4-153/1

4-153/1

Belgische Senaat

BUITENGEWONE ZITTING 2007

16 AUGUSTUS 2007


Wetsvoorstel betreffende de verantwoording, waardering en vermelding van milieuaangelegenheden in de jaarrekeningen en jaarverslagen van ondernemingen

(Ingediend door de heer Philippe Mahoux)


TOELICHTING


Dit wetsvoorstel neemt de tekst over van een voorstel dat reeds op 15 december 2004 in de Senaat werd ingediend (stuk Senaat, nr. 3-961/1 — 2004/2005).

Voor dit wetsvoorstel is inspiratie geput uit het onderzoek van het Réseau financement alternatif over de sociaal verantwoorde investeringen in Belgiė, waarvan de resultaten in het Verslag 2004 werden bekendgemaakt.

Sociaal verantwoorde investeringen (SRI) bestaan reeds enige tijd in Belgiė en zijn een hedendaags middel om duurzame ontwikkeling in onze maatschappij na te streven.

In haar Groenboek van juli 2001 met als titel « De bevordering van een Europees kader voor de sociale verantwoordelijkheid van bedrijven » wijst de Europese Commissie op het volgende : « Door hun sociale verantwoordelijkheid te nemen doen de bedrijven meer dan wettelijk van hen wordt verwacht : ze investeren in menselijk kapitaal, het milieu en hun relaties met andere betrokken partijen ».

Het begrip sociale verantwoordelijkheid maakt weliswaar al deel uit van onze courante woordenschat, maar heeft nog geen eigen wettelijk statuut.

Wat de transparantie van de maatschappelijke waarde betreft, moeten we niettemin verwijzen naar het koninklijk besluit van 4 augustus 1996 betreffende de sociale balans (Belgisch Staatsblad van 30 augustus 1996), dat bepaalt dat de jaarrekeningen van de Belgische ondernemingen welke die rekeningen moeten bekendmaken een afdeling bevatten met als titel « sociale balans ».

Het doel van dit wetsvoorstel is dus de sociale verantwoordelijkheid van de ondernemingen te ontwikkelen door ervoor te zorgen dat in de jaarrekeningen en -verslagen van de ondernemingen rekening wordt gehouden met de milieuaangelegenheden.

Hiertoe wordt voorgesteld om de beginselen van de aanbeveling van de Commissie van 30 mei 2001 betreffende de verantwoording, waardering en vermelding van milieuaangelegenheden in de jaarrekeningen en jaarverslagen van ondernemingen (C(2001) — 1495, Publicatieblad L 156 van 13 juni 2001 p. 33-42) in ons recht op te nemen.

Die aanbeveling is het resultaat van meer dan tien jaar denkwerk op het niveau van de Gemeenschap.

Het was immers in 1992 dat de Commissie haar vijfde milieuactieprogramma « Op weg naar duurzame ontwikkeling » [COM(92) 23] publiceerde.

Naast een reeks voorstellen op het gebied van de milieubescherming bevatte dit een initiatief van de Gemeenschap op het gebied van de jaarrekeningen. Dit initiatief had voornamelijk betrekking op de methoden die door de ondernemingen worden gebruikt om financiėle aspecten op milieugebied in hun verslaglegging op te nemen.

Een grotere aandacht voor financiėle aspecten zou ertoe kunnen bijdragen dat de doelstellingen van het programma worden bereikt.

Wanneer ervoor wordt gezorgd dat milieu-uitgaven en risico's in de verslaglegging in aanmerking worden genomen, zou dit het milieubewustzijn van de onderneming kunnen vergroten.

Tevens erkent het Verdrag van Amsterdam dat met het oog op het bevorderen van duurzame ontwikkeling (artikel 6 van het EG-verdrag), de eisen inzake milieubescherming moeten worden geļntegreerd in andere takken van het beleid.

Om dit doel te bereiken keurde de Europese Raad van Cardiff een strategie goed voor de integratie van milieudoelstellingen in alle communautaire beleidssectoren en maatregelen.

In 1999 keurde de Commissie een mededeling over de interne markt en het milieu goed [COM(1999) 263 van 8 juni 1999], die bedoeld is om ervoor te zorgen dat het milieubeleid en het internemarktbeleid elkaar wederzijds ondersteunen en versterken en dat er tegelijkertijd positieve synergie-effecten ontstaan.

In deze mededeling worden bijzondere onderdelen van het internemarktbeleid aangewezen waar de Commissie zal streven naar een grotere mate van integratie met het milieubeleid; verder bevat de mededeling een reeks verdere maatregelen, waaronder het opstellen van een aanbeveling over milieuaangelegenheden in de financiėle verslaglegging.

De vrijwillige openbaarmaking van milieugegevens in jaarrekeningen en jaarverslagen van ondernemingen is nog een zeldzaam verschijnsel, ondanks de algemene indruk dat ondernemingen dikwijls met stijgende milieukosten worden geconfronteerd, met het oog op het voorkomen van verontreiniging en voor zuiveringsinstallaties, voor afvalverwijdering en controlesystemen, en dan vooral ondernemingen in sectoren die verstrekkende gevolgen hebben voor het milieu.

Tevens is door een gebrek aan expliciete regels een situatie ontstaan waarbij verschillende stakeholders zoals regelgevende autoriteiten, beleggers, financieel-analisten en het publiek in het algemeen de milieu-informatie die door ondernemingen wordt verstrekt, dikwijls hetzij als ontoereikend hetzij als onbetrouwbaar beschouwen.

