3-1986/4

3-1986/4

Belgische Senaat

ZITTING 2006-2007

22 DECEMBER 2006


Ontwerp van programmawet (I)


Evocatieprocedure


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE JUSTITIE UITGEBRACHT DOOR

DE HEER MAHOUX


I. Inleiding

Dit optioneel bicameraal wetsontwerp werd in de Kamer van volksvertegenwoordigers op 27 november 2006 ingediend als een wetsontwerp van de regering (stuk Kamer, nr. 51-2773/1). Het werd door de Kamer aangenomen op 20 december 2006 en op diezelfde dag overgezonden aan de Senaat, die het wetsontwerp op 21 december 2006 heeft geëvoceerd.

De commissie voor de Justitie, die werd gevat door de artikelen 351 tot 360, heeft dit wetsontwerp besproken tijdens haar vergaderingen van 13, 19, 21 en 22 december 2006 in aanwezigheid van de minister voor de Justitie.

Met toepassing van artikel 27, 1, tweede lid, van het Reglement van de Senaat, heeft de commissie de bespreking van dit wetsontwerp aangevat vóór de eindstemming in de Kamer van volksvertegenwoordigers.

II. Inleidende uiteenzetting door de minister van Justitie

Titel XIV « Diverse bepalingen » van het voorliggende wetsontwerp bevat een hoofdstuk die betrekking heeft op justitie, namelijk Hoofdstuk 5 — Wijzigingen van de Wapenwet.

Artikelen 351 tot 360

Inzake de financiering van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens, heeft de regering niet alleen beslist een aantal retributies in te voeren, maar ook een lichte verhoging ervan. De bedragen werden herzien, zodat ze de kosten dekken die ontstaan door het beheer van de dossiers van de vergunningsaanvragen door de diensten van de gouverneurs en door de federale wapendienst. Ze zullen bovendien elk jaar worden aangepast aan het indexcijfer.

De minister heeft een ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 16 september 1997 tot bepaling van het bedrag van de rechten en retributies die geheven worden met toepassing van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie voorgelegd aan de Raad van State.

In zijn advies 41.204/2/V van 6 september 2006 zegt de Raad van State dat de regering niet op deze manier te werk mocht gaan, maar dat het besluit diende omgevormd te worden in een wet of minstens in een nieuwe wettelijke grondslag diende te voorzien die de inning van retributies mogelijk maakt (de wet van 1993 is opgeheven door de wet van 8 juni 2006 en de wet van 8 juni biedt geen wettelijke grondslag voor het innen van retributies).

De artikelen 351 tot 360 van het voorliggende wetsontwerp beogen een oplossing te bieden voor dit probleem.

Sedert het van kracht worden van de wapenwet is het niet meer mogelijk om rechten en retributies te innen. De wapenvergunningen worden voorlopig uitgereikt met de ontbindende voorwaarde van het betalen van deze taksen, zodra die door de wet zijn bepaald. Deze voorwaarde is nu in de wet bevestigd.

Ter gelegenheid van de regularisatie van het bezitten van veel wapens en de hernieuwing van veel wapenvergunningen in het kader van de nieuwe wapenwet, zijn eveneens degressieve bedragen bepaald voor grotere hoeveelheden aanvragen die afkomstig zijn van dezelfde persoon.

Die bedragen blijven echter slechts geldig gedurende de overgangsperiode en met name ten aanzien van de aanvragen die ingediend worden vóór 30 juni 2007.

III. Algemene bespreking

De heer Hugo Vandenberghe merkt op dat de bepalingen die ter behandeling voorliggen, namelijk artikelen uit het ontwerp van programmawet (I) en (II), of nog uit de wetsontwerpen houdende diverse bepalingen, helemaal niet op hun plaats zijn in dergelijke wetsontwerpen. De Raad van State, die de ontwerpen van programmawet en de wetsontwerpen houdende diverse bepalingen op voet van gelijkheid plaatst, is van mening dat de bepalingen die erin zijn opgenomen, eigenlijk in aparte wetsvoorstellen zouden moeten komen.

De opname van de diverse artikelen in de ontwerpen (programmawetten en diverse bepalingen) is onaanvaardbaar en heeft voor gevolg dat de parlementaire behandeling ervan gebeurt op voorwaarden die noch met de letter, noch met de geest van de Grondwet overeenstemmen.

