4-227/1

4-227/1

Belgische Senaat

BUITENGEWONE ZITTING 2007

1 OKTOBER 2007


Wetsvoorstel tot oprichting van een Federaal Comité « mannen en zorg »

(Ingediend door mevrouw Sabine de Bethune c.s.)


TOELICHTING


Dit wetsvoorstel neemt de tekst over van een voorstel dat reeds op 22 augustus 2003 in de Senaat werd ingediend (stuk Senaat, nr. 3-175/1 BZ 2003).

1. Beginselen

Het heeft tot doel een Federaal Comité « mannen en zorg » op te richten. Het comité heeft als opdracht concrete beleidslijnen te formuleren met het oog op een evenwichtige verdeling tussen arbeid en gezinstaken voor zowel mannen als vrouwen. Het comité moet tevens het maatschappelijk debat stimuleren over mannen en zorg en bijdragen tot een positieve beeldvorming van de man als zorgdrager. Het betreft de man als zorgdrager zowel in een familiale context, als in de bredere maatschappelijk kader : de man in zijn rol als ouder (in een gegeven gezinssituatie) of grootouder, als verzorger voor een ziek familielid, als vrijwilliger, of als beroepskracht in de zogenaamde « zorgberoepen ». Het comité schept het kader om de doelgroep rechtstreeks bij het beleid te betrekken en het beleid als dusdanig verder vorm te geven.

Het comité is concreet bevoegd voor het organiseren van sensibiliseringsacties, het formuleren van beleidsvoorstellen, het plegen van overleg met maatschappelijke organisaties, werkgevers- en werknemersorganisaties en het promoten van maatregelen om de positie van mannen als zorgdragers te ondersteunen, zowel op nationaal als op internationaal niveau.

2. Voor een beleid rond mannen en zorg

2.1. Als pijler van het gelijkekansenbeleid

Een Comité « mannen en zorg » is één mogelijk instrument om een beleid inzake mannen en zorg uit te bouwen. Het dient te worden beklemtoond dat dit voorstel kadert in een streven naar gendergelijkheid. Ook mannen hebben immers te winnen bij gelijke kansen en meer bepaald bij een evenwichtige combinatie van zorg en arbeid.

Zorg is een engagement, en in het kader van een gelijke taakverdeling is het uiteraard grotendeels aan mannen, (groot)vaders, zelf om hiervoor een klimaat te scheppen en hun wensen en bezorgdheden inzake de combinatie van arbeid en zorg bekend te maken. Maar daarnaast blijft er nood aan een beleid dat mannen ondersteunt in hun zorgende rol. De oprichting van een Comité « mannen en zorg » biedt hiertoe een concreet kader. Het is een aanzet tot een globaal beleid inzake mannen en zorg.

Zorgverlening is een belangrijk gegeven in de samenleving en behoort tot de opdracht van zowel mannen als vrouwen. In het gelijkekansenbeleid is de rol van mannen in de strijd voor gendergelijkheid tot nu toe een blinde vlek geweest. Net als vrouwen hebben mannen een verantwoordelijkheid op te nemen en zij hebben zelf ook te winnen bij een evenwicht in de man-vrouw-gelijkheid. Ook tegenover mannen blijven immers een aantal vooroordelen en traditionele verwachtingspatronen voortbestaan.

2.2. Een globaal beleid inzake « mannen en zorg »

De CD&V-werkgroep Vrouw en Maatschappij heeft in haar beleidsvoorstellen betreffende een evenwichtige combinatie van zorg, gezin en arbeid een duidelijk standpunt ingenomen over het opnemen van zorgtaken door mannen.

Naast de oprichting van een Federaal Comité « mannen en zorg » omvat een constructief beleid minstens volgende aspecten :

Nood aan een globaal en coherent beleid

Vrouw en Maatschappij vindt het hoog tijd dat er werk wordt gemaakt van een globaal en coherent beleid inzake mannen en zorg. « Mannen en zorg » moet een specifiek aandachtspunt worden in het gelijkekansenbeleid. Het mag geen blinde vlek blijven. Alleen op die manier kunnen mannen aangemoedigd worden meer zorgtaken op te nemen en kunnen zij daarin ondersteund worden.

Mannen vervullen in vergelijking met 10 jaar geleden een actievere rol in het gezin en blijken meer betrokken bij de opvoeding van de kinderen. In cijfers en in de praktijk zijn vrouwen evenwel nog steeds de grootste « zorgdragers ».

