3-1987/4

3-1987/4

Belgische Senaat

ZITTING 2006-2007

22 DECEMBER 2006


Ontwerp van programmawet (II)


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE JUSTITIE UITGEBRACHT DOOR

DE HEER MAHOUX


I. Inleiding

Dit verplicht bicameraal wetsontwerp werd in de Kamer van volksvertegenwoordigers op 27 november 2006 ingediend als wetsontwerp van de regering (stuk Kamer, nr. 51-2774/1). Het werd door de Kamer aangenomen op 20 december 2006 en op diezelfde dag overgezonden aan de Senaat.

De commissie voor de Justitie, die bevoegd is voor de artikelen 1 tot 10, heeft dit wetsontwerp besproken tijdens haar vergaderingen van 13, 19, 21 en 22 december 2006 in aanwezigheid van de minister voor de Justitie.

Met toepassing van artikel 27, 1, tweede lid, van het Reglement van de Senaat, heeft de commissie de bespreking van dit wetsontwerp aangevat vóór de eindstemming in de Kamer van volksvertegenwoordigers.

II. Inleidende uiteenzetting door de minister van Justitie

Titel II van het voorliggende wetsontwerp bevat drie hoofdstukken die betrekking hebben op justitie.

Hoofdstuk 1

Bepalingen inzake gerechtskosten

Art. 2 à 7

De bepalingen van Hoofdstuk 1 geven een nieuwe wettelijke grond aan de gerechtskosten die voor rekening komen van het budget van het Departement en van de Commissie voor de Gerechtskosten.

De huidige regelgeving is achterhaald. De wet van 1 juni 1849 tot herziening van de tarieven in strafzaken is immers nog steeds van kracht. De wet van 16 juni 1919 machtigt de regering om de bepalingen inzake de gerechtskosten te wijzigen. Wanneer de ontworpen bepalingen kracht van wet zullen hebben, zal deze wet worden afgeschaft.

Het koninklijk besluit van 28 december 1950, met als opschrift « Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken », regelt het regelgevend kader van de gerechtskosten. Dit reglement zal volledig worden herzien en in de loop van de maand januari zal er een nieuw Koninklijk besluit worden uitgevaardigd dat rekening houdt met de algemene maatschappelijke evolutie die zich sinds meer dan een halve eeuw voltrokken heeft.

Welke zijn nu de krachtlijnen van het wetsontwerp ?

Een opsomming van de gerechtskosten die voor rekening zijn van het budget van de federale overheidsdienst Justitie. Het betreft kosten die verbonden zijn aan strafzaken. Het zijn de onkosten die gepaard gaan met alle vormen van strafprocedures, zowel op het vlak van het opsporingsonderzoek, het gerechtelijk onderzoek als van de uitspraak.

Naast dit type kosten, worden ook deze bedoeld die verbonden zijn aan de procedures waarbij het parket ambtshalve optreedt, maar ook die verbonden met de wet van 17 mei 2006 inzake de strafuitvoeringsrechtbanken. De strafuitvoeringsrechtbank zal immers beslissingen met budgettaire impact moeten nemen; de minister denkt met name aan de aanwijzing van medische of andere experts, en het beroep doen op vertalers en tolken.

Maken ook deel uit van de gerechtskosten, die betreffende het sociaal verweer.

Ten slotte hebben de twee laatste situaties betrekking op de procedures in het kader van de rechtsbijstand, en het artikel 508/10 van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd door de wet van 15 juni 2006.

Een tweede krachtlijn van het wetsontwerp legt de definitie vast van de taxatieprocedure en van het ter betaling stellen.

Artikel 3 bepaalt de opdrachten, verplichtingen en verantwoordelijkheden van de magistraat die een opdracht voorschrijft.

Nadat de opdracht vervuld is, moet hij de kwaliteit van de prestatie nagaan, moet hij controleren of deze geschiedde volgens de tarifering en moet hij de kostenstaat taxeren.

Op grond van dit artikel 3 zal hij bij gemotiveerde beslissing de kostenstaat kunnen drukken, met name in geval van vertraging, van een slechte uitvoering of van een buitensporig hoge facturatie.

De kostenstaten van de gerechtskosten worden door het Departement ter betaling gesteld en uitbetaald.

De derde krachtlijn van het ontwerp voert een belangrijke vernieuwing in, het betreft de oprichting van de Commissie voor de gerechtskosten, die een rechtsprekende taak krijgt; ze zal de beroepen behandelen die door de prestatieplichtigen of nog door de federale overheidsdienst Justitie zijn ingesteld.

Artikel 5, § 2 bepaalt de samenstelling ervan en de aanwijzingsprocedure van de leden en de te volgen procedure.

Artikel 6 verleent aan de Koning — bij delegatie — de bevoegdheid om een algemeen reglement op te stellen op de gerechtskosten in strafzaken. Het zal een in Ministerraad overlegd besluit betreffen. Deze besluiten zullen het voorwerp zijn van een bevestiging, door de wet, binnen twaalf maanden die volgen op de datum van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.

Hoofdstuk 2

Wijziging van de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen en gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten

Art. 8

In België verblijven vandaag nog ongeveer 850 geïnterneerden in de gevangenissen, omdat ze niet terechtkunnen in aangepaste instellingen of in de reguliere zorginstellingen.

