Vragen en Antwoorden

BELGISCHE SENAAT


Bulletin 3-66

ZITTING 2005-2006

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers (Art. 70 van het reglement van de Senaat)

(N.): Vraag gesteld in het Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in het Frans


Minister van Buitenlandse Zaken

Vraag nr. 3-3726 van de heer Galand d.d. 17 november 2005 (Fr.) :
Wereldhandelsorganisatie (WTO). — Onderhandelingsronde van Doha. — MinisteriŽle conferentie in Hong Kong. — Standpunt van BelgiŽ.

Van 13 tot 18 december 2005 komen de 148 leden van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) samen op een interministeriŽle conferentie te Hong Kong in het kader van de Doha-onderhandelingsronde over de vrijmaking van de wereldhandel, die in november 2001 van start ging.

Op 1 augustus 2004 keurde de Algemene Raad van de WTO een kaderakkoord goed met betrekking tot het Doha-Ontwikkelingsprogramma. Het is geen definitief akkoord, maar het schetst de parameters voor de onderhandeling in vijf domeinen : landbouw, douanerechten voor industriŽle producten, het vergemakkelijken van de handel, ontwikkeling en diensten.

Vier jaar na de lancering van de Doha-ronde moeten we vaststellen dat nog maar weinig concrete resultaten werden bereikt. De mislukking van de WTO-top in Cancun in september 2003, die tot doel had de onderhandelingen van de Doha-ronde over liberalisering af te ronden, is daar een illustratie van. Denkt de geachte minister dat de conferentie van Hong Kong nog een beslissende impuls kan geven aan de onderhandelingen die ten goede zal komen aan alle deelnemers aan de internationale handel ?

In de federale beleidsverklaring van 11 oktober 2005 staat dat ons land alles in het werk zal stellen opdat de WTO-vergadering tot resultaten zou leiden in het kader van de onderhandelingen over de ontwikkelingsagenda van Doha. Het is inderdaad van cruciaal belang dat met het akkoord dat de onderhandelingen van de Doha-ronde afsluit, de ontwikkelingslanden een speciale en differentiŽle behandeling (SDT) krijgen. Niet alle ontwikkelingslanden moeten in dat opzicht op dezelfde wijze behandeld worden. Onderaan de ladder vindt men de minst ontwikkelde landen (LDC) aan dewelke Europa een bevoorrechte toegang verleent tot zijn markt voor alle goederen met uitzondering van wapens (EBA). Het lijkt vast te staan dat daarvoor geen enkele tegenprestatie van de minst geavanceerde landen kan worden geŽist. Het initiatief ę alles behalve wapens Ľ zou zelfs kunnen worden veralgemeend tot alle leden van de WTO die dat aankunnen (in principe de ontwikkelde landen, maar ook sommige nieuwe economieŽn). De moeilijkheid zit hem in het onderscheid tussen ontwikkelingslanden en nieuwe economieŽn.

Kan de geachte minister ons zeggen hoe dit debat evolueert binnen de WTO ?

Denkt hij dat de houding van de Europese Commissie offensief genoeg is ten aanzien van de concrete voorstellen met betrekking tot de SDT in de drie pijlers (Diensten, NAMA, en AGRI) ?

In het bijzonder in de onderhandelingen over de diensten zouden de voorstellen van de Commissie, indien ze door de ontwikkelingslanden aanvaard worden, wat de openstelling van de subsectoren betreft, een grotere inspanning vergen van de ontwikkelingslanden dan van de ontwikkelde landen. Er is immers een mathematisch inhaaleffect. Als men weet welke nadelige effecten een te snelle openstelling voor de wereldhandel op kwetsbare economieŽn kan hebben, denkt de geachte minister dan dat deze visie verzoenbaar is met de idee van een ontwikkelingsronde ?

Binnen het bestek van de onderhandelingen over de diensten erkent iedereen de specifieke eigenschappen van sommige sectoren zoals cultuur, onderwijs, de audiovisuele sector, milieubescherming en de openbare diensten. Blijft BelgiŽ bepleiten dat de EU over deze sectoren geen aanbiedingen en geen vragen formuleert ?

Over de niet-landbouwproducten (NAMA) groeit een consensus rond de Zwitserse formule die gekenmerkt wordt door de verlaging van de hoogste tarieven. Welke voorstellen maken om een SDT voor ontwikkelingslanden mogelijk ?

