3-106

3-106

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 14 APRIL 2005 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van de heer Wouter Beke aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over ęhet stookoliefondsĽ (nr. 3-740)

De heer Wouter Beke (CD&V). - De prijzen van stookolie gaan weer ferm de hoogte in. De consument betaalt reeds meer dan een 0,50 euro per liter. De regering heeft in een koninklijk besluit van 20 oktober 2004 bepaald dat verbruikers met een laag inkomen een toelage kunnen krijgen voor leveringen van stookolie tussen 1 september en 31 maart.

De regering heeft aangekondigd alternatieven te zoeken om verdere prijsstijgingen te vermijden. Mijn vraag heeft echter betrekking op een zeer specifieke doelgroep.

Overweegt de minister om de nogal arbitraire periode van 1 september tot 31 maart te verlengen? In de praktijk schommelde de prijs van stookolie tijdens die periode rond de 0,40 euro. Pas na 31 maart is de prijs gestegen boven 0,45 euro per liter. Ik heb alvast zelf een wetsvoorstel ingediend om die beperking in tijd te schrappen. Na 31 maart hebben mensen nog nood aan verwarming en warm water.

Hoeveel mensen hebben uiteindelijk via het OCMW gebruik gemaakt van dit systeem? Eigen navraag bij mijn lokaal OCMW leerde me dat het om weinig aanvragen ging.

Hoeveel euro werd er in totaal aan mensen vergoed en hoeveel euro werd er aan de OCMW's uitgekeerd?

Hoeveel inkomsten uit de BTW heeft de overheid ontvangen door de verkoop van stookolie tijdens de periode van 1 september 2004 en 31 maart 2005? Is de minister bereid om de extra inkomsten uit de BTW in dit fonds te storten zodat de extra heffing voor de gewone gebruiker kan wegvallen?

Is de minister bereid om het systeem aan te passen door een vork in te stellen? Nu treedt het systeem pas in werking wanneer de drempel van 0,45 euro per liter wordt bereikt en treedt het uit werking wanneer de prijs onder de 0,45 euro per liter daalt. Dit leidt in de praktijk tot hallucinante situaties waarbij mensen een bestelling doen als de prijs 0,45 euro per liter bedraagt, terwijl de prijs bij de levering is gedaald tot 0,44 euro per liter, waardoor ze niet langer in aanmerking komen voor een toelage.

Wij stellen voor om de `uitwerkingtreding' pas te laten ingaan wanneer de prijs daalt onder het niveau van 0,40 euro per liter. Zo is het systeem niet alleen langer in werking, maar bovendien ook gemakkelijker voor de gebruikers. In het verleden gebeurde het al te vaak dat door schommelingen rond de 0.45 euro per liter men nu eens wel en dan weer niet een toelage kon krijgen.

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Naar aanleiding van de prijsstijging van de olieproducten besliste de regering sociale maatregelen te nemen ten gunste van de gezinnen met een laag inkomen die huisbrandolie moeten bestellen. Tussen 1 januari en 1 oktober 2004 was de prijs van de huisbrandolie immers met 60% gestegen. De heer Beke noemt het hallucinant dat bepaalde mensen van het systeem geen gebruik konden maken, maar zonder systeem was het helemaal hallucinant geweest. We moeten ook de voordelen ervan zien.

De prijsstijging had tot gevolg dat vooral de armste gezinnen de bestelling van huisbrandolie zo lang mogelijk uitstelden in de hoop op een prijsdaling. Om de gezinnen met een laag inkomen de mogelijkheid te bieden de nodige huisbrandolie aan te kopen, besliste de regering om voor de winter van 2004 een dringende en voorlopige maatregel goed te keuren. Sinds 1 januari 2005 is deze maatregel permanent dankzij de oprichting van een sociaal stookoliefonds.