De regering besliste op 9 februari 2006 tot de bouw van twee forensisch-psychiatrische centra in Gent en Antwerpen voor geïnterneerden met een hoog veiligheidsrisico.

Dit is een eerste stap, maar om een oplossing te garanderen voor alle andere geïnterneerden, is tevens de uitbouw van een forensisch psychiatrisch zorgcircuit, dat aansluiting vindt bij de reguliere zorg, noodzakelijk.

De creatie van een aantal nieuwe plaatsen voor geïnterneerden en de uitbouw van een zorgcircuit, laat toe om in 2007, 228 geïnterneerden te laten vertrekken uit de gevangenis, in 2008 komen er nog eens 125 plaatsen vrij in de gevangenis die momenteel door geïnterneerden bezet worden.

Teneinde de betrokken instanties te stimuleren, heeft de regering beslist, tijdens het laatste budgettair conclaaf, een vergoeding toe te kennen bij opname in een regulier centrum van 185,95 euro per opname aan de dienst of voorziening die een geïnterneerde met weinig risico's zal onderbrengen (« Low-risk »).

Bij de eerste aanmelding van een nieuwe patiënt zal eveneens een éénmalige vergoeding van 200 euro overgemaakt worden.

Gelet op de huidige overbevolking in de gevangenissen en de noodzaak de nodige zorgen te verlenen aan de geïnterneerden, moet de vooropgestelde bepaling dringend worden goedgekeurd.

Hoofdstuk 3

Wijziging van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen (zie stuk Kamer 51-2774/04)

Hoofdstuk 4

Wijziging van de wet van 26 maart 2003 houdende oprichting van een Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring en houdende bepalingen inzake het waardevast beheer van in beslag genomen goederen en de uitvoering van bepaalde vermogenssancties

Art. 10

Dit hoofdstuk strekt ertoe de werking van het Centraal Orgaan voor Inbeslagneming en Verbeurdverklaring (COIV) te verbeteren.

In het kader van de opmaak van de begroting voor 2007, heeft de Ministerraad door zijn beslissing van 17 oktober jongstleden gewezen op de noodzaak om het personeelsbestand van het COIV te verhogen, teneinde de begrotingsdoelstellingen te halen.

Na drie jaar activiteit blijkt dat het personeelsbestand van het COIV dient vervolledigd te worden met twee magistraten van het Openbaar ministerie. De doelstelling is, in voorkomend geval na inbeslagneming, de buitgerichte aanpak onder de vorm van een verbeurdverklaring en de overhandiging van een maximum aantal winsten van illegale oorsprong aan de Staatskas.

Om dit doel te bereiken, moet het Centraal Orgaan al zijn opdrachten, vastgelegd door de wetgever, kunnen uitoefenen, in het bijzonder het onderzoek naar de gegoedheid van de veroordeelden.

Artikel 15 van de wet houdende oprichting van het Centraal Orgaan laat inderdaad toe alle nodige inlichtingen in te winnen bij onder meer financiële instellingen, verzekeringsmaatschappijen, notarissen, enz. Het geheel van al deze elementen is werkelijk de enige mogelijkheid om de effectieve uitvoering van de veroordelingen tot verbeurdverklaring uitgesproken door de rechterlijke macht te verzekeren en aldus de criminelen te bestrijden door hen effectief hun illegale winsten te ontnemen.

Bovendien zijn de parketmagistraten en de onderzoeksrechters absoluut noodzakelijk voor de goede werking van het justitiële apparaat met betrekking tot de inbeslagneming en de verbeurdverklaring en is het noodzakelijk verbindingsmagistraten te voorzien binnen het COIV zelf om de samenwerking te vergemakkelijken.

Zij zullen meer bepaald :

1) Meewerken aan de opstelling van omzendbrieven en wetsontwerpen.

2) De parketmagistraten en onderzoeksrechters bijstaan met betrekking tot het waardevast beheer van inbeslaggenomen goederen om de waardevermindering van vermogensbestanddelen te vermijden door de vervreemding of de teruggave onder zekerheidsstelling, om de kosten van stalling te drukken en een eventuele latere verbeurdverklaring veilig stellen.

3) Bijstand verlenen met betrekking tot de coördinatie van de tenuitvoerleggingen van verbeurdverklaringen door te helpen bij een betere communicatie tussen de uitvoeringsdiensten van de parketten en het COIV.

4) Voorlichting verstrekken aan magistraten (artikel 3, § 2, 6º, COIV-wet), daar zij weerom door hun ervaring binnen het parket best geplaatst zijn om hun collega's zeer praktijkgerichte opleidingen aan te bieden.

Hoe efficiënter de werking van het COIV — waartoe de verbindingsmagistraten zullen bijdragen —, hoe efficiënter ook de procedures voor inbeslagneming, verbeurdverklaring en tenuitvoerlegging van vonnissen zullen verlopen, en hoe meer illegale vermogensvoordelen zullen kunnen worden overgemaakt aan de Staat.

III. Algemene bespreking

Wat de bepalingen over de gerechtskosten betreft, verwijst mevrouw Nyssens naar de opmerking van de Raad van State, die meent dat het toepassingsgebied niet duidelijk genoeg bepaald is. Gelden de nieuwe regels ook voor de burgerlijke rechtsvordering voor de strafgerechten ?

