3-492/1

3-492/1

Belgische Senaat

ZITTING 2003-2004

4 FEBRUARI 2004


Voorstel van resolutie met betrekking tot het statuut van journalisten en redacties ten einde de optimale uitoefening van de vrijheid van informatie en van hun overige democratische opdrachten van openbare dienstverlening te waarborgen

(Ingediend door de heren Philippe Mahoux en Jean Cornil)


TOELICHTING


Heeft de journalistiek een rol te spelen in een democratisch bestel zoals we dat in ons land kennen sinds de onafhankelijkheid ? Een schijnbaar onbeduidende vraag, die verwijst naar de tegenstelling tussen de democratische legitimiteit die inherent is aan de functie van journalist, en de economische eisen waaraan dat beroep voortaan onvermijdelijk moet voldoen.

Zonder hier dieper in te gaan op de concentratiebeweging van persgroepen op het internationaal niveau en de gevolgen daarvan kunnen we stellen dat de economische en juridische context waarin een journalist werkt, die van de vrije concurrentie is. In BelgiŽ net zoals in de overige Europese landen heeft de forse economische druk die op de redacties weegt ≠ ongeacht of het gaat om de schrijvende pers, de audiovisuele media of de on-line media ≠ tot gevolg dat het product van het journalistenberoep geleidelijk aan tot zijn strikte handelswaarde wordt herleid.

Het huidige managementmodel van de persorganen is steeds meer gericht op zoniet het behouden dan toch het vergroten van de hoeveelheid te verwerken informatie, terwijl tegelijk de personeelskosten en de tijd die aan de informatieverwerking wordt besteed steeds maar moeten verminderen. Daaruit vloeit met name een gebrek aan journalistiek werk in het veld voort, wat dan weer de sterke afhankelijkheid van de Belgische media in de hand werkt ten aanzien van de persgroepen die de voornaamste mondiale persbureaus in handen hebben.

Is de voorwaarde van economische winst waaraan de pers moet voldoen, verenigbaar met zijn democratische rol ? Kan zo de werkelijk informatieve en kritische functie van de pers gevrijwaard blijven ? Zijn de journalisten nog in staat een deontologie na te leven in de sociaal-economische omstandigheden waarin ze heden moeten werken ? Kan de pers zijn opdracht van democratisch tegenwicht in het belang van de gemeenschap nog vervullen ?

Door het accent te leggen op het kwantitatieve aspect van de informatie en de verspreiding daarvan zadelen de persorganen hun journalisten op met werkomstandigheden die moeilijk te verenigen zijn met de oorspronkelijke opdracht van de pers, die erin bestaat gecontroleerde, controleerbare en voldoende correcte informatie te verspreiden om een pedagogische rol te kunnen spelen en voorts een publieke opinie op te bouwen, want dat komt onze democratie ten goede.

Door het onzekere statuut alsook het helse werktempo ≠ met name verscheidene artikels of reportages per dag ≠ waarmee talrijke journalisten geconfronteerd worden, krijgen ze materieel nog nauwelijks gelegenheid en tijd om de informatie na te trekken, wat nochtans onontbeerlijk is voor de kwaliteit en de relevantie van de informatieverstrekking.

Laten we verwijzen naar het voorbeeld van de crisis die een van de grootste persgroepen van ons land onlangs heeft getroffen en die tot het verlies van talrijke banen heeft geleid en aan de basis ligt van het onmiskenbare voornemen om steeds meer te gaan produceren met steeds minder personeel (met name door eveneens technische taken aan journalisten toe te wijzen). De mogelijkheid van een nieuwe fusie met een andere groep of zelfs van het regelrecht opdoeken van de persgroep blijft hem als een zwaard van Damocles boven het hoofd hangen.

We vermelden ook het geval van een in BelgiŽ gratis verspreide krant, waarvan de redactie is samengesteld uit een kleine minderheid van loontrekkende beroepsjournalisten en een overgrote meerderheid van freelancers, beginnelingen, stagiairs of studenten en die geen eigen productie noch diepgravende duiding of achtergrondjournalistiek brengt, maar zich tevreden stelt met informatie gebaseerd op het overnemen van de berichten van persbureaus.

Wat de audiovisuele pers betreft willen we afsluiten met het voorbeeld van een televisiezender, waarvan de redactie op dezelfde leest is geschoeid als vermeld in vorige alinea, maar waarbij de professionele flexibiliteit van de journalisten maximaal op de proef wordt gesteld in navolging van de beeldjournalisten van een concurrerend station, die verscheidene beroepsbezigheden tegelijk moeten opnemen en simultaan de diverse technische fasen in de informatieketen van een televisiestation voor lokale producties moeten uitvoeren.

