3-177

3-177

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 13 JULI 2006 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van de heer Wouter Beke aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het advies van de planningscommissie met betrekking tot het artsencontingent» (nr. 3-1767)

De voorzitter. - Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt.

De heer Wouter Beke (CD&V). - Deze vraag sluit aan bij mijn vorige. Een tijdje geleden heeft de planningscommissie beslist het aantal toegelaten artsen te verhogen tot 1025 per jaar vanaf 2013. Dit betekent een verhoging van de helft in vergelijking met de oorspronkelijke beperking van 700. Bij een vorige vraag had de minister nog geen officieel advies van de planningscommissie met betrekking tot de artsen ontvangen.

Heeft de minister dit officieel advies intussen ontvangen? Zal de minister dat advies volgen of niet? Hoe reageert de minister op de intenties van deze commissie? Is hij bereid om het huidige contingent te handhaven? Is hij van plan om binnen de huidige contingenten maatregelen te nemen zodat er meer studenten voor het huisartsenberoep zullen kiezen?

Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven. - Ik lees het antwoord van minister Demotte.

Het advies van de planningscommissie is inderdaad aan mij overgemaakt. Op dit ogenblik wordt dit advies in de regering besproken. Het koninklijk besluit van 30 mei 2002 is een in ministerraad overlegd besluit en bijgevolg moeten ook de wijzigingen aan dat besluit in de ministerraad worden overlegd.

De essentie van het advies is dat de quota voor 2013 verhoogd worden naar 1025 en dat alle `immunisaties' uit het verleden hierin vervat zijn. Die `immunisaties' hebben betrekking op de aantallen artsen die niet in de contingentering worden meegerekend, bijvoorbeeld de artsen-specialisten in het beheer van de gezondheidszorggegevens, in de arbeidsgeneeskunde en in de kinder- en jeugdpsychiatrie. Dat advies lijkt mij verdedigbaar omdat het de ingewikkelde structuur van de huidige regeling vereenvoudigt.

De verhoging van de quota naar 1025 is het resultaat van een aangepaste berekeningsmethode. We nemen nu immers de werkkracht die nodig zal zijn voor de toenemende zorgvraag in de toekomst als basis voor het planningsmodel.

Wat uw specifieke vraag over de huisartsen betreft, meen ik dat het moeilijk is de jonge artsen te verplichten voor de huisartsenrichting te kiezen als zij dat zelf niet wensen. Wel probeer ik de aantrekkelijkheid van het huisartsenberoep te verhogen. Meer dwingende maatregelen binnen de contingentering zullen dit probleem niet oplossen.

De heer Wouter Beke (CD&V). - De minister bevestigt mijn cijfer over de contingentering, namelijk 1025. De planningscommissie bevestigt dus dat de zorgbehoeften in de toekomst fel zullen toenemen. Alleen zal het optrekken van het contingent geen oplossing bieden voor het probleem waarmee we geconfronteerd worden. Het zal ons niet meer huisartsen opleveren, integendeel. De verhoging waarover in de regering blijkbaar gediscussieerd wordt, zal alleen het probleem in Walloniė oplossen. In Walloniė heeft men zich immers nooit aan dat contingent gehouden en deze regeling verschaft hen een alibi om het teveel aan specialisten te handhaven. Ik vind dit niet de juiste manier want dat komt erop neer dat de goede leerlingen in de klas gestraft worden en de slechte beloond.

Ik richt mij ook tot de staatssecretaris en doe een beroep op haar politieke overtuiging. Ik hoop dat zij het onrechtvaardige karakter van de maatregel inziet en beseft dat dit een kaakslag is voor Vlaanderen. Via een achterpoortje probeert men hier een Waals probleem te regelen, maar daar is niemand mee gediend.

Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven. - Ik kan de heer Beke geruststellen. In het antwoord van de minister staat dat de wijzigingen aan het koninklijk besluit in de ministerraad moeten worden besproken en ik zal daarbij aanwezig zijn.