De Raad van State heeft ook kritiek op de ruime bevoegdheid die het wetsontwerp aan de Koning verleent om de lijst van de gerechtskosten op te stellen. De bevoegdheid die aan de Commissie voor de gerechtskosten wordt verleend bij de beoordeling van de rechtsmiddelen tegen de beslissingen van de taxerend magistraat, is zeer groot. Spreekster geeft toe dat de huidige procedure voor de raming van de gerechtskosten traag verloopt. Rechtvaardigt dat daarom het verlenen van discretionaire bevoegdheid aan de nieuwe Commissie ? De advocaten en de partijen zullen afhankelijk zijn van de beslissing van de Commissie om achteraf te weten te komen of de gerechtskosten die ze hebben gemaakt hun worden terugbetaald en zullen daarbij mogelijkerwijs op een tegenvaller moeten rekenen. Wat gebeurt er wanneer de Commissie oordeelt dat de kosten niet als gerechtskosten kunnen worden erkend ?

Mevrouw Nyssens vraagt vervolgens of er rechtsmiddelen zijn tegen de beslissingen van de Commissie voor de gerechtskosten. Het is inderdaad niet onwaarschijnlijk dat partijen aan wie de gerechtskosten geweigerd worden, in beroep willen gaan.

De minister antwoordt dat de tekst van het voorontwerp van wet op een aantal punten werd aangepast aan het advies van de Raad van State. Er is met de auditeur van de Raad gediscussieerd over het toepassingsgebied en over het begrip gerechtskosten. Om elke verwarring te voorkomen, somt artikel 2 van het wetsontwerp de gerechtskosten op die voor rekening van de begroting van de federale overheidsdienst Justitie komen. De rechtsplegingsvergoedingen, erelonen, enz. vallen daar niet onder.

De bepalingen van het ontwerp zijn heel duidelijk.

Enerzijds zijn er de gerechtskosten in strafzaken die het hele strafproces behelzen : het opsporingsonderzoek, het gerechtelijk onderzoek, het vonnis en zelfs de strafuitvoeringsrechtbanken.

Anderzijds zijn er de gerechtskosten op burgerrechtelijk gebied. Aanvankelijk dacht de Raad van State dat de regering ook de rechtsplegingsvergoedingen in de regeling wou opnemen. Dit is echter niet zo.

Wat het probleem betreft of uitgaven al dan niet gerechtskosten zijn, denkt de minister dat die vraag slechts uiterst zelden zal worden gesteld. In strafzaken worden de maatregelen door een magistraat van het openbaar ministerie of door een zittend magistraat gelast om de gerechtelijke waarheid aan het licht te brengen. Dat gaat bijvoorbeeld over het deskundigenonderzoek, de telefoontaps, het beroep doen op een tolk, de vertaling, enz. Wat de burgerlijke rechtsvordering betreft, verwijst spreekster naar artikel 2, 2º, van het ontwerp, dat over de rechtsplegingen gaat waarin het parket ambtshalve optreedt. Zo valt de vordering sui generis die door het wetsontwerp tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen met betrekking tot het sociaal strafrecht (stuk Senaat nr. 3-1755 en 3-1756) werd ingesteld voor de arbeidsauditeur, onder het toepassingsgebied van het 2º van artikel 2.

Op de vraag over de machtiging die het wetsontwerp aan de Koning verleent, deelt de minister mee dat artikel 6 van het ontwerp aan het advies van de Raad van State werd aangepast. Het zou heel moeilijk geweest zijn de volledige lijst van de gerechtskosten in de wet op te nemen.

De regering heeft voor een soepeler procedure gekozen, te weten het opstellen van een algemeen reglement voor de gerechtskosten bij koninklijk besluit, met het voornemen dat de koninklijke besluiten binnen twaalf maanden bij wet moeten worden bekrachtigd.

Die laatste formaliteit, die er uit voorzichtigheid is gekomen, was niet opgenomen in de tekst van het voorontwerp dat aan de Raad van State werd overgelegd.

Wat de bevoegdheden van de Commissie voor de gerechtskosten betreft, wijst de minister erop dat artikel 5 van het ontwerp bepaalt dat die Commissie de rechtsmiddelen behandelt tegen de beslissingen van de taxerend magistraat in verband met het bedrag van de gerechtskosten. Er bestaat bijgevolg geen risico dat het voor de Commissie tot een discussie komt over wat al dan niet als gerechtskosten moet worden beschouwd.

De Commissie heeft bevoegdheden, maar ze passen in een welomschreven kader. De Commissie kan niet ambtshalve optreden. Er moet beroep worden aangetekend, hetzij door de minister van Justitie, hetzij door de dienstverlener.

Met de voorgestelde opsomming van de gerechtskosten, zullen de partijen geen bijzondere gerechtskosten hebben. Zo kan de burgerlijke partij op strafrechtelijk gebied de onderzoeksrechter of de feitenrechter vragen dat bepaalde onderzoekshandelingen worden verricht. Het is evenwel de magistraat die een bepaalde dienstverlener aanwijst, waarna de gemaakte kosten gerechtskosten worden.

Mevrouw Nyssens vraagt hoe het nu in zijn werk gaat. Er bestaat reeds een Commissie om de rechtsmiddelen te behandelen. Welke bevoegdheden heeft ze ?

De minister antwoordt dat de Commissie voor de gerechtskosten in 1920 werd ingesteld. Ze bestaat uit twee magistraten en twee ambtenaren (een van de federale overheidsdienst Financiën en de andere van de federale overheidsdienst Justitie), alsook uit een door de minister van Justitie aangewezen deskundige.

