3-1968/4

3-1968/4

Belgische Senaat

ZITTING 2006-2007

22 DECEMBER 2006


Wetsvoorstel inzake het verbod op de financiering van de productie, het gebruik en het bezit van submunitie


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE FINANCIňN EN VOOR DE ECONOMISCHE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR

DE HEER VAN NIEUWKERKE


I. INLEIDING

Voorliggend wetsvoorstel werd ingediend op 5 december 2006. De commissie heeft dit wetsvoorstel besproken tijdens haar vergaderingen van 20 en 22 december 2006.

II. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE HEER MAHOUX

De heer Mahoux verwijst naar de voorgeschiedenis van dit wetsvoorstel : de wet van 30 maart 2000 betreffende het definitieve verbod op antipersoonsmijnen, de wet van 18 mei 2006 tot aanvulling van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie, wat betreft het verbod op submunitie; en het wetsvoorstel inzake het verbod op de financiering van de productie, het gebruik en het bezit van antipersoonsmijnen (stuk Senaat, nr. 3-834; Kamer nr. 51-1879/1).

Aangezien de productie, het bezit, het verhandelen en het vervoer van antipersoonsmijnen in BelgiŽ verboden is, is het niet meer dan logisch dat ook iedere vorm van financiering ervan verboden wordt.

Bijgevolg moet de banksector duidelijkheid krijgen. Hoe kan die immers precies weten welke ondernemingen antipersoonsmijnen of submunitie vervaardigen of vervoeren en welke soorten financiering verboden zijn ? Men moet natuurlijk altijd rekening houden met het internationale aspect. In geval van onopzettelijke financiering kunnen banken die dergelijke ondernemingen financieren, vervolgd worden zonder dat vaststaat dat zij met kennis van zaken gehandeld hebben. Er heerst dus een bepaalde vorm van rechtsonzekerheid.

Het wetsvoorstel en de bijbehorende amendementen streven een tweevoudig doel na. Het eerste is het opstellen van een lijst door de Koning, waardoor duidelijkheid geschapen wordt over welk soort activiteiten men niet mag financieren. Het tweede doel is te bepalen over welke soorten financiering het gaat. In een nieuw artikel 2, dat ingevoegd wordt door amendement nr. 2, wordt aangegeven wat men verstaat onder financiering van een onderneming die submunitie vervaardigt.

Een tekst die in de commissie voor de FinanciŽn van de Senaat werd aangenomen en die het financieren van antipersoonsmijnen verbiedt, is thans in behandeling in de Kamer (stuk Kamer 51-1879/1). De heer Mahoux vestigt de aandacht op het feit dat het onderhavige wetsvoorstel, dat betrekking heeft op de financiering van antipersoonsmijnen en van subminitie, in de huidige lezing aangenomen zou kunnen worden. Als aanvulling bij de twee verboden die reeds wet geworden zijn (het verbod op submunitie en dat op antipersoonsmijnen) zou dit nu ook de financiering ervan daadwerkelijk verbieden.

III. ALGEMENE BESPREKING

Mevrouw Anseeuw vraagt wie de lijst, vernoemd in amendement nr. 2, zal opstellen en wie ze zal bijhouden. Een tweede vraag betreft de toelichting, waarin er gesproken wordt over een wetsontwerp dat wordt besproken in de Kamercommissie : ligt deze in dezelfde lijn of bestaan er verschillen ?

De heer Mahoux antwoordt dat de Koning de lijst zal opstellen. De tekst die voorligt in de Kamer van volksvertegenwoordigers verbiedt de financiering van antipersoonsmijnen, maar de aanpak is dezelfde, namelijk dat er bepaald moet kunnen worden welke ondernemingen er produceren. Het verbod op submunitie is goedgekeurd. De Kamer had de tekst op de antipersoonsmijnen kunnen amenderen in dezelfde zin als hier gebeurd is, en dus bepalen dat een lijst moet worden opgemaakt. Dat zou dan uitsluitend voor de antipersoonsmijnen gelden. Aangezien de commissie voor de FinanciŽn van de Senaat het verbod op mijnen en submunitie heeft goedgekeurd, er een tekst is ingediend over het verbod op de financiering van submunitie, en de tekst betreffende de antipersoonsmijnen reeds is aangenomen, bestaat de eenvoudigste oplossing erin dat men hier de gehele problematiek wijzigt. Er moet dus een lijst worden opgemaakt als bepaald in amendement nr. 2, wat blijkbaar voor alle betrokkenen aanvaardbaar is. Die lijst zal ook betrekking hebben op de antipersoonsmijnen. Bijgevolg zou het voorliggende wetsvoorstel, dat een volledige tekst vormt, in de huidige lezing door de Kamer moeten worden aangenomen. Dit houdt verband met het feit dat het voorwerp van het misdrijf afgebakend is.

