3-2426/1

3-2426/1

Belgische Senaat

ZITTING 2006-2007

26 APRIL 2007


Wetsvoorstel tot hervorming van het hof van assisen

(Ingediend door de heer Philippe Mahoux)


TOELICHTING


De « Commissie tot hervorming van het hof van assisen » werd in november 2004 ingesteld door de vice-eersteminister en minister van Justitie, Laurette ONKELINX, teneinde te reflecteren over de relevantie en de kwaliteit van de huidige assisenprocedure en om in voorkomend geval hervormingsvoorstellen te formuleren. De opdracht die de minister de Commissie gaf, bestond erin om zonder a priori's te onderzoeken welke de meest adequate procedure is voor de berechting van misdaden.

Na de indiening van het tussentijds verslag van 8 maart 2005, waarin de Commissie twee mogelijke fundamentele keuzes uiteenzet — enerzijds een voorstel om het hof van assisen in zijn huidige vorm af te schaffen en te vervangen door een vernieuwend alternatief in de vorm van « lekenrechters », anderzijds een modernisering van het hof van assisen — werd de Commissie er bij het koninklijk besluit van 20 juli 2005 mee belast een voorontwerp van wet en een memorie van toelichting over de tweede optie uit te werken. Op 8 november heeft de Commissie een tweede tussentijds verslag ingediend, waarin aan de minister van Justitie alle voorstellen alsook de belangrijkste grondslagen en motieven werden meegedeeld.

Dit wetsontwerp is gebaseerd op het eindverslag van de « Commissie tot hervorming van het hof van assisen », dat op 23 december 2005 aan de minister van Justitie werd overhandigd. Dit verslag biedt een overzicht van alle werkzaamheden van de Commissie en strekt er tevens toe de informatie aan te vullen en de discussie over de hervorming van het hof van assisen te stofferen.

Wat de samenstelling van het hof van assisen betreft, stelt deze tekst voor de 2 assessoren die de voorzitter bijstaan, af te schaffen. Hun bijdrage is immers vrij beperkt en staat niet in verhouding tot de kostprijs voor de rechterlijke organisatie, met name wat betreft de hulp bij het oplossen van juridische vragen of de deelname aan het beraad over de strafmaat.

Wat de samenstelling van de jury betreft, stellen wij voor het aantal gezworenen terug te brengen van 12 naar 8. Het lijkt immers raadzaam om een « beheersbare » groep te hebben, waar iedereen zich kan uitspreken, waar discussie mogelijk is en er toch een voldoende aantal personen is om een comfortabele meerderheid tot stand te brengen. Dit voorstel is bovendien gekoppeld aan de vermindering van het aantal beroepsrechters.

Wat de leeftijd van de gezworenen betreft, wordt voorgesteld om de leeftijdsgroep uit te breiden, waarbij ze niet meer op de categorie van 30 tot 60 jaar, maar op de categorie van 25 tot 65 jaar wordt vastgesteld. Dit biedt tegelijk de garantie dat de gezworenen een zekere levenservaring hebben (niet jonger dan 25 jaar), waarbij de maximumgrens is aangepast aan de huidige levensomstandigheden en met name de toename van de levensverwachting.

Wat de wraking betreft, wordt voorgesteld om de mogelijkheid voor de beschuldigde en het parket om gezworenen te wraken zonder motieven te moeten aangeven, af te schaffen. Hierdoor kan immers een einde worden gemaakt aan de ongewenste effecten van dit mechanisme (berekening van de partijen; discriminatie, ...). Ter herinnering : de wettelijke wrakingsgronden blijven daarentegen wel van toepassing.

Wat de seksuele pariteit betreft, is de indiener van dit voorstel van mening dat er geen regel inzake seksuele pariteit dient te worden ingevoerd voor de samenstelling van de jury. Volgens de Commissie zal een dergelijke regel de werking van het gerechtelijke apparaat niet verbeteren. Bovendien verduidelijkt ze dat de regels voor de samenstelling van de jury's de mogelijkheid bieden de gelijke toegang van alle burgers tot de assisenjury op de ruimste en meest volledige wijze te garanderen.

De indiener van dit wetsvoorstel stelt voor een dubbel beraad te behouden, dat wil zeggen eerst over de schuldvraag en vervolgens over de strafmaat. Dat zal immers de duidelijkheid van de debatten ten goede komen

Bij het beraad over de schuldvraag neemt de voorzitter aan de beraadslaging deel, maar zonder stemrecht. Maar wanneer de stemming over de schuldvraag als resultaat vijf stemmen tegen drie heeft, volgt er een nieuw beraad met de voorzitter; indien hij zich aansluit bij het voorstel tot vrijspraak, zal de beschuldigde worden vrijgesproken (omzetting van de huidige regel bij « 7/5 »-stemming).

Dankzij de aanwezigheid van de voorzitter kan men de jury de vereiste technische en juridische bijstand verlenen, terwijl de samenstelling van de jury (8 leden) en van het hof (1 rechter) het overwicht van de volksjury waarborgt. Het beraad over de strafmaat wordt niet gewijzigd ten opzichte van de huidige regeling.

Wat de motivering van de arresten betreft, neemt de indiener van dit voorstel als uitgangspunt dat de arresten van de hoven van assisen gemotiveerd moeten worden. Die vereiste vloeit voort uit het recht op een eerlijk proces en op de noodzaak van een transparante en begrijpelijke rechtsbedeling.

Alle beslissingen, van veroordeling of van vrijspraak, moeten worden gemotiveerd. De motivering moet het mogelijk maken de grondslagen van een beslissing voldoende duidelijk te begrijpen, zodat men met gunstig gevolg in beroep kan gaan. Er zal evenwel niet worden geëist dat het hof van assisen op alle conclusies van de partijen antwoordt : de motivering moet zich beperken tot de uitleg van de motivering waarop de beslissing gebaseerd is. Het opstellen van die motivering moet in handen van de voorzitter van het hof worden gegeven, die ze vervolgens ter goedkeuring aan de jury voorlegt.

Dit voorstel gaat ervan uit dat er een rechtsmiddel moet openstaan tegen de arresten van het hof van assisen. Een beroep met volle rechtsmacht hoeft er niet te komen. Voorgesteld wordt dit in te voeren voor het Hof van Cassatie. Het gaat om een specifiek rechtsmiddel dat ruimer is dan een klassieke voorziening in cassatie. Het Hof van Cassatie moet toezien op het bestaan van een duidelijke en samenhangende alsook een wettige motivering, alsook op de naleving van de regels inzake de toelaatbaarheid van de bewijsmiddelen.

Tegen alle arresten, zowel veroordeling als vrijspraak staat beroep open. Dat geldt zowel voor de beklaagde als voor het openbaar ministerie. De burgerlijke partij kan alleen optreden op de burgerlijke vordering.

Wat de bevoegdheid van het hof van assisen betreft is de indiener van oordeel dat de huidige regeling moet vervallen : er moet een einde komen aan de stelselmatige toepassing van de correctionalisering. Hij meent evenwel dat de huidige bevoegdheid van het hof van assisen niet verruimd behoort te worden.

De Commissie stelt bijgevolg voor een positieve en beperkende lijst van misdrijven goed te keuren waarvoor het hof van assisen bevoegd is en een aantal regels in te voeren om misdaden te beoordelen die niet in de lijst vermeld staan.

Daar komt nog bij dat de indiener voorstelt een positieve lijst van misdrijven op te stellen die de bevoegdheid van het hof van assisen duidelijk omschrijft om tot eenvormigheid en gelijkheid te komen. Het beginsel bestaat erin het hof van assisen bevoegd te maken voor misdrijven die de wet straft met levenslange opsluiting.

Daarbij komen nog de misdrijven waarop een gevangenisstraf van 30 jaar staat in zover het slachtoffer is overleden en de dader het oogmerk had te doden. Daarbij komen ook nog een aantal andere misdrijven wanneer er sprake is van « manslag » los van de vraag wat het oogmerk van de dader was. Dat criterium wordt vervangen door dat van de uitzonderlijke wreedheid bij de modus operandi.

Ten slotte worden er een aantal misdrijven bijgevoegd wegens hun politieke aard.

Te noteren is evenwel dat de poging tot die misdrijven voortaan niet meer behoort tot de bevoegdheid van het hof van assisen aangezien de poging met een lagere straf wordt gestraft dan de misdrijven zelf. De goedkeuring van een dergelijke positieve lijst vraagt uiteraard om een aantal aanpassingen. Zo moet de Grondwet worden gewijzigd aangezien die de misdrijven vermeldt waarvoor de volksjury kan optreden (artikel 150).

Wat betreft de regels inzake correctionalisering en verzachtende omstandigheden zullen alle misdaden die niet in de lijst zijn opgenomen gaan voortaan behoren tot de bevoegdheid van de correctionele rechtbank. Dat rechtscollege kan in de toekomst criminele straffen uitspreken. Overigens behoort er een eind te komen aan de techniek van de correctionalisering.

De indiener van dit wetsvoorstel wil eveneens het statuut van het slachtoffer verbeteren. De Commissie heeft in haar rapport een hele reeks maatregelen voorgesteld die geen wetswijzigingen verwachten. Daar staat tegenover dat zij wel nieuwe budgettaire middelen nodig hebben. Zo is de Commissie bijvoorbeeld voorstander van een systematisering en een verruiming van de slachtofferhulp en de erkenning van de plaats van het slachtoffer in het proces.

Ten slotte stelt de indiener voor de procedure te verlichten en te actualiseren.

ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING

Hoofdstuk I

Algemene bepaling

Artikel 1

Dit artikel bepaalt de constitutionele bevoegdheidsgrondslag.

Hoofdstuk II

Bepalingen tot wijziging van het Strafwetboek

Artikel 2

Tengevolge van de voorgestelde nieuwe bevoegdheidstoebedeling aan de hoven van assisen op basis van een positieve lijst van misdrijven zullen de correctionele rechtbanken ook criminele straffen kunnen uitspreken. Dit heeft ook zijn gevolgen ten aanzien van de mogelijkheid tot afzettingen die door de correctionele rechtbanken zullen kunnen worden uitgesproken. Het artikel 19 van het Strafwetboek wordt in die zin aangepast.

Artikel 3

Het voorstel maakt een einde aan het systeem van de systematische correctionalisatie en bepaalt de bevoegdheid van de hoven van assisen op basis van een positieve lijst van misdrijven. Tengevolge van deze nieuwe bevoegdheidstoebedeling aan de hoven van assisen zullen ook de correctionele rechtbanken criminele straffen kunnen uitspreken.

De tweede zin van het eerste lid van artikel 25 van het Strafwetboek komt aldus te vervallen.

Artikel 4

Tengevolge van de voorgestelde nieuwe bevoegdheidstoebedeling aan de hoven van assisen op basis van een positieve lijst van misdrijven zullen ook de correctionele rechtbanken criminele straffen kunnen uitspreken zodanig dat zij ook in de mogelijkheid moeten worden gesteld om ontzettingen uit te spreken.

Het eerste lid van artikel 31 van het Strafwetboek wordt in die zin aangepast.

Artikel 5

Overeenkomstig hetgeen gesteld onder artikel 4 van het voorstel, moet ook het artikel 32 van het Strafwetboek in die zin worden aangepast.

Artikel 6

De voor de hoven van assisen specifieke figuur van weerspannigheid aan de wet werd opgeheven bij de wet van 30 juni 2000.

De niet-opheffing van het tweede lid van artikel 99 van het Strafwetboek is een vergetelheid geweest die door dit ontwerp wordt gecorrigeerd.

Hoofsdtuk III

Bepalingen tot wijziging van de wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van strafvordering

Artikel 7

Het voorstel maakt een einde aan het systeem van de systematische correctionalisatie en bepaalt de bevoegdheid van de hoven van assisen op basis van een positieve lijst van misdrijven. Gezien de wet van 4 oktober 1867 grotendeels wordt opgeheven door het ontwerp, moet in het kader van het door het ontwerp nieuw geïntroduceerd systeem hier worden verwezen naar het artikel 217 van het Wetboek van strafvordering dat de positieve lijst van de tot de bevoegdheid van de hoven van assisen omvat.

Hoofdstuk IV

Bepalingen tot wijziging van het Wetboek van strafvordering

Artikel 8

Zoals reeds in het algemeen deel van de toelichting wordt geëxpliciteerd, moet een bijzonder belang worden gehecht aan enerzijds het persoonlijkheidsdossier en dit in het bijzonder met het oog op het opstellen van de lijst van de getuigen op de preliminaire zitting en anderzijds aan het psychiatrisch of psychologisch onderzoek.

Het is hierbij van belang dat de opdracht tot het uitvoeren van deze onderzoeken reeds in een vroeg stadium van het onderzoek kan worden gegeven. Vandaar dat een nieuw artikel 62quater wordt ingevoegd in het Wetboek van strafvordering dat het mogelijk maakt dat de onderzoeksrechter ten gepaste tijde deze opdrachten geeft.

In het bijzonder wordt er gewezen op het feit dat de wettekst hier expliciet het woord « misdaad » gebruikt; het moet dus duidelijk zijn dat dit artikel niet geldt ten aanzien van persdelicten.

De doelstellingen, methodieken en mogelijke inhoud van deze onderzoeken worden reeds uitvoerig besproken in het algemeen deel van de toelichting, meer bepaald in de Titel VII. Verlichting en modernisering van de procedure zodat voor het overige naar daar kan worden verwezen.

Artikel 9

De wijziging van het artikel 127 van het Wetboek van strafvordering kadert in de verlichting en modernisering van de procedure. Vanuit dit oogpunt stelt het ontwerp voor — zie hiertoe de zeer uitgebreide bespreking in het algemeen deel van de toelichting, onder het Titel VII 7. Verlichting en modernisering van de procedure — om de dubbele beoordeling in de onderzoeksfase te schrappen voor de feiten die behoren tot de bevoegdheid van het hof van assisen.

Indien de procureur des Konings van oordeel is dat het voorliggend feit niet behoort tot de bevoegdheid van het hof van assisen, blijft de huidige procedure van toepassing. Het tweede lid van artikel 127, § 1, werd in die zin gewijzigd.

Artikel 10

Gezien de voorgestelde nieuwe bevoegdheidstoebedeling aan de hoven van assisen en de correctionele rechtbanken, moet het artikel 130 van het Wetboek van strafvordering in die zin worden aangepast.

Artikel 11

Het kan voorkomen dat de procureur des Konings van oordeel was dat het feit niet behoort tot de bevoegdheid van het hof van assisen, doch dat de raadkamer dit standpunt niet volgt. Alsdan moet toepassing worden gemaakt van het mechanisme van artikel 133 van het Wetboek van strafvordering waarvan de formulering is aangepast.

Artikel 12

Dit artikel beoogt de Franse en de Nederlandse versie van dit artikel in overeenstemming te brengen.

Dit artikel beoogt uit te drukken dat, onder de bevoegdheden van de andere rechtscolleges, er reden is om eveneens te verwijzen naar de bevoegdheden van het hof van assisen.

Artikel 13

Dit artikel beoogt het opschrift van de Titel II van Boek II van het Wetboek van strafvordering te wijzigen.

Artikel 14

Dit artikel beoogt het Hoofdstuk I van Titel II van het Wetboek van strafvordering te hervormen. Dit Hoofdstuk zal de bevoegdheid van de hoven van assisen omschrijven.

Het past hier ter zake een opmerking van algemene aard te formuleren inzake het nut van de verplaatsing van een aantal artikelen. De Titel inzake het hof van assisen wordt volledig herschikt, nieuwe titels worden ingevoegd en verschillende artikelen veranderen van plaats. Al deze wijzigingen hebben tot doel de artikelen inzake het hof van assisen in een logische en chronologische volgorde op elkaar te laten volgen zodat als het ware het scenario van het verloop van de assisenprocedure ook visueel wordt gerealiseerd.

Het hervormde Hoofdstuk I zal het artikel 217 van het voorstel omvatten.

Dit artikel omvat de positieve en limitatieve lijst van misdrijven die behoren tot de bevoegdheid van de hoven van assisen. De wijze waarop deze lijst tot stand is gekomen en de achterliggende ratio daarvan worden zeer uitgebreid weergeven in het algemeen deel van de toelichting en dit onder de Titel VI inzake de bevoegdheid. Het punt 3º is zodanig geformuleerd om uiting te geven aan het basiscriterium, zie hiervoor eveneens Titel VI van het algemeen deel van de memorie.

Bijzondere aandacht moet worden besteed aan het laatste lid van dit artikel. Zoals de Commissie aangeeft is het niet ondenkbaar dat er een risico bestaat dat er zich problemen voordoen om een jury samen te stellen ingeval er over terroristische misdrijven moet worden geoordeeld. Er moet rekening worden gehouden met het risico dat er een reële dreiging of druk bestaat in deze gevallen. In het ontwerp wordt dan ook een voorbehoud ingeschreven. Indien de voorzitter, na ten minste twee pogingen om een jury samen te stellen, vaststelt dat er een onmogelijkheid is om een jury samen te stellen, zullen deze feiten worden berecht door het hof van beroep.

Het begrip « twee pogingen » betekent dat de voorzitter na de 32 kandidaten te hebben opgeroepen in eerste instantie vaststelt dat het onmogelijk is de jury samen te stellen. Vervolgens dient opnieuw overgegaan tot de oproeping van 32 nieuwe kandidaat juryleden teneinde nogmaals te trachten de jury samen te stellen. Indien hij dit wenst kan dit nog herhaald worden, doch wanneer klaarblijkelijk de jury onmogelijk kan samengesteld worden in de context van de aan de orde zijnde terroristische misdrijven, moet kunnen worden teruggevallen op de procedure voor de beroepsrechters.

Artikel 15

Dit artikel beoogt een hervorming van het Hoofdstuk II, Titel II van het Wetboek van strafvordering dat wordt hergeformuleerd.

Artikel 16

Het voorgestelde artikel 218 beoogt het voorstel om de opheffing van de dubbele beoordeling in de onderzoeksfase te concretiseren.

Het artikel regelt de wijze waarop de zaken, waarvoor de procureur des Konings van oordeel is dat ze tot de bevoegdheid van het hof van assisen behoren, voor de kamer van inbeschuldigingstelling kunnen worden gebracht en op welke wijze aldus moet worden gehandeld.

In tegenstelling tot voor de raadkamer bestaat voor de kamer van inbeschuldigingstelling geen verplicht verslag van de onderzoeksrechter. De rechtspraak aanvaardde echter reeds dat de wanneer kamer van inbeschuldigingsstelling dit nuttig acht, zij de onderzoeksrechter kan horen in aanwezigheid van de partijen (zie hiertoe bijvoorbeeld Cass. 25 augustus 1992, Cass. 5 juni 1996, en Cass. 25 september 2002). In het artikel van het voorstel wordt deze rechtspraak bevestigd daar uitdrukkelijk wordt bepaald dat de kamer van inbeschuldigingstelling kan beslissen de onderzoeksrechter te horen in aanwezigheid van de partijen, wanneer zij dit nuttig acht.

Artikel 17

Dit artikel beoogt een taalkundige wijziging teneinde elke verwarring te voorkomen.

Artikel 18

Dit artikel beoogt de Franse en de Nederlandse versie van dit artikel in overeenstemming te brengen.

Artikel 19

Net zoals het artikel 17 van het voorstel beoogt dit artikel een taalkundige wijziging teneinde elke verwarring te voorkomen.

Artikel 20

Dit artikel beoogt vooreerst een taalkundige verbetering door het eerste lid van het vroegere artikel 229 te herformuleren.

Het tweede lid van het vroegere 229 wordt opgeheven. De Commissie is immers van oordeel dat de mogelijkheid tot het verlenen van een beschikking tot gevangenneming te verlenen enkel nog moet toekomen aan de kamer van inbeschuldigingstelling. Ingeval de raadkamer dus overeenkomstig artikel 133 de stukken doorstuurt, neemt zij geen beschikking tot gevangenneming meer zodat het gewone regime van de voorlopige hechtenis voortduurt en dit tot en met de uitspraak van de kamer van inbeschuldigingstelling (driemaandelijksecontrole).

Artikel 21

Het 1º en het 2º beogen een taalkundige verbetering van de tekst van dit artikel.

Het 3º schrapt het tweede lid van dit artikel. Deze materie wordt immers geregeld door de wet van 20 juni 1990 betreffende de voorlopige hechtenis.

Artikel 22

Gezien de door het ontwerp voorgestelde invoering van een positieve en limitatieve lijst van misdrijven behorend tot de bevoegdheid van de hoven van assisen, moet het eerste lid van artikel 231 van het voorstel worden geherformuleerd.

Het tweede en derde lid van het huidige artikel 231 worden opgeheven. Deze materie wordt immers geregeld door de wet van 20 juni 1990 betreffende de voorlopige hechtenis.

