3-87

3-87

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 9 DECEMBER 2004 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van de heer Frank Creyelman aan de eerste minister over ęde uitvoering van artikel 27 van het Statuut van RomeĽ (nr. 3-475)

De voorzitter. - Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie, antwoordt namens de heer Guy Verhofstadt, eerste minister.

De heer Frank Creyelman (VL. BELANG). - Op 17 juli 1998 werd het statuut van het Internationaal Strafgerechtshof goedgekeurd via het zogenaamde Statuut van Rome. Op 1 juli 2002 trad dit Internationaal Strafgerechtshof in werking. Het Hof heeft als opdracht ernstige misdaden die de internationale gemeenschap in haar geheel bezorgd maken, te berechten. Het heeft in het kader van die opdracht overeenkomstig het statuut rechtsmacht voor genocidemisdaden, misdaden tegen de mensheid, oorlogsmisdaden en voor misdaden van agressie.

Artikel 27 van het Statuut van Rome bepaalt dat staatshoofden die een misdaad begaan die tot de bevoegdheid van het Strafgerechtshof behoort, zich niet op hun officiŽle status kunnen beroepen om zich aan hun verantwoordelijkheid te onttrekken.

In het statuut staat het volgende: "Dit Statuut geldt gelijkelijk ten aanzien van eenieder zonder enig onderscheid op grond van de officiŽle hoedanigheid. In het bijzonder ontheft de officiŽle hoedanigheid als staatshoofd of regeringsleider, lid van een regering of parlement, gekozen vertegenwoordiger of ambtenaar van een Staat een persoon nooit van strafrechtelijke aansprakelijkheid krachtens dit Statuut en vormt dit als dusdanige evenmin een grond voor strafvermindering. Immuniteit of bijzondere procedurele regels die mogelijk verbonden zijn aan de officiŽle hoedanigheid van een persoon krachtens het nationaal of het internationaal recht, vormen voor het Hof geen beletsel voor het uitoefenen van zijn rechtsmacht over deze persoon."

Die bepaling is manifest in strijd met artikel 88 van de Belgische Grondwet dat de absolute onschendbaarheid van de Belgische koning verkondigt. Die absolute onschendbaarheid heeft verschillende betekenissen in de Belgische staatkundige context. Ten eerste betekent het dat de Koning strafrechtelijk volledig onaantastbaar is, zelfs voor gemeenrechtelijke delicten en misdaden. Hij is absoluut onstrafbaar. Ten tweede brengt zijn status in de Belgische context mee dat hij politiek als volledig onverantwoordelijk wordt beschouwd. Ten derde wordt hij ook burgerrechtelijk onaansprakelijk beschouwd. Het is precies die absolute onverantwoordelijkheid die naar de letter en de geest in strijd is met artikel 27 van het Statuut van Rome.

BelgiŽ heeft het Statuut van Rome goedgekeurd en bekrachtigd. Het werd bij wet gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 1 december 2000. Dat gebeurde echter zonder voorafgaande herziening van de Grondwet. Nochtans had ook de Raad van State in zijn advies omtrent het betreffende wetsontwerp heel duidelijk de aangehaalde onverenigbaarheid opgeworpen en gezegd dat die alleen kon worden weggewerkt door een aanpassing van de Grondwet. De Raad van State formuleerde zelfs een eigen voorstel tot aanpassing van de Grondwet. Heel wat landen die het Statuut van Rome hebben ondertekend, hebben hun Grondwet aangepast om onverenigbaarheden weg te werken of minstens initiatieven genomen om die onverenigbaarheden op te heffen. BelgiŽ daarentegen heeft tot vandaag geen enkel initiatief in die richting genomen.

Momenteel bestaat er dus nog altijd een onverenigbaarheid tussen artikel 88 van de Belgische Grondwet en artikel 27 van het Statuut van Rome, en dat ondanks het feit dat BelgiŽ zich er internationaalrechtelijk toe verbonden heeft dit statuut na te leven. De enige deugdelijke oplossing voor dit probleem bestaat er bijgevolg in artikel 88 van de Grondwet zo snel mogelijk te wijzigen.

