4-16/3

4-16/3

Belgische Senaat

ZITTING 2007-2008

4 MAART 2008


Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 682 van het Gerechtelijk Wetboek


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE JUSTITIE UITGEBRACHT DOOR

MEVROUW TAELMAN


I. PROCEDURE

De commissie voor de Justitie heeft dit wetsvoorstel besproken tijdens haar vergadering van 4 maart 2008, in aanwezigheid van de minister van Justitie.

Voorliggend wetsvoorstel werd samen besproken met het wetsvoorstel tot invoeging van een artikel 682bis in het Gerechtelijk Wetboek (stuk Senaat, nr. 4-17/2), dat eveneens de wijze waarop de rechtsbijstand voor het Hof van Cassatie is georganiseerd betreft, maar in spoedeisende gevallen.

II. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE HEER VAN PARYS

In de jaarverslagen van het Hof van Cassatie worden door het openbaar ministerie een aantal voorstellen tot wetswijziging geformuleerd. Deze voorstellen vloeien onder meer voort uit juridische en vooral praktische problemen die verband houden met de toepassing van de wetten of met de werking van de rechterlijke macht in het algemeen en waarvoor een, vrij eenvoudige, wetswijziging aangewezen lijkt.

Zo bepaalt artikel 682, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek dat voor de rechtspleging in burgerlijke zaken voor het Hof van Cassatie de rechtsbijstand slechts wordt verleend nadat het bureau het advies heeft bekomen van een advocaat bij dit Hof, aangewezen door de stafhouder van zijn orde.

Tal van voorgenomen cassatievoorzieningen hebben evenwel duidelijk geen kans op slagen, hetzij om redenen ten gronde, hetzij om redenen van kennelijke onontvankelijkheid. In die omstandigheden, in het bijzonder bij gebreke van duidelijke wettelijke bepalingen, rijst de vraag naar de mogelijkheden van het bureau voor rechtsbijstand van het Hof van Cassatie om rechtsbijstand te weigeren. Het heeft geen zin om zaken te laten behandelen waarvan men a priori weet dat ze geen enkele wettelijke grondslag hebben.

Het onderhavige wetsvoorstel strekt er dan ook toe om in de wet te preciseren hoe de rechtsbijstand door het Hof wordt verleend of geweigerd.

In deze aangelegenheid past het vooreerst te verwijzen naar arresten van het Europees Hof voor de rechten van de mens. Spreker verwijst naar de toelichting, waar de relevante passages uitvoerig zijn geciteerd.

Het wetsvoorstel beoogt artikel 682 van het Gerechtelijk Wetboek, tweede lid, als volgt te vervangen :

« Behalve wanneer het de memorie van antwoord op de voorziening betreft, spreekt het bureau van het Hof van Cassatie zich, in de in artikel 478 bedoelde aangelegenheden, over de aanvraag tot rechtsbijstand pas uit na advies van een door de stafhouder van de orde aangewezen advocaat bij het Hof te hebben ingewonnen. Het kan echter de aanvraag zonder dat voorafgaand advies verwerpen als het vaststelt dat, ofwel het verzoek om rechtsbijstand, ofwel de voorgenomen cassatievoorziening, kennelijk niet ontvankelijk is of kennelijk gegrond is op een niet ernstig middel of dat de einddatum van de termijn voor het instellen van de cassatievoorziening te dichtbij ligt om een advocaat bij het Hof nog de kans te geven deze tijdig in te stellen. »

III. ALGEMENE BESPREKING

De minister verklaart te kunnen instemmen met dit wetsvoorstel en de erop ingediende amendementen (zie infra).

Mevrouw Taelman stipt aan dat het wetsvoorstel bepaalt dat het bureau van het Hof van Cassatie de aanvraag om rechtsbijstand zonder voorafgaand advies van een door de stafhouder aangewezen advocaat bij het Hof kan verwerpen, indien de einddatum van de termijn voor het instellen van een cassatievoorziening te dichtbij ligt om een advocaat bij het Hof nog de mogelijkheid te geven deze tijdig in te stellen.

Spreekster vraagt zich af of het bureau voldoende zicht zal hebben op de zaak om hierover te oordelen. Wat is immers een redelijke termijn ? Waarschijnlijk is dit sterk afhankelijk van de inhoud van de zaak. Heeft de rechtzoekende voldoende indicaties om te weten wanneer er nog voldoende tijd rest ?

De heer Van Parys antwoordt dat het hier burgerlijke zaken betreft en dat de termijn voor het instellen van een voorziening in cassatie duidelijk is bepaald op drie maanden vanaf de betekening. Het heeft geen zin en het is tegen de efficiėntie van de rechtspleging het advies van een advocaat van het Hof in te winnen als men pertinent weet dat men geen vooziening zal kunnen instellen binnen de gestelde termijn.

De heer Coveliers voegt eraan toe dat er in de praktijk weinig problemen zullen rijzen. Men moet immers in elk geval een advocaat bij het Hof van Cassatie raadplegen om een cassatievoorziening in te stellen. Indien men deze advocaat aanspreekt op geringe tijd van de einddatum (bijvoorbeeld 15 dagen ą een maand), zal de advocaat ook weigeren de voorziening in cassatie in te stellen. Het opstellen van de memorie neemt immers tijd in beslag. Er is in de praktijk dus geen discriminatie, of men nu rechtsbijstand aanvraagt of niet. Men kan hier moeilijk een termijn vaststellen, in plaats van de woorden « te dichtbij », omdat men dan zou raken aan de termijn voor het instellen van een cassatievoorziening bij het vragen van rechtsbijstand.

IV. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING EN STEMMINGEN

Artikel 1

Dit artikel wordt eenparig aangenomen door de 9 aanwezige leden.

Artikel 2

Amendement nr. 1

De heren Vandenberghe, Van Parys en Van Den Driessche dienen een amendement in teneinde rekening te houden met de wijziging van artikel 682 door de wet van 1 juli 2006 (stuk Senaat, nr. 4-16/2, amendement nr. 1).

Het amendement wordt eenparig aangenomen door de negen aanwezige leden.

Amendement nr. 2

Mevrouw Taelman verwijst naar een opmerking van de dienst wetsevaluatie van de Senaat, waarbij wordt voorgesteld de woorden « kennelijk gegrond is op een niet ernstig middel » te vervangen door de woorden « gegrond op een kennelijk niet ernstig middel ». Het bureau van het Hof van Cassatie kan immers niet vaststellen dat een middel niet ernstig is, maar enkel dat een middel kennelijk niet ernstig is. Vaststellen dat een middel niet ernstig is, is immers een uitspraak over de grond van de zaak.

De heren Van Parys en Van Den Driessche dienen hiertoe een amendement in (stuk Senaat, nr. 4-16/2, amendement nr. 2).

Dit amendement wordt aangenomen door de negen aanwezige leden

Het aldus geamendeerde artikel wordt aangenomen door de negen aanwezige leden.

V. EINDSTEMMING

Het geamendeerde wetsvoorstel in zijn geheel wordt aangenomen door de negen aanwezige leden.


Vertrouwen wordt geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.

De rapporteur, De voorzitter,
Martine TAELMAN. Patrik VANKRUNKELSVEN.