De Commissie is geen administratief rechtscollege. Ze heeft een drievoudige opdracht :

— Ze stelt een schaal voor waarin de bedragen van de kosten worden vastgelegd;

— Ze geeft advies over de reiskostenvergoeding voor deskundigen, beëdigde vertalers, enz.;

— Ze legt in laatste aanleg het bedrag vast van de memories van de deskundigen die haar door de minister van Justitie werden overgelegd.

De rol van de Commissie is evenwel niet erg duidelijk. De procedure moet ook worden verbeterd. Het wetsontwerp regelt die problemen en geeft de gerechtskosten ten laste van de begroting van de federale overheidsdienst Justitie een nieuwe rechtsgrond.

De heer Hugo Vandenberghe verwijst naar de brief van 13 december 2006 die hij ontvangen heeft van de voorzitter van de Verenigde Advies- en Onderzoekscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie. Deze luidt als volgt :

« De Verenigde Advies- en Onderzoekscommissie besprak in zijn vergadering van 7 december het ontwerp van programmawet ingediend op 27 november 2006 (Kamer doc 51-2774/001).

De Verenigde Advies- en Onderzoekscommissie vroeg zich hierbij vooreerst af of een programmawet die tal van wetswijzigingen betreft die soms verregaande gevolgen hebben de toets van de criteria van deugdelijk bestuur zou doorstaan. Immers door de snelheid waarmee een dergelijke programmawet moet worden behandeld en de grote diversiteit van kwesties die men hierin regelt, is het onmogelijk om een grondige analyse te doen van de voorstellen. Dit is zowel problematisch voor de betrokkenen als voor een instelling als de Hoge Raad en meer in het bijzonder de Verenigde Advies- en Onderzoekscommissie die wil nagaan welke de mogelijke impact kan zijn van de voorstellen voor de werking van de rechterlijke organisatie en de burger.

Omdat het tijdspad geen grondige analyse toelaat, werd beslist een snelle scan uit te voeren van de voorgestelde wetswijzigingen. In het bijzonder voor de wetswijzigingen betreffende de gerechtskosten vraagt de Verenigde Advies- en Onderzoekscommissie uw aandacht.

Begrijpen wij de voorgestelde wetswijzigingen goed wanneer we stellen dat de goedkeuring van de magistraat van het verslag van de deskundigen en van de controle op en goedkeuring van de kostenstaat opgemaakt door de deskundige vanaf nu gezien wordt als een administratieve taak ? Het is immers slechts bij een dergelijke lezing dat we zouden kunnen begrijpen dat de commissie voor de gerechtskosten in tweede lijn zou kunnen tussenkomen in de regeling van deze kosten (bijvoorbeeld de hoegrootheid van de ingediende kosten betwisten) omdat het uiteraard onaanvaardbaar is dat een administratief college een rechterlijke beslissing zou beoordelen.

Indien de goedkeuring door de magistraat van het verslag van de deskundigen en van de controle en goedkeuring van de kostenstaat inderdaad als een administratieve taak wordt gedefinieerd, blijft het feit dat de gerechtskosten deel uitmaken van het eindvonnis problematisch. Bijgevolg stelt de commissie de vraag of het opportuun is deze kwestie te regelen zonder een totaalvisie op het onderscheid tussen de gerechtelijke en administratieve taken binnen parketten, rechtbanken en hoven ? De Hoge Raad sprak zich in dit verband duidelijk uit in haar advies over het wetsontwerp inzake openbaarheid van bestuur, goedgekeurd op de algemene Vergadering van 25 oktober 2006 : « De scheiding der machten houdt reeds in dat een autoriteit behorende tot een macht zijn beoordeling niet ondergeschikt kan maken van een andere autoriteit behorende tot een andere macht met een discretionaire bevoegdheid (van Welkenhuysen « la séparation des pouvoirs 1831-1981 » in « De Grondwet, honderdvijftig jaar », Bruylant, 1981, blz. 61). »

De Verenigde Advies- en Onderzoekscommissie hield eraan bovenstaande vraag ter overweging aan u voor te leggen en dankt u voor de aandacht die u hieraan besteedt. »

De minister heeft die brief van de Hoge Raad voor de Justitie ook ontvangen. De hamvraag is of de goedkeuring door de magistraat van het verslag van de deskundigen en van de controle en goedkeuring van de kostenstaat opgesteld door de deskundige administratieve dan wel gerechtelijke taken zijn.

Volgens de Hoge Raad betreft het administratieve taken. Volgens hem is het immers ondenkbaar dat de Commissie voor de gerechtskosten, een administratief rechtscollege, in tweede lijn een rechterlijke beslissing zou beoordelen. Volgens de Hoge Raad is er nood aan een meer algemene reflectie over de gerechtelijke en administratieve taken. Hij verwijst daarbij naar zijn advies over het wetsontwerp inzake openbaarheid van bestuur.

De minister is van oordeel dat een magistraat die nagaat of de gevraagde erelonen overeenstemmen met de wettelijke schaal en of het aangerekende werk echt is uitgevoerd, of die een eventuele vertraging bestraft, geen gerechtelijke taak verricht.