Artikel 23

Dit artikel beoogt het huidige artikel 233 te herformuleren om duidelijk te stellen dat de beschikking tot gevangenneming moet worden gegeven in overeenstemming met de desbetreffende bepaling van de wet betreffende de voorlopige hechtenis, met name het artikel 26, § 5.

Artikel 24

Dit artikel beoogt de opheffing van een vormvereiste die overdreven wordt geacht. Het volstaat dat de arresten worden ondertekend door de rechters die ze hebben gewezen en dat hun naam wordt vermeld.

Artikel 25

Dit artikel beoogt een taalkundige wijziging teneinde elke verwarring te voorkomen.

Artikel 26

Gezien de herformulering van het huidige artikel 218 van het Wetboek van strafvordering, was het nodig dit artikel te herformuleren.

Artikel 27

Dit artikel beoogt een taalkundige verbetering in de Nederlandse versie van de tekst.

Artikel 28

Dit artikel herneemt het huidige artikel 296 dat aldus wordt verplaatst.

Het huidige artikel 241 wordt eveneens verplaatst en wordt het artikel 297 van het voorstel, dat wordt ingevoegd door het artikel 31 van het ontwerp.

Artikel 29

Dit artikel herneemt het huidige artikel 297 dat aldus wordt verplaatst.

Artikel 30

Dit artikel voegt een nieuw hoofdstuk III in, in de Titel II, Boek II van het Wetboek van strafvordering, dat artikel 291 zal omvatten en dat getiteld is « Voorziening tegen het verwijzingsarrest ».

Het voorgestelde artikel 291 herneemt mutatis mutandis de artikelen 292, 292bis en 292ter. Het artikel 291 wordt niet hernomen. In het ontwerp wordt immers voorgesteld om de cassatietermijn te laten beginnen lopen vanaf de uitspraak van het arrest, zoals dit principieel het geval is voor arresten die op tegenspraak gewezen worden. Dit is trouwens ook het geval voor de arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling in correctionele zaken. Als de cassatietermijn pas begint te lopen vanaf het ogenblik van de betekening kan dit leiden tot een nutteloos tijdverlies.

Artikel 31

Dit artikel vervangt het huidige hoofdstuk V, Titel II, Boek II, van het Wetboek van strafvordering dat de titel « Procedure voorafgaand aan de zitting ten gronde », krijgt en de artikelen 292 tot 299 zal omvatten.

Dit hoofdstuk omvat 2 afdelingen die achtereenvolgens de ambtsverrichtingen van de voorzitter en de ambtsverrichtingen van de procureur-generaal beschrijven die zij moeten verrichten voor de terechtzitting ten gronde.

Wat betreft de eerste afdeling, die handelt over de ambtsverrichtingen van de voorzitter, herneemt het artikel 292 van het voorstel mutatis mutandis het eerste lid van het huidige artikel 293. Er wordt op gewezen dat door het invoeren van de figuur van de preliminaire zitting met zijn specifieke finaliteit, het nodig is het tijdstip waarop de beschuldigde een advocaat moet hebben, te vervroegen. De beschuldigde moet in elk geval de bijstand van een advocaat krijgen vanaf de afsluiting van het gerechtelijk onderzoek.

Het tweede en derde lid van het huidige artikel 293 werd niet weerhouden. De in het derde lid omschreven facultatieve voorbereidende ondervraging door de voorzitter werd geschrapt daar er geen tegensprekelijkheid is voorzien en de beschuldigde niet kan worden bijgestaan door zijn raadsman. Door het invoeren van de preliminaire zitting voorziet het ontwerp een eerste contact tussen de voorzitter en de beschuldigde voor de debatten ten gronde, met dit verschil dat de preliminaire zitting wel op contradictoire wijze is georganiseerd en de beschuldigde daar kan worden bijgestaan door zijn raadsman.

Bovendien mag ook niet uit het oog worden verloren dat door het ontwerp het gemengd beraad wordt voorgesteld vanaf de beraadslaging over de schuld. Het is dan ook raadzaam om dergelijk voorafgaand contact tussen de voorzitter op een niet contradictoire wijze en zonder bijstand van de raadsman niet te weerhouden.

Artikel 293 van het voorstel herneemt het huidige artikel 307 van het Wetboek van strafvordering.

Artikel 294 van het voorstel herneemt het huidige artikel 308 van het Wetboek van strafvordering.

De tweede afdeling die de ambtsverrichtingen van de procureur-generaal beschrijft, omvat de artikelen 295 tot 299 van het voorstel.

Artikel 295 van het voorstel herneemt het huidige artikel 271 van het Wetboek van strafvordering.

Artikel 296 van het voorstel herneemt het huidige artikel 272 van het Wetboek van strafvordering.

Artikel 297 van het voorstel herneemt het huidige artikel 241 van het Wetboek van strafvordering. De laatste alinea van dit artikel werd echter niet hernomen. De akte van beschuldiging is immers reeds op zich een samenvatting van de zaak en het is dus overbodig te vereisen dat een samenvatting eindigt met een nieuwe samenvatting.

Artikel 298 van het voorstel herneemt het huidige artikel 274 van het Wetboek van strafvordering.

Artikel 299 van het voorstel herneemt de huidige artikelen 275, 276, 277, 278 en 265 van het Wetboek van strafvordering.

Artikel 32

Het Hoofdstuk V van Boek II, Titel II, wordt vervangen door een hoofdstuk onder het opschrift « Rechtspleging voor het hof van assisen », dat de artikelen 300 tot 365 zal omvatten.

De eerste afdeling van dit hoofdstuk omvat de artikelen 300 tot 304 en beschrijft de doelstellingen en het verloop van de preliminaire zitting.

In deze artikelen wordt een formeel kader geschapen voor de aan assisenprocessen in sommige rechtsgebieden voorafgaande informele vergaderingen.

Voor een uitvoerige toelichting van de huidige toestand en de door het ontwerp voorgestelde hervormingen die worden weergegeven in de artikelen 300 tot en met 304 van het voorstel, wordt verwezen naar het algemeen deel van deze memorie en meer bepaald naar de Titel VII. Verlichting en modernisering van de procedure, punt A dat de afsluiting van het onderzoek betreft.

Aangezien de preliminaire zitting een eigenlijke terechtzitting is, is deze openbaar, onder voorbehoud van de toepassing van artikel 190, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering.

De preliminaire zitting beoogt drie doelstellingen die worden beschreven in het artikel 300 van het voorstel :

1) Het afhandelen van de procedurekwesties;

2) Het aanvullend onderzoek;

3) Het opstellen van de lijst van getuigen.

De partijen worden bij dagvaarding opgeroepen voor deze zitting. Ter gelegenheid van deze dagvaarding worden tevens het arrest van verwijzing en de akte van beschuldiging betekend. Dit alles kan gebeuren in één exploot.

De betekening van deze documenten moet gebeuren zowel aan de beschuldigde als aan de burgerlijke partij. In de huidige regeling wordt enkel het arrest van verwijzing betekend aan de burgerlijke partij en niet de akte van beschuldiging. Dit kadert in de verbetering van de positie van het slachtoffer, zie hiervoor eveneens Titel VIII. Verbetering van de positie van het slachtoffer van het algemeen deel van de memorie.

Tot slot wordt opgemerkt dat de termijn van dagvaarding voor de preliminaire zitting, net zoals voor de zitting ten gronde, vijftien dagen bedraagt. De huidige termijn van dagvaarding na afsluiten van het onderzoek, dit is twee maanden, is te lang gezien in het ontwerp het hof van assisen een permanent hof wordt.

Het artikel 301, van het voorstel, is nieuw en betreft de verschijning van de partijen op de preliminaire zitting.

Het artikel 302, van het voorstel, herneemt mutatis mutandis het huidige artikel 312bis. In het algemeen deel van de toelichting wordt uitvoerig de keuze voor het afhandelen van de procedurekwesties vóór de zitting ten gronde en in afwezigheid van de jury toegelicht.

Artikel 303, van het voorstel, betreft de tweede doelstelling van de preliminaire zitting, met name de aanvullende onderzoeksdaden. Het huidige artikel 298 wordt hernomen met de precisering in het eerste lid dat de voorzitter kan beslissen over de uitvoering van onderzoeksdaden ambtshalve of op verzoek van één van de partijen. De plaats van artikel 303 van het voorstel geeft duidelijk aan dat het ontwerp de discretionaire bevoegdheid van de voorzitter om aanvullend onderzoek te doen vóór de zitting, schrapt. Zoals in het algemeen deel van de memorie gedetailleerd wordt uitgelegd, staat deze bevoegdheid voor de voorzitter zoals bepaald in het huidige artikel 298 op gespannen voet met de vereisten van onpartijdigheid en het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag van de rechten van de mens.

Artikel 304 van het voorstel betreft de samenstelling van de lijst van getuigen, de derde doelstelling van de preliminaire zitting. Het artikel is in grote mate nieuw, met uitzondering van de § 3 die het huidige artikel 315 herneemt.

Aan de partijen wordt vóór de preliminaire zitting gevraagd een lijst op te stellen met de gegevens van de de getuigen die zij willen horen. De preliminaire zitting heeft tot doel te komen tot een akkoord met betrekking tot de op te roepen getuigen. Aldus zou kunnen worden afgezien van de getuigen waarover geen enkele betwisting bestaat.

Het ontwerp maakt een onderscheid tussen de getuigen betreffende de feiten en de schuld enerzijds en de moraliteitsgetuigen anderzijds.

Het ontwerp deelt de voorzitter van het hof van assisen — met betrekking tot de getuigen die niet als loutere moraliteitsgetuigen te beschouwen zijn -een marginaal toetsingsrecht toe houdende de mogelijkheid tot weigering van getuigen op basis van het criterium dat de getuigen kennelijk geen uitstaans hebben met de feiten die beschuldigde worden ten laste gelegd en met diens schuld of onschuld desbetreffende.

Wat betreft de moraliteitsgetuigen lijkt het onmogelijk om een sluitend kwalitatief criterium voorop te stellen teneinde een precieze aflijning mogelijk te maken. Nochtans moet het ook hier verantwoord geacht worden om terzake een beperking te laten gelden, mede gelet op het vooropgestelde grondig moraliteitsonderzoek dat in de loop van de onderzoeksfase is opgesteld en dat door de verantwoordelijke ter zitting volledig kan worden toegelicht.

In dit opzicht stelt de Commissie voor om als beginsel een kwantitatieve beperking op te leggen — met name vijf moraliteitsgetuigen — met dien verstande dat de voorzitter een groter aantal moraliteitsgetuigen kan toestaan, wanneer hij dit in de concrete omstandigheden van de zaak passend acht. Boven deze grens van vijf kan de voorzitter oordelen of de verzochte getuigen een toegevoegde waarde kunnen bieden, in voorkomend geval in het licht van de conclusies van partijen ter zake. Voor het overige wordt verwezen naar het algemeen deel van deze memorie waar deze kwestie onder de Titel VII « Verlichting en modernisering van de procedure » uitgebreid wordt besproken.

De tweede afdeling van deze titel betreft de zitting ten gronde.

Een eerste onderafdeling betreft de algemene bepalingen die van toepassing zijn op de zitting ten gronde en omvat de artikelen 305 en 306.

Het eerste lid van artikel 305 van het voorstel is nieuw. De leden twee en drie zijn hernomen uit het huidige artikel 310. Het laatste lid herneemt het huidige artikel 353, mits toevoeging van de verwijzing naar de burgerlijke partijen.

Artikel 306 van het voorstel is nieuw en betreft de registratie van de debatten. De registratie van de debatten moet worden gekaderd in de door het ontwerp geformuleerde voorstellen inzake de motivering van de schuldvraag en het rechtsmiddel. Immers, het invoeren van een motiveringsverplichting impliceert een ruimere toetsingsmogeljikheid voor het Hof van Cassatie dan thans het geval is, met name stelt het ontwerp voor dat een beperkte controle kan worden uitgeoefend over de beoordeling van de getuigenverklaringen door het hof van assisen. Gezien echter de oraliteit van de debatten voor het hof van assisen is een registratie ervan onvermijdelijk. Onder de Titel V. « Rechtmiddel » van het algemeen deel van deze toelichting worden de concrete invulling van de opname en het gebruik ervan uitvoerig beschreven.

In de tweede onderafdeling, die de artikelen 307 tot en met 309 omvat, worden de ambtsverrichtingen van de voorzitter weergegeven. Ter zake verandert het ontwerp weinig aan de huidige toestand.

Artikel 307, § 1, van het voorstel herneemt in grote mate het huidige artikel 267. Het eerste lid van § 2 is nieuw. De beladen notie « discretionaire macht » van het huidige artikel 268 wordt geschrapt en vervangen door een alternatieve formulering die het initiatiefrecht van de voorzitter, ten laste en ten ontlaste, duidelijk stelt.

Het tweede en derde lid van § 2 zijn hernomen van het huidige artikel 269. Het laatste lid van deze paragraaf is hernomen van het huidige artikel 270.

Artikel 308 van het voorstel herneemt het artikel huidige artikel 332.

Artikel 309 van het voorstel herneemt het huidige artikel 333.

In onderafdeling 3 worden de ambtsverrichtingen van de procureur-generaal weergegeven.

Artikel 310 herneemt het huidige artikel 273.

De onderafdeling 4 betreft de oproeping en verschijning van de partijen.

Artikel 311, van het voorstel, herneemt de huidige artikelen 294 en 295 in een aan het ontwerp aangepaste vorm. De drie volgende documenten worden in één exploot betekend : het arrest van de preliminaire zitting, de dagvaarding om te verschijnen op de zitting bestemd voor de samenstelling van de jury en de dagvaarding om te verschijnen op de zitting ten gronde.

Artikel 312 herneemt het huidige artikel 381 en beoogt het niet-verschijnen van de beschuldigde en het feit dat hij niet vertegenwoordigd is door een advocaat.

Onderafdeling 5 met betrekking tot de opleiding van de vonnisjury herneemt de huidige artikelen 242 tot 253 van het Gerechtelijk Wetboek, die verplaatst werden naar het Wetboek van strafvordering en die werden aangepast.

Artikel 313 herneemt meer specifiek gedeeltelijk de artikelen 242 tot 244 van het Gerechtelijk Wetboek.

De samenstelling van de jury zoals voorgesteld door het ontwerp moet worden beschouwd vanuit het feit dat het ontwerp de mogelijkheid van de louter discretionaire wraking afschaft. De redenen van deze afschaffing worden uitgebreid besproken onder hoofdstuk 5 van de Titel II. « Samenstelling van de jury » van het algemeen deel van de memorie.

Het eerste lid van artikel 313 van het voorstel wordt aangepast gelet op de voorafgaande samenstelling van de jury. De concrete modaliteiten hiervan komen uitvoerig aan bod in het algemeen deel van de memorie van toelichting, meer bepaald in Titel II. Samenstelling van de jury.

Het tweede lid van artikel 313 van het voorstel wordt aangepast aan de uitbreiding van de wettelijke voorwaarden in artikel 217 van het gerechtelijk Wetboek.

Het derde lid van artikel 313 van het voorstel wordt aangepast gelet op de afschaffing van het onderscheid tussen de werkende en de toegevoegde gezworenen.

Het vierde lid van artikel 313 van het voorstel voorziet dat de voorzitter opgeroepen gezworenen die de volle leeftijd van 65 jaar hebben bereikt, kan ontslaan als zij daarom vragen. Rekening houdend met het feit dat de lijsten van mogelijke gezworenen éénmaal om de vier jaar worden opgesteld, betekent dit dat een persoon tot en met de leeftijd van 69 jaar deel kan uitmaken van een jury, indien hij of zij dit wenst.

Het vijfde lid van artikel 313 van het voorstel dat de voorzitter de mogelijkheid geeft om personen te ontslaan die kennelijk niet in staat zijn om de taak van gezworene te vervullen moet gezien worden in relatie met de door het ontwerp niet weerhouden louter discretionaire wraking.

Het laatste lid van artikel 313 van het voorstel wordt aangepast gelet op de afschaffing van het onderscheid tussen de werkende en de toegevoegde gezworenen.

Artikel 245 van het Gerechtelijk Wetboek wordt opgeheven.

Artikel 314 van het voorstel herneemt in grote lijnen de bepaling van artikel 246 van het Gerechtelijk Wetboek.

Artikel 315 van het voorstel beantwoordt aan de artikelen 247 en 253 van het Gerechtelijk Wetboek. De aandacht wordt gevestigd op het feit dat de jury in het ontwerp wordt samengesteld uit acht juryleden in de plaats van de huidige twaalf. Deze vermindering van het aantal juryleden is een logisch gevolg van de vermindering van het aantal professionele magistraten door de afschaffing van de assessoren, en het betekent een bijdrage aan de verlichting van de procedure. Tevens moet ook rekening worden gehouden met de vereisten van een gemengd beraad en de motivering voor dewelke een groep niet te uitgebreid mag zijn. Op deze punten is uitgebreid ingegaan in het algemeen deel van deze memorie onder de Titel II. Samenstelling van de jury.

Een ander nieuw punt waarop de aandacht wordt gevestigd is het derde lid van artikel 315 van het voorstel betreffende de informatiesessie die ten behoeve van de juryleden zal worden georganiseerd. Het doel van deze informatiesessie is de juryleden algemene informatie te geven over het verloop van een assisenprocedure, de rechten en plichten van de juryleden en de taak die hen te wachten staat. Op deze wijze kunnen zij worden geïnformeerd over de niet evidente opdracht die hen te wachten staat aanvatten. Het moet worden benadrukt dat het hier zeker geen juridische vorming wordt beoogd maar een zeer gerichte informatiesessie over de hen toebedeelde taak. De Titel II « Samenstelling van de jury », gaat hierop uitgebreid in.

De artikelen 248 tot 252 zijn opgeheven door het feit dat de regels van het gemeen recht inzake wraking (cf. artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek) gedurende de hele procedure van toepassing zijn.

Artikel 316 van het voorstel herneemt artikel 312 van het Wetboek van strafvordering. Het artikel wordt evenwel aangepast aan de rationalisering van de notie « intieme overtuiging ».

Artikel 317 van het voorstel herneemt het huidige artikel 313 in gewijzigde vorm over. Het belang van de akte van beschuldiging ligt in het feit dat de debatten erdoor worden ingeleid. Het ontwerp beschouwt deze akte vanuit de logica van de oraliteit van de debatten. Maar een voorlezing van de akte biedt geen meerwaarde. Alle partijen ontvangen immers een kopie, net zoals de jury. Vanuit dit opzicht lijkt het dan ook meer zinvol dat de procureur-generaal een beknopte uiteenzetting doet van de beschuldigingen. De akte van verdediging is facultatief. Als de verdediging een akte wenst op te stellen, moet ook zij deze op beknopte wijze uiteenzetten.

Artikel 318 van het voorstel herneemt het huidige artikel 316, dat enkel wordt gewijzigd met betrekking tot de burgerlijke partij die wordt gehoord als getuige. Het ontwerp voorziet dat zij de zittingszaal niet meer moeten verlaten. Dit kadert in de doelstelling de positie van het slachtoffer te verbeteren, zie hiervoor eveneens Titel VIII. Verbetering van de positie van het slachtoffer.

Artikel 319 van het voorstel herneemt het huidige artikel 315bis.

Artikel 320 van het voorstel herneemt het huidige artikel 317.

Artikel 321 van het voorstel herneemt het huidige artikel 317bis.

Artikel 322 van het voorstel herneemt het huidige artikel 317ter.

Artikel 323 van het voorstel herneemt het huidige artikel 317quater.

Artikel 324 van het voorstel herneemt het huidige artikel 317quinquies.

Artikel 325 van het voorstel herneemt artikel 318 in gewijzigde vorm over teneinde tegemoet te kunnen komen aan zowel het belang van het mondelinge karakter van de procedure enerzijds, en de problematiek van de valse getuigenis anderzijds.

Artikel 326 van het voorstel herneemt het huidige artikel 319.

Artikel 327 van het voorstel herneemt het huidige artikel 320.

Artikel 328 van het voorstel herneemt het huidige artikel 322.

Artikel 329 van het voorstel herneemt het huidige artikel 324.

Artikel 330 inzake het horen van de burgerlijke partij indien zij dit wenst, is nieuw en past in de verbetering van de positie van het slachtoffer in het kader van de procedure van het hof van assisen.

Artikel 331 van het voorstel is nieuw en houdt verband met lijst van getuigen opgesteld tijdens de preliminaire zitting. Teneinde enerzijds te vermijden dat de doelmatigheid van de preliminaire zitting wordt doorkruist, en het anderzijds toch mogelijk te maken getuigen op te roepen die niet op de lijst voorkomen, omkadert artikel 331 van het voorstel deze mogelijkheid met strenge vereisten. Vooreerst moet voldaan zijn aan de vereisten zoals die gelden voor de opstelling van de lijst van getuigen tijdens de preliminaire zitting, daarbovenop moet het getuigenis van de nieuwe getuige noodzakelijk zijn in het licht van een nieuw element dat tijdens de debatten is opgedoken. In het algemeen deel van de memorie wordt hier verder op ingegaan onder de Titel VII. Verlichting en modernisering van de procedure.

