4-244/3 | 4-244/3 |
15 JANUARI 2008
Inleiding
De commissie heeft dit voorstel van resolutie besproken tijdens haar vergaderingen van 13 november 2007, 11 december 2007 en 15 januari 2008. Op 11 december 2007 werd een hoorzitting georganiseerd met experten.
Op 15 januari 2008 heeft de commissie eveneens het wetsvoorstel tot vrijwaring van de ontwikkelingssamenwerking en de schuldverlichting ten gevolge van het optreden van aasgierfondsen aangenomen (zie : stuk Senaat, nr. 4-482/4).
I. Inleidende uiteenzetting door de heer Paul Wille, hoofdindiener van het voorstel van resolutie
Aasgierfondsen zijn hefboomfondsen die aan zeer lage prijzen schuldvorderingen van ontwikkelingslanden opkopen om de schuldenaars dan te dwingen via een gerechtelijke uitputtingsslag de nominale waarde uit te betalen.
Dit fenomeen is in volle opgang op internationaal gebied maar ook in ons land is het meer en meer waarneembaar. Als men niet snel ingrijpt komt de hele ontwikkelingshulp in gevaar. Er wordt aan de regering gevraagd een « charter on responsible lending » op te stellen, waardoor de schuldenaars goed zouden begeleid zijn en men tegelijkertijd proactief kan ingrijpen op de malafide plannen van commerciële schuldeisers die te kwader trouw zijn.
Als men binnen de Senaat hierover een consensus zou kunnen bereiken omtrent deze problematiek, zou dit onze geloofwaardigheid alleen maar ten goede komen.
II. Hoorzitting
1. Uiteenzetting van mevrouw Marta Ruiz, Policy and Advocacy Officer, European Network on Debt and Development (EURODAD)
De problematiek van de aasgierfondsen moet worden gezien in de context van de schuldenlast van de landen van de derde wereld. Zij is reeds zeer oud en er is geen duurzame oplossing voor. Het is dus van essentieel belang dat er een duurzame oplossing wordt gevonden voor de schuldenproblematiek van de arme landen, een oplossing die de oorzaken ervan moet aanpakken.
De schuldencrisis van de ontwikkelingslanden werd eerst en vooral veroorzaakt door hun kwetsbaarheid en afhankelijkheid : enerzijds afhankelijkheid van de uitvoer van grondstoffen, waarvan de prijsschommelingen hen zeer kwetsbaar maakt; anderzijds afhankelijkheid van de buitenlandse hulp en leningen in ruil voor de toepassing van programma's voor structurele aanpassing, die met het verstrijken van de jaren de stelsels van sociale bescherming, gezondheid, onderwijs, enz., die essentieel zijn voor ontwikkeling, kapot hebben gemaakt.
Overigens zijn de schuldbeheermechanismen niet aangepast aan de aard van de schuld.
Om het schuldprobleem op te vangen, hebben de internationale financiële instellingen, zoals het IMF, een stelsel van « draaglijkheid » van de schuld opgezet. Dat stelsel steunt op macro-economische parameters die sociale criteria of criteria van menselijke ontwikkeling, waarmee rekening moet worden gehouden bij de berekening van de draaglijkheid van de schuld, veronachtzamen. De Verenigde Naties hebben geoordeeld dat men alleen in het licht van het vermogen van een land om de Millenniumdoelstellingen te financieren mag nagaan of een schuld draaglijk is. De financiële instellingen zien echter het probleem zo niet. Op die manier moeten de schuldenaars, om hun schuld overeenkomstig de heersende normen te vereffenen, voorrang verlenen aan de terugbetaling van de schuld, boven de sociale uitgaven die noodzakelijk zijn voor hun ontwikkeling. Om zich te ontwikkelen moet men immers een minimum aan sociale uitgaven doen en daar houden de internationale financiële instellingen niet altijd rekening mee. Tevens hebben ze dat criterium op verkeerde wijze toegepast. Ze gebruiken strikt macro-economische criteria, los van het feit of de schuld kan worden terugbetaald of niet. Men kijkt alleen of een schuld betaalbaar is of niet, zonder rekening te houden met andere overwegingen, zoals de oorsprong en de legitimiteit van de schuld. Tot slot is het stelsel van de haalbaarheid voor de schuldenaars verplicht, terwijl het voor de schuldeisers op vrijwillige basis wordt toegepast.