De heer Steverlynck zegt dat hij zeker akkoord is met de inhoud van het voorstel, maar hij heeft opmerkingen bij het amendement nr. 2, dat een aantal zaken opmerkelijk wijzigt. Momenteel wordt het wetsontwerp inzake het verbod op de financiering van de productie, het gebruik en het bezit van antipersoonsmijnen in de Kamer besproken. De Kamer zou perfect de ideeŽn van amendement nr. 2 in de bespreking kunnen inbrengen en stemmen. Waarom wordt er een totaal andere tekst gemaakt, terwijl het debat eigenlijk bezig is in de Kamer van volksvertegenwoordigers ?

De heer Van Nieuwkerke geeft toe dat het vreemd lijkt, maar voegt eraan toe dat de Senaat misschien efficiŽnter werkt. Het grondprobleem van de hele zaak is dat de banken zeiden dat, als ze geen zicht hadden op de lijst, alhoewel ze verantwoordelijk waren. Netwerk Vlaanderen heeft aan de banksector beloofd dat er een lijst zou opgesteld worden. Er moet dus rekening gehouden worden met deze evolutie. Dit nieuwe voorstel moet sluitend zijn. De banksector is akkoord om met dergelijke lijst te werken.

De heer Mahoux voegt daaraan toe dat er een informeel akkoord is met de Kamer van volksvertegenwoordigers, waar de werkzaamheden inzake de antipersoonsmijnen worden onderbroken om het probleem op een alomvattende manier te kunnen aanpakken. Voor zover het om efficiŽntie gaat, is dit de snelste manier van werken.

De heer Steverlynck vraagt wat de relatie is tussen de lijst en het verbod van participatie van financiering. Indien een onderneming niet op de lijst staat, maar toch ergens zou participeren in de financiering van hetgeen niet mag, wat betekent dit dan ? Kan dit (niet) ? Wat indien een bepaald bedrijf op de lijst komt dat eigenlijk niet participeert in die financiering ? Wat is de rol van die lijst ? Is ze exclusief of exhaustief ? Wat als ze onvolledig is ? Wie is aansprakelijk ? Hoe werkt de lijst in het geheel van het verbod op financiering ?

De heer Mahoux antwoordt dat de Koning de taak heeft de lijst op te stellen. Die lijst vormt een referentiepunt wat het soort misdrijf betreft. De regering is verantwoordelijk voor de toepassing van de lijst. Als er wordt ontdekt dat een onderneming niet op de lijst staat, is het duidelijk dat dit geen problemen op strafrechtelijk vlak meebrengt. Er zijn natuurlijk gevolgen op het ethische vlak en er komt een aanpassing. Het gaat om een veeleer alomvattende visie. Op strafrechtelijk gebied is alles duidelijk bepaald; er geldt een algemeen verbod. Wat het morele aspect betreft, is voorzien in een aanpassing van de lijst.

De heer Steverlynck is van mening dat de voorgestelde publieke lijst een element kan vormen ter verbetering van de controle. Wanneer echter een onderneming participeert in een andere onderneming die op dat moment niet op de lijst fungeert, kan er later, bij de publicatie van een nieuwe lijst, toch nog een probleem optreden.