Zoals dat voor vrouwen het geval is, vervullen ook mannen diverse maatschappelijke rollen. De diversiteit van mannen, die zoals vrouwen verschillende rollen op zich nemen, moet beter zichtbaar gemaakt worden. Zowel de overheid als de bedrijfswereld als de bredere samenleving moeten gevoeliger gemaakt worden voor de zorgende rol van mannen.

Het recht op vaderschapsverlof veralgemenen en uitbreiden

De uitbreiding van het vaderschapsverlof van 3 dagen naar 10 dagen is een stap in de goede richting, maar Vrouw en Maatschappij stelt een nieuwe herziening voor waarbij :

— het vaderschapsverlof (alsook het moederschapsverlof) voor de volledige duur vergoed wordt aan 100 % van de wedde;

— de verloftermijn verlengd wordt van 10 dagen naar 25 dagen per kind. Net zoals het moederschapsverlof deels noodzakelijk is voor het opbouwen van een band tussen moeder en kind, moeten ook vaders gebruik kunnen maken van een vaderschapsverlof kort na de geboorte om een band te ontwikkelen met hun kind en om aanwezig te kunnen zijn in het gezin;

— vaders in alle beroepscategorieën recht hebben op zorgtijd, denk aan vaders in een zelfstandig statuut.

Mannen aanmoedigen om ouderschapsverlof op te nemen

Mannen maken nog steeds te weinig gebruik van hun recht op ouderschapsverlof. De cijfers voor 2001 vertonen een positieve trend, maar nog steeds was de verhouding ongeveer 1 man op 20 vrouwen.

Deze scheve verhouding heeft niet alleen te maken met een gebrek aan engagement voor zorg door mannen. Ook het gebrek aan een gezinsvriendelijke bedrijfscultuur speelt mannen nog steeds parten.

Concrete actiepunten om meer mannen te overtuigen ouderschapsverlof op te nemen kunnen onder meer bestaan in :

— een sensibiliseringsactie, die noodzakelijk is, zowel naar vaders zelf als naar de bredere samenleving en de bedrijfswereld toe;

— een herziening van het stelsel waarbij een hogere verloning een belangrijk gegeven is.

Daarnaast ijvert Vrouw en Maatschappij voor een verlenging van het recht op ouderschapsverlof tot 1 jaar per kind voor beide ouders samen, op te nemen wanneer de ouders het nodig achten in het belang van de ontwikkeling van het kind.

De oprichting van een leerstoel « mannenstudies » naast een leerstoel « vrouwenstudies »

Vrouw en Maatschappij acht het in de huidige maatschappelijke evolutie wenselijk naast de bestaande leerstoel vrouwenstudies eveneens een leerstoel mannenstudies op te richten. Rond vrouwenrechten en vrouwengeschiedenis is reeds veel studie- en lobbywerk verricht. Doorheen de jaren is zoals voor vrouwen ook de positie van mannen gewijzigd. Een leerstoel « mannenstudies » kan de huidige en de historische positie van mannen duidelijker in kaart brengen.

Zorg tot aandachtspunt maken in het onderwijs, zowel voor meisjes als voor jongens

Aandacht voor zorg is een houding die men kan leren. Vrouw en Maatschappij vraagt daarom expliciete aandacht in het onderwijs om zowel jongens als meisjes vertrouwd te maken met zorgtaken.

Vrouw en Maatschappij stelt in dit verband alleszins de volgende twee invalshoeken voor :

— zorg als sociale vaardigheid opnemen in de vakoverschrijdende eindtermen : aandacht inbouwen voor de waarde van zorgtaken in het gezin en in de samenleving en oefensituaties inbouwen in het leerprogramma om jongens en meisjes zorgtaken eigen te maken;

— een genderopleiding voor directies en leerkrachten zodat zij onevenwichtige situaties leren herkennen en methoden leren ontwikkelen voor een meer gelijke houding naar jongens en meisjes toe.

3. Onderzoeksresultaten rond mannen en zorg

3.1. De zorgende rol van mannen

Vandaag bestaat er voor zover ons bekend in ons land weinig expliciet onderzoek naar de zorgende rol van mannen. Wel werden in 2000 de onderzoeksresultaten gepubliceerd van een studie uitgevoerd onder leiding van professor Lieve Vandemeulebroucke en professor Agnes Demunter betreffende genderaspecten van zorg in de opvoeding (Genderaspecten van zorg in de opvoeding. Waardering, verdeling en overdracht van de « vrouwelijke zorg » in het gezin uitgegeven door het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Gelijke Kansen en Limburgs Universitair Centrum, 2000).