De gegevens worden dikwijls, per onderneming en/of verslagperiode, op een groot aantal niet-geharmoniseerde wijzen weergegeven in plaats van op geļntegreerde en consistente wijze in de jaarrekeningen en het jaarverslag te worden gepresenteerd.

Gebruikers van jaarrekeningen hebben behoefte aan informatie over de gevolgen van milieurisico's en -verplichtingen voor de financiėle positie van de onderneming, over de houding van de onderneming tegenover het milieu en over de milieuprestaties van de onderneming in zoverre deze gevolgen kunnen hebben voor de financiėle positie van de onderneming.

Bijgevolg is de aanbeveling van de Commissie van 30 mei 2001 opgesteld om milieubeleid dat verband houdt met de interne markt te ondersteunen en om te bevorderen dat gebruikers van jaarrekeningen zinvolle en vergelijkbare informatie over milieu-aangelegenheden ontvangen, waardoor tevens de initiatieven van de Gemeenschap op het gebied van de milieubescherming worden versterkt.

Zoals de Commissie is de indiener van dit voorstel van mening dat er een legitieme behoefte is aan een grotere mate van harmonisatie wat de in de jaarrekeningen en jaarverslagen van ondernemingen op te nemen milieu-informatie betreft.

Ook de hoeveelheid, de doorzichtigheid en de vergelijkbaarheid van de milieu-informatie in de jaarrekeningen en jaarverslagen van ondernemingen moeten worden verbeterd.

Om deze doelstellingen te bereiken, beogen de indieners van onderhavig voorstel meer specifieke richtsnoeren te geven over de verantwoording, waardering en vermelding van milieu-aangelegenheden in de jaarrekeningen en jaarverslagen van ondernemingen.

Overigens erkent de aanbeveling van 30 mei 2001 van de Commissie dat geleidelijk afzonderlijke milieuverslagen zijn ontstaan, voornamelijk opgesteld door ondernemingen die werkzaam zijn in sectoren die een aanzienlijke invloed hebben op het milieu.

Afzonderlijke milieuverslagen voldoen aan de behoefte aan informatie van belanghebbenden waaraan de gegevens die in de jaarrekeningen en jaarverslagen van ondernemingen worden verstrekt slechts gedeeltelijk tegemoetkomen.

Het doel van dit wetsvoorstel is dus dat afzonderlijke milieuverslagen, jaarrekeningen en jaarverslagen consistenter en samenhangender worden en nauwer met elkaar worden verbonden.

Zoals de aanbeveling beoogt dit wetsvoorstel hieraan een bijdrage te leveren door ervoor te zorgen dat milieu-informatie in de jaarrekeningen en jaarverslagen wordt opgenomen op een wijze die een aanvulling vormt op de meer gedetailleerde en uitvoerige afzonderlijke milieuverslagen.

Een behoorlijke informatieverstrekking wordt als cruciale factor beschouwd om de doorzichtigheid van informatie te verbeteren.

Informatieverstrekking is behoorlijk wanneer zij van invloed is op het begrip van de jaarrekening door de gebruiker.

Dit voorstel is echter niet bedoeld om onnodig omslachtige verplichtingen op te leggen aan degenen die jaarrekeningen opstellen.

Het beoogt uitvoerige richtsnoeren te geven op het gebied van de informatieverstrekking, en geeft aan welke gegevens moeten worden vermeld om ervoor te zorgen dat de gepresenteerde milieu-informatie vergelijkbaar en consistent is.

Op die manier biedt het ondernemingen die melding willen maken van hun inspanningen voor het milieu de mogelijkheid ze bekend te maken in hun jaarrekeningen en -verslagen.

TOELICHTING BIJ DE ARTIKELEN

Artikel 2

Met het oog op de daadwerkelijke toepassing van de maatregelen bedoeld in deze wet betreffende de informatie die ondernemingen kunnen bekendmaken, is het aangewezen ze aan te vullen met de operationele definities van de gebruikte begrippen.

Daarom bevat deze wet een titel die aan de definities gewijd is.

Milieu-uitgaven bestaan onder meer uit kosten voor het verwerken en voorkomen van afval, de bescherming van de bodem en van het oppervlakte- en grondwater, de bescherming van de omgevingslucht en het klimaat, de vermindering van geluidsoverlast en de bescherming van de biodiversiteit en het landschap.

Alleen identificeerbare aanvullende kosten die in de eerste plaats bedoeld zijn om milieuschade te voorkomen, te beperken of te herstellen moeten worden opgenomen.

Uitgaven die een gunstige invloed op het milieu kunnen hebben maar die in de eerste plaats bedoeld zijn om aan andere behoeften te voldoen, zoals een grotere rentabiliteit, gezondheid en veiligheid op de werkplaats, een veilige toepassing van de door de onderneming vervaardigde producten of productie-efficiėntie, moeten buiten beschouwing worden gelaten.

Wanneer het niet mogelijk is het bedrag aan aanvullende uitgaven te scheiden van de andere uitgaven waarvan zij deel uitmaken, kan een raming van dit bedrag worden gemaakt, mits het resulterende bedrag voldoet aan de voorwaarde dat het in de eerste plaats bedoeld is om milieuschade te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken.

