3-1329/1

3-1329/1

Belgische Senaat

ZITTING 2004-2005

25 AUGUSTUS 2005


Wetsvoorstel tot invoeging van een artikel 377bis in het Strafwetboek, teneinde in een behandeling te voorzien zodra een vonnis van veroordeling van daders van seksueel misbruik is uitgesproken

(Ingediend door de heer Jean-Marie Cheffert)


TOELICHTING


Inleiding

De druk van de publiek opinie en van onze eigen gevoeligheden groeit zodra men spreekt over « seksualiteit » : het gaat immers om een thema dat het raakvlak vormt tussen de intieme levenssfeer en de openbare orde. Het ligt nog gevoeliger wanneer minderjarigen het slachtoffer worden van seksueel geweld. Dat is ons land niet gespaard gebleven. Sedert een tiental jaren leeft ons land mee met de gruwelen van de zaak-Dutroux, de zaak-Fourniret en andere ...

De tragische gebeurtenissen van de zomer 1996 hebben de wetgever er overigens toe gebracht in 1999 in onze Grondwet een nieuw artikel 22bis in te voegen, volgens hetwelk elk kind het recht heeft op eerbiediging van zijn morele, lichamelijke, geestelijke en seksuele integriteit.

Het begrip « recht op eerbiedinging van de lichamelijke en seksuele integriteit » is meer dan een passief recht : het brengt mee dat de overheid op dat stuk een actief beleid moet voeren. De wetgever moet dus optreden om iedere aanfluiting ervan te bestrijden en het risico van herhaling zo goed mogelijk te beperken.

Niet alleen de invoering van het genoemde artikel 22bis van de Grondwet was een stap voorwaarts : ook elders zijn er nieuwe maatregelen ingevoerd (1) .

De indiener is evenwel van oordeel dat er nog meer te doen is bijvoorbeeld op het vlak van de behandeling van seksuele delinquenten in de gevangenis.

Naar een definitie van de seksuele delinquent

De seksuele delinquent als dusdanig bestaat niet. Een seksuele delinquent is een persoon die een vorm van seksuele agressie of een verkrachting (seksueel geweld met penetratie) pleegt. Vanuit klinisch oogpunt beschouwt men de seksuele delinquenten niet als een homogene groep, maar tracht men veeleer verschillende soorten te onderscheiden.

Seksuele afwijkingen nemen de meest uiteenlopende vormen aan : exhibitionisme, voyeurisme, verkrachting, pedofilie, ... De indiener wil zijn aandacht toespitsen op het voyeurisme en de pedofilie, die volgens de publieke opinie het grootste gevaar inhouden voor onze samenleving.

A. Verkrachters

In de loop der jaren heeft men de verkrachters ondergebracht in verschillende categorieën :

1. In de jaren 50 brachten twee typologieën (2) die delinquenten onder in 3 types :

— de « explosieve aanranders » of personen voor wie de agressieve seksuele daad een uitbarsting is van verdrongen en onderdrukte seksuele impulsen.

— de « sadistische aanranders » : zij die per definitie haat jegens vrouwen koesteren.

— de « antisociale agressieve delinquenten » : mannen voor wie verkrachten gelijk is aan plunderen. Zij « stelen » seks zoals zij geld of voorwerpen stelen. Hun strafblad is doorgaans erg gevuld, en hun antisociaal gedrag blijkt uit vele aspecten van hun dagelijkse leven, en niet alleen uit hun gedrag jegens vrouwen (beschrijving van een vorm van psychopathie).

Kortom, volgens deze classificatie verkracht de man ofwel omdat hij met onbewuste seksuele verlangens kampt, ofwel omdat hij een diepe afkeer heeft van vrouwen, ofwel omdat hij een psychopaat is. In ieder geval is het doel van de verkrachting altijd de seksuele bevrediging.

