3-219/4 (Senaat)
312/4 (Kamer)

3-219/4 (Senaat)
312/4 (Kamer)

Belgische Senaat en Kamer van Volksvertegenwoordigers

ZITTING 2003-2004

2 APRIL 2004


De Intergouvernementele Conferentie over de toekomst van de Europese Unie


VERSLAG

NAMENS HET FEDERAAL ADVIESCOMITÉ VOOR DE EUROPESE AANGELEGENHEDEN

UITGEBRACHT DOOR DE HEREN
GALAND (S) EN VAN ROMPUY (K)


I. INLEIDING

Op 23 en 30 maart 2004 werden vergaderingen georganiseerd met de heer Guy Verhofstadt, eerste minister, en mevrouw Frédérique Ries, staatssecretaris voor Europese Zaken en voor Buitenlandse Zaken, toegevoegd aan de minister voor Buitenlandse Zaken, over de agenda en de resultaten van de Europese Raad van 25 en 26 maart 2004. Een deel van deze Europese Raad had betrekking op de Intergouvernementele Conferentie (IGC). In dit verslag werden de opmerkingen hieromtrent opgenomen.

De behandelde punten die geen betrekking hadden op de IGC, werden opgenomen in een verslag gepubliceerd in stuk nr. 3-567/1 van de Senaat en stuk nr. 51-988/1 van de Kamer van volksvertegenwoordigers.

Zoals gebruikelijk organiseert het Federaal Adviescomité voor de Europese Aangelegenheden tijdens de hele duur van die IGC geregeld ontmoetingen met de vertegenwoordigers van de regering, zodat het Parlement de werkzaamheden van de IGC doeltreffend kan volgen. De IGC werd officieel geopend op 4 oktober 2003 te Rome, tijdens een vergadering van de staatshoofden en regeringsleiders.

Het adviescomité wijdde reeds vier vergaderingen aan de IGC. Op woensdag 8 oktober 2003, dinsdag 21 oktober 2003, woensdag 3 december 2003 en woensdag 17 december 2003 nam de heer Guy Verhofstadt, eerste minister, aan deze debatten deel (stukken nrs. 3-219/1 en 3 van de Senaat, nrs. 51-312/1 en 3 van de Kamer).

Op woensdag 26 november 2003 hield de heer Pierre Chevalier, senator en persoonlijk vertegenwoordiger van de eerste minister en van de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken, een uiteenzetting over de stand van zaken in de IGC (stuk nr. 3-219/2 van de Senaat, nr. 51-312/2 van de Kamer).

II. GEDACHTEWISSELING MET DE HEER GUY VERHOFSTADT, EERSTE MINISTER, BETREFFENDE DE AGENDA VAN DE EUROPESE RAAD VAN 25 EN 26 MAART 2004 ­ VERGADERING VAN 23 MAART 2004

1. Uiteenzetting door de eerste minister

De Intergouvernementele Conferentie zal als tweede agendapunt aan bod komen tijdens de Europese Raad. De Ierse eerste minister zal de Raad een rapport bezorgen met daarin de resultaten die hij heeft bereikt bij het raadplegen van zijn EU-ambtgenoten. In het kader van die bilaterale raadplegingsronde is eerste minister Guy Verhofstadt immers als eerste regeringsleider naar Dublin afgereisd, te weten op 8 januari 2004.

De jongste parlementsverkiezingen in Spanje hebben de kaarten danig door elkaar geschud. Het is nu denkbaar dat de werkzaamheden van de Intergouvernementele Conferentie nog tijdens het Ierse voorzitterschap worden afgerond. Het rapport dat het Ierse voorzitterschap terzake zal uitbrengen, moet de contouren schetsen van een ­ thans tot de mogelijkheden behorend ­ akkoord over de Europese Grondwet. Er zit een oplossing in de pijplijn voor het vraagstuk omtrent een afslanking van de Commissie op middellange termijn. Voorts zijn er kansen op een akkoord over de dubbele meerderheid zonder dat daartoe afspraakclausules nodig zijn.