Uitgaven die gedaan worden als gevolg van geldboeten of sancties wegens het niet tenuitvoerleggen van milieuwetgeving, alsmede aan derden uitgekeerde vergoeding vanwege schade of letsel veroorzaakt door milieuvervuiling, zijn van deze definitie uitgesloten.

Deze kosten houden weliswaar verband met de gevolgen van de activiteiten van de onderneming voor het milieu, maar zij kunnen milieuschade niet voorkomen, verminderen of herstellen.

Artikel 3

Deze wet bevat de vereisten voor de verantwoording, waardering en vermelding van milieu-uitgaven, milieuverplichtingen en -risico's en de daarmee samenhangende activa die voortvloeien uit transacties en gebeurtenissen die de financiėle positie en de resultaten van de verslagleggende entiteit beļnvloeden of waarschijnlijk zullen beļnvloeden.

Deze wet is tevens van toepassing op banken, overige financiėle instellingen en verzekeringsondernemingen, omdat de financiėle gevolgen van milieuaangelegenheden voor dit soort ondernemingen niet anders zijn.

Artikel 4

De vroegere of huidige bedrijfspraktijk brengt slechts een feitelijke verplichting voor de onderneming met zich in zoverre de bedrijfsleiding niet van maatregelen kan afzien.

Bovendien ontstaat een dergelijke verplichting slechts wanneer de onderneming de verantwoordelijkheid om milieuschade te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken op zich heeft genomen door middel van een bekendgemaakte, specifieke verklaring of door middel van een vaste bedrijfspraktijk.

Een milieuverplichting kan worden verantwoord wanneer een betrouwbare schatting kan worden gemaakt van de kosten die uit de verplichting voortvloeien.

Indien er op de balansdatum een verplichting bestaat waarvan de aard duidelijk vaststaat en die naar alle waarschijnlijkheid tot een uitgaande kasstroom zal leiden welke een economisch voordeel vertegenwoordigt maar waarvan het bedrag en de datum onzeker zijn, dan moet een voorziening worden opgenomen, mits een betrouwbare raming kan worden gemaakt van het bedrag van de verplichting.

Onzekerheid ten aanzien van de datum of van het bedrag betreffen bijvoorbeeld zich ontwikkelende saneringstechnieken en de omvang en aard van de vereiste sanering.

In de zeldzame gevallen waarin een betrouwbare schatting van de kosten niet mogelijk is, dient de verplichting niet te worden verantwoord.

Zij dient dan als een voorwaardelijke verplichting te worden beschouwd, zoals vermeld in artikel 5.

Artikel 5

Zie toelichting bij artikel 4.

Artikel 6

Dit artikel vereist geen verdere toelichting.

Artikel 7

Dit artikel vereist geen verdere toelichting.

Het gaat immers om een strikte toepassing van de boekhoudkundige basisbeginselen.

Artikel 8

De §§ 1 tot 3 behoeven geen verdere toelichting

§ 4. Deze situatie doet zich voor wanneer milieu-uitgaven verband houden met activiteiten in het verleden of in het heden en met het herstel van de situatie waarin het milieu zich vóór de verontreiniging bevond (bijvoorbeeld afvalverwerking, saneringskosten in verband met lopende exploitatie-activiteiten, herstel van in het verleden veroorzaakte schade, kosten voor milieuadministratie of milieuaudits).

Zaken als installaties en machines kunnen om milieuredenen worden aangeschaft.

Dat kunnen bijvoorbeeld technische installaties zijn voor het bestrijden of voorkomen van vervuiling waarmee aan milieuwetgeving of -voorschriften wordt voldaan. Indien deze installaties voldoen aan de criteria voor verantwoording als activum overeenkomstig de §§ 1 en 2, dan moeten zij worden geactiveerd.

§ 5. Er zijn immers gevallen waarin de milieu-uitgaven niet tot verwachte economische baten in de toekomst leiden, doch waarin het toekomstige voordeel voortvloeit uit een ander activum dat bij de activiteiten van de onderneming wordt gebruikt.

Er kunnen rechten of soortgelijke posten die verworven zijn in verband met de gevolgen van de activiteiten van de onderneming voor het milieu (bijvoorbeeld octrooien, licenties, milieuvergunningen en emissierechten).

Indien deze rechten onder bezwarende titel zijn verkregen en bovendien voldoen aan de in de paragrafen 1 en 2 uiteengezette criteria voor opneming onder de activa, moeten zij stelselmatig worden geactiveerd en afgeschreven gedurende de verwachte economische levensduur ervan.

Zoniet, dan moeten zij worden geboekt op de winst- en verliesrekening.

Artikel 9

§ 1. Milieuontwikkelingen of -factoren kunnen tot gevolg hebben dat bestaande vaste activa in waarde verminderen, bijvoorbeeld in het geval van vervuiling van het bedrijfsterrein.

Er dient een waardecorrectie plaats te vinden indien de gebruikswaarde van het terrein onder de boekwaarde is gedaald.

§ 2. Vereist geen verdere toelichting.

Artikel 10

Dit artikel vereist geen verdere toelichting.

Het gaat immers om een strikte toepassing van de boekhoudkundige basisbeginselen.

Artikel 11

De §§ 1 en 3 vereisen geen verdere toelichting.

