3-110

3-110

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 28 APRIL 2005 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van de heer Wouter Beke aan de minister van Werk over «de Sociale Maribel» (nr. 3-746)

De voorzitter. - De heer Renaat Landuyt, minister van Mobiliteit, antwoordt namens mevrouw Freya Van den Bossche, minister van Werk.

De heer Wouter Beke (CD&V). - Het koninklijk besluit van 18 juli 2002 vervangt zeventien bestaande besluiten inzake de Sociale Maribel. Dat betekent niet alleen een duidelijke vereenvoudiging, maar ook wijzigingen.

Tot december 2002 werden de lastenverlagingen aan de bedrijven op de werkgeversbijdragen voor tewerkgesteld personeel rechtstreeks op de RSZ-kwartaalaangiften afgerekend en kwamen bijkomende middelen onmiddellijk en rechtsreeks ter beschikking van de ondernemingen.

Door genoemd koninklijk besluit worden vanaf 1 januari 2003 de RSZ-afhoudingen wel gedaan, maar de opbrengst uit structurele lastenverlagingen wordt niet meer rechtstreeks afgerekend, maar doorgestort naar een per paritair comité geïnstalleerd fonds voor de Sociale Maribel. Dat moet de gelden herverdelen tussen de onder zijn bevoegdheid vallende werkgevers.

Sommige werkgevers die ressorteren onder het paritair comité 305.02 voor de gezondheidsinrichtingen en gezondheidsdiensten zouden, sedert de inwerkingtreding van de nieuwe regelgeving op 1 januari 2003, fondsen mislopen waarop ze voordien recht hadden.

Enerzijds kent het bevoegde fonds van het paritair comité 305.02 aan poliklinieken, medische laboratoria, geneesheren, tandartspraktijken geen structurele lastenverlaging meer toe. Als belangrijkste argument wordt aangevoerd dat vrije beroepen in de geneeskundige sector weinig bijdragen tot de aanvullende tewerkstelling.

Anderzijds lanceert het fonds via een schrijven van 16 september 2004 een beperkte loonkostenmindering voor een bijkomende tewerkstelling van een halftijds personeelslid op voorwaarde dat men zich echter, in akkoord met de vakorganisaties, bij aangetekend schrijven voor 8 oktober tot die extra tewerkstelling verbindt.

Andere fondsen voor de Sociale Maribel herverdelen echter de opbrengsten uit de lastenverlagingen onder de bij hun paritair comité aangesloten ondernemingen zonder enige verplichting tot bijkomende tewerkstelling.

Het spreekt trouwens voor zich dat een periode van drie weken veel te kort is om tot een onderhandeld akkoord met de vakbonden te komen.

Die uitsluiting betekent concreet een loonkostenverhoging van 200 tot 300 euro per kwartaal voor een werknemer met volledige kwartaalprestaties ten aanzien van 2002.

Op basis van welke criteria moet een paritair comité de herverdeling van de opbrengsten van de lastenverlaging bepalen?

Moeten de paritaire comités in het kader van de rechtszekerheid en gelijke behandeling van rechtsonderhorigen, in casu de werkgevers die onder hun bevoegdheid vallen, geen objectieve criteria hanteren inzake de toekenning van lastenvermindering en de herverdeling van de opbrengsten?

Op basis van welke regels kan een paritair comité beslissen bepaalde groepen werkgevers uit te sluiten van de toepassing van het recht op Sociale Maribel?

Hoe meent de minister de ontstane discriminaties op te heffen?

De heer Renaat Landuyt, minister van Mobiliteit. - De sectorale fondsen kunnen autonoom beslissen aan welke werkgevers deze financiering wordt toegekend en welke criteria daarbij worden gehanteerd.

Natuurlijk moeten de fondsen een aantal spelregels respecteren. In de eerste plaats moeten ze erop toezien dat het bij een aanwerving in het kader van de Sociale Maribel om een bijkomende aanwerving gaat. Het arbeidsvolume bij de werkgever mag niet dalen.

Daarnaast moet voor de federale sectoren de aanwerving gebeuren om de werkdruk te verlagen, in het bijzonder voor het personeel dat rechtstreeks bij de verzorging en de dienstverlening betrokken is, om de intensiteit en de kwaliteit van de zorg en de dienstverlening te verbeteren en om het comfort van de patiënten of cliënten te optimaliseren.

De sectorale fondsen moeten zeker objectieve criteria hanteren als ze bepalen aan welke werkgever en voor welk bedrag een tussenkomst wordt toegewezen. Het fonds moet trouwens ook elk beslissing van toekenning of niet-toekenning motiveren.

Een bespreking van de criteria die de sectorale fondsen verder gebruiken bij het bepalen van de tussenkomsten, zou ons veel te ver leiden. Elk fonds heeft zijn eigen criteria en kan die ook autonoom bepalen.

Het kan nooit de bedoeling zijn om bepaalde werkgevers van het voordeel uit te sluiten louter wegens de aard van hun activiteit. Indien werkgevers van oordeel zijn dat ze door een sectoraal fonds onrechtmatig worden bejegend, dan kunnen ze contact opnemen met de Cel Sociale Maribel van de federale overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.

De komende weken vindt een ontmoeting plaats tussen medewerkers van de minister, de administratie en de vertegenwoordigers van de verschillende fondsen. Het is de bedoeling om het systeem van de Sociale Maribel te evalueren en een oplossing voor eventuele moeilijkheden te vinden.

De heer Wouter Beke (CD&V). - Ik herhaal dat er op het terrein effectief moeilijkheden bestaan. Ik neem me voor om, zoals de minister suggereert, de betrokken werkgevers aan te sporen om contact op te nemen met de Cel Sociale Maribel en hen tegelijk meedelen dat de minister een bijeenkomst plant om die problemen op te lossen.