3-1051/2

3-1051/2

Belgische Senaat

ZITTING 2004-2005

23 JUNI 2005


HERZIENING VAN DE GRONDWET


Herziening van titel IX van de Grondwet, om bepaling VI, §§ 1, 2, 4 en 5 op te heffen

(Verklaring van de wetgevende macht, zie « Belgisch Staatsblad » nr. 128, tweede uitgave, van 10 april 2003)


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE INSTITUTIONELE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR

DE HEER HUGO VANDENBERGHE


De verklaring tot herziening van de Grondwet van 10 april 2003 stelt onder meer titel IX van de Grondwet voor herziening vatbaar, om bepaling VI, §§ 1, 2, 4 en 5 op te heffen (Belgisch Staatsblad van 10 april 2003 — Ed. 2).

De in bepaling VI, § 1, vervatte overgangsregeling houdt in dat, in afwachting van de splitsing van de provincie Brabant in een provincie Vlaams-Brabant en een provincie Waals-Brabant op 1 januari 1995, België tot dan negen provincies omvat, waaronder de provincie Brabant. Overeenkomstig § 2 vindt de eerstvolgende verkiezing voor de provincieraden plaats, samen met de eerstvolgende gemeenteraadsverkiezingen, op de tweede zondag van oktober 1994. De paragrafen 4 en 5 bevatten de overgangsregeling die tot 31 december 1994 gold met betrekking tot respectievelijk de rol van de provincieraden bij de benoeming van bepaalde magistraten en de omvang van het rechtsgebied van het hof van beroep van Brussel, dat de provincie Brabant omvatte.

Aangezien de §§ 1, 2, 4 en 5 van bepaling VI niet langer dienstig zijn ingevolge het verstrijken van de erin vervatte overgangsregelingen in 1994, kunnen ze worden opgeheven.

Het voorliggende voorstel strekt ertoe uitvoering te geven aan het desbetreffende onderdeel van het herzieningsprogramma van de preconstituante. Het gaat bijgevolg louter om een legistieke zuivering van de tekst.

Tijdens haar vergadering van 23 juni 2005 heeft de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden het enig artikel van dit voorstel dan ook zonder enige bespreking aangenomen bij eenparigheid van de 10 aanwezige leden.


Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur voor het uitbrengen van dit verslag.

De rapporteur, De voorzitter,
Hugo VANDENBERGHE. Anne-Marie LIZIN.