§ 2. Overeenkomstig artikel 10, § 3, dient deze milieuverplichting voor terreinherstel, verwijdering of sluiting te worden verantwoord op de datum waarop de onderneming haar activiteiten aanvangt en derhalve de verplichting ontstaat.

De opneming van deze verplichting dient niet te worden uitgesteld tot de activiteit is voltooid of de fabriek is gesloten.

De onderneming kan buitenbedrijfstellingskosten over een lange termijn verantwoorden in de periode waarin de activiteiten hebben plaatsgevonden.

Een gedeelte van de kosten wordt in elke verslagleggingsperiode als uitgave geboekt, waarbij het resulterende saldo als afzonderlijke verplichting wordt opgevoerd.

Artikel 12

Dit artikel vereist geen verdere commentaar.

Artikel 13

Milieuaangelegenheden moeten worden vermeld indien zij van wezenlijk belang zijn voor de financiėle resultaten of de financiėle positie van de onderneming die de rekeningen opmaakt.

Deze informatie moet, naar gelang van de post, in het jaarverslag en het geconsolideerde jaarverslag of in de toelichting bij de jaarrekening en bij de geconsolideerde jaarrekening worden opgenomen.

De artikelen 13 en 15 betreffen de vermelding van posten in het jaarverslag en het geconsolideerde jaarverslag of in de toelichting.

In artikel 14 komt de presentatie van posten in de balans aan de orde.

a) Het is belangrijk dat gebruikers van het jaarverslag in staat zijn na te gaan in hoeverre milieubescherming een integrerend deel vormt van het beleid en de activiteiten van de onderneming.

Indien van toepassing kan dit tevens de vermelding van het invoeren van een milieubeschermingssysteem omvatten alsmede de verplichte tenuitvoerlegging van bepaalde daarmee samenhangende normen of certificaties.

b) Deze informatie is bijzonder zinvol indien zij, op een objectieve en doorzichtige wijze, een overzicht geeft van de prestaties van de onderneming met betrekking tot een bepaalde gekwantificeerde doelstelling (bijvoorbeeld de emissies in de afgelopen vijf jaar) en de redenen waarom belangrijke verschillen zijn opgetreden.

d) Het zou nuttig zijn indien deze informatie aan de hand van kwantitatieve milieu-efficiėntie-indicatoren zou worden verstrekt en, waar dit relevant is, nader gerangschikt per bedrijfssegment.

Het is bijzonder belangrijk dat kwantitatieve gegevens worden verstrekt, in absolute termen, voor emissies en energie-, water- en materiaalverbruik gedurende de verslagperiode, naast comparatieve gegevens inzake de voorafgaande verslagperiode.

Deze cijfers dienen bij voorkeur te worden uitgedrukt in fysieke eenheden en niet in monetaire termen.

Bovendien zouden, voor een beter begrip van hun relatieve betekenis en ontwikkeling, cijfers in monetaire termen in verband moeten worden gebracht met posten op de balans of op de winst- en verliesrekening.

e) Het is immers belangrijk dat aan gebruikers van een jaarverslag wordt meegedeeld of het milieuverslag al dan niet objectieve, extern te verifiėren gegevens bevat.

Artikel 14

Zie toelichting bij artikel 13.

Artikel 15

Zie ook de toelichting bij artikel 13.

Paragraaf 2, f), hoewel deze kosten betrekking hebben op de gevolgen van de activiteiten van de onderneming voor het milieu (bijvoorbeeld schade of letsel veroorzaakt door milieuverontreiniging in het verleden), dienen zij niet voor het voorkomen, verminderen of ongedaan maken van schade aan het milieu, zodat gescheiden vermelding passend is.

Philippe MAHOUX.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

TITEL I

Definities

Art. 2

Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder :

1ŗ milieu : de natuurlijke fysieke omgeving, bestaande uit lucht, water, bodem, flora, fauna en niet-hernieuwbare hulpbronnen zoals fossiele brandstoffen en mineralen.

2ŗ milieu-uitgaven : uitgaven die kunnen voortvloeien uit maatregelen die een onderneming neemt of die namens haar door anderen worden genomen om milieuschade die het gevolg is of kan zijn van de bedrijfsuitoefening, te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken, behalve de uitgaven gedaan als gevolg van geldboeten of sancties wegens het niet tenuitvoerleggen van milieuwetgeving, alsmede aan derden uitgekeerde vergoeding vanwege schade of letsel veroorzaakt door milieuvervuiling.

3ŗ jaarverslag : het verslag bedoeld in de artikelen 94 en volgende van de wet van 7 mei 1999 houdende het Wetboek van vennootschappen.

TITEL II

Toepassingsbebied

Art. 3

§ 1. Deze wet beoogt de informatie over de milieuaangelegenheden die ondernemingen kunnen verstrekken in hun jaarverslagen en in hun jaarverslagen over de geconsolideerde rekeningenen en over de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekeningen.

§ 2. Deze wet is van toepassing op de ondernemingen die moeten voldoen aan de verplichtingen vermeld in titel VI van de wet van 7 mei 1999 houdende het Wetboek van Vennootschappen. Tevens is hij van toepassing op de ondernemingen bedoeld in artikel 9, § 3, 1ŗ tot 4ŗ, van diezelfde wet.

§ 3. Indien het om geconsolideerde rekeningen gaat, moet de verstrekte informatie betrekking hebben op de groep als geheel.