Wanneer de beslissing van de taxerende magistraat wordt betwist voor de Commissie voor de gerechtskosten, kan deze Commissie, samengesteld uit twee magistraten en een deskundige, de beslissing over het bedrag van de gerechtskosten inderdaad terzijde schuiven. De Commissie controleert de elementen op basis waarvan de bedragen worden vastgesteld (tarieven, verrichte uren, kwaliteit van het werk, enzovoorts). Deze elementen worden haar door de magistraat meegedeeld.

Momenteel wordt deze controle slechts zelden door de magistraten uitgevoerd, maar meestal door de griffiers en de parketsedretarissen. Volgens de minister bewijst dit nogmaals dat het een administratieve taak betreft.

Voorts begrijpt de minister niet waarom de door de Commissie voor de gerechtskosten vastgestelde kosten niet meer zouden worden beschouwd als gerechtskosten, terwijl ze nog wel ten laste van de begroting van de Staat komen en deel uitmaken van de lijst van kosten vastgesteld in artikel 2. Uiteindelijk staat het aan de vonnisrechter om de gerechtskosten vast te stellen. De bewijzen van de gerechtskosten zitten in het strafdossier en de vonnisrechter stelt in het beschikkend gedeelte het bedrag vast van de gerechtskosten die zullen worden teruggevorderd door de FOD Financiën.

De minister besluit hieruit dat het wetsontwerp de bevoegdheden van de magistraat niet aantast omdat hij in deze context geen rechterlijke beslissing neemt. De principiële beslissing van de magistraat om een gerechtelijke maatregel te bevelen, wordt op geen enkel moment op de helling gezet. Aangezien bij wet en bij koninklijk besluit schalen worden vastgesteld voor een hele reeks handelingen, heeft de controle op de overeenstemming van de bedragen met de schaal geen gerechtelijke draagwijdte.

Mevrouw Nyssens stelt vast dat het wetsontwerp de Koning machtigt om de tarieven en de praktische regels met betrekking tot de gerechtskosten vast stellen. Het ontworpen artikel 6 bepaalt dat de koninklijke besluiten bij wet worden bekrachtigd binnen de twaalf maanden volgend op de datum van hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. Gaat het om één koninklijk besluit of om meerdere ? Moet elke latere wijziging van het koninklijk besluit dan bij wet worden bekrachtigd ?

De minister antwoordt dat de regering wil voorkomen dat de omvang van de machtiging voor de Raad van State wordt betwist. Artikel 6, tweede lid, heeft duidelijk tot doel om beroepen tot vernietiging voor de Raad van State te voorkomen.

In januari zullen twee koninklijke besluiten worden bekendgemaakt. Het eerste zal het koninklijk besluit van 28 december 1950 wijzigen. Dat zal het organiek besluit zijn met een volledige lijst van de gerechtskosten en met de procedures. Het tweede besluit zal betrekking hebben op de Commissie voor de gerechtskosten.

Deze twee koninklijke besluiten zouden later niet al te vaak meer moeten worden gewijzigd. Als de Koning later wijzigingen zou doorvoeren, moeten die bij wet worden bekrachtigd binnen twaalf maanden.

De heer Hugo Vandenberghe verwijst, wat betreft zijn algemene tussenkomst, naar zijn algemene verklaring met betrekking tot het ontwerp van programmawet (I) (stuk Senaat, nr. 3-1986/1). De wetgevingsprocedure waarvoor de regering opteert, schendt de grondwettelijke bepalingen inzake de uitoefening van de wetgevende macht. Bovendien is zij strijdig met Titel II van de Grondwet. Immers, de wettelijke beperkingen van de grondrechten moeten beantwoorden aan bepaalde kwaliteitsvereisten, maar de gevolgde procedure biedt een onvoldoende waarborg voor de naleving van die vereisten.

De gerechtskosten zijn in de afgelopen jaren exponentieel toegenomen. Tussen 2000 en 2006 stegen de budgettaire middelen van 59,6 miljoen euro tot 84 miljoen euro. Voor 2007 gaat het om 86 miljoen euro. De belangrijkste categorieën betreffen de uitgaven voor de vertalers en de tolken (13 459 000 euro in 2005) en voor de telefoontap en de controle op het ingaand en uitgaand telefoonverkeer (14 964 000 euro in 2005).

De spreker deelt de bezwaren die de Hoge Raad voor de Justitie uit in zijn brief van 13 december 2006 (zie supra).

De ontworpen regeling is illustratief voor het gebrek aan totaalvisie bij de regering. Veel detailwetgeving wordt middels programmawetten in het wetgevende arsenaal binnengeloodst. De regeling van de gerechtskosten had een onderdeel moeten zijn van het mislukte Themisplan.

In zijn advies van 24 maart 2004 wees de Hoge Raad voor de Justitie erop dat het beheer van het budget voor de gerechtskosten vrijwel onmogelijk is omdat het maken van die kosten niet wordt begrensd. De Hoge Raad stelde onder meer voor vorming aan de magistraten aan te bieden opdat zij meer kennis zouden hebben van de kostprijs van de maatregelen die zij bevelen. De Dienst Gerechtskosten zou vergelijkende studies van de deskundigen per discipline kunnen uitvoeren. De magistraten zouden zelf verantwoordelijk moeten zijn voor het beheer van de beschikbare middelen. Elke kamer zou jaarlijks een begroting moeten opmaken van de te verwachten gerechtskosten. Bij aanvang van ieder gerechtelijk onderzoek of vooronderzoek dat een bepaalde kostendrempel overschrijdt, zou de magistraat een begroting moeten opmaken waarvan enkel in uitzonderlijke omstandigheden kan worden afgeweken. Per korps of rechtscollege zou er verslag moeten worden uitgebracht aan de Hoge Raad over de uitgaven voor gerechtskosten. Mocht daaruit blijken dat de zelfregulering niet werkt, zou de toelating om een budget te overschrijden moeten worden gevraagd aan een magistraat die ervoor verantwoordelijk is dat de gerechtskosten het totale budget niet overschrijden.