Maar ook vandaag stellen wij bij de Belgische beleidsverantwoordelijken geen enkele bereidheid vast om, zij het post factum, werk te maken van het in overeenstemming brengen van de Grondwet met de internationaal aangegane verbintenis. Ik zie alvast geen enkel teken dat erop wijst dat de paarse regering de internationale engagementen die zij dienaangaande heeft aangegaan, ten uitvoer wil brengen.

Ook moet worden vastgesteld dat de vorige paarsgroene regering heeft nagelaten artikel 88 van de Grondwet voor herziening vatbaar te verklaren, zodat normaal gezien tijdens de huidige legislatuur artikel 88 van de Grondwet niet kan worden aangepast aan de verplichtingen die BelgiŽ heeft aangegaan. De absolute passiviteit van de vroegere paarsgroene en de huidige paarse regering staat merkwaardig genoeg in schril contrast met de uiterst roekeloze wijze waarop zij is opgetreden tegen bepaalde staatshoofden.

Ik herinner aan de gÍnante genocidewet waarmee BelgiŽ zich internationaal en in diplomatieke kringen niet alleen onsterfelijk belachelijk heeft gemaakt, maar waardoor ook de diplomatieke betrekkingen met een aantal landen voor geruime tijd nodeloos werden verzuurd. Ik herinner ook aan de hardnekkige wijze waarop de voormalige minister van Buitenlandse Zaken, de heer Michel, zich heeft uitgesloofd om bepaalde staatshoofden of voormalige staatshoofden voor de rechter te brengen. Soms was de inspanning, toch voor wat de ten laste gelegde feiten betreft, terecht. Het fanatieke optreden en het feit dat BelgiŽ op eigen houtje handelde in zaken waar het in wezen niets mee te maken heeft, stonden in schril contrast met de absolute passiviteit van de verantwoordelijken in eigen land. Het is natuurlijk veel gemakkelijker en comfortabeler om een intussen machteloos geworden voormalig staatshoofd uit een ver land achterna te jagen dan verantwoordelijkheid in eigen land op te nemen.

Het probleem dat ik aankaart is niet enkel theoretisch of juridisch. Het gaat niet over een aangelegenheid die alleen maar in orde moet worden gebracht omdat BelgiŽ zich internationaal tot iets verbonden heeft. Het gaat integendeel om potentieel zeer denkbare situaties. Het is immers niet ondenkbaar dat een Belgische koning zich vroeg of laat te buiten gaat aan een of meerdere misdaden die door het Internationaal Strafgerechtshof moeten worden bestraft. In een nog niet zo heel ver verleden was er namelijk een Belgische koning van wie wordt gezegd dat hij een genocide op zijn geweten heeft. Het gaat meer bepaald over de onmenselijke methodes die Leopold II heeft gebruikt of heeft laten gebruiken bij de uitbuiting van de bevolking in zijn toenmalige persoonlijke kolonie Congo. Daarbij werden massa's zwarten op gruwelijke wijze afgeslacht. Mocht die misdaad zich vandaag voordoen, dan zou de betrokkene voor zijn misdaden of de misdaden begaan in zijn naam zich moeten verantwoorden voor het Internationaal Strafgerechtshof.

Wat zich toen heeft voorgedaan kan zich vandaag nog herhalen, uiteraard in andere vormen en in andere omstandigheden. Onlangs koos een Belgische kroonprins openlijk partij tegen een Vlaamse partij, niet toevallig de mijne, en tegen ťťn miljoen kiezers. Hij dreigde dat ze met hem te maken zullen krijgen wanneer ze een deel van hun programma uitvoeren. Hij voegde eraan toe dat ze zich daarbij in hem niet moeten vergissen omdat hij, zoals hij zelf zegt, als het moet een taaie is. Ik maak me ongerust over die uitspraken.