Artikel 332 van het voorstel herneemt het huidige artikel 325.

Artikel 333 van het voorstel herneemt het huidige artikel 326.

Artikel 334 van het voorstel herneemt het huidige artikel 327.

Artikel 335 van het voorstel herneemt het huidige artikel 327bis.

Artikel 336 van het voorstel herneemt het huidige artikel 328.

Artikel 337 van het voorstel herneemt het huidige artikel 330.

Artikel 338 van het voorstel herneemt het huidige artikel 331.

Artikel 339 van het voorstel herneemt het huidige artikel 354.

Artikel 340 van het voorstel herneemt het huidige artikel 355.

Artikel 341 van het voorstel herneemt het huidige artikel 356.

Artikel 342 van het voorstel herneemt het huidige artikel 334.

Artikel 343 van het voorstel herneemt het huidige artikel 335.

De onderafdeling 7 van deze titel omvat de artikelen 344 tot en met 352 en behandelt de fase van de beraadslaging.

Artikel 344 van het voorstel herneemt het in het eerste lid het huidige artikel 336, in een aangepaste formulering.

Het tweede lid is nieuw en vertolkt de afschaffing door het ontwerp van het huidige systeem van vraagstelling. In het algemeen deel van de memorie wordt hieromtrent zeer uitgebreid ingegaan onder de Titel VII. Verlichting en modernisering van de procedure. Er wordt tevens op gewezen dat op deze wijze ook tegemoet wordt gekomen aan de rechtspraak van het Europese Hof van de rechten van de mens in de zaak Goktepe tegen België.

Het derde lid is nieuw. De voorzitter herinnert de gezworenen aan hun eed en aan de wijze waarop zij tot hun besluitvorming moeten komen. Het huidige artikel 342 is niet weerhouden, gezien de afschaffing van de figuur van de hoofdman, maar vooral ook omdat de in het door het ontwerp voorgestelde hervormingen betreffende het gemengd beraad en de motivering van schuldvraag de notie intieme overtuiging moet worden gerationaliseerd. Dit komt uitgebreid aan bod onder de Titel IV, « Motivering » van het algemeen deel van de memorie.

Het vierde lid herneemt het huidige artikel 341, derde lid.

Het laatste lid herneemt het laatste lid van artikel 341.

Artikel 345, eerste lid, van het voorstel is nieuw gezien de invoering van het gemengd beraad.

De volgende leden hernemen het huidige artikel 343.

Artikel 346 van het voorstel is nieuw en werd ingevoegd ten gevolge van de afschaffing van het systeem van de vragen. De formulering van het eerste lid houdt tevens rekening met de hoger vermelde rechtspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens.

Het tweede lid betreft de herkwalificatie en herneemt in se de principes die gelden in correctionele zaken en die door de invoeging van het gemengd beraad hier kunnen worden hernomen.

Artikel 347 is nieuw en betreft de rol van de voorzitter tijdens de beraadslaging waarop uitgebreid wordt ingegaan in Titel III. Gezamenlijk beraad van het algemeen deel van deze toelichting.

Artikel 348 betreft de hoofdelijke rondvraag. Dit artikel werd geïnspireerd op het huidige artikel 364, derde lid, inzake de hoofdelijke rondvraag bij de straftoemeting.

Artikel 349 is nieuw en betreft de regels van de stemming en de meerderheid. In het algemeen deel van de memorie wordt hierop verder ingegaan onder de Titel III. Gezamenlijk beraad.

Artikel 350 is nieuw en betreft de motivering van de schuldvraag waarop uitgebreid wordt ingegaan onder de Titel IV. Motivering, van het algemeen deel van de memorie.

Artikel 351 van het voorstel herneemt het huidige artikel 357.

De onderafdeling 8 betreft de beslissing en omvat de artikelen 352 tot en met 353.

Artikel 352 van het voorstel herneemt het huidige artikel 357 in een aangepaste formulering.

Artikel 353 van het voorstel herneemt het huidige artikel 360.

De onderafdeling 9 betreft de straftoemeting en omvat de artikelen 354 tot en met 359.

Artikel 354 van het voorstel herneemt het huidige artikel 362 met een aanpassing van het laatste lid.

Artikel 355 van het voorstel herneemt het huidige artikel 363 in een aangepaste formulering. Met deze aangepaste formulering wordt beoogd zowel de hypothese van de beslissende verschoningsgronden te dekken, als het verval van de strafvordering door verjaring of andere gronden.

Artikel 356 van het voorstel herneemt het huidige artikel 364.

Artikel 357 van het voorstel herneemt het huidige artikel 364bis en vult het aan door het huidige artikel 371 (handtekening en vermelding van de wettelijke tekst) te integreren, want men kan aan een jury niet vragen te stemmen over de artikelen van het Strafwetboek die geselecteerd werden door de voorzitter.

Artikel 358 van het voorstel herneemt het huidige artikel 365.

Artikel 359 van het voorstel herneemt artikel 366.

Afdeling III betreft de burgerrechtelijke belangen en omvat de artikelen 360 tot en met 364.

Artikel 360, van het voorstel, betreft de eisen tot schadevergoeding en herneemt het eerste en tweede lid van het huidige artikel 359. De drie laatste leden van het huidige artikel 359 komen te vervallen, omdat de eventuele vorderingen van de beschuldigde tegen zijn aangever in alle gevallen beter het voorwerp uitmaken van een afzonderlijk procedure.

Artikel 361 van het voorstel herneemt het huidige artikel 368 in aangepaste formulering.

Artikel 362 van het voorstel betreft de beslissing van het hof. De huidige regelgeving, vervat in artikel 368, werd niet weerhouden aangezien in het ontwerp de voorzitter niet meer wordt bijgestaan door assessoren en het dus aan de voorzitter alleen toekomt om deze beslissing te nemen.

Artikel 363 van het voorstel herneemt het huidige artikel 369.

Artikel 364 van het voorstel herneemt tot slot het huidige artikel 370.

De afdeling IV omvat in artikel 365 van het voorstel een algemene bepaling die het huidige artikel 372 herneemt en dit met uitzondering van de strafbepaling ten aanzien van de griffier.

Artikel 33

De artikelen 367 tot 372 van het voorstel die het nieuwe Hoofdstuk VI « Rechtsmiddelen » vormen, hernemen de huidige artikelen 262 en 382 tot 385 betreffende het aantekenen van beroep en artikel 373 betreffende het beroep in cassatie.

In het kader van het beroep, wordt een nieuw artikel betreffende de schending van de bewijskracht te wijten aan een getuigenis ingevoegd.

De veroordeelde beschikt over vijftien vrije dagen na het eindarrest om cassatieberoep aan te tekenen. De procureur-generaal beschikt over dezelfde termijn om cassatieberoep aan te tekenen tegen een arrest van vrijspraak of van veroordeling.

Voor het overige wordt verwezen naar het algemeen deel van de memorie, Titel V. Rechtsmiddel, waarin een zeer uitgebreide toelichting ter zake wordt gegeven.

Artikel 34

De artikelen 373 tot 375, die het nieuwe Hoofdstuk VII « Uitvoering van de beslissing » vormen, hernemen de huidige artikelen 375, 376 en 380.

De aan deze artikelen aangebrachte wijzigingen zijn gerechtvaardigd door het feit dat het hof van assisen een permanente jurisdictie wordt.

Het artikel 375 van het voorstel herneemt het huidige artikel 380 in gewijzigde vorm daar het ontwerp voorziet dat het hof van assisen een vast rechtscollege wordt.

Artikel 35

Artikel 410 wordt op twee punten gewijzigd.

De eerste wijziging, die erin bestaat de woorden « arresten van vrijspraak » in te voegen, volgt uit de keuze van het ontwerp voor een controle door het Hof van Cassatie die wordt verruimd ingevolge de invoering van de motiveringsverplichting. Dit rechtsmiddel staat open tegen zowel beslissingen tot veroordeling als beslissingen tot vrijspraak, met gelding van de regels van de devolutieve werking van de rechtsmiddelen zoals deze bestaan in correctionele als in politiezaken. Zoals in Titel V van het algemeen deel van deze memorie wordt aangegeven, betekent dit dat in geval van vrijspraak, een voorziening in cassatie op strafgebied enkel openstaat voor het openbaar ministerie. Het ontwerp kant zich immers uitdrukkelijk tegen de gedachte dat de burgerlijke partij de mogelijkheid zou krijgen om, zoals het openbaar ministerie, een rechtsmiddel in te stellen op strafrechtelijk vlak tegen de uitspraak van de vonnisrechter. Cassatieberoep van de burgerlijke partij kan dus, indien gegrond, enkel voor gevolg hebben dat na verwijzing wordt geoordeeld over de burgerlijke vordering.

De tweede wijziging is louter technisch van aard gezien de hernummering van artikelen. De beperkende laatste zinsnede van het huidig artikel 410 mag worden weggelaten.

Artikel 36

De tweede alinea van artikel 611 wordt geschrapt. De schrapping van deze bepaling wordt opgevangen door het invoegen van de preliminaire zitting.

Hoofdstuk V

Bepalingen tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek

Artikel 37

In het 4º van artikel 58bis van het Gerechtelijk Wetboek worden de bijzondere mandaten aangevuld met het bijzonder mandaat van de voorzitter van het hof van assisen.

Artikel 38

De eerste paragraaf van artikel 92 wordt met een punt 7º aangevuld opdat strafzaken betreffende misdrijven strafbaar met opsluiting van meer dan twintig jaar aan een kamer met drie rechters zouden toegewezen worden.

Artikel 39

Dit artikel vervangt het huidige hoofdstuk IV, Titel I, Boek I, van deel II, van het Gerechtelijk Wetboek en zal de artikelen 114 tot 127 omvatten.

Tengevolge van het permanent karakter van het hof van assisen wordt artikel 114 aangepast.

Tengevolge van het permanent karakter van het hof van assisen wordt het tweede lid van artikel 115 aangepast.

Artikel 116 wordt aangepast teneinde te verduidelijken dat verscheidene kamers in de hoven van assisen tegelijkertijd zitting kunnen houden in de hoofdplaats van de provincie of het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, alsook in de hoofdplaats van andere gerechtelijke arrondissementen.

Artikel 117 betreft een artikel van inwendige orde, hetwelk wordt aangepast rekening houdend met het permanent karakter van het hof van assisen.

Tevens wordt het eerste lid aangevuld met de regeling ingeval een hof van assisen meerdere voorzitters telt.

Ingeval een hof van assisen meerdere voorzitters telt, wordt naar analogie van de figuur van de leidend jeugdrechter voorzien dat degene die eerst werd aangewezen belast is met de verdeling van de zaken.

De laatste twee leden worden geschrapt, daar deze overbodig zijn geworden gezien de schrapping van de sessies en de invoering van een preliminaire zitting.

Artikel 118 wordt geschrapt, gezien de schrapping van de sessies en de invoering van een preliminaire zitting.

Artikel 119 wordt aangepast vermits men in het ontwerp geen beroep meer doet op assessoren.

In artikel 120 wordt het specifiek kader van de voorzitter van het hof van assisen omschreven.

Het moet worden beklemtoond dat de voorzitter van het hof van assisen gedurende zijn mandaat tevens lid blijft van het hof van beroep met tot gevolg dat hij ook kan zetelen in het hof van beroep. Vandaar dat geopteerd wordt voor « uitoefenen », en niet voor « uitgeoefend hebben ».

De artikelen 121 en 122 worden geschrapt gelet op de afschaffing van de assessoren.

De beweegredenen die aan de grondslag van deze afschaffing liggen worden reeds uitvoering besproken in het algemeen deel van de toelichting, meer bepaald in Titel I. Specifiek kader, zodat hiernaar verwezen kan worden.

De artikelen 123 en 124 worden aangepast vermits het aantal juryleden wordt teruggebracht tot 8 gezworenen.

De ratio van de verlaging van het aantal juryleden komt uitvoerig aan bod in het algemeen deel van de toelichting, meer bepaald in Titel II. Samenstelling van de jury, zodat hiernaar verwezen kan worden.

Artikel 125 wordt aangepast gelet op de afschaffing van de assessoren.

Artikel 127 wordt aangepast gelet op de afschaffing van de assessoren.

Artikel 40

Het eerste lid van artikel 166 wordt geschrapt en vervangen.

Dit artikel voorziet in de oprichting van een permanent kader van griffiers bij het hof van assisen en deze worden door de Koning benoemd. De minister van Justitie zal het kader verder invullen volgens de noodwendigheden.

Zowel griffiers bij de rechtbank van eerste aanleg als bij het hof van beroep kunnen kandideren.

Artikelen 41 en 42

Gezien de invoering van een permanent kader voor de griffiers bij het hof van assisen worden de twee eerste leden van artikel 171 en artikel 172 aangepast.

Artikelen 43 en 44

Het eerste lid van artikel 179 en 181 wordt eveneens aangepast gelet op de invoering van een permanent kader voor de griffiers bij het hof van assisen.

Artikel 45

Het derde lid van artikel 186bis wordt aangevuld gelet op het permanent kader van de voorzitter van het hof van assisen.

Artikel 46

Dit artikel vervangt het huidige hoofdstuk IV, Titel VI, Boek I, van deel II, van het Gerechtelijk Wetboek en zal de artikelen 217 tot 241 omvatten.

Artikel 217 omvat de wettelijke voorwaarden om op de lijst van de gezworenen te kunnen staan.

Er wordt een nieuwe voorwaarde in het leven geroepen : men mag geen veroordeling hebben opgelopen tot een gevangenisstraf van meer dan 4 maanden of tot een werkstraf van meer dan 60 uur.

Deze wordt enerzijds overgenomen uit het Kieswetboek en anderzijds wordt een criterium voorzien in verband met de werkstraf. De Commissie heeft hierbij rekening gehouden met het arrest van het Arbitragehof nº 187/2005 van 14 december 2005. Zie hiervoor eveneens Titel II. Samenstelling van de jury, van het algemeen deel van de memorie.

Vervolgens wordt het artikel aangepast gelet op de verruiming van de leeftijdsmarges : 25-65 jaar.

In artikel 221 wordt het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad toegevoegd.

Artikel 222 wordt aangepast gelet op de verruiming van de leeftijdsmarges van de juryleden.

Gezien de afschaffing van de wraking worden het 3º, 7º en 9º van artikel 223 geschrapt en het 8º wordt eveneens opgeheven aangezien gewezen leden van de Wetgevende Kamers, van de provincieraden of van de gemeenteraden wél als jurylid kunnen zetelen.

De beweegredenen die aan de grondslag liggen van de afschaffing van de discretionaire wraking worden uitvoerig besproken in Titel II. Samenstelling van de jury van het algemeen deel van de toelichting, zodat hiernaar verwezen kan worden.

Artikel 224 wordt aangepast aan de staatshervorming.

Het 5º wordt aangevuld met de leden van de Hoge Raad voor de Justitie.

Bovendien wordt een tweede lid toegevoegd met betrekking tot de vroegere veroordelingen van potentiële gezworenen.

Er wordt immers voorzien in de mogelijkheid voor de burgemeester personen uit de voorbereidende lijst weg te laten die een veroordeling hebben opgelopen zoals omschreven in artikel 217 Ger.W.; hiertoe raadpleegt hij het Centraal Strafregister ten titel van inlichting.

Deze mogelijkheid dient uitdrukkelijk in de wet vermeld te worden teneinde de burgemeester toe te laten in elk geval een uittreksel te bekomen van het strafregister van de betrokken persoon.

Artikel 228 wordt aangepast gelet op het permanent kader van de voorzitter van het hof van assisen.

Artikel 230 wordt aangepast gelet op het permanent kader van de voorzitter van het hof van assisen.

Ook in artikel 231 wordt nogmaals de mogelijkheid verleend om bij de opmaak van de definitieve lijst van gezworenen de namen van de personen weg te laten die een veroordeling hebben opgelopen zoals omschreven in artikel 217 Ger.W.

Het tweede lid van artikel 232 wordt opgeheven gelet op de opheffing van de punten 7º tot en met 9º in artikel 223 Ger.W.

Artikel 233 wordt opgeheven aangezien het onderscheid tussen werkende en toegevoegde gezworenen werd afgeschaft.

In artikel 234 wordt het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad toegevoegd.

In artikel 235 wordt een tekstuele wijziging doorgevoerd.

Artikel 236 wordt aangepast aangezien het onderscheid tussen werkende en toegevoegde gezworenen wordt afgeschaft.

Artikel 237 omvat de totstandkoming van de bijzondere lijst van gezworenen voor elke assisenzaak.

De termijn tussen de uitloting van de gezworenen en de zitting met het oog op de samenstelling van de jury wordt verkort van 30 (20 + 10) naar 20 dagen; de bijkomende periode van 10 dagen valt weg.

Het laatste lid wordt herschreven gelet op het permanent karakter van het hof van assisen en gelet op de afschaffing van het onderscheid tussen werkende en toegevoegde gezworenen.

Gelet op het voorgaande, alsook gelet op de afschaffing van de wrakingsmogelijkheid wordt uitdrukkelijk gestipuleerd dat het aantal gezworenen op de definitieve lijst niet lager mag zijn dan 32 (als meervoud van acht).

De beweegredenen die aan de grondslag liggen van de afschaffing van de discretionaire wraking worden uitvoerig besproken in Titel II. Samenstelling van de jury van het algemeen deel van de toelichting, zodat hiernaar verwezen kan worden.

Artikel 238 omschrijft de loting van de gezworenen.

Verder wordt het aangepast gelet op de afschaffing van het onderscheid tussen de werkende en de toegevoegde gezworenen.

Artikel 239 wordt aangepast aangezien het onderscheid tussen werkende en toegevoegde gezworenen wordt afgeschaft.

Artikel 240 wordt aangepast gelet op het permanent kader van de voorzitter van het hof van assisen.

De artikelen 240bis en 241 worden aangepast vermits in het ontwerp de samenstelling van de jury de eigenlijke terechtzitting voorafgaat.

Tevens worden de bepalingen betreffende de toegevoegde gezworenen weggelaten.

De artikelen 242 tot en met 253 worden in het Wetboek van strafvordering geïntegreerd teneinde een coherent geheel te vormen.

De samenstelling van de eigenlijke jury gebeurt na de preliminaire zitting en vóór de eigenlijke terechtzitting.

Zie voor deze artikels de artikelsgewijze bespreking van het Wetboek van strafvordering.

Artikel 47

Het 4º in § 3 van artikel 259bis-3 wordt aangevuld met de voorzitter van het hof van assisen, gelet op het permanent en specifiek kader van het mandaat.

Artikel 48

In § 1 van artikel 259bis-10 wordt het 1º aangevuld met de voorzitter van het hof van assisen, gelet op het permanent kader van het mandaat.

Artikelen 49 tot en met 52

In § 1 van artikel 259sexies wordt het punt 4º toegevoegd, hetwelk betrekking heeft op de aanwijzing van de bijzondere mandaten zoals omschreven in artikel 58bis Ger.W.

Conform artikel 58bis van het Gerechtelijk Wetboek wordt het huidig artikel ook aangepast.

Vervolgens worden het derde en het vierde lid van § 2 en het tweede lid van § 3 aangevuld met de voorzitter van het hof van assisen, gelet op het permanent kader.

Tevens wordt in huidig artikel een nieuw vijfde lid ingevoegd dat zoals bij de korpschefs in de mogelijkheid voorziet voor de voorzitter van het hof van assisen om zijn mandaat voortijdig ter beschikking te stellen. Voormelde alinea omschrijft de procedure daaromtrent.

Artikel 53

Het vierde lid van artikel 259septies wordt aangevuld met de voorzitter van het hof van assisen, gelet op het permanent kader.

Artikel 267 wordt aangepast gelet op het specifiek kader van de griffier van het hof van assisen.

Artikel 54

Het eerste lid van artikel 287 wordt aangevuld met de voorzitter van het hof van assisen, gelet op het permanent kader.

Artikel 55

Het tweede lid van artikel 288 wordt aangevuld met de geldende regel in verband met de installatie van de voorzitter van het hof van assisen.

Artikel 56

Het eerste lid van artikel 289 wordt aangevuld met de geldende regel in verband met de eedaflegging van de voorzitter van het hof van assisen.

Artikel 57

Het eerste lid van artikel 291 wordt aangevuld met de voorzitters van de hoven van assisen.