Verder merkt de spreker op dat ondernemingen soms, alhoewel ze minder dan 50 % van een andere onderneming bezitten, toch de bepalende controle kunnen uitoefenen. Welke is daarom de effectieve taak van de lijst ? Is het een element in het beoordelen van het effectieve verbod ? Wat zijn de strafrechtelijke gevolgen hiervan ? Kunnen aandeelhouders, financiers, die op basis van de lijst van een bepaald ogenblik, ter goeder trouw een investering doen nadien toch gevat worden op basis van een nieuwe lijst van ondernemingen ?

Wat de bepaling uit het vijfde lid van artikel 2 betreft namelijk ę voor zover dit contractueel mogelijk is Ľ, merkt de spreker op dat het contractrecht bepaalt dat een opzegging steeds mogelijk is maar dat er soms schadevergoeding moet worden betaald. Blijft dus de vraag wie de schadevergoeding zal moeten betalen.

De heer Mahoux merkt op dat het verbod algemeen is. Er kunnen echter vragen worden gesteld naar de toepassing ervan en naar de kennis die ondernemingen hebben over andere ondernemingen en hun producten. In verband met het strafrechtelijke aspect is die kennis dus heel belangrijk. Voor het verwerven van die kennis wordt daarom verwezen naar de publieke lijst die de Koning zal opstellen.

Wat de opmerking over de 50 % betreft, merkt de spreker op dat het voor de toepassing noodzakelijk was om een bepaalde grens te stellen. Spreker beaamt dat het een intermediaire oplossing is. Deze vormt zeker een verbetering ten opzichte van de bestaande tekst aangezien deze zelfs geen bepaling had voor de 100 % gefilialiseerde ondernemingen.

De heer Steverlynck meent te begrijpen dat wanneer men optreedt als financier van ťťn van de ondernemingen die fungeren op de lijst er d'office sprake is van een overtreding. Is deze stelling niet te verregaand ? Wat met de ondernemingen die op de lijst staan maar die de bedoelde activiteit niet meer uitoefenen ? Is het niet de bedoeling om aan de hand van de lijst een bestraffing als bedoeld in het eerste lid mogelijk te maken ?

De heer Mahoux verklaart dat het algemene verbod op zich duidelijk is maar dat er een probleem rijst voor de toepassing ervan. Spreker stelt dat de interpretatiemogelijkheid voor elke wettekst geldt en wordt overgelaten aan de rechter.

Verder moet er ook rekening worden gehouden met de proportionaliteit. Het is echter zeker dat de wettekst met de erbijhorende lijst er zullen zijn en dat de rechterlijke macht hiermee zal moeten rekening houden.

De heer Willems merkt op dat de voorgestelde lijst naar de rechtszekerheid toe een oplossing zal bieden. Echter, de spreker merkt op dat er geen procedure werd voorzien opdat ondernemingen van de lijst kunnen worden geschrapt. Zullen ondernemingen zich hiervoor tot de Raad van State moeten wenden ?

De heer Collas merkt op geen bezwaren te hebben tegen de inhoud van het voorstel. Hij vraagt zich echter eveneens af onder welke voorwaarden de lijst zal worden herzien.

De heer Mahoux antwoordt dat de Koning eveneens de wijzigingen aan de voorgestelde publieke lijst regelt.

De heer Van Nieuwkerke verklaart dat de bedoelde lijst een dynamisch gegeven zal vormen en regelmatig zal worden vernieuwd. Hij uit daarbij de hoop dat deze op termijn korter en korter zal worden.

De heer Willems verduidelijkt dat het een absolute voorwaarde is dat deze lijst regelmatig zal worden aangepast, zeker gezien het dynamische gegeven van de activiteiten van ondernemingen en gezien het gegeven dat geen echte beroepsprocedure, buiten de klassieke procedure via de Raad van State, wordt voorzien.

IV. STANDPUNT VAN DE MINISTER VAN FINANCIňN

Het wetsvoorstel zoals het zal worden geamendeerd, lijkt zowel een nuttige als wenselijke toevoeging aan de bestaande wetgeving met betrekking tot economische activiteiten en verband houdend met wapens. Bovendien sluit het aan bij het verzoek dat het Europees Parlement aan de lidstaten heeft gericht met het oog op het nemen van passende wetgevende maatregelen die tot doel hebben financiŽle instellingen te verbieden om te investeren in ondernemingen die deelnemen aan het in de handel brengen van deze onaanvaardbaar geachte wapens.

