Vragen en Antwoorden

BELGISCHE SENAAT


Bulletin 3-54

ZITTING 2005-2006

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in het Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in het Frans


Minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen

Vraag nr. 3-3624 van mevrouw Van de Casteele d.d. 25 oktober 2005 (N.) :
Federaal openbaar ambt. — Dienstvrijstelling voor het geven van bloed, bloedplaatjes of bloedplasma. — Kostprijs en mogelijke besparingen. — Verenigbaarheid met de Europese richtlijnen.

Volgens de EU-richtlijn over de diensten voor het bloed dient donorschap vrijwillig te zijn. BelgiŽ houdt in theorie ook vast aan die vrijwilligheid.

Zo wordt bijvoorbeeld bloed van hemochromatose-patiŽnten geweigerd omdat de patiŽnten in dat geval geen vrijwillige donor zijn (zie antwoord van minister Demotte op mijn vraag 3-642, bulletin van Vragen en Antwoorden 3-12).

Anderzijds is er wel een regeling in het openbaar ambt die daarvan afwijkt. Contractuele en vastbenoemde ambtenaren krijgen immers vrijstelling van dienst gedurende 1 dag voor het geven van bloed, bloedplaatjes of bloedplasma, namelijk de dag waarop bloed wordt gegeven indien dit tijdens de werkuren is of de dag erna, indien bloed wordt gegeven na de werkuren, met een maximum van 5 dagen per kalenderjaar (omzendbrief nr. 487 van 9 december 1999).

Hierbij wordt eigenlijk afgeweken van het principe van kosteloosheid. Dat kan volgens specialisten een gevaar betekenen voor de kwaliteit van het bloed, indien mensen omwille van een een bijkomende verlofdag bloed geven en eventuele risico's verzwijgen.

Er zijn ongeveer 540 000 bloedgiften per jaar in BelgiŽ. 20 % van de donoren zou, in het kader van die omzendbrief, een vrije dag opnemen. Dat betekent 108 000 verlofdagen of 470 werkjaren (230 dagen/jaar). De totale kost per jaar zou zo meer dan 30 miljoen euro bedragen.

Een geleidelijke afbouw van het aantal VTE (voltijds equivalent) dat daarmee overeenstemt zou dus een serieuze besparing kunnen betekenen.

1. Kan de geachte minister meedelen hoeveel federale ambtenaren, naar aanleiding van een bloedgift, een vrije dag hebben genomen gedurende de laatste jaren ? Klopt het dat dat meestal een vrijdag is ?

2. Welke kostprijs betekent dit voor de federale overheid ?

3. Strookt deze regeling nog met de Europese richtlijn over bloed ?

4. Zou het afschaffen van deze regeling geen serieuze besparing betekenen ? Uiteraard moet er dan ook een extra inspanning worden gedaan om bijkomende donoren te zoeken. Een deel van de besparing zou daartoe aan het Rode Kruis kunnen ter beschikking gesteld worden. Welk is de mening van de minister terzake ?

Antwoord : Ik kan het geachte lid meedelen dat er federaal geen cijfers beschikbaar zijn over het aantal toegekende dienstvrij stellingen voor het geven van bloed, plasma of bloedplaatjes in het jaar 2004 aangezien elke dienst afzonderlijk beslist over het al dan niet toekennen van deze dienstvrij stellingen. Het is dan ook onmogelijk de kostprijs hiervan voor de federale overheid te berekenen.

De wet van 5 juli 1994 betreffende bloed en bloedderivaten van menselijke oorsprong werd recent gewijzigd conform de Europese richtlijn. Daarbij werd het artikel 5 van de Belgische wet dat bepaalt dat de afname van bloed en bloedderivaten enkel mag plaatsvinden bij vrijwillige niet vergoede donors en met hun toestemming niet gewijzigd.

Uit de memorie van toelichting blijkt immers dat onder niet vergoede donoren dient te worden verstaan personen die bloed of deelsubstanties afstaan, zonder hiervoor een financiŽle vergoeding te ontvangen noch in speciŽn noch onder de vorm van een compensatie in natura die zou kunnen beschouwd worden als het equivalent van een bedrag in geld. Is in overeenstemming met het principe van de niet-vergoede gift :

a) De verloven toegekend aan het personeel van de centrale administratie van de staat.

b) De verloven toegekend door de staat of een andere werkgever in de mate dat ze deze voorzien onder a) niet overtreffen.

c) Kleine geschenken, verfrissingen en de terugbetaling van de directe verplaatsingsonkosten.

Ik wil er ten slotte nog op wijzen dat volgens de omzendbrief nr. 487 van 9 december 1999 betreffende het verlenen van dienstvrij stelling voor het geven van bloed, bloedplaatjes en bloedplasma aan statutaire en contractuele personeelsleden een toestemming tot dienstvrij stelling kan worden gegeven. Dit betekent dat de dienstvrij stelling een gunst en geen recht is voor de personeelsleden en dat deze toestemming al dan niet kan worden geweigerd door elk diensthoofd indien deze de goede werking van de dienst in de weg staat.

De omzendbrief nr. 478 van 9 december 1999 heeft een meer strikte toepassing van dienstvrij stelling voor het geven van bloed en bloedplasma ingevoerd dan deze die voordien van toepassing was. De maatregelen voorzien in deze omzendbrief waren het resultaat van een akkoord dat werd gesloten tussen de vertegenwoordigers van het Rode Kruis en mijn voorganger Luc Van den Bossche. Ik heb dan ook niet de intentie om af te stappen van dit akkoord.