De eisen inzake verantwoording en waardering moeten consequent worden toegepast op alle geconsolideerde ondernemingen.

TITEL III

Verantwoording en waardering

HOOFDSTUK 1

Verantwoording van milieuverplichtingen

AFDELING I

Beginselen

Art. 4

§ 1. Gewoonlijk is de onderneming aansprakelijk voor de gehele milieuverplichting.

Is dit niet het geval, dan dient alleen haar aandeel daarin als milieuverplichting te worden opgenomen.

§ 2. Milieuverplichtingen moeten worden verantwoord wanneer het voldoen aan een huidige milieuverplichting die in het verleden is ontstaan naar alle waarschijnlijkheid zal leiden tot een uitgaande kasstroom die economische baten vertegenwoordigt, en waarvan een betrouwbare schatting kan worden gemaakt.

§ 3. De aard van deze verplichting moet duidelijk vaststaan en kan van tweeėrlei aard zijn :

a) wettelijk of contractueel : de onderneming is wettelijk of contractueel verplicht om milieuschade te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken

b) feitelijk : een feitelijke verplichting vloeit voort uit de maatregelen van de onderneming zelf, wanneer zij zich ertoe heeft verbonden om milieuschade te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken, en zij niet van deze maatregelen kan afzien omdat zij, op basis van verklaringen over haar beleid, haar voorgenomen handelwijze of in het kader van de vaste bedrijfspraktijken, aan derden bekend heeft gemaakt dat zij de verantwoordelijkheid voor het voorkomen, beperken of ongedaan maken van milieuschade, op zich neemt.

§ 4. Milieuschade die wellicht verband houdt met de activiteiten van de onderneming of die mogelijk door de onderneming is veroorzaakt maar ten aanzien waarvan geen wettelijke, contractuele of feitelijke verplichting bestaat om de schade te herstellen of de omvang ervan te beperken, komt niet in aanmerking om als milieuverplichting in de jaarrekeningen van de onderneming te worden opgevoerd.

AFDELING II

Voorwaardelijke milieuverplichtingen

Art. 5

§ 1. Een voorwaardelijke verplichting dient niet in de balans te worden opgevoerd.

§ 2. Indien er een mogelijkheid is, die minder dan waarschijnlijk is, dat de schade in de toekomst ongedaan moet worden gemaakt, maar deze verplichting nog moet worden bevestigd door een onzekere gebeurtenis, moet een voorwaardelijke verplichting worden vermeld in de toelichting bij de jaarrekeningen.

§ 3. Indien het zeer onwaarschijnlijk is dat de onderneming milieu-uitgaven zal moeten verrichten of indien deze uitgaven niet van materiėle aard zijn, dan is de vermelding van een dergelijke voorwaardelijke verplichting niet noodzakelijk.

AFDELING III

Saldering van verplichtingen en verwachte terugbetalingen

Art. 6

§ 1. Wanneer de onderneming verwacht dat een gedeelte of alle uitgaven in verband met een milieuverplichting door een andere partij zullen worden terugbetaald, dient deze terugbetaling uitsluitend te worden verantwoord wanneer het vrijwel zeker is dat deze inderdaad zal plaatsvinden indien de onderneming de verplichting nakomt.

§ 2. De verwachte terugbetaling moet afzonderlijk als activum in de balans worden opgenomen, tegen een bedrag dat niet hoger is dan het bedrag van de desbetreffende voorziening.

Zij mag alleen met de milieuverplichting worden gesaldeerd indien er een wettelijk recht bestaat voor een dergelijke saldering waarvan de onderneming gebruik wil maken.

Wanneer saldering op basis van deze wetsbepaling is toegestaan, moet het volledige bedrag van de verplichting en de verwachte terugbetaling in de toelichting worden vermeld.

§ 3. De verwachte opbrengst van de verkoop van onroerend goed mag niet met een milieuverplichting worden verrekend of in aanmerking worden genomen bij de waardering van een voorziening, zelfs indien een dergelijke verwachte vervreemding nauw verband houdt met de gebeurtenis waaruit de voorziening is ontstaan.

HOOFDSTUK 2

Verantwoording van milieu-uitgaven

AFDELING I

Beginselen

Art. 7

§ 1. Milieu-uitgaven moeten worden verantwoord als kosten in het boekjaar waarin zij zijn gemaakt, tenzij zij voldoen aan de in artikel 8 uiteengezette voorwaarden om als activum te worden opgevoerd.

§ 2. Milieu-uitgaven als gevolg van schade uit een vroegere periode komen niet in aanmerking om als correctie op voorgaande boekjaren te worden opgenomen doch moeten in het lopende boekjaar worden verwerkt, dat wil zeggen in de periode waarin zij worden verantwoord.

AFDELING II

Activering van milieu-uitgaven

Art. 8

§ 1. Milieu-uitgaven kunnen worden geactiveerd indien zij verricht zijn om toekomstige schade te voorkomen of te verminderen of om hulpbronnen te behouden, indien zij in de toekomst economisch voordeel brengen en bedoeld zijn om duurzaam voor de bedrijfsuitoefening te worden gebruikt.