Momenteel bevinden we ons in een nieuwe context : bepaalde opkomende landen zijn nieuwe geldschieters geworden. Zij komen bijgevolg in concurrentie met de traditionele schuldeisers. Ze hebben nieuwe machtsverhoudingen in de internationale cenakels tot stand gebracht, waardoor de arme landen voortaan hun schuldeisers kunnen kiezen. Soms betekent dat dat de inachtneming van sociale normen en milieunormen in het gedrang komt, wat de « traditionele » schuldeisers hevig verontrust, maar het wijst ook op de behoefte om over te schakelen op een aanpak die rekening houdt met alle aspecten van het schuldenprobleem, wat tot dusver nog niet gebeurd is : dat gaat gepaard met de erkenning dat de schuldeisers medeverantwoordelijk zijn in de schuldenproblematiek van de arme landen en met het zoeken naar duurzame oplossingen die de oorzaak aanpakken en niet alleen een aantal gevolgen van het probleem.
Een essentieel gegeven in het schuldendebat is het ontbreken van een geschikte multilaterale omgeving om het schuldenprobleem op te lossen. De instanties die daarover oordelen, worden gevormd en geleid door landen die tegelijk rechter en partij zijn. De Club van Parijs, het kartel van de belangrijkste westerse bilaterale schuldeisers beslist daarover, maar het is duidelijk dat er nieuwe krachtsverhoudingen ontstaan doordat ook opkomende landen tot de club van de schuldeisers zijn gaan behoren. Het is dus noodzakelijk een neutrale multilaterale en transparante omgeving tot stand te brengen waarin schuldenaars en schuldeisers gelijk worden behandeld, met toepassing van het beginsel van de medeverantwoordelijkheid.
Bovendien blijft de schuldgraad stijgen. De totale schuld van de ontwikkelingslanden ligt vandaag hoger dan 2 800 miljard $ (kapitaal en intrest) en de intrest stijgt sneller dan de schuld.
In die context van een aangroeiende schuld en het ontbreken van een rechtvaardige en transparante omgeving voor de vereffening ervan, zien we aasgierfondsen ontstaan, die van de ondoorzichtigheid en het ontbreken van een regeling van het internationaal financieel systeem profiteren om vette winsten te puren uit de schuld van de arme landen.
De aasgierfondsen zijn financiële instellingen die op de secundaire markt effecten kopen tegen zeer lage prijzen, om ze vervolgens tegen een hogere prijs te verkopen. Het gaat om speculatie. Het gaat gepaard met het oprichten van financiële vennootschappen in belastingparadijzen, wat de anonimiteit en de ondoorzichtigheid van de identiteit van de eigenaars van de effecten garandeert. Dat geeft ook aanleiding tot het ontstaan van een speculatieve markt. Het geeft hun ten slotte de gelegenheid om volgens algemeen erkende standaarden (onder andere inspiratie puttend uit het beginsel pari passu, dat ervoor zorgt dat alle schuldvorderingen onder gelijke voorwaarden en zonder discriminatie moet worden verhandeld) en in alle wettelijkheid te handelen. Men vraagt dus de terugbetaling van de volledige schuld, verhoogd met de intrest, zonder rekening te houden met de ontwikkelingscontext van het land met de schuld.
Donegal International, dat in Washington gevestigd is maar op de Britse Maagdeneilanden, een belastingparadijs, geregistreerd is, heeft onder andere de Zambiaanse schulden bij Roemenië gekocht. Zambia wou zijn schuld met een korting terugkopen. Maar vóór het beëindigen van de bilaterale onderhandelingen, kocht Donegal de schuldvordering van Roemenië.
De schuldvordering werd voor een zeer laag bedrag, 3,2 miljoen $, gekocht, terwijl die vennootschap voor de rechtbank een totaalbedrag van 55 miljoen $ eiste. Uiteindelijk heeft een Britse rechter van een Londense rechtbank Donegal gelijk gegeven inzake het beginsel van de opeisbaarheid van de schuldvordering, maar verlaagde het bedrag daarbij tot 17,5 miljoen $. Dat betekent dat er toch een netto winst werd gemaakt van 14, 3 miljoen $. Het gaat duidelijk om een speculatieve schuldvordering.
Er lopen nog soortgelijke zaken. Er is een rechtsvordering in verband met een schuld van Nicaragua, voor een bedrag van 275,6 miljoen $, die werd ingeleid door vier aasgierfondsen en een andere, waarbij Congo-Brazzaville betrokken is voor een bedrag van 452,6 miljoen $, ingeleid door 5 aasgierfondsen en er zijn er nog andere, die in de tekst van het voorstel van resolutie worden vermeld.