De Raad van State heeft reeds bij herhaling gesteld dat een programmawet enkel tot doel heeft alle economische, financiële en sociale maatregelen te groeperen die door de budgettaire toestand worden gevraagd, en dat de (beweerde) noodzaak om bepalingen over andere aangelegenheden snel te doen aannemen in principe niet kan worden aanvaard ter rechtvaardiging van het werken met programmawetten.

Sedert het laatse jaar heeft de regering de kritiek van de Raad van State dat de Programmawet enkel bedoeld is voor begrotingsbepalingen te kwader trouw trachten te ontduiken door de programmawet op te delen in een deel « programmawet » en een deel « diverse bepalingen ». Deze opdeling gebeurde evenwel louter formalistisch want het resultaat is hetzelfde : honderden artikelen die in de verste verte niets te maken hebben met begrotingsaangelegenheden, doch wel essentiële maatschappelijke kwesties regelen worden nu door het parlement gejaagd zonder dat enige ernstige parlementaire controle of debat mogelijk is.

De Raad van State stelt dan ook uitdrukkelijk de ontwerpen diverse bepalingen gelijk met programmawetten.

Hetzelfde geldt bij uitbreiding voor het werken met wetsontwerpen houdende diverse bepalingen, temeer wanneer zulks, zoals in deze, gebeurt met de bedoeling de hogervernoemde kritiek van de Raad van State te omzeilen.

Ook in haar adviezen met betrekking tot programmawetten, herhaalt de Raad van State haar ondubbelzinnige kritiek op deze werkwijze en betreurt uitdrukkelijk dat haar over ontwerpen betreffende dermate gevoelige en complexe materies advies wordt gevraagd binnen een termijn van ten hoogste vijf dagen, waardoor elk grondig onderzoek van het ontwerp onmogelijk is, waar nog bijkomt dat de beoogde wijzigingen zijn opgenomen in een programmawet waarmede de Raad van State de diverse bepalingen wel gelijkstelt.

Daar komt bij dat het verzoek om spoedbehandeling van deze ontwerpen slechts zeer algemeen is opgesteld en een motivering ontbreekt die uitsluitend betrokken is op elk bijzonder aspect van de ontwerpen. Voor sommige aspecten ziet de Raad zelfs niet in waarom om spoedbehandeling zou worden verzocht.

Zoals is opgemerkt, is de Raad van State overeenkomstig artikel 84, § 3, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State verplicht zijn advies te beperken tot de meest essentiële punten. Sommige bepalingen van het voorontwerp hebben te maken met fundamentele rechten en vrijheden waarvan de naleving, krachtens de Grondwet in het bijzonder door de wetgever dient te worden gewaarborgd, of bevatten soms verregaande innovaties. Zowel de ene als de andere zouden aan een grondig onderzoek moeten worden onderworpen, zowel door de wetgevende kamers als door de afdeling wetgeving en zouden bijgevolg niet in een programmawet mogen worden opgenomen. De snelheid waarmee wordt gewerkt heeft nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het debat en de wetgeving, wat trouwens naderhand vaak reparatiewetgeving noodzakelijk maakt.

Bovendien is de door de regering opgelegde werkwijze van de Kamer ongrondwettig.

Immers bepaalt artikel 36 van de Grondwet dat de federale wetgevende macht gezamenlijk wordt uitgeoefend door de Koning, de Kamer en de Senaat.

Deze gelijkheid inzake het wetgevend initiatief en inzake de mogelijkheid tot onderzoek en amendering van een voorstel of ontwerp kent slechts één uitzondering die terug te vinden is in artikel 74 van de Grondwet : de Senaat wordt van het gelijkheidsbeginsel inzake deelname aan het wetgevend proces uitgesloten voor het verlenen van naturalisatie, de wetten betreffende de burgerrechtelijke en strafrechtelijke aansprakelijkheid van de Koning en van de ministers, de begrotingen en de rekeningen van de Staat, onverminderd het recht van de Senaat jaarlijks haar eigen werkingsdotatie vast te stellen, en het legercontingent.