Het onderzoek geeft enkele kritische elementen aan, die een rol spelen in het al dan niet standhouden van de traditionele rolpatronen van mannen en vrouwen op het vlak van zorg. Het onderzoek geeft onder meer aan dat de waardering van zorg door anderen voor vaders een aanzet is om meer zorgtaken op te nemen. Met « anderen » wordt zowel de familiale omgeving als de arbeidsomgeving bedoeld.

Ook worden in de studie enkele aandachtspunten toegelicht voor verder onderzoek en voor het beleid. Een algemene leidraad opdat meer mannen meer zorg op zich zouden nemen is het loskoppelen van « zorg » en « sekse ». Uiteraard zijn een hele reeks maatregelen en campagnes nodig opdat dit doel kan worden bereikt.

3.2. Taakverdeling man-vrouw

In de tijdbestedingsstudie van de TOR-onderzoeksgroep, verbonden aan de VUB, heeft de onderzoeksgroep onderzocht wat het betekent een « zorgende ouder » te zijn. Zij stelde enkele evoluties vast in de periode 1988-1999. Mannen hebben sinds 1988 niet echt een stap terug gezet in het aantal uren betaalde arbeid, maar spenderen wel veel meer tijd actief met hun kinderen dan een tiental jaren geleden. Waar moeders de laatste jaren meer tijd besteden aan de opvoeding van kinderen, spenderen mannen in vergelijking tot 1988 meer tijd aan de eigenlijke verzorging van kinderen. Relatief is er evenwel nog een groot onevenwicht.

Volgende cijfers kunnen dit nader illustreren : gemiddeld besteden voltijds werkende vrouwen 8 uur meer per week aan zorgtaken (huishouden en zorg voor kinderen) dan voltijds werkende mannen. Mannen maken dan weer meer overuren, maar werken alles beschouwd 4 uur minder per week dan vrouwen. Vrouwen hebben per week ook beduidend minder vrije tijd. De zorgtijd door vrouwen bedraagt gemiddeld 25 uur per week, voor mannen is dit 13 uur : één van de redenen waarom vele vrouwen op deeltijdse arbeid overschakelen ! (Bron : Tijdsbestedingsonderzoek Vlaanderen, VLOR/VUB 2001, cijfers 1999).

3.3. Andere statistische gegevens

Andere statistische gegevens bevestigen dat vrouwen in tijd uitgedrukt nog steeds de belangrijkste zorgdragers zijn :

— het merendeel van de halftijds werkenden is vrouw. Een Europese studie wijst uit dat in 2001 in België bij 28 % van de tweeverdieners met kinderen de vrouw halftijds werkte. Slechts bij 1,7 % van hen was het de man die halftijds werkt. Ter vergelijking : van de tweeverdieners werkten in 1,9 % van de gevallen de beide partners halftijds (Bron : Europeese Commissie, DG V, mei 2002);

— de eerste cijfers in verband met het tijdskrediet tonen aan dat de regeling voor 4/5 werktijd erg aanslaat bij mannen, maar dat het voornamelijk om 50-plussers gaat, en dus niet om jonge vaders. Ook jonge vrouwen zijn geïnteresseerd in de regeling (Bron : ministerie van Tewerkstelling en Arbeid, juni 2002);

— veel minder mannen dan vrouwen maken gebruik van hun recht op ouderschapsverlof. Maandelijks waren in 2001 gemiddeld 8500 vrouwen en 450 mannen in ouderschapsverlof. Dit is ongeveer 1 man op 20 vrouwen. Het gebrek aan een gezinsvriendelijke bedrijfscultuur ligt nog al te vaak aan de basis van deze onevenwichtige situatie (Bron : RVA, cijfers 2001);

— mannen zijn sterk ondervertegenwoordigd in de zogenaamde « zorgberoepen ».

Een evenwichtige verdeling van zorgtaken is dus nog lang niet bereikt. Onderzoekers wijzen nog op het gevaar dat regelingen zoals het ouderschapsverlof contra-productief dreigen te zijn voor werkende vrouwen als werkende vaders niet extra aangemoedigd worden.