2. In de jaren 60 blijven die categorieën grotendeels overeind, maar worden er enkele nieuwigheden toegevoegd : zo wordt met de invloed van alcohol rekening gehouden, waardoor de man de bevrediging van zijn seksuele verlangens niet meer kan uitstellen (drunken variety), en komt er een categorie van aanranders die lijden aan het « maagd-prostituee complex » en die vrouwen in twee categorieën verdelen : de goede en de slechte. Die mannen zullen respect tonen voor de eerste, maar niet voor de tweede categorie, met wie men « doet wat men wil » (double standard variety) (3) .

Het kan thans lijken of die categorieën slechts een anekdotisch beeld van de feiten bieden, doch zij gaan ervan uit dat een verkrachter in de eerste plaats op zoek is naar seksuele bevrediging.

3. In de jaren 70 komt er een grondige verandering in deze classificaties, door toedoen van de vrouwenbewegingen. Verkrachting wordt voortaan beschouwd als een gewelddadige vorm van sociale controle, met de bedoeling om de ondergeschikte positie van de vrouw te bevestigen (4) . Seksuele bevrediging wordt niet langer beschouwd als het belangrijkste motief voor een verkrachting. Verkrachting is een uiting van zuivere agressie, van machtsvertoon. Het gedrag van de man zou het gevolg zijn van onze seksistische samenleving waarin hij altijd zijn kracht en zijn heerschappij moet bewijzen. Volgens deze opvatting is de man niet ziek, hij is integendeel « normaal » en hij verkracht omdat de maatschappij hem op een bepaalde manier gevormd heeft.

4. Dat door feminisme ingegeven standpunt heeft een invloed gehad op de typologieën. Later gaan auteurs verkrachters immers onderverdelen door rekening te houden met beide criteria (seksuele bevrediging en agressiviteit), en categorieën onderscheiden naar gelang een van die criteria het haalt (5) .

5. Wie zijn de verkrachters ? Waarom verkrachten mannen ? Op deze twee vragen is het onmogelijk een eenduidig antwoord te geven. Er bestaan waarschijnlijk evenveel antwoorden als er verkrachters zijn ... Belangrijk is dat rekening wordt gehouden met alle factoren die geleid hebben tot de daad. Wij moeten onze aandacht toespitsen op alle aspecten die het leven en de persoonlijkheid van de dader bepaald hebben, en ons niet beperken tot het meest in het oog springende aspect. Specialisten zijn het er vandaag over eens dat een multifactoriële behandeling van seksuele delinquentie vereist is. De delinquenten moeten onderzocht worden op psychiatrisch, psychologisch, psychopathologisch, psychoseksuologisch en psychocriminologisch vlak.

B. Pedofielen

Seksueel misbruik (van minderjarigen) kan omschreven worden als volgt : « de deelname van een kind of een minderjarige adolescent aan seksuele activiteiten die hij niet kan begrijpen, die onaangepast zijn aan zijn leeftijd en aan zijn psychoseksuele ontwikkeling, die hij ondergaat onder de dwang van geweld of van verleiding of die de sociale taboes betreffende de familiale rolpatronen doorbreken » (6) .

Psychiaters zijn het erover eens dat er voor pedofielen, net zo min als voor andere seksuele delinquenten geen standaardtype bestaat. In het algemeen kunnen zij als volgt onderverdeeld worden :

— geesteszieken;

— slachtoffers van pedofielen tijdens hun kindertijd (herhalingsverschijnsel);

— personen die zich in de volwassenenwereld niet kunnen vinden en terugkeren naar een wereld waar zij zekerder van zichzelf zijn : de kindertijd.

Specialisten zijn voorstander van een multifactoriële behandeling voor dat soort personen.

Wetsbepalingen inzake seksuele delinquentie

A. Het Strafwetboek

De misdrijven van seksuele aard worden behandeld in de artikelen 372 en volgende van het Strafwetboek. Ons voorstel betreft alleen de artikelen 372 tot 377 van dat Wetboek, namelijk de aanranding van de eerbaarheid en de verkrachting.

1. Aanranding van de eerbaarheid

De aanranding van de eerbaarheid (artikelen 372, 373 en 374 van het Strafwetboek) wordt omschreven als « een daad die indruist tegen de goede zeden en opzettelijk begaan wordt op de persoon of met behulp van een bepaalde persoon zonder dat deze daarmee op geldige wijze instemt » (7) .