§ 2. Milieu-uitgaven ter voorkoming of beperking van toekomstige schade of met het oog op het behoud van hulpbronnen komen uitsluitend in aanmerking voor verantwoording als activum indien zij bedoeld zijn om duurzaam voor de bedrijfsuitoefening te worden gebruikt en indien bovendien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan :

a) de kosten houden verband met economische voordelen die de onderneming verwacht en die de levensduur, de capaciteit of de veiligheid of efficiėntie van andere activa van de onderneming verbeteren bovenop het oorspronkelijk geraamde prestatieniveau; of

b) de kosten verminderen of voorkomen de milieuvervuiling die waarschijnlijk zal ontstaan als gevolg van toekomstige activiteiten van de onderneming.

§ 3. Indien niet aan de in de paragrafen 2 en 3 uiteengezette voorwaarden voor verantwoording als activum is voldaan, moeten milieu-uitgaven ten laste komen van de winst- en verliesrekening.

Indien wel aan deze voorwaarden is voldaan dienen de milieu-uitgaven te worden gekapitaliseerd en afgelost op de winst- en verliesrekening over het lopende boekjaar en een passend aantal toekomstige boekjaren te worden afgeschreven, dat wil zeggen stelselmatig gedurende de verwachte gebruiksduur ervan.

§ 4. Milieu-uitgaven dienen niet te worden gekapitaliseerd maar op de winst- en verliesrekening te worden geboekt indien zij niet tot toekomstige economische baten leiden.

§ 5. Wanneer de milieu-uitgaven die als activum worden verantwoord betrekking hebben op een ander, reeds bestaand activum, dienen zij als integrerend deel van dat activum te worden behandeld, en niet afzonderlijk te worden geboekt.

AFDELING III

Waardevermindering van activa

Art. 9

§ 1. Milieuontwikkelingen of -factoren kunnen tot gevolg hebben dat bestaande vaste activa in waarde verminderen.

Er dient een waardecorrectie plaats te vinden indien de gebruikswaarde van de bestaande vaste activa onder de boekwaarde is gedaald en als deze situatie duurzaam is.

Het bedrag van deze waardecorrectie moet op de winst- en verliesrekening worden geboekt.

§ 2. Wanneer milieu-uitgaven overeenkomstig § 5 van artikel 8 worden geboekt als integrerend deel van een ander activum, dient het gecombineerde activum op elke balansdatum op zijn invorderbaarheid te worden getoetst en zonodig te worden afgeschreven tot het invorderbare bedrag.

§ 3. Indien in de boekwaarde van een activum reeds rekening is gehouden met een verlies aan economische baten om milieuredenen, kunnen de daaropvolgende uitgaven om het niveau van de economische baten in de toekomst te herstellen, worden gekapitaliseerd, in die zin dat de hieruit resulterende boekwaarde lager is dan het terugverdienbare bedrag van het activum.

HOOFDSTUK 3

Waardering van milieuverplichtingen

AFDELING I

Beginselen

Art. 10

§ 1. Een milieuverplichting moet in de jaarrekening worden opgenomen wanneer er een betrouwbare schatting kan worden gemaakt van de uitgaven die hiermee gemoeid zijn.

§ 2. Verder dienen voor de berekening van het bedrag van een milieuverplichting de volgende elementen in aanmerking te worden genomen :

— de marginale rechtstreekse kosten van de herstelinspanning;

— de kosten van vergoedingen en uitkeringen aan werknemers die een aanzienlijke hoeveelheid tijd rechtstreeks aan de herstelinspanning zullen wijden;

— de controlevereisten na het herstel;

— de technologische vooruitgang, indien kan worden verwacht dat de overheidsautoriteit de technologie goedkeurt.

§ 3. Het bedrag van de verplichting dient de best mogelijke schatting te zijn van de uitgaven die noodzakelijk zijn om op balansdatum aan de bestaande verplichting te voldoen, op basis van de bestaande situatie en rekening houdende met toekomstige ontwikkelingen zowel in technische zin als op het gebied van de wetgeving, indien dergelijke ontwikkelingen zich naar alle waarschijnlijkheid zullen voordoen.

Het bedrag dient een schatting te zijn van het volledige bedrag van de verplichting, ongeacht de datum waarop de activiteit is gestaakt of de verplichting moet worden nagekomen.

Een geleidelijke opbouw van het volledige bedrag van de verplichting over de periode van de activiteiten van de onderneming is toegestaan.

§ 4. In de gevallen waarin het niet mogelijk is om met voldoende betrouwbaarheid een best mogelijke schatting van de verplichting te maken, dient deze als een latente verplichting te worden beschouwd en dient het bestaan ervan in de toelichting bij de jaarrekeningen te worden gepubliceerd.

Bovendien moet worden aangegeven waarom het niet mogelijk was een betrouwbare schatting te maken.

AFDELING II

Voorzieningen voor de kosten van terreinherstel en ontmanteling

Art. 11

§ 1. Uitgaven in verband met terreinherstel, verwijdering van opgehoopte nevenafvalproducten, sluiting of verwijdering van vaste activa, welke uitgaven de onderneming verplicht is te doen, dienen te worden opgenomen overeenkomstig de in artikel 4 vastgestelde voorwaarden.

Indien aan deze criteria is voldaan moet de verplichting om deze uitgaven in de toekomst te verrichten als milieuverplichting in aanmerking worden genomen.

§ 2. Wanneer deze verplichting wordt verantwoord worden de geraamde uitgaven opgenomen als deel van de kosten van het desbetreffende activum dat moet worden ontmanteld en verwijderd.