Wat amendement nr. 2 betreft, dat ertoe strekt een publieke lijst op te stellen van de ondernemingen die met deze verboden activiteiten te maken hebben, merkt de minister op dat dit amendement enerzijds de tekst beter toepasbaar maakt en anderzijds rekening houdt met de suggesties vanwege de financiŽle sector.

Amendement nr. 3 houdt grotendeels rekening met een advies van de CFI (Cel voor FinanciŽle Informatieverwerking).

De regering heeft dus geen enkel bezwaar tegen de voorgestelde tekst.

V. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING

De heer Mahoux trekt amendement nr. 1 in, dat het opschrift van het voorstel wilde vervangen. Hij stelt voor het bij het hoofddoel van het wetsvoorstel te houden, namelijk het verbod op de financiering van bommen met submunitie en antipersoonsmijnen. Zoals in amendement 4 wordt aangegeven, moet het opschrift dit doel weergeven.

Amendement nr. 2 van de heer Mahoux, dat ertoe strekt artikel 2 te vervangen, stelt vrij duidelijk dat de Koning ermee wordt belast de lijst op te stellen van alle ondernemingen die bommen met submunitie en antipersoonsmijnen vervaardigen, te koop stellen of vervoeren. Ook zal er een lijst worden opgesteld van alle ondernemingen die 50 % bezitten van de aandelen van een onderneming die bommen met submunitie en antipersoonsmijnen vervaardigt, te koop stelt, vervoert of gebruikt. Er wordt ook aangegeven wat de financiering van dergelijke ondernemingen inhoudt.

Amendement nr. 3 van de heer Mahoux op artikel 3 breidt wat over de bommen met submunitie is gezegd, uit tot de antipersoonsmijnen.

Spreker vestigt de aandacht erop dat het hier niet meer gaat om een wijziging van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie, maar wel van de wet van 18 mei 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens.

Deze bepaling betreft de gehele problematiek van de financiering, namelijk het collectief beheer van portefeuilles en de banksector. Hierdoor verliest artikel 67, ß 6 van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles zijn bestaansreden.

Wat de toepassingsmogelijkheden betreft, moeten de overtredingen duidelijk gedefinieerd worden. De ę lijst Mahoux Ľ verduidelijkt de situatie voor de banksector. Contacten met de verenigings- en banksector tonen aan dat men redelijk tevreden is met deze oplossing, die BelgiŽ in staat zal stellen door te gaan met zijn werkzaamheden met betrekking tot ethisch compleet onaanvaardbare individuele vernietigingswapens.

Voorafgaand aan de stemmingen verklaart de heer Steverlynck zich te zullen onthouden. Hij blijft het immers enerzijds vreemd te vinden dat een tekst die reeds in de Senaat werd gestemd en overgezonden werd naar de Kamer van volksvertegenwoordigers, opnieuw in een te stemmen tekst wordt geÔntegreerd. Anderzijds stelt hij onduidelijkheden op te merken betreffende de rol van de lijst. Het betreft de strafrechtelijke problematiek van het bijzonder opzet (via de lijst) en het algemeen opzet. Deze bemerkingen doen niets af van het feit dat hij met het principe dat tot een bestraffing moet worden overgegaan, hij volledig akkoord gaat.

VI. STEMMINGEN

Amendement nr. 4 dat het opschrift vervangt, artikel 1, amendement nr. 2 dat het oorspronkelijke artikel 2 vervangt, amendement nr. 5 dat een nieuw artikel 2bis inlast, amendement nr. 3 op artikel 3, het artikel 3 aldus geamendeerd, en het artikel 4 worden aangenomen met 10 stemmen bij 1 onthouding.

Het wetsvoorstel in zijn geheel, aldus geamendeerd, is eveneens aangenomen met 10 stemmen bij 1 onthouding.


Dit verslag is eenparig goedgekeurd door de 11 aanwezige leden.

De rapporteur, De voorzitter,
Andrť VAN NIEUWKERKE. Luc WILLEMS.

Tekst aangenomen door de commissie (stuk, nr. 3-1968/5 - 2006/2007)