3-967/4

3-967/4

Belgische Senaat

ZITTING 2004-2005

21 DECEMBER 2004


Ontwerp van wet houdende diverse bepalingen


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE JUSTITIE UITGEBRACHT DOOR DE HEER MAHOUX


I. INLEIDING

Zie stuk Senaat, nr. 3-966/5.

II. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE MINISTER VAN JUSTITIE

Zie stuk Senaat, nr. 3-966/5.

III. ALGEMENE BESPREKING

Zie stuk Senaat, nr. 3-966/5.

IV. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING

Artikelen 1 tot 14

Deze artikelen worden elk afzonderlijk, zonder bespreking, aangenomen met 9 stemmen bij 1 onthouding.

Artikelen 15 en 16

Mevrouw Nyssens dient de amendementen nrs. 1 en 2 in (stuk Senaat, nr. 3-967/2), teneinde de artikelen 15 en 16 te doen vervallen.

Indienster acht een programmawet niet het gepaste instrument om de artikelen 46bis en 88bis van het Wetboek van Strafvordering inzake telefoontap te wijzigen. Hierover dient een debat ten gronde te worden gevoerd naar aanleiding van een evaluatie van de wetgeving inzake deze bijzondere onderzoeksmethode. In de voorgestelde wijziging wordt haars inziens onoordeelkundig gebruik gemaakt van het proportionaliteits- en het subsidiariteitsbeginsel om de gerechtskosten te beperken die aan het gebruik van deze onderzoeksmethode verbonden zijn. Gelet op de fundamentele beginselen die bij het gebruik van bijzondere onderzoeksmethodes in het geding zijn, bijvoorbeeld inzake privacy, kan een louter argument van kostenbeheersing op zich niet volstaan om de betrokken artikelen door middel van een programmawet te wijzigen.

De minister repliceert dat, indien er in het ontwerp artikelen voorkomen met een impact op de begroting, het juist de artikelen 15 en 16 zijn. Deze artikelen betreffen echter niet de telefoontap zoals mevrouw Nyssens heeft verklaard, maar wel de identificatie en de opsporing van telefoonabonnees of -gebruikers. Deze onderzoeksmethodes worden echter zo frequent en op zo grote schaal aangewend dat de eraan verbonden gerechtskosten momenteel de pan uit rijzen. Tussen 2000 en 2003 is het hiervoor uitgetrokken budget geŽxplodeerd van 7 miljoen euro naar 17,8 miljoen euro. Er moet dus worden opgetreden. Daarom wordt voorgesteld dat, behoudens het geval van de dringende noodzakelijkheid en de betrapping op heterdaad, de procureur-generaal zijn toestemming dient te verlenen voor het gebruik van deze onderzoeksmethoden indien de eraan verbonden kostprijs in een specifiek dossier een bepaalde drempel overschrijdt.

De minister beklemtoont dat de voorgestelde wijziging geen fundamenteel karakter heeft, maar er enkel toe strekt de parketmagistraten en de onderzoeksrechters bewust te maken van de budgettaire weerslag van het gebruik van deze onderzoeksmethoden.

De heer Hugo Vandenberghe herinnert eraan dat de telefoontap en de ermee samenhangende bijzondere onderzoeksmethoden, zoals die bepaald in de artikelen 46bis en 88bis van het Wetboek van strafvordering, een subsidiair karakter hebben en dus gericht moeten worden toegepast. Vanwege hun doeltreffendheid bestaat echter de verleiding om er gemakkelijk en op ruime schaal mee om te springen. Dat heeft niet alleen gevolgen voor de bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden, er hangt ook een zwaar prijskaartje aan vast.

Spreker is het volstrekt eens met de opmerking van mevrouw Nyssens dat de voorgestelde wijziging een ruimer debat verdient dan wat in het kader van de behandeling van een programmawet mogelijk is. Het kostenplaatje speelt een rol, maar het beleidsaspect weegt ook zwaar. Positief is in elk geval dat het proportionaliteits- en het subsidiariteitsbeginsel, op verzoek van de Raad van State, in deze artikelen worden ingeschreven.