3.4. Onderzoek in het buitenland

Uit Nederlands onderzoek (zie onder andere Menno Jacobs, Vaders in spe, Swets en Zeitlinger, 1998) naar de vaderwens van jonge mannen blijkt dat mannen meer dan vroeger woordelijk een affectieve reden geven om hun kinderwens te verklaren. Toch vertaalt zich deze ommekeer niet concreet in geringere uren betaalde arbeid. Een belangrijke vaststelling in dit Nederlandse onderzoek is dat er vele verschillen bestaan in de opvattingen van vaders en dat de meeste vaders voor zichzelf een beeld vormen van het vaderschap en daarin niet zelden origineel en inventief zijn.

4. Buitenlandse voorbeelden voor een beleid « mannen en zorg »

Een belangrijke referentie voor de keuze voor de oprichting van een Comité « mannen en zorg » is het Finse « vaderschapscomité » dat in april 1998 werd opgericht (zie ook http://www.vn.fi/stm/english/ pao/publicat/familypol/contents.htm).

In een eerste fase heeft dit comité voornamelijk knelpunten gedefinieerd die als basis dienen voor de tweede fase, de opstelling van een actieplan. Enkele aandachtspunten die naar voren kwamen uit de eerste fase zijn :

— een mentaliteitswijziging inzake de combinatie van gezin en arbeid door mannen, soepeler omgaan met verlofregelingen voor vaders (deeltijdse opname, verlenging van de termijn waarbinnen het verlof kan opgenomen worden);

— meer aandacht voor de vader rondom de geboorte van een kind;

— het stimuleren van de participatie van vaders aan de opvoeding van kinderen;

— het vermoeden van vaderschap eveneens toepassen bij ongehuwd-samenwonende koppels;

— de rol van vaders in nieuw-samengestelde gezinnen;

— een betere regeling voor het hoederecht na echtscheiding (erkenning van de noden van het kind, een betere vorming aan bevoegde personen en instanties) en het stimuleren van co-ouderschap.

Een interessant initiatief dat een voorbeeld zou kunnen zijn voor een actie door het op te richten Comité is een Zweeds project uit 2001 dat tot doel heeft het opnemen van ouderschapsverlof voor mannen te promoten. Aan de hand van affiches van prominente mannen uit de politiek, de bedrijfs- of sportwereld met een baby op de arm wil men er de zorg voor kinderen door mannen vanzelfsprekender maken. In Zweden zou het niet ongewoon zijn dat zelfs een minister drie maanden afwezig is om voor de kinderen te zorgen.

In Nederland bestaat reeds een vader-en-kind-centrum en verschillende vadercentra waar vaders kunnen uitwisselen over hun ervaringen en zorgen.

In verschillende landen van de Europese Unie bestaan er vervolgens vele initiatieven ter ondersteuning van vaders na een echtscheiding. Het hoederecht gaat vaak naar de moeder en voor velen wordt het omgangsrecht in de praktijk niet uitgevoerd.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 2

Het Federaal Comité « mannen en zorg » wordt opgericht bij de federale overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg omdat de problematiek zich situeert in het spanningsveld tussen gezin, zorg en arbeid. Bijgevolg bepaalt artikel 8 dat het Comité ook bij deze dienst wordt gebudgetteerd.

Vanzelfsprekend is ook een horizontaal beleid noodzakelijk, omdat er raakpunten zijn met andere beleidsterreinen. Dit wordt opgevangen door een evenwichtige vertegenwoordiging van diverse federale overheidsdiensten bij de samenstelling van het comité. De overheid heeft de belangrijke taak om naast de nodige structurele maatregelen het debat rond « mannen en zorg » verder te stimuleren en op die wijze een mentaliteitswijziging teweeg te brengen.

Artikel 3

Het comité heeft een adviserende bevoegdheid en wordt belast met een zo divers mogelijk takenpakket dat kadert in een globaal beleid inzake « mannen en zorg ».

Artikel 4

Om het comité voldoende bewegingsvrijheid te bieden in zijn werkzaamheden en gezien het quasi onontgonnen terrein « mannen en zorg », kan het comité zowel een advies uitbrengen op verzoek van de Wetgevende Kamers of van de federale minister bevoegd voor de Werkgelegenheid, Arbeid en het Sociaal Overleg, als op eigen initiatief.

