3-1629/1

3-1629/1

3-1629/1

Belgische Senaat

ZITTING 2005-2006

21 MAART 2006


Voorstel van resolutie betreffende de strijd tegen de kinderarmoede

(Ingediend door mevrouw Olga Zrihen)


TOELICHTING


Volgens een verslag van het Kinderfonds van de Verenigde Naties (UNICEF), met als titel « Child Poverty in Rich Nations 2005 » (1) , leeft 7,7 % van de Belgische kinderen in « betrekkelijke » armoede, met andere woorden in gezinnen waarvan het inkomen minder bedraagt dan 50 % van de mediaan van het nationaal inkomen.

Even onrustwekkend in dit verslag is de vaststelling dat kinderarmoede in Belgiė met 3,9 % is gestegen tijdens de jaren 1990. Dat is een van sterkste stijgingen in de « rijke » landen die het verslag onder de loep neemt. Alleen de Tsjechische Republiek, Luxemburg en Polen kennen een sterkere toename.

Op grond van een rangschikking van de omvang van de kinderarmoede in de 26 landen van de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling), plaatst het UNICEF-verslag Belgiė op de achtste plaats. Die plaats heeft Belgiė voor een stuk te danken aan zijn degelijk stelsel van sociale bescherming, waarvan de gunstige gevolgen voor de kinderarmoede bewezen is.

Dit neemt niet weg dat de cijfers in het verslag aantonen dat de kinderarmoede in de zogenaamd « rijke » landen, en dus ook in Belgiė, een feit is. Het uitroeien ervan moet derhalve een regeringsprioriteit zijn.

Uit een studie van de Europese Commissie (2) betreffende zes Europese landen en de Verenigde Staten blijkt ten andere dat het percentage van de armoede onder kinderen groter is dan onder de bevolking in haar geheel, en dat kinderen meer dan gemiddeld het risico lopen om in blijvende armoede op te groeien.

Het verminderen van de kinderarmoede is een nationale en internationale verantwoordelijkheid. Als men ervoor zorgt dat kinderen de kans krijgen om in een zo gunstig mogelijke omgeving op te groeien en men op die manier de kinderarmoede bestrijdt, kan dat de gelijke kansen en de maatschappelijke cohesie en de sociale gerechtigheid alleen maar ten goede komen.

Het UNICEF-verslag wijst erop dat in alle landen de armoedegraad door een combinatie van drie factoren wordt bepaald : de voorwaarden van de arbeidsmarkt, sociale en familiale veranderingen en het overheidsbeleid.

Gezinnen met een beperkt inkomen mogen niet gestigmatiseerd worden. Vele onder hen zijn trouwens perfect in staat om voor hun kind of kinderen de voorwaarden te scheppen voor een gelukkige jeugd. Niettemin gaat de « betrekkelijke » armoede van de ouders in vele gevallen nog gepaard met problemen op school, crimineel gedrag, maatschappelijke uitsluiting, enz. De bestaande studies definiėren verschillende categorieėn van kinderen die het risico lopen om in armoede op te groeien : kinderen uit eenoudergezinnen of grote gezinnen, kinderen van wie de ouders heel jong zijn, kinderen van migranten of van ouders die deel uitmaken van een etnische of religieuze minderheid.

Om de armoede te bestrijden moet de vicieuze cirkel van de « overdracht » van de armoede van generatie op generatie doorbroken worden, onder meer door meer aandacht te besteden aan de maatschappelijke integratie van de kinderen. Op dat vlak heeft de overheid belangrijke hefbomen in handen om de kinderarmoede te verminderen.

Ook de Europese Unie zou aanzienlijke vorderingen kunnen maken in haar strijd tegen de maatschappelijke uitsluiting als zij zich meer zou inzetten voor de strijd tegen de kinderarmoede. Onder de OESO-landen die in het UNICEF-verslag onderzocht worden, ligt de kinderarmoede alleen in Denemarken en Finland onder de drie percent, en is Noorwegen het enige land waar dat percentage heel laag is en aanhoudend blijft dalen. Deze aanmoedigende cijfers tonen aan hoe zinvol het is dat de lidstaten van de Europese Unie op dat gebied nauw samenwerken.

Olga ZRIHEN.