Deze definitie is zeer ruim en biedt de rechters veel ruimte voor interpretatie. Uiteenlopende gedragingen als exhibitionisme, voyeurisme, seksuele betasting (zonder penetratie), enz., kunnen aangemerkt worden als aanranding van de eerbaarheid.

Het Strafwetboek maakt een onderscheid tussen :

— aanranding van de eerbaarheid zonder geweld of bedreiging gepleegd op de persoon of met behulp van de persoon van een kind (artikel 372);

— aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging.

2. Verkrachting

Net zoals voor de aanranding van de eerbaarheid maakt het Strafwetboek een onderscheid tussen niet nader bepaalde verkrachting en verkrachting met behulp van geweld.

— Niet nader bepaalde verkrachting wordt gedefinieerd als « elke daad van seksuele penetratie van welke aard en met welk middel ook, gepleegd op een persoon die daar niet in toestemt » (artikel 375, eerste lid, van het Strafwetboek).

— Verkrachting met behulp van geweld wordt in artikel 375, zesde lid, gedefinieerd als « elke daad van seksuele penetratie van welke aard en met welk middel ook, die gepleegd wordt op de persoon van een kind dat de volle leeftijd van veertien jaar niet heeft bereikt ».

Krachtens het Strafwetboek is een daad van seksuele penetratie op een kind jonger dan veertien onweerlegbaar een verkrachting met geweld. De aanranding van de eerbaarheid en de verkrachting worden bestraft met opsluiting waarvan de duur afhangt van de leeftijd van het slachtoffer, het eventuele gebruik van geweld of bedreiging, de hoedanigheid van de dader ... (8) .

B. Naast de bepalingen van het Strafwetboek bevat ons rechtsstelsel nog een aantal regels die een therapeutische behandeling en begeleiding opleggen voor seksuele delinquenten buiten de gevangenismuren en ruimer gezien in het kader van de verschillende stadia van vervroegde invrijheidstelling.

1. Wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten, vervangen door de wet van 1 juli 1964

Deze wet bestaat uit twee delen :

a) Internering van veroordeelden in staat van krankzinnigheid, zwakzinnigheid of geestesstoornis

Artikel 71 van het Strafwetboek bepaalt dat er geen misdrijf is wanneer de beschuldigde of de beklaagde op het ogenblik van het feit in staat van krankzinnigheid was.

Dit is een algemene, persoonlijke en subjectieve grond van ontoerekenbaarheid. In geval van krankzinnigheid kan een beschuldigde of beklaagde dus vrijgesproken worden.

Ondanks die strafrechtelijke vrijspraak vormt het individu echter nog steeds een gevaar voor de maatschappij, die zich dient te beschermen.

Hier is een rol weggelegd voor de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde strafbare seksuele feiten.

Die wetsbepalingen zijn alleen van toepassing wanneer het individu een gevaar vormt voor de maatschappij en in een staat verkeert van :

— krankzinnigheid = volledig ontbreken van wilskracht en onderscheidingsvermogen;

— zwakzinnigheid;

— geestesstoornis.

De laatste twee geestestoestanden moeten het individu ongeschikt maken tot het controleren van zijn daden. Zij worden niet nader omschreven en staan ter beoordeling van de rechter, die over een aantal richtpunten beschikt zoals de voorwaarde dat de geestestoestand permanent moet zijn en zowel op het ogenblik van de feiten als op het ogenblik van het vonnis moet bestaan.

Daar komt nog bij dat de wet niet van toepassing is op lichtere misdrijven, overtredingen bijvoorbeeld.

Om de maatschappij te beschermen tegen dat gevaar voorziet de wet in de internering van het individu, een veiligheidsmaatregel die de betrokkene belet schade te berokkenen en hem verzorgt. In tegenstelling tot de straf heeft de internering geen bepaalde duur.

De internering moet dus niet beschouwd worden als een straf.