Artikel 58

Het derde lid van artikel 313 wordt aangepast gelet op het permanent karakter van de hoven van assisen, hetgeen inhoudt dat raadsheren bij het hof van beroep niet meer zullen opgeroepen worden zittingen van het hof van assisen voor te zitten.

Artikel 59

De rangorde en de voorrang omschreven in het tweede en het derde lid van artikel 314 worden aangepast gelet op het permanent karakter van de hoven van assisen, zodat deze een aparte vermelding krijgen.

Artikel 60

Artikel 355ter betreft een nieuw artikel omtrent de wedde van de voorzitters van het hof van assisen.

De voorzitter dient immers dezelfde wedde te genieten als die bepaald voor de kamervoorzitter in het hof van beroep.

Artikel 61

Artikel 366bis betreft een nieuw artikel omtrent de wedde van de griffiers bij het hof van assisen.

De griffiers dienen immers dezelfde wedde te genieten als die bepaald voor de griffiers bij de hoven van beroep.

Artikel 62

Het 5º van artikel 369 wordt opgeheven gelet op de totstandkoming van permanente griffiers bij het hof van assisen.

Artikel 63

In beide leden van artikel 381 wordt de griffier van het hof van assisen ingevoegd.

Artikel 64

Artikel 605quinquies is een nieuwigheid en heeft betrekking op het geval dat de voorzitter van het hof van assisen inzake terroristische misdrijven, bedoeld in de artikelen 137 en 138 Sw., vaststelt na ten minste twee pogingen dat het onmogelijk is om een jury samen te stellen; dit wil zeggen dat de voorzitter na de 32 kandidaten te hebben opgeroepen in eerste instantie vaststelt dat het onmogelijk is de jury samen te stellen. Vervolgens dient opnieuw te worden overgegaan tot de oproeping van 32 nieuwe kandidaat juryleden teneinde nogmaals te trachten de jury samen te stellen. Indien hij dit wenst kan dit nadien nog herhaald worden, doch wanneer klaarblijkelijk de jury onmogelijk kan samengesteld worden in de context van de aan de orde zijnde terroristische misdrijven, moet kunnen worden teruggevallen op de procedure voor de beroepsrechters. In dat geval zal het hof van beroep in eerste én laatste aanleg voormelde misdrijven berechten.

Hoofdstuk VI

Bepalingen tot wijziging van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden

Artikel 65

Gezien de door het ontwerp voorgestelde wijziging van de bevoegdheidstoebedeling aan het hof van assisen, moet de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden worden gewijzigd zodat er een einde kan worden gesteld aan de kunstmatige techniek van de correctionalisatie wegens verzachtende omstandigheden.

Het ontwerp behoudt echter de mogelijkheid voor de onderzoeksgerechten om over te gaan tot correctionalisatie op grond van strafverminderende verschoningsgronden, die in de assisenprocedure hoofdzakelijk de problematiek van uitlokking betreffen en beperkt deze mogelijkheid tot de onderzoeksgerechten (zie hieromtrent algemeen deel van deze memorie van toelichting onder Titel VI. Bevoegdheid). In beginsel zal deze beoordeling toekomen aan de kamer van inbeschuldigingstelling. Wanneer evenwel de zaak bij de raadkamer wordt gebracht omdat de procureur des Konings van oordeel is dat het feit niet tot de bevoegdheid behoort van het hof van assisen (zie supra, toelichting bij artikel 12) waarna de raadkamer van oordeel is dat dit principieel wel het geval is doch dat er een strafverminderde verschoningsgrond bestaat, kan ook de raadkamer deze aannemen.

Door de aanneming van de strafverminderde verschoningsgrond behoort het feit dan niet meer tot de bevoegdheid van het hof van assisen, zodat geen aanleiding bestaat tot toepassing van artikel 133 van het Wetboek van strafvordering.

Artikel 66

Zoals onder artikel 38 reeds gesteld, beperkt het ontwerp de mogelijkheid om tot correctionalisatie op grond van strafverminderende verschoningsgronden over te gaan tot de onderzoeksgerechten.

Dit artikel beoogt dit verder uit te werken. Enkel het eerste lid van artikel 2, inzake de verschoningsgronden, wordt behouden. Het tweede lid van het nieuwe artikel 2 herneemt het eerste lid van het huidige artikel 3, beperkt tot de verschoningsgronden. Het tweede lid van het huidige artikel 3 komt te vervallen aangezien het openbaar ministerie deze mogelijkheid niet meer zal hebben.

Het ontwerp raakt niet aan de artikelen 4 en volgende van de wet van 4 oktober 1867, daar deze geen betrekking hebben op de assisenprocedure.

Hoofdstuk VII

Bepalingen tot wijziging van de wet van 20 juli 1990 inzake de voorlopige hechtenis

Artikel 67

Artikel 22, tweede lid, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, verwijst vanaf nu naar de nieuwe bevoegdheid van het hof van assisen, ingevoerd in artikel 217 van het Wetboek van strafvordering.

Artikel 68

Aangezien het ontwerp de dubbele beoordeling door raadkamer én kamer van inbeschuldigingstelling in de onderzoeksfase niet behoudt, moet deze paragraaf worden aangepast aan de enkele tussenkomst van de kamer van inbeschuldigingstelling. De mogelijkheid om een beschikking tot gevangenneming te verlenen komt enkel nog toe aan de kamer van inbeschuldigingstelling. Wanneer de raadkamer aldus overeenkomstig het artikel 133 van het Wetboek van strafvordering de stukken doorstuurt, levert zij geen beschikking tot gevangenneming meer af zodat het gewone regime van de voorlopige hechtenis verder loopt tot en met de uitspraak van de kamer van inbeschuldigingstelling. De situatie is dezelfde als wanneer de raadkamer een beschikking neemt wanneer de zaak niet in staat is.

Het 2) van dit artikel beoogt een technische aanpassing gezien de hernummering van de desbetreffende artikelen van het Wetboek van strafvordering.

Het derde, vierde en vijfde punt betreffen taalkundige aanpassingen die voortvloeien uit de opties van het ontwerp.

Artikel 69

Dit artikel omvat een aantal punctuele wijzigingen van het artikel 27 van de wet betreffende voorlopige hechtenis die het gevolg zijn van de schrapping van de dubbele beoordeling en de hernummering van bepaalde artikelen.

Hoofdstuk VIII

Opheffingsbepalingen

Artikel 70

Dit artikel beoogt de opheffing van het artikel 18 van het Strafwetboek, dat het verouderd gebruik van de aanplakking van de arresten houdende veroordelingen tot levenslange opsluiting of hechtenis of tot opsluiting of hechtenis van twintig tot dertig jaar voorziet in de gemeente waar de misdaad is gepleegd en in die waar het arrest is gewezen.

Artikel 71

Dit artikel omvat de opheffing van een aantal artikelen van het Wetboek van strafvordering.

De bepaling heft nutteloze artikelen op die alleen een uiting van het gemeen recht zijn (bijvoorbeeld artikel 409 van het Wetboek van strafvordering) of die onverenigbaar zijn met de ontworpen hervorming.

Artikel 72

Dit artikel omvat de opheffing van de artikelen 242 tot en met 253 van het Gerechtelijk Wetboek. Deze bepalingen worden immers hernomen in de artikelen 313 tot en met 315 van het ontworpen Wetboek van strafvordering.

Artikel 73

Dit artikel heft het artikel 3 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden op. Het eerste lid van het artikel 3 is, beperkt tot de verschoningsgronden, opgenomen in het tweede lid van artikel 2. Het tweede lid van het huidige artikel 3 komt te vervallen aangezien het ontwerp een einde stelt aan de techniek van de systematische correctionalisatie.

Philippe MAHOUX.

WETSVOORSTEL


Hoofdstuk I

Algemene bepaling

Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

Hoofdstuk II

Bepalingen tot wijziging van het Strafwetboek

Art. 2

In artikel 19, eerste lid, van het Strafwetboek, gewijzigd door de wet van 10 juli 1996 en vervangen door de wet van 23 januari 2003, worden de woorden « vonnissen of » ingevoegd tussen de woorden « alle » en « arresten ».

Art. 3

In artikel 25, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door de wet van 10 juli 1996 en vervangen door de wet van 23 januari 2003, wordt de tweede zin geschrapt.

Art. 4

In artikel 31 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door de wet van 10 juli 1996, worden de woorden « Bij alle arresten van veroordeling tot levenslange opsluiting of levenslange hechtenis of tot opsluiting voor een termijn van tien tot vijftien jaar of een langere termijn wordt tegen de veroordeelden levenslange ontzetting uitgesproken van het recht om » vervangen door worden « Bij alle arresten van veroordeling tot levenslange opsluiting of levenslange hechtenis en bij alle arresten of vonnissen tot opsluiting voor een termijn van tien tot vijftien jaar of een langere termijn wordt tegen de veroordeelden levenslange ontzetting uitgesproken van het recht om ».

Art. 5

In artikel 32 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door de wet van 23 januari 2003, worden de woorden « en de correctionele rechtbanken » ingevoegd tussen de woorden « hoven van assisen » en het woord « kunnen ».

Art. 6

In artikel 99 van hetzelfde Wetboek wordt het tweede lid opgeheven.

Hoofsdtuk III

Bepalingen tot wijziging van de wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van strafvordering

Art. 7

In artikel 21 van de wet van 17 april 1878 houdende de Voorafgaande Titel van het Wetboek van strafvordering, vervangen bij de wet 30 mei 1961 en gewijzigd bij de wet van 16 juli 2002, wordt het tweede lid vervangen als volgt :

« Nochtans is de termijn vijftien jaar ingeval dit misdrijf een misdaad is zoals bedoeld in artikel 217 van het Wetboek van strafvordering. »

Hoofdstuk IV

Bepalingen tot wijziging van het Wetboek van strafvordering

Art. 8

In het Eerste Boek, Hoofdstuk VI, Afdeling II, van het Wetboek van strafvordering wordt een artikel 62quater ingevoegd, luidende :

« Art. 62quater. — § 1. Indien uit het onderzoek volgt dat de misdaad die ten laste wordt gelegd van de inverdenkinggestelde lijkt te behoren tot de bevoegdheid van het hof van assisen, geeft de onderzoeksrechter onverwijld opdracht aan de bevoegde dienst van de FOD Justitie om een persoonlijkheidsdossier op te stellen.

Het persoonlijkheidsdossier omvat relevante informatie inzake de inverdenkinggestelde, verzameld bij personen uit zijn leefomgeving. Het persoonlijkheidsdossier omvat eveneens relevante informatie over de persoonlijkheid van het slachtoffer. Van elk onderhoud wordt schriftelijk verslag opgesteld.

De Koning bepaalt de nadere modaliteiten van het persoonlijkheidsdossier.

§ 2. Het ontwerp van persoonlijkheidsdossier wordt aan de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij meegedeeld. Deze kunnen, in voorkomend geval, personen aanduiden die geschikt zijn om aanvullende informatie te verstrekken.

De onderzoeksrechter geeft tevens onverwijld opdracht tot het opstellen van een psychologisch of een psychiatrisch deskundigenonderzoek van de inverdenkinggestelde. »

Art. 9

Artikel 127, § 1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wetten van 12 maart 1998 en 31 mei 2005, wordt vervangen als volgt :

« Indien de procureur des Konings geen andere onderzoekshandelingen vordert en indien hij van oordeel is dat het betreffende feit niet behoort tot de bevoegdheid van het hof van assisen, vordert hij de regeling van de rechtspleging door de raadkamer. »

Art. 10

Artikel 130 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door de wetten van 6 maart 1963, 20 juli 1990, 11 juli 1994 en 12 maart 1998, wordt vervangen als volgt :

« Art. 130. — Indien de raadkamer vaststelt dat het misdrijf behoort tot de bevoegdheid van de correctionele rechtbank, wordt de inverdenkinggestelde naar deze rechtbank verwezen. »

Art. 11

Artikel 133 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door de wetten van 10 juli 1967, 20 juli 1990 en 12 maart 1998, wordt vervangen als volgt :

« Art. 133. — Indien de raadkamer, op verslag van de onderzoeksrechter, van oordeel is dat het feit tot de bevoegdheid van het hof van assisen behoort, verklaart zij dat er reden is tot het onverwijld toesturen van de procedurestukken door de procureur des Konings aan de procureur-generaal bij het hof van beroep, opdat zal worden gehandeld zoals bepaald is in Hoofdstuk II van Titel II. »

Art. 12

In de Franse tekst van artikel 179 van hetzelfde Wetboek, vervangen door de wet van 10 juli 1967 en gewijzigd door de wet van 26 juni 2000, worden de woorden « de tous les délits » vervangen door de woorden « de toutes les infractions ».

Art. 13

In Boek II van hetzelfde Wetboek, wordt het opschrift van Titel II vervangen als volgt :

« Titel II — Het Hof van assisen »

Art. 14

In Boek II, Titel II, van hetzelfde Wetboek, wordt Hoofdstuk I dat artikelen 217 tot 250 omvat, vervangen door een hoofdstuk dat het artikel 217 omvat, luidend als volgt :

« Hoofdstuk I. —

De bevoegdheid van de hoven van assisen. —

Art. 217. — Onverminderd de bevoegdheid verleend aan andere rechtscolleges, nemen de hoven van assisen kennis van de in de volgende artikelen bedoelde misdrijven :

1º de artikelen 101 tot 135quinquies van het Strafwetboek;

2º de artikelen 136bis en 136septies van hetzelfde wetboek;

3º de artikelen 137 en 138 van hetzelfde wetboek, voor zover ze misdrijven betreffen strafbaar met een levenslange opsluiting en onder voorbehoud van de toepassing van het tweede lid;

4º het artikel 347bis van hetzelfde wetboek;

5º het artikel 376, eerste lid, van hetzelfde wetboek;

6º de artikelen 393 tot 397 van hetzelfde wetboek;

7º het artikel 417ter, derde lid, 2º, van hetzelfde wetboek;

8º het artikel 428, § 5, van hetzelfde wetboek;

9º het artikel 475 van hetzelfde wetboek;

10º het artikel 518, laatste lid, van hetzelfde wetboek;

11º het artikel 532 van hetzelfde wetboek.

Wanneer de voorzitter vaststelt, na minstens twee pogingen, dat er een onmogelijkheid is om een jury samen te stellen voor de berechting van de misdrijven bedoeld in artikel 137 en 138 van hetzelfde Wetboek, worden deze misdrijven berecht door het hof van beroep. »

Art. 15

In Boek II, Titel II, van hetzelfde Wetboek, wordt het Hoofdstuk II dat de artikelen 251 tot 290 omvat, vervangen door een hoofdstuk met als opschrift « De afsluiting van het onderzoek en verwijzing naar het hof van assisen », dat de artikelen 218 tot 250 bevat.

Art. 16

Artikel 218 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 10 oktober 1967, wordt vervangen als volgt :

« Art. 218. — § 1. Wanneer de onderzoeksrechter zijn dossier overeenkomstig artikel 127, § 1, aan de procureur des Konings heeft overgezonden en deze geen andere onderzoekshandelingen vordert, maakt hij het dossier onverwijld over aan de procureur-generaal indien hij van oordeel is dat het een feit betreft dat behoort tot de bevoegdheid van het hof van assisen.

De procureur–generaal vordert de regeling van de rechtspleging voor de kamer van inbeschuldigingstelling.

§ 2. De kamer van inbeschuldigingstelling laat ten minste vijftien dagen vooraf in een daartoe bestemd register ter griffie melding maken van plaats, dag en uur van verschijning. De termijn wordt teruggebracht tot drie dagen indien een van de inverdenkinggestelden zich in voorlopige hechtenis bevindt. De griffier stelt de inverdenkinggestelde, de burgerlijke partij en hun advocaten in kennis per faxpost of bij een ter post aangetekende brief dat het dossier op de griffie in origineel of in kopie ter beschikking ligt, dat ze er inzage van kunnen hebben en er kopie van kunnen opvragen.

§ 3. Binnen de in § 2 bepaalde termijn kunnen de inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij de onderzoeksrechter overeenkomstig artikel 61quinquies verzoeken om bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten. In dat geval wordt de regeling van de rechtspleging geschorst. Als het verzoek definitief is behandeld, wordt de zaak opnieuw vastgesteld voor de kamer van inbeschuldigingstelling overeenkomstig de in § 2 bepaalde vormen en termijnen.

§ 4. De kamer van inbeschuldigingstelling doet uitspraak na de procureur-generaal, de burgerlijke partij en de inverdenkinggestelde te hebben gehoord.

Zij kan ambtshalve of op verzoek van de partijen de onderzoeksrechter in zijn verslag horen.

De partijen kunnen bijgestaan of vertegenwoordigd worden door een advocaat. De kamer van inbeschuldigingstelling kan evenwel de persoonlijke verschijning van de partijen bevelen. Tegen dit arrest staat geen rechtsmiddel open.

Het voornoemde arrest wordt betekend aan de desbetreffende partij op vordering van de procureur-generaal en brengt dagvaarding mee om te verschijnen op de vastgestelde datum. Als deze partij niet verschijnt, wordt uitspraak gedaan en geldt het arrest als op tegenspraak gewezen.

Wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling de zaak in beraad houdt om haar arrest uit te spreken, bepaalt zij de dag voor die uitspraak. »

Art. 17

Artikel 226 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :

« Art. 226. — De kamer van inbeschuldigingstelling beslist bij een en hetzelfde arrest over de samenhangende misdrijven waarvan de stukken tezelfdertijd zijn voorgelegd. »

Art. 18

In de Franse tekst van artikel 227, 3º, van hetzelfde Wetboek, vervangen door de wet van 21 juni 2001, worden de woorden « délits » vervangen door de woorden « infractions. »

Art. 19

Artikel 228 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :

« Art. 228. — De kamer van inbeschuldigingstelling kan, zo nodig, nieuwe onderzoekingen bevelen.

Zij kan ook, indien daartoe redenen zijn, de overbrenging bevelen van de overtuigingsstukken die op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg in bewaring zijn gebleven

Dit alles binnen de kortst mogelijke tijd. »

Art. 20

Artikel 229 van hetzelfde Wetboek, waarvan de Franse tekst gewijzigd is bij de wet van 10 juli 1967, wordt vervangen als volgt :

« Art. 229. — Indien de kamer van inbeschuldigingstelling van oordeel is dat er tegen de inverdenkinggestelde geen voldoende bezwaren bestaan, verklaart zij dat er geen reden is tot vervolging. »

Art. 21

In artikel 230 van hetzelfde Wetboek, waarvan de Franse tekst gewijzigd is bij de wet van 10 juli 1967, worden de volgende wijzingen aangebracht b :

1º in het eerste lid worden de woorden « het hof » vervangen door de woorden « de kamer van inbeschuldigingstelling »;

2º in hetzelfde lid, in de Nederlandse tekst, wordt het woord « het » vervangen door het woord « zij »;

3º het tweede lid wordt geschrapt.

Art. 22

Artikel 231 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 10 juli 1967, wordt vervangen als volgt :

« Art. 231. — Indien het een feit betreft dat behoort tot de bevoegdheid van het hof van assisen, en de kamer van inbeschuldigingstelling voldoende bezwaren aanwezig acht om de inbeschuldigingstelling te wettigen, verwijst zij de inverdenkinggestelde naar het hof van assisen. »

Art. 23

Artikel 233 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 7 mei 1999, wordt vervangen als volgt :

« Art. 233. — De kamer van inbeschuldigingstelling kan een beschikking tot gevangenneming geven overeenkomstig artikel 26, § 5, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis.

Deze beschikking houdt het bevel in de beschuldigde te brengen naar het huis van arrest gevestigd bij het hof waarnaar hij wordt verwezen. »

Art. 24

In artikel 234 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « zowel de vordering van het openbaar ministerie als » geschrapt.

Art. 25

In artikel 235 van hetzelfde Wetboek, waarvan de Franse tekst gewijzigd is bij de wet van 10 juli 1967, worden de woorden « hoven van beroep » vervangen door de woorden « kamers van inbeschuldigingstelling ».

Art. 26

Artikel 236 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 12 maart 1998, wordt vervangen als volgt :

« Art. 236. — In het geval van artikel 235 treedt een van de leden van de kamer van inbeschuldigingstelling als onderzoeksrechter op. »

Art. 27

In de Nederlandse tekst van artikel 237 van hetzelfde Wetboek, waarvan de Franse tekst is gewijzigd bij de wet van 10 juli 1967, wordt het woord « verleent » vervangen door het woord « geeft ».