De publieke opinie is bovendien bezorgd over de grote achterstand in de betaling van eisbare facturen door het ministerie van Justitie. Experten leveren hun prestaties trouwens vaak aan middeleeuwse tarieven. De Centrale Dienst Gerechtskosten heeft heden nog steeds geen informatie over de opdrachten die de magistraten hebben bevolen.

De minister antwoordt dat de regering wel degelijk een strategie heeft met betrekking tot de toename van de gerechtskosten. Die strategie bestaat uit zeven punten :

1) de gerechtelijke overheden informeren over de evolutie van het budget van de gerechtskosten :

2) de magistraten sensibiliseren teneinde goede administratieve praktijken ingang te doen vinden;

3) gedecentraliseerde organisatie, samen met de Hoge Raad voor de Justitie, van opleidingen voor magistraten;

4) sluiten van een tariferingsovereenkomst met telecommunicatieoperatoren;

5) controle van de telefoonfacturen;

6) ontwikkelen van een informaticaprogramma bij de opbouw op de proefsites Leuven en Nijvel;

7) invoeren van een nieuwe wettelijke grondslag voor dit ontwerp.

Uit de informatie van de diensten blijkt dat er geen achterstanden zijn. De manier van overdracht hangt wel af van het soort gerechtskosten. Sommige worden geregeld door de griffies, andere door de centrale diensten. Soms duurt het even alvorens de factuur van de griffie wordt overgezonden aan de diensten.

Het klopt dat de FOD Justitie tot nog toe geen algemeen beeld heeft van de gerechtskosten. Daarom heeft de regering een informaticaprogramma ontwikkeld waarmee een dagelijks overzicht kan worden verkregen van de opdrachten die de magistraten geven. Het programma kan de magistraat ook een schatting geven van de kostprijs van een maatregel.

De gerechtskosten zijn de laatste jaren enorm toegenomen. Toch is er een lichte stagnering, met name vanwege de verstrekte informatie en de controle. De toename houdt ook verband met de nieuwe technologieën en de steeds toenemende grensoverschrijdende criminaliteit. Daardoor vormen de vertalers en tolken de zwaarste post.

Mevrouw Nyssens vraagt of in het koninklijk besluit schalen worden vastgesteld voor de deskundigenonderzoeken dan wel enkel criteria.

De minister antwoordt dat het koninklijk besluit een schaal zal bevatten. De schalen bestaan nu al. In de Kamer van volksvertegenwoordigers wordt momenteel een ontwerp tot hervorming van het gerechtelijk deskundigenonderzoek besproken. Het heeft betrekking op de procedures van het deskundigenonderzoek maar niet op de handelingen die de deskundige moet verrichten. Deze materie wordt besproken in het voorliggende wetsontwerp.

Mevrouw Nyssens verklaart dat het moeilijk is om deskundigen te vinden vanwege het lage loon dat ze krijgen. Zij verwijst naar hun statuut en naar het ontwerp dat momenteel in de Kamer wordt besproken en dat ertoe strekt dit statuut te herwaarderen.

Volgens de minister moet men heel voorzichtig zijn met de verbanden die men legt tussen het voorliggende ontwerp en de besprekingen in de Kamer over het gerechtelijk deskundigenonderzoek. Zij willen vijf dingen opmerken in dit verband :

— Er worden wel degelijk nog deskundigen gevonden aangezien de opsporingsonderzoeken en de gerechtelijke onderzoeken nog steeds doorgaan.

— De deskundigen die voor het gerecht werken hebben onweerlegbare professionele kwaliteiten.

— Uit bepaalde sectoren van het gerechtelijk deskundigenonderzoek zijn eisen gekomen voor een herwaardering van de schalen.

— De overheid zal nooit de in de privé gangbare tarieven kunnen betalen.

— De dienstverlenende persoon kan zijn titel van gerechtelijk deskundige vermelden op zijn briefhoofd en zijn visitekaartjes. Dat bewijst dat hij er toch een meerwaarde in ziet.

Vervolgens kaart mevrouw Nyssens de voorgestelde wijzingen van de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij aan (Hoofdstuk II van het wetsontwerp).

De onderliggende idee is om zoveel mogelijk geïnterneerden uit de gevangenis te halen en ze in ziekenhuizen of psychiatrische instellingen onder te brengen.

Artikel 8 bepaalt dat « de instellingen die geïnterneerden opnemen daarvoor een subsidie ten laste van het budget van de Staat kunnen krijgen ». Waarom heeft men voor deze begrotingstechniek gekozen ? Waarom komen deze mensen niet direct ten laste van de begroting van Volksgezondheid ? Waarom komt de subsidie uit de begroting van Justitie ?