Tevens kan grote vooruitgang worden geboekt op het stuk van de gekwalificeerde meerderheid, zeker in aangelegenheden als justitie en binnenlandse zaken. In laatstgenoemde aangelegenheid moet worden gestreefd naar een eindresultaat dat zo dicht mogelijk bij de tekst van de Conventie aanleunt. Na de aanslagen in Madrid is het immers onontbeerlijk werk te maken van het ambt van Europees procureur, alsook ervoor te zorgen dat justitie en binnenlandse zaken hoekstenen worden van het Europees beleid.

2. Gedachtewisseling

Mevrouw Anne Van Lancker, Europees parlementslid, plaatst vraagtekens bij het bestaan van de afspraakclausules. Ter illustratie haalt zij de mogelijkheid aan om in 2004 over te stappen naar een nieuwe besluitvormingsprocedure (eenparigheid), behalve indien daar met een gekwalificeerde meerderheid anders over wordt beslist. Het zou verwonderlijk zijn, mocht de gekwalificeerde meerderheid van toepassing zijn voor aangelegenheden die niet noodzakelijk synoniem zijn van vooruitgang, terwijl daarentegen eenparigheid zou worden vereist voor alle aangelegenheden die de Unie vooruithelpen.

In verband met de dubbele meerderheid vindt mevrouw Van Lancker dat een verhoging van de demografische drempel Polen in staat zou stellen zonder gezichtsverlies een oplossing te aanvaarden. De Polen hebben onlangs laten weten dat slechts twee scenario's hun voldoening schenken. Over welke scenario's gaat het ?

Momenteel legt het Ierse voorzitterschap zich toe op een twintigtal resterende knelpunten. Er kan geen sprake van zijn inzake justitie en binnenlandse aangelegenheden de klok terug te draaien, net zoals het onaanvaardbaar zou zijn toegevingen te doen inzake de coördinatie van de sociale zekerheid en de fiscaliteit.

De heer François Roelants du Vivier, senator, vraagt zich af of Polen zijn standpunt zal handhaven, dan wel of de regeringswissel in Spanje tot een versoepeling van het Poolse standpunt kan leiden.

3. Antwoord van de eerste minister

Wat de Europese Grondwet betreft, is België geen voorstander van de invoeging van afspraakclausules, maar ons land steunt wel de dubbele meerderheid. Het is moeilijk om nu al te weten welke percentages zullen worden gehanteerd. Ze mogen in geen geval te hoog liggen.

België heeft aan het Ierse voorzitterschap een compromisoplossing voorgesteld die erin bestaat gebruik te maken van twee verschillende meerderheden : een percentage van 60 % voor de meeste bevoegdheden van de Europese Unie en een percentage van tweederde (66 %) voor een beperkt aantal aangelegenheden, zoals de financiële vooruitzichten.

België houdt er in de berekening van de dubbele meerderheid niet dezelfde redenering op na als de grote lidstaten. Het gaat er niet om kost wat kost een oplossing te vinden die een blokkeringsminderheid mogelijk maakt. De Belgische regering streeft ernaar een oplossing te vinden die tot doel heeft zo snel en zo doeltreffend mogelijk een gekwalificeerde meerderheid te bereiken. Het voorstel van de Conventie moet blijven gelden als uitgangspunt voor de werkzaamheden. De Conventie heeft reeds alle andere scenario's terzake onderzocht en verworpen.

De Poolse eerste minister heeft onlangs aangegeven dat hij bereid is het voorstel van de Conventie te bespreken. Dat is een stap vooruit in vergelijking met het standpunt dat Polen tot nu toe heeft voorgestaan.