Art. 28

Artikel 241 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 10 juli 1967, wordt vervangen als volgt :

« Art. 241. — Na de verwijzing behoudt de beschuldigde het recht om vrij verkeer te hebben met zijn raadsman. »

Art. 29

Artikel 242 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 30 juni 2000, wordt hersteld in de volgende lezing :

« Art. 242. — Ter griffie wordt aan de beschuldigde en aan de burgerlijke partij inzage in het dossier verleend. De beschuldigde alsook de burgerlijke partij kunnen, op hun verzoek, kosteloos een afschrift van het dossier verkrijgen. »

Art. 30

In Boek II, Titel II, van hetzelfde Wetboek, wordt Hoofdstuk III dat de artikelen 291 tot 308 omvat, vervangen door een hoofdstuk dat artikel 291 omvat, luidende :

« Hoofdstuk III

Voorziening tegen het verwijzingsarrest

Art. 291. — De procureur-generaal en de andere partijen hebben het recht een voorziening in cassatie in te stellen tegen het arrest van verwijzing naar het hof van assisen. Die voorziening moet in elk geval binnen vijftien dagen na de uitspraak van het arrest worden ingesteld, door een verklaring gedaan op de griffie van het hof van beroep in de bij artikel 417 bepaalde vorm.

In de verklaring moet de grond van de voorziening worden opgegeven.

Onverminderd artikel 416, tweede lid, kan de voorziening alleen worden ingesteld tegen het arrest van verwijzing naar het hof van assisen in een van de volgende gevallen :

1º wanneer het feit volgens de wet geen misdrijf is;

2º wanneer het openbaar ministerie niet gehoord is;

3º wanneer het arrest niet gewezen is door het bij de wet bepaalde aantal rechters;

4º wanneer de wettelijke voorschriften betreffende het gebruik van de talen in gerechtszaken niet werden nageleefd;

5º wanneer de in artikel 218 voorgeschreven regels van de tegenspraak niet werden nageleefd.

Zodra de griffier de verklaring ontvangen heeft, doet de procureur-generaal bij het hof van beroep een uitgifte van het arrest toekomen aan de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, dat gehouden is, met voorrang boven alle andere zaken, uitspraak te doen.

Art. 31

In Boek II, Titel II, van hetzelfde Wetboek, wordt Hoofsdtuk IV, dat de artikelen 310 tot 380 omvat, vervangen door een hoofdstuk dat de artikelen 292 tot 299 omvat, luidende :

« Hoofdstuk IV. —

Procedure voorafgaand aan de zitting ten gronde

Afdeling I

De ambtsverrichtingen van de voorzitter

Art. 292. — Ten minste vijftien dagen vóór de preliminaire zitting vergewist de voorzitter er zich van dat de beschuldigde een raadsman heeft gekozen om hem in zijn verdediging bij te staan. Indien dit niet het geval is, voegt hij hem dadelijk een raadsman toe.

Art. 293. — Wanneer wegens een zelfde misdrijf verscheidene akten van beschuldiging zijn opgemaakt tegen verschillende beschuldigden, kan de procureur-generaal de samenvoeging vorderen en kan de voorzitter deze zelfs ambtshalve bevelen.

Art. 294. — Wanneer de akte van beschuldiging verscheidene niet-samenhangende misdrijven bevat, kan de procureur-generaal vorderen dat de beschuldigden vooralsnog slechts voor één of voor sommige van die misdrijven zullen terechtstaan, en de voorzitter kan dit ambtshalve bevelen.

Afdeling 2

De ambtsverrichtingen van de procureur-generaal

Art. 295. — De procureur-generaal vervolgt, hetzij zelf, hetzij door zijn substituut, elke persoon die in beschuldiging gesteld is in de vorm voorgeschreven in het tweede hoofdstuk van deze titel. Hij mag geen andere beschuldiging voor het hof brengen op straffe van nietigheid, en, indien daartoe grond bestaat, kan tegen hem verhaal op de rechter worden ingesteld.

Art. 296. — Zodra de procureur-generaal of zijn substituut de stukken ontvangen heeft, draagt hij er de grootste zorg voor dat de voorbereidende handelingen verricht worden en dat alles in gereedheid is voor de debatten.

Art. 297. — In alle gevallen waarin de beschuldigde naar het hof van assisen wordt verwezen, is de procureur-generaal gehouden een akte van beschuldiging op te stellen.

De akte van beschuldiging beschrijft :

1º de aard van het misdrijf dat aan de beschuldiging ten grondslag ligt;

2º het feit en alle omstandigheden die de straf komen verzwaren of verminderen; de beschuldigde wordt met name erin genoemd en duidelijk aangewezen.

Art. 298. — De procureur-generaal geeft aan de procureur des Konings ambtshalve of op bevel van de minister van Justitie opdracht om de misdrijven waarvan hij kennis draagt, te vervolgen.

Art. 299. — Hij ontvangt de aangiften en de klachten die rechtstreeks bij hem ingediend worden, hetzij door het hof van beroep, hetzij door een openbaar ambtenaar, hetzij door een gewoon burger, en hij tekent ze op in een register.

Hij doet ze aan de procureur des Konings toekomen.

Hij doet in naam van de wet alle vorderingen die hij nuttig oordeelt; het hof is gehouden hem akte ervan te verlenen en erover te beslissen.

De vorderingen van de procureur-generaal moeten door hem getekend worden; die welke gedaan worden in de loop van de debatten, worden door de griffier in zijn proces-verbaal opgenomen en eveneens door de procureur-generaal getekend; alle beslissingen waartoe die vorderingen aanleiding hebben gegeven, worden getekend door de rechter die heeft voorgezeten en door de griffier.

Wanneer het hof de vordering van de procureur-generaal niet inwilligt, wordt noch het onderzoek noch de uitspraak gestuit of geschorst, met dien verstande evenwel dat de procureur-generaal na het arrest zich in cassatie kan voorzien, indien daartoe grond bestaat.

De procureur-generaal kan, zelfs indien hij tegenwoordig is, zijn ambtsverrichtingen opdragen aan een van zijn substituten. Deze bepaling geldt voor het hof van beroep en voor het hof van assisen.

Art. 32

In Boek II, Titel II, van hetzelfde Wetboek, wordt Hoofdstuk V, dat de artikelen 381 tot 385 omvat, vervangen door een hoofdstuk dat de artikelen 300 tot 365 omvat, luidende :

« Hoofdstuk V. —

Rechtspleging voor het hof van assisen

Afdeling 1

De preliminaire zitting

Art. 300. — § 1. Voorafgaand aan de terechtzitting ten gronde, houdt het hof een preliminaire zitting.

Deze beoogt :

1º De controle van de regelmatigheid van de haar overeenkomstig artikel 235bis voorgelegde procedure;

2º Het onderzoek van de noodzaak tot aanvullende onderzoeksdaden, ambtshalve of op verzoek van één van de partijen, overeenkomstig artikel 235;

3º Het samenstellen van de in artikel 304 bedoelde lijst van getuigen.

§ 2. De termijn van dagvaarding is ten minste vijftien dagen, tenzij partijen daarvan uitdrukkelijk afstand doen.

De procureur-generaal laat in één exploot het arrest van verwijzing, de akte van beschuldiging en de dagvaarding voor de preliminaire zitting betekenen aan de beschuldigde en de andere partijen. Indien de beschuldigde zich in hechtenis bevindt, moet de betekening aan de persoon worden gedaan.

Bij niet-naleving van deze termijn en op voorwaarde dat een van de partijen die niet-naleving opwerpt uiterlijk bij de preliminaire zitting en vóór alle exceptie of verweer, bepaalt de voorzitter bij beschikking ambtshalve een nieuwe datum en een nieuw uur voor de opening van de preliminaire zitting.

Art. 301. — De beschuldigde en de burgerlijke partij verschijnen persoonlijk of in de persoon van een advocaat.

Ingeval de beschuldigde persoonlijk verschijnt, verschijnt hij ongeboeid en slechts vergezeld door bewakers om te beletten dat hij ontvlucht. De voorzitter vraagt hem zijn naam, zijn voornamen, zijn leeftijd, zijn beroep, zijn woonplaats en zijn geboorteplaats.

Het bepaalde in artikel 190, eerste lid, en in de artikelen 308, eerste tot derde lid, en 309, is van toepassing.

Art. 302. — De partijen omschrijven de middelen bedoeld in artikel 235bis die zij aan de feitenrechter kunnen onderwerpen, bij schriftelijke conclusie. Ze dienen deze uiterlijk, op straffe van niet ontvankelijkheid, in bij de preliminaire zitting.

De voorziening in cassatie tegen dit arrest wordt ingesteld samen met de voorziening tegen het eindarrest, bedoeld in artikel 371.

Art. 303. — Zo de voorzitter het gerechtelijk onderzoek onvolledig acht of zo er sedert het afsluiten van het onderzoek nieuwe gegevens aan het licht zijn gekomen, kan hij, ambtshalve of op verzoek van één van de partijen, beslissen over de uitvoering van alle onderzoeksdaden die hij nuttig acht, met uitzondering van een bevel tot aanhouding. De processen-verbaal en andere stukken of documenten die tijdens dat aanvullend gerechtelijk onderzoek worden verzameld, worden neergelegd ter griffie en bij het dossier van de rechtspleging gevoegd.

De griffier stelt de procureur-generaal en de partijen van die neerlegging in kennis en bezorgt aan elk van de partijen kosteloos een afschrift van het aanvullend dossier.

Art. 304. — § 1. Uiterlijk vijf dagen voor de preliminaire zitting leggen de procureur-generaal en de partijen ter griffie de lijst neer met de gegevens van de getuigen die zij wensen te laten horen. De procureur-generaal en de partijen kunnen hun verzoek met redenen omkleden.

In de lijst wordt een onderscheid gemaakt tussen de getuigen betreffende de feiten en de schuld enerzijds en de moraliteitsgetuigen anderzijds.

§ 2. De voorzitter stelt de lijst van getuigen samen.

Hij wijst de verzoeken van partijen af wanneer de verzochte getuigen betreffende de feiten of de schuld kennelijk geen uitstaans hebben met de feiten die aan de beschuldigde worden ten laste gelegd of met diens schuld of onschuld desbetreffende.

Wat de moraliteitsgetuigen betreft, staat de voorzitter, per beschuldigde en per in de misdrijfomschrijving genoemd slachtoffer, het getuigenverhoor toe van ten hoogste vijf personen, tenzij hij beslist dit aantal te verhogen in het licht van de omstandigheden van de zaak. In elk geval worden de verantwoordelijken voor het opstellen van het persoonlijkheidsdossier en het psychiatrisch of psychologisch onderzoek bedoeld in artikel 62quater, bijkomend opgenomen op de lijst van getuigen.

§ 3. Het arrest omvat eveneens de lijst van getuigen. Deze lijst bevat de namen, beroep en verblijfplaats van de getuigen, evenals het aantal getuigen van wie bepaalde identiteitsgegevens overeenkomstig artikel 321ter terechtzitting niet zullen worden vermeld, onverminderd de bevoegdheid van de voorzitter verleend bij artikel 307.

Afdeling II

Zitting ten gronde

Onderafdeling 1

Algemene bepalingen

Art. 305. — Het onderzoek ter terechtzitting wordt mondeling gevoerd.

De beschuldigde verschijnt ongeboeid en wordt slechts vergezeld door bewakers om te beletten dat hij ontvlucht.

Het bepaalde in artikel 190, eerste lid, geldt eveneens voor de hoven van assisen.

Wanneer de debatten eenmaal begonnen zijn, moeten zij worden voortgezet zonder onderbreking, en zonder enigerlei verbinding met de buitenwereld, tot na de verklaring van de jury. De voorzitter mag ze alleen schorsen voor de nodige rustpozen ten behoeve van de gezworenen, de getuigen, de beschuldigden en de burgerlijke partijen.

Art. 306. — § 1. De debatten worden integraal auditief geregistreerd, in twee exemplaren.

Beide exemplaren worden als originelen beschouwd en ter griffie neergelegd. Van de opnames mag geen enkele kopie worden gemaakt.

De opnames worden bij het dossier gevoegd.

§ 2. De in het geding zijnde partijen kunnen de opnames ter griffie beluisteren gedurende de termijn binnen dewelke een voorziening in cassatie kan worden ingesteld overeenkomstig artikel 371.

Onderafdeling 2

Ambtsverrichtingen van de voorzitter

Art. 307. — § 1. De voorzitter is er persoonlijk mee belast de gezworenen bij de uitoefening van hun taak te begeleiden, hen op hun plichten te wijzen, in het bijzonder op hun plicht tot discretie, het gehele onderzoek voor te zitten en te bepalen in welke volgorde het woord zal worden verleend aan hen die het vragen.

Hij is belast met de handhaving van de orde ter terechtzitting.

§ 2. De voorzitter neemt, zelfs ambtshalve, elke nuttige maatregel om alle bewijzen ten laste en ten ontlaste te verzamelen. Hij leidt de debatten op een objectieve en onpartijdige wijze.

De voorzitter kan in de loop van de debatten alle personen oproepen, zelfs bij bevel tot medebrenging, en hen verhoren, of zich alle nieuwe stukken doen brengen, die, volgens de nadere gegevens ter terechtzitting verstrekt door de beschuldigden of door de getuigen, naar zijn oordeel op het betwiste feit meer licht kunnen werpen.

De aldus opgeroepen getuigen worden gehoord overeenkomstig de bij de artikelen 320 tot 324 bepaalde voorschriften.

Alles wat de debatten zou verlengen zonder hoop te geven op meer zekerheid omtrent de uitkomst, moet door de voorzitter worden afgewezen.

Art. 308. — Ingeval de beschuldigde, de burgerlijke partij, de getuigen of een van hen niet dezelfde taal of hetzelfde idioom spreken, benoemt de voorzitter ambtshalve, op straffe van nietigheid, een tolk, ten minste eenentwintig jaar oud, en doet hem, eveneens op straffe van nietigheid, de eed afleggen dat hij trouw het gezegde zal vertalen, dat moet worden overgebracht aan degenen die een verschillende taal spreken.

De beschuldigde, de burgerlijke partij en de procureur-generaal kunnen de tolk wraken, op voorwaarde dat zij de reden van hun wraking opgeven.

De voorzitter doet uitspraak.

Zelfs met instemming van de beschuldigde, van de burgerlijke partij en van de procureur-generaal kan de tolk niet worden gekozen uit de getuigen en de gezworenen, zulks op straffe van nietigheid.

Art. 309. — Indien de beschuldigde doofstom is en niet kan schrijven, benoemt de voorzitter ambtshalve tot zijn tolk de persoon die het meest gewoon is met hem om te gaan.

Hetzelfde geschiedt ten aanzien van een doofstomme getuige of van een doofstomme burgerlijke partij.

De overige bepalingen van artikel 308 zijn van toepassing.

Ingeval de doofstomme kan schrijven, worden de tot hem gerichte vragen en opmerkingen door de griffier op schrift gesteld; zij worden overhandigd aan de beschuldigde, de burgerlijke partij of de getuige, die zijn antwoord of zijn verklaring schriftelijk geeft. De griffier leest alles voor.

Onderafdeling 3

Ambtsverrichtingen van de procureur-generaal

Art. 310. — De procureur-generaal neemt deel aan de debatten; hij vordert de toepassing van de straf; hij is tegenwoordig bij de uitspraak van het arrest.

Onderafdeling 4

Oproeping en verschijning van de partijen

Art. 311. — § 1. De procureur-generaal laat in één exploot aan de beschuldigde en aan de burgerlijke partij betekenen :

1º het arrest betreffende de preliminaire zitting;

2º de dagvaarding om te verschijnen op de zitting bestemd voor de samenstelling van de jury, en

3º de dagvaarding om te verschijnen op de zitting ten gronde.

§ 2. Die betekening moet aan de persoon worden gedaan indien de beschuldigde zich in hechtenis bevindt. De termijn van dagvaarding is vijftien dagen, tenzij de partijen daar uitdrukkelijk afstand van doen. Bij niet-naleving van deze termijn en op voorwaarde dat één van de partijen die niet- naleving opwerpt uiterlijk bij de opening van de zitting en vóór alle exceptie of verweer, bepaalt de voorzitter bij beschikking ambtshalve een nieuwe datum en een nieuw uur voor de opening van de zitting.

Art. 312. — Wanneer de beschuldigde, die zich niet in hechtenis bevindt, zich niet persoonlijk aanmeldt of zich niet laat vertegenwoordigen door een advocaat, op de voor de opening van de debatten vastgestelde datum, geeft de voorzitter van het hof van assisen terstond een beschikking houdende dat die beschuldigde bij verstek zal worden berecht.

Vervolgens zal te werk worden gegaan zoals bepaald in Hoofdstuk VI, Afdeling II.

Onderafdeling 5

Samenstelling van de jury

Art. 313. — Ten minste acht dagen voor de zitting ten gronde, worden de gezworenen geroepen voor het hof van assisen in tegenwoordigheid van de procureur-generaal, van de beschuldigde of zijn raadsman en van de burgerlijke partij of haar raadsman.

Niettegenstaande het vermoeden van artikel 234 van het Gerechtelijk Wetboek, ontslaat de voorzitter ambtshalve de personen die niet voldoen aan de eerst of derde voorwaarde bedoeld in artikel 217 van het vermelde Wetboek of aan de voorwaarden bedoeld in artikel 224 van het zelfde Wetboek.

Hij doet uitspraak over de vragen om vrijstelling van de opgeroepen gezworenen.

Hij ontslaat de opgeroepen gezworenen die de volle leeftijd van vijfenzestig jaar hebben bereikt, zo zij daarom vragen.

Hij ontslaat degenen die kennelijk niet in staat zijn de taak van gezworene te vervullen.

De namen van de aanwezige niet vrijgestelde gezworenen worden in een bus gelegd.

Art. 314. — Zijn er niet voldoende gezworenen aanwezig, dan loot de voorzitter overeenkomstig de artikelen 238 en 239 van het Gerechtelijk Wetboek, zoveel gezworenen uit als hij bepaalt. Deze worden onmiddellijk met alle nuttige middelen opgeroepen om te verschijnen op de dag die de voorzitter bepaalt. Met de aldus opgeroepen, aanwezige en niet vrijgestelde gezworenen wordt het vereiste aantal aangevuld, in de orde die het lot bepaalt.

Art. 315. — De voorzitter neemt een voor een de namen van de gezworenen uit de bus.

De jury is samengesteld zodra acht namen van gezworenen uit de bus zijn gekomen. Vervolgens loot de voorzitter het aantal plaatsvervangende gezworenen uit dat bepaald is bij uitvoering van artikel 124 van het Gerechtelijk Wetboek.

Voor de gezworenen en de plaatsvervangende gezworenen wordt voorzien in een informatiesessie waarvan de inhoud wordt bepaald door de Koning

In geval van uitstel van de zaak naar een onbepaalde datum, wordt de lijst van de gezworenen voor die zaak vernietigd en wordt, op straffe van nietigheid, overgegaan tot de samenstelling van een nieuwe jury.

Art. 316. — Vervolgens richt de voorzitter tot de gezworenen, die hem rechtstaand aanhoren, de volgende toespraak :

« Gij zweert en belooft dat gij de aan de beschuldigde. ten laste gelegde feiten met de grootste aandacht zult onderzoeken; dat gij geen afbreuk zult doen aan de belangen van de beschuldigde of aan de belangen van de maatschappij, die hem beschuldigt; dat gij met niemand in verbinding zult komen voordat uw verklaring is afgelegd; dat gij geen gehoor zult geven aan haat of kwaadwilligheid, aan vrees of genegenheid; dat gij zult beslissen op grond van de bewijzen en de middelen van verdediging met onpartijdigheid en vastberadenheid zoals het een vrij en rechtschapen mens betaamt ».

of :

« Vous jurez et promettez d'examiner avec l'attention la plus scrupuleuse les charges qui seront portées contre N., de ne trahir ni les intérêts de l'accusé, ni ceux de la société qui l'accuse; de ne communiquer avec personne jusqu'après votre déclaration; de n'écouter ni la haine ou la méchanceté, ni la crainte ou l'affection; de vous décider d'après des preuves et les moyens de défense, avec l'impartialité et la fermeté qui conviennent à un homme probe et libre ».

of :

« Sie schwören und versprechen, die gegen N. erhobenen Beschuldigungen mit grösster Aufmerksamkeit zu prüfen, weder das Interesse des Angeklagten noch das der menschlichen Gesellschaft, die Anklage gegen ihn erhebt, zu verletzen; mit niemandem bis zur Abgabe Ihrer Erklärung in Verbindung zu treten; sich weder von Hass noch Bosheit, Furcht oder Zuneigung leiten zu lassen; Ihre Entscheidung aufgrund der vorgebrachten Belastungs- und Entlastungsmittel zu füllen, und zwar nach Ihrem Gewissen und Ihrer festen Ueberzeugung, mit der Unparteilichkeit und Standhaftigkeit eines freien und anständigen Menschen ».

De gezworenen, een voor een door de voorzitter genoemd, antwoorden met opgeheven hand « Ik zweer het », op straffe van nietigheid.

Onderafdeling 6

Behandeling ter terechtzitting

Art. 317. — De griffier overhandigt aan elke gezworene een afschrift van de akte van beschuldiging en van de akte van verdediging zo er één bestaat.