Mag ik ten slotte terugkomen op enkele vragen die van bijzonder belang zijn voor BelgiŽ ?

In de regeringsverklaring van 2003 verbond de Belgische regering zich ertoe een structurele koppeling te bepleiten tussen de WTO en de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) en de naleving van de sociale normen van de IAO. BelgiŽ wou ook een grotere transparantie tot stand brengen binnen de WTO. Kan de geachte minister ons zeggen hoe en in welke mate BelgiŽ zich daarvoor heeft ingezet en welke inspanningen ons land daarvoor in de toekomst nog zal doen ?

Na de twee duidelijke mislukkingen in Cancun en Seattle was een sterk politiek gebaar ten aanzien van de civiele maatschappij en van de niet-gouvernementele organisaties nodig. Dat is in sommige kringen gebeurd en we hebben geleerd om op een meer constructieve manier met elkaar te praten. Hoe worden het middenveld en de NGO's betrokken bij de uitwerking van het Belgische standpunt over het handelsbeleid in het algemeen ?

Denkt de geachte minister dat het raadzaam is om de akkoorden over de intellectuele eigendomsrechten die de handel raken (ADPIC) te herzien die verhinderen dat iedereen vrije toegang krijgt tot geneesmiddelen, zodat pandemieŽn beter kunnen worden bestreden ?

Antwoord : 1. Inzake de huidige stand van zaken van de onderhandelingen en van de perspectieven voor Hong Kong, deel ik de mening van EU-commissaris Peter Mandelson, verwoord op de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen van 21 november 2005, dat tegenover de talrijke tegengestelde belangen van de verschillende partijen binnen de WTO, de juiste aanpak voor Hong Kong er in bestaat dat we een ę soft landing Ľ bereiken. Het spreekt vanzelf dat het ambitieniveau dat de Europese Unie heeft vooropgesteld onveranderd blijft tot het einde van de onderhandelingen. Het resultaat van Hong Kong zal in alle onderdelen evenwichtig moeten zijn. De EU heeft een voorstel gedaan inzake landbouw; onze onderhandelingspartners moeten over andere onderwerpen eveneens voorstellen doen; voor iedereen geldt dat we resultaten moeten boeken inzake ontwikkeling. Een coherent, solide en voldoende aantrekkelijk ę ontwikkelingspakket Ľ is van primordiaal belang voor Hong Kong. De EU kan en moet op dit vlak een actieve rol spelen.

2 en 3. De ontwikkelingsdimensie van de Doha Development Agenda, zoals gesteld in het kaderakkoord van juli 2004, vormt een coherent geheel dat de volgende onderdelen bevat : principes, SDT, technische bijstand, toepassing, andere thema's inzake ontwikkeling en minst ontwikkelde landen (MOL).

De ontwikkelingslanden hebben hard onderhandeld over het vermelden van ę zwakke en kwetsbare economieŽn Ľ — naast de notie van MOL — zoals onder meer de EU voorstelde. Onder druk van de G-90 is dit bijkomend onderscheid er gekomen ę zonder evenwel een subcategorie van lidstaten te creŽren Ľ.

De EU heeft zich nooit verzet — integendeel — tegen de versteviging van het engagement ten voordele van ontwikkeling. De onderhandelingen ter zake verlopen trouwens grotendeels tussen ontwikkelingslanden onderling. De grootste ontwikkelingslanden vrezen vooral een expliciete differentiŽring tussen hun belangen en de belangen van de MOL. Men is ten andere nog erg ver verwijderd van een werkelijke differentiŽring van de belangen van de grote en kleinere ontwikkelingslanden. Voor de MOL zal het er in de komende jaren op aan komen dat er voldoende verschil zal blijven bestaan tussen gedane toegevingen en de preferentiŽle regimes waar ze van genieten (bijvoorbeeld het ACP-regime van de EU, Everything but Arms, het Generalised System of Preferences) opdat de bestaande preferenties niet worden uitgehold.

De ontwikkelingsdimensie vormt de rode draad doorheen de onderhandelingen van de Doha-ronde en de EU heeft zich duidelijk uitgesproken, recent nog bij de Raad Algemene Zaken van 21 november 2005 vůůr het verwerken van Special and Differential Treatment voor ontwikkelingslanden in het eindresultaat. Ook ijvert de EU voor een ę duty-free, quota-free Ľ markttoegang voor de MOL en voor een versterking van de bestaande bijstandsmechanismen op multilateraal niveau.