Op collectief vlak is het overduidelijk dat het onzekere statuut van journalisten in de hand wordt gewerkt door het gebrek aan een specifieke regeling van de collectieve arbeidsbetrekkingen voor persbedrijven.

Daarbij komt nog dat de Belgische pers ook af te rekenen heeft met een achterhaalde regeling inzake juridische aansprakelijkheid wanneer die wordt toegepast op de uitoefening van de vrijheid van informatie in verband met de politieke overheid en de economische machten. Door de herhaalde rechtszaken tegen de pers en de financiŽle sancties die daaruit voortvloeien wordt de journalisten ontraden een kritische en onderzoekende houding aan te nemen ten aanzien van diezelfde autoriteiten en machten.

Vele redacties zijn voortaan minder uit op echte onderzoeksjournalistiek dan op ę kantoorjournalistiek Ľ. De uitdrukking mag dan al oneerbiedig klinken, de pers zal toch moeten toegeven dat, buiten enkele kopstukken die weinig representatief zijn voor de rest van het beroep, het voortaan meer aankomt op het meedelen en doorgeven van ontvangen berichten dan op het vergaren, opbouwen en situeren van informatie in een ruimere context.

De meeste journalisten komen vandaag de dag aan hun informatie via de telefoon, de computer, de berichten van een persbureau, via een samenvattend verslag van een persconferentie of via een televisietoestel voor de uitwisseling van beelden georganiseerd door de European Broadcasting Union (EBU). Zo komen we steeds dichter bij een standaardisering en een uniformisering van de informatie. Dat soort eenheidsworst valt niet bij iedereen in de smaak wanneer het gaat om de taak van de pers, namelijk het ontwikkelen van het democratisch proces.

Over het algemeen gaat achter een lovenswaardig voorwendsel, namelijk het publiek behagen, maar al te vaak een verholen streven naar budgettaire bezuinigingen schuil en die zorg ≠ die in veel gevallen maar een handigheidje is ≠ heeft geen andere bestaansreden dan het rechtvaardigen van minder dure en meer toegankelijke informatie, die listig geregisseerd wordt en van de ontvanger geen enkele inspanning verwacht omdat ze meer aansluit bij entertainment dan bij een grondige en diepgravende duiding.

De fundamentele rol van de journalist bij het instandhouden van de democratie lijkt sterk op een opdracht van openbare dienstverlening, die geen enkele staat overigens kan missen. De Franse filosoof en politicus Montesquieu formuleerde al zeer gevat over die rol dat ę le pouvoir arrÍte le pouvoir Ľ. Het vormt de grondslag van ons systeem van scheiding der machten. Daar ligt ook de grondslag van de functie van de pers, namelijk een democratisch tegenwicht zijn in een informatiemaatschappij die aan de regels van de vrije concurrentie van goederen en diensten onderworpen is.

Aan die opdracht van openbare dienstverlening, die specifiek aan de pers wordt gegeven, hangt een prijskaartje net zoals aan andere dergelijke opdrachten of aan de universele dienstverlening die aan andere instellingen is toegewezen. Ze geniet een intrinsieke erkenning omdat de gemeenschappen in ons land de pers subsidiŽren. Aangezien de Europese Unie voortwerkt aan haar onderzoeksopdracht naar overheidssteun die de vrije concurrentie op de markt in de weg staat, valt te vrezen dat die subsidies van de gemeenschappen minstens aanleiding zullen geven tot een vraag om informatie en verantwoording.

Daarom is het de taak van de overheid, die blijk moet geven van een vooruitziend beheer van de belangen van de democratie, de opdrachten van openbare dienstverlening van de pers te erkennen en wettelijk te regelen door het definiŽren van de bijbehorende rechten en plichten met inbegrip van een regeling inzake financiŽle steunmaatregelen die samenvallen met de Europese regelgeving.

Diverse denksporen liggen open. We denken met name aan mechanismen van overheidstoelagen die binnen de redacties afhankelijk kunnen worden gesteld van het naleven van criteria die eigen zijn aan opdrachten van publieke dienstverlening. We denken ook aan een quotum, een verdeelsleutel tussen het aantal loontrekkende en zelfstandige journalisten waaraan elke redactie zich moet houden om aanspraak te kunnen maken op zijdelingse steunmaatregelen ten behoeve van de pers zoals verlaging van de sociale lasten; aan het uitwerken van een statuut voor redacteursondernemingen, voor beroepsverenigingen, hun respectieve vertegenwoordigers en hoofdredacteurs; aan het uitbreiden van het recht om kritiek te leveren op het optreden van overheden en rechtspersonen; aan het uitbreiden van de bescherming en de toegankelijkheid van informatiebronnen voor journalisten (waarover momenteel twee wetsvoorstellen bestaan) en over het algemeen aan het bestrijden van de concentratie van kapitaal in de sector van de informatiepers.