De procureur–generaal zet beknopt het onderwerp van de beschuldiging uiteen.

Indien hij dit wenst, zet de beschuldigde of zijn advocaat beknopt zijn verdediging uiteen.

Onderzoek van de bewijsmiddelen. —

Art. 318. — De voorzitter beveelt aan de getuigen, met uitzondering van de burgerlijke partij, zich te begeven naar de voor hen bestemde kamer. Zij zullen die slechts verlaten om hun getuigenis af te leggen. Zo nodig neemt de voorzitter maatregelen om de getuigen te beletten zich vóór het afleggen van hun getuigenis met elkaar te onderhouden over het misdrijf en over de beschuldigde.

Art. 319. — De getuige wiens identiteit met toepassing van de artikelen 86bis en 86ter verborgen werd gehouden, kan niet ter terechtzitting worden gedagvaard, tenzij hij daarin toestemt. De voorzitter leest zijn getuigenverklaring voor ter terechtzitting en vermeldt dat de identiteitsgegevens van deze getuige verborgen werden gehouden met toepassing van de artikelen 86bis en 86ter. Indien de getuige erin toestemt ter terechtzitting te getuigen, behoudt hij zijn volledige anonimiteit. In dit geval neemt de voorzitter de nodige maatregelen om de anonimiteit van de getuige te waarborgen.

De voorzitter kan, hetzij ambtshalve, hetzij op vordering van het openbaar ministerie, hetzij op verzoek van de beschuldigde, de burgerlijke partij of hun raadslieden, de onderzoeksrechter gelasten om deze getuige opnieuw te verhoren of om een nieuwe getuige te verhoren met toepassing van de artikelen 86bis en 86ter, teneinde de waarheid aan de dag te brengen. De voorzitter kan beslissen dat hij aanwezig zal zijn bij het verhoor van de getuige door de onderzoeksrechter.

Art. 320. — De getuigen worden gehoord, in de door de voorzitter bepaalde volgorde. Alvorens te getuigen leggen zij, op straffe van nietigheid, de eed af dat zij zullen spreken zonder haat en zonder vrees, dat zij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zullen zeggen.

De voorzitter vraagt ze hun naam, voornamen, leeftijd, beroep, woonplaats of verblijfplaats, of zij de beschuldigde kenden vóór het feit dat in de akte van beschuldigde vermeld is, of zij bloedverwant of aanverwant zijn, hetzij van de beschuldigde, hetzij van de burgerlijke partij, en zo ja in welke graad; hij vraagt hun ook of zij niet in dienst zijn van een van beiden; daarna leggen de getuigen mondeling hun verklaring af.

Niettemin kan de voorzitter de personen die als deskundige of getuige worden gehoord, de toestemming geven of verzoeken tijdens hun verklaring notities te gebruiken, die vooraf of ter zitting worden neergelegd en bij het dossier worden gevoegd.

Getuigen van wie de identiteit veranderd is, overeenkomstig de toepassing van artikel 104, § 2, leggen hun verklaring steeds onder hun oude identiteit af.

Art. 321. — De voorzitter die een getuige wil verhoren die niet door de onderzoeksrechter gehoord is, kan, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de getuige, hetzij op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de beschuldigde, de burgerlijke partij of hun raadslieden, beslissen dat ter terechtzitting en in het proces-verbaal van de terechtzitting geen melding wordt gemaakt van bepaalde identiteitsgegevens bedoeld in artikel 320, indien er een redelijk vermoeden bestaat dat de getuige, of een persoon uit diens naaste omgeving, ingevolge het bekend geraken van deze gegevens en ingevolge het afleggen van zijn verklaring een ernstig nadeel zou kunnen ondervinden. De voorzitter vermeldt de redenen hiervan ter terechtzitting. Deze worden opgenomen in het proces-verbaal.

De getuige aan wie reeds gedeeltelijke anonimiteit werd toegekend overeenkomstig artikel 75bis, behoudt zijn gedeeltelijke anonimiteit. De gedeeltelijke anonimiteit toegekend overeenkomstig artikel 75bis of overeenkomstig het eerste lid van dit artikel staat het verhoor van de getuige ter terechtzitting niet in de weg.

De procureur-generaal houdt een register bij van alle getuigen waarvan identiteitsgegevens overeenkomstig dit artikel niet werden vermeld ter terechtzitting.

De procureur-generaal en de voorzitter nemen ieder voor zich de maatregelen die redelijkerwijze nodig zijn om de onthulling van de in het eerste lid bedoelde identiteitsgegevens te voorkomen.

Art. 322. — In afwijking van artikel 320 dient geen melding te worden gemaakt van de woonplaats of verblijfplaats van de personen die in de uitoefening van hun beroepsactiviteit belast zijn met de vaststelling van en het onderzoek naar een misdrijf of naar aanleiding van de toepassing van de wet kennis nemen van omstandigheden waarin het misdrijf werd gepleegd, en die in die hoedanigheid als getuigen worden gehoord. In de plaats daarvan is het hun toegestaan hun dienstadres of het adres waarop zij gewoonlijk hun beroep uitoefenen op te geven. De dagvaarding om te getuigen kan regelmatig op dit adres worden betekend.

Art. 323. — § 1. Het hof kan op met redenen omklede vordering van de procureur-generaal beslissen om een bedreigde getuige aan wie de Getuigenbeschermingscommissie een beschermingsmaatregel heeft toegekend of een in het buitenland verblijvende getuige of deskundige wanneer ter zake wederkerigheid is gewaarborgd, met zijn instemming te horen via een videoconferentie, indien het niet wenselijk of mogelijk is dat de te horen persoon in persoon ter zitting verschijnt.

§ 2. Het hof kan op met redenen omklede vordering van de procureur-generaal beslissen om een bedreigde getuige aan wie de Getuigenbeschermingscommissie een beschermingsmaatregel heeft toegekend, met zijn instemming te horen via een gesloten televisiecircuit, indien het niet wenselijk of mogelijk is dat de te horen persoon in persoon ter zitting verschijnt.

§ 3. Bij de te horen persoon bevindt zich een officier van gerechtelijke politie of, wanneer de te horen persoon zich in het buitenland bevindt, een buitenlandse justitiële autoriteit. Deze stelt de identiteit van de te horen persoon vast en stelt daarvan een proces-verbaal op dat ondertekend wordt door de te horen persoon.

§ 4. De persoon die via een teleconferentie is gehoord, wordt geacht te zijn verschenen en aan de oproeping te hebben voldaan.

§ 5. Op met redenen omklede vordering van de procureur-generaal kan de rechtbank beslissen om beeld- en stemvervorming toe te staan. In dat geval kunnen de via de videoconferentie of het gesloten televisiecircuit afgelegde verklaringen slechts in aanmerking genomen worden als bewijs op voorwaarde dat zij in afdoende mate steun vinden in andersoortige bewijsmiddelen.

Art. 324. — § 1. Het hof kan op met redenen omklede vordering van de procureur-generaal beslissen om een bedreigde getuige aan wie de Getuigenbeschermingscommissie een beschermingsmaatregel heeft toegekend of een in het buitenland verblijvende getuige of deskundige wanneer ter zake wederkerigheid is gewaarborgd, met zijn instemming te horen via een teleconferentie, indien het niet wenselijk of mogelijk is dat de te horen persoon persoonlijk verschijnt of gehoord wordt via een videoconferentie of een gesloten televisiecircuit.

§ 2. Bij de te horen persoon bevindt zich een officier van gerechtelijke politie of, wanneer de te horen persoon zich in het buitenland bevindt, een buitenlandse justitiële autoriteit. Deze stelt de identiteit van de te horen persoon vast en stelt daarvan een proces-verbaal op dat ondertekend wordt door de te horen persoon.

§ 3. De persoon die via een teleconferentie is gehoord, wordt geacht te zijn verschenen en aan de oproeping te hebben voldaan.

§ 4. De via een teleconferentie afgelegde verklaringen kunnen slechts in aanmerking genomen worden als bewijs op voorwaarde dat zij in afdoende mate steun vinden in andersoortige bewijsmiddelen.

§ 5. Op met redenen omklede vordering van de procureur-generaal kan het hof beslissen om stemvervorming toe te staan.

Art. 325. — Wanneer de procureur-generaal, de beschuldigde of de burgerlijke partij van oordeel zijn dat een getuigenis niet met de waarheid overeenstemt, kunnen zij vorderen dat de voorzitter de griffier aantekening doet houden van de inhoud ervan. De voorzitter kan dit ook ambtshalve doen.

Art. 326. — De voorzitter kan aan de getuigen en de beschuldigde alle ophelderingen vragen die hij nodig acht om de waarheid aan de dag te brengen.

De gezworenen hebben hetzelfde recht, maar moeten aan de voorzitter het woord vragen. De beschuldigde en zijn raadsman kunnen, bij monde van de voorzitter, aan de getuige vragen stellen. De procureur- generaal, de burgerlijke partij en haar raadsman kunnen, bij monde van de voorzitter, vragen stellen aan de getuige of aan de beschuldigde.

De voorzitter kan evenwel verbieden dat bepaalde vragen worden gesteld.

Art. 327. — Nadat de getuige zijn getuigenis heeft afgelegd, kan de voorzitter hem bevelen ter beschikking van het hof van assisen te blijven totdat het hof zich in de beraadslagingskamer heeft teruggetrokken.

Art. 328. — § 1. De volgende personen worden niet toegelaten om te getuigen :

1º de vader, de moeder, de grootvader, de grootmoeder en de andere bloedverwanten in de opgaande lijn van de beschuldigde of van een van de medebeschuldigden die aanwezig zijn en in hetzelfde debat betrokken zijn;

2º de zoon, de dochter, de kleinzoon, de kleindochter en de andere bloedverwanten in de nederdalende lijn;

3º de broeders en de zusters;

4º de aanverwanten in dezelfde graden;

5º de man of de vrouw, zelfs nadat echtscheiding is uitgesproken;

6º de aangevers wier aangifte door de wet met geld beloond wordt;

7º de burgerlijke partij;

8º kinderen onder de leeftijd van vijftien jaar.

§ 2. Het horen van de personen vermeld in § 1, kan geen nietigheid teweeg brengen wanneer, noch de procureur-generaal, noch de burgerlijke partij, noch de beschuldigde zich ertegen verzet hebben dat zij gehoord worden.

In geval van verzet van de procureur-generaal of van één of meer partijen, kan de voorzitter die personen buiten eed horen. Hun verklaringen worden als gewone inlichtingen beschouwd.

§ 3. Kinderen onder de leeftijd van vijftien jaar en wettelijk ontzetten mogen nooit onder eed worden gehoord.

Art. 329. — De getuigen, voorgebracht door de procureur-generaal, door de beschuldigde of door de burgerlijke partij worden bij de debatten gehoord, zelfs wanneer zij tevoren geen schriftelijk getuigenis hebben afgelegd en zelfs wanneer zij geen dagvaarding hebben ontvangen, mits die getuigen in elk geval opgenomen zijn in het arrest bedoeld in artikel 304.

Art. 330. — De burgerlijke partij, indien zij dit vraagt, wordt gehoord.

Art. 331. — De procureur-generaal, de beschuldigde en de burgerlijke partij kunnen in de loop van de debatten verzoeken dat getuigen welke niet zijn vermeld in het arrest bedoeld in artikel 304 worden gedagvaard. De voorzitter laat het verhoor van deze getuigen toe wanneer dit noodzakelijk lijkt in het licht van elementen die zijn opgedoken tijdens de debatten.

Art. 332. — De getuigen, door welke partij ook voorgebracht, mogen nooit tot elkaar het woord richten.

Art. 333. — De beschuldigde en de burgerlijke partij kunnen vragen dat de getuigen die zij aanwijzen, na hun getuigenis de gehoorzaal verlaten, en dat een of meer onder hen opnieuw binnengeroepen en, hetzij afzonderlijk, hetzij in elkaars bijzijn, gehoord worden.

De procureur-generaal heeft hetzelfde recht.

De voorzitter kan zulks ook ambtshalve bevelen.

Art. 334. — De voorzitter kan voor, gedurende of na het verhoor van een getuige een of meer beschuldigden doen verwijderen en hen afzonderlijk ondervragen over bepaalde omstandigheden van de zaak; maar hij draagt zorg dat de algemene debatten niet worden hervat dan nadat hij elke beschuldigde heeft ingelicht over wat in zijn afwezigheid gedaan is en over wat eruit gevolgd is.

Art. 335. — Wat de minderjarige getuigen betreft, past de voorzitter in voorkomend geval, de artikelen 92 tot 101 inzake het opgenomen verhoor toe.

Wanneer hij de verschijning van de minderjarige noodzakelijk vindt om de waarheid aan de dag te brengen, wordt deze verschijning bij wege van videoconferentie georganiseerd, tenzij de minderjarige de wil uitdrukt op de zitting te getuigen.

In geval van verhoor door middel van videoconferentie wordt de minderjarige gehoord in een afzonderlijk lokaal in aanwezigheid, in voorkomend geval, van de in artikel 91bis bedoelde persoon, zijn advocaat, een lid of leden van de technische dienst en een psychiater- of pycholoog-deskundige.

Wanneer de voorzitter het noodzakelijk vindt voor de sereniteit van de getuigenis, kan hij het oogcontact tussen de minderjarige en de beschuldigde in alle gevallen beperken of uitsluiten.

Dit artikel is van toepassing op minderjarigen van wie het verhoor werd opgenomen met toepassing van artikel 92 en die de leeftijd van de meerderjarigheid hebben bereikt op het moment van de zitting.

Art. 336. — Gedurende het onderzoek kunnen de gezworenen, de procureur-generaal en de voorzitter optekenen wat hun gewichtig lijkt in de verklaringen van de getuigen of in de verdediging van de beschuldigde, mits het debat daardoor niet onderbroken wordt.

Art. 337. — Indien volgens de debatten de verklaring van een getuige vals schijnt te zijn, kan de voorzitter, op vordering van de procureur-generaal, van de burgerlijke partij of van de beschuldigde en zelfs ambtshalve, de getuige terstond doen aanhouden en hij kan zelfs het ambt van onderzoeksrechter tegenover hem waarnemen, of hem in staat van aanhouding naar de bevoegde onderzoeksrechter verwijzen.

Wanneer de voorzitter het ambt van onderzoeksrechter waarneemt, treedt de procureur-generaal op als officier van gerechtelijke politie en spreekt de kamer van inbeschuldigingstelling zich uit zowel over de bevestiging van het bevel tot aanhouding als over de inbeschuldigingstelling.

Art. 338. — In het geval van artikel 337 kan de procureur-generaal, de burgerlijke partij of de beschuldigde dadelijk vorderen en kan de voorzitter, zelfs ambtshalve, bevelen dat de zaak naar een onbepaalde datum wordt verwezen.

Art. 339. — Wanneer een gedagvaarde getuige niet verschijnt of wanneer een getuige overleden is, kan de voorzitter voorlezing doen van diens tijdens het onderzoek, zelfs onder eed, afgelegde verklaringen. De voorzitter kan, behoudens verzet van de partijen, beslissen dat een gedagvaarde getuige die verschijnt, niet in zijn getuigenis wordt gehoord.

Hij kan, onder dezelfde voorwaarde, beslissen dat er geen grond is om de persoon die met toepassing van artikel 307, § 2, tweede lid, is opgeroepen om te getuigen, in zijn getuigenis te horen.

Art. 340. — Indien de zaak naar een onbepaalde datum wordt verwezen omdat een getuige niet verschenen is, komen alle kosten van dagvaarding, akten, reizen van getuigen, en andere die strekken tot het vonnissen van de zaak, ten laste van die getuige; hij wordt in die kosten veroordeeld, op vordering van de procureur-generaal, bij het arrest dat de debatten naar een onbepaalde datum verwijst.

Niettemin wordt de getuige die niet verschijnt of die weigert hetzij de eed te doen, hetzij zijn getuigenis af te leggen, in alle gevallen veroordeeld tot de bij artikel 80 bepaalde straf.

Art. 341. — Tegen deze veroordeling staat verzet open gedurende tien dagen na de betekening ervan aan de veroordeelde getuige of aan zijn woonplaats; het verzet wordt ontvangen, indien hij bewijst dat hij wettig verhinderd was of dat de tegen hem uitgesproken geldboete moet worden verminderd.

De debatten. —

Art. 342. — De voorzitter wijst uit de beschuldigden diegene aan die bij de debatten het eerst aan de beurt moet komen, te beginnen met de hoofdbeschuldigde, indien er een is.

Vervolgens wordt een bijzonder debat gehouden over elk van de andere beschuldigden.

Art. 343. — Na de verklaringen van de getuigen en de beweringen waartoe die over en weer aanleiding hebben gegeven, worden de burgerlijke partij of haar raadsman en de procureur-generaal gehoord en zetten zij de middelen tot staving van de beschuldiging uiteen.

De beschuldigde en zijn raadsman kunnen hun antwoorden.

De burgerlijke partij en de procureur-generaal hebben recht van repliek; maar de beschuldigde of zijn raadsman heeft altijd het laatste woord.

De voorzitter verklaart vervolgens de debatten gesloten.

Onderafdeling 7

Beraadslaging. —

Art. 344. — Alvorens de voorzitter en de gezworenen zich terugtrekken voor de beraadslaging, herinnert de voorzitter de gezworenen aan de ambtsverrichtingen die zij te vervullen hebben.

Art. 345. — De voorzitter, de griffier en de gezworenen trekken zich terug in de beraadslagingkamer.

Zij mogen deze eerst verlaten wanneer zij tot een uitspraak zijn gekomen.

Niemand heeft tijdens de beraadslaging, om welke reden ook, toegang tot die kamer.

De voorzitter is gehouden aan de dienstdoende bevelhebber van de betrokken politiedienst schriftelijk het bepaalde bevel te geven om de uitgangen van hun kamer te doen bewaken; die bevelhebber wordt in het bevel met naam en hoedanigheid aangewezen.

De voorzitter neemt de maatregelen die nodig zijn opdat de plaatsvervangende gezworenen gedurende de beraadslaging niet in betrekking komen met andere personen.

Het hof kan de gezworene die het bevel overtreedt, straffen met een geldboete van ten hoogste vijfhonderd euro. Ieder ander die het bevel overtreedt, of hij die het niet doet uitvoeren, kan worden gestraft met een gevangenisstraf van vierentwintig uren.

Art. 346. — De gezworenen beraadslagen voor elke beschuldigde over de hem ten laste gelegde feiten, eerst over het hoofdfeit en daarna over elke omstandigheid.

Indien een andere misdrijfomschrijving in aanmerking wordt genomen dan deze waarover tijdens de debatten tegenspraak werd gevoerd, beveelt de voorzitter de heropening van de debatten.

Art. 347. — De voorzitter staat de gezworenen tijdens de beraadslaging bij. Hij licht in voorkomend geval de rechtsvragen toe. Hij waakt erover dat elke gezworene het woord kan nemen en zijn mening in alle vrijheid kan uitdrukken.

Doorheen de beraadslaging formuleert de voorzitter, bijgestaan door de griffier, de redenen die leiden tot de voorstellen van beslissing die aan de stemming zullen worden onderworpen.

Art. 348. — Bij het einde van de beraadslaging doet de voorzitter hoofdelijke rondvraag. De gezworenen brengen hun stem uit, te beginnen met de jongste.

Art. 349. — De beslissing van de jury voor of tegen de beschuldigde wordt genomen bij meerderheid van stemmen.

Bij staking van stemmen is de beslissing ten gunste van de beschuldigde.

Indien de jury de beschuldigde slechts bij eenvoudige meerderheid, met vijf stemmen tegen drie, schuldig acht aan het hoofdfeit, spreekt de voorzitter zich uit. De beschuldigde wordt vrijgesproken indien de voorzitter zich niet met de meerderheid van de jury verenigt.

Art. 350. — Het hof is gehouden haar beslissing inzake de schuld te motiveren. Evenwel bestaat geen verplichting tot beantwoording van conclusies.

De beslissing wordt ondertekend door de voorzitter en de griffier.

Art. 351. — De voorzitter en de gezworenen komen daarna in de zittingszaal terug en nemen opnieuw hun plaats in.

Onderafdeling 8

De beslissing. —

Art. 352. — De voorzitter doet de beschuldigde binnenkomen en leest in zijn tegenwoordigheid het arrest voor.

Art. 353. — De beschuldigde die door een hof van assisen is vrijgesproken kan niet meer worden vervolgd wegens dezelfde feiten, ongeacht de juridische omschrijving daarvan.

Onderafdeling 9

De straftoemeting. —

Art. 354. — Wanneer de beschuldigde schuldig verklaard is, vordert de procureur-generaal de toepassing van de wet.