Momenteel telt de Wereldbank meer dan 44 rechtszaken tegen 11 HIPC-landen (Heavily Indebted Poor Countries). Van die 44 lopende rechtszaken, hebben er 25 de aasgierfondsen al meer dan een miljard $ winst opgeleverd.
Andere parlementen (Verenigd Koninkrijk, Frankrijk) hebben de problematiek van de aasgierfondsen reeds besproken. Ook het maatschappelijk middenveld voelt zich bij het debat betrokken.
Het moet duidelijk worden gemaakt dat de aasgierfondsen een morele veroordeling verdienen, hoewel die praktijken door de rechtbanken als wettelijk worden beschouwd. Ze zijn echter een gevolg, en geen oorzaak. Het ontbreken van een multilateraal raamwerk, het ontbreken van een regulering van de financiële stelsels en van de belastingparadijzen, het ontbreken van het medeverantwoordelijkheidsbeginsel, zijn allemaal oorzaken die moeten worden aangepakt. Er moet een neutraal en onafhankelijk arbitragemechanisme worden ingevoerd, met een beroepsmogelijkheid voor de schuldenlanden.
De G8 heeft gepleit voor een verantwoordelijke financiering. Ook de G20 diende dat probleem te behandelen op zijn top in Zuid-Afrika vorige maand. Er was echter geen echte vooruitgang. Die moet er komen bij het opstellen van de agenda van volgend jaar, omdat Brazilië dan gastheer is.
De parlementaire resolutie die in maart 2007 werd aangenomen, bevat belangrijke elementen om een rechtvaardige oplossing voor het schuldenprobleem te vinden en moet dus worden overgenomen in het parlementair instrument betreffende de aasgierfondsen. Het meest geschikte instrument om het probleem van de aasgierfondsen aan te pakken is een wet.
De fractie van spreekster werkt rond verantwoordelijke financiering, om een omgeving tot stand te brengen van gezamenlijke verantwoordelijkheid van schuldeisers en schuldenaars, die de schuldenproblematiek in al zijn aspecten (legitimiteit van de schuld, medeverantwoordelijkheid van de schuldeisers, draaglijkheid met voorrang voor de ontwikkelingsbehoeften, enz.) aanpakt, waarbij men naar de oorsprong van de problematiek gaat om er een duurzame en rechtvaardige oplossing voor te vinden.
2. Uiteenzetting van de heer Eric Toussaint, voorzitter van het CADTM België (Comité voor de opheffing van de derdewereldschuld)
Volgens het CADTM België moet men de wetgever ertoe aanzetten de poging tot oplossing uit de vorige zittingsperiode die was vervat in een door de Senaat aangenomen resolutie om te zetten in wetteksten.
De resolutie betreffende de kwijtschelding van de schulden van de minst ontwikkelde landen (MOL), die op 29 maart 2007 door de Senaat werd aangenomen, vormde om verschillende redenen een stap in de goede richting. Er dient aan te worden herinnerd dat volgens de lijst die is opgesteld door de internationale financiële instellingen en de OESO er op dit moment 50 MOL zijn.
De Senaat vraagt de Belgische regering in de eerste plaats een overeenkomst te sluiten met alle betrokken schuldenlanden om hun schuld volledig kwijt te schelden. Tot dusver gaat het voorstel van de Senaat niet verder dan de aanpak van andere regeringen. De Senaat is daarentegen wel vernieuwend op een aantal zeer belangrijke domeinen.
Zo stelt de Senaat voor om « onverwijld een moratorium in te stellen dat een bevriezing behelst van de intrest op de terugbetalingen van de bilaterale uitstaande schulden » ten aanzien van de minst ontwikkelde landen.
Er moet worden aan herinnerd dat de Club van Parijs naar aanleiding van de tsunami van december 2004 ter hoogte van Indonesië een moratorium van een jaar met mogelijke boeking van de achterstallige intresten had voorgesteld, hetgeen in maart 2005 door het CADTM werd afgewezen omdat dit de schuldenlast van de betrokken landen zou verzwaren.
De Senaat bevestigt vervolgens dat de bilaterale of multilaterale schuld van een land naar waarde moet worden geschat. Volgens de Senaat is het niet de nominale waarde, maar de reële waarde die in aanmerking dient te worden genomen. Bijvoorbeeld : de waarde van de schuld die België in het begin van de jaren 2000 van de DR Congo terugvorderde, bedroeg ongeveer 900 miljoen dollar. Dit bedrag stemt overeen met de nominale waarde van oude schulden die dateren van een twintigtal jaar geleden, de tijd waarin België dictator Mobutu actief steunde. In werkelijkheid was de Belgische Schatkist intern van mening dat de reële waarde slechts 4 % van deze som bedroeg. Er was immers gebleken dat indien België deze schuldvorderingen op de secundaire schuldenmarkt had willen verkopen, ons land er slechts ongeveer 36 miljoen dollar (dit wil zeggen 4 % van de nominale waarde) uit zou hebben gehaald, rekening houdend met de slechte economische toestand van de DRC.