Voor het overige geldt inzake het uitoefenen van de wetgevende macht, daarin begrepen het onderzoek en het amenderingsrecht, de gelijkgerechtigdheid van zowel Kamer als Senaat die zich toont in twee vormen. Enerzijds voorziet de grondwet in een aantal aangelegenheden die verplicht bicameraal dienen te worden behandeld (artikel 77 van de Grondwet), anderzijds beschikt de Senaat voor de andere aangelegenheden over een evocatierecht dat haar het recht geeft op gelijke wijze als de Kamer het op en basis van artikel 78 van de Grondwet overgezonden ontwerp te onderzoeken, wanneer minstens vijftien van zijn leden hierom verzoeken.

Door de techniek van de programmawet, en de daarmee door de Raad van State gelijkgestelde techniek van de wet diverse bepalingen te hanteren, beantwoordt de Koning als één der wetgevende machten wel formeel aan de verplichting vervat in artikel 75, alinea 2, van de Grondwet, doch deze techniek vergt meer dan een louter formalisme.

Door wetten die een optioneel bicamerale materie regelen in te dienen in de Kamer en daarna over te zenden aan de Senaat, vervult de Koning immers enkel zijn plicht, terwijl de Grondwet hem de keuze laat verplicht bicamerale ontwerpen ofwel in te dienen in de Kamer ofwel in de Senaat.

Evenwel veronderstelt deze praktijk dat het onderzoek in beide Kamers op gelijke wijze kan gevoerd worden, hetgeen niet het geval is : terwijl de Kamer enkele weken krijgt om de bij benadering 1 500 artikelen te onderzoeken, wordt aan de Senaat slechts 72 uur toegekend. Dit stelt de Senaat in de feitelijke onmogelijkheid de haar door artikel 36 van de Grondwet opgedragen wetgevende taak ernstig uit te voeren, hetgeen neerkomt op een ongelijke behandeling die strijdig is met de bedoeling van de grondwetgever.

Bovendien bevatten zowel de programmawet als de wet diverse bepalingen talrijke wijzigingen aan wetsartikelen die de grondrechten van de burgers regelen. Deze burgers dienen erop te kunnen rekenen dat de leden van de wetgevende kamers, die de Natie vertegenwoordigen, in staat worden gesteld op een deugdelijke wijze hun grondrechten te beschermen bij het wetgevend werk.

Dit wordt in casu voor minstens één van beide kamers feitelijk onmogelijk gemaakt. De burger, die van de wetgever een afdoende en kwalitatief voldoende bescherming van zijn grondrechten mag verwachten, wordt aldus in zijn grondrechten geschaad. Immers, wanneer massale en snelle wijzigingen, opeenvolgende verbeteringen en schrappingen van aangepaste rechtsregels zelfs al niet meer voor onderzoek toegankelijk zijn voor minstens één der wetgevende kamers, hoe kunnen deze regels dan voldoende voorzienbaar en toegankelijk zijn voor de individuele burger ?

Dergelijke zienswijze is bijgetreden door het EHRM, dat reeds een lange tijd in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens enkele kwaliteitseisen incorporeert waaraan wetgeving moet voldoen. Het Hof spreekt in dat verband over de vereiste van voorzienbaarheid en toegankelijkheid van de wet. Die eisen vormen samen een onderdeel van het rechtszekerheidsbeginsel.

Dit rechtzekerheidsbeginsel noemt het Hof inherent aan het Verdrag, waarbij het niet alleen gaat om het objectieve aspect, maar ook om de subjectieve invulling ervan, met name het vertrouwensbeginsel, dat de eerbiediging van legitieme verwachtingen vereist.

Wanneer de wetgever een regelgevend kader creëert dat zijn grondrechten regelt en desgevallend zelfs beperkt, mag de burger verwachten dat dit wetgevend werk het resultaat is van een zorgvuldig onderzoek en afweging van belangen. Het Hof bevestigt dat het vermag na te gaan of een ingrijpende maatregel in de grondrechten wel voldoende waarborgen inhoudt voor een afweging van belangen, die in de eerste plaats moet gebeuren in het kader van een wetgevend debat.

Door de techniek van de programmawetten en de wetten diverse bepalingen wordt de burger evenwel gefrustreerd in deze nochtans rechtmatige verwachting : door de opgelegde tijdsdruk is er ternauwernood een ernstig debat mogelijk in de Kamer, terwijl de nochtans gelijkelijk bevoegde Senaat haar grondwettelijke onderzoeks-en controlefunctie helemaal niet kan uitoefenen.

