Vragen en Antwoorden

BELGISCHE SENAAT


Bulletin 3-78

ZITTING 2006-2007

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers (Art. 70 van het reglement van de Senaat)

(N.): Vraag gesteld in het Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in het Frans


Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid Volksgezondheid

Vraag nr. 3-5730 van mevrouw Van de Casteele d.d. 20 juli 2006 (N.) :
Prenatale zorg. — Federaal Kenniscentrum voor de gezondheidszorg. — Richtlijnen.

Voortgaand op een studie van het Intermutualistisch Agentschap (IMA) wordt bij de prenatale zorg in België niet altijd rekening gehouden met de richtlijnen door het Federaal Kenniscentrum voor de gezondheidszorg.

Gemiddeld gaat een zwangere vrouw te vaak op consult (13 keer in 2002 tegenover de richtlijnen van 10 consultaties voor een eerste en 7 voor een tweede zwangerschap). Sommige onderzoeken zouden te vaak uitgevoerd worden, andere te weinig. Niet aanbevolen onderzoeken zouden vaker uitgevoerd worden in Wallonië en sommige onderzoeken worden onvoldoende uitgevoerd in Vlaanderen.

Vooral vruchtwaterpuncties zouden te vaak uitgevoerd worden in Wallonië. Nochtans is dit geen risicoloos onderzoek.

Sommige vrouwen, vooral uit lagere inkomensgroepen, zouden dan weer te laat of te weinig opgevolgd worden.

Graag kreeg ik een antwoord op de volgende vragen :

1. Kan de geachte minister deze cijfers bevestigen ?

2. Heeft hij recentere gegevens dan die van het jaar 2002 ?

3. Welke maatregelen zal hij nemen om de zorgverlening beter te laten aansluiten bij de richtlijnen ?

Antwoord : Ik heb de eer het geachte lid als volgt te antwoorden.

In de eerste plaats wens ik te benadrukken dat het verslag van het Intermutualistisch Agentschap (IMA) « De prenatale follow-up in België in 2002 » zoals in de titel aangegeven tot stand is gekomen op basis van gegevens van vóór de publicatie in 2004 door het Federaal Kenniscentrum voor de gezondheidszorg (KCE) van de « Nationale Aanbevelingen inzake prenatale zorg  »: een basis voor een klinisch traject voor de follow-up van zwangerschappen ». Het gaat dus om een stand van zaken van wat er vóór de publicatie van de aanbevelingen gebeurde. Ik wens ook te wijzen op enkele belangrijke feiten die men voor ogen moet houden wanneer men de door het IMA gepubliceerde cijfers vergelijkt met de aanbevelingen van het KCE :

— De aanbevelingen van het KCE zijn enkel bedoeld voor zwangere vrouwen die geen risicofactoren vertonen, terwijl het IMA dit onderscheid niet maakt.

— De aanbeveling van het KCE concentreert zich op de consultaties inzake de follow-up van de zwangerschap; in de studie van het Intermutualistisch Agentschap werden daarentegen alle consultaties opgenomen bij de gynaecologen, de huisartsen en de vroedvrouwen tijdens de zwangerschap.

— Het Intermutualistisch Agentschap neemt geen gratis prenatale consultaties op die werden geraliseerd in de consultatiebureaus van ONE en Kind en Gezin waarvoor er geen zorgattest wordt afgeleverd.

Als antwoord op vraag 1 kan ik stellen dat hoewel er geen enkele reden is om de cijfers van de studie van het IMA van 2002 in twijfel te trekken, de cijfers niettemin met de nodige voorzichtigheid moeten worden geïnterpreteerd en vooral dat de cijfers niet moeten worden gebruikt als bewijs van iets dat ze in feite niet bewijzen. Ze moeten worden geactualiseerd en indien mogelijk worden verduidelijkt door rekening te houden met de specifieke karakteristieken van de patiëntes.

De verschillende praktijken die werden vastgesteld tussen het noorden en het zuiden van het land kunnen inderdaad in verband worden gebracht met verschillende medische houdingen, maar ook met een niet-homogene verdeling van de risicofactoren bij zwangere vrouwen (sociaal-economische of medische factoren), of zelfs met een verschillende culturele of filosofische perceptie van het begrip « zwangerschap » (ik denk hierbij aan de variabele incidentie van vruchtwaterpuncties).

Momenteel kunnen uit het verslag van het IMA nog geen definitieve conclusies worden getrokken.

Als antwoord op uw tweede vraag kan ik u met genoegen meedelen dat men van plan is de enquête van het IMA te actualiseren. Eind 2006 zullen er voor 2005 cijfers worden geleverd.

De individuele feedbacks van het RIZIV (cf. hieronder punt 3) zullen hierop gebaseerd worden.

Verder wens ik te benadrukken dat momenteel in de schoot van de NRKP, de Nationale Raad voor kwaliteitspromotie, het kwaliteitsorgaan van het RIZIV, een individuele feedback voorbereid wordt die zal opgestuurd worden naar alle verloskundig actieve gynecologen, huisartsen en vroedvrouwen. Het platform die deze feedbackcampagne in consensus tot stand brengt bestaat uit vertegenwoordigers van het RIZIV, van het KCE, van het IMA, van de wetenschappelijke en de beroepsorganisaties van de gynecologen, huisartsen en vroedvrouwen.

Het feedbackpakket zal bestaan uit een aantal wetenschappelijke boodschappen uit het KCE rapport. En verder uit individuele gegevens van 2005 in verband hiermee zodat de zorgverstrekker zijn eigen gedrag kan situeren ten opzichte van deze richtlijnen.

Tijdens de vergaderingen van de LOK's zullen de artsen worden aangemoedigd om in groep over hun praktijken te discussiëren.

Deze feedback zal waarschijnlijk intensieve reacties losweken bij de clinici op het terrein. Want vele handelingen waren tot voor kort gebaseerd op medische gewoontes, op wat de artsen geleerd hadden van hun leermeesters. Het rapport van het KCE daarentegen is volledig transparant en indien mogelijk gebaseerd niet op de persoonlijke overtuiging van individuën maar op wetenschappelijke evidentie. Dit betekent dat de referenties van de studies worden vermeld en dat een level of evidence bepaald werd voor elke boodschap.

Ik ben ervan overtuigd dat het vertrouwen in het KCE rapport groot is. Via de individuele feedback verhopen we een belangrijke invloed uit te oefenen op de medisch — wetenschappelijke standaard in de obstetrica. De variantie in het medisch handelen bij het opvolgen van zwangerschappen in ons land zal naar alle waarschijnlijkheid verkleinen.

Teneinde de verspreiding van de nationale aanbevelingen te verzekeren, worden bovendien bijkomende maatregelen gepland zoals een beroep doen op de opinion leaders, het bezorgen van de aanbevelingen door de experts van het college van artsen « voor de Moeder en de Pasgeborene », het inschakelen van de wetenschappelijke en beroepsverenigingen, het organiseren van congressen, het informeren van de zwangere vrouwen door het verspreiden van brochures.