De minister antwoordt dat de voorgestelde maatregel maar betrekking heeft op één categorie geïnterneerden, namelijk « low risk »-geïnterneerden, die geen bijzonder risico vormen. Een voorontwerp van wet tot hervorming van de materie van het sociaal verweer is voor advies voorgelegd aan de Raad van State.

In dat ontwerp wordt een onderscheid gemaakt tussen drie categorieën geïnterneerden :

« High-risk »-geïnterneerden, die geïnterneerd moeten worden in een instelling tot bescherming van de maatschappij, waar het veiligheidsniveau vergelijkbaar is met dat van een gevangenis.

« Medium-risk »-geïnterneerden die in instellingen en ziekenhuizen worden opgenomen.

Geïnterneerden die geen specifiek risico vormen maar toch een beetje lastig zijn en dus moeten worden begeleid, bijvoorbeeld in opvanghuizen.

In dit ontwerp wordt voorgesteld deze opvanginstellingen een dubbele financiële stimulus te geven om het hoofd te bieden aan de specifieke problemen van de « low risk »-geïnterneerden. Justitie en Volksgezondheid werken samen om instellingen ertoe aan te zetten geïnterneerden « low risk » op te nemen. De bedoeling is dat de instellingen van sociaal verweer en de psychiatrische bijgebouwen van de gevangenissen enkel nog mensen opnemen die bijzondere zorg nodig hebben.

IV. Artikelsgewijze bespreking en stemmingen

Artikel 1

Amendement nr. 1

De heer Hugo Vandenberghe dient amendement nr. 1 in (stuk Senaat, nr. 3 1987/2), teneinde artikel 1 wegens ongrondwettigheid te doen vervallen.

De indiener verwijst naar de verantwoording van het amendement.

Amendement nr. 1 wordt verworpen met 9 tegen 4 stemmen.

Het artikel wordt aangenomen met 9 tegen 4 stemmen.

Hoofdstuk I — Opschrift

Amendement nr. 11

De heer Hugo Vandenberghe dient amendement nr. 11 in (stuk Senaat, nr. 3 1987/2), dat ertoe strekt na de woorden « Bepalingen inzake gerechtskosten » de woorden « in strafzaken en daarmee gelijkgestelde zaken » in te voegen.

Dit amendement wordt verworpen met 9 tegen 4 stemmen.

Artikel 2

Amendementen nrs. 2 en 17

De heer Hugo Vandenberghe dient amendement nr. 2 in (stuk Senaat, nr. 3 1987/2), teneinde artikel 2 wegens ongrondwettigheid te doen vervallen. De verantwoording is dezelfde als die voor amendement nr. 1.

Op dit amendement dient hij subsidiair amendement nr. 17 in (stuk Senaat, nr. 3-1987/2), teneinde in de Nederlandse tekst het woord « gerechtkosten » te vervangen door het woord « gerechtskosten ».

Amendement nr. 2 wordt verworpen met 10 tegen 4 stemmen.

Amendement nr. 17 wordt ingetrokken en de voorgestelde verbetering zal worden aangebracht als tekstcorrectie.

Het artikel wordt aangenomen met 10 tegen 4 stemmen.

Artikel 3

Amendementen nrs. 3 en 18

De heer Hugo Vandenberghe dient amendement nr. 3 in (stuk Senaat, nr. 3-1987/2), teneinde artikel 3 wegens ongrondwettigheid te doen vervallen. De verantwoording is dezelfde als die voor amendement nr. 1.

Op dit amendement dient hij subsidiair amendement nr. 18 in (stuk Senaat, nr. 3-1987/2), dat ertoe strekt de woorden « door de dienstverlenende persoon » ook in de Franse tekst op te nemen.

Amendement nr. 3 wordt verworpen met 10 tegen 4 stemmen.

Amendement nr. 18 wordt ingetrokken en de voorgestelde verbetering zal worden aangebracht als tekstcorrectie.

Het artikel wordt aangenomen met 10 tegen 4 stemmen.

Artikel 4

Amendementen nrs. 4, 17 en 19

De heer Hugo Vandenberghe dient amendement nr. 4 in (stuk Senaat, nr. 3-1987/2), teneinde artikel 4 wegens ongrondwettigheid te doen vervallen. De verantwoording is dezelfde als die voor amendement nr. 1.

Op dit amendement dient hij verschillende subsidiaire amendementen in (stuk Senaat, nr. 3-1986/2) :

— amendement nr. 12 strekt ertoe in § 1, tweede lid, de woorden « indien de minister of zijn afgevaardigde de vermindering van de onkostenstaat door de magistraat goedkeurt, betekent hij dit » te vervangen door de woorden « indien de magistraat de onkostenstaat overeenkomstig artikel 3, laatste lid, vermindert, wordt deze beslissing door de griffie betekend ».

— amendement nr. 19 strekt ertoe in het eerste lid van § 1 van de Franse tekst de woorden « état de frais de justice » te vervangen door de woorden « état de frais ».

De amendementen nrs. 4 en 12 worden verworpen met 10 tegen 4 stemmen.

Amendement nr. 19 wordt ingetrokken en de voorgestelde verbetering wordt aangenomen als tekstcorrectie.

Het artikel wordt aangenomen met 10 tegen 4 stemmen.