Aangezien niet alle seksuele delinquenten krankzinnig zijn of hun daden niet kunnen controleren, vallen in de praktijk slechts weinigen onder het toepassingsgebied van deze wet en zullen zij een straf (opsluiting) moeten uitzitten in plaats van geïnterneerd te worden.

Bovendien moet het advies van een gespecialiseerde dienst worden gevraagd voor elke invrijheidstelling op proef of definitieve invrijheidstelling van een seksuele delinquent (artikel 20bis). Bovendien kan een behandeling of een begeleiding worden opgelegd (artikel 20).

b) Recidivisten, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten

Het tweede deel van de wet tot bescherming van de maatschappij regelt de terbeschikkingstelling van de regering van sommige soorten misdadigers, onder wie sommige seksuele delinquenten. Die maatregel wordt in de praktijk niet vaak toegepast.

Het ter beschikking stellen van de regering is een veiligheidsmaatregel ter langdurige ontneming van de vrijheid om de maatschappij te beschermen tegen diegenen die door hun ziekelijke neigingen of onverbeterbaarheid een gevaar vormen voor de openbare orde en die de maatschappelijke orde in gevaar brengen (9) .

De misdadigers worden onder het toezicht geplaatst van de minister van Justitie, die hen kan vrijlaten onder de voorwaarden die hij bepaalt (bijvoorbeeld het opleggen van een behandeling of begeleiding) of hen kan laten interneren. De maatregel wordt dus uitgevoerd na de gevangenisstraf in inrichtingen zonder strafkarakter. Daders van aanranding van de eerbaarheid op minderjarigen of van verkrachting als bedoeld in de artikelen 372, 373, tweede lid, 375, 376, 377, eerste, tweede, vierde, vijfde en zesde lid, van het Strafwetboek, kunnen ter beschikking van de regering worden gesteld vanaf het eerste misdrijf indien de rechter hen bestraft met effectieve gevangenisstraf van meer dan één jaar.

Wat betreft de invrijheidstelling van daders van misdrijven van seksuele aard, bepaalt de wet dat die alleen mogelijk is na advies van een dienst die gespecialiseerd is in de begeleiding of de behandeling van seksuele delinquenten.

2. Wet van 5 maart 1998 betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling

Veroordeelden tot één of meer vrijheidsbenemende straffen, kunnen onder bepaalde voorwaarden voorwaardelijk in vrijheid worden gesteld vóór het verstrijken van hun straf (artikel 2). Naast de algemene voorwaarde dat er geen nieuwe strafbare feiten gepleegd worden, gelden een aantal bijzondere voorwaarden die eigen zijn aan elk individu.

Voor personen die veroordeeld zijn op grond van de artikelen 372 tot 378 van het Strafwetboek, legt de wet als bijzondere voorwaarde op dat een behandeling of begeleiding gevolgd wordt bij een dienst die in de begeleiding of de behandeling van seksuele delinquenten is gespecialiseerd (artikel 4, § 5).

De voorwaardelijke vrijlating van seksuele delinquenten wordt ook onderworpen aan het advies van een dienst die in de begeleiding of de behandeling van seksuele delinquenten is gespecialiseerd wanneer de feiten gepleegd zijn op minderjarigen of met hun deelneming (artikel 3, § 3, 4º).

Helaas stelt men dikwijls vast dat seksuele delinquenten in de praktijk verkiezen hun straf volledig uit te zitten, om een therapeutische behandeling na hun vrijlating te vermijden.

3. Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie

Krachtens deze wet kan de rechter het uitspreken van een effectieve gevangenisstraf vermijden door de uitspraak van de veroordeling op te schorten. Bij een veroordeling kan hij ook de tenuitvoerlegging van de straf uitstellen. Deze maatregelen kunnen gepaard gaan met bijzondere voorwaarden zoals therapeutische begeleiding of behandeling (probatie-opschorting en probatieuitstel).

Artikel 9bis van de wet bepaalt dat de rechter het advies inwint van een dienst die gespecialiseerd is in de begeleiding of de behandeling van seksuele delinquenten voordat hij een probatiemaatregel oplegt.

4. Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis

Krachtens deze wet kan de onderzoeksrechter de gedetineerde voor een periode van drie maanden in vrijheid stellen, mits een aantal voorwaarden vervuld zijn. Een van die voorwaarden kan bestaan in het volgen van een behandeling of begeleiding.

Na afloop van het onderzoek, kan de feitenrechter de voorwaarden verlengen tot de dag van het vonnis.

5. Artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering — strafbemiddeling

In het raam van de strafbemiddeling kan de procureur des Konings een therapeutische of medische behandeling voorstellen. Wanneer de dader van het misdrijf voldoet aan de bemiddelingsvoorwaarden, vervalt de strafvordering voor de feiten die in het kader van deze procedure behandeld worden. Om geldig een beroep te kunnen doen op deze maatregel moet er een door de dader aangevoerd verband bestaan tussen de ziekte en het misdrijf.

6. Voorlopige invrijheidstelling

De minister van Justitie kan beslissen om de uitvoering van de vrijheidsberovende straf op te schorten om verschillende redenen, waaronder de overbevolking van de gevangenissen (van toepassing voor straffen van minder dan drie jaar). In het geval van gedetineerden veroordeeld voor een misdrijf van seksuele aard, neemt de Centrale Administratie de beslissing tot invrijheidstelling, na advies van de directie en de psychosociale dienst van de gevangenis. Het advies bevat onder meer een psychologisch en sociaal plan en een reclasseringsplan.

C. Samenwerkingsakkoorden

Aan het eind van de jaren negentig hebben de federale Staat en de deelgebieden samenwerkingsakkoorden gesloten inzake de begeleiding en behandeling van daders van misdrijven van seksuele aard.

Deze akkoorden regelen de begeleiding van seksuele delinquenten in het raam van de genoemde wetten.

Gespecialiseerde gezondheidsteams worden aldus erkend en belast met verschillende opdrachten, zoals het uitbrengen van adviezen over een mogelijke therapeutische behandeling van seksuele delinquenten, het instaan voor hun behandeling, het uitbrengen van verslagen bij de bevoegde overheden over het verloop van de behandeling, enz.

De gespecialiseerde gezondheidsteams worden bijgestaan door steuncentra die bijvoorbeeld :

— wetenschappelijke informatie bezorgen;

— logistieke steun verlenen voor de diagnose en de behandeling;

— specifieke opleidingen organiseren;

— wetenschappelijk onderzoek verrichten.

Zo is er in Wallonië de UPPL in Doornik, en in Vlaanderen het Cosyns-Instituut.

Verantwoording van het voorstel

In België bestaat er dus een regeling voor de begeleiding en de behandeling van seksuele delinquenten buiten de gevangenis.

Zowel in het raam van de verschillende procedures van vervroegde vrijlating als van de strafbemiddeling of de terbeschikkingstelling van de regering, is er immers voorzien in een begeleiding bij het verlaten van de gevangenis of als voorwaarde voor het uitstel.

Ofschoon in de genoemde omstandigheden therapeutische begeleiding en behandeling zeer vaak voorkomen, krijgt een gedetineerde veroordeelde daar niets van te zien.

Zolang hij niet de voorwaarden voor een vervroegde vrijlating heeft vervuld, zal hij zijn straf uitzitten zonder gelijkwaardige specifieke behandeling. De periode in de gevangenis zou echter nuttig gebruikt kunnen worden. Dit wetsvoorstel heeft dan ook tot doel een behandeling in de gevangenis op te leggen en die kostbare tijd in de gevangenis beter te benutten.

Sommige specialisten menen dat het wegens de psychopathologische structuur van de seksuele delinquent dikwijls illusoir is hem een vrijwillige begeleiding voor te stellen. De verplichting om zich te laten verzorgen is een noodzakelijke voorwaarde om zijn evolutie te begeleiden, maar ook om een kader te scheppen voor een therapeutische behandeling die in tweede instantie kan uitmonden in een vraag of een oprechte deelname. De indiener is het daarmee eens.