De gevolgde « wetgevende » methode, zowel voor de programmawet (I en II) als voor de wet houdende diverse bepalingen (I en II), is derhalve strijdig niet alleen met de in de Grondwet vastgestelde regelen voor de uitoefening van de wetgevende macht, maar tevens met titel II van de Grondwet « Rechten en Vrijheden » door het aldaar vereiste « wetsbegrip » te schenden.

Mevrouw Nyssens is het hier roerend mee eens. Spreekster merkt trouwens op dat de te bespreken teksten nooit zo omvangrijk waren en ook nooit zo laattijdig aan de Senaat zijn doorgezonden, wat de bespreking ervan bijzonder moeilijk maakt.

De heer Mahoux erkent ook dat dit voor een parlement niet de beste werkwijze is. Hoewel de goede voornemens van de regering inzake dit type van wetsontwerp een wisselend succes kennen, kan men deze keer niet zeggen dat ze zijn waargemaakt.

In dat opzicht is het nuttig de regering eraan te herinneren dat programmawetten een bijzonder doel dienen en hoewel er in de wetsontwerpen houdende diverse bepalingen weliswaar een aantal spoedeisende bepalingen zijn opgenomen die rechtvaardigen dat verschillende thema's in één wetsontwerp behandeld worden, moet men niettemin redelijk blijven en de werkzaamheden correct laten verlopen.

IV. Artikelsgewijze bespreking en stemmingen

Artikel 351

Amendement nr. 5

De heer Hugo Vandenberghe dient amendement nr. 5 in (stuk Senaat, nr. 3-1986/2), teneinde artikel 351 wegens ongrondwettigheid te doen vervallen (zie de verantwoording).

De indiener beklemtoont nogmaals dat de in de Grondwet vastgelegde wetgevingsprocedure geen louter protocollaire waarde heeft. Zij kan als vorm niet van de inhoud worden gescheiden. Zij staat immers garant voor de kwaliteit van de wetgeving. Het is onaanvaardbaar dat de assemblee die de hoeder van de wetgevingskwaliteit is, slechts over 72 uur beschikt om ongeveer 1500 artikelen te onderzoeken.

Tegenover een dergelijke handelwijze kan de politieke wereld twee houdingen aannemen. Ofwel zuivert zij de misbruiken weg. Ofwel doet zij niets, zoals nu het geval is, en glijdt ze verder weg. Uiteindelijk zal de rechtspraak, die altijd tegen misstanden reageert, hier een halt aan toeroepen.

De politieke wereld zou zich hierover beter bezinnen dan een tempo te volgen dat in cirkelvormige snelheid toeneemt en de oppositie buitenspel zet.

Amendement nr. 5 wordt verworpen met 9 stemmen tegen 1 stem, bij 1 onthouding.

Artikel 352

Mevrouw Nyssens stelt vast dat de wapenwet op verschillende plaatsen wordt gewijzigd door zowel het voorliggende ontwerp van programmawet als door een wetsontwerp dat de Kamer zopas heeft aangenomen. (stuk Kamer, nr. 51-2793).

Spreekster wenst te weten of de minister nog andere wijzigingen in deze wet wenst aan te brengen.

De minister antwoordt dat de regering geoordeeld heeft dat er inzake wapens dringend twee maatregelen getroffen moesten worden. Ten eerste wordt de overgangsperiode verlengd tot 30 juni 2007 om de burgers enerzijds en de gouverneurs en diensten anderzijds in staat te stellen de bepalingen van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens (Staatsblad van 9 juni 2006) respectievelijk na te leven en uit te voeren. Dit is het doel van het wetsvoorstel dat zopas in de Kamer is aangenomen (stuk Kamer, nr. 51-2793).

Ten tweede drong een wijziging zich op met betrekking tot het probleem van de retributies, dat de wet van 8 juni 2006 niet geregeld heeft. Bij het verschijnen van deze wet heeft de regering immers ingezien dat de nieuwe wet zwaar zou wegen op de Schatkist. Er is dus besloten om de rechten en retributies te verhogen.

Dat is het doel van de ontwerpartikelen 351 en volgende.

De regering is niet van plan om andere wijzigingen aan te brengen. Na het instellen van de Adviesraad voor wapens zullen de sector en de burgers wel nog hun opmerkingen kunnen bekendmaken. Deze opmerkingen zullen begin januari 2007 door een werkgroep onderzocht worden om na te gaan of de wet moet worden aangepast.