Toen de Belgische regering enkele jaren terug echter is begonnen met de toepassing van een plan voor de vermindering van de schuld van de DRC, wou ze haar financiële inspanningen opdrijven door in verschillende fasen bijna 900 miljoen dollar Congolese schulden kwijt te schelden. In feite betekende dit slechts een inkomensverlies van 36 miljoen.
Aangezien andere crediteurstaten de cijfers manipuleren zoals België, heeft het voorstel van de Belgische Senaat een opmerkelijke internationale draagwijdte.
De Senaat vraagt de Belgische regering eveneens openbaar te maken op welke manier de schulden in de staatsrekeningen worden bijgehouden en « wat hun werkelijke waarde is » en deze kwijtschelding niet langer in te schrijven op de begroting voor ontwikkelingssamenwerking. De Senaat verklaart dat de regering door het parlement dient te worden gecontroleerd. De regering dient « jaarlijks verslag uit te brengen bij het Parlement over de activiteiten met betrekking tot de schuldkwijtschelding ».
De Senaat vraagt de Belgische regering « via een doorlichting na te gaan of de Belgische schuldvorderingen ten aanzien van die ontwikkelingslanden al dan niet « schandelijk » van aard zijn ». In dezelfde paragraaf hanteert de Senaat als minimaal criterium « dat een schandelijke schuld een schuld is die is aangegaan door een niet-democratische regering, dat het geleende bedrag niet is ten goede gekomen aan de plaatselijke bevolking en dat de lening is toegekend door de schuldeiser terwijl die op de hoogte was van beide vermelde aspecten ». De Senaat neemt zo twee van de instrumenten over die naar voren worden geschoven om de kwijtschelding van de schuld van de Derde Wereld wettelijk te schragen : het beroep op een doorlichting en het begrip schandelijke schuld. De Senaat vraagt de regering op grond van de doorlichting de « schandelijke » Belgische schuldvorderingen kwijt te schelden.
Verschillende paragrafen van de resolutie van de Senaat geven aan dat de vragen aan de Belgische regering eveneens moeten worden gericht aan de Wereldbank, het IMF en de andere internationale instellingen. De resolutie gaat ervan uit dat de initiatieven van de Wereldbank en het IMF om het hoofd te bieden aan de schuldencrisis geen adequate oplossing hebben opgeleverd.
De Senaat neemt tevens afstand van de macro-economische voorwaarden die worden opgelegd door de Wereldbank, het IMF en de andere institutionele schuldeisers. Wat de multilaterale schulden betreft, vraagt de Senaat immers « dat de schuldkwijtschelding wordt toegekend op basis van een nieuwe aanpak gebaseerd op een sociale logica waarbij ten minste de Millenniumdoelstellingen worden nageleefd, en niet alleen de traditionele macro-economische voorwaarden ». De Senaat vraagt de Belgische regering « in het Parlement de stand van zaken en de resultaten van de diplomatieke contacten te komen voorstellen, alsook de standpunten over de multilaterale schuld die België bij het IMF en de Wereldbank heeft verdedigd ».
Wat de multilaterale schuld van alle derdewereldlanden betreft, moet België de diplomatieke inspanningen in de internationale instanties opvoeren, om aldus te bewerkstelligen dat de buitenlandse overheidsschuld van die landen ten aanzien van het IMF en de Wereldbank wordt kwijtgescholden, en dat de kwijtgescholden bedragen niet in de begroting voor ontwikkelingssamenwerking worden opgenomen. Na de Noorse regering, die in oktober 2006 eenzijdig haar bilaterale schuldvorderingen ten aanzien van vijf derdewereldlanden heeft geannuleerd — zonder via de Club van Parijs te werken —, is het nu de taak van de Belgische regering om de door de Senaat aangenomen resolutie toe te passen.
Het CADTM zal er, in overleg met de andere actoren binnen de Noord-Zuidbeweging, op toezien dat deze resolutie geen dode letter blijft en dat de kwijtschelding van de Belgische schuldvorderingen niet wordt opgenomen in de overheidssteun inzake ontwikkelingssamenwerking.