De voorzitter verleent het woord aan de beschuldigde en zijn raadsman.

De beschuldigde en zijn raadsman mogen niet meer pleiten over de schuld.

Art. 355. — Het hof ontslaat de beschuldigde van rechtsvervolging, indien het feit waaraan hij schuldig is verklaard, niet strafbaar is of indien de strafvordering uit hoofde van dit feit vervallen is.

Art. 356. — Indien het feit strafbaar is, zelfs indien het niet meer behoort tot de bevoegdheid van het hof van assisen, doet de voorzitter de beschuldigde verwijderen uit de zittingszaal en begeeft hij zich met de gezworenen naar de beraadslagingskamer. Het aldus samengestelde college, door de voorzitter van het hof voorgezeten, beraadslaagt over de straf die overeenkomstig de strafwet moet worden uitgesproken en over haar motivering.

De beslissingen worden genomen bij volstrekte meerderheid van stemmen.

De voorzitter doet hoofdelijke omvraag; eerst brengen de gezworenen hun mening uit, te beginnen met de jongste, en ten slotte hijzelf.

Indien verschillende meningen zijn uitgedrukt, wordt opnieuw gestemd.

Blijven na deze tweede stemming meer dan twee meningen bestaan zonder dat een ervan de volstrekte meerderheid heeft behaald, dan zijn de voorzitter of de gezworenen, die zich het minst gunstig ten aanzien van de beschuldigde hebben uitgesproken, verplicht zich met een van de andere meningen te verenigen.

Blijven nadien nog meer dan twee meningen bestaan zonder dat een ervan de volstrekte meerderheid heeft behaald, dan wordt de bepaling van het vorige lid opnieuw toegepast, totdat een van de meningen de volstrekte meerderheid heeft behaald.

Op voorstel van de voorzitter wordt bij volstrekte meerderheid vervolgens beslist over de formulering van de redenen die geleid hebben tot de bepaling van de opgelegde straf.

Art. 357. — Ieder veroordelend arrest maakt melding van de redenen die geleid hebben tot de bepaling van de opgelegde straf.

De voorzitter, bijgestaan door de griffier, schrijft het arrest en ondertekent het.

Het arrest vermeldt de aanwijzing van de toegepaste strafwet.

Art. 358. — De beschuldigde die veroordeeld wordt, wordt verwezen in de kosten jegens de Staat.

Art. 359. — Het hof en de gezworenen keren vervolgens naar de gehoorzaal terug en nemen opnieuw hun plaats in. De voorzitter doet de beschuldigde binnenkomen en leest het arrest voor; hij wijst ook de tekst aan van de wet waarop de veroordeling gegrond is.

Na uitspraak van het arrest deelt de voorzitter hem mee binnen welke termijn hij zich in cassatie kan voorzien.

Afdeling III

De burgerrechtelijke belangen. —

Art. 360. — De eisen tot schadevergoeding ingesteld hetzij door de beschuldigde tegen zijn aangevers of tegen de burgerlijke partij, hetzij door de burgerlijke partij tegen de beschuldigde of tegen de veroordeelde, worden voor het hof van assisen gebracht.

De burgerlijke partij is gehouden haar eis tot schadevergoeding in te stellen vóór het vonnis; later is die niet-ontvankelijk.

Art. 361. — In geval van ontslag van rechtsvervolging zowel als in geval van veroordeling, doet het hof, zonder de jury, uitspraak over de schadevergoeding of de teruggaven waarop de burgerlijke partij aanspraak maakt.

Deze stelt haar eis. De beschuldigde en zijn raadsman mogen slechts pleiten dat het feit geen grond oplevert tot schadevergoeding aan de burgerlijke partij of dat deze de haar verschuldigde schadevergoeding te hoog stelt. De procureur-generaal wordt desgevallend gehoord in zijn advies.

Het hof, zonder de jury, neemt kennis van de stukken en hoort de partijen.

Art. 362. — Het hof, zonder de jury, neemt de zaak in beraad en beslist vervolgens.

Art. 363. — Het hof, zonder de jury, veroordeelt de beschuldigde die in het ongelijk wordt gesteld, in de kosten jegens de burgerlijke partij; hij kan de burgerlijke partij die in het ongelijk wordt gesteld, veroordelen in de kosten jegens de Staat en jegens de beschuldigde of in een gedeelte ervan.

Art. 364. — Het hof, zonder de jury, beveelt dat de in beslag genomen voorwerpen aan de eigenaar zullen worden teruggegeven.

In geval van veroordeling evenwel geschiedt die teruggave slechts indien de eigenaar bewijst dat de veroordeelde de termijn heeft laten verstrijken zonder zich in cassatie te voorzien of, heeft hij zich wel voorzien, dat de zaak definitief afgedaan is.

Afdeling IV

Algemene bepaling. —

Art. 365. — De griffier maakt een proces-verbaal van de terechtzitting op, ten einde vast te stellen dat de voorgeschreven vormen in acht genomen zijn.

In het proces-verbaal wordt geen melding gemaakt van de antwoorden der beschuldigden of van de inhoud der getuigenissen; onder voorbehoud van de toepassing van artikel 325.

Het proces-verbaal wordt getekend door de voorzitter en door de griffier.

Art. 33

In Boek II, Titel II, van hetzelfde Wetboek, wordt een Hoofdstuk VI ingevoegd, dat de artikelen 366 tot 372 omvat, luidende :

« Hoofdstuk VI

De rechtsmiddelen. —

Afdeling I

Algemene bepaling

Art. 366. — De arresten van het hof van assisen kunnen, onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen van Afdeling II, slechts worden bestreden door het rechtsmiddel van cassatie en in de vorm bij de wet bepaald.

Afdeling II

Verzet. —

Art. 367. — De arresten van het hof van assisen houdende veroordeling bij verstek van de beschuldigde worden aan deze laatste betekend.

De bij verstek veroordeelde kan in verzet komen op de wijze bepaald in artikel 187.

Art. 368. — Het verzet wordt betekend aan de procureur-generaal en aan de partijen tegen wie het gericht is.

Art. 369. — Er wordt volgens de gewone vormvoorschriften een rechtsdag bepaald op een volgende zitting van het hof van assisen.

Art. 370. — Het hof van assisen, dat zitting houdt zonder bijstand van de jury, doet uitspraak over de ontvankelijkheid van het verzet. Indien de eiser in verzet of de advocaat die hem vertegenwoordigt niet verschijnt, wordt het verzet ongedaan verklaard.

Zo het verzet ontvankelijk wordt verklaard, wordt de veroordeling nietig verklaard en wordt de zaak berecht overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk V van deze Titel.

Afdeling III

Voorziening in cassatie. —

Art. 371. — De veroordeelde heeft vijftien vrije dagen na de dag waarop het arrest vóór hem is uitgesproken, om ter griffie te verklaren dat hij een eis tot cassatie instelt.

De procureur-generaal kan binnen dezelfde termijn ter griffie verklaren dat hij zich in cassatie voorziet tegen het arrest.

De burgerlijke partij beschikt ook over dezelfde termijn; maar zij kan de eis tot cassatie slechts instellen ten opzichte van de beschikkingen betreffende haar burgerlijke belangen.

De tenuitvoerlegging van het arrest van het hof is geschorst gedurende die vijftien dagen en, indien er een voorziening in cassatie is ingesteld, tot de ontvangst van het arrest van het Hof van Cassatie.

De artikelen 417, 418 en 420 zijn van toepassing.

Art. 372. — De eiser die tot staving van zijn voorziening in cassatie laat gelden dat de bewijskracht werd geschonden van één of meer getuigenissen, die mede aan de grondslag liggen van de beslissing, duidt, op straffe van onontvankelijkheid, in het middel aan op welke punten deze grief betrekking heeft.

Indien hieraan is voldaan laat de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie overgaan tot de overschrijving van de aangeduide passages of, indien nodig, van de gehele getuigenis. Het Hof van Cassatie kan in elk geval de overschrijving van een deel of van de gehele getuigenis bevelen.

Het Hof van Cassatie vernietigt de beslissing wanneer de door het hof van assisen aan de getuigenis gegeven uitlegging onverenigbaar is met de inhoud en de draagwijdte ervan.

Art. 34

In Boek II, Titel II, van hetzelfde Wetboek, wordt een Hoofdstuk VII ingevoegd, dat de artikelen 373 tot 375 omvat, luidende :

« Hoofdstuk VII

Tenuitvoerlegging van de beslissing. —

Art. 373. — De veroordeling wordt ten uitvoer gelegd binnen vierentwintig uren na de in artikel 371 vermelde termijnen, indien er geen voorziening in cassatie is, of, in geval van voorziening, binnen vierentwintig uren na de ontvangst van het arrest van het Hof van Cassatie waarbij de eis is verworpen.

Art. 374. — De veroordeling wordt ten uitvoer gelegd op bevel van de procureur-generaal; hij heeft het recht te dien einde rechtstreeks de bijstand van de openbare macht te vorderen.

Indien het veroordelend arrest de bijzondere verbeurdverklaring inhoudt van zaken die zich buiten het grondgebied van de Belgische staat bevinden, stelt het openbaar ministerie het Centraal orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring daarvan in kennis en zendt het haar een afschrift van de relevante stukken van het strafdossier toe. Het Centraal Orgaan zendt deze afschriften vervolgens toe aan de minister van Justitie.

Art. 375. — Alle minuten van de arresten, door de hoven van assisen gewezen, worden verzameld en neergelegd op de griffie.

Art. 35

In artikel 410, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door de wet van 23 augustus 1919, worden de volgende wijzigingen aangebracht

1) De woorden « vrijspraak en van » worden ingevoegd tussen de woorden « arresten van » en het woord « ontslag »;

2) Het woord « 363 » wordt vervangen door het woord « 355 »;

3) De woorden « ,indien het ontslag uitgesproken is op grond van het niet bestaan van een strafwet, die echter wel bestond » worden geschrapt.

Art. 36

In artikel 611 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door de wet van 7 mei 1999, wordt het tweede lid geschrapt.

Hoofdstuk V

Bepalingen tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek

Art. 37

In artikel 58bis, 4º van het Gerechtelijk Wetboek, gewijzigd door de wet van 21 juni 2001, worden de woorden « en federaal magistraat » vervangen door de woorden « , federaal magistraat en voorzitter van het hof van assisen ».

Art. 38

In artikel 92, § 1, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door de wet van 3 augustus 1992, wordt een 7º ingevoegd, luidende :

« 7º de strafzaken betreffende misdrijven strafbaar met opsluiting van meer dan twintig jaar. »

Art. 39

Hoofdstuk IV van Titel I van Boek I van Deel II van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende tekst :

« Afdeling I

Algemene bepalingen. —

Art. 114. — In elke provincie en in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad berecht het hof van assisen de beschuldigden die het hof van beroep daarnaar verwijst.

Art. 115. — Het Hof van assisen houdt zitting in Aarlen, Antwerpen, Bergen, Brugge, Brussel, Gent, Leuven, Luik, Namen, Nijvel of Tongeren, naar gelang van het geval.

Indien het aantal of de belangrijkheid van de zaken zulks rechtvaardigt, kan de voorzitter van het betreffende hof van assisen, of desgevallend de eerst aangewezen voorzitter, beschikkend op vordering van de procureur-generaal, de vorming van verscheidene kamers in de hoven van assisen in eenzelfde provincie of het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad gelasten.

Indien buitengewone omstandigheden zulks rechtvaardigen, kan het hof van beroep in algemene vergadering, op vordering van de procureur-generaal of deze magistraat gehoord, gelasten dat de zitting van een of meer hoven van assisen gehouden wordt in de zetel van een andere rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied van het hof van beroep en, zo daartoe grond bestaat, dat een bepaalde zaak aldaar zal berecht worden.

Art. 116. — Verscheidene kamers in de hoven van assisen kunnen tegelijkertijd zitting houden, hetzij in de hoofdplaats van de provincie of het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, hetzij in de hoofdplaats van andere gerechtelijke arrondissementen.

Art. 117. — Op advies van de procureur-generaal en na raadpleging van de partijen stelt de voorzitter van het hof van assisen de datum van opening van de zittingen vast, verdeelt hij in voorkomend geval onder de verschillende kamers de zaken die ernaar verwezen zijn, en stelt hij voor ieder daarvan de datum van de opening van de debatten vast. Ingeval een hof van assisen meerdere voorzitters telt, is degene die eerst werd aangewezen belast met de verdeling van de zaken.

Art. 118. (...)

Afdeling II

Samenstelling van het hof. —

Art. 119. — Het hof van assisen bestaat uit een voorzitter; het houdt zitting bijgestaan door een jury. Voor de behandeling en de berechting van burgerlijke rechtsvorderingen houdt het zitting zonder jury.

Art. 120. — Om tot voorzitter van het hof van assisen te worden aangewezen, moet de kandidaat sedert ten minste drie jaar het ambt van raadsheer in het hof van beroep uitoefenen. De voorzitters van de hoven van assisen kunnen, gelijktijdig aangewezen worden in verschillende hoven van assisen van het rechtsgebied van het hof van beroep.

Wanneer wegens verhindering van de voorzitter het hof van assisen niet kan worden samengesteld, geeft de eerste voorzitter van het hof van beroep opdracht aan een plaatsvervanger onder de leden van het hof van beroep of een wegens hun leeftijd in rust gestelde leden van het hof van beroep die nog niet de leeftijd van 70 jaar hebben bereikt.

In het belang van een goed verloop van de debatten of wanneer de aard van de zaken dit vereist, geeft de eerste voorzitter van het hof van beroep op vordering van de procureur-generaal opdracht aan een of meer leden van het hof van beroep, die als plaatsvervangend voorzitter de debatten bijwonen.

Art. 121. (...)

Art. 122. (...)

Afdeling III

Jury. —

Art. 123. — De jury houdt zitting met acht gezworenen.

Art. 124. In het belang van een goed verloop van de debatten of wanneer de aard van de zaken dit vereist, kan het Hof van assisen, ambtshalve of op vordering van de procureur-generaal voor de uitloting bevelen dat buiten de acht effectieve gezworenen nog één tot acht plaatsvervangende gezworenen worden uitgeloot die de debatten zullen bijwonen. Het Hof is ertoe gehouden zulks te bevelen wanneer de eerste voorzitter aan een of meer plaatsvervangende voorzitters van het Hof van assisen opdracht heeft gegeven.

Afdeling IV

Verhindering en nietigheid. —

Art. 125. — De voorzitter van het hof van assisen die gedurende de debatten verhinderd is zijn ambt te vervullen, wordt vervangen door zijn plaatsvervanger of plaatsvervangers in de volgorde van de aanwijzing. De gezworene die verhinderd is de debatten bij te wonen, wordt vervangen door een plaatsvervangende gezworene volgens de orde van de uitloting, indien de reden van verhindering door het hof is aangenomen.

De plaatsvervangende voorzitters trekken zich eerst terug wanneer het arrest is uitgesproken.

Art. 126. — Het ambt in het hof van assisen heeft voor de magistraten die opdracht hebben ontvangen of die zijn aangewezen, voorrang boven hun andere ambten.

Art. 127. — Op straffe van nietigheid mogen de magistraten die als onderzoeksrechter of openbaar ministerie zijn opgetreden of uitspraak hebben gedaan over de regeling van het onderzoek, niet als voorzitter van het hof van assisen optreden, en de personen die in de zaak opdrachten van gerechtelijke politie hebben vervuld of deel hebben genomen aan een daad van ambtelijk onderzoek of van strafonderzoek, en diegenen die getuige, deskundige, tolk, aangever, klager of betrokken partij zijn geweest, mogen geen gezworene zijn. »

Art. 40

In artikel 166, van hetzelfde Wetboek, wordt het eerste lid vervangen als volgt :

« De Koning benoemt een of meerdere griffiers bij elk hof van assisen. »

Art. 41

In artikel 171, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door de wet van 17 februari 1997, worden het eerste en tweede lid vervangen als volgt :

« In het Hof van Cassatie, het hof van beroep, het arbeidshof, het hof van assisen, de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank, de rechtbank van koophandel, het vredegerecht en de politierechtbank is er een griffie.

De griffie wordt gehouden door de hoofdgriffier en in het hof van assisen door de oudst benoemde griffier. »

Art. 42

Artikel 172, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door de wet van 17 februari 1997, wordt vervangen als volgt :

« Art. 172 — De hoofdgriffier, of in het hof van assisen de oudst benoemde griffier, leidt de griffie, verdeelt de griffietaken en de administratieve taken, en wijst de griffiers aan die de rechter bijstaan. »

Art. 43

In artikel 179, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door de wet van 17 februari 1978, de wet van 17 februari 1997 en de wet van 20 mei 1997, wordt het eerste lid vervangen als volgt :

« Aan de griffie van het hof van beroep en aan de griffie van het hof van assisen kunnen opstellers en beambten verbonden worden, die de minister van Justitie benoemt. »

Art. 44

In art. 181, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door de wet van 17 februari 1997 en de wet van 20 mei 1997, worden de woorden « van een hof van assisen » ingevoegd tussen de woorden « van een rechtbank van koophandel » en « van een hof van beroep ».

Art. 45

In art. 186bis, derde lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door de wet van 13 maart 2001 en de wet van 20 juli 2001, worden de woorden « en voorzitter van het hof van assisen » ingevoegd voor de woorden « , worden geschorst van 15 juli tot 15 augustus ».

Art. 46

Hoofdstuk IV van Titel VI van Boek I van Deel II van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :

« Afdeling I

Opmaken van lijsten van gezworenen. —

Art. 217. — Om op de lijst van gezworenen te worden ingeschreven, moet men :

— de burgerlijke en politieke rechten genieten en geen veroordeling hebben opgelopen tot een gevangenisstraf van meer dan vier maanden of tot een werkstraf van meer dan 60 uur;

— volle vijfentwintig jaar en minder dan vijfenzestig jaar oud zijn;

— kunnen lezen en schrijven.

Onderafdeling 1

Gemeentelijke lijst. —

Art. 218. — Om de vier jaar, in de loop van de maand januari, worden de gezworenen bij loting aangewezen uit de laatste lijst van in het kiezersregister ingeschreven personen, opgemaakt overeenkomstig artikel 14, eerste lid, van het kieswetboek.

Art. 219. — De loting heeft in het openbaar plaats op het gemeentehuis, op de datum en het uur die bij aanplakking worden bekendgemaakt.

Art. 220. — De burgemeester, bijgestaan door twee schepenen, laat tweemaal door het lot een cijfer van 1 tot 0 aanwijzen. Het eerst getrokken cijfer stelt de eenheden voor, het tweede de tientallen. De personen wier rangnummer op de lijst van de parlementskiezers, van de gemeente of van iedere wijk van de gemeente, eindigt op het aldus gevormde getal, worden op de voorbereidende lijst van gezworenen ingeschreven.

Art. 221. — De minister van Justitie bepaalt alle andere omstandigheden van die loting en inzonderheid in hoeveel malen die loting in iedere provincie of het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad moet plaatshebben opdat het nodige aantal gezworenen zou bekomen zijn.

Art. 222. — Onmiddellijk na de loting laat de burgemeester uit de voorbereidende lijst van gezworenen de namen weg van de personen die geen volle vijfentwintig jaar oud zijn of die op één januari daarvoor vijfenzestig jaar geworden zijn.

Art. 223. — De burgemeester is ertoe gehouden een onderzoek in te stellen bij iedere kiezer die op de voorbereidende lijst is ingeschreven gebleven, ten einde te bepalen :

1º of hij kan lezen en schrijven;

2º a) in de provincies Antwerpen, West-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen, Limburg en Vlaams-Brabant, of hij ertoe in staat is de debatten van het hof van assisen in het Nederlands te volgen;

b) in de provincies Henegouwen, Luik, Luxemburg, Namen en Waals-Brabant, of hij ertoe in staat is de debatten van het hof van assisen in het Frans te volgen;

c) in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, of hij ertoe in staat is de debatten van het hof van assisen in het Nederlands, in het Frans of in de twee talen te volgen; in dit laatste geval kan de kiezer aangeven welke taal hij verkiest;

d) in de gerechtelijke arrondissementen Verviers en Eupen, of hij ertoe in staat is de debatten van het Hof van assisen in het Frans, in het Duits of in beide talen te volgen; in dit laatste geval kan de kiezer aangeven welke taal hij verkiest;

3º of hij, al dan niet als hoofdbetrekking, een openbaar ambt bekleedt en hetwelk;

4º of hij bedienaar is van een eredienst;

5º of hij militair is in actieve dienst;

6º of er voor hem enig beletsel bestaat waardoor het hem onmogelijk is het ambt van gezworene te vervullen.

Die kiezers dienen nauwkeurig een formulier in te vullen waarvan de minister van Justitie het model vaststelt.

