3-1147/1 | 3-1147/1 |
25 APRIL 2005
Mensen kopen steeds vaker op krediet. Men kan de meeste goederen op krediet kopen. Dat geldt ook voor dieren. Dieren worden immers vanuit juridisch oogpunt beschouwd als roerende goederen (artikel 528 van het Burgerlijk Wetboek).
Een aantal dierenwinkels bieden hun klanten de mogelijkheid op krediet te kopen waardoor ze zich bijvoorbeeld een hond kunnen aanschaffen voor maandelijkse afbetalingen van 25 tot 50 euro, afhankelijk van het ras. Deze praktijk heeft hevige reacties opgeroepen bij bepaalde dierenbeschermingsorganisaties, die in de pers hebben verklaard dat dit aangeeft dat dieren handelsgoederen zijn en dat diegenen die op deze manier dieren verkopen zich niet om het welzijn van de dieren bekommeren maar alleen de winst die deze dieren opbrengen voor ogen hebben.
De indiener van het voorstel vindt dat men, los van de louter juridische classificatie, ook rekening moet houden met het feit dat een dier, in tegenstelling tot levenloze objecten, het specifieke kenmerk bezit dat het een levend wezen is. Men moet dus de nadruk leggen op de verantwoordelijkheid die de koper van een dier draagt. De beslissing moet weloverwogen zijn. Het gaat immers niet om een voorwerp waarvan men zich kan ontdoen zodra het nutteloos wordt of men er genoeg van heeft.
Men kan echter niet ontkennen dat de mogelijkheid om op krediet te kopen impulsief koopgedrag stimuleert. Deze wijze van aankopen maakt het bijvoorbeeld mogelijk om een trendy rashond te kopen, zonder na te denken over de financiėle gevolgen die deze aankoop meebrengt.
Het dier vraagt niet alleen aandacht maar moet ook gedurende zijn hele leven verzorgd worden (voedsel, dierenarts, onderkomen, ...). Vergeten we ook niet dat bij de aankoop van een dier nog andere kosten komen kijken, zoals de identificatie, de vaccinatie, enz. maar ook onverwachte kosten, zoals de rekening van de dierenarts wanneer het dier ziek is. De eigenaar die een dier op krediet heeft gekocht, beseft niet altijd dat er extra kosten zijn die bovenop de maandelijkse afbetalingen komen en waar men niet onderuit kan.
Dat leidt tot een sneeuwbaleffect : men raakt bedolven onder een buitensporige schuldenlast. De aankoop op krediet van een dier kan ontegensprekelijk aan de basis liggen van deze plaag die met alle middelen bestreden moet worden.
Overigens bestaat er naast de duidelijke morele verplichting om onze gezelschapsdieren fatsoenlijk te verzorgen, ook een juridische verplichting die duidelijk wordt bepaald in artikel 4 van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren en waar strafrechtelijke sancties aan verbonden zijn.
De eigenaar die de steeds terugkerende kosten die voortvloeien uit zijn impulsieve — en door de kredietmogelijkheid vergemakkelijkte — aankoop niet meer aankan, kan in de verleiding komen om zijn huisdier te verwaarlozen — wat hem dan blootstelt aan de sancties bepaald in de wet van 14 augustus 1986 — of erger nog, om het probleem op te lossen door zijn huisdier achter te laten. Geen van beide oplossingen is natuurlijk bevredigend.
Om al deze redenen zijn de geraadpleegde verenigingen voor dierenbescherming en de dierenasielen die achtergelaten dieren opvangen, gekant tegen de mogelijkheid om dieren op krediet te kopen.
De vereniging van hondenkwekers in Luik is ook niet voor deze vorm van aankoop te vinden. Deze hondenkwekers plaatsen het welzijn van de honden voorop. Zij willen dus voorkomen dat iemand impulsief een dier koopt, terwijl hij niet de middelen heeft om het fatsoenlijk te onderhouden. De prijs van bepaalde honden ligt echter zo hoog dat er wel uitstel van betaling kan worden gegeven zonder dat de koper daarom als onverantwoordelijk mag worden beschouwd.
Na verschillende gesprekken met de sector, stelt de indiener van het wetsvoorstel voor om in de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet iedere vorm van kredietovereenkomst te verbieden waarin de aankoop van een gezelschapsdier wordt beoogd. Een dergelijke kredietovereenkomst zal worden nietig verklaard.
Opdat iedereen zich een raszuiver gezelschapsdier zou kunnen aanschaffen, wil de indiener van het wetsvoorstel wel de mogelijkheid behouden om betalingsfaciliteiten toe te staan zodat de betaling over maximum 3 maanden kan worden gespreid, aangezien dit voor het betrokken dier weinig risico's inhoudt.
Dit wetsvoorstel is van toepassing op de gezelschapsdieren. Het beoogt voornamelijk honden en katten. Het is niet van toepassing op dieren die aangekocht worden voor bedrijfsdoeleinden, zoals koeien, schapen, enz. Over dergelijke aankopen wordt immers zorgvuldig nagedacht.
Het doel van deze wetsbepalingen is tweevoudig : enerzijds willen zij de aankopers van gezelschapsdieren aansporen om hun verantwoordelijkheid op te nemen, wat het aantal achtergelaten dieren moet doen dalen, en anderzijds zijn de bepalingen bedoeld om de overmatige schuldenlast te bestrijden, waarbij toch voldoende ruimte wordt gelaten om iedereen in staat te stellen zich een raszuiver en dus redelijk duur gezelschapsdier aan te schaffen.
| Christine DEFRAIGNE. |
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Art. 2
In de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet wordt een artikel 3bis ingevoegd, luidende :
« Art. 3bis. — Het is verboden een kredietovereenkomst te sluiten met het oog op de aankoop van een gezelschapsdier.
Het eerste lid sluit de mogelijkheid niet uit om betalingsfaciliteiten toe te staan die beperkt blijven tot drie maandelijkse afbetalingen. »
Art. 3
Artikel 4 van dezelfde wet wordt aangevuld met het volgende lid :
« Ieder beding dat strijdig is met artikel 3bis van deze wet is nietig. »
3 maart 2005.
| Christine DEFRAIGNE. |