Het CADTM moedigt de bevolking en de overheid in het Zuiden aan om de schuld van hun land te laten doorlichten teneinde de kwijtschelding van deze schuld, de teruggave van onrechtmatig verworven goederen en het herstel dat ze van de landen in het Noorden mogen verwachten, te vorderen.
3. Uiteenzetting van de heer Rudy De Meyer, Hoofd van de beleidsdienst van 11.11.11.
11.11.11 waardeert zeer sterk het initiatief om iets te doen tegen de praktijken van de aasgierfondsen, maar betreurt tegelijk dat de Senaat over een resolutie debatteert, terwijl een wetgevend intiatief zich opdringt.
Wat nu gebeurt met de aasgierfondsen is een neveneffect van een oud schuldenbeleid, dat begint met de grote schuldencrisis in 1982. Het duurde tot 1988 om te erkennen dat niet alleen schuldherschikking maar ook schuldkwijtschelding nodig is. Hierdoor erkende men ook dat een deel van de schuld niet zou worden terugbetaald. Vanaf dan groeide de kloof tussen de nominale waarde en de reële waarde van de derde wereld schuld en ging het schuldenbeleid van het ene « menu » naar het andere (met « Naples » terms, met HIPC in 1996, enz.), met telkens iets meer kwijtschelding voor iets meer landen. Alle menu's waren te traag, gingen niet ver genoeg, en lieten teveel landen buiten de regeling lieten. Ook het voorlopig laatste initiatief (het MDRI rond de multilaterale schuld na de G-8 top in Glenneagles in 2005) leed aan die kwalen. Feit blijft dat, ondanks een impliciete en voor heel wat landen ook uitdrukkelijke erkenning van de nood aan volledige schuldkwijtschelding, heel wat oude schuld blijft bestaan, of maar met mondjesmaat jaar na jaar per vervaldag wordt geschrapt.
Door dit « getalm » heeft de internationale gemeenschap de weg geëffend voor de « aasgierfondsen ».
Zelfs al werden delen van hun staatsschuld kwijtgescholden, toch is het overgebleven volume belangrijk genoeg om de « aasgierfondsen » een actieterrein te bieden. Voor deze aasgierfondsen is dit een goudmijn met ongehoorde winstpercentages; Voor de betrokken landen is het een onaanvaardbare aderlating van schaarse middelen. Bovendien wordt het risico dat landen door aasgierfondsen lopen nog sterk onderschat. Niet enkel de uit schuldkwijtschelding vrijgekomen middelen worden « ingepikt » maar er worden ook claims gelegd op nieuwe externe financiering, bijvoorbeeld op beloofd maar nog te betalen ontwikkelingsgeld. Dat is bijvoorbeeld het geval voor de Belgische lening van Staat tot Staat ten voordele van Congo Brazzaville voor een thermische centrale. Op die manier worden de middelen voor ontwikkelingssamenwerking gehypothekeerd.
Het risico is in feite nog groter omdat men door het claimen van specifieke betalingen ook een algemener betalingssyteem (bijvoorbeeld de door Financiën gebruikte betalingsrekening bij de Nationale Bank) kan laten « bevriezen » en betalingen uitstellen die op zich niets met de claim te maken hebben.
Het voorliggende voorstel van resolutie beperkt zich tot vorderingen van staat tot staat. De beschermende acties tegen de aasgierfondsen moeten zeker uitgebreid worden tot een deel van de privévorderingen. Nemen we het voorbeeld van schuld tegenover België. Het grootste deel van de HIPC schuld ten overstaan van België vindt zijn oorsprong in exportkredietverzekering door de Nationale Delcrederedienst. Wanneer die kredieten niet worden terugbetaald treedt de NDD-verzekering in werking en wordt de NDD schuldeiser. Toch blijft ook daarna 5 tot 10 % van de schuld voor rekening van de verzekerde privé-exporteur of financier. De schuldvorderingen voor rekening van de privé-geldschieters worden nu ook in de onderhandelingen door Financiën en Delcredere in de club van Parijs opgenomen.
Er moeten dringend oplossingen worden gezocht.
Er moeten op korte termijn ad-hoc oplossingen worden gevonden, bijvoorbeeld door samenwerkingsakkoorden te ontbinden zodat ze niet meer door aasgierfondsen kunnen worden weggekaapt. Maar dat zou op termijn ontwikkelingssamenwerking lamleggen. Er moet dus dringend een wettelijke aanpak komen om de middelen van de ontwikkelingssamenwerking af te schermen. Dat kan door een beschermende paragraaf in te lassen in de wettelijke basis voor de leningen van staat tot staat, en vergelijkbare wetteksten voor ontwikkelingssamenwerking. Met het voorbeeld van wat reeds in Frankrijk en andere landen bestaat, en met de ervaring van de ambtenaren van Financiën en Ontwikkelingssamenwerking, moet dat makkelijk op te lossen zijn.