Amendementen nrs. 6 en 15 tot 28

De heer Hugo Vandenberghe dient vervolgens amendement nr. 6 in (stuk Senaat, nr. 3-1986/2), teneinde artikel 352 wegens ongrondwettigheid te doen vervallen. De verantwoording is dezelfde als die voor amendement nr. 5.

Op dit amendement dient hij verschillende subsidiaire amendementen in (stuk Senaat, nr. 3-1986/2) :

— amendement nr. 15 strekt ertoe in het voorgestelde artikel 50 de woorden « evenals de hernieuwing ervan » te doen vervallen. Voor nadere uitleg wordt naar de verantwoording van het amendement verwezen;

— de amendementen nrs. 16 tot 23 strekken ertoe de in het voorgestelde artikel 50 bepaalde bedragen van de te betalen rechten en retributies aanzienlijk te verminderen : meestal met een derde, soms met een vierde. Voor nadere uitleg wordt naar de verantwoording van de amendementen verwezen.

De minister wijst erop dat uit de vergelijking tussen de bedragen van de rechten en heffingen voorgesteld in artikel 352 en die in het koninklijk besluit van 16 september 1997 tot bepaling van het bedrag van de rechten en retributies die geheven worden met toepassing van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in het dragen van wapens en op de handel in munitie (Belgisch Staatsblad van 8 oktober 1997), blijkt dat de verhoging niet zo aanzienlijk is als de indiener van de subsidiaire amendementen nrs. 16 tot 23 laat uitschijnen.

De enige aanzienlijke verhoging betreft de bezitters van conventionele wapens, die voortaan bovenop een onveranderd recht van 25 euro, voortaan nog 8 euro meer moeten betalen in fiscale zegels.

De rechten en heffingen moeten de kosten dekken die voortvloeien uit de wet van 8 juni 2006, namelijk :

— de aanwerving van 50 ambtenaren, die door de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken zullen worden verdeeld over de provincies;

— de oprichting van de federale wapendienst, die zal bestaan uit 8 tot 10 personen binnen de Federale Overheidsdienst Justitie;

— de vernietiging van wapens, die in samenwerking met Arcelor gratis wordt uitgevoerd;

— de vernietiging van munitie, die wordt uitbesteed aan een buitenlands bedrijf;

— de vergoeding voor eigenaars van waardevolle wapens, die niet geneutraliseerd kunnen worden.

Op de vraag van mevrouw Nyssens of de rechten en heffingen enkel zullen worden geïnd om de kosten verbonden aan de uitvoering van de wet van 8 juni 2006 te dekken, of ook om begrotingsredenen, antwoordt de minister dat de overgangsperiode pas op 30 juni 2007 zal verstrijken zodat het onmogelijk is nu een algemeen beeld te krijgen van het aantal wapens dat zal worden afgestaan. De rechten en heffingen zullen enkel worden verhoogd om de kosten te dekken van de uitvoering van de wet van 8 juni 2006. Uit niets kan besloten worden dat de Staat hier een begrotingsvoordeel uit zal halen.

Amendement nr. 6 en de subsidiaire amendementen nrs. 15 tot 23 worden elk verworpen met 9 stemmen tegen 1 stem, bij 1 onthouding.

Artikel 353

Amendementen nrs. 7 en 24 tot 26

De heer Hugo Vandenberghe dient amendement nr. 7 in (stuk Senaat, nr. 3-1986/2), teneinde artikel 353 wegens ongrondwettigheid te doen vervallen. De verantwoording is dezelfde als die voor amendement nr. 5.

Op dit amendement dient hij eveneens verschillende subsidiaire amendementen in (stuk Senaat, nr. 3-1986/2) :

— amendement nr. 24 strekt ertoe in het voorgestelde artikel 51 de woorden « evenals de hernieuwing » te doen vervallen. Voor nadere uitleg wordt naar de verantwoording van het amendement verwezen;

— de amendementen nrs. 25 en 26 strekken ertoe de in het voorgestelde artikel 51 bepaalde bedragen van te betalen rechten en retributies aanzienlijk te verminderen. Voor nadere uitleg wordt naar de verantwoording van de amendementen verwezen.

Amendement nr. 7 en de subsidiaire amendementen nrs. 24 tot 26 worden elk verworpen met 9 stemmen tegen 1 stem, bij 1 onthouding.

