3-205

3-205

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 1 MAART 2007 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van de heer Wouter Beke aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «het standpunt van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer met betrekking tot het wetenschappelijk onderzoek» (nr. 3-2146)

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken antwoordt.

De heer Wouter Beke (CD&V). - De wet tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer bepaalt in artikel 6 dat de verwerking van bepaalde persoonsgegevens verboden is. Op grond van artikel 6, §2, g) is dit verbod echter niet van toepassing wanneer de verwerking noodzakelijk is voor wetenschappelijk onderzoek. Dat onderzoek moet dan wel verlopen onder de voorwaarden door de Koning bepaald in een in ministerraad overlegd besluit.

Tot op heden werd zo'n besluit niet genomen en is het de bevoegdheid van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer om toestemming te verlenen tot het gebruik van persoonsgegevens voor wetenschappelijk onderzoek.

Voor de toegang tot de gegevens van het Rijksregister heeft de wet van 25 maart 2003 het sectoraal comité van het Rijksregister in het leven geroepen. In afwachting van haar samenstelling oefent de commissie die bevoegdheid uit.

In het verleden kregen wetenschappers die gedegen wetenschappelijk en met waarborgen omkleed onderzoek verrichtten, zonder grote moeilijkheden de toestemming en de benodigde gegevens. Op die manier konden de eerste twee delen van de European Social Survey in België worden uitgevoerd en tot een goed einde worden gebracht. De ESS heeft in december 2005 de Europese Descartesprijs ontvangen. De Belgische input werd sterk gewaardeerd, precies omdat door gebruik van het Rijksregister kwalitatief hoogstaande steekproeven konden worden genomen.

Sinds eind 2004 blijkt dat voor steekproeven nieuwe procedures gelden die niet het gevolg zijn van nieuwe wettelijke voorschriften inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, maar wel van een veranderde interpretatie in het kader van de bestaande wetgeving inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het Rijksregister.

Zonder al te diep in te gaan op de wetenschappelijk technische aspecten, hebben de nieuwe voorwaarden die de commissie worden opgelegd, tot gevolg dat in de sociale wetenschappen ernstig onderzoek op basis van steekproeven uit het Rijksregister niet meer mogelijk is. Een minimale omvang van de respons of de standaarden inzake motivering van de niet-respons zullen niet langer kunnen worden gehaald, wat Belgische wetenschappers internationaal in een zeer nadelige positie brengt.

Heeft de minister van Justitie weet van de gewijzigde houding van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer?

Acht de minister van Justitie het te rechtvaardigen dat een dergelijke strikte interpretatie ertoe leidt dat België niet langer kan deelnemen aan Europees wetenschappelijk onderzoek?

Is de minister van Justitie voornemens artikel 6, §2, punt g) van de wet tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer uit te voeren zodat zij zelf, na overleg met de wetenschappelijke wereld, de voorwaarden kan vaststellen waaraan wetenschappelijk onderzoek dient te voldoen?

Aan de minister van Binnenlandse Zaken vraag ik of academici met expertise in de methodologie van het sociaalwetenschappelijk onderzoek deel zullen uitmaken van het sectoraal comité voor het Rijksregister, zodat in de toekomst afwegingen met meer inzicht en waardering voor de terughoudendheid en deontologie van de onderzoekers kunnen gebeuren.

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees eerst het antwoord van de minister van Binnenlandse Zaken.

De procedure om toegang te krijgen tot de gegevens van het Rijksregister werd inderdaad door de wet van 25 maart 2003 grondig gewijzigd. Voorheen werd de toegang verleend door de Koning op advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Door de wetswijziging werd de beslissingsbevoegdheid om toegang tot het Rijksregister te verlenen overgedragen aan het sectoraal comité van het Rijksregister, dat binnen de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer is opgericht. In afwachting van de oprichting van dat sectoraal comité oefent de commissie zelf die bevoegdheid uit.

Door de wet van 26 februari 2003 kwam de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, die voorheen onder de FOD Justitie ressorteerde, onder de bevoegdheid van de Kamer van volksvertegenwoordigers. De leden van de commissie worden door de Kamer aangewezen. De uitvoerende macht mag zich bijgevolg niet inlaten met de samenstelling, de werking en de beslissingen van de commissie.

De toepassing van de wet van 8 december 1992 tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer op de verwerking van personengegevens behoort tot de bevoegdheid van de minister van Justitie.

Je vous lis à présent la réponse de Mme Onkelinx.

M. Beke n'est pas correctement informé. L'article 6, §2, g), de la loi du 8 décembre 1992 est mis en oeuvre par l'arrêté royal du 13 février 2001 portant exécution de la loi du 8 décembre 1992.

En vertu des articles 2 à 27 de cet arrêté royal, les chercheurs doivent introduire auprès de la Commission de la vie privée une déclaration de traitement spécifique dans laquelle ils précisent s'ils souhaitent travailler avec des données personnelles codées ou non ainsi que les garanties spécifiques pour la vie privée. La commission dispose d'un délai de 45 jours pour recommander des garanties supplémentaires. À défaut de réponse, la requête du chercheur est réputée avoir été acceptée.

En ce qui concerne la position modifiée de la Commission pour la vie privée, j'ai demandé des informations à la commission qui, je tiens à le rappeler, est indépendante et instituée auprès de la Chambre. Je ne manquerai pas de vous adresser par écrit les éléments de réponse qui me seront communiqués.