Vragen en Antwoorden

BELGISCHE SENAAT


Bulletin 3-67

ZITTING 2005-2006

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers (Art. 70 van het reglement van de Senaat)

(N.): Vraag gesteld in het Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in het Frans


Minister van Ontwikkelingssamenwerking

Vraag nr. 3-5064 van mevrouw de Bethune d.d. 8 mei 2006 (N.) :
Ontwikkelingssamenwerking. — Uitgaven voor onderwijs.

Plan BelgiŽ organiseert van 6 tot 12 mei haar jaarlijkse sensibiliseringscampagne. Dit jaar vraagt de organisatie meer aandacht voor kwaliteitsvol onderwijs in het Zuiden. Volgens een analyse door de Wereldbank (cijfers 2003) van het Belgisch ontwikkelingsbeleid gaat 12,1 % (waarvan 1 % voor basisonderwijs) van de ODA (Official Development Assistance)/DAC (Development Assistance Committee) -uitgaven naar onderwijs. Volgens cijfers van OESO (2003) gaat 6,7 % van de Belgische bilaterale samenwerking naar onderwijs waarvan 0,4 % naar basisonderwijs.

Vreemd, aangezien onderwijs volgens de wet van 1999 ťťn van de vijf prioritaire sectoren is van de Belgische ontwikkelingssamenwerking. BelgiŽ is in deze materie wel heel wat engagementen aangegaan. BelgiŽ heeft de Millenniumverklaring ondertekend, we zijn een actief lid van het Fast Track Initiative, uitgewerkt om de Millenniumdoelstelling ę gratis onderwijs voor alle jongens en meisjes Ľ te bevorderen. De afgelopen jaren engageerde BelgiŽ zich in verschillende SWAPs in de educatiesector via budgetsteun.

De wet van 1999 bepaalt tevens dat voor de vijf sectoren van de Belgische bilaterale samenwerking een strategienota wordt opgesteld. De laatste strategienota onderwijs en vorming dateert van september 2002 en moet dus krachtens de wet dit jaar worden geŽvalueerd en geactualiseerd. De strategienota concentreert zich bijna uitsluitend op betere toegang tot onderwijs en besteedt amper aandacht aan kwaliteitsvol onderwijs. Ik pleit er dan ook voor dat de geachte minister dit aandachtspunt meeneemt bij de komende evaluatie van de strategienota onderwijs en vorming.

Graag kreeg ik bijgevolg een antwoord op de volgende vragen :

1. Hoeveel werd er binnen de begroting van de directie-Generaal Ontwikkelingssamenwerking (DGOS) effectief uitgegeven in 2005 aan onderwijs ? Hoeveel procent bedragen de effectieve uitgaven in vergelijking met de begroting ?

2. Kan u de uitgaven voor onderwijs opsplitsen voor multilaterale samenwerking, bilaterale samenwerking en indirecte samenwerking ?

3. Hoeveel hiervan gaat naar basisonderwijs ? Kan u dit ook opsplitsen volgens de drie kanalen ?

4. Deelt de geachte minister de mening dat een verhoging van het budget voor onderwijs nodig is indien we onderwijs als een prioritair thema willen bestempelen ?

Antwoord : De volledige cijfers betreffende uw vraag voor 2005 zullen pas in juni 2006 beschikbaar zijn. Ik kan u echter reeds indicaties geven voor de jaren 2000 tot 2004. De cijfers tonen aan dat tijdens de laatste vier jaren, de uitgaven een duidelijke stijging vertonen wat betreft onderwijs.

De uitgaven voor het onderwijs in het algemeen zijn gestegen van 67 903 334 euro in 2000 tot 88 941 740 euro en 2004. Wat betreft de verdeling tussen de verschillende vormen van hulp, in 2004, bedroeg het deel van de bilaterale samenwerking 23 479 153 euro (17,21 %), het deel van de multilaterale samenwerking was 1 062 770 euro en het deel van de indirecte samenwerking bedroeg 63 383 022 euro.

Wat betreft het basisonderwijs, zijn de bedragen gestegen van 2 002 527 euro in 2000 en tot 9 582 356 euro in 2004, met andere woorden, een bedrag dat bijna 5 keer hoger is. Van deze 9 583 356 euro, zijn er 8 104 631 euro afkomstig van de bilaterale samenwerking, 1 000 000 euro van de multilaterale en 477 725 euro van de indirecte hulp.

Deze cijfers vragen de volgende preciseringen :

— Overeenkomstig de Belgische verbintenissen ten voordele van de Millenniumontwikkelingsdoelstellingen, overeenkomstig de Consensus van Monterrey en de principes van het ę Fast Track Initiative Ľ dat de eerste poging is tot het operationeel maken van deze doelstellingen inzake onderwijs, plaatst de bilaterale samenwerking zich inzake onderwijs in de lijn van de steun aan ondenvijsprogramma's of globale financiŽle steun. Het is dus moeilijk om in deze nieuwe samenwerkingsvormen het exacte deel te bepalen dat het basisonderwijs toekomt.

— Het statistische model van de DAC dat momenteel van kracht is bij DGOS laat niet altijd toe om het deel te preciseren van onze steun dat is voorbehouden voor het basisonderwijs (bijvoorbeeld voor onderwijsinfrastructuren, wat is het deel van het basisonderwijs ?).

— De nieuwe samenwerkingsvormen doen nieuwe noden ontstaan in termen van de ontwikkeling van de capaciteiten en de nationale instellingen van onze partnerlanden om de schoolsystemen te beheren.

— De multilaterale financieringen worden worden steeds vaker gebruikt als ę core financing Ľ (steun aan de totaalactie van de gefinancierde mechanismen). Heel wat van deze instellingen zijn actiefin het onderwijs en in het basisonderwijs in het bijzonder. Echter, in de cijfers verschijnen enkel de opgedragen vrijwillige bijdragen.

— BelgiŽ steunt het PPTE initiatief (verlichting van de bilaterale en multilaterale schuld van de arme landen en deze met zeer grote schulden) alsook het MDRI initiatief (volledige schuldkwijtschelding van de landen met schulden bij de IDA en bij het Afrikaanse Ontwikkelingsfonds). Deze financieringen maken marges vrij die vervolgens opnieuw kunnen worden geÔnvesteerd in de sociale sectoren zoals het onderwijs en die niet meer opgenomen zijn in de cijfers.

— Ik zal afsluiten door te benadrukken dat onze actie wordt geapprecieerd gezien de actie van BelgiŽ bij ę Fast Track Ľ initiatief haar voor dit jaar het medevoorzitterschap heeft verzekerd.