Vragen en Antwoorden

BELGISCHE SENAAT


Bulletin 3-32

ZITTING 2004-2005

Vragen waarop niet werd geantwoord binnen de tijd bepaald door het reglement (Art. 70 van het reglement van de Senaat)

(N.): Vraag gesteld in 't Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in 't Frans


Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid (Sociale Zaken)

Vraag nr. 3-1787 van de heer Vankrunkelsven d.d. 3 december 2004 (N.) :
Huisarbeiders. — Arbeidsvoorwaarden. — Koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. — Interpretatie.

Artikel 2, § 1, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders (verder « RSZ-wet » genoemd) bepaalt het volgende :

« De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, en na het advies van de Nationale Arbeidsraad te hebben ingewonnen :

1º onder de voorwaarden die Hij bepaalt, de toepassing van deze wet uitbreiden tot de personen die, zonder door een arbeidsovereenkomst te zijn verbonden, tegen loon arbeidsprestaties onder het gezag van een ander persoon verrichten of die een arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden, als die van een arbeidsovereenkomst; alsdan wijst de Koning de persoon aan die als werkgever wordt beschouwd;

2º voor zekere categorieën werknemers die Hij bepaalt, de toepassing van deze wet tot een of meer van de bij artikel 5 opgesomde regelingen beperken;

3º voor zekere categorieën werknemers die Hij bepaalt, de bijzondere toepassingsmodaliteiten vastleggen, waarbij van zekere bepalingen van deze wet wordt afgeweken;

4º onder de voorwaarden die Hij bepaalt, aan de toepassing van deze wet onttrekken de categorieën van werknemers, tewerkgesteld aan een arbeid die voor hen een bijkomstige betrekking is of die wezenlijk van korte duur is, evenals de werkgevers uit hoofde van de tewerkstelling van die werknemers. »

In artikel 3, 4º, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 maakt de Koning van deze bevoegdheid gebruik en verruimt hij de toepassing van de RSZ-wet tot :

— « de personen die, op een door hen gekozen plaats in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst grondstoffen of gedeeltelijk afgewerkte producten bewerken die een of verschillende handelaars hen hebben toevertrouwd en die alleen werken of gewoonlijk ten hoogste vier helpers tewerkstellen,

— alsmede tot die handelaars ».

Het probleem met deze bepaling is dat de rechtspraak meermaals heeft opgemerkt dat de voorbereidende werken de moeilijkheid aantonen om op correcte en precieze wijze de uitdrukking « gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst » te interpreteren.

Voor deze uitbreiding is een gezagsverhouding, noodzakelijk voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst, niet vereist.

Wel is vereist dat de (huis)arbeiders arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst, dat wil zeggen dat zij praktisch onder dezelfde voorwaarden als werknemers moeten werken.

Om uit te maken of thuiswerkers arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst en dus onderworpen zijn aan de RSZ-wet, mag de rechter geen rekening houden met gegevens die niets te maken hebben met de voorwaarden en de omstandigheden waarin de arbeid wordt verricht, maar bijvoorbeeld wel met het feit dat de handelaar niet verplicht is arbeid te verstrekken en dat de huisarbeider niet gehouden is een werk te aanvaarden.

Er werd dan ook reeds geoordeeld dat de huisarbeiders hun prestaties niet leveren op dezelfde wijze als de loontrekkenden en dus niet onderworpen zijn aan de RSZ, indien de samenwerking gebeurt op de volgende wijze : de huisarbeiders werken naar goeddunken en zijn meestal niet gebonden aan een leveringstermijn, de ondernemer heeft er zich niet toe verbonden hun regelmatig werk te leveren, hij oefent op hen geen toezicht uit, hij legt hun geen arbeidsuren noch een minimumproductie op en de huisarbeiders zijn niet verplicht de ondernemer vrije toegang tot het werk te verlenen.

De vereiste gelijkaardigheid werd evenmin aanwezig geacht in een zaak waarin huisarbeiders tegen maakloon en op eigen risico plastic beeldjes met snoep vulden voor een snoepfabrikant. Op het ogenblik dat ze voor het eerst kennis maakten met het bedrijf dienden zij een uitdrukkelijke verklaring te ondertekenen waarin bevestigd werd dat er van een ondergeschikt verband geen sprake was, terwijl zij bovendien volledig vrij waren bij het al dan niet accepteren van nieuwe opdrachten. Zij werden niet tegen uurloon betaald, maar op basis van het gewicht van de gevulde beeldjes en voor de meeste onder hen betrof het een zeer beperkte activiteit. Dat zowel de wijze waarop het werk diende te worden uitgevoerd als de termijn waarbinnen een aanvaarde opdracht moest worden afgewerkt, strikt geregeld werd door het bedrijf, vormde naar het oordeel van het arbeidshof te Bergen geen gelijkenis met een arbeidsovereenkomst, maar vloeide louter voort uit de economische wetmatigheden waarnaar het bedrijf zich diende te richten. De voorziening in Cassatie tegen dit arrest door de RSZ werd verworpen.

Het is duidelijk dat het hier om een norm gaat die zeer vaag is en bijzonder weinig rechtszekerheid biedt.

De « voorwaarden van een arbeidsovereenkomst » zijn altijd het voorwerp geweest van betwisting en zullen dat ook blijven, zoals mag blijken uit de initiatieven die de regering thans neemt rond de « schijnzelfstandigen ». In tientallen boeken, honderden bijdragen in juridische tijdschriften en duizenden vonnissen en arresten komt de kwestie aan bod. Onduidelijkheid en onzekerheid blijven troef met alle gevolgen van dien voor de betrokkenen.

Bij de categorie van de zogezegd « thuisarbeiders » wordt bovenop die onzekerheid nog een andere gevoegd. Zij moeten met name werken onder « gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst ». Als men nog niet met enige duidelijkheid kan uitmaken wat de « voorwaarden van een arbeidsovereenkomst » zijn, hoe kan men dan weten wat « gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst » zijn ?

Bovendien moet de opdrachtgever nog weten of de persoon die voor hem opdrachten, uitvoert al dan niet vier helpers « tewerkstelt ». Van het daarbij gebruikte begrip « tewerkstellen » geeft het koninklijk besluit geen definitie. Hoe kan hij dat weten of beoordelen ?

Bovendien zijn er grondwettelijke bezwaren.

Krachtens artikel 35 van de RSZ-wet is de persoon die thuisarbeiders « tewerkstelt » strafbaar, indien hij die tewerkstelling niet aangeeft en geen bijdragen betaalt. We staan dus voor een strafwet in de ruime betekenis van het woord.

Zoals hierboven is aangetoond is de wet echter zo vaag dat een opdrachtgever niet met enige zekerheid kan beoordelen of hij de thuiswerkers aan wie hij opdrachten heeft toevertrouwd, nu al dan niet moet aangeven aan de RSZ.

De regelgeving lijkt dan ook in strijd met het wettigheidsbeginsel. Dat beginsel in strafzaken is gewaarborgd door de artikelen 12, tweede lid, en 14, van de Grondwet en door artikel 7 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het gaat onder meer uit van de idee dat de strafwet moet worden geformuleerd in bewoordingen op grond waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedraging aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is. De omschrijving in artikel 3, 4º, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 heeft mijns inziens geen voldoende nauwkeurige normatieve inhoud om een misdrijf te kunnen definiëren.

Mijn vraag is nu de volgende : dient deze uitbreidingscategorie in het licht van al deze bezwaren niet gewoon te worden afgeschaft ?