Art. 224. — Op grond van de inlichtingen ingewonnen door middel van het onderzoek bedoeld in artikel 223, laat de burgemeester uit de voorbereidende lijst van gezworenen weg :

1º de personen die niet kunnen lezen of schrijven;

2º de personen die de taal niet kennen die gebruikt wordt in de rechtspleging ter zitting van het hof van assisen bij hetwelk zij zouden opgeroepen worden om het ambt van gezworene te vervullen;

3º de leden van de Senaat, van de Kamer van volksvertegenwoordigers, de Belgische vertegenwoordigers in het Europese Parlement, de leden van de parlementen van gemeenschappen en gewesten, van de provincieraden, van de gemeenteraden, van de agglomeratieraden en van de raden van de federaties van de gemeenten, van de leden van de Franse en de Nederlandse Commissies voor de Cultuur van de Brusselse agglomeratie, de leden van de Federale regering en van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen en de burgemeesters;

4º de werkende magistraten van de rechterlijke orde, de raadsheren- en de rechters-assessoren in handelszaken en in sociale zaken en de griffiers;

5º de leden van de Raad van State, de assessoren van de afdeling wetgeving, de leden van het auditoraat, van het coördinatiebureau en van de griffie; de leden van het Rekenhof; de provinciegouverneurs, de arrondissements-commissarissen en de provinciale griffiers; de ambtenaren-generaal en de bestuursdirecteurs bij een ministerieel departement; de leden van de Hoge Raad voor de Justitie;

6º de bedienaars van een eredienst;

7º de militairen in actieve dienst.

De burgemeester laat bovendien weg de personen die een veroordeling hebben opgelopen tot een gevangenisstraf van meer dan vier maanden of tot een werkstraf van meer dan 60 uur. Hiertoe raadpleegt hij het Centraal Strafregister.

Art. 225. — Na de weglating wordt de gemeentelijke lijst van gezworenen definitief door de burgemeester afgesloten. Hij is ertoe gehouden er de in aanmerking genomen kiezers in alfabetische orde en volgens een gemeentelijk rangnummer in op te schrijven, zelfs indien er niet is geantwoord bij het onderzoek bedoeld in artikel 223, of er onvolledig of onjuist is geantwoord.

Art. 226. — In het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad maakt de burgemeester twee lijsten op :

— de ene omvat de namen van de personen die, volgens hun verklaringen naar aanleiding van het onderzoek, in het Nederlands de debatten kunnen volgen of die taal gekozen hebben.

— de andere omvat de personen die, volgens hun verklaring naar aanleiding van het onderzoek, in het Frans de debatten kunnen volgen of die taal gekozen hebben.

In de gerechtelijke arrondissementen Verviers en Eupen maakt de burgemeester twee lijsten op : de ene omvat de namen van de personen die, volgens hun verklaringen naar aanleiding van het onderzoek de debatten in het Frans kunnen volgen of die taal gekozen hebben; de andere omvat de personen die volgens hun verklaringen naar aanleiding van het onderzoek de debatten in het Duits kunnen volgen of die taal gekozen hebben.

Art. 227. — De gemeentelijke lijst van gezworenen wordt aan de bestendige deputatie of de Brusselse Hoofdstedelijke regering, naargelang het geval toegezonden vóór één mei, met de formulieren die bij toepassing van artikel 223 zijn ingezameld.

De minister van Justitie bepaalt de wijze waarop de lijsten worden opgemaakt en de gegevens die er moeten worden op ingeschreven.

Onderafdeling 2

Provinciale lijst. —

Art. 228. — De bestendige deputatie maakt de provinciale lijst van gezworenen op en zendt deze vóór 1 juni met dezelfde formulieren aan de voorzitter van het hof van assisen. Zij is ertoe gehouden er alle namen op in te schrijven die voorkomen op de gemeentelijke lijsten. Zij volgt de alfabetische orde, neemt alle gegevens over van de gemeentelijke lijsten en geeft aan elke naam een provinciaal rangnummer.

Art. 229. — De Brusselse Hoofdstedelijke regering maakt twee lijsten van gezworenen op : de ene met de Nederlandstalige gemeentelijke lijsten, de andere met de Franstalige gemeentelijke lijsten.

De bestendige deputatie van de provincieraad van Luik maakt twee provinciale lijsten van gezworenen op : de ene met de Franstalige gemeentelijke lijsten van de arrondissementen Verviers en Eupen en de gemeentelijke lijsten van de overige arrondissementen; de andere met de Duitstalige gemeentelijke lijsten van de arrondissementen Verviers en Eupen.

Onderafdeling 3

Definitieve lijst. —

Art. 230. — De voorzitter van het hof van assisen maakt de definitieve lijst van gezworenen op. Dit geschiedt in raadkamer, in aanwezigheid van het openbaar ministerie en nadat het gehoord is; de griffie maakt er proces-verbaal van op zoals in correctionele zaken. De voorzitter wint door tussenkomst van het openbaar ministerie de inlichtingen in die nodig zijn voor de toepassing van artikel 231.

Art. 231. — De voorzitter laat uit de provinciale lijst de namen weg van de personen die :

a) bij vergissing ingeschreven zijn gebleven op de gemeentelijke lijst of die afwezig zijn in de zin van de artikelen 112 tot 119 van het Burgerlijk Wetboek;

b) die niet of onvolledig hebben geantwoord bij het onderzoek voorgeschreven bij artikel 223, wanneer er voor hen een beletsel bestaat om aanwezig te zijn op de zittingen van het hof van assisen;

c) wier oorzaken van verhindering, ingeroepen bij het in artikel 223 bedoelde onderzoek, hij aanneemt;

d) een veroordeling hebben opgelopen tot een gevangenisstraf van meer dan vier maanden of tot een werkstraf van meer dan 60 uur.

Art. 232. — Nadat hij beslist heeft over de gevallen die in artikel 231 zijn vermeld, sluit de voorzitter de definitieve in alfabetische orde opgemaakte lijst van gezworenen af. Hij laat elke naam het rangnummer van de provinciale lijst behouden.

Art. 233. (...)

Art. 234. — Tegen de inschrijving van een persoon op de definitieve lijst van gezworenen staat geen voorziening open; ze houdt het vermoeden in dat de gezworene er wettelijk toe in staat is het ambt van gezworene te vervullen in de provincie of het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, gedurende de geldigheidsduur van de lijst.

Art. 235. — De voorzitter zendt aan de procureur des Konings de namen van de personen die niet hebben geantwoord of onvolledig of onjuist hebben geantwoord bij de in de artikelen 223 en 230 bedoelde onderzoeken.

Art. 236. — Vóór 1 november legt hij op de griffie de definitieve lijst neer van de gezworenen, waaruit de gezworenen die geroepen worden om zitting te nemen vanaf 1 januari van het volgende jaar, zullen worden uitgeloot.

Onderafdeling 4

Bijzondere lijst voor iedere zaak.

Art. 237. — Ten minste twintig dagen voor de zitting met het oog op de samenstelling van de jury, gaat de voorzitter van het hof van assisen over tot de uitloting van de gezworenen die geroepen worden om mede te werken aan de samenstelling van de jury voor iedere zaak.

Voor iedere zaak bevat de definitieve lijst van de gezworenen minstens tweeëndertig namen.

Art. 238. — De loting geschiedt in openbare zitting, in aanwezigheid van het openbaar ministerie. De voorzitter neemt, voor iedere zaak, het aantal namen overeenkomstig artikel 237 uit de definitieve lijst van gezworenen.

In voorkomend geval loot de voorzitter van het hof van assisen, ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie, een bijkomend aantal namen uit.

Art. 239. — De loting wordt derwijze verricht dat een zelfde gezworene niet kan geroepen worden om zitting te nemen tegelijkertijd bij twee verschillende hoven van assisen.

Art. 240. — Binnen tien dagen na de loting wordt door het openbaar ministerie :

1º aan iedere gezworene overeenkomstig de artikelen 33 en 35 tot 40 van dit wetboek, een dagvaarding betekend om zich aan te melden op de zetel van het hof van assisen op de dag die de voorzitter heeft vastgesteld;

2º aan de procureur-generaal de lijst van gezworenen toegezonden.

Art. 240bis. — Ten minste acht dagen vóór de zitting met het oog op de samenstelling van de jury beslist de voorzitter van het hof van assisen, na kennisneming van de schriftelijke conclusies van de procureur-generaal, bij beschikking over de rechtzetting van de materiële fouten betreffende de identiteit van de gezworenen die voorkomen op de lijst van de gezworenen.

Art. 241. — De stukken van het onderzoek bedoeld in artikel 223 betreffende de gezworenen die geroepen zijn om zitting te nemen, worden bij het strafdossier gevoegd; zij blijven erin berusten totdat de rechtsprekende jury samengesteld is.

Art. 242 — 253. (...) »

Art. 47

In artikel 259bis-3, § 3, 4º, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door de wet van 22 december 1998, worden de woorden « voorzitter van het hof van assisen, » ingevoegd tussen de woorden « korpschef » en « bijstandsmagistraat ».

Art. 48

In artikel 259bis-10, § 1, 1º, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door de wet van 22 december 1998 en de wet van 17 juli 2000, worden de woorden « voorzitter van het hof van assisen, » ingevoegd tussen de woorden « korpschef, » en « bijstandsmagistraat ».

Art. 49

Artikel 259sexies, § 1, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door de wet van 22 december 1998, wordt aangevuld met 4º, luidend :

« 4º De aanwijzing van de voorzitters van de hoven van assisen geschiedt door de Koning op voordracht van de benoemingscommissie overeenkomstig de bepalingen bedoeld in artikel 259ter, §§ 1, 2, 4 en 5.

De minister van Justitie zendt binnen honderd dagen te rekenen van de bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad aan de eerste voorzitter van het hof van beroep voor elke kandidaat het benoemingsdossier over met het verzoek een gemotiveerd advies uit te brengen over elk van de kandidaten; dit advies wordt bij hun dossier gevoegd.

De eerste voorzitter hoort de kandidaten die hem binnen honderd dagen te rekenen van de bekendmaking van de vacature zoals bedoeld in het vorige lid daarom bij een ter post aangetekende brief hebben verzocht.

De eerste voorzitter zendt binnen dertig dagen na het verzoek om advies de gemotiveerde adviezen in tweevoud aan de minister van Justitie over en deelt een afschrift tegen gedagtekend ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs mee aan de betrokken kandidaten. Het ontvangstbewijs wordt gericht aan de minister van Justitie.

Bij gebrek aan adviezen binnen de vastgestelde termijn over elke kandidaat, wordt met deze adviezen geen rekening gehouden, hetgeen uiterlijk acht dagen na het verstrijken van die termijn door de minister van Justitie bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs wordt meegedeeld aan de betrokken kandidaten. »

Art. 50

In artikel 259sexies § 2, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door de wet van 22 december 1998 en door de wet van 3 mei 2003, worden het derde en het vierde lid vervangen als volgt :

« De bijstandsmagistraten, de federale magistraten en de voorzitters van de hoven van assisen worden aangewezen voor een termijn van vijf jaar, die na evaluatie tweemaal kan worden hernieuwd.

De magistraten van het openbaar ministerie die worden aangewezen tot federaal magistraat en de magistraten van het hof van beroep die worden aangewezen tot voorzitter van het hof van assisen kunnen vervangen worden door een benoeming en, in voorkomend geval, een aanwijzing in overtal. »

Art. 51

In artikel 259sexies § 3, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door de wet van 22 december 1998 en door de wet van 21 juni 2001, wordt het tweede lid vervangen als volgt :

« De bijstandsmagistraat, de federale magistraat en de voorzitter van het hof van assisen nemen na het verstrijken van hun mandaat het ambt waarin zij zijn benoemd weer op en in voorkomend geval het adjunct-mandaat waarin zij zijn aangewezen. Evenwel blijft de voorzitter van het hof van assisen ook tijdens zijn mandaat deel uitmaken van het hof van beroep en kan hij hierin zetelen. »

Art. 52

In artikel 259sexies, § 3, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door de wet van 22 december 1998 en door de wet van 21 juni 2001, wordt een vijfde lid toegevoegd :

« De voorzitter van het hof van assisen kan zijn mandaat voortijdig ter beschikking stellen bij ter post aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs. Het mandaat wordt evenwel slechts beëindigd na negen maanden te rekenen vanaf de ontvangst van de terbeschikkingstelling. Deze termijn kan door de Koning, op gemotiveerd verzoek van de betrokken voorzitter van het hof van assisen, worden ingekort. De voorzitter van het hof van assisen die zijn mandaat voortijdig ter beschikking stelt kan zich gedurende een termijn van twee jaar nadat hij zijn mandaat effectief neerlegde, niet opnieuw kandidaat stellen voor een mandaat van voorzitter van het hof van assisen. »

Art. 53

In artikel 259septies, vierde lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door de wet van 22 december 1998, worden de woorden « van voorzitter van het hof van assisen, » ingevoegd tussen de woorden « de mandaten » en « van bijstandsmagistraat ».

Art. 54

In artikel 287, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door de wet van 18 juli 1991, door de wet van 1 december 1994, door de wet van 17 februari 1997, door de wet van 22 december 1998 en door de wet van 3 mei 2003, worden de woorden « tot voorzitter van het hof van assisen, » ingevoegd tussen de woorden « korpschef, » en « tot bijstandsmagistraat ».

Art. 55

In artikel 288, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door de wet van 22 december 1998, wordt het tweede lid aangevuld als volgt :

« De installatie van de voorzitter van het hof van assisen geschiedt in openbare en algemene vergadering van het hof van beroep. »

Art. 56

In artikel 289, van hetzelfde Wetboek, wordt het eerste lid aangevuld als volgt :

« De voorzitter van het hof van assisen legt de eed af in openbare en algemene vergadering van het hof van beroep. »

Art. 57

In artikel 291, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door de wet van 10 februari 1998 en door de wet van 24 maart 1999, worden de woorden « de voorzitters van het hof van assisen, » ingevoegd na de woorden « Wanneer de installatie of de eedaflegging van ».

Art. 58

In artikel 313, derde lid, van hetzelfde Wetboek, worden de woorden « raadsheren in het hof van beroep aan wie opdracht wordt gegeven een zitting van de assisen voor te zitten en de » opgeheven.

Art. 59

Het tweede en het derde lid van artikel 314, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door de wet van 15 juli 1970 en door de wet van 21 juni 2001 worden vervangen als volgt :

« De arbeidshoven hebben rang na de hoven van beroep, de hoven van assisen na de arbeidshoven, het federaal parket na de hoven van assisen, de arbeidsrechtbanken na de rechtbanken van eerste aanleg en de rechtbanken van koophandel na de arbeidsrechtbanken.

In de orde van individuele voorrang hebben de eerste voorzitters van arbeidshoven rang onmiddellijk na de eerste voorzitters van de hoven van beroep; de procureurs-generaal hebben rang na de eerste voorzitters, de federale procureur heeft rang na de procureurs-generaal, de voorzitters van de hoven van assisen hebben rang na de federale procureur, de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, de voorzitter van de arbeidsrechtbank en de voorzitter van de rechtbank van koophandel hebben rang na de voorzitters van de hoven van assisen; de procureur des Konings en de arbeidsauditeur hebben rang na de voorzitters van de rechtbanken : de kamervoorzitters en de raadsheren in het arbeidshof hebben respectievelijk dezelfde rang als de kamervoorzitters, de raadsheren in het hof van beroep en de leden van het parket-generaal en van het auditoraat-generaal evenals van het federaal parket rekening gehouden met hun anciënniteit; de raadsheren in sociale zaken hebben de onmiddellijke lagere rang, maar hebben rang vóór alle andere leden van de gerechten van eerste aanleg. »

Art. 60

Een nieuw artikel 355ter wordt ingevoegd in hoofdstuk I, van Titel III, van Boek II, van Deel II, van hetzelfde Wetboek, luidend :

« Art. 355ter. — De voorzitter van het hof van assisen geniet dezelfde wedde als die bepaald voor de kamervoorzitters in de hoven van beroep. »

Art. 61

Een nieuw artikel 366bis wordt ingevoegd in hoofdstuk II, van Titel III, van Boek II, van Deel II, van hetzelfde Wetboek, luidende als volgt :

« Art. 366bis. — De griffiers bij het hof van assisen genieten dezelfde wedde als die bepaald voor de griffiers bij de hoven van beroep. »

Art. 62

In artikel 369, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door de wet van 10 augustus 2005, wordt het 5º opgeheven.

Art. 63

In artikel 381, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door de wet van 25 april 1983 en door de wet van 17 februari 1997, worden in het eerste en het tweede lid telkens de woorden « , de griffier van het hof van assisen » ingevoegd tussen de woorden « de hoofdgriffier » en « en de hoofdsecretaris ».

Art. 64

Een nieuw artikel 605quinquies wordt ingevoegd in hoofdstuk IV, van Titel I, van Deel III, van hetzelfde Wetboek, luidend :

« Art. 605quinquies. — Het hof van beroep berecht in eerste en laatste aanleg de misdrijven bedoeld in artikel 217, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering wanneer de voorzitter van het hof van assisen, na te minste twee pogingen, vaststelt dat er een onmogelijkheid is om de jury samen te stellen. »

Hoofdstuk VI

Bepalingen tot wijziging van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden

Art. 65

In artikel 1, eerste lid, van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden, vervangen door de wet van 23 augustus 1919 en gewijzigd door de wet van 11 juli 1994, worden de woorden « en van de verschoningsgronden » ingevoegd tussen het woord « voorzien » en het woord « berust ».

Art. 66

Artikel 2 van dezelfde wet, vervangen door de wet van 1 februari 1977 en gewijzigd door de wetten van 6 februari 1985, 11 juli 1994, 13 april 1995, 28 november 2000 en 23 januari 2003, wordt vervangen als volgt :

« Art. 2. — In de gevallen waarin er grond mocht zijn om alleen een correctionele straf uit te spreken om reden van verschoning, kunnen de raadkamer en de kamer van inbeschuldigingstelling bij een met redenen omklede beschikking of arrest de verdachte naar de correctionele rechtbank verwijzen.

De correctionele rechtbank naar welke de verdachte is verwezen, kan zich niet onbevoegd verklaren ten aanzien van de reden van verschoning. »

Hoofdstuk VII

Bepalingen tot wijziging van de wet van 20 juli 1990 inzake de voorlopige hechtenis

Art. 67

In artikel 22, tweede lid, van de wet van 20 juli 1990 inzake de voorlopige hechtenis, ingevoegd door de wet van 31 mei 2005, worden de woorden « een feit betreft waarop artikel 2 van de wet van 4 oktober 1867 niet van toepassing is » vervangen door de woorden « een misdrijf betreft bedoeld in artikel 217 van het Wetboek van strafvordering.

Art. 68

In artikel 26, § 5, van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1) In het eerste lid worden de woorden « De raadkamer en kamer van inbeschuldigingstelling kunnen » vervangen door de woorden « De kamer van inbeschuldigingstelling kan »;

1) In het eerste lid worden de woorden « 133 en 231 » vervangen door het woord « 233 »;

2) In het tweede lid worden de woorden « Deze beschikkingen bevatten » vervangen door de woorden « Deze beschikking bevat »;

3) In de Franse tekst van het tweede lid wordt het woord « délit » vervangen door de woorden « de l'infraction »;

4) Het vierde lid wordt vervangen als volgt : « De beschikking van de kamer van inbeschuldigingstelling wordt door de rechters bij meerderheid van stemmen genomen. »

Art. 69

In artikel 27, § 1, van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1) Het eerste lid wordt als volgt vervangen : « Wanneer geen einde werd gemaakt aan de voorlopige hechtenis en het onderzoek afgesloten is, kan de voorlopige invrijheidstelling worden verleend op indiening van een verzoekschrift dat gericht wordt : »

2) In het tweede lid, 3º, a), vervangen door de wet van 30 juni 2000, wordt het woord « beschikking » vervangen door het woord « arrest »;

3) In het tweede lid, 3º, a), vervangen door de wet van 30 juni 2000, wordt het woord « 133 » vervangen door het woord « 233 »;

Hoofdstuk VIII

Opheffingsbepalingen

Art. 70

Artikel 18 van het Strafwetboek, gewijzigd door de wet van 10 juli 1996 en vervangen door de wet van 23 januari 2003, wordt opgeheven.

Art. 71

De artikelen 219 tot en met 225, 245, 249, 250, 262, 265, 267 tot en met 273, 381 tot en met 385, 409 en 412 van het Wetboek van strafvordering worden opgeheven.

Art. 72

De artikelen, 118, 121, 122, 233 en 242 tot en met 253 van het Gerechtelijk Wetboek worden opgeheven.

Art. 73

Artikel 3 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden, vervangen door de wet van 1 februari 1977 en gewijzigd door de wet van 11 juli 1994, wordt opgeheven.

19 april 2007.

Philippe MAHOUX.