3-1629/4 | 3-1629/4 |
22 NOVEMBER 2006
De Senaat,
A. Overwegende dat het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de Rechten van het Kind in artikel 27 bepaalt dat « De Staten die partij zijn, [...] het recht [erkennen] van ieder kind op een levensstandaard die toereikend is voor een goede lichamelijke, geestelijke, intellectuele, zedelijke en sociale ontwikkeling van het kind », en dat « De ouders of anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind, [...] de primaire verantwoordelijkheid [hebben] voor het waarborgen, naar vermogen en binnen de grenzen van hun financiėle mogelijkheden, van de levensomstandigheden die nodig zijn voor de ontwikkeling van het kind », en eraan toevoegt dat de Staten passende maatregelen nemen om « ouders te helpen dit recht te verwezenlijken en, indien de behoefte daaraan bestaat, voorzien in programma's voor materiėle bijstand en ondersteuning [...] »;
B. Gelet op het regeerakkoord dat bepaalt dat « Kinderen [...] onze toekomst [zijn] » en dat zij daarom « de kans krijgen om zich in de beste omstandigheden te kunnen ontplooien »;
C. Overwegende dat het welzijn van een kind een noodzakelijke voorwaarde is voor zijn toekomstige persoonlijke ontplooiing;
D. Overwegende dat het beschermen van kinderen tegen het risico op armoede tijdens hun groeiperiode een nationale en internationale verantwoordelijkheid vormt;
E. Overwegende dat de kinderarmoede bijgevolg een hinderpaal vormt voor het genot van hun rechten (in het bijzonder op het vlak van gezondheid, scholing, cultuur en vrije tijd) en voor iedere verbetering inzake gelijke kansen;
F. Overwegende dat de kinderarmoede volgens UNICEF in de meeste rijke landen de laatste tien jaar gestaag toeneemt, en slechts uitgeroeid kan worden als er de politieke wil bestaat om de overheidsuitgaven op familiaal en sociaal gebied te verhogen en beter te verdelen;
G. Overwegende dat de sociaal-economische gevolgen van de kinderarmoede het toekomstige welzijn van de maatschappij bezwaren;
H. Overwegende dat de tendens naar een toename van het aantal arme kinderen in Belgiė hoe dan ook omgekeerd moet worden;
I. Overwegende dat armoede bepaald wordt door een combinatie van voorwaarden op de arbeidsmarkt, maatschappelijke tendensen en regeringsbeleid, en dat een aangepast regeringsbeleid bijgevolg in belangrijke mate kan bijdragen tot een vermindering van de kinderarmoede;
J. Overwegende dat de strijd tegen de kinderarmoede een van de eerste prioriteiten moet vormen van het Nationaal Actieplan Sociale Insluiting.
K. overwegende dat kinderarmoede vaak in verband staat met een langdurige werkloosheid van de ouder(s);
Vraagt de federale regering, in samenwerking met alle beleidsniveaus :
1. het thema van de strijd tegen de kinderarmoede op te nemen in het programma van de volgende interministeriėle conferentie;
2. de kinderarmoede te definiėren en de evolutie ervan te volgen ten opzichte van een mediaaninkomen (dat elk jaar wordt bijgewerkt), en doeltreffende indicatoren te bepalen om de materiėle welstand van kinderen na te gaan, welke noodzakelijke vereisten zijn voor ieder beleid ter bestrijding van de kinderarmoede;
3. de begrotingen te analyseren uit het oogpunt van hun impact op kinderen, zodat nog efficiėnter gebruik gemaakt zou worden van de middelen ten behoeve van kinderen;
4. een nationale strategie voor de bestrijding van de kinderarmoede uit te stippelen, met inbegrip van duidelijke doelstellingen en een tijdschema, naar het voorbeeld van het beleid van de Scandinavische landen die een lage graad van kinderarmoede kennen;
5. regelmatig na te gaan welke vorderingen geboekt zijn in de strijd tegen de kinderarmoede;
6. op Europees vlak een diepgaande discussie op gang te brengen over het probleem van de kinderarmoede en de acties die kunnen leiden tot een uitroeiing ervan, zodat de strijd tegen de kinderarmoede een duidelijke politieke prioriteit wordt voor de Europese Unie en elk van haar lidstaten;
7. te dien einde een diversificatie te bevorderen van de indicatoren die gemeenschappelijk gebruikt kunnen worden zodat de tendensen inzake kinderarmoede beter geanalyseerd kunnen worden, en over te gaan tot een uitwisseling van de gunstige praktijken die binnen de Europese Unie bestaan;
8. Bijkomend maatregelen te nemen die de arbeidsparticipatie van personen, die onder de armoedegrens leven, te verhogen; evenals verder maatregelen uit te werken die ouder(s) in staat stelt om een combinatie van werk en gezin te vergemakkelijken.