Artikel 354

Amendementen nrs. 8 en 27

De heer Hugo Vandenberghe dient amendement nr. 8 in (stuk Senaat, nr. 3-1986/2), teneinde artikel 354 wegens ongrondwettigheid te doen vervallen. De verantwoording is dezelfde als die voor amendement nr. 5.

Op dit amendement dient hij het subsidiair amendement nr. 27 in (stuk Senaat, nr. 3-1986/2), teneinde de in het voorgestelde artikel 52 bepaalde bedragen te verminderen. Voor nadere uitleg wordt naar de verantwoording van het amendement verwezen.

De beide amendementen worden elk verworpen met 9 stemmen tegen 1stem, bij 1 onthouding.

Artikel 355

Amendement nr. 9

De heer Hugo Vandenberghe dient amendement nr. 9 in (stuk Senaat, nr. 3-1986/2), teneinde artikel 355 wegens ongrondwettigheid te doen vervallen. De verantwoording is dezelfde als die voor amendement nr. 5.

Het amendement wordt verworpen met 9 stemmen tegen 1 stem, bij 1 onthouding.

Artikel 356

Amendementen nrs. 10 en 28 tot 31

De heer Hugo Vandenberghe dient amendement nr. 10 in (stuk Senaat, nr. 3-1986/2), teneinde artikel 356 wegens ongrondwettigheid te doen vervallen. De verantwoording is dezelfde als die voor amendement nr. 5.

Op dit amendement dient hij de subsidiaire amendementen nrs. 28 tot 31 in (stuk Senaat, nr. 3-1986/2), teneinde de in het voorgestelde artikel 54 bepaalde bedragen van de betalen rechten en retributies aanzienlijk te verminderen. Voor nadere uitleg wordt naar de verantwoording van de amendementen verwezen.

Amendement nr. 10 en de subsidiaire amendementen nrs. 28 tot 31 worden elk verworpen met 9 stemmen tegen 1 stem, bij 1 onthouding.

Artikel 357

Amendementen nrs. 11 en 32

De heer Hugo Vandenberghe dient amendement nr. 11 in (stuk Senaat, nr. 3-1986/2), teneinde artikel 357 wegens ongrondwettigheid te doen vervallen. De verantwoording is dezelfde als die voor amendement nr. 5.

Op dit amendement dient hij het subsidiair amendement nr. 32 in (stuk Senaat, nr. 3-1986/2), teneinde in het voorgestelde artikel 55, eerste lid, de woorden « met de helft » te vervangen door de woorden « met twee derden ». Voor nadere uitleg wordt naar de verantwoording van het amendement verwezen.

De beide amendementen worden elk verworpen met 9 stemmen tegen 1 stem, bij 1 onthouding.

Artikel 358

Amendement nr. 12

De heer Hugo Vandenberghe dient amendement nr. 12 in (stuk Senaat, nr. 3-1986/2), teneinde artikel 358 wegens ongrondwettigheid te doen vervallen. De verantwoording is dezelfde als die voor amendement nr. 5.

Het amendement wordt verworpen met 9 stemmen tegen 1 stem, bij 1 onthouding.

Artikel 359

Amendement nr. 13

De heer Hugo Vandenberghe dient amendement nr. 13 in (stuk Senaat, nr. 3-1986/2), teneinde artikel 359 wegens ongrondwettigheid te doen vervallen. De verantwoording is dezelfde als die voor amendement nr. 5.

Het amendement wordt verworpen met 9 stemmen tegen 1 stem, bij 1 onthouding.

Artikel 360

Amendement nr. 14

De heer Hugo Vandenberghe dient amendement nr. 14 in (stuk Senaat, nr. 3-1986/2), teneinde artikel 360 wegens ongrondwettigheid te doen vervallen. De verantwoording is dezelfde als die voor amendement nr. 5.

Het amendement wordt verworpen met 11 stemmen tegen 1 stem, bij 1 onthouding.

Eindstemming

De artikelen verwezen naar de commissie voor de Justitie in hun geheel worden aangenomen met 11 tegen 2 stemmen.

Dit verslag is eenparig goedgekeurd door de 13 aanwezige leden.

De rapporteur, De voorzitter,
Philippe MAHOUX. Hugo VANDENBERGHE.

De door de Commissie aangenomen tekst is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden wetsontwerp (stuk Kamer, nr. 51-2773/31 - 2006/2007)