3-104

3-104

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 24 MAART 2005 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van de heer Wouter Beke aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de godsdienstige, geestelijke en morele bijstand aan gedetineerden» (nr. 3-704)

De heer Wouter Beke (CD&V). - In Vlaanderen is er een debat losgebroken over het actieve pluralisme. Dat debat werd mede geïnitieerd door de geestesgenoten van de minister die het actief pluralisme in Vlaanderen sinds kort hoog in het vaandel voeren. Actief pluralisme mag uiteraard niet bij woorden blijven, maar moet ook in daden worden nagestreefd. De vraag rijst dan ook hoe dat actieve pluralisme ook op religieus gebied vorm kan krijgen.

Volgens de artikelen 71-75 van de basiswet inzake het gevangeniswezen en rechtspositie van de gedetineerden heeft elke gedetineerde recht op godsdienstige, geestelijke of morele bijstand alsook het recht om zijn godsdienst of levensbeschouwing individueel en in gemeenschap met anderen te beleven en te belijden.

Met het oog op de concrete invulling daarvan en de nodige representativiteit heeft de voormalige minister van Justitie Marc Verwilghen in het najaar van 2000 een behoefteonderzoek laten uitvoeren. Hieruit bleek dat 71% van de gevangenispopulatie om bijstand vroeg: 53.2% vroeg om bijstand van een katholieke aalmoezenier, 31.8% om een islamconsulent, 9.4% om een protestantse aalmoezenier, 3.4% om een orthodoxe aalmoezenier, 1.6% om een morele consulent, 0.4% om een Israëlitische aalmoezenier en 0.2% om een Anglicaanse aalmoezenier.

Op basis van dit onderzoek bereikte de Interlevensbeschouwelijke werkgroep op 6 december 2001 een akkoord met minister Verwilghen via een ontwerp van koninklijk besluit voor een personeelsformatie van 65 betrekkingen en een budget van 1,9 miljoen euro. Dit ontwerp voorzag in 29 functies voor katholieken, 16 voor islamieten, 8 voor protestanten, 4 voor orthodoxen en de niet confessionele levensbeschouwing, 2 voor joden en anglicanen. Dit akkoord werd echter nooit uitgevoerd.

Nu heeft de minister van Justitie naar verluidt een nieuw ontwerp van koninklijk besluit opgesteld met een nieuwe verdeling: katholieken krijgen 25 in plaats van 29 aalmoezeniers, de islamieten 18 in plaats van 16, de protestanten 6 in plaats van 8, de orthodoxen blijven op vier, de joden blijven op 2, de anglicanen krijgen er 1 in plaats van 2 en de vrijzinnigen krijgen er plots 9 in plaats van 4.

Hoe legitimeert de minister haar beslissing om over te gaan tot een meer dan verdubbeling van het aantal vrijzinnige consulenten, terwijl daar volgens het geciteerde onderzoek geen enkel wetenschappelijk argument voor is. Hoe verklaart de minister dat - de cijfers van het onderzoek van 2000 extrapolerend - van de 9.300 gedetineerden, er in totaal 6.600 personen zouden zijn die om morele bijstand vragen, waaronder 3.500 aan katholieke aalmoezeniers tegenover 105 aan morele consulenten? Dit betekent voor elke katholieke aalmoezenier 140 gedetineerden tegenover 11 gedetineerden voor elke morele consulent.

Hoe kan de minister deze scheeftrekking verklaren?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Ik ben mij ten zeerste bewust van het belang van de religieuze en de morele bijstand aan de gedetineerden.

Binnen het raam van de beschikbare budgettaire middelen werden met de vertegenwoordigers van de verschillende erkende erediensten en de niet-confessionele levensbeschouwing onderhandelingen gevoerd over de verdeling van de verschillende functies. Daarbij werd rekening gehouden met de werklast en een zo evenredig mogelijke vertegenwoordiging van deze verschillende strekkingen in de strafinrichtingen.

De resultaten van de in 2000 gemaakte studie, die toen al sterk werden bekritiseerd, vormen geen referentiekader meer. Op basis van deze studie kon trouwens nog geen enkele vooruitgang worden geboekt.

Er werd onder meer voorbijgegaan aan de belangrijke inbreng van vrijwilligers, waarvan de opdrachten thans gedeeltelijk mee in rekening worden gebracht. Bovendien genoten bepaalde benamingen een historisch voordeel, waardoor ze binnen de strafinrichtingen een duidelijke rol konden spelen, waarop de andere erediensten en levensbeschouwingen niet konden bogen. Deze scheeftrekking diende dan ook te worden rechtgezet.

Op basis van deze parameters werd er een protocolakkoord ondertekend tussen alle vertegenwoordigers van de erkende erediensten en van de niet-confessionele levensbeschouwingen, waarbij de nieuwe verdeling door eenieder werd aanvaard. De ondertekenende partijen hebben zich ertoe verbonden om in de grote strafinrichtingen een permanente dienstverlening te verzekeren. De effectieve controle van deze aanwezigheid zal door de betrokken directeur worden uitgevoerd.

Dit protocolakkoord zal binnenkort in een koninklijk besluit worden vastgelegd.

De heer Wouter Beke (CD&V). - Ik dank de minister voor haar antwoord dat me evenwel niet helemaal bevredigt. Het onderzoek van 2000 zou zijn gecontesteerd en dus werd er een andere regeling uitgewerkt, maar de basis waarop die andere regeling berust wordt niet gelegitimeerd. De minister zegt niet welke basis dat is. Ze verwijst naar historische scheeftrekkingen en naar het werk van de vrijwilligers, maar al bij al lijken dat arbitraire argumenten om tot zo'n verdeling te komen. Ik dacht dat de nieuwe verdeling op een meer gefundeerde wijze zou worden beargumenteerd.

Mme Laurette Onkelinx, vice-première ministre et ministre de la Justice. - Ce sont de bons arguments, puisque ce sont ceux développés par les partenaires et qu'ils ont permis de débloquer la situation et d'obtenir un accord.