3-166

3-166

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 1 JUNI 2006 - OCHTENDVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van de heer Wouter Beke aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over źde billijke vergoeding╗ (nr. 3-1674)

De heer Wouter Beke (CD&V). - In april van vorig jaar heb ik de minister reeds ondervraagd over het principe van de billijke vergoeding. Ik was waarschijnlijk niet de enige die hem daarover aansprak. In 1996 werd het principe vastgelegd dat artiesten en producenten een billijke vergoeding moeten krijgen als compensatie voor het uitzenden van hun muziek in winkels en wachtzalen. De uitvoeringsbesluiten voor de billijke vergoeding kwamen er in 1999. Ze werden met terugwerkende kracht van toepassing voor de jaren 1996, 1997 en 1998. De bepaling werd echter juridisch aangevochten door onder andere UNIZO, de FVIB en het Verbond der Vlaamse Tandartsen. De Raad van State heeft hen gelijk gegeven.

Destijds vroeg ik de minister hoe hij de zaak concreet ging afhandelen zodat de artsen niet allemaal ÚÚn voor ÚÚn een gerechtelijke procedure zouden moeten opstarten. De minister antwoordde dat hij een compensatieregeling zou uitwerken voor de bedragen die al werden ge´nd. Dat zou administratieve lasten en kosten voor de individuele ondernemers voorkomen. In overleg met de vergoedingsplichtigen en de beheersvennootschappen zou hij een algemene regeling voorstellen. Ook de betrokken organisaties waren voorstander van een minnelijke compensatieregeling die in overeenstemming zou zijn met de arresten van de Raad van State en eenvoudig en correct zou zijn tegenover de betrokken ondernemers. Er zou ook worden overlegd met de Belgische Vereniging van Artsensyndicaten.

Nu werd er eindelijk een akkoord bereikt over een compensatie voor de onwettig ge´nde billijke vergoedingen voor muziek in de wachtzaal. Die compensatie, namelijk 1,5 miljoen euro, is echter maar 55% van de betaalde bedragen. De compensatie voor wie nog steeds muziek draait in de wachtzaal wordt automatisch verrekend in de factuur van 2007. Wie meer betaalde dan de jaarlijkse bijdrage krijgt het resterende compensatiebedrag in mindering op de factuur van 2008. Artsen die niet meer actief zijn of geen muziek meer draaien, moeten zich aanmelden bij de inningsvennootschappen.

Onder andere het Vlaams Artsensyndicaat is niet onverdeeld gelukkig met het resultaat. Dat de artsen tien jaar hebben moeten wachten en uiteindelijk slechts 55% krijgen terugbetaald, is voor hen een vreemde vorm van rechtvaardigheid. Voor de huisartsen gaat het doorgaans over vrij kleine bedragen, omdat ze worden berekend op basis van de oppervlakte van de wachtzaal. Verdere, dure juridische stappen zullen zij dus allicht niet ondernemen, maar het gaat om het principe.

Wat is de basis voor die 55%?

Kan de minister uitleggen waarom de betrokkenen slechts 55% van het bedrag krijgen waarop ze recht hebben? Dit klopt toch niet helemaal met wat de Raad van State heeft bepaald.

De heer Marc Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - De beslissingen inzake de billijke vergoeding worden genomen door een paritaire commissie, voorzien in artikel 42 van de auteurswet. In deze commissie worden enerzijds de beheersvennootschappen vertegenwoordigd, en anderzijds de debiteuren.

Wat de debiteuren betreft, hebben Fedis, het Neutraal Syndicaat der Zelfstandigen, UNIZO, UCM en de Federatie voor Vrije en Intellectuele Beroepen zitting in deze commissie. Het Vlaams Artsensyndicaat is lid van de FVIB, en wordt dus op die manier in de commissie vertegenwoordigd.

Deze commissie heeft op 5 mei jongstleden twee beslissingen genomen over de wijze waarop op een praktische manier gevolg kan worden gegeven aan de arresten van de Raad van State inzake de billijke vergoeding voor de verkooppunten en de dienstensector.

Het bedrag van 1,42 miljoen euro, dat volgens die beslissingen zal terugvloeien naar de debiteuren uit deze beide sectoren die voor de periode 1996-1999 en billijke vergoeding betaald hebben, kwam tot stand na uitvoerig overleg tussen de betrokken sectoren.

Verschillende elementen werden daarbij in rekening gebracht.

Ten eerste wordt de onzekerheid omtrent het al dan niet verschuldigd zijn van een terugbetaling weggenomen. De arresten van de Raad van State geven op zich immers geen aanleiding tot een spontane terugbetaling van het ge´nde bedrag. In de arresten wordt uitdrukkelijk aangegeven dat het principe van het betalen van een billijke vergoeding op 8 juli 1996 van kracht werd. Om zekerheid te verkrijgen over het feit of er enig bedrag zou moeten terugvloeien naar de personen die de billijke vergoeding betaald hebben tijdens de betrokken periode, zouden de debiteuren een vordering moeten instellen voor de burgerlijke rechter.

Ten tweede worden via de compensatieregeling heel wat administratieve en juridische kosten voorkomen.

Ten derde gaat het, vanuit het oogpunt van een mogelijke discriminatie tussen de verschillende sectoren, niet op om nu in het akkoord inzake de verkooppunten en het akkoord over de dienstensector te bepalen dat ze alle bedragen ge´nd voor de periode 1996-1999 zomaar terugkrijgen. Dat zou immers betekenen dat de vier andere sectoren, die via een regeling bijgedragen hebben voor de periode 1996-1999, daarvoor nu worden gestraft.

Om die redenen vind ik dat de twee beslissingen die door de bevoegde commissie werden genomen om gevolg te geven aan de arresten van de Raad van State evenwichtige beslissingen zijn. Zoals bij elk compromis is het daarbij onvermijdelijk dat geen van de partijen echt volledig tevreden is. Soms is een slecht akkoord beter dan een goed proces.

De heer Wouter Beke (CD&V). - Is de slotzin van de minister een schuldbekentenis over een slecht akkoord? De bedragen zijn immers te klein en de verschillende actoren kunnen niet allemaal individueel een proces inspannen. Het is ook niet duidelijk hoe men tot die 55% is gekomen. Daarop heeft de minister niet geantwoord.

De heer Marc Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - Het is hoegenaamd geen schuldbekentenis. Dit mechanisme werd opgenomen in de auteurswet van 1994. Ik was vrij nauw betrokken bij het tot stand komen van die wet en ik weet dus wie zich daar allemaal heeft voor ingezet. Er werd een akkoord bereikt om dit soort transacties mogelijk te maken en dit akkoord ligt aan de basis van de 55%.