4-964/1

4-964/1

Belgische Senaat

ZITTING 2008-2009

15 OKTOBER 2008


Wetsvoorstel tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, met betrekking tot de verdeling van de pensioenrechten tussen echtgenoten of wettelijk samenwonenden

(Ingediend door de dames Martine Taelman en Nele Lijnen)


TOELICHTING


Vrouwen werken vaker deeltijds of stoppen met werken om gezinstaken op te nemen of om te zorgen voor de opvoeding van de kinderen.

De cijfers bewijzen dit :

— 42 % van de werkende vrouwen tussen 25 en 49 jaar werkt deeltijds, 3 % bij de mannen;

— in Vlaanderen werkt 56,7 % van de vrouwen, 71,6 % van de mannen;

— moeders met kinderen (25-44 jaar) : 71,4 % werkt tegenover 93,2 % van de vaders met kinderen (zelfde leeftijdsgroep);

— 53 % van deze moeders werkt deeltijds;

— van wie voltijds tijdskrediet neemt, is 80 % vrouw. Dus vrouwen onderbreken vaker hun loopbaan om zorgtaken op te nemen;

De eisen die de combinatie gezin-werk aan vrouwen stelt, vormen nog steeds een belangrijke verklaring voor de verschillen tussen werkende mannen en vrouwen.

Wie minder gewerkt heeft, heeft ook minder pensioen. Bijna de helft van de vrouwen heeft vandaag een pensioen dat lager is dan het minimumpensioen. Bij mannen is dat maar een kwart. De reden is dat vrouwen veel meer onvolledige loopbanen hebben (niet-gewerkte jaren, jaren van deeltijds werk, ....) dan mannen.

Vrouwen hebben een andere loopbaan dan mannen. Vrouwen nemen loopbaankeuzes bij het begin van hun loopbaan, mannen op het einde van hun loopbaan. Dus mannen nemen hun keuzes als ze al ze al dichter staan bij de pensioenleeftijd en dus weten wat het effect van hun keuze op hun pensioen is. De keuze van de vrouw is bepaald door de praktische problemen en de moeilijkheden om werk en gezin met mekaar te combineren. Op dat ogenblik denkt zij nog niet aan haar pensioen. Bovendien nemen vrouwen veel meer huishoudelijke taken op zich. Mannen dragen meer dan 7 uur per week minder bij aan huishoudelijk werk en kinderzorg. Dat heeft tot gevolg dat de vrouw de combinatie arbeid en gezin moeilijker ervaart dan de man.

Om de keuze die een gezin neemt, neutraal te maken voor beide partners moet er dringend een herverdeling van de sociale rechten komen.

Vandaag kennen we een bijzondere pensioenregeling voor de uit de echt gescheiden partner die niet of slechts in zeer beperkte mate beroepsactief was en daardoor ook weinig of geen pensioenrechten opbouwde (meestal de vrouw). De uit de echt gescheiden partner, die meestal zorgtaken op zich nam, krijgt 62,5 % van het pensioen van de partner (meestal de man) die wel een normale loopbaan achter de rug heeft.

Er bestaat echter geen bijzondere regeling voor gezinnen waar beide partners wel samenblijven maar waarbij het gezin beslist dat één van de partners (opnieuw bijna altijd de vrouw) minder gaat werken om een betere combinatie van werk en gezin te realiseren en de andere zich volledig toelegt op zijn carrière. Vandaag wordt te gemakkelijk gekozen voor een deeltijdse baan voor de vrouw. Zij geeft al te gemakkelijk haar carrière op én ze boet daardoor nog eens in op het vlak van pensioenrechten.

Daarom stellen we voor om, via de pensioendeling, de beroepsactieve partner financieel mee verantwoordelijk te maken voor die keuze. We hopen dat deze maatregel mannen ook beter zullen doen nadenken over de beslissing van het gezin om één partner — meestal de vrouw — minder lang te laten werken om arbeid en gezin te combineren. Het verminderen van de pensioenrechten van de man is voor de indienster de incentive om beter na te denken over alternatieven voor het deeltijds werken.

Bij deze overdracht van pensioenrechten hanteren we volgende principes :

1. De pensioendeling geldt enkel binnen het huwelijk en voorzover het huwelijk blijft bestaan. Bij ontbinding treedt de regeling voor het pensioen voor de uit de echtgescheidene in werking.

2. De verdeling van pensioenrechten tussen man en vrouw gebeurt op het moment dat ze op pensioen gaan, voor elk jaar van de loopbaan.

3. De verrekening gebeurt enkel voor de jaren waarin één van beide partijen zijn arbeidsduur verminderde of deeltijds werkte terwijl de andere partner méér uren werkte of voltijds werkte.

4. De verrekening gebeurt enkel indien degene die méér uren of voltijds werkte hogere pensioenrechten opbouwde dan degene die deeltijds werkte.

5. De verrekening mag er nooit toe leiden dat de partner die voltijds werkte pensioenrechten krijgt die lager zijn dan de pensioenrechten van wie deeltijds werkte.

6. De pensioenrechten van wie voltijds werkte worden verlaagd totdat men komt tot een situatie waarbij wie deeltijds werkte een pensioen bekomt waarbij zij slechts de helft inlevert van de breuk waarmee zij haar activiteit onderbrak. Dat betekent bijvoorbeeld dat de pensioenrechten van de man verminderd worden met de rechten die nodig zijn om een vrouw die halftijds werkte een pensioen te geven alsof ze 3/4 gewerkt heeft.

7. De verrekening gebeurt voor alle jaren waarin één partner minder werkte dan de andere.

Martine TAELMAN
Nele LIJNEN.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

In het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers wordt een artikel 7quater ingevoegd, luidend als volgt :

« Art. 7quater.— Met ingang van 1 januari 2007 worden de pensioenrechten voor de gehuwde of samenwonende voor elk jaar dat een gehuwde of wettelijk samenwonende werknemer zijn arbeidsduur vermindert, met uitzondering van periodes van inactiviteit die gelijkgesteld worden met arbeidsperioden, uitgebreid met een deel van de pensioenrechten van de echtgenoot of wettelijk samenwonende partner.

De pensioenrechten die worden overgedragen komen overeen met de pensioenrechten van de helft van de fractie waarmee de gehuwde of wettelijk samenwonende zijn arbeidsduur heeft verminderd.

Tegelijkertijd worden de pensioenrechten van de echtgenoot of de wettelijk samenwonende partner die voltijds werkt of meer uren werkt dan zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende verminderd met de overgedragen pensioenrechten.

Deze overdracht van pensioenrechten gebeurt enkel voor de jaren waarin één van beide partijen zijn arbeidsduur verminderde terwijl zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende voltijds werkte of meer uren werkte die recht geven op een hoger pensioenrecht dan degene die zijn arbeidsduur verminderde.

De overdracht van pensioenrechten mag er nooit toe leiden dat de echtgenoot of wettelijk samenwonende die voltijds werkte of die van beide echtgenoten of wettelijk samenwonenden het meeste uren werkte, na de overdracht lagere pensioenrechten zou hebben dan de echtgenoot of wettelijk samenwonende met de verminderde arbeidsduur.

De overdracht van de pensioenrechten gebeurt enkel bij gehuwden of wettelijk samenwonenden op het moment dat de gehuwde of wettelijk samenwonende met de verminderde arbeidsduur op pensioen gaat. ».

30 september 2008.

Martine TAELMAN
Nele LIJNEN.