4. Men moet het voorstel van de Commissie in de eerste plaats in zijn tactisch-strategische context zien. De EU, wier leiderschap in de dienstenonderhandelingen welbekend is bij de onderhandelingspartners in de WTO, wenste een ambitieus voorstel te lanceren dat elementen zou aanleveren aan de voorzitter van de Raad Handel in Diensten voor het onderdeel diensten van de MinisteriŽle Verklaring van Hong Kong. Het opzet voor Hong Kong was het vastleggen van ambitieuze en dwingende doelstellingen voor de dienstensector (en zich dus niet beperken tot nieuwe termijnen en limietdata).

Het Europese voorstel dat in GenŤve is ingediend bevatte verschillende nuances in functie van het ontwikkelingsniveau van een lidstaat (zowel op niveau van de cijfermatige als sectoriŽle doelstellingen of inzake gevoelige sectoren die moesten worden uitgesloten). Bovendien moet worden opgemerkt dat het Europese voorstel niet van toepassing was op de MOL en de kleine en kwetsbare economieŽn.

Als antwoord op uw vraag : de Commissie heeft dus niet getracht de excessieve liberalisering van fragiele economieŽn te forceren, maar heeft gepoogd om bepaalde ontwikkelingslanden en ontwikkelde landen ertoe te brengen hun engagement om deel te nemen aan de dienstenonderhandelingen, te respecteren.

5. Ik kan u verzekeren dat BelgiŽ er zal blijven over waken dat de gevoelige sectoren uitgesloten blijven van het aanbod en verzoek van de Europese Unie, ook na de Conferentie van Hong Kong wanneer de volgende uitwisseling van een herzien aanbod plaats heeft.

6. De EU en de VS stellen een maximumtarief voor van 10 % voor de ontwikkelde landen en 15 % voor ontwikkelingslanden. Flexibiliteit voor de ontwikkelingslanden is mogelijk indien deze een ambitieuze formule voor tariefverlaging aanvaarden. Flexibiliteit kan de vorm aannemen van langere toepassingstermjinen, minder tarieflijnen waarop lagere tarieven worden toegepast, en dergelijke. Hierover dient verder onderhandeld te worden binnen de WTO. Alleszins wordt aan de Minst Ontwikkelde Landen niet gevraagd hun tarieven te verlagen.

7. Het verband tussen WTO en ILO wordt gelegd in de Doha-verklaring. BelgiŽ heeft zich steeds opgeworpen als pleitbezorger van deze band en van de sociale normen van de ILO. De onderhandelingsdynamiek na de ministeriŽle Conferentie van Cancun heeft de discussie rond ILO en sociale normen eerder naar de achtergrond doen verdwijnen. Men moet vaststellen dat op dit ogenblik geen consensus bestaat binnen de WTO om deze kwesties verder te bespreken. Ik merk op dat binnen de ILO geregeld aandacht wordt besteed aan WTO-aspecten.

8. Ikzelf, mijn kabinet en de administratie staan steeds open voor contacten en dialoog met vertegenwoordigers van het maatschappelijke middenveld. Op 29 november 2005 heb ik een ontmoeting gehad met de leden van de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling, naar aanleiding van hun advies over de Doha-ronde. Tevens zijn in aanloop naar Hong Kong informele ontmoetingen gepland met actoren van het maatschappelijke middenveld.

9. Een heronderhandeling van het TRIPS-Akkoord, in voege sinds 1995, is momenteel niet aan de orde. Deze uitbreiding of versoepeling moet het mogelijk maken voor de Minst Ontwikkelde Landen die met ernstige problemen van volksgezondheid te kampen hebben maar niet over een eigen farmaceutische productiecapaciteit beschikken, levensnoodzakelijke geneesmiddelen in te voeren die door een ander land worden geproduceerd op basis van een dwanglicentie. De daartoe benodigde uitzondering (waiver) op het TRIPS-akkoord wordt momenteel onderhandeld. De problemen hierrond zijn voornamelijk van juridische aard; de Europese Commissie — hierin gevolgd door BelgiŽ — legt de nadruk op de humanitaire aspecten van deze kwestie.

Wat dwanglicenties betreft hanteert BelgiŽ trouwens nu al een bredere interpretatie ten gunste van de ontwikkelingslanden; zo heeft ons land geen restrictieve lijst van ziekten waarop een dwanglicentie voor geneesmiddelen kan worden toegepast.