Opsluiting alleen volstaat niet om onze maatschappij te beschermen. De overheid moet alles in het werk stellen om te voorkomen dat de betrokkene recidiveert en we mogen niet wachten tot er een definitieve vrijlating of een vrijlating op proef is om een behandeling op te starten.

De tijd die het individu in de gevangenis zonder behandeling doorbrengt kan schadelijk zijn en zijn geestestoestand verergeren, wat de kans op genezing en reïntegratie verkleint.

Dit voorstel voegt een nieuw artikel toe aan het Strafwetboek, volgens hetwelk wanneer de rechter een veroordeling uitspreekt wegens aanranding van de eerbaarheid of verkrachting, hij bovendien een aangepaste therapeutische behandeling kan bevelen.

De nadere regels van de behandeling worden bij koninklijk besluit vastgelegd. De gedetineerde moet zijn therapie buiten de gevangenis kunnen volgen, onder begeleiding van een gespecialiseerd team (vergelijkbaar met de erkende teams in de samenwerkingsakkoorden van 1998) dat de verschillende aspecten van de pathologie behandelt en voor ieder geval een aangepaste behandeling toepast : individuele of groepspsychotherapie, gesprekken met koppels of familie, medicinale behandeling (anti-androgenen, antidepressiva, ...).

De rechter kan een verlenging van de oorspronkelijke straf opleggen indien de betrokkene de behandeling weigert of indien nadien blijkt dat hij de voorwaarden niet naleeft. Hij blijft dus met de zaak belast indien er een probleem tijdens de behandeling opduikt.

Jean-Marie CHEFFERT.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

In het Strafwetboek wordt een artikel 377bis ingevoegd, luidende :

« Art. 377bis. — De rechter kan eenieder die veroordeeld is op grond van de artikelen 372 tot 377 bevelen om vanaf de uitspraak van het vonnis deel te nemen aan een begeleiding of therapeutische follow-up, waarvan de nadere regels door de Koning worden vastgelegd.

In dat geval kan het vonnis of arrest van veroordeling ambtshalve voorzien in een strafvermeerdering indien uit een verslag van de dienst die gespecialiseerd is in de begeleiding en de behandeling van seksuele delinquenten blijkt dat de schuldige zich van de behandeling afkeert of niet de wil heeft om zich te beteren. In geen geval kan de nieuwe straf meer bedragen dan het dubbele van de oorspronkelijk uitgesproken straf. »

25 mei 2005.

Jean-Marie CHEFFERT.

(1) Zie bijvoorbeeld hieronder — Wet van 13 april 1995 betreffende seksueel misbruik ten aanzien van minderjarigen — wet van 28 november 2000 — Samenwerkingsakkoorden tussen de Federale Staat en de deelgebieden inzake de begeleiding en de behandeling van daders van seksueel misbruik (1998).

(2) Typologieën van Guttmacher & Weihofen (1952) en Karpman (1954).

(3) Drunken variety & double standard variety. Zie typologie van Gebhard (1965).

(4) De eerste aanzet tot dit standpunt werd gegeven door Griffin (1971).

(5) Zie de typologieën van Cohen, Amir, Groth.

(6) Definitie van de Internationale Vereniging voor de bescherming van misbruikte en mishandelde kinderen.

(7) Zie J.M. Poupart, Novelles, Droit Pénal, Tome III, nr. 6141; A. De Nauw, Initiation au droit pénal spécial, Brussel, Story-Scientia, 1987.

(8) Sinds de wet van 28 november 2000 kan de hoedanigheid (adoptant, broer of zus of persoon met een gelijkaardige positie in het gezin, samenwonende) ofwel een bestanddeel ofwel een verzwarende omstandigheid van de aanranding zijn, naargelang zij gepleegd is op minderjarigen ouder dan zestien jaar maar niet ontvoogd door het huwelijk, of op minderjarigen jonger dan zestien jaar. Diezelfde hoedanigheden zijn verzwarende omstandigheden in geval van verkrachting (artikel 377 Strafwetboek).

(9) Parlmentaire Handelingen, Kamer, 1925-1926, 23 juni, 1774.