvan vormen de zogenaamde koopzondagen een belangrijke uitzondering in de distributiesector. Sinds 21 december 2007 zijn er zes koopzondagen per jaar. Dat fenomeen is ruim bekend en komt met de eindejaarsperiode en de daaraan verbonden koopjes opnieuw in zicht.

Volledigheidshalve vermeld ik ook nog even dat afwijkingen op de verplichte sluitingsuren en de wekelijkse rustdag mogelijk zijn. Zo staat artikel 15 van de wet van 10 november 2006 betreffende de openingsuren in handel, ambacht en dienstverleningen in het kader van jaarmarkten, jaarbeurzen en braderijen bijvoorbeeld toe dat vijftien dagen per jaar van de wettelijke regeling wordt afgeweken op voorwaarde dat het college van burgemeester en schepenen dat goedkeurt.

Ondanks dat alles vindt ruim 50% van de bevolking volgens een enquête van 2006 dat er zelfs meer dan negen koopzondagen mogen zijn. Specifiek inzake koopzondagen zijn er heel wat argumenten voor een versoepeling van de wetgeving. Het koopgedrag van de consument is immers grondig geëvolueerd. Dat brengt een grotere omzet mee, alsook een stijging van het aantal arbeidsplaatsen. Vandaag de dag ontkent niemand dat koopzondagen een groot succes kennen bij de consument.

Vele Europese landen lijken overigens een pak verder te staan dan België. Zo kent Nederland twaalf koopzondagen per jaar. Zweden en Ierland hanteren geen beperkingen. Andere landen beperken het aantal openingsuren op zondag, maar verbieden de zondagsopening op zich niet. België lijkt dus achterop te hinken, ook nu er al zes koopzondagen zijn ingevoegd.

Welke stappen is de minister voornemens in dezen te doen? Vanuit welke visie benadert de minister het probleem? Waarom is onze wetgeving strenger dan die in de buurlanden, terwijl toch niemand het succesverhaal van de koopzondagen kan ontkennen en ook de consument vragende partij is voor verdere versoepeling?

Mevrouw Joëlle Milquet, vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen. - Uw vraag heeft zowel betrekking op de zondagssluiting als op de tewerkstelling van werknemers op zondag. Als minister van Werk ben ik alleen bevoegd voor de tewerkstelling van werknemers op zondag, een materie die geregeld wordt door de Arbeidswet van 16 maart 1971.

In 2007 hebben we uitvoerig gediscussieerd over de koopzondagen en over de toeristische centra. Uiteindelijk is toen unaniem beslist om het aantal koopzondagen van drie naar zes op te trekken. Daarmee werd het debat over de tewerkstelling van werknemers op koopzondagen gesloten verklaard. Vandaag zie ik geen reden om het aantal koopzondagen verder uit te breiden. De bestaande reglementering op de openingstijden is al zeer ruim: winkels kunnen 91 uur per week open blijven.

Een verruiming van de openingstijden verhoogt bovendien de omzet niet, maar verschuift die alleen. De consument geeft niet meer geld uit, maar spreidt zijn uitgaven meer. Een verruiming van de openingstijden drijft de kosten voor personeel en elektriciteit op. Die extra kosten worden door niets gecompenseerd.

Willen we gezin en werk harmonisch combineren, dan zijn koopzondagen geen goede zaak. Ouders besteden de zondag immers aan activiteiten met hun kinderen.

De huidige wetgeving berust op een akkoord tussen alle betrokken partners in de distributiesector: werknemers, winkelketens, zelfstandige winkeliers. De vertegenwoordigers van de verbruikers in de Raad voor het verbruik hebben dat akkoord bekrachtigd.

De bestaande regelgeving biedt de winkeliers een voldoende ruim kader om de openingstijden in te vullen en minimale waarborgen voor een gezond evenwicht tussen arbeidsinspanningen, enerzijds, en levenskwaliteit en vrije tijd, anderzijds. Een verdere verruiming tast de kwaliteit van het sociale leven van 200 000 werknemers en 100 000 zelfstandigen in de distributiesector aan en staat een goede combinatie van werk, gezin en vrije tijd in de weg.

Zowel de distributiesector als de consument blijken duidelijk tevreden met de huidige openingstijden en zijn voorstander van het behoud van de huidige regelgeving. Opinieonderzoeken van zowel Test-Aankoop als van Marketing Development hebben dat genoegzaam aangetoond.

Mijns inziens is er dus geen nood aan een grote verruiming van de openingsuren in de distributiesector.