Vervolgens dient er nagedacht over wat de gemeenschap der crediteuren kan doen. Afspraken binnen de Club van Parijs om geen zaken te doen met aasgierfondsen en omzichtig om te springen bij verkoop van oude vorderingen zijn tot nu niet bindend. Ook hier is er een wettelijke bindende regeling nodig.
Daarnaast moet worden afgesproken hoe beloftes tot schuldkwijtschelding snel en volledig in praktijk kunnen worden gebracht (als er geen schuld meer is kan die ook niet worden misbruikt). België zelf heeft vaak de kwalijke neiging om schuldkwijtschelding in de praktijk te spreiden over vervaldagen tot ver in de toekomst. De OESO is niet enthousiast over deze langgerokken formule
Verder moet er daarnaast een regeling komen ten opzichte van de financiële sector, door te voorzien in de identificeerbaarheid van de eigenaarsstructuur, vooral voor vennootschappen die een zetel hebben in fiscale paradijzen (met bijvoorbeeld traceerbaarheid van aandeelhouders van aasgierfondsen. Zo pleit spreker voor een voorstel tot oprichting van een internationaal arbitragepanel voor schuldregeling, gelijkend op het systeem van de faillissementswet van de VS. Er dient een structuur te worden opgebouwd voor het geven van kwalitatief hoogstaand advies aan de betrokken debiteurlanden, om een tegengewicht te vormen tegenover de aasgierfondsen. Men mag de tegenstander zeker niet onderschatten : het gaat vaak om onderdelen van grote beleggingsfondsen (met een middelenpot van enkele miljarden dollars) die gerenommeerde advocatenbureaus inschakelen. Het gaat bovendien in een aantal gevallen om bedrijven die nauw aanleunen bij de huidige politieke top van de VS.
Een juridisch kader is nodig, desnoods partieel. Er moeten bindende codes komen en een systeem dat ook privé-schuld dekt. Daarbij moet ook gedacht worden aan landen die niet in het HIPC-systeem zijn opgenomen Het HIPC-systeem liep normaal af in 2004.
Het voorliggende voorstel stelt dat België op het punt staat om grote schuldverlichtingsoperaties op te starten. In feite zijn deze al deels achter de rug. Maar de afwikkeling van de schuld volgens vervaldag is voer voor « aasgierfondsen ».
Groot alarm is er alvast nog voor 300 miljoen euro schuld van de DR Congo tegenover België, die normaal in 2008 zou worden kwijtgescholden wanneer het land het voltooiingspunt van zijn HIPC behandeling bereikt. Dit soort vooruitzichten is erg aanlokkelijk voor de « aasgierfondsen » Maar we zijn er van overtuigd dat met de initiatieven vanuit het parlement, de goede wil en expertise binnen de betrokken administraties en de druk vanuit het publiek rampen kunnen worden voorkomen
4. Gedachtewisseling
Volgens de heer Dubié zou de commissie een wetsvoorstel moeten goedkeuren dat gebaseerd is op het wetsvoorstel van de Franse Nationale Assemblee van 29 juni 2006 inzake de bestrijding van de zogenaamde aasgierfondsen (Parlementaire stukken, nr. 3214). In het wetsvoorstel wordt betreurd dat de akkoorden van de Clubs van Parijs en Londen niet helemaal efficiënt kunnen zijn omdat bepaalde speculanten weigeren zich erbij aan te sluiten. Zo profiteren de onwilligen de facto van de overdrachten van openbare of private schuldeisers. Als de schuldvorderingen enkel worden gekocht met het oog op mogelijke latere rechtsvorderingen zal het wetsvoorstel tot niets leiden.
Volgens mevrouw Zrihen zijn de aasgierfondsen niet zomaar een ongevaarlijke uitwas, maar houden zij wel degelijk verband met de schuld. De band met het wetgevend werk dat tijdens de vorige zittingsperiode werd verricht in de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging en in de Bijzondere commissie Globalisering, moet behouden blijven. Zij verwijst naar de verslagen van de Bijzondere Commissie Globalisering van 24 maart 2005 inzake de Millenniumdoelstellingen (stuk Senaat, nr. 3-603) en inzake de schuldenproblematiek van ontwikkelingslanden van 16 oktober 2006 (stuk Kamer, nr. 51-2681/1). Er wordt om meer ontwikkelingshulp gevraagd maar tegelijk wordt er niets gedaan om de aasgierfondsen tegen te houden. Er moet dus een samenhangend juridisch instrument komen om dit verschijnsel structureel te bestrijden.