Deze gekapitaliseerde uitgaven worden vervolgens afgeschreven als deel van het af te schrijven bedrag van het desbetreffende activum.

Wanneer gedurende de activiteiten meer schade wordt veroorzaakt, ontstaat de verplichting voor de onderneming om deze schade te herstellen op het moment dat de schade zich voordoet.

§ 3. Een geleidelijke opbouw van een voorziening voor dergelijke kosten is toegestaan.

De onderneming kan buitenbedrijfstellingskosten over een lange termijn verantwoorden in de periode waarin de activiteiten hebben plaatsgevonden.

Een gedeelte van de kosten wordt in elke verslagleggingsperiode als uitgave geboekt, waarbij het resulterende saldo als afzonderlijke verplichting wordt opgevoerd.

AFDELING III

Het berekenen van milieuverplichtingen tegen de actuele waarde

Art. 12

§ 1. Milieuverplichtingen die niet in de naaste toekomst worden nagekomen worden ofwel tegen de actuele waarde berekend, indien de verplichting en het bedrag en het tijdschema van de betalingen vaststaan of op betrouwbare wijze kunnen worden vastgesteld, ofwel tegen de lopende kosten.

Wanneer de invloed van de tijdswaarde van geld echter aanzienlijk is, moet de waardering van milieuverplichtingen tegen actuele waarde toegepast worden.

De verwachte kosten moeten gebaseerd zijn op een speciaal voor de sanering van het terrein opgesteld plan.

§ 2. De niet tegen de actuele waarde geraamde kasstromen moeten geraamde bedragen zijn die naar verwachting op de verrekeningsdata zullen worden betaald met inbegrip van inflatieramingen en dienen te worden geschat met gebruikmaking van expliciete hypothesen op grond van het saneringsplan, zodat een deskundige de raming kan verifiėren en de geraamde kasstroom kan onderschrijven.

§ 3. Wanneer een onderneming de berekening tegen actuele waarde toepast bij de waardering van haar milieuverplichtingen, dient zij dit op consequente wijze te doen.

Elk activum dat betrekking heeft op de inning van het geheel of een gedeelte van een verplichting die tegen actuele waarde wordt berekend, moet eveneens tegen actuele waarde worden berekend.

Bovendien moet, indien verplichtingen tegen actuele waarde worden berekend, het terugverdienbare bedrag van het activum eveneens worden berekend op basis van kasstromen die tegen actuele waarde worden berekend.

§ 4. Waardering tegen actuele waarde maakt de vaststelling van een actualiseringspercentage en informatie over de factoren die van invloed kunnen zijn op het tijdschema en het bedrag van de geraamde kasstromen noodzakelijk.

Bovendien moet het bedrag van de verplichting elk jaar worden herzien en aangepast bij iedere wijziging in de hypothesen.

TITEL IV

Vermelding

HOOFDSTUK 1

Vermelding in het jaarverslag en in het geconsolideerde jaarverslag

Art. 13

De ondernemingen die de in de vorige artikelen vastgelegde regels toepassen, verstrekken de volgende informatie in het jaarverslag of het geconsolideerde jaarverslag :

a) het beleid en de programma's die door de onderneming zijn vastgesteld op het gebied van milieubescherming, met name met het oog op de voorkoming van verontreiniging.

b) de verbeteringen die sinds de invoering van het beleid op belangrijke gebieden van milieubescherming tot stand zijn gebracht.

c) de mate waarin milieubeschermingsmaatregelen, op basis van bestaande wetgeving of als gevolg van toekomstige wijzigingen in wettelijke voorschriften die reeds voor een groot deel zijn vastgesteld, ten uitvoer zijn of worden gelegd;

d) indien passend en van belang voor de aard en omvang van de activiteiten van de onderneming en de typen milieuaangelegenheden die voor de onderneming van belang zijn, informatie over de milieuprestaties van de onderneming, zoals energiegebruik, materiaalgebruik, watergebruik, emissies, afvalverwijdering.

e) wanneer milieuproblemen van wezenlijk belang zijn voor de financiėle resultaten of de financiėle positie van de onderneming of voor de evolutie ervan, een beschrijving van die problemen en van de oplossingen die de onderneming eraan gegeven heeft.

f) indien de onderneming een afzonderlijk milieuverslag uitbrengt dat meer gedetailleerde of aanvullende kwantitatieve of kwalitatieve milieu-informatie bevat, een verwijzing naar dit verslag.

Indien het milieuverslag de in d) genoemde informatie bevat, zou eveneens een beknopte beschrijving van de milieuaangelegenheid en een aanduiding dat nadere informatie terzake in het milieuverslag kan worden gevonden, kunnen worden opgenomen.

Informatie die in een afzonderlijk milieuverslag wordt verstrekt, moet overeenstemmen met eventuele desbetreffende informatie in het jaarverslag en de jaarrekeningen van de onderneming.

Indien het milieuverslag aan een externe verificatieprocedure is onderworpen, dient dit in het jaarverslag te worden vermeld.

Het doel en de reikwijdte van de verslagleggende eenheid dienen bij voorkeur in het jaarverslag en in het afzonderlijke milieuverslag overeen te stemmen.

Is dit niet het geval, dan moeten zij duidelijk in het milieuverslag worden vastgesteld zodat kan worden nagegaan in hoeverre de eenheid overeenkomt met de verslagleggende eenheid van het jaarverslag.