Mevrouw Nyssens belooft dat ze deze aangelegenheid hoe dan ook te berde zal brengen bij de bespreking van het jaarverslag van de minister over de toepassing van de artikelen inzake telefoontap. Zij is van oordeel dat de explosie van de gerechtskosten in dit domein mede toe te schrijven is aan het feit dat de lijst van misdrijven waarvoor deze onderzoeksmethoden kunnen worden aangewend, over de jaren heen steeds weer is uitgebreid.

De heer Hugo Vandenberghe sluit zich hierbij aan. Bij de parlementaire voorbereiding van de telefoontapwet van 30 juni 1994 wou elkeen de beperkte lijst misdrijven waarvoor deze bewakingsmaatregel mogelijk was, uitbreiden met misdrijven die binnen zijn interessesfeer vielen. Zo wilden sommigen milieumisdrijven aan de lijst toevoegen. Dat werd geweigerd omdat men het toepassingsgebied van deze wet beperkt wou houden tot de zware criminaliteit. Milieumisdrijven kunnen daar natuurlijk mee verband houden, maar dat is niet noodzakelijk het geval.

Spreker stelt voor dat de commissie voor de Justitie de bepalingen betreffende de telefoontap en aanverwante onderzoeksmethoden opnieuw onderzoekt in het kader van de bespreking van het wetsvoorstel houdende het Wetboek van strafprocesrecht (stuk Senaat, nr. 3-450/1).

De heer Willems is van oordeel dat de voorgestelde wijzigingen voor een groot deel tegemoetkomen aan de bezorgdheid die bij de bespreking van het voormelde voorstel in de commissie is geformuleerd met betrekking tot de gevaren en de kostprijs van bijzondere onderzoeksmethoden. Spreker schaart zich achter de stelling van de minister dat de oppositie haar ongenoegen juist niet over de artikelen 15 en 16 zou moeten ventileren.

De minister verklaart dat het in artikel 90decies van het Wetboek van strafvordering bedoelde jaarverslag over de toepassing van de telefoontap in het jaar 2004 eind januari 2005 beschikbaar zal zijn.

Ze antwoordt ontkennend op de vraag naar het oorzakelijk verband tussen de uitbreiding van de lijst van misdrijven waarvoor de in de artikelen 46bis en 88bis van het Wetboek van strafvordering bepaalde identificatie en opsporing van telefoonabonnees en -gebruikers kan worden toegestaan, en de explosie van de gerechtskosten. In tegenstelling tot artikel 90ter van het Wetboek van strafvordering, dat de telefoontap slechts toestaat voor een limitatieve lijst misdrijven, kunnen de in de artikelen 46bis en 88bis van het Wetboek van strafvordering bedoelde methoden voor alle misdrijven worden aangewend.

De amendementen nrs. 1 en 2 van mevrouw Nyssens worden verworpen met 8 stemmen tegen 1 stem, bij 1 onthouding.

De artikelen 15 en 16 worden elk afzonderlijk met dezelfde stemmenverhouding aangenomen.

Artikelen 17 tot 19

Deze artikelen worden elk afzonderlijk, zonder bespreking, aangenomen met 9 stemmen bij 1 onthouding.

V. STEMMINGEN

De artikelen verwezen naar de commissie voor de Justitie in hun geheel worden aangenomen met 8 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.

Dit verslag werd eenparig goedgekeurd door de 9 aanwezige leden.

De rapporteur, De voorzitter,
Philippe MAHOUX. Hugo VANDENBERGHE.

De door de commissie aangenomen tekst
(art. 1 tot 19) is dezelfde als de tekst
van het door de Kamer van volksverte-
genwoordigers overgezonden ontwerp
(zie stuk Kamer, nr. 51 1438/009 — 2004/2005)