Volgens de heer Dubié zouden deze fondsen ook aasfondsen genoemd kunnen worden. Er moet snel worden ingegrepen om dit fenomeen niet de kans te geven nog meer te groeien.
Mevrouw Lijnen vraagt uitleg aan de vertegenwoordigers van de minister van Financiën over het feit dat aasgierfondsen beslag hebben laten leggen op middelen ten belope van 11 miljoen € van de Belgische Staat. Er zou ook beslag gelegd zijn op staatsgelden voor ontwikkelingssamenwerking. Wat zijn de bedragen en om welke landen gaat het ? Zijn er landen die niet meer in aanmerking komen voor ontwikkelingssamenwerking omdat de betalingsmiddelen bevroren zijn ?
De vertegenwoordiger van de minister van Financiën definieert aasgierfondsen als gespecialiseerde financiële instellingen die hun actieterrein beperken tot het opkopen van sterk in waarde verminderde schuldvorderingen op de secundaire markt om deze vervolgens via juridische uitputtingsslagen maximaal te valoriseren. Buiten de aasgierfondsen zijn er ook particulieren die beslag kunnen laten leggen op Belgische staatsgelden. De ministers van Financiën en Ontwikkelingssamenwerking hebben de krachten gebundeld in de strijd tegen het optreden van malafide fondsen tegen de DRC. In juli 2006 werd door de Ministerraad beslist om aan de minister van Justitie te vragen een artikel in het Gerechtelijk Wetboek in te voegen inzake de strijd tegen de aasgierfondsen. Op 3 december 2007 werd een voorstel van wet betreffende de leningen van Staat tot Staat ingediend.
Deze aangelegenheid is erger dan eerst werd verondersteld. Particuliere schuldeisers proberen, wat betreft de DRC, hun gelden te recupereren door onder meer beslag te leggen op de Belgische leningen van Staat tot Staat. Zowel het budget van de Belgische ontwikkelingssamenwerking als de leningen van Staat tot Staat moeten beschermd worden tegen inbeslagname door schuldeisers via een wet die bescherming biedt tegen inbeslagname door zowel aasgierfondsen als particuliere fondsen. Zo is door de inbeslagname van een relatief klein bedrag, een grote som bestemd voor projecten voor de ontwikkelingsamenwerking in de DRC, geblokkeerd.
Men kan onder de schuldeisers wel een « Gentlemen's Agreement » afsluiten om geen beslag te leggen, maar dit blijft spijtig genoeg partieel. Er bestaat binnen de club van Parijs een zekere bereidheid om geen schulden te verhandelen van HIPC-landen. Men wil vermijden dat schulden gekend bij de Delcrederedienst en de Belgische schuldverzekeringsinstellingen verhandeld worden en terecht komen bij de aasgierfondsen. Een heleboel schulden vallen echter niet onder de directe controle van de Club van Parijs zodat afspraken die slaan op een deel van de schulden uiteraard nooit echt de problematiek van alle schulden op internationaal niveau kunnen oplossen.
Mevrouw Piryns is van oordeel dat er zo vlug mogelijk een wet moet komen om de aasgierfondsen te bestrijden. Kan het voorstel van resolutie via een amendement onmiddellijk een wetsvoorstel worden ? Kan hierdoor de inbeslagname van zowel openbare als privéfondsen beschermd worden tegen aasgierfondsen ?
De heer de Meyer antwoordt dat expert-juristen zich bezighouden met de problematiek van inbeslagnames zodat gevaarlijke precedenten in het leven kunnen geroepen worden. Er kan vrij snel een wet komen om het misbruik via inbeslagnames van ontwikkelingsgeld te voorkomen. Ook op internationaal vlak moet er op lange termijn een waterdichte reglementering komen.
De heer Toussaint verwijst naar de definitie die de vertegenwoordiger van het ministerie van Financiën gegeven heeft van het begrip schuldeisers en die volgens hem correct is. Het wetsontwerp van de Franse Nationale Assemblee (Parlementaire stukken, nr. 3214) heeft het over de overdrager van een schuldvordering die voortkomt uit een andere dan industriële of handelsactiviteit. In het geval van individuele schuldeisers volstaat de Franse formulering niet.
De kwestie van de fiscale paradijzen wordt niet vermeld in het ontwerp van resolutie terwijl financiële spelers die paradijzen toch gebruiken om mist te spuien en in de grootste onduidelijkheid winst te maken. Van een interne of externe audit is in het voorstel van resolutie trouwens geen sprake.