VOORSTEL VAN RESOLUTIE


De Senaat,

A. Overwegende dat het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de Rechten van het Kind in artikel 27 bepaalt dat « De Staten die partij zijn, [...] het recht [erkennen] van ieder kind op een levensstandaard die toereikend is voor een goede lichamelijke, geestelijke, intellectuele, zedelijke en sociale ontwikkeling van het kind », en dat « De ouders of anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind, [...] de primaire verantwoordelijkheid [hebben] voor het waarborgen, naar vermogen en binnen de grenzen van hun financiėle mogelijkheden, van de levensomstandigheden die nodig zijn voor de ontwikkeling van het kind », en eraan toevoegt dat de Staten passende maatregelen nemen om « ouders te helpen dit recht te verwezenlijken en, indien de behoefte daaraan bestaat, voorzien in programma's voor materiėle bijstand en ondersteuning [...] »;

B. Gelet op het regeerakkoord dat bepaalt dat « Kinderen [...] onze toekomst [zijn] » en dat zij daarom « de kans krijgen om zich in de beste omstandigheden te kunnen ontplooien »;

C. Overwegende dat het welzijn van een kind een noodzakelijke voorwaarde is voor zijn toekomstige persoonlijke ontplooiing;

D. Overwegende dat het beschermen van kinderen tegen het risico op armoede tijdens hun groeiperiode een nationale en internationale verantwoordelijkheid vormt;

E. Overwegende dat de kinderarmoede bijgevolg een hinderpaal vormt voor het genot van hun rechten (in het bijzonder op het vlak van gezondheid, scholing, cultuur en vrije tijd) en voor iedere verbetering inzake gelijke kansen;

F. Overwegende dat de kinderarmoede volgens UNICEF in de meeste rijke landen de laatste tien jaar gestaag toeneemt, en slechts uitgeroeid kan worden als er de politieke wil bestaat om de overheidsuitgaven op familiaal en sociaal gebied te verhogen en beter te verdelen;

G. Overwegende dat de sociaal-economische gevolgen van de kinderarmoede het toekomstige welzijn van de maatschappij bezwaren;

H. Overwegende dat de tendens naar een toename van het aantal arme kinderen in Belgiė hoe dan ook omgekeerd moet worden;

I. Overwegende dat armoede bepaald wordt door een combinatie van voorwaarden op de arbeidsmarkt, maatschappelijke tendensen en regeringsbeleid, en dat een aangepast regeringsbeleid bijgevolg in belangrijke mate kan bijdragen tot een vermindering van de kinderarmoede;

J. Overwegende dat de strijd tegen de kinderarmoede een van de eerste prioriteiten moet vormen van het Nationaal Actieplan Sociale Insluiting.

Vraagt de federale regering, in samenwerking met alle beleidsniveaus :

1. het thema van de strijd tegen de kinderarmoede op te nemen in het programma van de volgende interministeriėle conferentie;

2. de kinderarmoede te definiėren en de evolutie ervan te volgen ten opzichte van een mediaaninkomen (dat elk jaar wordt bijgewerkt), en doeltreffende indicatoren te bepalen om de materiėle welstand van kinderen na te gaan, welke noodzakelijke vereisten zijn voor ieder beleid ter bestrijding van de kinderarmoede;

3. de begrotingen te analyseren uit het oogpunt van hun impact op kinderen, zodat nog efficiėnter gebruik gemaakt zou worden van de middelen ten behoeve van kinderen;

4. een nationale strategie voor de bestrijding van de kinderarmoede uit te stippelen, met inbegrip van duidelijke doelstellingen en een tijdschema, naar het voorbeeld van het beleid van de Scandinavische landen die een lage graad van kinderarmoede kennen;

5. regelmatig na te gaan welke vorderingen geboekt zijn in de strijd tegen de kinderarmoede;

6. op Europees vlak een diepgaande discussie op gang te brengen over het probleem van de kinderarmoede en de acties die kunnen leiden tot een uitroeiing ervan, zodat de strijd tegen de kinderarmoede een duidelijke politieke prioriteit wordt voor de Europese Unie en elk van haar lidstaten;

7. te dien einde een diversificatie te bevorderen van de indicatoren die gemeenschappelijk gebruikt kunnen worden zodat de tendensen inzake kinderarmoede beter geanalyseerd kunnen worden, en over te gaan tot een uitwisseling van de gunstige praktijken die binnen de Europese Unie bestaan.

21 februari 2006.

Olga ZRIHEN.

(1) UNICEF, « Child Poverty in Rich Nations 2005 », Report Card No. 6, Unicef Innocenti Research Centre, Firenze, 2005.

(2) Europese Commissie, Directoraat-Generaal Werkgelegenheid, sociale zaken en gelijke kansen, « A thematic study using transnational comparisons to analyse and identify what combination of policy responses are most succesful in preventing and reducing high levels of child poverty », maart 2004.