Artikel 5

Het voorleggen van een jaarlijks activiteitenverslag is een belangrijke opdracht van het comité en een belangrijk instrument om de continuïteit van zijn werkzaamheden te garanderen. Dit verslag zal de basis vormen voor een jaarlijks debat in het Parlement over het thema « mannen en zorg ». Het verslag is tevens een belangrijk instrument om de publieke opinie te informeren over de stand van zaken in deze thematiek.

Artikel 6

In de samenstelling van het comité wordt naar een zo groot mogelijk maatschappelijk draagvlak nagestreefd. De taak om de leden aan te wijzen wordt toevertrouwd aan de Koning.

Artikel 7

Teneinde de werkzaamheden van het comité te organiseren, dient een huishoudelijk reglement te worden opgemaakt. In dit reglement worden parameters aangereikt zoals die gangbaar zijn in andere federale adviesorganen, zoals het Federaal Borstvoedingscomité en de Raad van de gelijke kansen voor mannen en vrouwen.

Artikel 8

Hier kan worden verwezen naar de toelichting bij artikel 2.

Sabine de BETHUNE
Wouter BEKE
Nahima LANJRI
Els SCHELFHOUT
Elke TINDEMANS.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

Bij de federale overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg wordt een Federaal Comité opgericht voor mannen en zorg, hierna « Comité » genoemd.

Art. 3

Het comité heeft de volgende opdrachten :

1º advies uitbrengen over alle door de federale overheid genomen of te overwegen beleidsmaatregelen en wetgeving inzake zorg, en dit vanuit het perspectief van de deelname van mannen aan de zorg voor gezin, kinderen en de samenleving;

2º voorstellen doen voor het verhogen van het aandeel mannen in de zogenaamde « zorgberoepen »;

3º het debat op gang brengen over de rol van mannen als zorgdragers en over de positie van de vader binnen de verschillende gezinssituaties en in de diverse beroepsdomeinen;

4º voorstellen formuleren voor onderzoek en projecten met betrekking tot mannen en zorg.

Art. 4

Het comité brengt de in artikel 3, 1º, bedoelde adviezen uit, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van de minister bevoegd voor de Werkgelegenheid, de Arbeid en het Sociaal Overleg, van de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers, of van de voorzitter van de Senaat.

Het comité brengt zijn adviezen uit binnen een termijn van drie maanden na de ontvangst van het verzoek. Bij urgentie kan de instantie die om het advies heeft verzocht, een kortere termijn voorschrijven.

Art. 5

Het comité stelt jaarlijks een activiteitenverslag op, dat wordt bezorgd aan de minister die bevoegd is voor de Werkgelegenheid, de Arbeid en het Sociaal Overleg en aan de Wetgevende Kamers.

Art. 6

Het comité telt 18 vaste en 18 plaatsvervangende leden.

In het comité zetelen vertegenwoordigers van de bevoegde federale overheidsdiensten en met name van de federale overheidsdienst Sociale Zekerheid en van de federale overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. De betrokken organisaties uit het middenveld zijn eveneens in het comité vertegenwoordigd teneinde een zo ruim mogelijk maatschappelijk draagvlak te bereiken.

Het comité wordt bijgestaan door ten minste twee administratieve medewerkers, die onder meer belast zijn met de coördinatie van de werkzaamheden.

De Koning bepaalt de wijze waarop de leden van het comité worden voorgedragen en aangewezen.

Hij benoemt de leden van het comité voor een termijn van vier jaar die hernieuwbaar is.

Art. 7

Het comité stelt zijn huishoudelijk reglement op dat met name bepalingen bevat aangaande :

1º de samenstelling van het bestuur, dat uit ten minste een voorzitter en een ondervoorzitter bestaat;

2º de instanties via welke het comité zijn taken uitvoert;

3º de voorwaarden inzake bijeenroeping en beraadslaging;

4º de publicatie van de stukken;

5º de frequentie van de vergaderingen.

Het huishoudelijk reglement wordt voor akkoord voorgelegd aan de minister die bevoegd is voor de Werkgelegenheid, de Arbeid en het Sociaal Overleg.

Art. 8

De uitgaven van het comité worden geboekt op de algemene uitgavenbegroting, onder de kredieten van de federale overheidsdienst voor de Werkgelegenheid, Arbeid en het Sociaal Overleg.

7 september 2007.

Sabine de BETHUNE
Wouter BEKE
Nahima LANJRI
Els SCHELFHOUT
Elke TINDEMANS.