De Senaat moet steun bieden aan de resolutie over de kwijtschelding van de schulden van de minst ontwikkelde landen (stuk Senaat, nr. 3-1507) die op 29 maart 2007 door de Senaat werd goedgekeurd.
De heer Roelants du Vivier antwoordt dat deze resolutie de Senaat tot engagementen noopt.
Volgens de heer Dubié had het CNCD net voor de verkiezingen een ontmoeting georganiseerd met de democratische Franstalige partijen over de doorlichting van de schandelijke schuld. De heer Armand De Decker, toenmalig minister van Ontwikkelingssamenwerking, had tijdens deze vergadering gezegd dat het bedrag van de schandelijke schuld wel gekend was maar niet openbaar zou worden gemaakt. In de Senaat beweerde de heer De Decker het tegendeel.
Spreker vraagt de heer Toussaint de Senaat in te lichten over de grootte van de schuld van alle ontwikkelingslanden.
Het verheugt mevrouw Ruiz dat de commissie een wetsvoorstel inzake de aasgierfondsen wenst in te dienen. België kan samen met andere parlementen, waaronder het Europees Parlement, de drijvende kracht binnen de Europese Unie vormen. Er moet worden voorzien in een duidelijk wettelijk kader zodat schulden niet langer kunnen worden verkocht op de secundaire markt en om een mogelijkheid tot beroep in te voeren.
Volgens de heer Roelants du Vivier vinden er geregeld overlegvergaderingen plaats tussen de nationale parlementen en de commissie voor ontwikkelingssamenwerking van het Europees Parlement inzake de audits en de instelling van een juridisch kader om de aasgierfondsen aan te pakken.
Mevrouw Hermans is van oordeel dat ondanks het feit dat de Commissie het wetsvoorstel nr. 4-482/1 heeft aangenomen, het zeker nog zin heeft ook het voorstel van resolutie aan te nemen. Het kan alleen maar bijdragen tot een meer ingrijpende en dus nog betere aanpak van deze problematiek.
III. Bespreking van de amendementen
Considerans
Punt C
Amendement nr. 1
De heer Paul Wille c.s. dienen een amendement (stuk Senaat, nr. 4-244/2) in dat er toe strekt in punt C van de considerans, het woord « overheidsobligaties » te vervangen door het woord « schulden ». Dit amendement betreft een technische verbetering.
Amendement nr. 1 wordt eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden
Punt H
Amendement nr. 2
De heer Paul Wille c.s. dienen een amendement (stuk Senaat, nr. 4-244/2) in dat er toe strekt in punt H van de considerans, de woorden « om de democratisering, het onderwijs en de zorg te versterken » te vervangen door de woorden « opdat meer middelen vrijgemaakt zouden worden voor armoedebestrijding ». Dit amendement voert de term « armoedebestrijding » in. Dit concept geeft op een meer algemene wijze, uitdrukking aan de doelstelling van de operaties voor schuldverlichting.
Amendement nr. 2 wordt eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden
Aanbevelingen
Punt 8
Amendement nr. 3
De heer Paul Wille c.s. dienen een amendement (stuk Senaat, nr. 4-244/2) in dat er toe strekt een nieuw punt 8 toe te voegen waarin wordt gevraagd aan de regering werk te maken van een wet die de inbeslagname van overheidsmiddelen bestemd voor internationale samenwerking verhindert. Ook in België zijn de aasgierfondsen bijzonder actief, zodat ons land moet trachten hiertegen een juridisch instrument te ontwikkelen.
Amendement nr. 3 wordt ingetrokken gezien de Senaat door het wetsvoorstel tot vrijwaring van de ontwikkelingssamenwerking en de schuldverlichting ten gevolge van het optreden van aasgierfondsen (stuk Senaat, nr. 4-482/1) zelf in deze aangelegenheid een wetgevend initiatief heeft genomen.
Amendement nr. 4
De heer Paul Wille c.s. dienen een amendement (stuk Senaat, nr. 4-244/2) in dat er toe strekt op de achtste regel van punt 8 van de aanbevelingen een dubbele negatie te schrappen.
Amendement nr. 4 wordt eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.
IV. Stemmingen
Dit voorstel van resolutie wordt eenparig aangenomen door de 10 aanwezige leden.
Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het opstellen van dit verslag.
| De rapporteur, | De voorzitter, |
| Olga ZRIHEN. | Marleen TEMMERMAN. |
Tekst aangenomen door de commissie (zie stuk Senaat, nr. 4-244/4)