Vragen en Antwoorden

BELGISCHE SENAAT


Bulletin 3-62

ZITTING 2005-2006

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers (Art. 70 van het reglement van de Senaat)

(N.): Vraag gesteld in het Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in het Frans


Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid

Vraag nr. 3-4017 van mevrouw Van de Casteele van 29 december 2005 (N.) :
Medische dossiers. — PatiŽntendossiers. — Bewaring.

Het koninklijk besluit van 3 mei 1999 betreffende het Algemeen Medisch Dossier bepaalt dat een medisch dossier gedurende minstens 30 jaar in het ziekenhuis moet worden bewaard en dat in de rust-en verzorgingstehuizen individuele dossiers van patiŽnten steeds toegankelijk moeten zijn en bewaard moeten worden binnen de instelling.

Voor huisartsen is het onduidelijk hoelang zij een patiŽntendossier moeten bijhouden.

Artikel 9 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiŽnt stelt dat de patiŽnt recht heeft op een zorgvuldig bijgehouden en veilig bewaard patiŽntendossier, maar legt daarvan geen nadere regels vast.

De medische plichtenleer raadt aan om medische dossiers gedurende 30 jaar te bewaren, vanaf het laatste contact met de patiŽnt. Bij stopzetting van hun praktijk moeten artsen ervoor zorgen dat hun dossiers worden overgedragen aan een praktiserende arts. Voor andere beroepen gelden geen specifieke termijnen.

De regeling is dus niet uniform, soms onduidelijk en leidt soms tot problemen, bijvoorbeeld bij het overlijden van een arts die geen opvolger heeft. Zo is er ook onduidelijkheid over hoe en waar elektronische dossiers moeten worden bijgehouden.

Uw voorganger antwoordde hieromtrent op mijn schriftelijke vraag nr. 526 van 15 oktober 2002 (Vragen en Antwoorden, Kamer, 2002-2003, nr. B144, blz. 18257) dat het belangrijk is dat aan de dossiers van de beroepsbeoefenaars een uniforme bewaartermijn is verbonden en dat daarmee rekening zou worden gehouden bij het uitwerken van een regelgeving.

Graag kreeg ik een antwoord op de volgende vragen :

1. Welke is de bestaande regelgeving voor de verschillende zorgverstrekkers ?

2. Hoe kan artikel 9 van de wet op de patiŽntenrechten worden gegarandeerd, onder andere voor elektronische dossiers ?

3. Hoe moet de toegankelijkheid ervan worden geregeld ?

4. Dient hier inzake bewaartermijnen niet naar eenvormigheid te worden gestreefd ?

5. Welke initiatieven neemt de geachte minister ter zake ?

Antwoord : Ik heb de eer het geachte lid als volgt te antwoorden.

1. Specifieke reglementering per beroepsgroep is er niet. Wel is er, zoals u zelf reeds aangeeft, de medische plichtenleer die stelt dat medische dossiers gedurende 30 jaar na het laatste contact met de patiŽnt bewaard moeten worden en bestaat er regelgeving verbonden aan instellingen die de aanleg en bewaring van patiŽntendossiers betreft.

Zo geldt voor ziekenhuizen dat voor elke patiŽnt een medisch en een verpleegkundig dossier moet worden aangelegd. Samen vormen deze dossiers dan het patiŽntendossier.

De regelgeving hieromtrent is vooreerst terug te vinden in het koninklijk besluit van 23 oktober 1964 tot bepaling van de normen die door de ziekenhuizen en hun diensten moeten worden nageleefd, en daarnaast, voor wat meer in het bijzonder het medisch dossier betreft, in het koninklijk besluit van 3 mei 1999 houdende bepaling van de algemene minimum-voorwaarden waaraan het medisch dossier, bedoeld in artikel 15 van de wet op de ziekenhuizen, gecoŲrdineerd op 7 augustus 1987, moet voldoen.

Met betrekking tot het verpleegkundig dossier wordt momenteel werk gemaakt van een regeling die, analoog aan het besluit van 3 mei 1999, de algemene minimumvoorwaarden zal bepalen.

Verder zijn voor RVT's de normen inzake het administratief dossier en het verzorgingsdossier terug te vinden in het koninklijk besluit van 21 september 2004 houdende vaststelling van de normen voor de bijzondere erkenning als rusten verzorgingstehuis of als centrum voor dagverzorging.

Voor de beschutte woningen en de PVT's ten slotte, gelden respectievelijk het koninklijk besluit van 10 juli 1990 houdende vaststelling van de normen voor de erkenning van initiatieven van beschut wonen ten behoeve van psychiatrische patiŽnten en het koninklijk besluit van 10 juli 1990 houdende vaststelling van de normen voor de bijzondere erkenning van psychiatrische verzorgingstehuizen.

2. Artikel 9 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiŽnt voorziet vooreerst dat elke patiŽnt ten opzichte van de beroepsbeoefenaar recht heeft op een zorgvuldig bijgehouden en veilig bewaard patiŽntendossier. Daarnaast bepaalt artikel 9 dat onder welbepaalde voorwaarden de patiŽnt recht heeft op inzage in het hem betreffend patiŽntendossier en ten slotte dat de patiŽnt onder bepaalde voorwaarden ook recht heeft op een afschrift van het geheel of een gedeelte van het hem betreffend patiŽntendossier. In geval van problemen hieromtrent kan de patiŽnt zich steeds wenden tot de ombudsdienst van het ziekenhuis.

3. De toegankelijkheid voor de patiŽnt wordt precies gegarandeerd via het recht op inzage en op afschrift. Dit geldt uiteraard onverkort voor elektronisch bijgehouden en bewaarde medische dossiers. Ongeacht of het ziekenhuis het dossier nu in elektronische vorm of op papier bijhoudt, dienen deze rechten te worden gewaarborgd en moet het ziekenhuis in het kader van zijn interne organisatie de nodige maatregelen treffen om hieraan te kunnen voldoen.

4. Wat de bewaartermijnen betreft, is het inderdaad aan te bevelen dat alle bewaartermijnen even lang zouden zijn, maar het moet anderzijds ook praktisch gezien haalbaar zijn om alles zo lang te bewaren.

5. Zoals ik reeds zei, wordt er momenteel gewerkt aan een regeling voor het verpleegkundig dossier. In dat kader werden adviesaanvragen gericht aan de Nationale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen en de Nationale Raad voor Verpleegkunde.

Daarnaast bracht de Telematica-commissie een advies uit aangaande langetermijnbewaring van patiŽntendossiers door ziekenhuizen. Momenteel wordt onderzocht hoe de bestaande regelgeving zou kunnen worden aangepast aan dit advies.