III. GEDACHTEWISSELING MET MEVROUW FRÉDÉRIQUE RIES, STAATSSECRETARIS VOOR EUROPESE ZAKEN EN VOOR BUITENLANDSE ZAKEN, TOEGEVOEGD AAN DE MINISTER VOOR BUITENLANDSE ZAKEN, BETREFFENDE DE RESULTATEN VAN DE EUROPESE RAAD VAN 25 EN 26 MAART 2004 ­ VERGADERING VAN 30 MAART 2004

1. Uiteenzetting door mevrouw de staatssecretaris

De Europese Raad heeft beslist dat een akkoord aangaande het grondwettelijk verdrag uiterlijk tijdens de Europese Raad van 17 en 18 juni 2004 zal moeten worden gesloten.

2. Gedachtewisseling

De heer Philippe Mahoux, voorzitter van de senaatsdelegatie in het Federaal Adviescomité voor de Europese Aangelegenheden, is verheugd dat het Ierse voorzitterschap nieuwe voorstellen betreffende de IGC zal doen aan het einde van zijn voorzitterschap.

Men mag echter niet vergeten dat, wat ook de uiteindelijke beslissing van de Europese Raad zal zijn, het constitutioneel verdrag dient te worden geratificeerd door de 25 lidstaten van de Europese Unie. De inhoud van dit verdrag is dan ook van groot belang.

Men moet dan ook opmerken dat onder andere de syndicale wereld van oordeel is dat het huidige voorstel zeer zwak is op het vlak van sociale rechten. Zelfs indien men het handvest van de grondrechten opneemt in dit constitutioneel verdrag, zal van de gelegenheid gebruik moeten worden gemaakt om fundamentele verbeteringen aan te brengen op het vlak van (afdwingbare) sociale rechten.

Ook inzake het beruchte artikel 51, blijven er problemen. De verwijzing naar de godsdienst zorgt voor tegenkanting, ook al is de preambule op dat vlak aanvaardbaar.

De rapporteurs, De voorzitters,
P. GALAND (S), Ph. MAHOUX (S),
H. VAN ROMPUY (Ch). H. DE CROO (K).

BIJLAGE

CONCLUSIES VAN HET VOORZITTERSCHAP EUROPESE RAAD VAN BRUSSEL 25-26 MAART 2004

1. De Europese Raad is op 25 en 26 maart 2004 te Brussel bijeengekomen voor zijn jaarlijkse vergadering over de strategie van Lissabon en over de economische, sociale en ecologische situatie in de Europese Unie. Hij heeft voorts een verslag van het voorzitterschap ontvangen over de Intergouvernementele Conferentie, een verklaring betreffende de bestrijding van terrorisme aangenomen en beraadslaagd over een aantal aangelegenheden in verband met internationale ontwikkelingen.

2. De vergadering werd voorafgegaan door een uiteenzetting van de voorzitter van het Europees Parlement, de heer Pat Cox, waarna een gedachtewisseling over de belangrijkste onderwerpen van de agenda volgde.

I. INTERGOUVERNEMENTELE CONFERENTIE

3. De Europese Raad heeft zich ingenomen getoond met het verslag van het voorzitterschap over de Intergouvernementele Conferentie en met de beoordeling van de vooruitzichten op vooruitgang. Hij verklaarde opnieuw vast voornemens te zijn overeenstemming te bereiken over het constitutioneel verdrag, als een instrument waarmee de Unie beter kan inspelen op de verlangens van de burger en een effectievere rol in de wereld kan spelen. De Europese Raad was het erover eens dat het elan van de Conventie en van de tot op heden gevoerde besprekingen van de Intergouvernementele Conferentie behouden moet blijven.

4. Op basis van een aanbeveling van het voorzitterschap heeft de Europese Raad het voorzitterschap verzocht zijn overleg voort te zetten en er zorg voor te dragen dat de formele besprekingen door de Intergouvernementele Conferentie zo spoedig als passend is worden hervat. De Europese Raad besloot dat uiterlijk in juni 2004 door de Europese Raad een akkoord dient te worden bereikt over het constitutioneel verdrag.