Het fonds werkt volgens het volgende principe. Telkens wanneer de prijs van de huisbrandolie stijgt boven de drempel van 45 eurocent, wordt het sociale stookoliefonds geactiveerd. De toelage moet de stijging net compenseren om een vervlakkend effect te verkrijgen.

Op het einde van deze eerste verwarmingsperiode, de winter van 2004-2005, kan ik vaststellen dat de maatregel zijn doel heeft bereikt. Tussen 1 oktober 2004 en einde maart 2005 konden de betrokken huisgezinnen gedurende 49 dagen een aanvraag tot verwarmingstoelage indienen, namelijk in de periode eind september tot begin november, enkele dagen begin december en opnieuw in maart.

Het sociale stookoliefonds vormt aldus een structureel interventiemechanisme dat een antwoord biedt op een sporadische stijging van de prijzen van huisbrandolie, die onderworpen zijn aan de regels van een - veel te sterk - fluctuerende markt. Daarom heeft de regering gekozen voor financiŽle hulp die verbonden is met de gefactureerde prijs van huisbrandolie gedurende een bepaalde interventieperiode en niet voor het toekennen van sociale hulp aan iedereen met betalingsmoeilijkheden.

De verwarmingsperiode liep ten einde op 31 maart 2005. De OCMW's moeten hun onkostenstaten en hun boekhoudkundige gegevens in verband met de toekenning van de verwarmingstoelagen ten laatste tegen 30 juni doorsturen. Ik beschik dus nog niet over precieze en volledige gegevens over het aantal toelagen dat deze winter 2004-2005 werd toegekend. Ik heb mijn administratie echter verzocht wel een eerste schatting te maken van het aantal toelagen en van het totale bedrag van de uitgaven. Ik zal daarover beschikken in de loop van de volgende week.

De doelstelling van het sociale stookoliefonds moet op lange termijn worden geŽvalueerd. Tijdens de eerste verwarmingsperiode moesten we voorzichtig zijn, want het was ook het eerste jaar dat het fonds werd gestijfd. De financiŽle middelen van het fonds zijn nu toereikend om een uitbreiding van het doelpubliek te overwegen. Het lijkt me dus belangrijk om, in overleg met minister Verwilghen, een reeks verbeteringen aan het bestaande systeem voor te stellen. Momenteel voeren we met zijn kabinet een discussie over de verschillende aanpassingsmodaliteiten van het sociale stookoliefonds. Van zodra deze zijn afgerond, zullen we samen, in de daaropvolgende weken, een project voor de aanpassingen van het fonds voor de volgende winter aan de Ministerraad voorleggen. Daarin zullen zeker de drempel, het aantal rechthebbenden en de verwarmingsperiode aan bod komen, maar details kan ik u uiteraard nog niet geven.

Voor de specifieke vraag over de middelen inzake de BTW-inning verzoek ik de heer Beke zich te wenden tot mijn collega Didier Reynders die ter zake bevoegd is.

De heer Wouter Beke (CD&V). - Ik dank de minister voor zijn belofte dat hij de opdracht zal geven voor een evaluatie en dat hij een aantal aanpassingen zal voorstellen. Ik hoop dat hij daarbij rekening zal houden met de voorstellen van de CD&V-fractie, zowel wat de verwarmingsperiode als wat de financiering van het fonds betreft. De grond van de zaak is immers dat de gewone verbruiker tweemaal betaalt: eenmaal de gewone prijs en een tweede maal de extra heffing voor het fonds. De overheid incasseert intussen meer inkomsten door de hoge olieprijs. Het is dan ook niet meer dan billijk dat de overheid die extra inkomsten minstens gedeeltelijk in dat stookoliefonds stort. Dat zijn niet eens meerkosten, de overheid loopt daarmee alleen extra inkomsten mis. Bovendien mildert dat de prijsstijging voor de gewone gebruiker.

Ik kijk alleszins uit naar de voorstellen die de minister wil doen en naar de mate waarin hij rekening zal houden met de voorstellen die de CD&V-fractie vanuit de oppositie heeft gedaan.