Philippe MAHOUX.
Jean CORNIL.

VOORSTEL VAN RESOLUTIE


De Senaat,

A. gezien de noodzaak tot het veiligstellen van de mogelijkheid die de pers bezit om zijn rol van tegenwicht te spelen ten opzichte van de wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke macht;

B. overwegende dat de beleidsbeslissingen inzake het beheer van de persorganen niet mogen raken aan de kwaliteit van de informatie die alle informatieverstrekkers moeten leveren, noch aan de mogelijkheid die ze hebben om die na trekken;

C. gezien het veelvoud van informatiemedia en de commerciŽle concurrentie waartoe die leidt;

D. gezien de noodzaak om het gewicht van de economische eisen te beheersen die wegen op de vrijheid van informatie en op het recht van alle maatschappelijke en culturele groepen om te kunnen beschikken over een zo ruim mogelijke informatie als bron van maatschappelijke vooruitgang;

E. gezien tevens de dreiging die rust op de pluraliteit van de persorganen, zowel de schrijvende als de audiovisuele pers, en de mogelijke gevolgen daarvan voor de objectiviteit van de totale hoeveelheid informatie aangeboden aan de publieke opinie;

F. gezien de kostprijs van gediversifieerde en objectieve informatie;

G. herinnerend aan de verklaring inzake de vrijheid van meningsuiting en informatie goedgekeurd door het Comitť van ministers van de Raad van Europa van 29 april 1982;

H. herinnerend aan resolutie nr. 2 van de Vierde Europese Conferentie inzake massamediabeleid (Praag 7 en 8 december 1994);

I. herinnerend aan de wetgeving betreffende het statuut van loontrekkende werknemers en van zelfstandige werknemers;

J. vaststellend dat een specifiek statuut ontbreekt voor redacteursondernemingen, beroepsverenigingen, hun respectieve vertegenwoordigers en hoofdredacteurs.

K. vaststellend dat er geen specifiek gemengd paritair comitť bestaat, waar de problemen in verband met de pers en het journalistenvak op de agenda kunnen komen;

1. benadrukt de noodzaak van het definiŽren van criteria in verband met de journalistieke opdrachten van openbare dienstverlening, waaraan moet worden voldaan opdat de persberoepen indirecte economische steun zoals verlaging van sociale of fiscale lasten kunnen ontvangen; de vereniging van beroepsjournalisten evalueert en controleert de toekenning van die steun.

2. benadrukt de noodzaak van een ruimere bescherming van en toegang tot de informatiebronnen voor journalisten;

3. benadrukt de noodzaak om het recht te waarborgen om kritiek te uiten op onder meer overheden en rechtspersonen;

4. verbindt er zich toe met deze resolutie alle organisaties uit het maatschappelijk middenveld, de democratische instellingen, persbedrijven, redacties, journalisten, beroepsverenigingen, vakbondsorganisaties, academici en andere daartoe relevante beroepen actief in het debat te betrekken;

5. besluit:

5.1. alle nodige maatregelen te nemen om in de Belgische rechtsorde om te zetten het resultaat van de werkzaamheden van de Vierde Europese InterministeriŽle Conferentie over massa-mediabeleid, ę De media in een democratische samenleving Ľ (Raad van Europa, Praag 7 en 8 december 1994);

5.2. in het Parlement te beginnen met hoorzittingen, een reflectie en werkzaamheden om te komen tot de afbakening van een aantal beleidslijnen en acties die de maatschappelijke en democratische verantwoordelijkheden van de pers in overeenstemming brengen met de commerciŽle en economische vereisten;

5.3. in dat verband een voorstel tot kaderwet met betrekking tot het algemeen statuut van de journalist uit te werken;

6. adviseert de federale regering de nodige maatregelen te treffen voor het instellen van een gemengd paritair comitť voor journalisten, redacties en persconcerns, dat tevens bevoegd is voor het management van bovenvermelde economische steun die wordt toegekend zoals beschreven onder punt 1.

7 januari 2004.

Philippe MAHOUX.
Jean CORNIL.