Artikel 5

Amendementen nrs. 5, 13 tot 16, en 20 en 21

De heer Hugo Vandenberghe dient amendement nr. 5 in (stuk Senaat, nr. 3-1987/2), teneinde artikel 5 wegens ongrondwettigheid te doen vervallen. De verantwoording is dezelfde als die voor amendement nr. 1.

Op dit amendement dient hij verschillende subsidiaire amendementen in (stuk Senaat, nr. 3-1986/2) :

— amendement nr. 13 strekt ertoe § 2, derde lid, te doen vervallen wegens strijdigheid met artikel 155 van de Grondwet..

— amendement nr. 14 strekt ertoe in het derde lid van § 2 de woorden « hun mandaat kan vernieuwd worden » te doen vervallen wegens strijdigheid met artikel 155 van de Grondwet.

— amendement nr. 15 strekt ertoe § 6 te vervangen wegens strijdigheid met artikel 155 van de Grondwet.

— amendement nr. 16 strekt ertoe in § 5 een tweede lid toe te voegen, teneinde het ontwerp in overeenstemming te brengen met de taalwetgeving.

— amendement nr. 20 strekt ertoe in het eerste lid van § 2 van de Franse tekst de woorden « prestataire de service » te vervangen door het woord « expert ».

— amendement nr. 21 strekt ertoe in § 7 het woord « regelen » te vervangen door het woord « regels ».

De amendementen nrs. 5, 13, 14, 15, 16 en 20 worden verworpen met 10 tegen 4 stemmen.

Amendement nr. 21 wordt ingetrokken en de voorgestelde verbetering wordt aangenomen als tekstcorrectie.

Het artikel wordt aangenomen met 10 tegen 4 stemmen.

Artikel 6

Amendementen nrs. 6, 22, 23 en 15

De heer Hugo Vandenberghe dient amendement nr. 6 in (stuk Senaat, nr. 3-1987/2), teneinde artikel 6 wegens ongrondwettigheid te doen vervallen. De verantwoording is dezelfde als die voor amendement nr. 1.

Op dit amendement dient hij verschillende subsidiaire amendementen in (stuk Senaat, nr. 3-1986/2) :

— amendement nr. 22 strekt ertoe het tweede lid van dit artikel aan te vullen met de woorden « bij gebreke waaraan deze koninklijke besluiten zullen ophouden uitwerking te hebben na het verstrijken van voormelde termijn ».

— amendement nr. 23 strekt ertoe in de Franse lid van het tweede lid de woorden « les arrêtés » te vervangen door de woorden « l'arrêté ».

— amendement nr. 15 strekt ertoe § 6 te vervangen wegens strijdigheid met artikel 155 van de Grondwet.

De amendementen nrs. 6, 22 en 23 worden verworpen met 10 tegen 4 stemmen.

Het artikel wordt aangenomen met 10 tegen 4 stemmen.

Artikel 7

Amendement nr. 7

De heer Hugo Vandenberghe dient amendement nr. 7 in (stuk Senaat, nr. 3-1987/2), teneinde artikel 7 wegens ongrondwettigheid te doen vervallen. De verantwoording is dezelfde als die voor amendement nr. 1.

Het amendement wordt verworpen met 10 tegen 4 stemmen.

Het artikel wordt aangenomen met 10 tegen 4 stemmen.

Artikel 8

Amendement nr. 8

De heer Hugo Vandenberghe dient amendement nr. 8 in (stuk Senaat, nr. 3-1987/2), teneinde artikel 8 wegens ongrondwettigheid te doen vervallen. De verantwoording is dezelfde als die voor amendement nr. 1.

Het amendement wordt verworpen met 10 tegen 4 stemmen.

Het artikel wordt aangenomen met 10 tegen 4 stemmen.

Artikel 9

Amendement nr. 9

De heer Hugo Vandenberghe dient amendement nr. 9 in (stuk Senaat, nr. 3-1987/2), teneinde artikel 7 wegens ongrondwettigheid te doen vervallen. De verantwoording is dezelfde als die voor amendement nr. 1.

Het amendement wordt verworpen met 10 tegen 4 stemmen.

Het artikel wordt aangenomen met 10 tegen 4 stemmen.

Artikel 10

Amendementen nrs. 10 en 24

De heer Hugo Vandenberghe dient amendement nr. 10 in (stuk Senaat, nr. 3-1987/2), teneinde artikel 7 wegens ongrondwettigheid te doen vervallen. De verantwoording is dezelfde als die voor amendement nr. 1.

Op dit amendement dient hij een subsidiair amendement in (stuk Senaat, nr. 3-1986/2, amendement nr. 24), dat ertoe strekt de vermelde verwijzing in het voorgestelde artikel 17bis, § 2, te corrigeren.

Deze amendementen worden verworpen met 10 tegen 4 stemmen.

Het artikel wordt aangenomen met 10 tegen 4 stemmen.

V. Eindstemming

De artikelen verwezen naar de commissie voor de Justitie in hun geheel worden aangenomen met 10 tegen 4 stemmen.


Dit verslag is eenparig goedgekeurd door de 13 aanwezige leden.

De rapporteur, De voorzitter,
Philippe MAHOUX. Hugo VANDENBERGHE.

Met uitzondering van een aantal technische verbeteringen is de door de Commissie aangenomen tekst dezelfde als de tekst van het wetsontwerp overgezonden door de Kamer van volksvertegenwoordigers (stuk Kamer nr. 51-2774/03)