3-145

3-145

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 12 JANUARI 2006 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van de heer Wouter Beke aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over ęde gevolgen van het arrest van het Arbitragehof inzake de antidiscriminatiewetĽ (nr. 3-1234)

De voorzitter. - De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt namens mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie.

De heer Wouter Beke (CD&V). - Sinds het Arbitragehof in zijn arrest van 6 oktober 2004 de zogenaamde antidiscriminatiewet gedeeltelijk heeft vernietigd, is ze op vele punten niet meer toepasbaar of zou de toepassing ongewenste gevolgen kunnen hebben, bijvoorbeeld op het vlak van het communautair evenwicht en de arbeidsverhoudingen. We hebben daarover gisteren in de commissie voor de Sociale Aangelegenheden nog van gedachten kunnen wisselen.

Andere delen van de wet zijn nu nog enkel begrijpelijk en/of grondwetsconform wanneer men het arrest ernaast houdt. Het arrest diende immers over meerdere bestreden bepalingen een grondwetsconforme interpretatie te geven.

Het is overduidelijk dat dit de rechtszekerheid niet ten goede komt. Het is eveneens de vraag of de wet in haar huidige vorm nog tegemoet kan komen aan de internationaalrechtelijke verplichtingen inzake het verbod op discriminatie.

Samen met collega De Schamphelaere heb ik een wetsvoorstel ingediend dat deze problemen kan oplossen. Dit werd evenwel nog niet op de agenda van de commissie voor de Justitie geplaatst.

Erkent de vice-eerste minister dat de antidiscriminatiewet in de huidige vorm voor toepassingsproblemen kan zorgen?

Zo ja, welke oplossingen stelt zij voor?

Zo neen, waarom gebeurt dat niet?

Kan de vice-eerste minister akkoord gaan met een `reparatiewet', zoals ons voorstel er ťťn is, die opnieuw rechtszekerheid kan brengen?

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - Sinds het vermelde arrest van het Arbitragehof is de wet voor de rechtzoekende minder leesbaar en minder voorspelbaar geworden.

Bovendien heeft dit arrest de strijdigheid van deze wet met de Europese richtlijnen 2000/43 en 2000/78 vergroot. Deze richtlijnen leggen de verplichting op om de in deze richtlijnen opgenomen discriminatiegronden uitdrukkelijk in de wet te vermelden. De Europese Commissie heeft dat in een officiŽle brief aan BelgiŽ meegedeeld.

Bovendien heeft de Europese Commissie, sinds deze brief waarin aan BelgiŽ vragen worden gesteld over het uitblijven van de omzetting, ons land in deze zaak in gebreke gesteld.

Opdat BelgiŽ zou beschikken over een duidelijke en leesbare wet die conform is met de Europese richtlijnen en met onze internationale verplichtingen, heeft de minister aan een tweetalige groep van experts, samengesteld uit specialisten constitutioneel recht, arbeidsrecht en antidiscriminatierecht, gevraagd de wet aan te passen. De verbeterde wet zal dus zowel moeten beantwoorden aan de conclusies van het arrest van het Arbitragehof als aan onze Europese verplichtingen.

De groep van experts zou zijn werk tegen eind februari moeten beŽindigen. Vervolgens zal de minister het verslag overmaken aan de regering. Daarna kan erover worden gedebatteerd in het parlement en kunnen de correctievoorstellen, waaronder dat van de heer Beke, worden behandeld.