Het is dan ook noodzakelijk dat een ongekozen en onschendbaar Belgisch staatshoofd ten volle onderworpen moet zijn aan de bevoegdheden van dat Internationaal Strafgerechtshof, zonder dat daar enige onduidelijkheid over mag blijven bestaan. Bovendien kan volgens de Belgische Grondwet en de Belgische wetten de koning weliswaar nooit alleen handelen, maar anderzijds is tot op heden nog steeds zijn handtekening vereist om de wetten te bekrachtigen. Zijn verantwoordelijkheid in het uitvaardigen van eventuele misdadige wetten kan dus niet zomaar worden weggedacht. Mijn bezorgdheid omtrent de toepasbaarheid van artikel 27 van het Statuut van Rome en de onverenigbaarheid met artikel 88 van de Belgische Grondwet is daarom ook vandaag zeer relevant en kan zeer actueel worden. Daarom de volgende vragen:

Waarom werd nagelaten artikel 88 van de Grondwet voor herziening vatbaar te verklaren?

Erkent de regering dat artikel 88 van de Grondwet in strijd is met artikel 27 van het Statuut van Rome?

Hoe lost de regering het probleem op? Hoe zal BelgiŽ met andere woorden zijn internationale verplichtingen nakomen die het is aangegaan met de ondertekening van het Statuut van Rome, inzonderheid wat artikel 27 van dat Statuut betreft? Overweegt de regering artikel 88 vooralsnog voor herziening vatbaar te verklaren zodat BelgiŽ uiterlijk tijdens de volgende legislatuur zijn verplichtingen op dit punt kan nakomen?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - De vraag om uitleg heeft betrekking op de tegenstelling tussen artikel 27 van het Statuut van het Internationaal Strafgerechtshof en artikel 88 van de Grondwet.

Artikel 27 van het Statuut preciseert dat de internationale immuniteiten, die men gewoonlijk kan inroepen tegen strafrechtelijke vervolgingen die worden ingesteld tegen personen die van die immuniteiten genieten, onwerkzaam zijn wanneer het gaat over misdaden die gepleegd werden door personen die onder de jurisdictie vallen van een staat die partij is bij het Statuut van het Internationaal Strafgerechtshof, misdaden die derhalve behoren tot de bevoegdheid van het Internationaal Strafgerechtshof.

Zoals bekend betreft artikel 88 van de Grondwet de onschendbaarheid van het staatshoofd.

Ik wil eraan herinneren dat de regering een voorstel tot herziening van de Grondwet heeft ingediend, dat ertoe strekt in titel IV van de Grondwet een nieuw artikel 169bis in te voegen inzake het Internationaal Strafgerechtshof en de Internationale Straftribunalen, dat luidt als volgt: "De bepalingen van de Grondwet vormen geen beletsel voor de nakoming door BelgiŽ van zijn internationale verplichtingen die volgen uit de statuten van de internationale strafgerechten, onder de voorwaarden die erin zijn bepaald, met inbegrip van de bepalingen inzake samenwerking."

Dit voorstel tot Grondwetsherziening werd trouwens gesteund door alle democratische partijen van de meerderheid en de oppositie tijdens de besprekingen die hebben geleid tot de goedkeuring van de wet betreffende de samenwerking met het Internationaal Strafgerechtshof en de internationale straftribunalen. Met de indiening van dit voorstel komt de regering de verbintenis na die is aangegaan ten aanzien van het Parlement.

In overleg met de Senaatsvoorzitter, die tevens de Commissie voor de Institutionele Hervormingen voorzit, kan ik meedelen dat het voorstel tot Grondwetsherziening op de agenda staat van de commissievergadering van 16 december.

Het spreekt vanzelf dat ik niet wens vooruit te lopen op de werkzaamheden van de Grondwetgever.