De verslagdatum en -periode van het afzonderlijke milieuverslag moeten dezelfde zijn als die van het jaarverslag.

HOOFDSTUK 2

Vermelding in de balans

Art. 14

De voorzieningen moeten in de balans worden opgenomen onder de post « Overige voorzieningen ».

Indien zij omvangrijk zijn is het passender om milieuverplichtingen afzonderlijk in de balans op te nemen.

Anders dienen zij afzonderlijk in de toelichting te worden gespecificeerd.

HOOFDSTUK 3

Vermelding in de toelichting bij de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening

Art. 15

§ 1. De ondernemingen die de in de vorige artikelen vastgelegde regels toepassen, verstrekken de volgende informatie in de toelichting :

a) beschrijving van de waarderingsmethoden en van de methoden ter berekening van de waardecorrecties die voor milieuaangelegenheden zijn toegepast;

b) buitengewone milieulasten, geboekt op de winst- en verliesrekening;

c) vermelding en details van de post « Overige voorzieningen », indien niet in de balans opgenomen;

d) voorwaardelijke milieuverplichtingen, met voldoende uitvoerige omschrijving zodat de aard van deze mogelijke verplichtingen kan worden beoordeeld.

Indien het als gevolg van aanzienlijke waarderingsonzekerheden, onmogelijk is om het bedrag van een milieuverplichting te schatten, dient deze omstandigheid alsmede de daaraan ten grondslag liggende redenen te worden vermeld evenals, zo mogelijk, de verschillende mogelijke resultaten.

§ 2. Afgezien van de eisen van § 1, wordt de volgende informatie in de toelichting opgenomen :

a) voor elke materiėle milieuverplichting, een beschrijving van de aard ervan en een vermelding van het tijdschema en de voorwaarden van nakoming.

Er dient een verklaring te worden gegeven inzake de schade en inzake de wetgeving of de voorschriften op grond waarvan de schade ongedaan moet worden gemaakt, alsmede inzake de herstel- of preventieve maatregelen die worden genomen of voorgesteld.

De informatie betreffende de verplichtingen waarvan de aard en de voorwaarden voldoende verwant zijn, kunnen samengevoegd worden.

Indien het bedrag van de kosten wordt geraamd op basis van een reeks bedragen, dient te worden beschreven hoe deze raming tot stand is gekomen, waarbij tevens wordt vermeld of er wijzigingen in de wetgeving of in de bestaande technologie worden verwacht die in de aangegeven bedragen tot uiting komen;

b) wanneer de methode van de actuele waarde is gebruikt en het effect van de actualisering groot is, dienen het niet-geactualiseerde bedrag van de verplichting alsmede het toegepaste actualiseringspercentage te worden bekendgemaakt;

c) het waarderingsbeleid van de onderneming in geval van kosten voor terreinherstel op lange termijn en kosten voor buitenbedrijfstelling en ontmanteling.

Wanneer de geleidelijke opbouw van een voorziening wordt gebruikt overeenkomstig artikel 11, § 3, het bedrag van de volledige voorziening dat nodig is om alle dergelijke kosten op lange termijn te dekken.

Ook moeten de bepalingen onder d) en e) hieronder met betrekking tot de vermelding van milieu-uitgaven die op de winst- en verliesrekening zijn geboekt en geactiveerde milieu-uitgaven in aanmerking worden genomen;

d) het bedrag van de milieu-uitgaven dat op de winst- en verliesrekening is geboekt en de grondslag op basis waarvan dergelijke bedragen worden berekend.

Tevens dient een gedetailleerde splitsing van de posten die de onderneming als milieu-uitgaven heeft aangemerkt, te worden gemaakt op een wijze die overeenkomt met de aard en omvang van de bedrijfsactiviteiten van de onderneming en de typen milieuaangelegenheden die voor de onderneming van belang zijn;

e) voorzover hiervan een betrouwbare schatting kan worden gemaakt, het bedrag van milieu-uitgaven dat gedurende de verslagperiode is geactiveerd.

Ook dient in voorkomend geval te worden vermeld welk gedeelte van het betrokken bedrag betrekking heeft op uitgaven voor het verwijderen van verontreiniging na het veroorzaken hiervan, en welk deel de aanvullende uitgaven vertegenwoordigt voor de aanpassing van de installatie of het productieproces teneinde minder verontreiniging te veroorzaken.

f) indien van enige betekenis, dienen kosten als gevolg van boeten en straffen voor niet-tenuitvoerlegging van milieuvoorschriften en aan derden betaalde vergoedingen afzonderlijk te worden vermeld, indien deze niet reeds afzonderlijk zijn opgenomen als buitengewone posten;

g) stimuleringsmaatregelen van de overheid in verband met milieubescherming die de onderneming heeft ontvangen of waarop zij recht heeft.

De voorwaarden van elk van de betrokken maatregelen en de toegepaste boekhoudkundige behandeling dienen ook te worden aangegeven.

TITEL V

Uitvoering en inwerkingtreding

Art. 16

De Koning bepaalt bij een in de Ministerraad overlegd besluit de nadere regels voor de uitvoering van de verplichtingen die uit deze wet voortvloeien.

Art. 17

Deze wet treedt in werking op 1 januari 2008.

12 juli 2007.

Philippe MAHOUX.